CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Centrum advies RvdV.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 15 juni 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststelling van beleidskader ‘Ruimte voor de Voetganger’ door de gemeenteraad (VN2023-014073)2.858 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Adviesaanvraag B&W aan stadsdeelbestuur Invullen door directie: Onderwerp adviesaanvraag: Beleidskader Ruimte voor de voetganger

Verkeer, Vervoer en Luchtkwaliteit Verkeer en Openbare Ruimte Datum behandeling staf WH 3 februari 2020 Datum adviesaanvraag: 17 februari 2020 Deadline ontvangst advies: 30 maart 2020 Advies mailen naar: g.with@amsterdam.nl Meegestuurde stukken: Conceptversie van het Beleidskader Ruimte voor de Voetganger Heeft er consultatie vooraf Gedurende de totstandkoming van het beleidskader heeft op ambtelijk niveau plaatsgevonden? samenwerking plaatsgevonden met de stadsdelen en R&D en in de voorbereiding is onder andere Cliëntenbelang betrokken Portefeuille: Directie:

Invullen door stadsdeel: Centrum J. Rolf Datum weekstart/staf: 2 maart 2020 Datum stadsdeelcommissie: 24 maart 2020 Datum dagelijks bestuur: Registratienr. (optioneel): Stadsdeel: Procesbegeleider:

Over gevraagde adviezen: conform art. 12 van de verordening op het lokaal bestuur vraagt B&W advies aan een DB over besluiten die (lid 1) betrekking hebben op de taken en bevoegdheden van het DB of (lid 2) op de belangen van het stadsdeel. Het DB legt deze adviezen voor aan de stadsdeelcommissie (art. 19). Het DB neemt het advies van de stadsdeelcommissie over indien het is vastgesteld met een meerderheid van stemmen en binnen de budgettaire kader past (art. 19 lid 5). Afwijkingen van het advies motiveert het DB.

Adviesvraag B&W Formuleer hier de vraag aan het stadsdeel

Het college van B&W heeft op 11 februari 2020 ingestemd met het vrijgeven voor het inwinnen van advies bij de stadsdelen van het beleidskader ‘Ruimte voor de voetganger’. De belangrijkste implicaties van het beleidskader Ruimte voor de voetganger zijn:  Bij alle herinrichtingen van straten wordt voortaan uitgegaan van een absoluut minimum van 1,80m vrije doorloopruimte voor de voetganger. Dat is de ruimte op het trottoir die gebruikt wordt om te lopen, dus ruimte waar geen objecten (terrassen, fietsenrekken, bomen, mupi’s, etc.) staan. Dit betekent dat er bij herinrichtingsprojecten scherpe keuzes gemaakt moeten worden, zodat er voldoende ruimte voor de voetganger over blijft. Het beleidskader bevat een opsommingen van mogelijkheden om bij krappe profielen toch voldoende voetgangersruimte te borgen.  De gewenste ruimte voor de voetganger loopt op, afhankelijk van de gemiddelde aantallen voetgangers per minuut op het drukste moment in een straat. Op stadsstraten met grote stromen voetgangers is dus meer vrije doorloopruimte gewenst. Het beleidskader bevat hiervoor normen.  Bij het vergunnen van objecten op het trottoir (winkeluitstallingen, terrassen, etc.) wordt een absoluut minimum van 2,00m vrije doorloopruimte gehanteerd. Dit volgt uit een amendement dat is aangenomen bij de Agenda Autoluw. Het amendement vraagt om waar mogelijk te streven naar 2,00 meter of meer.

