CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlage 2.1 NvB advies en zienswijzen NRD.pdf

RAAD 12 december 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen inzake het voorgenomen collegebesluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER (VN2024-013643)34.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De NRD geeft volgens een indiener niet het vertrouwen dat daadwerkelijk naar de bewoners/gebruikers geluisterd gaat worden, iedereen is fel tegen. De gemeente negeert volgens indiener keer op keer de wensen van bewoners. De NRD geeft volgens een indiener niet het 55

vertrouwen dat daadwerkelijk naar de bewoners/gebruikers geluisterd gaat worden, iedereen is fel tegen. De gemeente negeert volgens indiener keer op keer de wensen van bewoners. Reactie college: De NRD is de onderzoeksopzet voor het plan-MER. In het plan-MER worden de milieueffecten in kaart gebracht voor alle windzoekgebieden. Het plan-MER geeft op die manier inzicht in de te verwachten milieueffecten en hoe deze effecten verschillen tussen de zoekgebieden. In het PWA wordt de keuze gemaakt waar windturbines gerealiseerd kunnen worden en onder welke voorwaarden en kaders. Het betreft echter wel een stadsbrede afweging. Het college nodigt de indieners uit om mee te doen aan het vervolgparticipatieproces en op die manier hun mening te delen. De infomatie opgehaald in tijdens het participatieproces draagt bij het aan de kwaliteit van de besluitvorming door het college op een later moment. Deze zienswijzen leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. De zoekgebieden bij de grens Landsmeer (reserve-zoekgebied bij S117, het deel van zoekgebied RingA10-Noord direct boven Elzenhagen en het westelijke dele van het extra reservegebied bij de Termietenweg) moeten worden uitgesloten vanwege gebrek aan participatie en draagvlak (in tegenstelling tot wat in par. 1.1, blz. 3, NRD staat).

Dit blijkt onder andere uit: In 2021 ondertekenden 1.000 Landsmeerders een petitie tegen Amsterdamse windturbines van Windalarm, de gemeente Landsmeer heeft een enquête gehouden en nam diverse moties aan tegen windturbines, Landsmeer heeft hier dringend om verzocht. Een nieuw draagvlakonderzoek is nodig. Het is onjuist dat Amsterdam nauw contact met buurgemeenten onderhoudt (par. 2.3 NRD). Landsmeer is niet gehoord, er is alleen informatie uitgewisseld. Reactie college: Het college realiseert zich dat de windmolens ook buiten de Amsterdamse grenzen ook mogelijk effecten hebben. De gemeenteraad van Amsterdam heeft in mei 2021 de windzoekgebieden in de RES 1.0 vastgesteld. Het betreft hier zoekgebieden voor wind binnen de eigen gemeentegrenzen van Amsterdam. Bij het opstellen van het PWA en het plan-MER wordt geen onderscheid tussen bewoners van Amsterdam in of vlakbij een zoekgebied of bewoners vlakbij een zoekgebied die net over de gemeentegrens. De milieueffecten worden in kaart gebracht voor de zoekgebieden, ongeacht de gemeentegrens. Als onderdeel van het opstellen van de NRD zijn buurgemeenten geïnformeerd en geconsulteerd. Het college heeft eerder aangegeven dat alle windzoekgebieden (voorkeurs,-reserve, en extra reserve gebieden) onderdeel zijn van de scope van het plan-MER. De windturbines op de NoorderIJ-plas worden in de autonome ontwikkelingen meegenomen.

Het college nodigt de indieners uit om deel te nemen aan het participatieproces voor het PWA en op die manier haar mening te bijven delen. Deze zienswijzen leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Worden in hfd. 4.4 de moties van buurgemeenten bedoeld? Wat is er gebeurd met moties/amendementen uit het RES-proces? Reactie college: In hoofdstuk 4.4 van de NRD staat hoe er wordt omgegaan met de moties/amendementen over windzoekgebieden ten tijde van de vaststelling van de RES 1.0 in de gemeenteraad van Amsterdam. Deze zienswijze leidt niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

56

Een indiener geeft aan dat In het project NoorderIJ-plas wordt ‘draagvlak’ niet meegenomen, al helemaal niet vanuit Oostzaan en Zaanstad. Hoe wordt dit in het plan-MER meegenomen? Er staat nergens dat draagvlak een vereiste is. Een andere indiener geeft aan dat het vertrouwen in de gemeente Amsterdam is geschaad omdat een positief advies is gegeven over windpark Noorder IJplas, terwijl het MER laat zien dat daar 91 ernstig gehinderden zullen zijn en 700 in toekomstige woningbouwlocaties. Reactie college: Het gebied NoorderIJ-plas is geen onderdeel van de te onderzoeken alternatieven in het plan-MER (zie par. 2.6 NRD). In hoeverre er draagvlak is, is geen milieugevolg dat in een plan-MER wordt onderzocht. Deze zienswijzen leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een van de indienders geeft aan dat het proces voor de totstandkoming van de RES-zoekgebieden en reflectiefase helaas niet bottom-up en transparant was. Informatievoorziening is volgens indiener niet pro-actief door de gemeente gedeeld maar pas na aandringen van bewoners zijn wat acties ondernomen om mensen een stem te geven. Het hele proces is helaas niet te begrijpen, daardoor is een grote groep niet op de hoogte en niet in staat zienswijzen te geven.

Een andere indiener geeft aan dat er sprake is van algehele teleurstelling over de kwaliteit van het proces tot nu toe sinds juli 2020 (eerste ronde draagvlaksessies), dit is ondersteund met diverse berichten waaronder uit de media. Het document ‘Signalen uit de stad’ is volgens indiener niet het resultaat van de klankbordgroepen. In het hoofdstuk participatieproces in de NRD ontbreken volgens hem de resultaten van de participatie. Dit zou in strijd zijn met de Smb-richtlijn. Alle inwoners hebben aangegeven geen windturbines in het groen te willen. De reflectiefase is volgens indiener mislukt. Uit de evaluatie van de Universiteit Leiden blijkt volgens m=hem onder meer dat de kloof tussen burger en politiek is groter geworden, een groot deel van de participanten niet hun belangen heeft weten te behartigen, weerstand tegen windenergie is groter geworden. In de afgelopen twee jaren heeft de gemeente volgens indiener alles in het werk gesteld om haar in 2012 opgestelde en inmiddels achterhaalde windturbinebeleid door te drukken: - Tijdens de behandeling van de RES 1.0 werd gezegd dat er later nog ruimte was om inhoudelijk te debatteren over de nut en noodzaak van windturbines. - Bij het vaststellen van de omgevingsvisie van Amsterdam 2050 kon er geen inhoudelijk debat plaatsvinden, want daar werd gezegd dat er in de RES al ws besloten.

