CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4 DEF-Plan_bijlage 2 Programma van Eisen.pdf

RAAD 27 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de vestiging van het toekomstige Nationaal Slavernijmuseum op het Java-eiland (VN2024-007214)27.891 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

10 alinea's met “opening”: 177 361 774 780 805 827 833 851 864 1029

Plan voor de oprichting en bouw van het Nationaal Slavernijmuseum

bijlage 2

Programma van Eisen

Plan voor de oprichting en bouw van het Nationaal Slavernijmuseum

bijlage 2

Programma van Eisen

Februari 2024 Dit Programma van Eisen kwam tot stand in samenwerking tussen adviesbureau ToornendPartners en de kwartiermakers van het Nationaal Slavernijmuseum. 2

Programma van Eisen

Inhoud

1

Inleiding

7

2

Programma van Eisen

8

2.1

Demarcatie casco+

8

2.2

Doel en gebruik

9

2.3

Nadere uitwerking: detailprogramma’s

10

2.4

Leeswijzer

10

3

4

5

6

Technische eisen

58

6.1

Toelichting

58

6.2

Principe: verantwoord materiaalgebruik

59

6.3

Principe: onderhoud

60

6.4

Principe: klimaatcondities

60

6.5

Principe: collectieveiligheid

63

6.6

Bouwkundige eisen

70

Uitgangspunten ontwerpuitwerking

14

6.7

Bouwfysische eisen

73

3.1

Referentiebeelden werkbezoek VS

14

6.8

Installatie-eisen

74

3.2

Duurzaam ontwikkelen

14

6.9

Beveiliging

75

3.3

Universeel ontwerp

18

6.10 Technische voorzieningen

75

3.4

Flexibel gebruik

20

6.11 Terreinafwerking

75

3.5

Wet- en regelgeving, normen en richtlijnen

20

Inrichting

76

3.6

Periodieke verificatie en actualisatie

21

7.1

Vaste inrichtingen

76

7.2

Losse inrichtingen

77

Ruimtelijk en functioneel programma

24

4.1

Het museale concept

24

4.2

Ruimteclusters

27

4.3

Toelichting ruimtestaat

27

4.4

Samenvatting ruimteprogramma

48

7

Appendices Demarcatielijst taken en verantwoordelijkheden

79

Referentiebeelden werkbezoek VS

85

Ruimtelijke verkenning

50

Ruimtestaat

115

5.1

Ruimtemodellen

50

Gevisualiseerd ruimteprogramma

131

5.2

Model A

50

Ruimtemodellen

135

5.3

Model B

54 Niets uit dit document mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, daaronder mede begrepen gehele of gedeeltelijke bewerking van het document, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ToornendPartners en de gemeente Amsterdam.

Programma van Eisen

5

1

Inleiding

In Vertel het hele verhaal – Plan voor een Nationaal Slavernijmuseum worden onder andere de inhoud, het museale concept, de organisatie, de voorkeurslocatie en de financiën van het museum toegelicht. Bij het plan zijn diverse bijlagen opgenomen om het geheel te ondersteunen en te verduidelijken. Dit document maakt integraal onderdeel uit van het plan voor de oprichting van een Nationaal Slavernijmuseum. Het geeft vanuit het museale concept in dit plan een eerste functionele, ruimtelijke en technische vertaling voor het fysieke museumgebouw. Het Programma van Eisen (PvE) vormt een belangrijk uitgangspunt voor de toekomstige selectie van de architect en adviseurs. Voorafgaand aan de start van de architectenselectie zal dit document nog worden bijgewerkt aan de hand van de laatste inzichten en de adviezen die nog volgen uit de besluitvorming door gemeente Amsterdam en de Rijksoverheid.

6

Programma van Eisen

7

2

2.1

Programma van Eisen

Demarcatie casco+ Het nieuwe museumgebouw zal naar verwachting door de gemeente Amsterdam gerealiseerd worden en ook eigendom worden van de gemeente. Het gebouw zal analoog aan andere cultuurgebouwen na oplevering in de stad verhuurd worden aan de instelling die er gebruik van maakt. Voor het Nationaal Slavernijmuseum zal een stichting worden opgericht die exploitant en de (hoofd)huurder van het nieuwe museumgebouw zal zijn: de museumorganisatie. Met de toekomstige museumorganisatie worden te zijner tijd binnen de gemeente gebruikelijke afspraken gemaakt over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van het toekomstig onderhoud en beheer van het gebouw en het park. De gemeente en de museumorganisatie zullen allebei een deel van het geheel aan taken en verantwoordelijkheden verzorgen. De demarcatielijn die voor het toekomstig onderhoud en beheer geldt, bepaalt ook de verdeling van de taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van de ontwikkeling van het gebouw. Dit houdt op hoofdlijnen in dat de gemeente Amsterdam verantwoordelijk is voor het casco van het gebouw, een deel van de afwerkingen en dat de gemeente nog een aantal andere zaken zal meenemen zoals technische voorzieningen ten behoeve van de inrichting. Dit wordt bij elkaar aangeduid als het ‘casco+’.

De toekomstige museumorganisatie is als exploitant te zijner tijd verantwoordelijk voor de gebruikersinrichting zoals bijvoorbeeld vitrines voor vaste en tijdelijke presentaties, voor andere museum specifieke onderdelen en voor de vaste en losse gebruikersinrichting (tafels, stoelen etc.). Ter illustratie van de verdeling is als appendix 1 een voorbeeld demarcatielijst opgenomen van een ander gemeentelijk museumgebouw. Het PvE beschrijft primair de eisen die de gemeente Amsterdam stelt aan het ontwerp en de bouw van het casco+ van het toekomstige museumgebouw en ook het park. Omdat uiteindelijk een integraal functioneel en technisch samenhangend geheel opgeleverd moet worden, wordt ook richting gegeven aan onderdelen waar de museumorganisatie verantwoordelijk voor is. In opdrachten die te zijner tijd aan het ontwerp- en adviesteam gegeven zullen worden, zal deze demarcatie waar nodig meer specifiek gemaakt worden.

8

Programma van Eisen

2.2

Doel en gebruik Een PvE kan verschillende doelen dienen en het kan ook op verschillende wijzen gebruikt worden. Een PvE is altijd maatwerk, omdat bouwen een project is: er dient een uniek, eenmalig product te worden opgeleverd. De wijze waarop het PvE gebruikt zal worden, wordt onder andere bepaald door de contractstrategie voor de ontwikkeling en bouw van het project. Dit PvE is opgesteld ervan uitgaande dat een overwegend traditioneel ontwikkel- en bouwproces doorlopen zal worden voor de totstandkoming van het museumgebouw. In dat proces heeft en houdt de gemeente Amsterdam als opdrachtgever van de ontwikkeling, door middel van het intern projectmanagementbureau, de ‘touwtjes’ zelf in handen. Er zal gewerkt worden volgens de principes van het projectmatig werken. Dit houdt in dat de benodigde resultaten om tot het eindresultaat te komen in fasen tot stand worden gebracht, binnen taakstellende kaders die door de opdrachtgever voor het project zijn vastgesteld, zoals voor het budget en de planning. Uitgaande van dit procesmodel is het primaire doel van het PvE om het kader voor de ‘kwaliteit’ te beschrijven. Het bevat de uitgangspunten voor het ontwerp dat door het ontwerpteam, onder meer bestaande uit een architect en een breed scala aan andere adviseurs, uitgewerkt dient te worden. Het PvE dient een aantal doelen. Het is onder andere een: •

CONTRACTSTUK: het PvE beschrijft de beoogde functionele en technische kwaliteit van het eindresultaat dat door middel van een ontwerp voor het nieuwe gebouw uiteindelijk tot stand gebracht moet worden. Het bevat uitgangspunten en randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het ontwerp en het is een taakstellend kader voor alle betrokken partijen die uitwerking aan het PvE moeten geven. De opdracht aan te betrekken adviseurs en ontwerpers is om de inhoud van het PvE dusdanig uit te werken in advies- en ontwerpdocumenten zodat het eindresultaat aantoonbaar aan het PvE voldoet.