Als het trottoir fysiek breed genoeg is, vindt het college het van belang dat er inderdaad minimaal 2,00m vrije doorloopruimte overblijft vóórdat er sprake kan zijn van een terras of een winkeluitstalling.  Het beleidskader Ruimte voor de voetganger heeft dus implicaties voor de nadere regels voor terrassen en Pagina 1 van 5

winkeluitstallingen, zoals die momenteel in de stadsdelen gehanteerd worden. De DB’s zijn bevoegd deze regels vast te stellen, binnen de stedelijke kaders. Directie V&OR zal komend jaar de stadsdelen ondersteunen om de regels aan te passen, na vaststelling van het beleidskader Ruimte voor de voetganger. Wij willen u, als dagelijks bestuur van het stadsdeel, vragen om de conceptversie van het ‘Beleidskader Ruimte voor de voetganger’ te voorzien van advies vanuit uw stadsdeel. Conceptadvies DB: Het dagelijks bestuur formuleert hier t.b.v. de stadsdeelcommissievergadering een conceptadvies

Het dagelijks bestuur is erg verheugd dat er voor het eerst in de historie een beleidskader ligt voor de voetgangersruimte. De voetganger is in de verdeling van de openbare ruimte al sinds komst van de paardenkoets het kind van de rekening en daar lijkt nu eindelijk een einde aan te komen. Vanzelfsprekend zal de nieuwe norm op veel plekken niet haalbaar zijn in de binnenstad met haar historische straten structuur. Desalniettemin geeft het beleidsstuk handvaten om ook in de smalle straten de inrichting en/of de toegankelijkheid voor andere modaliteiten als fiets en auto te heroverwegen. Zo zien wij in ieder geval kansen voor het autovrij maken van een aantal drukke voetgangersstraten. Het kader geeft echter geen duidelijkheid over hoe het zich verhoudt naar beleidskaders en normen voor andere modaliteiten. Zo zijn er bijvoorbeeld diverse plekken waar zelfs op het drukke plusnet voetganger niet aan de minimale norm voldoet en moet vechten om de ruimte met fiets en auto. In de praktijk zal dus bij het vaststellen van dit kader nog steeds een afweging gemaakt moeten worden tussen het beleidskaders voor auto, fiets, OV en voetganger. Daarom is er meer nodig om bij conflicterende beleidskaders en normen prioriteit te kunnen leggen bij de voetganger.

Het dagelijks bestuur vraagt dan ook om bestuurlijk vast te leggen hoe de prioritering tussen voetganger, fietser, OV en auto gemaakt dient te worden in welke situaties. Positief is met name om, daar waar het fysiek mogelijk is, te streven naar een minimale vrije doorloopruimte 2 meter. Helaas alleen waar het gaat om het vergunnen van objecten van derden, zoals terrassen. Verbaast zijn wij over het feit dat bij gemeentelijke objecten zoals fietsenrekken de absolute ondergrens van 1.80m gaat gelden, terwijl juist de bij deze objecten geplaatste fietsen over het algemeen uitsteken buiten de maat van de objecten en daarmee nog meer voetgangersruimte innemen. Hierdoor zal juist bij fietsenrekken in het dagelijks gebruik een maat van ca. 1.50 of zelfs minder overblijven. Dit nog los van de onduidelijkheid die het schept naar buiten toe, de interpretatie verschillen in de uitvoering en de discussies waar toe het leidt met andere interne en externe belanghebbenden. Het dagelijks bestuur adviseert om in alle gevallen 2.00m als harde minimum eis te stellen. Zelfs dan zal in het dagelijks gebruik van de objecten en terrassen veelal slecht 1,80m aan vrije doorloopruimte overblijven. Mocht worden vastgehouden aan het verschil tussen een absolute ondergrens en een minimum norm dan zal hierover meer duidelijkheid gegeven moeten worden.

Het stuk biedt geen eenduidigheid en duidelijkheid over voor welke objecten een absolute ondergrens van 1,80m gaat gelden en voor welke 2,00m het minimum zal zijn. Het dagelijks bestuur vraag om in het kader expliciet op te nemen voor welke specifieke objecten de absolute ondergrens acceptabel kan zijn. Hierbij vraagt het dagelijks bestuur om ook expliciet op te nemen dat dit nooit mag gelden voor objecten zoals, terrassen, uitstallingen, mupi’s en andere particuliere objecten. Bij het realiseren van de gewenste minimale ruimte voor de voetgangers ligt er een grote uitdaging voor ons op het gebied van terrassen. Een norm van 2 meter betekent in praktijk dat bijna alle vergunde terrassen in de binnenstad en daarbuiten moeten worden teruggebracht met minimaal 50cm, een ingreep die voor ondernemers hard zal aankomen. Dit vraagt voldoende overgangstermijnen, duidelijke communicatie, maatwerk waar nodig. Op dit moment al wordt gewerkt aan een aanscherping van het terrassenbeleid in Centrum en ook wordt centraal stedelijk gekeken naar het horeca-beleid in brede zin. Hierop vooruitlopend worden in twee gebieden in stadsdeel Centrum, in samenspraak met bewoners en ondernemers, integraal de consequenties verkent van invoering van 2 meter regel. Aangezien de discussie rond terrassen niet alleen gaat Registratienummer Z17-81484 / 2605 Pagina 2 van 5