- De reflectiefase ontspoorde omdat het document ‘Signalen uit de Stad’ niet het afwegingskader is dat was beloofd en op een onzorgvuldige manier tot stand is gekomen. - Ondertussen werd in een een-tweetje met de provincie draagvlak geveinsd voor het afschaffen van de enige overgebleven bescherming van burgers tegen windturbines: de 600 meter grens. - Ondertussen stapte ook de enige medicus uit de expertgroep gezondheid en diende een groot deel van de klankbordgroep gezondheid een klacht in. - Met de komst van de Sara mocht ook de ambitie van de gemeente niet ter discussie worden gesteld. Wij verzoeken de gemeente nu om te zien dat zij echt begaan is met haar eigen bevolking en deze NRD dusdanig aan te passen dat het ook echt alle nadelige effecten goed onderzocht worden en inzichtelijk gemaakt en dat er werk gemaakt wordt van normen die bewoners ook echt beschermen (ook als dat ten koste gaat van het aantal te realiseren windturbines.)

57

De beantwoording van het raadsadres van 13 april 2021 over het draagvlakonderzoek onder inwoners van Zunderdorp 'tegen windturbines langs de A10 Noord voornamelijk vanwege de volksgezondheid’ heeft de zorgen alleen maar vergroot. Dit raadsadres moet als herhaald en ingelast worden beschouwd. Zunderdorp en Landelijk Noord stellen zich volgens indiener actief op in het participatieproces en gaan graag de dialoog aan. Helaas zijn nog niet alle eerdere punten meegenomen en zijn deze nu nogmaals onder de aandacht gebracht. Een andere indiener geeft aan dat ook toekomstige bewoners van geplande woningbouw moeten geïnformeerd en betrokken worden. Lokaal eigenaarschap moet het uitgangspunt zijn. Dat met de zorgen en belangen van toekomstige bewoners van de Weespersluis rekening gehouden wordt, moet afzonderlijk vermeld worden in par. 1.1 van de NRD. Een andere indiener geeft meldt dat een inhoudelijke dialoog was in het kader van de Klankbordgroep Zuid-Oost tijdens de reflectiefase in 2021-2022 (par. 1.1 en 4.1.3 van de NRD) niet mogelijk. Een andere indiener stelt dat voor de Haven als zoekgebied bestaat het meeste draagvlak is. Reactie college: De gemeenteraad van Amsterdam heeft in mei 2021 de RES 1.0 vastgesteld met daarin onder andere de windzoekgebieden binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam.

Hierin is tevens vastgesteld wat de doelstellingen zjin voor wind&zon binnen de gemeentegrenzen. Ook is een onderscheid gemaakt tussen voorkeurs,- reserve,- & extra reservegebieden. Een van de voorkeursgebieden is het Havengebied. Hier staat al het leeuwendeel van de huidige windturbines. Voorafgaand aan de vaststelling van de RES1.0 heeft een participatieproces plaatsgevonden, waarbij belanghebbenden stadsbreed zijn geïnformeerd en betrokken. Zowel voor als tegenstanders van windenergie waren echter in een relatief laat stadium echt aangehaakt bij dit proces. Bij de vaststelling van de van de RES 1.0 is daarom afgesproken om in de reflectiefase nogmaals het gesprek met de stad te voeren. Hiervoor is een beed maatschappelijk participatieproces opgezet, waarin de meningen van belanghebbenden sterk uiteenlopen. Vele lokale bijeenkomsten, klankbordgroepen, en expertadviezen zijn een aantal resultaten van dit proces. Deze zijn allemaal online gepubliceerd en terug te lezen. Dit heeft veel betrokkenen binnen en buiten Amsterdam bereikt. De doelstelling van het college uit de RES 1.0 staat niet ter discussie. Dat neemt niet weg dat er tussen voor- en tegenstanders van windenergie inhoudelijk meningsverschillen kunnen blijven bestaan. De reflectiefase is in het voorjaar van 2022 afgesloten.

De provincie Noord-Holland onderschrijft de uitvoering van de Klimaatakkoord van Parijs in 2016 en heeft derhalve gekeken hoe de energietransitie voor de RES regio's binnen de provincie gefaciliteerd kan worden in brede zin. Een van de voorbeelden is het laten vallen van de 600 meter afstandsregel in de provinciale Omgevingsverordening Noord-Holland 2022. Het college heeft mede op basis van alle maatschappelijke betrokkenheid besloten om een gemeentebreed plan-MER te gaan opstellen. De informatie uit de reflectiefase is mede input voor het vormgeven van de NRD maar niet de enige bron waarop de NRD is samengesteld. In de NRD is helder uiteengezet hoe de input uit de reflectiefase is en wordt meegenomen en op welke wijze. De NRD vormt de onderzoeksopzet voor het plan-MER. Van strijd met de Smb-richtlijn is geen sprake (zie ook hetgeen hierover hierna opgemerkt wordt onder 'Diversen'). In een plan-MER worden de milieueffecten in kaart gebracht voor de zoekgebieden. Ook is het mogelijk om de verschillende alternatieven onderling te vergelijken op milieugevolgen. Deze informatie dient mede ter onderbouwing van het PWA. Ook in dit vervolgproces blijft het mogelijk om te participeren, en 58

zienswijzen over het plan-MER en het ontwerp-PWA in te dienen. Het college nodigt alle belanghebbenden, waaronder ook (toekomstige) bewoners van Weespersluis uit om betrokken te blijven en om te blijven participeren. Deze zienswijzen leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. De gemeente Waterland is tevreden over het gelopen proces sinds haar zienswijzen over de ontwerp-Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Zij blijft graag in gesprek over haar bewonersbelangen en de gezamenlijke opgave voor het gebied Waterland Oost/Landelijk Noord, met name als de prioritering als ‘Extra reserve zoekgebied’ zou veranderen. Reactie college: Amsterdam heeft periodiek contact met buurgemeenten over voortgang van het Programma Windenergie Amsterdam. De contacten zijn ontstaan bij het opstellen van de RES 1.0, ook met gemeente Waterland. De voortgang van het plan-MER en Programma Windenergie Amsterdam (PWA) zijn onderdeel van de reguliere afstemming. Zodra er meer inzichtelijk wordt over de contouren van het PWA zal dit weer gedeeld worden met de buurgemeenten, waaronder gemeente Waterland. De verwachting is dat in het najaar van 2023 meer informatie beschikbaar wordt. Deze zienswijzen leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Inhoud programma (zienswijzen nr. 0327-001, 0329-001, 0402-003, 0404-005, 2382-1349) Een van de indieners stelt dat het 50% coöperatieve eigendom uitgangspunt een puur winstmodel voor de gemeente is, en dat de rest door de bewoners betaald wordt. Een andere indiener verzoekt de bovenwettelijke eis van project-mer-plicht voor solitaire windturbines te laten vervallen, gelet op de kapitaalintensieve voorbereiding daarvan, de dan al gedane alternatievenweging in het plan-MER en het grondig beschouwen van milieuthema’s in de omgevingsvergunning. Andere indieners melden dat de zoekgebieden in het MER ongeacht hun status in de RES van voorkeursgebied, reservegebied of extra-reservegebied worden onderzocht. In hoeverre weegt die status wel mee in de aanwijzing als geschikte locatie? De status van zoekgebieden is onduidelijk, zoekgebied 6A bestond eerst niet. De Haven moet worden aangewezen als maatschappelijk gewenst voorkeursgebied. Reactie college: De zoekgebieden uit de RES1.0/Omgevingsvisie Amsterdam 2050 worden onafhankelijk van hun status (voorkeursgebied, reservegebied of extra-reservegebied) in het plan-MER op milieueffecten onderzocht. Het Havengebied en het gebied rondom knooppunt Holendrecht (6A) zijn een van de te onderzoeken gebieden (zie par. 2.6 NRD). Op die manier wordt het inzichtelijk hoe milieueffecten voor de verschillende zoekgebieden onderling verschillen.