• TOETSINGSKADER: het ontwerpproces bestaat uit verschillende opeenvolgende fasen waarin het ontwerp beginnend bij een ontwerp op hoofdlijnen, iedere fase meer gedetailleerd wordt uitgewerkt tot op het punt dat het ontwerp gereed kan worden gemaakt voor uitvoering. De tijd, het inzicht in functionaliteit en het ontwerp kunnen leiden tot wijzigingen in het PvE. Na elke fase controleert de opdrachtgever of het ontwerp voldoet aan de uitgangspunten zoals vastgelegd in het PvE. Eventueel door de opdrachtgever geaccordeerde afwijkingen of wijzigingen worden bij een faseovergang vastgelegd in een fasedocument en prevaleren nadien boven het PvE. •

STURINGSMIDDEL: de opdrachtgever van een project houdt rekening met de kosten van het project en moet zekerheid hebben dat het project gedurende de looptijd steeds binnen budget blijft. Op basis van het geformuleerde ambitieniveau voor het museumgebouw en de visie ten aanzien van de toekomstige exploitatie, zijn door de gemeente Amsterdam kostenkengetallen bepaald voor de bouwopgave. Op het moment van het opstellen van het PvE is een aanzienlijk deel van het benodigde budget beschikbaar, maar nog niet het gehele bedrag. Met behulp van het PvE kan de gemeente Amsterdam gedurende alle projectfasen actief sturen op de aansluiting tussen de beoogde bouwopgave en de beschikbare middelen.

9

•

2.3

COMMUNICATIEMIDDEL: het PvE is een communicatiemiddel en heeft mede als doel discussies te voorkomen. Het dient zo eenduidig mogelijk te zijn om interpretatieverschillen en discussie over het beoogde resultaat te voorkomen. Een heldere definitie van de ontwerpopgave en van de eisen die eraan gesteld worden, draagt daaraan bij.

Nadere uitwerking: detailprogramma’s Het PvE bevat de uitgangspunten voor het ontwerp van het museumgebouw en de eisen die daar door de gemeente Amsterdam aan worden gesteld. Met het PvE in handen kan na besluitvorming en de aanstelling van het ontwerp- en adviesteam, het ontwerp van het museumgebouw ter hand genomen worden. Voor de uiteindelijke realisatie echter, zullen diverse onderwerpen nader uitgewerkt moeten worden in separate deelprogramma’s van eisen. Deze volgen later omdat de betreffende eisen mede afhankelijk zijn van de locatiekeuze en ook van ontwerpkeuzes in de fasen Voorontwerp en Definitief Ontwerp. Ook is de expertise van deskundigen die te zijner tijd deel uitmaken van het ontwerp- en adviesteam nodig voor deze nadere uitwerking. Gedacht wordt aan de volgende deelprogramma’s van eisen: •

detaillering van de toegankelijkheid van binnen- en buitenruimten;

•

landschapsontwerp met beplantingsplan;

•

duurzaamheidsmaatregelen voor het gebouw, de installaties en ook voor de uitvoering;

•

brandveiligheidsinstallaties;

•

toegangscontrole;

•

detectie en objectbeveiliging;

•

CCTV;

•

kantoornetwerk, data en voip;

•

keuken- en horeca-inrichtingen;

•

winkelinrichtingen;

verband met afschrijvingen. In de praktijk echter, ook gelet op de inzet van schaarse middelen en grondstoffen, moet een gebouw veel langer meegaan dan dat. Een vaste presentatie in een museum gaat 10 tot 15 jaar mee. Dan is het tijd voor een frisse wind, het verleggen van accenten in het museale concept en in het verhaal dat het museum vertelt. Een museum staat midden in de samenleving en de actualiteit en reageert daarop. Een tijdelijke presentatie of tentoonstelling heeft doorgaans een levensduur van een aantal maanden. Door de relatieve tijdelijkheid van de presentaties vergeleken met het museumgebouw, moet het gebouw altijd inhoudelijke veranderingen in de tijd op kunnen vangen. Dit is niet alleen vanuit functioneel opzicht noodzakelijk. Het is ook een kwestie van duurzaam en toekomstgericht bouwen. In het PvE worden op basis van de nu beschikbare stukken en inzichten de ruimtelijk functionele eisen beschreven die aan de locatie en aan het museumgebouw worden gesteld. De uitgangspunten voor die inhoud zijn in hoofdstuk 2 en in hoofdstuk 3 beschreven. Het functioneel ruimtelijk programma voor het museumgebouw wordt in hoofdstuk 4 behandeld. Dat bevat de uitwerking van de ruimtebehoefte uitgedrukt in ruimteclusters in de ruimtestaat. In hoofdstuk 5 is de ruimtebehoefte uitgewerkt in een tweetal ruimtemodellen.

De modellen zijn bedoeld ter toetsing van de toekomstige locatie. Er wordt in het PvE ook technisch inhoudelijke uitwerking gegeven aan de ruimten en voorzieningen behorende bij het ‘casco +’. Dit komt in hoofdstuk 6 aan de orde. In hoofdstuk 7 wordt tot slot een indruk gegeven van de vaste en losse gebruikersinrichting. De inrichting wordt op een later tijdstip in het project vormgegeven door de museumorganisatie. Daar worden mogelijk te zijner tijd ook een of meerdere detailprogramma’s van eisen voor gemaakt zodat door een separaat team van ontwerpers uitwerking kan worden gegeven aan de vaste en tijdelijke presentatie, de benodigde AV-middelen en bijvoorbeeld ook voor ‘interactives’ die onderdeel uit kunnen maken van het museale concept, maar ook voor het inrichten van specialistische ruimten zoals het depot en archief.

• ….

2.4

Leeswijzer De nadruk van het PvE ligt op het overbrengen van de aard en omvang van de te bouwen opgave op het ontwerp- en adviesteam dat na besluitvorming geselecteerd en gecontracteerd zal worden. Voor het juiste begrip en interpretatie van functionele en ruimtelijke eisen die volgen, wordt in het komende hoofdstuk, hoofdstuk 3, eerst stilgestaan bij de missie en visie van het Nationaal Slavernijmuseum en het museale concept. Het museale concept zal de komende jaren, ook na aanvang van de ontwerpfasen voor het museumgebouw, in ontwikkeling blijven. Het museum dient immers bij de opening en ook daarna, actueel te zijn. Het PvE voor het museumgebouw is daardoor niet een een-op-een vertaling van het museale concept. Dat is ook niet de bedoeling. Dat hoeft ook niet: een gebouw wordt in businesscase-berekeningen vaak op een levensduur van 40 jaar gezet in

10

Programma van Eisen

11

Programma van Eisen

3

Uitgangspunten ontwerpuitwerking

Het eerste principe is ‘duurzaam ontwikkelen’. De gemeente Amsterdam heeft de lat ten aanzien van de ambities en doelen op het gebied van duurzaamheid voor bouwen en gebouwen in de stad hoog gelegd, of het nu om een grote gebiedsontwikkeling gaat of om een klein bouwwerk. De gemeente Amsterdam heeft ten aanzien van duurzaamheid op tal van gebieden beleid ontwikkeld en dat beleid concreet gemaakt voor de leefomgeving en het ontwikkelen van gebouwde opgaven. Op de website van de gemeente is een overzicht opgenomen van het beleid. Er zijn zes thema’s opgenomen. Dit zijn:

3.1

Referentiebeelden werkbezoek VS Een brede afvaardiging van de groep die aan de ontwikkeling van het Nationaal Slavernijmuseum werkt, heeft in het voorjaar 2023 een werkreis gemaakt naar de Verenigde Staten. In het participatieverslag van de kwartiermakers is beschreven welke musea en instellingen bezocht zijn. Er is veel inspiratie opgedaan, maar er zijn ook alvast fundamenten gelegd voor toekomstige samenwerkingen met een aantal van de bezochte instellingen. Veel van de bezochte museumgebouwen zijn groot, waardig en monumentaal. Mede hierdoor wordt eer gedaan aan de inhoud. In Vertel het hele verhaal – Plan voor een Nationaal Slavernijmuseum zijn beelden opgenomen van de verschillende gebouwen die bezocht zijn. Om op het toekomstige ontwerpteam het beeld over te brengen van de indrukken die opgedaan zijn door het projectteam, is aanvullend beeldmateriaal verzameld van de verschillende locaties, inclusief een indruk van de plattegronden. Het beeldmateriaal is bijgevoegd als appendix 2. De inhoud dient als achtergrond voor gesprekken die over het ontwerp gevoerd zullen gaan worden tussen het projectteam van de gemeente Amsterdam en de ontwerpers en als inspiratie voor het ontwerp.

