3a. Tuindorp Oostzaan II_Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Daarnaast is implementatie van het beleid voor grondwaterneutrale kelders in beperkte mate mogelijk door dit ten grondslag te leggen aan het afwegingskader voor binnenplanse afwijkingsen wijzigingsbevoegdheden, mits en voor zover de betreffende regels hiervoor de ruimte bieden (zie hierboven paragraaf 4.3). Voorts zal het beleid via een stedelijke beleidsregel, vastgesteld door het college, onderdeel worden gemaakt van de belangenafweging in het kader van de toepassing van de buitenplanse kruimelafwijking als bedoeld in art. 2.12, lid 1, onder a, sub 2, Wabo juncto art. 4, lid 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Het afwegingskader dient 10 Zie noot 7. 11 SAOZ, Strategisch Advies (Plan)schade d.d. 12 oktober 2020
45
Gemeente Amsterdam
door de stadsdelen, die binnen hun gebied uitvoering geven aan de genoemde bevoegdheden, als beleidskader te worden gehanteerd. Ten behoeve van deze directe doorwerking van het beleid is het Afwegingskader conform de Verordening op het lokaal bestuur voor advies voorgelegd aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen. Deze hebben de aanpak van de grondwaterproblematiek op hoofdlijnen ondersteund. Op de reacties van de stadsdelen is ingegaan in een separate Nota van Beantwoording. De uit deze adviesronde voortvloeiende aanpassingen van het concept Afwegingskader zijn in de definitieve versie verwerkt.
4.8 Vervolg Doel van dit afwegingskader grondwaterneutrale kelderbouw is om de doelstelling van het college zoals weergegeven op pagina 2 vorm te geven. Het college wil alleen nog “kelders … vergunnen welke grondwaterneutraal zijn. Niet grondwaterneutrale kelders willen wij zo snel mogelijk verbieden”. Om dat te realiseren is het noodzakelijk te beoordelen op welke wijze (met behulp van welke technische maatregelen) die grondwaterneutraliteit vorm kan krijgen, in welke delen van de stad deze maatregelen toegepast moeten worden, in welke delen van de stad geen kelders meer zouden moeten worden toegestaan en op welke wijze de eis van grondwaterneutrale kelders moet worden vastgelegd in de regelgeving zodat de maatregelen ook daadwerkelijk zullen worden toegepast en kunnen worden afgedwongen. Uit dit afwegingskader wordt duidelijk dat de benodigde maatregelen technisch haalbaar zijn. Daarnaast wordt duidelijk dat de noodzaak van de maatregelen sterk verschilt in verschillende delen van de stad. In sommige delen zijn door de bebouwingsstructuur en de samenstelling van de ondergrond geen of nauwelijks maatregelen noodzakelijk. In andere delen zijn bebouwing en (vooral) samenstelling van de ondergrond zodanig, dat elke kelder daar een niet te compenseren barrière op zou werpen voor het grondwater.
En hoewel dat in sommige gebieden op korte termijn geen problemen hoeft op te leveren, dient vanwege de min of meer permanente verandering die een kelder in de ondergrond betekent, rekening te worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering. Daarnaast zijn er delen van de stad waar de bodem zodanig is samengesteld dat elke aanleg van een kelder tot een onaanvaardbaar risico van permanente kwel zal leiden. Tijdens de aanleg kan de deklaag opbarsten door te hoge druk van het grondwater onder die deklaag. Ook kan door de graafwerkzaamheden de deklaag zodanig dun worden dat deze geen garantie op afdekken meer geeft. In beide gevallen komt er zilt water naar boven met blijvende negatieve gevolgen voor oppervlaktewater, groen, biodiversiteit etc. In die gebieden wordt een verbod op particuliere kelders ingesteld. Dat betekent dat de verdeling over de stad van de benodigde maatregelen zoals in dit afwegingskader opgenomen door middel van de genoemde juridische instrumenten dient te worden vastgelegd. Daartoe zal een paraplu bestemmingsplan opgesteld worden dat precies aangeeft in welke delen van de stad kelders worden verboden, in welke delen deze alleen mogen worden aangelegd met aangegeven maatregelen en in welke delen er geen noodzaak is tot het nemen van maatregelen.
46
Gemeente Amsterdam
Uit onderzoek van SAOZ blijkt dat de potentiële planschade onaanvaardbaar hoog is. Er is daarmee geen mogelijkheid kelders per direct te verbieden of per direct aan voorwaarden te binden. Uit ander onderzoek van SAOZ blijkt dat passieve risicoaanvaarding kan worden aangenomen bij een periode van (minimaal) 6 maanden. Om voorzienbaarheid te creëren wordt dus een benuttingsperiode in acht genomen van in ieder geval 6 maanden. Deze periode begint op het moment van publiceren van het Afwegingskader. Dat is op 2 september 2020 gebeurd. Het Ontwerp Paraplubestemmingsplan (OBP) zal dus op zijn vroegst op 5 maart 2021 gepubliceerd kunnen worden. SAOZ adviseert een minimale termijn van 6 maanden benuttingsperiode aan te houden. Hoe langer deze termijn hoe minder risico op planschade. Op het moment van publiceren van het OBP start de voorbescherming: aanvragen voor vergunningen worden aangehouden en die aanhouding kan alleen doorbroken worden indien de aanvraag voldoet aan de eisen in het Parapluplan op het gebied van grondwaterneutraal bouwen. Het Afwegingskader ziet primair op kelders kleiner dan 300 m2; daarvoor voorziet dit beleidskader in mogelijke standaardmaatregelen waarmee de grondwaterneutraliteit kan worden aangetoond.
Voor grotere kelders (denk aan parkeerkelders of grote opslagkelders onder bedrijfsgebouwen) moet de grondwaterneutraliteit worden aangetoond door middel van een geohydrologisch rapport; het gaat hierbij om maatwerk. Zowel grote als kleine kelders zullen in het parapluplan worden mogelijk gemaakt op voorwaarde dat zij grondwaterneutraal kunnen worden gebouwd. In de ‘rode gebieden’, waar het risico op permanente kwel te groot is, worden kelders echter geheel verboden. In het kader van de procedure tot vaststelling van het Afwegingskader is door het college ook besloten het concept hiervan vrij te geven voor inspraak. De inspraakperiode heeft gelopen van 5 september 2020 t/m 17 oktober 2020. In de Nota van Beantwoording Inspraak Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam is weergegeven welke reacties er zijn ontvangen en of en zo ja hoe die tot aanpassing van het Afwegingskader hebben geleid. Standaard onderdeel van de procedure voor het vaststellen van een bestemmingsplan is het geven van de mogelijkheid tot inspraak. In de planning voor opstelling van het Ontwerp BP is de wettelijk verplichte inspraak (UOV) uiteraard opgenomen. Het opstellen van een bestemmingsplan betekent dat vastgelegd wordt wat qua grondgebruik wel en niet is toegestaan in Amsterdam, in dit geval op het gebied van realiseren van ondergrondse bouwwerken.
Om er voor te zorgen dat die eisen ook worden nageleefd is een goede samenwerking met de afdelingen Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) van de stadsdelen van belang, alsmede met de in sommige gevallen ook betrokken Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Met de VTH keten wordt onderzocht wat een reële benodigde inzet is voor vergunningverlening en toezicht en handhaving voor grondwaterneutrale kelders. De benodigde extra middelen, zowel op het gebied van kennis en expertise als capaciteit, zullen beschikbaar moeten zijn voordat dit beleid geïmplementeerd kan worden.