over voetgangersruimte maar een directe relatie heeft met geluidsoverlast, alcohol gerelateerde overlast en horeca-sluitingstijden zal het vraagstuk rond terrassen breed moeten worden opgepakt en zich niet moeten vernauwen tot het passend maken aan een nieuwe norm voor voetgangersruimte. De consequenties voor de horeca spelen in de hele stad en het dagelijks bestuur vraagt dan ook om een goede stedelijk gecoördineerde aanpak voor beleidsaanpassing en uitvoering rondom terrasmaatvoering en horecabeleid. Dit laatste om eenduidigheid en duidelijkheid richting de ondernemers, die vaak in diverse stadsdelen gevestigd zijn, te kunnen borgen. Alleen met een volwaardige passantentelling kan een goede onderbouwing geleverd worden voor de hoeveelheid voetgangersruimte die noodzakelijk is. Toch staat bij het ‘Toepassen van de norm’ (pagina 10) dat een telling alleen noodzakelijk is wanneer de tabellen met puur indicatieve straattypes en voorbeelden geen uitsluitsel geven. Integrale herinrichtingen en het opstellen van terrassenplannen zijn de uitgelezen momenten om de bestaande ruimte te herverdelen., dit zijn dan ook de momenten waarop de waarde van dit beleidskader ten volste kan worden benut en altijd een volwaardige telling ten grondslag moet liggen aan het ontwerp. Het beleidskader geeft hier toe geen verplichting of aanleiding.

Het dagelijks bestuur adviseert om in het kader op te nemen dat bij integrale herinrichtingen en bij het opstellen van een terrassenplan vooraf altijd een volwaardige passantentelling dient te worden gedaan. Het nieuwe kader zal, met name in de eerste jaren, leiden tot een grote capaciteitsvraag binnen onze organisatie bij het toetsen en vergunnen van aanvragen voor terrassen en objecten. Deze capaciteit is op dit moment niet aanwezig. Voor het goed en efficiënt kunnen uitvoeren van de nieuwe kaders zal de aanwezige capaciteit binnen het vergunningverlening proces nader moeten worden bekeken. Tot slot wil het dagelijks bestuur er op wijzen dat bij het opstellen van het concept-kader weinig tot geen participatie heeft plaatsgevonden op het niveau van bewoners en ondernemers, terwijl dit juist een onderwerp is waar iedere Amsterdammer mee te maken heeft. Dit sluit niet aan op de ambitie van het college om participatie ook onderdeel te laten zijn bij beleidsvorming. Het dagelijks bestuur adviseert om expliciet in het kader op te nemen dat een sterke mate van participatie voorwaarde is bij de implementatie van het kader op straat. Daarbij hoopt het dagelijks bestuur dat in toekomstige andere beleidvormingstrajecten wel meer ruimte wordt gegeven aan participatie door bewoners en ondernemers en niet alleen bij de implementatie van nieuw beleid.

Advies stadsdeelcommissie: Advies van de stadsdeelcommissie aan het DB

De commissie stemt in met het advies van het dagelijks bestuur. Maar vraagt aan het advies toe te voegen om bij afwijkingen het opheffen van parkeerplaatsen al in eerste instantie te kunnen overwegen bij integrale herinrichtingen van straten. Dit in lijn met de ambitie van het college om door het op heffen van parkeerplekken onder andere meer ruimte voor de voetganger te realiseren. (het dagelijks bestuur neemt het advies over) Definitief advies DB: Advies van het dagelijks bestuur aan het college van burgemeester en wethouders