Het is overigens niet bedoeld als beeldkwaliteitsplan voor het Nationaal Slavernijmuseum of sturing ten aanzien van de architectonische kwaliteit: dat komt pas later aan bod in het kader van de aanbesteding van de architect en het ontwerpteam.

3.2

Duurzaam ontwikkelen Voor het ontwerp is behalve het uitwerking geven aan de functionele ruimtelijke opdracht, een aantal basisprincipes leidend. Deze gelden voor het ontwerp en het gebouwde resultaat dat tot stand wordt gebracht. Deze basisprincipes gelden voor alle ontwerpkeuzen en -beslissingen c.q. ze informeren in de zin dat bij keuzen en nemen van beslissingen, hoe klein ook het onderwerp of vraagstuk, bedacht moet worden of aan de principes wordt voldaan.

14

Programma van Eisen

•

klimaatadaptatie;

•

duurzame energie en aardgasvrij;

•

circulair gebouwde omgeving;

•

uitstootvrije mobiliteit en schone lucht;

•

natuurinclusief bouwen;

•

afvalvrije stad.

Voor deze thema’s zijn randvoorwaarden bepaald. Dit zijn concrete eisen waaraan voldaan moet worden voor zover deze afwijken van het vigerende Bouwbesluit. Er zijn daarnaast ambities geformuleerd die ontwikkelende partijen uitdagen om nog meer te doen. De gemeente neemt een stevig voortouw in het daadwerkelijk realiseren van noodzakelijke stappen op het gebied van duurzaamheid. Eigen bouwopgaven van de gemeente dienen als voorbeeld voor anderen en ook als aanjager van een vlucht voorwaarts. Alle beleidsdocumenten, maar ook concrete handreikingen voor tal van onderwerpen zijn beschikbaar via de voornoemde website. De uitwerking van het principe ‘duurzaam ontwikkelen’ voor het nieuwe museumgebouw is hierna op hoofdlijnen per thema beschreven, waarbij voor meer gedetailleerde inhoud en stukken naar de website wordt verwezen.

Klimaatadaptatie Als randvoorwaarde is thans alleen regenbestendig ontwikkelen opgenomen. Om wateroverlast en waterschade bij extreme regenbuien tegen te gaan is het verplicht om hemelwater op eigen perceel te bergen conform de norm en uitvoering die de gemeente Amsterdam daarvoor voorschrijft. Daarnaast zijn er vier ambities die vastgelegd zijn in de Strategie Klimaatadaptatie 2020. Dit zijn: 1 Geen regenwater afvoeren op riolering; 2 Hittebestendig ontwikkelen; 3 Droogtebestendig ontwikkelen; 4 Waterbestendig ontwikkelen. Een aantal ambities geldt als randvoorwaarde voor het nieuwe museum. Zo dient er alvast vanuit te worden gegaan dat er geen regenwater wordt afgevoerd op het riool. Voor het hittebestendig ontwikkelen zijn aanvullende randvoorwaarden: het toepassen van materialen die zo min mogelijk hittestraling opnemen, het toepassen van groen op, aan en rond het gebouw en het creëren van koelteplekken.

15

Door voldoende bergingscapaciteit en groen te voorzien, wordt mede uitwerking gegeven aan het droogtebestendig en waterbestendig ontwikkelen.

Duurzame energie en aardgasvrij De randvoorwaarde is primair gericht op woningen met doelstellingen die uitgedrukt zijn in termen van ‘BENG’ (bijna energieneutraal). Voor andere gebouwtypen is de ambitie geformuleerd om energieneutraal te bouwen en waar mogelijk verder te gaan dan is aangegeven in de Transitievisie Warmte van de gemeente Amsterdam die eind 2020 is vastgesteld. Voor het nieuwe museumgebouw geldt als eis ten aanzien van het energieverbruik: nul op de meter. Dit houdt in dat er voor geen van de activiteiten en het toekomstige gebruik, zowel gebouwgebonden als niet-gebouwgebonden, sprake is van het afnemen van stroom van het net. Dit begint met een ontwerp, zowel bouwkundig als installatietechnisch, dat zo min mogelijk energie verbruikt en er maximaal gebruik wordt gemaakt van passieve middelen zoals natuurlijk daglicht en natuurlijke ventilatie. Vervolgens is het aan de museumorganisatie om de activiteiten en programmering ook dusdanig in te richten dat er zo min mogelijk verbruik is. Alle elektriciteit die nodig is voor het gebouw en het gebruik wordt op de locatie opgewekt. Hiertoe worden de dakvlakken gebruikt voor het toepassen van pv-panelen. Het nieuwe museumgebouw is uiteraard 100% aardgasvrij.

De ‘carbon footprint’ van het gebouw in de gebruiksfase is met behulp van deze principes actief te beperken, maar bouwen is en blijft een zeer negatief milieubelastende activiteit. De bouw is verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Om dit te veranderen moet een ontwerpteam zich vanaf de eerste pennenstreek bewust zijn van het effect van die streep: niet alleen het effect ‘op de meter’, maar ver daarvoor al. De eerste stappen in het ontwerp zijn bepalend voor de mate aan duurzaamheid: de vormgeving van de contour, maar vooral ook de keuzen voor toe te passen materialen. Van toe te passen materialen moet onderzocht worden hoeveel energie met de kweek en/of vervaardiging van de grondstoffen gemoeid is geweest en ook voor het traject van de vervaardiging tot verwerking in Amsterdam op de bouwplaats. Een materiaalpaspoort dat voor bepaalde elementen en grondstoffen ontwikkeld is of zal worden, is hiervoor een belangrijk middel. Het grondig uitzoeken van de herkomst van materialen en methoden van verwerking, het bepalen van het profiel van die materialen op het gebied van energieverbruik ook ‘upstream’, maakt onderdeel uit van de opdrachten aan het ontwerpteam.

Dat het nieuwe museum uiteindelijk ‘net zero’ zal zijn, inhoudende dat alle broeikasgassen die geproduceerd worden ook weer onttrokken worden aan de atmosfeer, onder meer door koolstofvastlegging in groenvoorzieningen, is het streven. Lopende de ontwerpfasen moet blijken in hoeverre dat daadwerkelijk gerealiseerd zal kunnen worden.

Circulair gebouwde omgeving Het beleid van de gemeente is erop gericht dat de gemeente in 2050 circulair is. Dit is uitgewerkt in de Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025. Het beleid zet aan de ene kant in op het zo min mogelijk gebruiken van nieuwe grondstoffen en aan de andere kant op het zo min mogelijk afval produceren. Ook hiervoor is de bouwindustrie een belangrijke sector die actief moet bijdragen om te komen tot de structurele verbeteringen.

16

Programma van Eisen

Als randvoorwaarde voor het nieuwe museumgebouw, maar ook voor de inrichting waar de gebruiker te zijner tijd verantwoordelijk voor is, geldt dat alleen FSCgecertificeerd hout mag worden gebruikt. Niet specifiek aangegeven in het beleidsstuk of de site, maar dit dient objectief geverifieerd te kunnen worden om frauduleuze praktijken tegen te gaan. Wat hieraan kan bijdragen, is het vermijden van materialen en grondstoffen die van ver moeten komen waardoor controle op het proces van vervaardiging en certificering niet goed mogelijk is. Behalve deze randvoorwaarde zijn er vijf ambities geformuleerd. Een ambitie is onder meer om zo veel mogelijk hergebruikte en ‘bio-based’ materialen toe te passen. Wat ‘zo veel mogelijk’ is, zal lopende het ontwerpproces worden bepaald door de opdrachtgever. Het onderzoek dat het ontwerpteam dient te doen naar de duurzaamheidskwaliteiten van de materialen die zij willen opnemen in het ontwerp en de uitvoering kan bijvoorbeeld tot een projectplan circulariteit leiden op basis waarvan gerichte keuzen gemaakt kunnen worden. Bijvoorbeeld door toepassing van materialen toe te staan die niet met garanties vergezeld gaan of aan bepaalde certificering kunnen voldoen omdat ze elders gebruikt zijn en door een andere partij daar verwerkt. De uitkomst van de beslissingen die de gemeente hierin neemt, maakt deel uit van het eisenpakket.