Bijlagen: x x
47
SAOZ, Risicoanalyse Planschade, 20200228, d.d. 12 oktober 2020 SAOZ, Strategisch Advies (Plan)schade, 20200228, d.d. 12 oktober 2020
Gemeente Amsterdam
x x x
48
Begrippenlijst Afwegingskader Kaart Afwegingskader Lijst met maatregelen per buurt
blz. 56
bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)
blz. 57
Bijlage 2
Cultuurhistorische verkenning
Gemeente Amsterdam
Tuindorp Oostzaan Cultuurhistorische verkenning C 16-066 Amsterdam | 2020
1
Inhoud Inleiding
3
1
Beleidskader
4
2
Historisch stedenbouwkundige analyse 2.1 Prestedelijke Bebouwing 2.2 Tuindorpen in Amsterdam 2.4 Tuindorp Oostzaan 2.5 Terrasdorp 2.6 Tuindorp Oostzaan-West 2.7 Het Hogeland
5 5 5 7 11 19 24 28
3
Cultuurhistorisch betekenisvolle bebouwing, elementen en structuren
29
4
Conclusie en advies
32
Bronnen en literatuur
35
Bijlage I: Motivatie MSP-selectiecommissie
36
Colofon
41
2.3 Het belang van de tuin in de stedenbouwkundige ontwikkeling
2
Inleiding
Stadsdeel Noord heeft in 2017 Monumenten en Archeologie (MenA) verzocht te adviseren over de bovengrondse cultuurhistorische waarden die bij het opstellen van het bestemmingsplan voor het plangebied Tuindorp Oostzaan van belang zijn. Dit heeft geresulteerd in een beknopte uiteenzetting van de ontstaansgeschiedenis en een overzicht van de in het gebied aanwezige bovengrondse cultuurhistorische waarden. In 2020 is deze CHV geactualiseerd op basis van voortschrijdend inzicht, onderzoek en beleid. Voor de ondergrondse cultuurhistorische waarden verwijzen we naar het Archeologisch Bureauonderzoek van MenA. Bij cultuurhistorische waarden gaat het over sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Het is meestal niet nodig alle cultuurhistorische elementen aan te wijzen als beschermd monument of gezicht. Het is wel van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied.
Begrenzing plangebied Tuindorp Oostzaan
3
1
Beleidskader
Naar aanleiding van de Modernisering van de Monumentenwet en de wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, d.d.17 juni 2011, staatsblad 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. In de toelichting van de Bro staat dat dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Dit vermindert de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten omdat aan het belang van de cultuurhistorie dan waarde wordt toegekend via het proces van de ruimtelijke ordening. Voor Amsterdam komt het verankeren van de cultuurhistorie in het proces van ruimtelijke ordening en transformatieopgaven ook aan bod in de Beleidsnota ‘Ruimte voor Geschiedenis’ (vastgesteld 13 april 2005), ‘Spiegel van de Stad, visie op het erfgoed van Amsterdam’ (vastgesteld 14 november 2011) en in ‘Erfgoed voor de stad, agenda voor het erfgoed in een groeiend Amsterdam’(vastgesteld 5 juli 2016) .
De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (besluit d.d.21 juni 2010). De kaart geeft in zijn algemeenheid informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten/monumenten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als militaire structuren en historische dijken. Deze informatiekaart is voor wat betreft bovengrondse cultuurhistorische waarden vooral gericht op gemeenteoverschrijdende zaken. Het is daarom niet gericht op de specifiek Amsterdamse waarden, en het geeft daar dan ook geen beeld van.
4
2
Historisch stedenbouwkundige analyse
2.1
Prestedelijke bebouwing Het bestemmingsplangebied Tuindorp Oostzaan grenst aan de zuidkant van de prestedelijke Oostzanerdijk. Om de ontginning van veen mogelijk te maken, werden in de Middeleeuwen dijken opgeworpen, die de bevolking van Waterland tegen het omringende water moest beschermen. De dijken vormen samen de lange Waterlandse Zeedijk. De bewoning aan de Oostzanerdijk kreeg in de tweede helft van de negentiende eeuw een impuls met de aanleg van het Noordzeekanaal en daarmee de aanleg van de Noorder IJpolder VIII. In de polder vestigden in 1919 scheepsbouw gerelateerde bedrijven, onder andere de NSM-werf (de latere NDSM-werf), met in het kielzog diverse andere bedrijven. Tussen de werven en de Oostzanerdijk werd Tuindorp Oostzaan gebouwd met voornamelijk arbeiderswoningen voor de scheepswerven. De structuur van de Oostzanerdijk wordt bepaald door de lintbebouwing van dijkwoningen langs een licht verspringende rooilijn. De bebouwing dateert voornamelijk van eind negentiende of begin twintigste eeuw en bestaat uit vrijstaande of korte rijtjes dijkwoningen. De naoorlogse bebouwing is aangepast qua maat, schaal en kleurgebruik. Ook hebben verscheidene bedrijven hun loodsen aan de dijk. In het westelijk deel van de dijk is er ook bebouwing aan de buitendijkse voet van de dijk. Hier grijpen de Oostzanerdijk- en tuindorpbebouwing in elkaar.
Oostzanerdijk, hoek Appelweg. Foto Martin Albers, 2006 (SAA: 010122049940) en in vogelvlucht vanaf de Stellingweg van voor naar achter: Oostzanerdijk, Kometensingel, Tuindorp Oostzaan, N.D.S.M., 1969. (SAA: 10009A000242)
2.2
Tuindorpen in Amsterdam De tuindorpen in Amsterdam Noord zijn geworteld in de idealistische opvattingen die in de negentiende eeuw in de West-Europese industriesteden ontstonden in reactie op de sociale en hygiënische misstanden in die tijd. Rond 1900 leidde dat in Nederland dankzij de inzet van progressieve liberalen en sociaal democraten onder meer tot een sterke overheidsbemoeienis met woningbouw voor arbeiders en de inwerkingtreding van de Woningwet in 1901, een tot dan toe ongekend fenomeen. Gestreefd werd naar gunstige woonomstandigheden voor de ‘gewone’ arbeider: woningen tegen een lage huur, met goede plattegronden, voldoende privacy, licht, lucht en hygiëne. In Nederland omarmden sociaal democratische kringen het tuindorp-concept met laagbouwwoningen en tuinen. Dat werd als ideale woonvorm gezien, maar was in de stedelijke context met dure bouwgronden en beperkte beschikbare ruimte niet haalbaar voor iedereen. Noord bood daarentegen geschikte locaties omdat de gronden hier relatief goedkoop verkregen waren. De realisatie ervan verliep aanvankelijk moeizaam. Zeker omdat er geen eenduidige opvatting heerste of en in welke mate de overheid zich over woningbouw moest ontfermen. Door de gemeentes Rotterdam en Amsterdam werden daarom enkele zogenaamde ‘semi-permanente dorpen’ gebouwd als tussenoplossing. De eerste serieuze pogingen tot
5
bouw van goedkope, permanente en kwalitatief goede volkswoningbouw in Amsterdam zijn van 1909, onder andere in het Spreeuwenpark in Noord. De daadkracht van de gemeente Amsterdam werd sterk vergroot onder invloed van de eerste wethouder volkshuisvesting Floor Wibaut, wethouder W. Vliegen van Publieke Werken en J.W.C. Tellegen die tot 1915 directeur was van Bouw en Woningtoezicht en daarna burgemeester van Amsterdam. In 1914 werd de Gemeentelijke Woningdienst opgericht en ging de gemeente ook zelf als bouwer optreden. Aan het hoofd van de dienst stond Arie Keppler. Hij was een belangrijk voorvechter van de moderne stedenbouwkundige beginselen en dé man achter de realisatie van de tuindorpen in Noord. De eerste sociale woningbouw na WOI was de Van der Pekbuurt (ca. 1918-1926). Daarna volgden de Vogelbuurt (19201930), Tuindorp Oostzaan (in twee fases 1921-1924 en 1935-1938), de Bloemenbuurt (1928-1931), Tuindorp Nieuwendam (1927-1930) en Tuindorp Buiksloot (1930-1932). De nieuwe woonbuurten kregen allerlei voorzieningen, zoals scholen, politieposten, verenigingsgebouwen, een openbare leeszaal, badhuizen en, apart, de Noorderbegraafplaats. Als groenvoorziening kwamen er drie parken, te weten het Vliegenbos, het Volewijks- en het Florapark (nu samen het Noorderpark). In de opeenvolgende tuindorpen in Noord is een duidelijke ontwikkeling te zien.