De uiteindelijke aanwijzing van gebieden in het PWA is het resultaat van een belangenafweging. In het PWA worden ook thema's meegewogen die niet in het plan-MER onderzocht worden (zoals sociale effecten en financiële participatie). Op welke manier er vervolg gegeven wordt aan de motie dat elke turbine een projectmer-plicht heeft, is ook onderdeel van het PWA. Op welke vorm van financiële participatie ht college gaat sturen, wordt in het kader van het PWA onderzocht. Het college herkent zich niet in de stelling dat 50% coöperatief eigendom een winstmodel van de gemeente zou zijn. Het college ambieert een

59

maximale lokale deelname. Deze zienswijzen leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Diversen (zienswijzen nr. 0313-001, 0324-001, 0327-001, 0329-001, 0330-001, 0401-002, 0402-002, 0403-002, 0403-008, 0403-011, 0404-002, 0404-003, 0404-004, 0404-006, 1114-2396, 9908-7099, 7193-9153, 4259-8971, 2008-3451, 8671-1771) Er zijn in de zienswijzen ook diverse onderwerpen ingebracht, die niet goed in een algemeen thema passen. Deze worden in het volgende daarom puntsgewijs beantwoord. Een indiener geeft complimenten voor de zorgvuldigheid van het debat en de kwaliteit van de NRD. Reactie college: Het college neemt deze zienswijze voor kennisgeving aan. Verzocht wordt ook om de NRD in te trekken/te wachten met het plan-MER en het project NoorderIJ-plas totdat nieuwe landelijke normen bekend zijn. En het plan-MER te heroverwegen totdat het nieuwe beleidskader hoofdgroenstructuur aangenomen is door de gemeenteraad. Reactie college: Het PWA en het plan-MER houdt rekening in de opzet met mogelijke wijzigingen in wet,- en regelgeving gedurende het opstellen van het PWA. Op dit moment wordt het plan-MER ‘Nationale windturbinebepalingen leefomgeving’ door het Rijk opgesteld. Ook wordt de ontwerp-Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) gemaakt. De rijksplanning is dat het plan-MER samen met de ontwerp-bepalingen van de AMvB in de tweede helft van 2023 ter inzage worden gelegd en ook voor internetconsultatie openbaar worden gemaakt.

Op dat moment kan een ieder inspreken op beide documenten, en wordt ook de Commissie m.e.r. om advies gevraagd over het opgestelde landelijke plan-MER. Om te voorkomen dat deze landelijke procedure stagnatie geeft, worden in het Amsterdamse plan-MER diverse waarden onderzocht, zodat in een later stadium daarmee kan worden aangesloten bij de landelijke normgeving. Op het moment dat de vergunningen verleend worden voor de gebieden uit het PWA, zullen vanzelfsprekend de nieuwe landelijke normen nageleefd worden. Naar verwachting is eventuele vergunningverlening op zijn vroegst in 2025 aan de orde in Amsterdam. Voor het project NoorderIJ-plas loopt een vergunningprocedure met ene project-MER. Voor het nu op te stellen plan-MER is deze een autonome ontwikkeling. In navolging van het advies van de Commissie m.e.r. zal dat in het plan-MER duidelijk uiteengezet worden.Voor plaatsing van windturbines in het groen is er een bestaand beleidskader vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam er is daarom geen noodzaak om te wachten tot het nieuwe beleidskader voor de hoofdgroenstructuur is vastgesteld. Deze zienswijze leidt niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Waarom wordt de mer-beoordelingsfase overgeslagen en meteen een project-mer uitgevoerd voor de vervolgbesluiten. Of is dat alleen als de gemeente initiatiefnemer is, vraagt indiener zich af.

Reactie college: BIj de behandeling van de RES 1.0 is er een motie aangenomen, met de strekking om bij elke windturbine een project-MER op te stellen. Dat zou betekenen dat de mer-beoordeling in alle gevallen wordt overgeslagen. De aanvrager van een omgevingsvergunning is verantwoordelijk voor 60

een project-MER. Het college van GS van provincie Noord-Holland is op grond van de Elektriciteitswet bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor windturbineparken tussen de 5 MW en 100 MW. Daarbij houdt dat college rekening met het beleid van de gemeente Amsterdam. GS heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de bevoegdheid voor de vergunningverlening over te dragen aan het het college van B&W van Amsterdam. Op welke manier er verder vervolg gegeven kan worden aan de motie is onderdeel van de uitwerking in het PWA. Deze zienswijze leidt niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. In par. 1.4 blz. 8 van de NRD staat dat als de huidige-mer-procedure doorlopen wordt, deze tevens voldoet aan de Omgevingswet. Deze zin moet aangepast worden in: Als de huidige mer-procedure doorlopen wordt, zal hij moeten voldoen aan de toekomstige vereisten van windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit en andere regelgeving uit de Omgevingswet, en het Unierecht. Reactie college: Aan de huidige plan-mer zijn meer wettelijke procedurele waarborgen verbonden dan onder de Omgevingswet. Hierop wordt in de NRD gedoeld. Het Unierecht is in het Nederlandse recht omgezet en verandert inhoudelijk niet door de komst van de Omgevingswet. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Met betrekking tot zoekgebied ring A10 Noord moeten het plan-MER Windvisie Amsterdam 2012 en het Addendum plan-MER Wind op Land provincie Noord-Holland 2021 volgens indiener uitdrukkelijk meegewogen worden. Daarvan wordt volgens hem nu op punten afgeweken terwijl de situatie ongewijzigd is. Reactie college: Het plan-MER Wind op Land van de provincie Noord-Holland, en het addendum daarbij in 2021, onderbouwen de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022. Daarin zijn windturbines in de RESzoekgebieden mogelijk gemaakt. In de zienswijze is helaas niet aangegeven op welke punten afgeweken is. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Inmiddels is de datum inwerkingtreding van de Omgevingswet bekend, deze zou opgenomen moeten worden in par. 1.4.1 van de NRD. Reactie college: De datum van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is inmiddels bekend, namelijk 1 januari 2024. Deze datum zal in het plan-MER juist worden vermeld. Indiener stelt de volgende vragen. Kan verwezen worden naar de richtlijn bij de omschrijving van milieugevolgen? Zo nee, kan dan toegelicht worden wat onder milieugevolgen verstaan wordt en welke elementen uit de richtlijn buiten beschouwing blijven? Voldoet het MER straks aan de Smbrichtlijn (zie uitspraak ABRvS 30 juni 2021, art. 6 en art.