Verwoord als ambitie, maar wat als randvoorwaarde geldt voor het nieuwe museumgebouw, is dat het verboden is om materialen toe te passen waarbij uitloging kan plaatsvinden. Een belangrijke ambitie die op de site als laatste is opgenomen, is adaptief bouwen. In een tijd waarin bouwmaterialen al schaars zijn, is adaptief bouwen nodig om die materialen zo efficiënt mogelijk in te zetten. Zoals in de Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025 is aangegeven, is adaptief bouwen de adaptieve indeling van het gebouw waardoor functiewijzigingen zonder ingrijpende verbouwingen mogelijk zijn. Dit sluit aan op het museale concept waarin flexibiliteit in het gebruik van de ruimten een voorwaarde is. Een ander streven is ook demontabel bouwen waarbij componenten en elementen herbruikbaar zijn. Daarvoor moeten ze gemakkelijk losgemaakt kunnen worden.

Uitstootvrije mobiliteit en schone lucht Onder dit thema zijn meerdere onderwerpen gevat die relevant zijn voor de ontwikkeling van het nieuwe museumgebouw. Zo is een randvoorwaarde het actief ontmoedigen van autogebruik door geen parkeervoorzieningen op te nemen. Het fietsgebruik wordt daarentegen gestimuleerd. Twee zeer relevante ambities die gelijk als randvoorwaarden gelden, zijn de doelen ten aanzien van duurzame bouwlogistiek. Dit lijkt ver weg in de tijd, maar ook voor de bouwlogistiek is het ontwerp bepalend. Minder bepaald door het ontwerp, maar desondanks belangrijk voor het ontwerpteam om alvast op bedacht te zijn en mee te nemen, is de inzet van bouwmaterieel. Waar mogelijk dienen uitstootvrije bouwwerktuigen te worden gebruikt of bouwwerktuigen met een schone emissienorm. De gemeente heeft de Green Deal ‘Het nieuwe draaien’ ondertekend, waarin de ambitie is vastgelegd alsook in het Actieplan Schone Lucht uit 2019.

Natuurinclusief bouwen Voor woningbouwtenders heeft de gemeente een puntensysteem opgezet dat als randvoorwaarde meegenomen moet worden. Dit is vastgesteld in de Groenvisie

17

2020-2050. De mogelijkheden om in en rond het nieuwe museumgebouw de elementen te implementeren waarvoor punten worden toegekend, dienen door het ontwerpteam te worden onderzocht. Al eerder is het toepassen van groene daken benoemd, al zullen daken primair ingericht worden voor de benodigde pvpanelen. Voor dit onderwerp geldt ook dat de gemeente op basis van het onderzoek van het ontwerpteam zal besluiten welke concrete maatregelen toegevoegd kunnen worden aan het eisenpakket.

Afvalvrije stad De randvoorwaarden en ambities van de gemeente ten aanzien van afval zijn met name gericht op gescheiden inzameling in de context van een stedelijke ontwikkeling en het openbare gebied. Hoewel daar geen concrete handvatten in zitten voor het PvE, dient het actief beperken van afval en het gescheiden inzamelen van restmateriaal en verpakkingsmateriaal als eis meegegeven te worden aan uitvoerende partijen. De museumorganisatie zal eigen beleid op dit gebied ontwikkelen, maar reeds in het ontwerp dient rekening te worden gehouden met waar en hoe verschillende afvalstromen opgevangen en verwerkt moeten worden. Zo is het scheiden van bepaalde fracties een eis die voor BREEAM-certificering noodzakelijk is. Dit heeft bijvoorbeeld effect op het formaat en de vormgeving van de containerruimte. Het ontwerpteam dient hierop bedacht te zijn.

3.3

Universeel ontwerp Het tweede principe is ‘universeel ontwerp’ of ‘Design for All’ oftewel het ontwerpen voor gebruik door iedereen, zoals dat reeds als uitgangspunt benoemd is. Het Nationaal Slavernijmuseum is van en voor iedereen. Het doel is een museumgebouw en -omgeving die maximaal toegankelijk zijn voor een zo breed en divers mogelijk scala aan potentiële bezoekers. Voor alle potentiële bezoekers dient het museum een betekenisvolle ervaring te bieden. Tijdens het ontwerpen moet de vraag gesteld worden of het inderdaad zo is dat aan iedere bezoeker van jong tot oud en aan iedere bezoeker met aanvullende behoeften gedacht is. In de paragrafen hierna worden de twee basisprincipes toegelicht, beginnend met duurzaam ontwikkelen. Zoals hiervoor al een aantal keren is aangegeven, is het Nationaal Slavernijmuseum van en voor iedereen. Om te waarborgen dat het gebouw straks daadwerkelijk voor iedereen is, dient het ontwerp voor het nieuwe museumgebouw en de erin opgenomen technieken, zodanig ontworpen te worden dat het toegankelijk is. Dit geldt uiteraard ook voor het parklandschap en alle andere onderdelen van het PvE. Dit houdt meer in dan toegankelijkheid ten behoeve van personen met aanvullende of bijzondere behoeften. Alle toekomstige gebruikers hebben baat bij toegankelijkheid. Er is een breed scala aan wet- en regelgeving dat hieraan ten grondslag ligt.

Als eerste geldt het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van de Verenigde Naties dat in 2006 is vastgesteld en waar Nederland ook partij bij is. Een belangrijk principe van dat Verdrag is het zogenoemde universeel ontwerp. Hiervoor is de onderstaande definitie opgenomen: “universeel ontwerp”: ontwerpen van producten, omgevingen, programma’s en diensten die door iedereen in de ruimst mogelijke zin gebruikt kunnen worden zonder dat aanpassing of een speciaal ontwerp nodig is. “Universeel ontwerp” omvat tevens ondersteunende middelen voor specifieke groepen personen met een handicap, indien die nodig zijn.”

uitrusting en faciliteiten zoals omschreven in artikel 2 van dit Verdrag, die zo min mogelijk behoeven te worden aangepast en tegen de laagste kosten, om te beantwoorden aan de specifieke behoeften van personen met een handicap, het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik ervan, en het bevorderen van universele ontwerpen bij de ontwikkeling van normen en richtlijnen.” Voor de gebouwde omgeving is artikel 9 van het Verdrag van belang. Daarin staat: “Teneinde personen met een handicap in staat te stellen zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden.” Dit is niet het enige wettelijke kader dat van toepassing is. Op een groot aantal te vergeven opdrachten zal de Aanbestedingswet 2012 (2016) van toepassing zijn. Deze geldt zowel voor de opdrachten voor het ontwerpteam dat samengesteld zal worden, als voor de uiteindelijke bouwwerkzaamheden en ook voor de leveringen ten behoeve van het museum.

Daarin is ter implementatie van Europese wetgeving, in het bijzonder komend uit de aanbestedingsrichtlijnen (waaronder de 2014/24/EG voor werken, leveringen en diensten), het volgende opgenomen in artikel 2.75 lid 4: “Bij overheidsopdrachten waarvan het resultaat bedoeld is voor gebruik door natuurlijke personen, hetzij door het grote publiek, hetzij door het personeel van de aanbestedende dienst, houden de technische specificaties rekening met criteria inzake de toegankelijkheid voor personen met een handicap of de geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers, met uitzondering van behoorlijk gemotiveerde gevallen.” De genoemde wetgeving is, zoals dat gebruikelijk is, breed en ook kader scheppend gesteld. Een meer concrete uitwerking is sinds begin 2021 beschikbaar in de vorm van de NEN-EN 17210 met het onderwerp of de titel: ‘accessibility and usability of the built environment’. De norm geeft over de volle breedte van de scope van het PvE voor het nieuwe museumgebouw handvatten ten behoeve van het universeel ontwerp. Zoals eerder is aangegeven gaat het niet alleen om personen met een handicap, maar zijn de aanwijzingen van deze norm een waarborg voor de gebruiksveiligheid en het comfort van alle gebruikers.

In het kader van de toegankelijkheid en inclusie dienen het ontwerp voor het gebouw, alle ruimten in het gebouw, de inrichting ervan maar ook het terrein en terreininrichting te voldoen aan de toepasselijke functionele eisen van de NEN-EN 17210. Dit houdt in dat reeds met de norm in de hand ontworpen dient te worden en dat onderzocht dient te worden, als onderdeel van de ontwerpuitwerking, hoe de aanwijzingen van de norm het beste geïmplementeerd kunnen worden. Het museumgebouw dient na oplevering in aanmerking te komen voor het ITs keurmerk (Integraal Toegankelijkheidsstandaard, ITstandaard) waarbij de NEN-EN 17210 leidend is.