Aanvankelijk verliep de bouw van deze buurten enigszins ongeleid. Toen het Spreeuwenpark gefaseerd tot stand kwam, lag er alleen een zeer globaal bestemmingsplan voor de Nieuwendammerhampolder. Tellegen ontwierp in 1914 een meer uitgewerkt plan dat grotere delen van Noord besloeg en waarbij de locaties van de groenvoorzieningen, woon- en industriegebieden globaal werden aangegeven. De eerste wijken hebben een vrij compacte, stedelijke structuur van gesloten bouwblokken, met een duidelijke scheiding tussen de openbare en privé-ruimte. Gaandeweg wordt er meer gezocht naar het realiseren van een groenere en intiemere wijk. De overgangen tussen de groene openbare en (semi)privé buitenruimten lopen subtiel in elkaar over, bouwblokken worden opengeknipt tot korte stroken en het zicht tussen de bouwstroken naar de (semi)privé binnenterreinen en tuinen speelt nadrukkelijk mee in het totale concept, het wijkbeeld en de beleving van de openbare ruimte. Aan de samenhang tussen stedenbouwkundige opzet, aanplanting, inrichting van de openbare ruimte en architectonische vormgeving binnen één wijk wordt steeds meer aandacht besteed. Zo zijn dorpse, romantische wijken met relatief veel details bewerkstelligd. Hiermee is eerst geëxperimenteerd in de nooddorpen Disteldorp en Vogeldorp, daarna wordt het volledig gerealiseerd in de permanente tuindorpen Oostzaan en Nieuwendam.
Ten slotte zien we in tuindorp Buiksloot een overgang naar een meer zakelijke opzet. De tuindorpen in Noord zijn een typisch fenomeen voor Amsterdam vanwege de goedkope bouwgronden. Elders in de stad is Tuindorp Watergraafsmeer (Betondorp) gerealiseerd.
Tuindorpen in Amsterdam Noord, met linksboven Tuindorp Oostzaan. Uitsnede kaart Dienst Publieke Werken, 1922 (SAA: B00000007269)
6
2.3
Het belang van de tuin in de stedenbouwkundige ontwikkeling
Uit het onderzoek Van licht, lucht en groen wordt je een ‘beter’ mens, een cultuurhistorische analyse van de Amsterdamse (binnen)tuinen blijkt dat bij het streven naar goede en betaalbare woonomstandigheden en aantrekkelijke woonbuurten, ‘groen’ een onlosmakelijke rol speelde. Het ideaal van een vrijstaand huis met een tuin in de nabijheid van de natuur staat niet ter discussie, maar is in feite alleen bereikbaar voor de rijken. De grachtengordel met gesloten bouwblokken en ruime binnentuinen worden keer op keer genoemd als evident geslaagd voorbeeld. De centrale vraag die in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw gaandeweg steeds scherper geformuleerd wordt is: hoe kan op grote en betaalbare schaal een goede woonkwaliteit met voldoende, groene, buitenruimte in een stedelijk context gebouwd worden voor armlastige arbeiders? De stad wordt vanaf het eind van de 19de eeuw steeds meer als een groot en samenhangend bouwwerk opgevat. In het begin van de 20ste eeuw wordt groen aan voldoende licht en frisse lucht gekoppeld, waarop volgens de Woningwet (1901) en de Gezondheidswet (1901) iedereen recht had. De idealen worden in de praktijk gebracht door middel van een stedenbouw waaraan zorgvuldige studies vooraf gaan, zoals verkavelingsvormen, verhoudingen tussen bouwhoogtes, blokdieptes, straatbreedtes en bezonningsmodellen.
Volkshuisvesting en groenvoorzieningen Dit komt tot uitdrukking in diverse onderzoeken zoals Het Rapport over de volkshuisvesting in de Nieuwe Stad te Amsterdam uit 1909 dat door de Amsterdamsche Woningraad werd uitgevoerd. Daarin zaten Mej. Ter Meulen, de heren Hudig, Keppler, Van der Pek en Wollring en de raad was benoemd door het bestuur van de Nationale Woningraad. Het rapport toont duidelijk welke ideeën er waren in de periode van vlak na de invoering van de Woningwet en de nieuwe bouwverordening die op de wet was toegespitst. De commissie constateerde dat de hele Nieuwe Stad (= de 19de-eeuwse Ring) slecht gebouwd is en ook op slechte stedenbouwkundige beginselen gestoeld is. Ze heeft duidelijke ideeën over hoe het wel zou moeten waarbij groen onlosmakelijk verbonden is: “Het is voor eene goede volkshuisvesting niet voldoende, om behoorlijke woonruimte beschikbaar te hebben voor de ingezetenen, maar het komt ook aan op de algemeene ligging der woningen, op de hoeveelheid frissche lucht, die in de woonwijken kan doordringen, op de bereikbaarheid van parken en plantsoenen voor de bewoners, ten einde zich daar te kunnen ontspannen en eenige aanraking te vinden met de natuur.” Er volgen berekeningen met betrekking tot de stand van de zon, bouwhoogtes en aantal uren dat woningen zonlicht tenminste zouden moeten ontvangen.
Om ideale, financieel haalbare wijken te kunnen bouwen moeten de bouwblokken dieper gemaakt worden dan op dat moment gangbaar is en wordt voorgeschreven. Daarnaast suggereert de commissie in dit rapport dat de gemeente de onbebouwde delen tussen “de blokken geheel of gedeeltelijk in eigendom zou kunnen houden en daarin plantsoenen met laag opgaand hout zou kunnen aanleggen, in welke plantsoenen zeer ondiepe tuintjes der benedenwoningen zouden monden. De organische uitwerking van boomen en heesters hebben een bij uitstek gunstige invloed op het gehalte der lucht. Als de blokken noord-zuid georiënteerd worden en de koppen onbebouwd blijven, dan kan eenieder daar wandelen en worden de binnenplaatsen oazen te midden van de grootestadsdrukte.
Deze oazen zouden én als ‘stadslongen’ én als ontspanningsplaatsen voor kinderen, ouderen en volwassenen na hun werk van grote betekenis zijn.” Voor de moderne groenvoorzieningen benoemt de commissie verder de volgende aspecten: x de tuinen bij de woningen worden gezien als onderdeel van het grotere groensysteem dat de stad zou moeten bezitten x er wordt gesteld dat groen een onlosmakelijk en vanzelfsprekend deel moet zijn van de bebouwing x er wordt een poging ondernomen om een hoeveelheid groen per persoon te formuleren x er wordt uitgegaan van een hiërarchie in de stedelijke groenvoorziening door een onderscheid aan te brengen tussen stads(deel)park, wijkpark en buurtplantsoen x parken en plantsoenen moeten worden aangelegd als voorzieningen voor het volk als onderdeel van sociaal beleid
7
Het aanpassen van de bouwverordening met het oog op voornoemde doelen zou nog tot 1935 duren, daarin komt ook te staan dat de tuin als tuin ingericht moet worden. In de tussentijd worden de uitbreidingswijken wel steeds meer op basis van voornoemde uitgangspunten ontworpen.
Tuindorpen zijn het ultieme ideaal De tuindorpen nemen in deze stedenbouwkundige ontwikkeling en ideevorming een specifieke plaats in. Laagbouw eengezinswoningen met een tuin aan huis werd immers wel hét grote ideaal gezien, maar was om kostentechnische nauwelijks mogelijk in de stedelijke context. In Noord kon dat wel omdat omdat die gronden goedkoop verkregen waren. Bij de ontwikkeling van de tuindorpen in Amsterdam speelden J. E. van der Pek en B.T. Boeyinga een belangrijke rol. Inspiratie voor de vormgeving ervan komt uit Duitsland, Scandinavië en Engeland. In 1898 introduceert de Engelsman Ebenezer Howard middels zijn boek To-Morrow: A Peaceful Path to Real Reform het concept van tuinsteden die als zelfstandige satellieten op afstand van steden worden geprojecteerd. In Groot Brittannië werkt Raymond Unwin het concept uit in de vorm van een aantal tuinsteden met laagbouw eengezinswoningen met tuintjes, die navolging vinden in Amsterdam-Noord. De verkavelingsopzet is overduidelijk geïnspireerd op (en soms vrijwel letterlijk gekopieerd van) de Engelse voorbeelden. Doorstromende groene ruimtetypes in de praktijk gebracht De vormgeving van deze dorpsachtige wijken laat in Noord in de loop van de jaren een ontwikkeling zien waarin het (tuin)groen steeds nadrukkelijker in beeld komt. De overgang tussen de openbare en privé-buitenruimten verloopt steeds geleidelijker.