174 Verdrag EU)? Reactie college: De Smb-richtlijn (Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's) geeft aan dat de mogelijk aanzienlijke milieueffecten onderzocht moeten worden van plannen en programma's die wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven zijn én kaderstellend zijn voor mer(beoordelings)plichtige projecten. In Bijlage I bij de Smb-richtlijn staan onder f) voorbeelden wat 61

onder milieu verstaan moet worden. Het gaat daarbij om ‘milieu’ in brede zin, bijvoorbeeld biodiversiteit, menselijke gezondheid, klimaat, bodem, cultureel erfgoed, landschap, en de wisselwerking tussen genoemde elementen. De Smb-richtlijn is in Nederland omgezet in de Wet milieubeheer en het Besluit mer. Vanaf 1 januari 2024 is dat in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. Er blijven geen elementen buiten beschouwing. Het gaat wel altijd over mogelijke aanzienlijke milieugevolgen. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Op grond van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (de Europese Klokkenluidersrichtlijn) is Amsterdam verplicht om direct na melding van het vermoeden van een inbreuk op het Unierecht Amsterdam een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren. Een dergelijke melding is door tien personen gedaan vanwege het negeren en onder de tafel werken van relevant medisch wetenschappelijk onderzoek door de Expertgroep gezondheid. Het onderzoek had binnen drie maanden gereed moeten zijn, maar Amsterdam heeft tot op heden geen onderzoek laten doen. Het advies van de Expertgroep gezondheid mag daarom niet als basis dienen voor de NRD.

Reactie college: Het milieuonderzoek in het plan-MER wordt uitgevoerd conform vereisten daaraan. Tevens worden daarbij extra elementen uit het advies van de Expertgroep gezondheid meegenomen, zoals het afwegen van visuele hinder op volkstuincomplexen. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Bureau Bosch & vanRijn heeft een belangenverstrengeling, omdat deze nu het plan-MER gaat opstellen. Indien dat bureau nu wel het eerder relevant medisch wetenschappelijk onderzoek mee zou wegen, wordt het mogelijk aansprakelijk gesteld wordt voor het weglaten daarvan bij het project-MER NoorderIJ-plas. Reactie college: Van belangenverstrengeling wordt gesproken als door een (rechts)persoon meerdere belangen gediend worden die elkaar dusdanig beïnvloeden, dat de integriteit ten aanzien van het ene of het andere belang in gevaar komt. Daarvan is hier geen sprake. Het is juist dat Bureau Bosch &vanRijn zowel het project-MER voor windpark NoorderIJ-plas als in deze procedure het plan-MER voor het PWA opstelt. Het college neemt een mogelijke aansprakelijkheidstelling voor kennisgeving aan. Versterk de gemeente-organisatie met energie- en transitiedeskundigheid om voldoende eigen kennis te verkrijgen, zo geeft indiener aan.

Ook is het volgens hem van belang om gedragsverandering bij inwoners te bevorderen en een evenwichtig verdelingskader te scheppen (heldere doelen, belanghebbenden inbreng geven, probleemacceptatie en eigenaarschap, sociale verdeling van lusten en lasten, maatschappelijk draagvlak, oog voor uitvoerbaarheid en resultaat). Reactie college: De gemeente heeft op velerlei terreinen specialisten in huis. Zo ook op het gebied van energie, transitie en gedrag. Op de onderwerpen waar expertise ontbreekt wordt deze zo nodig ingehuurd. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld coöperatief eigendom. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

62

Laat bij het project-MER Noorder IJ-plas (start binnenkort) specifiek onderzoek uitvoeren naar de effecten van verschillende afstanden op de gezondheid en leefkwaliteit van omwonenden en op bouwplannen van de gemeente Zaanstad. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden meegenomen in het verder concretiseren van de RES’en. Reactie college: Het project-MER voor de windturbines NoorderIJ-plas is afgerond en de vergunning is aangevraagd. Het college heeft aan GS van de provincie Noord-Holland geadviseerd om voorschriften aan de vergunning te verlenen onder andere ten aanzien van monitoring van effecten van geluid en slagschaduw. Ook in het plan-MER en PWA zal ingegaan worden op monitoringsmaatregelen. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Voor de gebieden van de gemeente waar geen bouwhoogtebeperkingen gelden gaat de NRD uit van een representatieve tiphoogte van 240 meter. Het blijft onduidelijk voor welke zoekgebieden welke maximale tiphoogten geldt: 150, 200, 240 of 250 meter? Reactie college: In het plan-MER wordt uitgegaan van de maximale tiphoogte. De hoogtebeperkingen zoals weergegeven in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) zijn hiervoor bepalend. De hoogtebeperkingen worden in het MER met figuren toegelicht. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Verzocht wordt om in het plan-MER uit te gaan van windturbines met een tiphoogte van minimaal 200 meter, omdat dat een toekomstbestendig beeld geeft. Ook een andere zienswijzen onderschrijft het belang om uit te gaan van de maximale tiphoogte in het MER, ook als er zachte of twijfelachtige belemmeringen zouden zijn. Reactie college: Er wordt uitgegaan van de maximale toegestane tiphoogte. Zie voorgaande beantwoording. Wanneer een minimum tiphoogte van 200 meter zou worden aangehouden vallen grote delen van de zoekgebieden af, terwijl de gemeente wel graag wil weten wat de milieueffecten zouden zijn indien op die locaties windturbines mogelijk worden gemaakt. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Windturbines zijn niet alleen een zaak van Amsterdam, maar ook van de Provincie. Reactie college: Uiteindelijk beslist de provincie Noord-Holland over de vergunningverlening. Daarbij houdt de provincie rekening met het beleid van de gemeente en wordt het college van B&W in de gelegenheid gesteld om over een vergunningsaanvraag voor windturbines in Amsterdam te adviseren. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. In tabel 15, blz. 48 e.v. van de NRD, ontbreekt volgens indiener ten onrechte de effecten op aardkundige waarden.