Partijen bij het Verdrag verplichten zich voorts: “tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van universeel ontworpen goederen, diensten, 18

Programma van Eisen

19

3.4

• Archiefwet

Flexibel gebruik Indachtig het adaptief bouwen en ook de gewenste flexibiliteit gelet op de verschillende tijdlijnen in het gebruik, dienen primaire ruimten van het museumgebouw flexibel gebruikt te kunnen worden. Dit houdt in dat ze, uitgaande van eenzelfde functie of gebruik, samengevoegd kunnen worden of juist opgedeeld. Dit geldt onder meer voor de tentoonstellingsruimten, zowel voor de vaste presentatie als ruimten voor tijdelijke tentoonstellingen, maar ook voor ruimten voor educatie. Met deze flexibiliteit van de ruimteindeling is het mogelijk om in te spelen op een breed scala aan gebruiksvragen nu en ook in de toekomst. Het ontwerp dient niet te verhinderen dat ook een andersoortig gebruik, al is het incidenteel, mogelijk is.

3.5

•

wet op de Ruimtelijke Ordening (vanaf 1 januari 2024: Omgevingswet)

•

Bouwbesluit

•

wet Kwaliteitsborging (vanaf 1 januari 2024)

•

Bouwstoffenbesluit

•

wet Milieubeheer

•

wet Natuurbescherming

• Arbeidsomstandighedenwet • Arbeidsomstandighedenregeling • Arbeidsomstandighedenbeleidregels • Arbo-informatiebladen

20

•

Integrale Toegankelijkheid standaard (ITstandaard), uitgaande van de NEN-EN 17210

•

Warmtewet

•

Drinkwaterwet ter preventie van legionella

•

Drinkwaterbesluit

•

Bouwverordening van de gemeente Amsterdam

•

plaatselijk geldende bestemmingsplan (vanaf 1 januari 2024: Omgevingsplan)

•

plaatselijke voorschriften voor welstand

Programma van Eisen

•

voorschriften van de Nutsbedrijven in de gemeente Amsterdam

•

alle voor een museumgebouw toepasselijke normen en (praktijk) richtlijnen, waaronder de NEN-EN 16893 met betrekking tot ruimten die bedoeld zijn voor het opslaan c.q. bewaren van erfgoed.

Wettelijke bepalingen, normen en richtlijnen bevatten doorgaans minimumeisen. Waar in dit PvE strengere eisen worden gesteld dan in de wettelijke bepalingen, normen en richtlijnen is voorgeschreven, prevaleert het PvE. In geval er tegenstrijdigheden of onduidelijkheden blijken tussen eisen en bepalingen in verschillende documenten behorende bij dit PvE, geldt in beginsel het jongste document gaat voor een ouder document. In voorkomende gevallen bepaalt de opdrachtgever de exacte rangorde tussen de documenten.

Behalve de hiervoor uitgewerkte leidende principes voor het ontwerp dient uiteraard te worden voldaan aan wet- en regelgeving. Hierbij is de inhoud van wet- en regelgeving de minimumeis waaraan voldaan moet worden.

Het ontwerp en het gebouw moeten voldoen aan alle toepasselijke, vigerende wet- en regelgeving. Dit zijn (niet limitatief):

HACCP richtlijn

De ontwerpers en adviseurs dienen te anticiperen op wijziging van de normen om te voorkomen dat kostbare ingrepen nodig zijn tijdens de bouw of om de gebruiksvergunning te verkrijgen. Alle wijzigingen die voor de verwachte startdatum van de realisatiefase van kracht worden, dienen te zijn verwerkt evenals alle wijzigingen waarvan de overgangstermijn tot een jaar na afronding van de bouwopgave (oplevering) afloopt.

Wet- en regelgeving, normen en richtlijnen

Waar in dit PvE wordt verwezen naar wet- en regelgeving, normen, bepalingen, voorwaarden, keurmerken en dergelijke, en/of wanneer deze van toepassing zijn verklaard, dan wordt daarvan de meest recente versie bedoeld die op het moment van opdrachtverstrekking is gepubliceerd of verkrijgbaar is.

•

3.6

Periodieke verificatie en actualisatie Omdat de ontwikkeling van een nieuw museumgebouw vanaf de start van het project met de vaststelling van de projectdefinitie en het PvE als onderdeel daarvan, een aantal jaren in beslag zal nemen, wordt periodiek geverifieerd dat met de laatste stand van zaken wordt gewerkt en ook met een voldoende toekomstgerichte blik. Alleen zo wordt voorkomen dat, tegen de tijd dat het gebouw in gebruik wordt genomen, het gebouw op verouderde ideeën is gebaseerd en er achterhaalde technieken in verwerkt zijn. Er zijn doorlopend innovaties, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid, bouwmaterialen en dergelijke. Zoals het gemeentelijke beleid aangeeft, is het uitdrukkelijk de bedoeling om hierin voorop te lopen. Ook wet- en regelgeving ontwikkelt zich in de loop der tijd. De faseovergangen zullen actief benut worden, waarbij een actief adviserende rol is voorzien voor het integrale team aan ontwerpers en adviseurs, om de stand te verifiëren. Op basis van de verificatie kan door de gemeente als opdrachtgever besloten worden om het PvE op bepaalde punten aan te passen en die stand mee te laten nemen in de eerstvolgende fase.

21

Programma van Eisen

4

4.1

Ruimtelijk en functioneel programma

1450 - 1863

TIJDVAK 2

TIJDVAK 3

Kraamkamers van beschaving

De mens als product, slavenhandel & slavernij

Het museale concept Het Nationaal Slavernijmuseum zal zijn missie uitvoeren door bezoekers actief in de programmering te betrekken. Het wil een participatief museum zijn: een plek waar bezoekers inhoud kunnen creëren en met anderen in contact kunnen komen ten aanzien van die inhoud. De sociale interactie binnen de museummuren begint bij het persoonlijke, de individuele persoon. Het museale concept gaat daardoor uit van een bottom up-benadering. De thematiek maakt het noodzakelijk om in het museum gelaagde, multiperspectieve en multiregionale verhalen te vertellen. Het museale concept, zoals dat nu beschikbaar is maar nog verder ontwikkeld zal worden, brengt de missie, visie en de kernwaarden van het Nationaal Slavernijmuseum bij elkaar in een integraal concept. Het concept gaat uit van het vertellen van verhalen gegroepeerd rond vijf verhaallijnen. Die vijf verhaallijnen zullen tevens de leidraad vormen voor de ruimtelijke inrichting van het museum. Naast de vaste verhaallijnen zullen ook tijdelijke tentoonstellingen worden geprogrammeerd: externe makers krijgen de ruimte en de vrijheid om die voor het museum in te richten. De vijf verhaallijnen vormen tezamen de conceptuele basis voor de reis die de bezoeker door het Nationaal Slavernijmuseum kan maken. Hiernaast zijn de vijf tijdvakken c.q. programmalijnen schematisch weergegeven:

24

Prehistorie - 1450

Programma van Eisen

TIJDVAK 1

TIJDVAK 1

Het hier en nu & de agora

Het hier en nu Identiteit & cultuur TIJDELIJKE TENTOONSTELLINGEN

TIJDVAK 4

TIJDVAK 5

Emancipatie & Dekolonisatie

De weg naar gelijkwaardigheid

1863 - 1950

1950 - nu

25

Het museale concept gaat ervan uit dat de reis van de bezoeker door het museum wordt gekenmerkt door de onderstaande kwaliteiten en uitgangspunten:

4.2

Ruimteclusters

•

Flexibiliteit: het is mogelijk om tussen verhaallijnen te switchen;

De wijze waarop de verschillende ruimten optimaal het beoogde gebruik van het museumgebouw kunnen ondersteunen, is de kern van de ontwerpopgave. Voor de beschrijving van de ruimteclusters hierna wordt daarom de oorspronkelijke ordening en nummering aangehouden van het concept PvE en zijn de clusters niet omgezet om bijvoorbeeld al voor te sorteren op een bepaalde gebouwtypologie of contour. De onderstaande clusters worden aangehouden:

•

Gelaagdheid: zowel de historie als de persoonlijke verhalen komen aan bod;

•

Multiperspectiviteit: de verhalen worden zowel in chronologisch perspectief als in (uiteenlopende) thematische perspectieven geplaatst;

•

Evenwichtige aandacht voor de verhalen over en uit zowel het trans-Atlantisch als het Indisch-Oceanisch gebied;

•

CLUSTER 1 ontvangen, open en toegankelijk;

•

Het gebruik van objecten, tekst, geluid, film, animatie, kunst en blow-ups;

•

CLUSTER 2 herdenken, presenteren en participeren;

•

Het gebruik van interactieve digitale toepassingen.