Tussen de bouwblokken door is er zicht op de (semi)privé of gemeenschappelijke achtertuinen. Samen met de aanleg van voortuinen speelt dit nadrukkelijk mee in de totale opzet en beleving van het tuindorp als idyllische groene, landelijke woonomgeving. De schaal van de bebouwing en stedelijke ruimte is daarbij bescheiden. Aan de samenhang tussen de stedenbouwkundige opzet, beplanting, inrichting van de openbare ruimte en architectonische vormgeving binnen één wijk wordt veel aandacht besteed. Vanwege zowel de beperkte financiële middelen van de gemeente als de huurprijs die door de doelgroep opgebracht kon worden, zijn de woningen en de tuinen bescheiden. Om toch zoveel mogelijk groen in het plan te krijgen, zijn de straatprofielen van de hoofdassen voorzien van ruime plantsoenen en monumentale boombeplanting. De woonstraten worden (mede om de kosten te dekken) zo smal mogelijk gemaakt, waarbij de woningen worden voorzien van voortuinen. Die voortuinen worden mede ontworpen: de begrenzing bestaat uit gelijkvormige lage haagjes of hekwerken en in de tuinen staan ritmisch geplaatste lage bomen. Dit is dus weliswaar privéruimte, maar het wordt ingezet als groenvoorziening voor een aantrekkelijke openbare ruimte in de plaats van een gemeentelijke plantsoenstrook. De gemeente neemt daarom wel medeverantwoordelijkheid ten aanzien van het onderhoud.
Dat geldt ook voor de achtertuinen waar vanuit de openbare ruimte zo expliciet zicht op was. Tegenwoordig heeft de gemeente daar geen rol meer in. De verkaveling en de tuindiepte hangt samen met voldoende maat voor een gunstige bezonning. In de praktijk is het soms ook vooral meer het gevolg van het streven naar afwisselende stedenbouwkundige ruimtebeleving binnen de gegeven begrenzing van het plangebied. Tuinen spelen mee in de beleving en het groene karakter van het straatbeeld dankzij de zichtlijnen tussen woningen of omdat ze direct grenzen aan de openbare ruimte. De strookjes eengezinswoningen variëren in lengte en zijn vrijwel allemaal voorzien van zowel voor- als achtertuinen. Het overgrote deel van de buitenruimte achter de woningen is als privé-tuinen verkaveld. Op enkele plekken liggen die rond een centraal bleek- of speelveld. Bergingen zijn meeontworpen en zorgvuldig geplaatst zodat er zoveel mogelijk sprake is van een aaneengesloten onbebouwde tuinruimte. Door de open verkaveling is de beleving van de binnentuinen een onlosmakelijk onderdeel van het groen in de straten, vanuit het idee dat het hele tuindorp een oase van rust, intimiteit en groen is. In de binnentuin van een gesloten bouwblok is er uiteraard meer privacy dan in de achtertuinen die aan een gemeenschappelijke tuin grenzen of zelfs aan openbare groene ruimte liggen.
De privacy van de individuele bewoners in die tuinen werd daarmee ondergeschikt gemaakt aan de groene ruimtebeleving van de wijk als geheel. Dat dubbeleffect van het groen in de tuinen op de openbare ruimte was bewust beoogd.
8
Met de groenstructuur wordt als eerste geëxperimenteerd in de nooddorpen Disteldorp en Vogeldorp van Boeyinga, de Van der Pekbuurt en het wordt in optima forma gerealiseerd in de tuindorpen Oostzaan en Nieuwendam. Zodoende is in de eerste decennia van de 20ste eeuw een ontwikkeling te onderscheiden van groen als zelfstandige elementen in de vorm van tuinen achter de woning en als boombeplanting in de straten (grachtengordel, 19de-eeuwse Ring, de vroege tuindorpen), naar groen als doorlopend systeem dat de woonwijken meer en meer dooradert (gordel 20-40) en waarbij het tuingroen bijdraagt aan de beleving van de openbare ruimte (tuindorpen, vroege AUP-wijken). Tuindorpen als methodische aanpak Na het eerder genoemde rapport van de Woningraad uit 1909 over huisvesting in de nieuwe stad, verschijnt in 1919 het Rapport van den commissie ter bestudeering van het vraagstuk eener Tuinstad of van tuindorpen in de omgeving van Amsterdam. Daarin worden door o.a. H.P. Berlage, Louise van der Pek-Went en A. Keppler de vooren nadelen van (satelliet) tuindorpen op afstand van Amsterdam secuur onderzocht en uitgewerkt. De gehanteerde methodiek past bij de steeds meer op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde benadering van het vraagstuk hoe de ideale, leefbare stad het beste gestalte gegeven kan worden.
Dit rapport verschijnt na de bouw van een hele reeks tuindorpen in Noord (en elders in Nederland) en de opgedane ervaringen worden benut bij het onderzoek of een schaalvergroting mogelijk is. De tuinstadcommissie constateert dat groenvoorzieningen op drie schaalniveau’s nodig zijn: gordels van grote brokken groen (‘pure natuur’, dan wel agrarische terreinen) om de stad; goed verspreide parken in de stad; en buitenruimte direct bij de woningen. Schone lucht uit de gordels voedt de lucht in de parken. De schone lucht uit de parken voedt de buitenruimte bij de woningen, waardoor er een netwerk van groen en schone lucht wordt gecreëerd. Bij de grondsoorten van de mogelijke tuinstadlocaties wordt aangegeven in welke mate het geschikt is voor gebruik als tuin. Besparingen in de aanlegkosten worden gezocht in de aanleg van voortuinen, beperkte straatlengte, vermijding van overtollige dwarsstraten en het niet te ondiep maken van de bouwblokken, en waar mogelijk) de aanleg van gras en plantsoenen i.p.v. verharding: “Het karakter van een tuinstad wordt niet aangetast door een op deze wijze doorgevoerde beperking van het straatoppervlak.
Ruimtebesef kan ook door de diepe binnentuinen en voortuinen worden gewekt, maar daartegenover staat dat de exploitante zich de kosten voor onderhoud zal moeten getroosten, aangezien in een geordende tuinstad of tuindorp het onderhoud der voortuinen noch der binnentuinen geheel aan de huurders mag worden overgelaten” Verschillende alternatieve modellen worden onderzocht om tot een zo goed mogelijke opzet te komen. In het rapport zijn diverse schema’s en modellen te vinden. Een essentieel aspect van de tuindorpen is dus het feit dat eengezinswoningen met een tuin gerealiseerd konden worden. Binnen het bescheiden oppervlakte dat per perceel financieel haalbaar was, is in de stedenbouwkundige opzet het belang dat juist aan tuinen gehecht wordt goed terug te zien in de verhouding bebouwd (footprint woning) / onbebouwd (tuin). Daarin is zoveel mogelijk getracht om die ten gunste is van laatstgenoemde te laten zijn.
9
Enkele bezonningsmodellen van de Tuinstadcommissie, 1929, Bijlage VIIIB
10
2.4
Tuindorp Oostzaan Tuindorp Oostzaan ligt ten zuidwesten van de lintbebouwing aan de Oostzanerdijk, en wordt rondom omsloten door de Kometensingel. Dit laag gelegen gedeelte is volledig omdijkt, en tijdens de inpoldering van 1872 enkele tientallen jaren gebruikt als baggerbergplaats voor slib uit de Amsterdamse grachten en vaarten.
Situatietekening oudste deel van Tuindorp Oostzaan op prentbriefkaart, ca. 1920 (SAA: 010137000540)
2.4.1
Ontstaan en ontwikkeling
De Gemeentelijke Woningdienst (GWD) kreeg in 1919 de opdracht tot de bouw van 1.000 semi-permanente, kleine woningen, vooral bestemd als huisvesting voor de arbeiders van de in 1919 nabij gevestigde Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij (NSM) die kort daarop gevolgd werd door de Nederlandse Dokmaatschappijk (NDM, na de oorlog gefuseerd tot de NDSM). Tuindorp Oostzaan is in 1921-1924 gerealiseerd naar het stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp van Berend Boeyinga en Jakoba Mulder van de GWD. Omstreeks 1934 werd de zuidwestelijke strook, tussen de Meteorenweg en de Oostensloot, naar stedenbouwkundig ontwerp van C. van Eesteren toegevoegd. Met deze uitbreiding had men al bij het eerste plan rekening gehouden. De architectonische uitwerking was van de architecten Peters en Mulder. De bouw werd voltooid in 1938. Het tuindorp vormde een enclave op 5 kilometer afstand van het Centraal Station. De verbinding met de stad bestond in de eerste decennia in feite alleen uit een gemeentelijke tramboot tussen het station en het Cornelis DouweskanaalWest. De route over land was een praktische omweg.