63

Reactie college: De effecten op aardkundige waarden zijn sterk afhankelijk van de precieze windturbinelocaties en vallen daarmee buiten het detailniveau van een gemeentebreed plan-MER. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Worden de effecten van bestaande windturbines en energie-infrastructuur in de ruime omgeving gemonitord voor wat betreft aanvaringsslachtoffers, vraagt indiener zich af. Reactie college: In het plan-MER wordt tevens ingegaan op cumulatieve effecten van de autonome ontwikkelingen (zoals bestaande infrastructuur) met de alternatieven voor het voorgenomen programma. Het planMER kan mogelijke monitoring beschrijven, maar de keuze om daadwerkelijk te monitoren hoort in het PWA thuis. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Verzocht wordt om bij de wijze van scoren met neutraal, +, ++ en - en - - te vermelden dat deze alleen zijn bedoeld om alternatieven te vergelijken en geen oordeel van effecten volgens een norm weergeven. En om daarnaast in een tabel aan te geven om hoeveel woningen het gaat. Alle relevante onderzoeken en rapporten moeten volgens indiener betrokken worden bij de beoordeling (zoals het rapport van Jan de Laat, LUMC) en niet alleen die de gemeente passen.

Reactie college: De inleidende tekst bij de effectbeoordeling in het MER zal duidelijk maken hoe de effectscores gelezen moeten worden, en dat deze expliciet een relatieve, en geen absolute beoordeling inhouden. Het genoemde voorbeeld (onderzoek van dr. De Laat) wordt niet meegenomen in het plan-MER, omdat hiervoor wetenschappelijke consensus ontbreekt, en er nog geen formele publicatie beschikbaar is. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. In de belemmeringenanalyse (par. 2.5.1 van de NRD) moeten tevens de onherroepelijk bestemde, maar nog niet gerealiseerde woon- zorg- of onderwijsfuncties (zoals in het westelijk deel van de Weespersluis) toegevoegd worden. En in tabel 2 de afstand die mogelijk wordt bepaald in de landelijke regelgeving. Reactie college: Bij de beoordeling van de effecten worden bestemde/vergunde ontwikkelingen meegenomen. Toekomstige onzekere ontwikkelingen worden meegenomen onder 'stadsontwikkelingen’ (in het advies van de Commissie m.e.r. aangeduid als 'scenario's’). Indien in landelijke regelgeving vaste afstandsnormen worden vastgesteld, worden deze in acht genomen in het PWA. Naar verwachting is namelijk meer bekend over de nieuwe landelijke windturbinenormen voordat het PWA is vastgesteld. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Wethouder Pels heeft zoekgebied Cornelis Douwesterrein op 29 november 2022 (RIB beantwoording sv Kreuger inzake belemmering woningbouw door plaatsing windturbine) laten afvallen vanwege toekomstige woningbouw. De NRD is volgens indiner foutief ter inzage gelegd. Reactie college: In de raadsinformatiebrief van 14 oktober 2022, ten behoeve van de raadscommissie Duurzaamheid en Circulariteit van 17 november 2022 informeert de wethouder de raad over de stand van zaken rond windturbines en het project-MER voor de NoorderIJ-plas. Daarin zijn evenals dat het geval zal 64

zijn in het op te stellen plan-MER voor het PWA, de stadsontwikkelingen meegenomen om de (on)verenigbaarheid van windturbines op beoogde woningbouwlocaties waarover nog een concrete ruimtelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden. In figuur 3 van de NRD zijn de RES-zoekgebieden weergegeven. In par. 2.6 van de NRD wordt aangegeven dat NoorderIJ-plas en Cornelis Douwesterrein geen onderdeel uitmaken van de locatiealternatieven maar als een autonome ontwikkeling beschouwd worden. De NRD is daarom niet foutief uitgevoerd. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Ongevraagde adviezen van stadsdeelcommissies moeten meegenomen worden, zoals het advies van stadsdeelcommissie Noord van 20 februari 2023, zo stelt indiener. Reactie college: Het staat stadsdelen ten alle tijden vrij om ongevraagd advies aan te bieden aan het college. De afhandeling van ongevraagde adviezen worden volgens de geëigende procedures gedaan. Dat betekent dat het college kan besluiten of de adviezen gemotiveerd wel of niet over te nemen. Er is geen sprake van een verplichting. Stadsdelen met zoekgebieden worden op een later moment in het proces, tijdens de ter visie leggingsperiode van het ontwerp PWA, om gevraagd advies te geven. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

De afstand tot woningen is volgens de NRD ‘absoluut minimaal 350 meter’. Als dat inclusief de lengte van de wieken is, kan deze afstand volgens indiener niet absoluut minimaal genoemd worden. Reactie college: De afstand geldt in alle gevallen van de belemmeringenanalyse tot de hartlijn van de windturbines. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Het is volgens indiener in de NRD onduidelijk (de kaart op pagina 4) wat precies onder het zoekgebied 5B valt. Dat wordt daar Waternet locatie Weesperkarspel/Gein genoemd, maar in het verleden werd deze locatie ook wel Gaasperzoom genoemd. Weesperkarspel is bij de bewoners van Zuidoost een volstrekt onbekende naam, wat verwarring veroorzaakt. Gaat het ook om het noordelijke deel van de Gaasperzoom, vraagt indiener zich af. Reactie college: De begrenzing volgt uit de Regionale Energiestrategie (RES 1.0). De benaming is ondergeschikt aan de begrenzing op de kaart. De RES-zoekgebieden zijn goed te bekijken op https://maps.amsterdam.nl/windzoekgebieden/ Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Bosch & vanRijn maakt gebruik van kaarten en onderzoeken uit het Addendum plan-MER van de Provincie, Signalen uit de stad en Expertgroep natuur. Daarin zitten geografische vergissingen en ontbrekende aandachtspunten voor zoekgebieden in Zuid-Oost met betrekking tot natuur- en landschapswaarden, aantal gehinderden en kwetsbare groepen. Knooppunt Holendrecht 65

(zoekgebied 4B) bestaat niet uit alleen asfalt. De samenhang tussen de zoekgebieden komt niet tot uiting in de eerdere rapporten. Ook zouden effecten op natuur en mensen cumulatief beschouwd moeten worden. Dit is eerder al ingebracht maar staat nu wederom foutief in tabel 20 op blz. 55 NRD. Reactie college: De beantwoording over aandachtspunten met betrekking tot natuur- en landschapswaarden, kwetsbare groepen is bij de thema's natuur, resp. Landschap resp. Gezondheid resp. Recreatie gedaan. In tabel 20 op blz. 55 van de NRD wordt puntsgewijs het advies van de expertgroep Windturbines en natuur en de reactie daarop weergegeven. Het college kan niet volgen wat daarin foutief zou staan. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Ook de milieu- en landschapsschade van de bouw, aanleg, onderhoud en het later weer ontmantelen van windturbines (bijvoorbeeld uitstoot van CO2 en stikstof, aanleg van toevoerwegen, aanleg van fundering en de afvalstoffen, zoals de wieken, die na ontmanteling over blijven) moeten volgens indiener ook in beeld gebracht worden om een volledig beeld te krijgen. Reactie college: Effecten van bouw en aanleg zijn sterk afhankelijk van de precieze invulling van een zoekgebied en passen niet bij het detailniveau van een plan-MER.