•

CLUSTER 3 kenniscentrum, onderzoek en educatie;

•

CLUSTER 4 organisatie;

•

CLUSTER 5 ondersteunende ruimten;

•

CLUSTER 6 logistieke ruimten en voorzieningen.

•

CLUSTER 7 terreinvoorzieningen behorende bij het gebouw.

Er is in het museale concept ook nog een andere ordening gemaakt, namelijk langs de lijnen van een schematisch gebouw in drie bouwlagen, waarvan een bouwlaag ondergronds wordt gedacht. In dit model staat de begane grond, de middelste bouwlaag, in het teken van de entree, ontvangst en de verbinding: een agora. Hier staat de bezoeker centraal. Op deze laag is het entreegebied gelegen met een caférestaurant, garderobe, de museumwinkel et cetera. Ook sluit hier het kenniscentrum op aan en werkruimten van de museumorganisatie. Op de bovenste verdieping staat de huidige tijd centraal, met doorwerkingen en perspectieven. Op deze verdieping kunnen ook tijdelijke tentoonstellingen plaatsvinden die uitgaan van gemeenschappen en belanghebbenden. In de ondergrondse bouwlaag wordt het verleden getoond.

Een separaat cluster is het park dat een integraal onderdeel uitmaakt van het museum. Dat deel van de scope is uitgewerkt in: •

Het overzicht van de clusters en te ontwerpen ruimten is weergegeven in de ruimtestaat die als appendix 3 is bijgevoegd. De ruimten moeten voldoen aan de eisen die daaraan in de ruimtestaat zijn gesteld. Het betreft eisen aangaande maatvoering, afwerking, klimaat, bouwfysica en (technische) voorzieningen. Deze aspecten worden bij de technische eisen, die in hoofdstuk 7 zijn uitgewerkt, toegelicht.

HEMEL

+1

hier staat doorwerking en perspectieven centraal

0

hier staat de bezoeker in het hier en nu centraal

4.3 MAAIVELD

-1

hier staat de verbeelding van het narratief centraal

AARDE

Bovenstaande afbeelding geeft een ruimtelijke indicatie van het gebouw weer op basis van 3 bouwlagen. Dit is echter op dit moment nog geen definitief uitgangspunt voor de verdere uitwerking. Voorafgaand aan de start van de architectenselectie worden de definitieve uitgangspunten voor de bouwenveloppe van het gebouw en positionering op de voorkeurslocatie opgesteld.

CLUSTER 8 stadspark (stadstuin/parklandschap).

Toelichting ruimtestaat In de ontwerpfasen dienen alle ruimten zodanig te worden uitgewerkt dat het eindresultaat en de daarin opgenomen ruimten aan de ruimtestaat voldoen. De clusters en de ruimten daarin worden in de paragrafen hierna op hoofdlijnen beschreven. Voor zover een ruimtenummering is opgenomen, correspondeert die met de nummering die in de ruimtestaat wordt gehanteerd.

CLUSTER 1: ontvangen, open en toegankelijk Het museumbezoek begint niet pas bij de entree, maar al in het park of eigenlijk al ver daarvoor, namelijk wanneer besloten wordt om naar het museum toe te gaan. Het museum is er straks voor iedereen. Een zo groot mogelijke doelgroep dient ermee te worden bereikt en te worden aangesproken. Om aansprekend te zijn is het begin van de ervaring in het museumgebouw zowel indrukwekkend als verleidend. Open en toegankelijk zijn de kernwoorden die de entree en het ontvangst kenmerken. De entree van het museum moet ‘iconisch’ zijn. Dat betekent dat de entree de museumbezoeker die zijn bezoek vooraf heeft voorbereid, in zijn keuze bevestigt. Voor de parkbezoeker die geen bezoek aan het museum heeft overwogen, dient de entree een uitnodiging te zijn. Het PvE gaat ervan uit dat uiteindelijk circa 270.000 bezoekers op jaarbasis het museum zullen bezoeken. Aangenomen wordt dat op een doordeweekse dag

26

Programma van Eisen

27

60 tot 120 scholieren, inclusief begeleidende docenten het museum bezoeken. Het piekmoment in de aankomst van dat bezoek is tussen 10.00 uur wanneer het museum waarschijnlijk opengaat en 11.30 uur. Ook wordt rekening gehouden met twee groepen met toeristen die ongeveer gelijktijdig zullen binnenkomen. Voor de bezoekerspiek wordt daarmee uitgegaan van circa 3 groepen onderwijs met totaal 120 scholieren inclusief begeleiders en circa 2 groepen met totaal 100 groepstoeristen. De museumbezoekers komen binnen via de hoofdentree (ruimte 1.1). Om fluctuaties van het binnenklimaat te beperken, is dit een sluis of een grote tourniquet. Een luchtgordijn is niet toegestaan. Om deze piek op te vangen is de capaciteit van de hoofdentree minimaal 35 personen per minuut, waarbij ook rekening wordt gehouden met de goede doorgang voor onder meer rolstoelgebruikers en scootmobielen. De diepte van de entree is dusdanig dat een bezoeker die te voet binnenkomt, minimaal een aantal stappen kan zetten op de schoonloopmat en voeten kan vegen alvorens het entreegebied te betreden. In de entree wordt een voorziening opgenomen waar bezoekers natte paraplu’s kunnen inpakken. De museumbezoeker bereikt vanuit de entree het entreegebied: een agora.

Het entreegebied omvat de centrale hal (1.2) en een groot aantal bezoekersvoorzieningen: zowel voor individuele bezoekers als voor groepen, zoals schoolklassen die komen voor een educatief programma. De centrale hal is een grote, rustige ruimte waar de museumbezoeker kan ‘landen’ voordat hij het tentoonstellingsgedeelte bezoekt of zich aanmeldt voor een event of met een ander doel, zoals familieonderzoek.

De centrale hal is in zijn geheel vrij toegankelijk voor het publiek: er is geen toegangskaartje nodig. In de centrale hal kan informatie ingewonnen worden bij de informatiebalie en kan de bezoeker zich oriënteren op het aanbod en/of zijn bestemming. De informatiebalie is toegankelijk. Dat wil zeggen dat bezoekers in een rolstoel op een voor hun praktische hoogte en diepte aan het meubel kunnen aansluiten. Er dienen ongeveer 250 personen, waarvoor de capaciteit van het auditorium maatgevend is beschouwd, op een ontspannen manier tegelijk in de centrale hal aanwezig te kunnen zijn. Groepen dienen ergens 5 tot 10 minuten bijeen te kunnen worden gehouden voor een introductie en/of het geven van aanwijzingen, zonder dat de individuele museumbezoeker daarvan hinder ondervindt. De bezoekersvoorzieningen zijn goed zichtbaar en goed bereikbaar. De sanitaire groep is geschikt voor het gelijktijdig gebruik van 25 personen waarbij er ook een ruime toegankelijke voorziening beschikbaar is die in alle aspecten voldoet aan de NEN 17210 – tot aan goed overdacht kleurgebruik aan toe. Er zijn verder 250 lockers beschikbaar voor bezoekers. Gedacht wordt aan gestapeld in vijf lagen en lockers van 0,5 m hoog bij 0,3 m breed. 2% van het totale aantal is toegankelijk. Dit houdt in dat iemand in een rolstoel zelf goed bij de locker kan komen qua hoogte en ook qua diepte.

Ook houdt het in dat er een sluitsysteem wordt toepast dat makkelijk te begrijpen is en makkelijk te bedienen is (geen miniatuur tasttoetsen en ingewikkeld codeslot). De inhoud van alle lockers is omwille van de veiligheid en beveiliging zichtbaar. Voor schoolklassen zijn separate voorzieningen beschikbaar waar een hele klas alle tassen in een gezamenlijke locker of kluis kan opbergen. In of aan de centrale hal zijn ook ondersteunende ruimten voorzien zoals een EHBO-ruimte die ook als kolfruimte dienst kan doen, maar ook een binnenspeelplaats voor ongeveer 20 kinderen. Er is een kleine pantry voorzien en een enkele sanitaire voorziening en licht aan de gevel zodat kinderen onder toezicht ook buiten kunnen spelen. Bezoekers zijn ook welkom om er te verblijven, bijvoorbeeld gebruikmakend van de koffiecorner (1.8) met buitenruimte. Door de goede connectiviteit kan er ook gewerkt worden. Er wordt rekening gehouden met een informele zithoek met tafels waar circa 25 mensen bij elkaar kunnen komen. Dergelijke zithoeken zijn op verschillende plekken in het gebouw voorzien.