Het dagelijks bestuur is erg verheugd dat er voor het eerst in de historie een beleidskader ligt voor de voetgangersruimte. De voetganger is in de verdeling van de openbare ruimte al sinds komst van de paardenkoets het kind van de rekening en daar lijkt nu eindelijk een einde aan te komen. Vanzelfsprekend zal de nieuwe norm op veel plekken niet haalbaar zijn in de binnenstad met haar historische straten structuur. Desalniettemin geeft het beleidsstuk handvaten om ook in de smalle straten de inrichting en/of de toegankelijkheid voor andere modaliteiten als fiets en auto te heroverwegen. Zo zien wij in ieder geval kansen voor het autovrij maken van een aantal drukke voetgangersstraten.

Registratienummer Z17-81484 / 2605 Pagina 3 van 5

Het kader geeft echter geen duidelijkheid over hoe het zich verhoudt naar beleidskaders en normen voor andere modaliteiten. Zo zijn er bijvoorbeeld diverse plekken waar zelfs op het drukke plusnet voetganger niet aan de minimale norm voldoet en moet vechten om de ruimte met fiets en auto. In de praktijk zal dus bij het vaststellen van dit kader nog steeds een afweging gemaakt moeten worden tussen het beleidskaders voor auto, fiets, OV en voetganger. Daarom is er meer nodig om bij conflicterende beleidskaders en normen prioriteit te kunnen leggen bij de voetganger. Het dagelijks bestuur vraagt dan ook om bestuurlijk vast te leggen hoe de prioritering tussen voetganger, fietser, OV en auto gemaakt dient te worden in welke situaties. Positief is met name om, daar waar het fysiek mogelijk is, te streven naar een minimale vrije doorloopruimte 2 meter. Helaas alleen waar het gaat om het vergunnen van objecten van derden, zoals terrassen. Verbaast zijn wij over het feit dat bij gemeentelijke objecten zoals fietsenrekken de absolute ondergrens van 1.80m gaat gelden, terwijl juist de bij deze objecten geplaatste fietsen over het algemeen uitsteken buiten de maat van de objecten en daarmee nog meer voetgangersruimte innemen. Hierdoor zal juist bij fietsenrekken in het dagelijks gebruik een maat van ca. 1.50 of zelfs minder overblijven.

Dit nog los van de onduidelijkheid die het schept naar buiten toe, de interpretatie verschillen in de uitvoering en de discussies waar toe het leidt met andere interne en externe belanghebbenden. Het dagelijks bestuur adviseert om in alle gevallen 2.00m als harde minimum eis te stellen. Zelfs dan zal in het dagelijks gebruik van de objecten en terrassen veelal slecht 1,80m aan vrije doorloopruimte overblijven. Mocht worden vastgehouden aan het verschil tussen een absolute ondergrens en een minimum norm dan zal hierover meer duidelijkheid gegeven moeten worden. Het stuk biedt geen eenduidigheid en duidelijkheid over voor welke objecten een absolute ondergrens van 1,80m gaat gelden en voor welke 2,00m het minimum zal zijn. Het dagelijks bestuur vraag om in het kader expliciet op te nemen voor welke specifieke objecten de absolute ondergrens acceptabel kan zijn. Hierbij vraagt het dagelijks bestuur om ook expliciet op te nemen dat dit nooit mag gelden voor objecten zoals, terrassen, uitstallingen, mupi’s en andere particuliere objecten. Bij het realiseren van de gewenste minimale ruimte voor de voetgangers ligt er een grote uitdaging voor ons op het gebied van terrassen. Een norm van 2 meter betekent in praktijk dat bijna alle vergunde terrassen in de binnenstad en daarbuiten moeten worden teruggebracht met minimaal 50cm, een ingreep die voor ondernemers hard zal aankomen.