11
2.4.2
Huidig ruimtelijk karakter
Stedenbouwkundige structuur Tuindorp Oostzaan heeft een hiërarchisch-geometrische en symmetrische structuur van brede hoofdstraten (Zonneweg, Orionstraat, Maanstraat), smallere dwarsstraten die als kleine zichtassen fungeren, korte binnenstraten, een centraal plein met winkels en enkele kleinere pleinen. Opvallend is dat niet één straat schuin is of gebogen. De kleine bouwblokken zijn op de koppen geopend of opengeknipt. Hierdoor zijn doorzichten mogelijk naar de binnentuinen, en is er ruimte voor een klein plantsoen op de hoek van de straat. De plaatsing van de bouwblokken, de open hoeken, de verspringende rooilijnen, groenstructuur van de openbare en (semi)privé buitenruimtes en de U-vormige hofjesis zeer zorgvuldig en is als een geheel ontworpen. Het gevolg is een stelsel van openbare ruimten binnen de open bebouwingsstructuur, die enerzijds een samenhangend geheel vormen en anderzijds een eigen mate van beslotenheid en verschillend karakter hebben. De eerste fase van Tuindorp Oostzaan kan in twee delen worden onderscheiden, elk aan weerszijden van het Plejadenplein. Het in 1922 voltooide zuidoostelijke deel heeft als centrum het Zonneplein (met het later toegevoegde gemeenschapshuis het Zonnehuis) met regelmatig hier omheen gegroepeerd een aantal kleinere pleinen. De Zonneweg en Orionstraat vormen een kruis, dat de basisstructuur van de buurt vormt.
In deze twee straten zijn belangrijke zichtlijnen geconstrueerd die dwars door de buurt lopen. De zichtlijnen worden op bijzondere wijze beëindigd door scholen of brengen een visuele relatie met de landelijke omgeving van het tuindorp tot stand, zoals de landschappelijke structuren en de lintbebouwing. Voor de overige straten geldt dat de zichtassen korter zijn en bijvoorbeeld besloten worden door U-vormige hofjes. Het noordwestelijke deel heeft in de structuur een ‘verborgen’ as langs de lijn, die het Mercuriusplein en het Neptunusplein doorsnijdt. Aan weerszijden daarvan zijn de blokken grotendeels symmetrisch verkaveld. Binnen deze sobere opzet is een aantal pleinruimtes gecreëerd, zowel langs de buitenrand aan de Oosttocht als te midden van de woonblokken. De eerste uitbreiding van Tuindorp Oostzaan is de zuidwestelijke strook uit de jaren dertig, met bebouwing aan weerszijden van de Vegastraat. De uitbreiding heeft een strakke, en in vergelijking met het oudere deel van het tuindorp, sobere stedenbouwkundige structuur met strokenbouw. De lange rijenhuizen worden afgewisseld met korte blokjes woningen, winkelwoningen en groene plantsoenen. Langs de Kometensingel wordt de strakke structuur onderbroken door een halfopen hof met bejaardenwoningen.
Het complex neemt een bijzondere plaats in binnen het tuindorp als afwijkend stedenbouwkundig ensemble, met de verhoogde aanleg, het plantsoen, beeldhouwwerken en bijzondere voorzieningen als bankjes. In het hele tuindorp is sprake van een uitgekiende oriëntatie van bouwblokken, kappen, dakkapellen en poorten die alle onlosmakelijk verbonden zijn met de stedebouwkundige opzet en die ervoor zorgen dat met een beperkte middelen een gevarieerd ruimtelijk beeld is gecreëerd, De randen geven het tuindorp een bijzondere toegevoegde waarde. De eeuwenoude Oostzanerdijk vormt een visueel herkenbaar pre-stedelijk element en biedt uitzicht op het markante dakenlandschap (rode en zwarte pannengedekte mansarde-, wolf- en schildkappen) van het tuindorp. De zuidoostelijke kant is door de combinatie van bebouwing, water en groen en het aanwezige niveauverschil schilderachtig. Bijzonder fraai zijn hier de speelplaats op de plek van het voormalige openluchttheater, het fietspad dat door een hegje van de sloot wordt gescheiden, de driehoekige groene ruimten aan het eind van de Kometensingel en de Kleine en Grote Beerstraat, alsmede de opgang naar het naoorlogse sportcomplex in de buurt van de aanlegplaats van de vroegere gemeentelijk tramboot.
Ter afscheiding van de zuidwestelijke strook van het oude tuindorp, langs de Kometensingel, loopt een groene watersingel met een smalle parkstructuur tegen de IJ-dijk (Cornelis Douwesweg). De woningen in het tuindorp werden na gereedkomen toebedeeld aan grote gezinnen. Samen met de naoorlogse babyboom leidde dat tot een grotere behoefte aan scholen dan aanvankelijk voorzien. In de naoorlogse jaren zijn aan het Plejadenplein de Bethelkerk (1958) en een schoolgebouw (1966) toegevoegd. Het kerkgebouw is het belangrijkste en een integraal onderdeel van het ensemble waartoe ook de toegangstrap, klokkentoren, speelplaats (speelvijver- en weide, 1965), pergola, rijwielberging en kosterwoning met garage behoren. Het gebouw met klokkentoren fungeert als wand voor het plein en de trappen als tribune voor de speelplaats. Ook op enkele andere plekken in Tuindorp Oostzaan zijn openbare gebouwen van later datum gerealiseerd. Tussen de Oostzanerdijk en de Kometensingel, nabij de Sacramentskerk, is in 2008 een rijtje twee-onder-een-kapwoningen gebouwd. 12
Het eerst gerealiseerde deeel van het Tuindorp Oostzaan tussen de Meteorenweg (links), de Oostzanerdijk (boven) en de Kometensingel (rechts), 1923 (SAA: A04139000060)
Boven het oudere deel van Tuindorp Oostzaan, met linksboven het Plejadenplein, en onder de lange rijenhuizen, 1938 (SAA: A04139000058)
13
De zichtlijnen worden op bijzondere wijze beëindigd door scholen. Op de linker foto de Orionstraat, met zicht op de Meteorenschool, 1924. (SAA: 5293FO003241) Rechts de speelplaats en speelweide aan de Vegastraat, op de hoek met de Nieuwe Maanstraat, jaren vijftig.
De Oostzanerdijk (hier ter hoogte van de Centaurusstraat, 1932) biedt uitzicht op het markante dakenlandschap van het tuindorp (SAA: OSIM00004005534) en rechts de zuidoostelijke rand van het tuindorp, met een schoolgebouw, een groene open ruimt en het fietspad dat door een hegje begeleidt wordt.
Plejadenplein, met de speelvijver en Bethelkerk in 1966 en in 2006 (SAA: 10009A000092 en 010122050463).
Bebouwingskarakter Het oudste deel van Tuindorp Oostzaan bevatte 1.320 eengezins- en enkele middenstandswoningen, een dokterswoning, winkels, een leeszaal, badhuis, scholen en een centraal gelegen verenigingsgebouw. De architectuur is over het algemeen sober, met een sterke horizontale belijning, en is nauw verwant met landelijke bebouwing. De woningen zijn niet onderheid, maar gebouwd op betonnen platen. Twee basistypen komen in de woningbouw het 14
meeste voor. Het ene type bestaat uit korte blokken van circa zes woningen van één bouwlaag onder een bewoonbare, met rode pannen gedekte, mansarde- of wolfkap. Het andere type heeft twee bouwlagen onder een met zwarte pannen gedekt schilddak, in langere blokken. Net als in de nooddorpen Vogel- en Disteldorp en in Tuindorp Nieuwendam heeft Boeyinga ook hier poortwoningen gesitueerd op verschillende hoofdassen. De bijzondere gebouwtypen, zoals de villaachtige woningen en scholen, hebben een architectonisch rijkere uitstraling ten opzichte van de woningbouw. Het nieuwere deel van het tuindorp kenmerkt zich door lange stroken met rijtjeshuizen, opgetrokken uit baksteen, onder een zadeldak en met elementen als erkers en stenen muurtjes naast de voordeur. De bescheiden schuren zijn meeontworpen en ook zorgvuldig gepositioneerd. Schuurtjes van bescheiden formaat zijn op als integraal onderdeel van de stedebouwkundige opzet geplaatst. Het ensemble bejaardenwoningen van een bouwlaag onder een kap aan de Kometensingel is in een brede U-vorm aan drie zijden rond een plantsoen gebouwd.