© Alan Karchmer, National Museum of African American History and Culture, Washington (VS), voorbeeld entreegebied

28

Programma van Eisen

29

In de centrale hal is de museumwinkel opgenomen (1.9). De winkel heeft een zeer breed aanbod: van boeken, art prints en memorabilia tot verse kruiden uit de museumtuin en artefacten die door verschillende gemeenschappen zijn gemaakt. Voor de bevoorrading van de winkel en voor het afhandelen van online bestellingen, is er een opslagruimte van circa 70 m². De winkelkassa bevat behalve voorzieningen voor afrekenen ook een inpakhoek voor webshop verzendingen. Het kassameubel is toegankelijk. Dat wil zeggen dat bezoekers in een rolstoel op een voor hun praktische hoogte en diepte aan het meubel kunnen aansluiten.

© ToornendPartners, Het Nieuwe Instituut, Rotterdam (NL), voorbeeld entreegebied

Het restaurant (1.11) is via de centrale hal bereikbaar, maar heeft ook een eigen entree waardoor het buiten openingstijden van het museum bereikbaar is. Daarom zijn er separate bezoekersvoorzieningen opgenomen bij het restaurant bestaande uit sanitair en een garderobe. De eigen entree kan idealiter ook gebruikt worden voor het theater en de debatruimte van cluster 2. © ToornendPartners, Het Nieuwe Instituut, Rotterdam (NL), voorbeeld entreegebied

Het restaurant is verwelkomend en toegankelijk: het is een volkskeuken die levendigheid en gemeenschapszin uitstraalt en waar maaltijden uit allerlei culturen genuttigd kunnen worden. De keuken is professioneel geoutilleerd en is ruim genoeg om bijvoorbeeld kookworkshops te organiseren. Voor het restaurant dient de ventilatie van zowel de ruimten waarin bereid wordt alsook de verblijfsruimte goed te zijn, opdat zich geen ongewenste geuren verspreiden tot ver voorbij het functionele gebied. Hoewel dit voor de ene bezoeker als aangenaam kan worden ervaren, hoeft dit niet voor iedereen zo te zijn. Om ervoor te zorgen dat het restaurant zo efficiënt mogelijk gerund kan worden, liggen alle ruimten direct naast elkaar in een van de rest van de centrale hal afsluitbaar gebied. Er dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met levering van goederen, maar ook met het beheersen van de diverse gescheiden afvalstromen van het restaurant. Behalve het centrale restaurant wordt een informele publiekskeuken voorzien waar mensen ook zelf kunnen koken voor anderen, bijvoorbeeld met authentieke bereidingswijze zoals koken op houtvuur. (1.15).

30

Programma van Eisen

31

CLUSTER 2: herdenken, presenteren en participeren Cluster 2 ‘herdenken, presenteren en participeren’ vormt tezamen met cluster 3 het inhoudelijke hart van het nieuwe museum. Uit het museale concept van de kwartiermakers zijn verschillende programmaonderdelen gehaald en ook uitgebreid ten aanzien van de presentatiefunctie, die een belangrijke kern is. In de ruimtestaat is voor dit cluster een onderverdeling aangegeven tussen de drie inhoudelijke stromen binnen het cluster. Dit begint met ‘herdenken’. De combinatie van de contemplatieruimte (2.10), die als stilteruimte dient te worden uitgewerkt en de spirituele ruimte (2.11) waarin vieringen plaats kunnen vinden, zorgt ervoor dat aan een breed scala van gebruik tegemoet kan worden gekomen. Of een bezoeker individueel een moment van stilte en bezinning zoekt of dat er een plechtigheid of juist een feestelijke viering is waar een groep mensen bij aanwezig is – dit is allemaal goed mogelijk. De ruimten kunnen door middel van de losse inrichting toegesneden worden op wat er op een bepaalde dag of dagdeel nodig is.

© ToornendPartners, Les Franciscaines, Deauville (F), voorbeeld restaurant

© ToornendPartners, Verhalenhuis Belvédère, Rotterdam (NL), voorbeeld volkskeuken

32

Programma van Eisen

© ToornendPartners, Teshima (JP), voorbeeld contemplatieruimte

33

Het onderdeel ‘presenteren’ binnen het cluster bevat de tentoonstellingszalen: zowel de zalen voor de vaste presentatie als de zalen voor tijdelijke tentoonstellingen (2.1 tot en met 2.8). Er wordt een mix gemaakt van ruimten van verschillend formaat. Dit betreft zowel verschillende oppervlakten als verschillende hoogtes. De zalen dienen, zoals dat in paragraaf 4.5 is aangegeven, flexibel gebruikt te kunnen worden. Incidenteel ander gebruik moet ook mogelijk zijn. Er wordt rekening mee gehouden dat een van de zalen ingericht wordt als kindermuseum (2.4) met eigen voorzieningen, zoals een pantry en sanitair. Ook wordt een moderne galerieruimte voorzien waar betrokken makers uit binnen- en buitenland werken kunnen tonen. Voor maximale gebruiksmogelijkheden zijn de zalen rechthoekig met vlakke wanden, een waterpas vlakke vloer en ook een vlak plafond.

© ToornendPartners, Hem, (FR), voorbeeld ceremoniële ruimte

34

Programma van Eisen

© ToornendPartners, Fondation Beyeler Basel (ZW), voorbeeld grote zaal

35

De wanden en het plafond zijn geschikt voor het ophangen van kunstwerken waarbij voor het plafond op diverse plekken constructief rekening moet worden gehouden met zware objecten (hijsvoorziening). Voor de wanden geldt dat er voor alle dragende wanden voorzetwanden gemaakt worden ten behoeve van de tentoonstellingsinrichting. De plafonds, maar ook de vloeren, bevatten voldoende aansluitpunten voor stroom ten behoeve van specifieke verlichting en andere technische voorzieningen. De zalen zijn geen steriele ‘White Cube’ zalen noch een dichte ‘Black Box’ zonder contact met de omgeving. Los gezien van aanpassingen die aangebracht kunnen worden ten behoeve van een specifieke tentoonstelling of een evenement, zijn alle zalen optimaal voorzien van daglicht (wand en plafond) en ook van (uit)zicht waarmee het altijd prettige ruimten zijn om in te verblijven. Dit houdt in dat het thermisch comfort voor de bezoekers uitstekend moet zijn en ook het akoestisch comfort uitstekend is (geen galmende zalen waar het minste of geringste geluid als overlast gevend beschouwd kan worden, waardoor bezoekers zich gedwongen voelen om te fluisteren of waarin de audiotour van een ander snel te luid staat).

© ToornendPartners, Muzeum Susch, Susch, (ZW), voorbeeld kleine zaal

36

Programma van Eisen

Ten aanzien van de beveiliging en ook de klimaatcondities houdt het maximale bezoekerscomfortprincipe in dat voor de vaste presentatiezalen wordt uitgegaan van een relatief ontspannen regime. Dit zorgt ervoor dat het gebruik zo flexibel zal kunnen zijn en alle bezoekers zich welkom kunnen voelen. Bouwkundig wordt uitgegaan van een gemiddelde weerstandsklasse van de NEN-EN 1627: Weerstandklasse 3 (WK3) en bijpassende installatietechnische voorzieningen voor de beveiliging. Dit zal te zijner tijd, wanneer de locatiekeuze gemaakt is, nader worden bepaald. Voor het klimaat wordt uitgegaan van een kwaliteit ASHRAE ‘B’, waarbij te zijner tijd kan blijken dat ‘C’ ook voldoende kan zijn voor de collecties die getoond zullen worden. Voor bruiklenen van andere instellingen kunnen eventueel meer stringente eisen gesteld worden aan de beveiliging en/of aan de klimaatcondities. Hier wordt in het PvE niet op voorgesorteerd. Mochten bruikleengevers hogere eisen stellen, is het immers ook mogelijk om hier lokale maatregelen voor te treffen, al dan niet tijdelijk. Zoals in de ruimtestaat is aangegeven, zijn er bij de zalen informele zithoekjes (2.9) opgenomen waar bij elkaar geteld circa 20 bezoekers in groepjes met elkaar in gesprek kunnen gaan of opgedane indrukken kunnen laten bezinken. Vanuit deze zithoekjes is er uitzicht op de omgeving.