Wel zal het plan-MER, naar aanleiding van deze zienswijzen en het advies van de Commissie m.e.r., op hoofdlijnen de mogelijke effecten die in de bouw,- en aanlegfase kunnen optreden inventariseren. Er moet niet alleen uitgegaan worden van rekenmodellen, maar er moeten volgens indiener ook daadwerkelijke metingen gedaan worden. Reactie college: Metingen passen niet bij het detailniveau van een plan-MER. Daarnaast is er momenteel nog niet te meten aan de milieueffecten van nieuwe windturbines, aangezien deze er nog niet staan. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. De effecten op landbouwhuisdieren moeten volgens indiener ook onderzocht worden. Schapen, koeien en paarden hebben ook rechten die meegewogen moeten worden. Reactie college: Er zijn geen gevallen bekend die erop wijzen dat windturbines significante negatieve effecten op landbouwhuisdieren hebben. Dit standpunt wordt onderschreven door diverse uitspraken van de Raad van State. Ook vallen deze niet onder het begrip 'milieu’. Het college stelt zich op het standpunt dat een goede locatieafweging binnen voor windenergie binnen de gemeente Amsterdam ook mogelijk is zonder effecten op landbouwhuisdieren expliciet in het plan-MER te onderzoeken. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Wat wordt bedoeld met meer/minder milieu-impact in het havengebied (par. 2.5.2 NRD), vraagt indiener zich af. Reactie college: Het havengebied is in die zin afwijkend dat er relatief grote afstanden tot woningen optreden, en er weinig ecologische of landschappelijke waarden optreden. Daarom is op voorhand de verwachting 66

dat de ter plaatse optredende milieueffecten minder zijn dan in andere zoekgebieden, maar dat zal moeten blijken uit het plan-MER. Deze zienswijzen leiden niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. De NRD houdt volgens indiner ten onrechte geen rekening met: - de ontvangst van omroepsignalen voor FM-radio, DAB en DVB-T kan door reflectie van de windturbine gehinderd worden. Hoe hoger de turbine, hoe groter de mogelijke interferentieafstand (verleende vergunningen zijn opvraagbaar bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur), - een windturbine (inclusief de rotorbladen) op/in een straalpad leidt tot storing van de betreffende straalverbindingen. Dat kan grote gevolgen hebben voor etherdistributie van radiosignalen, internetverbindingen en andere communicatiesystemen (de straalpaden zijn bekend en opvraagbaar bij RDI). Reactie college: Eventueel effect van windturbines op straalpaden en zend- / ontvangststations valt buiten het detailniveau van een gemeentebreed plan-MER. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. De naam Zoekgebied BPL Waterland in plaats van zoekgebied A10 Noord doet volgens indiner meer recht aan de feitelijke groene situatie. Reactie college: De naamgeving van de zoekgebieden is overgenomen uit de RES.

In het Programma Windenergie Amsterdam kunnen mogelijke zoekgebieden een nieuwe naam krijgen, maar het is nu nog te vroeg om daarop voor te sorteren. Deze zienswijze leidt niet wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Adviezen Het college dankt de (wettelijke) adviseurs voor de ingebrachte adviezen. De adviezen zijn waardevol en dragen evenals de zienswijzen, bij aan weloverwogen besluitvorming over het PWA. De adviezen zijn in onderstaande kort samengevat. Van een aantal adviseurs is geen inhoudelijke reactie ontvangen. Het gaat om het advies van de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (namens deze de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) en de provincie Noord-Holland.

Advies Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. is een onafhankelijke, bij wet ingestelde stichting. Zij adviseert bevoegde gezagen nationaal (en internationaal) over de kwaliteit van milieueffectrapporten. De Commissie m.e.r. schrijft zelf geen milieueffectrapporten. Per adviestraject wordt een werkgroep samengesteld. Deze bestaat uit een voorzitter, een secretaris en een aantal deskundigen op relevante vakgebieden. Sinds de oprichting van de Commissie m.e.r. heeft zij meer dan 3700 adviezen uitgebracht. De adviezen zijn openbaar en worden op de website van de Commissie m.e.r. (www.commissiemer.nl) geplaatst.

67

Het is wettelijk verplicht om over het plan-MER een advies van de Commissie m.e.r. in te winnen. Het vragen van advies aan de Commissie m.e.r. over een NRD is op vrijwillige basis. Het advies over de NRD gaat over de vraag welke milieu-informatie in het MER moet, dus over de inhoud van het op te stellen MER. Het advies over een MER gaat over de vraag of het MER alle milieu-informatie bevat die nodig is om het milieubelang volwaardig mee te laten wegen in de besluitvorming. Het college heeft de Commissie m.e.r. in deze procedure gevraagd te adviseren over de NRD. Het college hecht een groot belang aan een onafhankelijke, integrale toetsing van de milieu-informatie en transparantie in de mer-procedure. Het vroegtijdig in de mer-procedure vragen van een advies, biedt tevens een extra garantie dat geen belangrijke zaken over het hoofd worden gezien, maar ook dat het onderzoek niet te ver voert. Ook wordt duidelijk op welke punten de Commissie m.e.r. het plan-MER zal gaan toetsen. Het advies van de Commissie m.e.r. wordt daarom overgenomen. Op 26 april 2023 heeft de Commissie m.e.r. Amsterdam bezocht om een goed beeld te krijgen van de context van het op te stellen plan-MER. Tevens zijn zonder wettelijke verplichting de ingediende zienswijzen over de NRD aan de Commissie m.e.r. meegezonden.

Essentiële informatie voor het MER is volgens de Commissie m.e.r.: “De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is een goed leesbaar stuk en geeft al een goede aanzet voor het MER. De Commissie beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het MER. Dat wil zeggen dat voor het meewegen van het milieubelang in het besluit over het Programma Windenergie Amsterdam het MER in ieder geval onderstaande informatie moet bevatten:    

 

een beschrijving van het doel van het programma waarmee de gemeente laat zien hoeveel MW ze met dit programma wil mogelijk maken; inzicht in de belemmeringen die de randen van de zoekgebieden bepalen en beperkingen die binnen de zoekgebieden gelden; onderzoek naar locatiealternatieven, zoals in de NRD beschreven is; onderzoek van ‘de hoeken van het speelveld’ gezondheid, natuur, landschap en energieopbrengst van een opstelling van windturbines voor het beoogd vermogen. Hiermee levert het MER belangrijke informatie voor de participatie en de besluitvorming. de milieueffecten van de locatiealternatieven en hoeken van het speelveld en een vergelijking van de milieueffecten tussen de alternatieven en met de referentiesituatie; op hoofdlijnen inzicht in de milieueffecten van de aanlegfase.

Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER. Gebruik de samenvatting ook als communicatie-instrument om de participatie te ondersteunen. […] De Commissie bouwt in haar advies voort op de NRD. Ze herhaalt slechts punten die al in de NRD aan de orde komen als dat voor een goed begrip van het advies nodig is of als ze voorstelt de aanpak op onderdelen aan te passen.” Het volledig advies is via deze a3689rd (commissiemer.nl) terug te lezen.

68

Reactie college: Het college is verheugd dat de Commissie m.e.r. de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) een goed leesbaar stuk vindt en dat het al een goede aanzet voor het MER geeft. Met het overnemen van het advies van de Commissie m.e.r., wordt tevens tegemoetgekomen aan een deel van de ingediende zienswijzen, namelijk over een scherpere uiteenzetting van de doelstelling, extra aandacht voor geluid en ruimtelijk beleid van relevante omliggende gemeenten, het op hoofdlijnen inzichtelijk maken van de gevolgen van de bouw- en aanlegfase en van visuele hinder op onder andere volkstuincomplexen, en een optimalisatiealternatief Landschap en een optimalisatiealternatief Energie.

Advies Rijkswaterstaat (0403-001): 1. Langs de rijkswegen, zoals A10-Noord, A7 en A8, is artikel 2.7.2 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van kracht. Deze voorziet in een ruimtelijke reservering voor één of twee rijstroken waarbinnen een gemeente geen wijziging bestemmingsplan of omgevingsvergunning strijdig gebruik mag vaststellen. Dit hoort in tabel 2, blz. 15, van de NRD vermeld te worden. 2. De beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken is zowel op rijkswegen als op hoofdvaarwegen van toepassing. Verzocht wordt om deze niet alleen in de tabel op blz. 15 van de NRD te vermelden, maar tevens op blz. 63 bij het Rijksbeleid. 3. De beleidsregel genoemd onder 2. voorziet in afstandsregels en een onderbouwing van het waarborgen van externe- en verkeersveiligheid. RWS verzoekt om daarbij een wegbeeldanalyse en de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020), de Beoordeling van objecten langs autowegen en autosnelwegen en de Richtlijnen Vaarwegen 2020 als randvoorwaarden mee te nemen in de afweging. 4. Het verzoek is om tijdig in gesprek te gaan met RWS in het kader van vergunningverlening op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Daarin worden nadere eisen gesteld om de instandhouding van waterstaatswerken te waarborgen, zoals bodemgesteldheid, ecologie, waterkwaliteit, etc.

Reactie college: Het college geeft hieronder weer hoe er zal worden omgegaan met de samengevatte punten uit de zienswijze. 1) De ruimtelijke reservering zal worden betrokken bij de effectbeoordeling in het plan-MER. 2) De NRD zal niet worden aangevuld naar aanleiding van deze adviesronde, maar het feit dat de beleidsregel van toepassing is op zowel rijkswegen als hoofdvaarwegen wordt in het plan-MER op juiste wijze doorgevoerd. 3) Een wegbeeldanalyse past niet bij het detailniveau van dit planMER maar komt in de projectfase aan bod, mits de windturbinelocaties daar aanleiding toe geven. HRW2020 wordt betrokken in het onderzoek naar externe veiligheid. 4) Het college neemt dit verzoek ter harte in de eventuele vervolgbesluiten over windturbines.

69

Advies TenneT (0403-003): 1. TenneT streeft als landelijke netbeheerder van het elektriciteitsnet ‘een veilig, betrouwbaar en duurzaam transport van elektriciteit voor en door Nederland tegen de laagst maatschappelijke kosten met in achtneming van alle relevante aspecten’ en heeft de NRD vanuit die doelstelling beoordeeld. 2. TenneT is verheugd dat in de bepaling van de windzoekgebieden rekening wordt gehouden met vitale infrastructuur. Dit sluit aan op het aanduiden van het hoogspanningsnet als nationaal belang in de NOVI. 3. Verzocht wordt in fig. 1 van de NRD ook de hoogspanningsstations en ondergrondse hoogspanningskabels weer te geven. De veiligheidsafstanden in de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020) zijn daar namelijk ook op van toepassing. Die afstanden lijken niet meegenomen in meerdere locatiealternatieven in par. 2.6 en ook in tabel 2 op blz. 15 NRD. Tennet verzoekt om toekomstige hoogspanningsstation en hoogspanningsverbindingen, zoals opgenomen in het Ontwikkelingskader Elektriciteitsvoorziening Amsterdam 2035, dienovereenkomstig mee te nemen. Met een kleinere afstand dan in HRW2020 kan pas ingestemd worden na een specifieke risicoanalyse. 4. In par. 3.12 wordt voor netinpassing de afstand tot hoogspanningsinfrastructuur als beoordelingscriterium gehanteerd. Mogelijk is dat in strijd met de veiligheidsafstanden in de HRW2020.

Niet alle windenergie wordt rechtstreeks op het hoogspanningsnet aangesloten, dit kan mogelijk ook via het middenspanningsnet. Daarbij is de beschikbare aansluitcapaciteit een momentopname, aangezien netbeheerders geen capaciteit mogen reserveren voor windparken. 5. De HRW2020 wordt in par. 3.5 genoemd als onderdeel van externe veiligheidskaders. Ten aanzien van hoogspanningsinfrastructuur is het passender om de HRW2020 aan te duiden als beleid voor ‘bescherming van vitale infrastructuur’. 6. TenneT verzoekt om toegevoegd te worden als overlegpartner (blz. 9 NRD) en vroegtijdig betrokken te worden in de vervolgstappen van het proces (par. 4.5 NRD). Reactie college: Het college geeft hieronder weer hoe er zal worden omgegaan met de samengevatte punten uit de zienswijze. 1. Het college neemt hetgeen onder 1. en 2. is vermeld voor kennisgeving aan. 3. Figuur 1 van de NRD is overgenomen uit de RES en had als voornaamste doel om de RESzoekgebieden op kaart aan te duiden. Zoals in de NRD reeds beschreven is ervoor gekozen om in het plan-MER niet de volledige adviesafstand als harde belemmering te beschouwen, aangezien een specifieke risicoanalyse op projectniveau kan uitwijzen dat windturbines mogelijk zijn. 4. Het is de opstellers van het plan-MER bekend dat aansluiting ook op het middenspanningsnet aangesloten kan worden.