Afhankelijk van de vraag of het om een bewoonbare kaplaag gaat zijn er dakkapellen geplaatst die passen bij het architectonische beeld en het beoogde krachtige daklandschap – een onderdeel dat zowel in de vormgeving van het straatbeeld in de Amsterdamse Schoolperiode in het algemeen als in de tuindorpen veel aandacht kreeg. In het laatste geval om de link met het landelijke bebouwingskarakter te leggen. Bij een aantal blokken zijn deze onbewoonbare kappen later voorzien van een opgebouwde dakkapel. Aangezien het tot voor kort in het tuindorp geheel om corporatiebezit ging, zijn dat soort ingrepen in samenhang uitgevoerd. Dat geldt ook voor de toevoeging van uitbouwen. In recente jaren zijn in enkele vergunningsvrije jaren door particuliere eigenaren uitbouwen geplaatst en sinds de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht wordt bij wijze van maatwerk per geval getoetst of uitbouwen geen afbreuk zal doen aan het ruimtelijk karakter.
De twee basistypen in de woningbouw. De ene met rode pannen en één bouwlaag; de ander met zwarte pannen en twee bouwlagen.
Zonneweg, met zicht op poortgebouw, 1925 (SAA: 5293FO003261, foto B.T. Boeyinga) en anno 2017 toegeëigende openbare ruimte (voormalige stoep) met schuttingen die zichtlijnen blokkeren.
15
Lange rij woningen in de Vegastraat, en bejaardenwoningen in halfopen hof aan de Kometensingel, 1948 (SAA: 5293FO005112)
Groen en openbare ruimte De relatie tussen stedenbouwkundige structuur en bebouwing is doorgezet in de inrichting van de openbare ruimte en de groenstructuur en -aanleg. Dit speelt een belangrijke plaats in het beoogde landelijke karakter van het dorp. Het groene en intieme karakter daarvan is een wezenlijk onderdeel van de planopzet en het streven om een tuindorp te realiseren. Alle woningen zijn voorzien van een voor- en een achtertuin, geheel volgens de formule van het tuindorp. De overgang tussen de openbare en privé ruimten loopt subtiel in elkaar over door onder meer de doorzichten op de (semi)privé binnenterreinen, mogelijk vanwege de geopende of opengeknipte bouwblokken. De onbebouwde hoeken van de straten bieden ruimte aan een klein plantsoen en boomaanplant. In de woonstraten staan nu niet meer overal bomen, maar waren van oorsprong stonden die in een uitgekiend ritme in voortuinen. Zonder die bomen is het straatbeeld een minder groen karakter heeft gekregen. Bij de aanleg was de voortuinafscheiding eenduidig, met eenvoudige lage heggen en hekwerken. Omdat bewoners gaandeweg een veelheid aan erfafscheidingen hebben neergezet en de tuinen ook vaak hebben betegeld, heeft ook dat het rustige, groene karakter in de straten verminderd. De inrichting van de privévoortuinen is uiteraard beeldbepalend voor het straatbeeld.
Oorspronkelijk bestond de straatbekleding uit klinkers voor de rijweg en waarschijnlijk vierkante tegels voor de trottoirs, wat tot een rustig en bescheiden straatbeeld leidde. Tegenwoordig is dit rommeliger, omdat het materiaalgebruik meer divers is. Het kenmerkende straatprofiel met de smalle stoepen is nog wel vrijwel intact, al zijn op sommige plekken de private tuinen uitgebouwd op gemeentegrond. Ook in de strook uit de jaren dertig, ontworpen door Van Eesteren, vormt het groen een belangrijk stedenbouwkundig element. Enkele rechthoekige groenplantsoenen waren onderdeel van het ontwerp. De woningen zijn voorzien van een voor- en een achtertuin. Het complex bejaardenwoningen wijkt af van de orthogonale structuur met het plantsoen in Uvorm. Aan de achterzijde is er een strook grond ingericht als collectief gazon, dat toegankelijk is via twee poorten in de hoeken van de U-vorm en via stegen vanaf de Vegastraat.
16
Lage heggen als erfafscheiding in de Argostraat, 1935 (SAA: 5293FO003350) Achterzijde woningen met tuinen, 1921 (SAA: 5293FO003227)
In de voortuinen bomen en heggen als erf afscheiding, en laag hekwerk als afsluiting van de plantsoenen, Orionstraat, 1933 (SAA: 5293FO003242)
17
De overgang tussen de openbare en privé ruimten loopt subtiel in elkaar over door de doorzichten op de (semi)privé binnenterreinen, en die mogelijk zijn vanwege de geopende of opengeknipte bouwblokken. Links de Orionstraat, jaartal onbekend (SAA: 5293FO003240)
Op de hoek van de straat is ruimte voor en klein plantsoen.
Regelmatig is het openbare karakter en de aaneenschakeling van privé en openbare ruimte verloren gegaan, omdat de zichtlijnen zijn dichtgezet; bijvoorbeeld schuttingen en geprivatiseerde openbare ruimte of te hoog opgeschoten groen.
18
2.5
Terrasdorp Terrasdorp werd na de Tweede Wereldoorlog ten oosten van Tuindorp Oostzaan gebouwd op het resterende deel van de voormalige baggerplaats. Bij Zijkanaal I werd decennia lang slib gestort en zo kwam deze grond in sommige delen vier meter hoger te liggen ten opzichte van de omgeving. Hierdoor is de bebouwing, zoals de naam van het tuindorp al aangeeft, op verschillende terrasniveaus aangelegd. De naam Tutti-Fruttidorp, waarmee de wijk ook wel wordt aangeduid, dankt het aan de op allerlei fruitsoorten gebaseerde straatnamen. Fysiek worden het oude tuindorp en deze oostelijke uitbreiding van elkaar gescheiden door een fraai aangelegd terrein rondom het Bessenpad (voorheen het openluchttheater) en sportcomplex “De Meteoor” uit de jaren vijftig en oorspronkelijk bedoeld als “centrum voor muziek en spel”. Verder wordt Terrasdorp begrensd door de Werktuig- en Frambozenstraat, de Appelweg en het Zijkanaal I.
Het “centrum voor muziek en spel”, met links het huidige Bessenpad en rechts sportcomplex “De Meteoor” (Uit: tijdschrift Werk in Uitvoering, Dienst Publieke Werken, 1955)
2.5.1
Ontstaan en ontwikkeling
De bouw van Terrasdorp vond plaats tussen 1950 en 1960, op een driehoekig terrein. Verantwoordelijke voor het stedenbouwkundig plan was de gemeentelijke dienst Stadsontwikkeling (SO). Het plan voor de nieuwe wijk was onderdeel van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) voor Amsterdam. Dit stedenbouwkundige structuurplan kwam in 1934 tot stand en vormt de basis van een groot deel van de Westelijke Tuinsteden, Buitenveldert en delen van de Watergraafsmeer (o.a. Frankendaal). In de jaren vijftig werd vervolgens besloten om bij nadere inzien ook uitbreidingswijken in Noord toe te voegen. De eerder genoemde Van Eesteren en Mulder waren als hoofdontwerpers van SO verantwoordelijk voor het ontwerp van het AUP. Het was in deze periode dat Van Eesteren ook het stedenbouwkundige plan tekende voor de zuidwestelijke strook van Tuindorp Oostzaan, tussen de Meteorenweg en de Oostertocht.