Dit vraagt voldoende overgangstermijnen, duidelijke communicatie, maatwerk waar nodig. Op dit moment al wordt gewerkt aan een aanscherping van het terrassenbeleid in Centrum en ook wordt centraal stedelijk gekeken naar het horeca-beleid in brede zin. Hierop vooruitlopend worden in twee gebieden in stadsdeel Centrum, in samenspraak met bewoners en ondernemers, integraal de consequenties verkent van invoering van 2 meter regel. Aangezien de discussie rond terrassen niet alleen gaat over voetgangersruimte maar een directe relatie heeft met geluidsoverlast, alcohol gerelateerde overlast en horeca-sluitingstijden zal het vraagstuk rond terrassen breed moeten worden opgepakt en zich niet moeten vernauwen tot het passend maken aan een nieuwe norm voor voetgangersruimte. De consequenties voor de horeca spelen in de hele stad en het dagelijks bestuur vraagt dan ook om een goede stedelijk gecoördineerde aanpak voor beleidsaanpassing en uitvoering rondom terrasmaatvoering en horecabeleid. Dit laatste om eenduidigheid en duidelijkheid richting de ondernemers, die vaak in diverse stadsdelen gevestigd zijn, te kunnen borgen. Alleen met een volwaardige passantentelling kan een goede onderbouwing geleverd worden voor de hoeveelheid voetgangersruimte die noodzakelijk is.

Toch staat bij het ‘Toepassen van de norm’ (pagina 10) dat een telling alleen noodzakelijk is wanneer de tabellen met puur indicatieve straattypes en voorbeelden geen uitsluitsel geven. Integrale herinrichtingen en het opstellen van terrassenplannen zijn de uitgelezen momenten om de bestaande ruimte te herverdelen., dit zijn dan ook de momenten waarop de waarde van dit beleidskader ten volste kan worden benut en altijd een volwaardige telling ten grondslag moet liggen aan het ontwerp. Het beleidskader geeft hier toe geen verplichting of aanleiding. Het dagelijks bestuur adviseert om in het kader op te nemen dat bij integrale herinrichtingen en bij het opstellen van een terrassenplan vooraf altijd een volwaardige passantentelling dient te worden gedaan.

Registratienummer Z17-81484 / 2605 Pagina 4 van 5

In hoofdstuk 3.5 wordt ingegaan op de mogelijkheden en te nemen stappen bij afwijking van de norm. Hierbij is opgenomen dat bij integrale herinrichtingen in eerste instantie moet worden gekeken naar het herpositioneren of verwijderen van objecten, waaronder ook terrassen of voor het langzaamverkeer functionele objecten als fietsnietjes of prullenbakken. Pas in tweede instantie kan worden gekeken naar het opheffen van parkeerplaatsen. In lijn met de ambitie van het college om door opheffen van autoparkeerplaatsen op straat meer ruimte te creëren voor de voetganger adviseert het dagelijks bestuur het opheffen van autopakeerplaatsen onder de eerste ‘bullit’ van hoofdstuk 3.5 te plaatsen. Zeker bij integrale herinrichtingen kan daarmee veel ruimte worden gewonnen, zonder dat persé eerst andere functionele objecten voor fietsers en voetgangers verwijderd of beperkt moeten worden. Het nieuwe kader zal, met name in de eerste jaren, leiden tot een grote capaciteitsvraag binnen onze organisatie bij het toetsen en vergunnen van aanvragen voor terrassen en objecten. Deze capaciteit is op dit moment niet aanwezig. Voor het goed en efficiënt kunnen uitvoeren van de nieuwe kaders zal de aanwezige capaciteit binnen het vergunningverlening proces nader moeten worden bekeken.

Tot slot wil het dagelijks bestuur er op wijzen dat bij het opstellen van het concept-kader weinig tot geen participatie heeft plaatsgevonden op het niveau van bewoners en ondernemers, terwijl dit juist een onderwerp is waar iedere Amsterdammer mee te maken heeft. Dit sluit niet aan op de ambitie van het college om participatie ook onderdeel te laten zijn bij beleidsvorming. Het dagelijks bestuur adviseert om expliciet in het kader op te nemen dat een sterke mate van participatie voorwaarde is bij de implementatie van het kader op straat. Daarbij hoopt het dagelijks bestuur dat in toekomstige andere beleidvormingstrajecten wel meer ruimte wordt gegeven aan participatie door bewoners en ondernemers en niet alleen bij de implementatie van nieuw beleid.

Registratienummer Z17-81484 / 2605 Pagina 5 van 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12823235/1