Het exacte beoordelingscriterium in het plan-MER zal met deze mogelijkheid rekening houden. 5. Het HRW2020 dient meerdere doelen, en is in ieder geval ook bedoeld om externeveiligheidsrisico's in beeld te brengen. Het ligt voor de hand om in die context ook de bescherming van hoogspanningsinfrastructuur te beschouwen. Het plan-MER zal de juiste nuance aanbrengen als het gaat om het onderscheid tussen kwantitatieve risico’s en bescherming van vitale infrastructuur. 6. Het college neemt dit verzoek ter harte in eventuele vervolgbesluitvorming over windturbines. 70

Advies ODNZKG (0604-001): Geluid 1. Bij de uit te voeren geluidberekeningen dienen ook BBT-maatregelen te worden onderzocht. Zoals het toepassen van Serrated trailing edges (uilenveren). 2. Specifiek voor de locatie dient het hinderaspect “Amplitudemodulatie”, te worden belicht, waarbij als maskerend geluid uitsluitend continu aanwezige geluidbronnen (in de nachtperiode) worden betrokken. Wel: (bijvoorbeeld) voldoende drukke wegen en continu aanwezig industriegeluid zoals geluid van datacenters of transformatorgeluid; Niet: vliegtuig, scheepvaart- of railverkeerslawaai (deze geluidbronnen worden in de cumulatie van geluid wel betrokken). 3. In de GES-methode ook de geluidvariant meenemen met uitsluitend de gelijktijdig hoorbare geluidbronnen (dus zonder scheepvaart-, spoor- en vliegtuiggeluid, omdat deze niet continu aanwezige geluidbronnen tot een te hoge, maskerende drempel zouden kunnen leiden). 4. Laagfrequent geluid i.r.t. het aspect hinder en gezondheid zou in het MER apart inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Op pagina 27 wordt gesproken over een kwalitatieve beschouwing van laagfrequent geluid dit is ook op kwantitatieve basis mogelijk, zoals de toepassing van de Vercammen curve. De 2 Vercammen curve is gebaseerd op 3 tot 10 % gehinderden (vergelijkbaar met de Wet Geluidhinder) door laagfrequent geluid. Uit jurisprudentie (zie uitspraak RvS 200509380/1 d.d.

13 december 2006) blijkt dat dit een geaccepteerde methode is om de hinder vanwege laagfrequent geluid te beoordelen. Wij adviseren om dit ook op deze manier te doen. 5. Par. 3.3: omdat ook gebieden relatief dicht bij elkaar liggen en in alle gebieden windturbines mogelijk zijn en ook al aanwezig kunnen zijn moet ook de onderlinge cumulatie worden onderzocht. - Hanteer de normen 42 – 45 en 47 Lden als uitgangspunten. - Hanteer voor het LF-geluid de Vercammencurve als uitgangspunt. 6. Nieuwbouwprojecten dienen met geprojecteerde woningen als volwaardige geluidsgevoelige objecten opgenomen te worden in het plan-MER. Voor nog niet uitgewerkte woongebieden kunnen gemiddelde woningvolumes worden aangehouden die vergelijkbaar zijn met volumes bij aanliggende nieuwbouwprojecten. Deze woningen worden zichtbaar bij de beperkingenanalyse en de GES-berekening van de gezondheidseffecten. Externe veiligheid 7. De plaatsgebonden risicocontouren voor de windturbines moeten bepaald worden (kan met de vuistregels) voor de types windturbines die beoogd zijn op de locaties. Het is gewenst dat ook de aankomende Omgevingswet meegenomen wordt in de plan-mer. 8. In paragraaf 3.5.2 NRD worden niet alle veiligheidsaspecten voor de omgeving benoemd. Onder andere de aspecten helikopterhavens en waterwegen ontbreekt nu nog en moeten ook meegenomen worden. Slagschaduw 9.

Ook voor dit aspect geldt dat de onderlinge cumulatie inzichtelijk moet worden gemaakt wanneer gebieden nabij elkaar zijn gelegen of dat er reeds bestaande windturbines in een gebied aanwezig zijn. Reactie college: Het college geeft hieronder weer hoe er zal worden omgegaan met de samengevatte punten uit de zienswijze. 71

1. Het onderzoeken van BBT-maatregelen valt buiten de reikwijdte van een plan-MER. Het toepassen van gekartelde achterranden van de wieken is een breed toegepaste techniek. Het MER gaat uit van representatieve windturbinetypes. Op projectniveau kunnen verschillende typen met elkaar worden vergeleken. Wel zal het plan-MER een voorbeeldberekening van meerdere windturbinetypes bevatten, die kan worden gebruikt als de gemeente op voorhand al eisen wil stellen aan de bronsterkte van toegestane windturbines. 2. Het uitsplitsen van het achtergrondgeluid valt buiten het detailniveau van een gemeentebreed plan-MER. Daarnaast zullen de niet-constante geluidsbronnen op de meeste plekken een verwaarloosbare bijdrage aan de cumulatieve geluidsbelasting hebben, aangezien wegverkeerslawaai vaak de grootste factor is. Maskering van windturbinegeluid is een waarnemingseffect dat volledig los staat van de getalsmatige cumulatieberekeningen. Een over- of onderschatting van de waarneembaarheid van het windturbinegeluid staat dan ook los van hetgeen in dit planMER onderzocht wordt. Het planMER zal een kwalitatieve beschouwing van maskering bevatten. 3. Zie bovenstaand punt als het gaat om maskering. 4. Het plan-MER zal een kwantitatieve, representatieve voorbeeldberekening bevatten van laagfrequent geluid, waarbij de immissie wordt getoetst aan de Vercammen-curve.

Een kwantitatief onderzoek naar laagfrequent geluid bij alle zoekgebieden past niet bij het detailniveau van het plan-MER. 5. Cumulatie van zoekgebieden wordt niet meegenomen in het Basisalternatief (waarin de maximale effecten per zoekgebied worden beschouwd), maar wel bij de latere Optimalisatiealternatieven, waarbij combinaties van zoekgebieden aan de orde zijn. Overigens worden er geen normen beschouwd in het MER, maar enkel immissiewaarden berekend. 6. Voor zover het gaat over toekomstige bebouwing waarover nog geen ruimtelijke besluitvorming door een democratisch gekozen orgaan heeft plaatsgevonden, past de voorgestelde aanpak niet in de referentiesituatie voor het plan-MER. Dergelijke bebouwing wordt in het plan-MER meegenomen als stadsontwikkeling. 7. Het plan-MER zal inderdaad werken met de plaatsgebonden risicocontouren bij het milieuthema Externe Veiligheid, als het gaat om de ligging t.o.v. (beperkt) kwetsbare objecten. 8. De ligging ten opzichte van helihavens en vaarwegen zal in de effectbeoordeling voor externe veiligheid worden betrokken. 9. Cumulatie met bestaande windturbines komt in het plan-MER aan de orde. Cumulatie van zoekgebieden onderling komt niet in het Basisalternatief, maar wel in de Optimalisatiealternatieven tot uiting.

72

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14938077/1