19
2.5.2
Huidig ruimtelijk karakter
Stedenbouwkundige structuur Na de oorlog experimenteerde SO in Amsterdam met verschillende verkavelingswijzen en woningplattegronden. De in Frankendaal door Mulder geïntroduceerde hakenverkaveling rond groene hoven werd vervolgens op grote schaal in de andere uitbreidingswijken uitgewerkt en toegepast. Deze verkavelingsvormen leidden tot een gevarieerder en aantrekkelijker wijkbeeld dan bij alleen strokenbouw. Door de plaatsing van de haken blijft via diagonale zichtlijnen de relatie met de omliggende groenstructuur mogelijk. Ook werden de woningen zo optimaal mogelijk op de zon georiënteerd. In feite staan de woonblokken in een grote, gemeenschappelijke tuin. Terrasdorp kan worden gezien als schakel tussen de Frankendaal en de Westelijke Tuinsteden. De in Terrasdorp gekozen “smallere maat, blijkt echter minder gelukkig”, aldus J.H. Mulder in het Polytechnisch Tijdschrift van 1952. Daarop volgend werd voor de oostelijke strook weliswaar dezelfde verkavelingswijze gehanteerd, maar ditmaal op een ruimere en beter geslaagde maat. Terrasdorp kent naast de haakvormige hovenverkaveling opvallend veel andere verkavelingstypen.
De wijk valt hierdoor in een aantal delen te onderscheiden: de zogenaamde ‘kam’ aan de westelijke buitenzijde langs de Kersenstraat; het driehoekige en hoger gelegen middendeel met strokenbouwverkaveling; het terrein in de zuidwesthoek onder het groen rondom het Bessenpad met gedeeltelijk strokenbouw en haakverkaveling; de rechthoekige strook met hakenverkaveling rond hoven tussen de Mandarijnen- en Werktuigstraat; en de oostelijke strook langs het water met haakvormige hovenverkaveling die een voortzetting op de hiervoor genoemde strook is. Terrasdorp vormde niet alleen een stedenbouwkundige proeftuin, ook werd geëxperimenteerd met systeembouw: nieuwe, industriële bouwwijzen, zoals betonnen prefab-elementen. Op deze wijze kon relatief snel gebouwd worden als antwoord op de naoorlogse woningnood. In alle gevallen zijn de woningen in systeembouw gebouwd, rechts van de Pomomastraat in het Aireysteem en links van deze straat in het systeem Dotremont – Ten Bosch. Vanwege de krappe financiële middelen werd de architectonische uitwerking van de toegepaste bouwsystemen tamelijk sober. Om de wederopbouwwijken, ondanks de beperkt financiële middelen en bescheiden ruimte toch een aangenaam karakter en enige allure te verschaffen, zocht men dat in de stedenbouwkundige (hoofd)structuur, de verkavelingswijzes en in de integraal meeontworpen groenaanleg.
Met name het middendeel tussen Pomona-, Druiven-, Abrikozen-, en Pruimenstraat is stedenbouwkundig fraai, vanwege de tamelijk unieke configuratie met niveauverschillen tussen straat en stoep.
20
Terrasdorp in 1968, gezien naar noorden, met links het sportpark, bovenlangs Zijkanaal I en het poldergebied, rechts Volkstuinenpark de Bongerd en onderlangs de Werktuigstraat (010009015474).
Perzikstraat en (SAA: 5293FO004760) en de Pruimenstraat (Foto Google Maps), met niveauverschillen tussen straat en stoep.
Pruimenstraat, gezien van het Ananasplein naar de Amandelstraat, in 1968 (SAA: 010122046194) en 2017.
21
Bebouwingskarakter Terrasdorp bestaat uit ruim 600 woningen, waarvan een groot deel door woningbouwcorporaties als duplexwoningen zijn gebouwd. Deze duplexwoningen werden tijdelijk gesplitst in een onder- en bovenwoning, waardoor ruimte was voor twee gezinnen. Het architectonische ontwerp van de Aireywoningen is van prof. Ir. H.T. Zwiers, architect bij de Gemeentelijke Woningdienst. Zwiers speelde in de naoorlogse wederopbouwperiode een vooraanstaande rol en hij was het ook die het in Engeland ontwikkelde Aireysysteem in opdracht van het Rijk een Nederlandse ‘vertaling’ gaf, waardoor het geschikt werd om tot de grote, gestandaardiseerde woningbouwproductie te komen die gedurende de Nederlandse wederopbouwperiode noodzakelijk was. Samen met zijn collega J.F. Berghoef namen zij de bouw van ruim 10.000 Aireywoningen over heel Nederland verspreid voor hun rekening. Naast de kenmerkende betonnen gevelplaten (35x60cm) en verspringende raampartijen (steeds als een veelvoud va de gevelplaten), zijn de woningen uitgevoerd met een flauw hellend zadeldak met overstekende dakrand. Vrijstaande schuurtjes zijn op dezelfde manier opgebouwd en als integraal onderdeel van de stedebouwkundige opzet geplaatst. De waardevolle architectonische vormgeving van het middendeel tussen Pomona-, Druiven-, Abrikozen-, en Pruimenstraat is bij recente renovatie verloren gegaan.
De gevels zijn in een dikke isolerende laag ISPO gezet, waardoor de opmerkelijke, aan de constructiewijze gerelateerde detailleringen en dus het waardevolle karakter teniet zijn gedaan. De bebouwing in de rechthoekige strook langs Zijkanaal I is door particulieren gebouwd, tevens naar ontwerp van Zwiers. De woningen bestaan uit twee verdiepingen op bergingen in een gemetseld sousterrain, met trappetjes die leiden naar de verhoogde entree. Het oorspronkelijke gevelbeeld is, ondanks de kunststof boeiborden, overeind gebleven. Onderdeel van deze strook zijn twee bungalows, gelegen aan het water, als afwijkend bebouwingstype ontworpen door architect J. Plas. Tussen de Pomomastraat en de Kersenstraat is een andere bouwmethode toegepast, namelijk het systeem d’ Otremont – Ten Bosch. Dit Belgische bouwsysteem is aangepast door architect W.Th.H. ten Bosch, tevens in dienst bij de Gemeentelijke Woningdienst. In plaats van een staalskelet bestaat de constructie uit betonstijlen en een bekleding van betonplaten. De gevel heeft een strakke indeling, de keus voor het zadeldak is traditioneel. De laagbouwwoningen voor ouderen in de Frambozenstraat zijn in 2008 vervangen door het nieuwbouwproject De Waaier: eengezinswoningen in vijf blokken in de vorm van een waaier.
Ter vervanging van winkels en bovengelegen woningen op het Ananasplein zijn in 2005 nieuwbouwwoningen op een parkeerdek gerealiseerd, met in de plint enkele voorzieningen. Ook zijn aan beide zijden van Terrasdorp in de jaren tachtig twee schoolgebouwen gebouwd op groenstroken. Groen en openbare ruimte De inrichting van de openbare ruimte en het gebruik van licht, lucht en ruimte speelde een belangrijke rol in de twintigste-eeuwse stedenbouw. Dit komt expliciet aan bod bij de totstandkoming van het AUP waarbij het idee van het logisch, organisch ordenen van terreinen met verschillende functies centraal stond. Zowel vanuit het concept van verkeer als groen geldt de woning als de uiterste vertakking van een gelaagd systeem. Het verkeer betekent het contact met de maatschappij, het groen staat voor rust, ontspanning en de aanraking met de natuur. Er werd gestreefd naar een doorgaande, zo groen mogelijke, ruimte die in schaalniveaus verloopt van de woning via de buurt en wijk naar de stad en het ommeland, van particuliere naar gemeenschappelijke naar openbare ruimte. Dit impliceert voor de ruimtelijke opbouw dat, naarmate de kleinste ruimte (woning) genaderd wordt, de doorgangsruimte plaats maakt voor verblijfsruimte. Gaan wordt verblijven.
Doorgaande routes liggen daarom naast woonwijken terwijl in de woonwijken de straten zich dusdanig vertakken dat zij meer en meer relatie met de bebouwing hebben. De groenstructuur vormt bovendien een wezenlijk onderdeel van de aanhechting van de wijken onderling en de omringende gebieden. Beplanting heeft in deze opzet enerzijds een functie bij het gaan; als bind- of afbakeningsmiddel zoals de verbindingsroutes van hoofd- en secundaire straten. Anderzijds is het ingezet voor het verblijven; ontspanning en educatie in de verblijfsplaatsen in de wijk, de tuinen en speelplaatsen. Mede vanwege de open verkaveling is er een groot scala aan gradaties tussen privé en openbare ruimtes waar specifiek voor ontworpen werd door landschapsarchitecten. De ruimtereeks die daarbij werd onderscheiden is: balkon – tuin – binnentuin – stoep – straat – plein – park – weg – stad. De uitgangspunten waren gemeenschapszin, pragmatisme, dienstbaarheid aan de gebruiker, functionaliteit in de beleving, samenhang en afwisseling. De ruimte moest doorlopend zijn, maar ook beslotenheid en beschutting bieden op daartoe geëigende plekken. Scheidingen en verbindingen zijn (ruimtelijk en/of visueel) tot stand gebracht door gradaties van afscherming. Denk daarbij aan de verhoging van terreinen of rijen heesters en bomen. Hiermee werd wel beschermd maar nooit helemaal afgeschermd.