© ToornendPartners, Humboldforum, Berlijn, (DE), voorbeeld zithoekje op zaal

37

In of nabij tentoonstellingsruimten zijn er verschillende hoeken of afgesloten ruimten waar bezoekers in beslotenheid kunnen reflecteren en in alle rust de indrukken die zijn opgedaan kunnen verwerken. Voor bezoekers worden plekken ingericht waar ze reacties kunnen geven op wat ze gezien hebben of aan andere bezoekers willen meegeven.

© ToornendPartners, Centrum voor Europese Solidariteit, Gdansk (PL), voorbeeld van reacties van bezoekers

Daar waar de bezoeker in de presentatieruimten vooral toeschouwer is, is er ook ruimte voor actieve participatie zoals in de multifunctionele ruimte (theater/ auditorium) (2.12) met eigen entree en voorzieningen en de debatruimte (2.13). Aan deze ruimten is een opnamestudio gekoppeld (2.14). Voor het auditorium wordt uitgegaan van 350 tot 400 bezoekers en een uitschuifbare tribune die naar gelang het gebruik geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden. De zaal heeft dan ook een vlakke vloer. De tribune is deelbaar en verplaatsbaar, zodat er verschillende opstellingen in de zaal gemaakt kunnen worden. Omdat daardoor een podium geen vaste plaats heeft, is de zaal voorzien van een technisch plafond ‘grid’ waaraan de nodige voorzieningen zoals licht, geluid en ook hijsmiddelen bevestigd kunnen worden. Voor deze functies zijn in ruime mate aansluitpunten opgenomen zodat op zoveel mogelijk plekken in de zaal een podium gemaakt kan worden. Voor de debatruimte wordt ook uitgegaan van een vlakke vloer en een capaciteit van 50 personen. Het auditorium en de debatruimte kunnen gekoppeld worden. De vloerovergang is naadloos waardoor de tribune van het auditorium deels of geheel in de debatruimte kan worden ingezet.

Ondanks dat deze fysieke koppeling mogelijk is, dienen de zalen geheel akoestisch van elkaar gescheiden te zijn opdat er op een goede wijze gelijktijdig gebruik van kan worden gemaakt. Dit houdt in dat

38

Programma van Eisen

er in het ontwerp bijzondere aandacht uit moet gaan naar de detaillering van alle aansluitingen rondom en naar de materiaaltoepassing. Voor beide ruimten geldt dat de benodigde akoestische kwaliteit zoveel als mogelijk natuurlijk wordt bereikt. Dat wil zeggen zonder de inzet van een elektroakoestische installatie.

© ToornendPartners, MUNCH, Oslo (N), voorbeeld auditorium/theater

Voor alle technieken in deze twee ruimten geldt dat ze sober en doelmatig moeten zijn. Theatertechniek is kostbaar, met name in het onderhoud en beheer. In veel zalen wordt echter slechts van een klein deel van de beschikbare technische voorzieningen, die in het kader van ‘je weet maar nooit’ of die kijkend naar een mogelijk concurrerende zaal gekocht zijn, gebruikgemaakt. Voor het nieuwe museumgebouw is dan ook het uitgangspunt dat de basisvoorzieningen sober zijn. Dit heeft als bijkomend voordeel dat ook niet-professionals ermee overweg kunnen zonder dat er ongelukken gebeuren of spullen kapotgaan. Er zijn voldoende elektrische aansluitpunten en er wordt ook constructief rekening mee gehouden dat techniek kan worden bijgeplaatst, mocht dat voor een bepaalde voorstelling of evenement noodzakelijk zijn. Onderdeel van Cluster 2 is ook een opnamestudio. De faciliteiten kunnen worden gebruikt voor het opnemen van activiteiten in het auditorium en de debatruimte, ook bij wijze van regiecabine. Het kan ook afzonderlijk gebruikt worden voor bezoekende artiesten of voor het registreren van familieverhalen en mondelinge geschiedenislessen. Er zijn twee werkplekken ingericht.

39

Er zijn tot slot ateliers opgenomen, of studio’s (2.14), waarin kunstenaars, maar ook onderzoekers of nog weer anderen, kunnen werken. Er wordt in totaal 60 m² aan ruimte opgenomen. De ruimte is flexibel waarbij drie afzonderlijke studio’s gemaakt kunnen worden met flexibele, verplaatsbare scheidingswanden. Alle eenheden hebben een kleine pantry met een gootsteen met koud en warm water waarvan de afvoer voorzien is van een passende scheider. De ruimten kunnen gecombineerd worden voor grotere projecten (werken of installaties) of voor workshops worden ingericht. Afhankelijk van de collectie kan een deel van de totale ruimte ingericht worden als restauratieatelier. In twee van de ruimten (totaal 40 m²) worden daarvoor technische voorzieningen opgenomen voor het plaatsen van een zuurkast en een kast voor kleine hoeveelheden klein chemisch materiaal, voor een mobiele puntafzuiging en een mobiel persluchtapparaat. De ruimten zijn daglicht overgoten en idealiter op het noorden georiënteerd.

CLUSTER 3: kenniscentrum – onderzoek en educatie Het museum zal een bron van informatie zijn voor iedereen die zich verder wil verdiepen in het slavernijverleden of zijn persoonlijke (familie)geschiedenis. Een kenniscentrum is daarom een noodzakelijk onderdeel van het museum en zal een vijftal functies vervullen: (1) informatiebron voor familieonderzoek, (2) educatief centrum, (3) bibliotheek, (4) digitale toegangspoort en (5) ontmoetingsplek voor onderzoekers. Bij het kenniscentrum kan iedereen informatie over de Nederlandse slavernijgeschiedenis vinden. Het kenniscentrum zal digitale archieven en informatie over tot slaaf gemaakte mensen verzamelen en ontsluiten en het zal ook netwerken opzetten om kennis vanuit de hele wereld bij elkaar te brengen en ook door middel van eigen onderzoek te vergroten. Het centrum geeft het publiek en onderzoekers toegang tot kennis over de Nederlandse betrokkenheid bij de historische slavernij in de wereld. De pijlers van het programma zijn onderzoek voor het museale programma, het bieden van een ontmoetingsplaats en het faciliteren van nazatenonderzoek.

© ToornendPartners, Les Franciscaines, Deauville (FR), voorbeeld bibliotheek

De educatieve ruimten worden toegesneden op verschillende soorten onderwijs en ook gericht op de leeftijd van de doelgroepen, waaronder ook volwassenen (3.7 tot en met 3.9). Per groep of type educatie dienen de toepasselijke voorzieningen te worden opgenomen. Zo zal de educatieruimte voor kinderen (3.7) ingericht zijn voor het ontvangen van een schoolklas per ruimte (twee keer 60 m²). Voor zowel jongvolwassenen als voor volwassenen (3.8 – 3.9) wordt uitgegaan van een ruimte van 40 m² waarin grote werktafels staan. De ruimten zijn daglicht overgoten en idealiter op het noorden georiënteerd. In alle educatieruimten is een kleine pantry opgenomen met een gootsteen met koud en warm water waarvan de afvoer voorzien is van een passende scheider. Het cluster heeft eigen bezoekersvoorzieningen in de vorm van een sanitaire groep (3.10).

Bezoekers bereiken het cluster vanuit de centrale hal en kunnen dan als eerste terecht bij de vraagbaakdesk (3.1). Daar kan uitgebreid informatie worden ingewonnen alsook instructie over het gebruik van de onderzoeksfaciliteiten en worden bezoekers op weg geholpen bij hun eigen onderzoek. In deze ruimten wordt actief gewerkt aan het vergroten van kennis over de geschiedenis en de betekenis daarvan in het heden. Ter ondersteuning van het onderzoek is er een documentatieruimte of leesruimte (3.4) en een bibliotheek (3.5). Onderdeel is ook een informele zithoek voor 10 personen met een tafel waar mensen met elkaar kunnen praten, ervaringen kunnen uitwisselen en dergelijke (3.6). Aan de andere kant zijn er ruimtes waarin kennis overgedragen wordt aan een zo breed mogelijk scala aan belangstellenden, van jong tot oud.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14334465/1