Zo koos men bijvoorbeeld bij gemeenschappelijke 22
tuinen en parkstroken voor een parkachtige inrichting, terwijl het stedelijke karakter van straat- en pleinruimtes met formeler vormgegeven plantsoenen en speelinrichtingen werden ingericht. Woonstraten kregen lage (fruit)bomen die genoeg licht en lucht doorlaten, de doorgaande verbindingswegen zijn daarentegen voorzien van markante, hoog opgaande bomen. Vanuit praktisch oogpunt werden bijvoorbeeld speelpleinen van privétuinen afgeschermd door een strook stekelige struiken. Natuurlijk werd de beplantingskeuze en plaatsing ook gestuurd door de verkaveling, ritme, omvang en architectuur van de omringende bebouwing (zie De Groene Kracht van Y. Feddes). Voornoemde principes zijn ook toegepast en nog altijd aanwezig in Terrasdorp, zij het dat het in de transformatielocaties soms verdwenen is en dat er ook plekken zijn waar het verloederd is. Zo verbindt het groene sportpark het vooroorlogse met het naoorlogse deel van Tuindorp Oostzaan, loopt er een brede groenstrook voor voetgangers langs het Zijkanaal I, en dienen groene ruimtes tussen de bebouwing als doorgaande routes voor bewoners. De doorschakeling van groene (semi) privé-ruimte naar openbaar groen loopt naadloos in elkaar over. De hovenverkaveling en niveauverschillen in de wijk zorgen voor beslotenheid. Er is nog een enkele speelplaats, ontworpen door Aldo van Ecyk van SO, te vinden.
In het geval van Terrasdorp werd bovendien de tamelijk sobere architectonische uitwerking van de bouwsystemen gecompenseerd door de groenaanleg, naast de stedenbouwkundige structuur en de verschillende verkavelingswijzes, de wijk een aangenaam karakter en enige allure verschaffen.
Perzikstraat (Foto Google Maps)
Goudreinetstraat in 1974 en tegenwoordig (SAA: B00000009002 en foto Google Maps)
23
2.6
Tuindorp Oostzaan-West Tuindorp Oostzaan in de jaren vijftig uitgebreid ook uitgebreid aan de westzijde: Oostzaan-West. Dit deel wordt begrensd door de Kometensingel en de IJ-dijk (Cornelis Douwesweg). 2.6.1
Ontstaan en ontwikkeling e
Voor de uitbreiding werd wederom een stedenbouwkundig plan ontwikkeld door de gemeentelijke dienst SO, dat de 4 herziening van het AUP vormde en op 29 februari 1956 is vastgesteld. Bij de totstandkoming van het plan werd voortgeborduurd op de verkavelingsexperimenten in de tuindorpen Jeruzalem en Terrasdorp. 2.6.1
Huidig ruimtelijk karakter
Stedenbouwkundige structuur Oostzaan-West heeft een rechthoekige vorm waarin grondgebonden woningen in acht haakvormige hoven zijn gebouwd. De opzet met ruim opgezette hoven is vergelijkbaar met de oostelijke strook van Terrasdorp die tegelijkertijd tot stand kwam (1957). In het hart van de buurt zijn aan elkaar geschakelde bejaardenwoningen gelegen, waar het openbare groen als het ware doorheen spoelt. De laagbouwwoningen vormen een ensemble met het verzorgingstehuis Het Twiskehuis. Aan de noordoostzijde, langs de Schutterweg staan zes rijtjes eengezinswoningen. Een woontoren markeert de noordoosthoek; de groene strook hier oostelijk van is eind jaren negentig bebouwd met woningen. De Westertocht omsingelt het gebied.
Luchtfoto van de uitbreiding Oostzaan-West, met rechts het voorloorlogse tuindorp en boven Moelnwijk, 1972 (SAA: B00000034007)
24
Bebouwingskarakter De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit eengezinswoningen en ouderenwoningen in laagbouw. De eengezinswoningen (in eerste instantie duplexwoningen) uit 1957 zijn ontworpen door architect F. van Gool, in dienst bij de Gemeentelijke Woningdienst. De uit baksteen opgetrokken woningen in twee lagen onder een plat dak vormen de opmaat naar de twee jaar later gerealiseerde zaagtandwoningen (“Bluebanddorp”) in de Westelijke Tuinsteden. De toename van het autogebruik heeft er toe geleid dat een deel van de woningen garageboxen heeft gekregen. Hiermee werd door SO gehoopt dat het voor de meer bemiddelden aantrekkelijk werd om een woning te huren, om zo te voldoen aan de wens van sociologen en geestelijke verzorgers een minder eenzijdige samenstelling van de bevolking te bewerkstelligen. De zes rijtjes eengezinswoningen aan de Schutterweg uit 1961 zijn uit baksteen opgetrokken onder een plat dak, met schoorstenen die een belangrijke werking hebben in het straatbeeld. Onderdeel van het initiële plan is de hoge woontoren uit 1962, iets dat voor de oorlog om allerlei redenen niet goed mogelijk zou zijn geweest, aldus C. van Eesteren in het tijdschrift Werk in Uitvoering uit 1958. Deze torenflat werd geprojecteerd ongeveer in de as van het 1 Noordzeekanaal, zodat bewoners dit in de volle lengte konden afkijken.
Centraal in Oostzaan-West staat het drielaagse verzorgingstehuis Het Twiskehuis, ontworpen door het architectenduo J.W.H.C Pot en J.W. Pot-Keegstra. Na oplevering in 1972 ging de bouw van de eveneens door het duo ontworpen laagbouwwoningen van start (1972-1976). De beiden gebouwtypen waren een specialisatie van de architecten. Ook naar ontwerp van Van Gool zijn de blokken rondom het Miraplein, met op de begane grond winkels en ruimtes voor ambachtelijke bedrijfjes en hierboven woningen. Typologisch is dit woonwerkcomplex interessant, en waarvan in de naoorlogse wijken enkele andere zijn zoals het Adriaan van Oordthof in de Westelijke Tuinsteden. Het plan voorzag verder in een kerk, speelplaatsjes voor de kleuters, een speeltuin voor de grotere kinderen en een school die er
uiteindelijk niet is gekomen. Stedenbouwkundig plan van de uitbreiding Oostzaan-West, deels uitgevoerd (uit: tijdschrift Werk in Uitvoering, 1958)
1
Hoofd Afdeling Stadsontwikkeling, Het Tuindorp Oostzaan, in Werk in Uitvoering, februari 1958
25
Laagbouwwoningen van architect Van Gool rondom groene hoven, met net als in vooroorlogse deel van Tuindorp Oostzaan open hoeken, maar hier zonder de doorzichten tussen de opgeknipte bebouwing.
Woningen in twee lagen aan de Schutterweg.
Bejaardenwoningen in de Nadirstraat, jaren zeventig (SAA: 5293FO013654) en in 2017, met doorstromend groen.
26
Bejaardenwoningen ‘Het Twiske Huis’, Watermanstraat (SAA: 5293FO011903) en het woonwerkcomplex aan de Nadirstraat/Miraplein.
Groen en openbare ruimte Net als Terrasdorp en andere AUP gebieden wordt Oostzaan-West gekenmerkt door de uitgekiende inrichting van de openbare ruimte en de integraal meeontworpen groenstructuur. Ook hier werd gestreefd naar (de visuele beleving van) een doorgaande groene ruimte die in schaalniveaus verloopt van de woning via de buurt en wijk naar de stad en het ommeland, van particuliere naar gemeenschappelijke naar openbare ruimte. Oostzaan-West wordt omsingeld met blauw-groene stroken, waarbij gebruik is gemaakt van de bestaande, doorgaande waterloop de Westertocht. De groenstrook aan de Dierenriem is in later stadium bebouwd met appartementencomplexen.