CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3a. Adelaarsweg-Meeuwenlaan_Bijlagen bij de toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 6 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan “Adelaarsweg-Meeuwenlaan” (VN2023-013051)21.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan AdelaarswegMeeuwenlaan

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Adelaarsweg-Meeuwenlaan

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.N2009BPGST-VG01

Datum print

8 Mei 2023

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Toelichting in PDF

7

Bijlage 2

Onderzoek externe veiligheid

57

Bijlage 3

Archeologisch bureauonderzoek

65

Bijlage 4

Nota van beantwoording vooroverleg

91

Bijlage 5

Nota van wijzigingen

99

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 5

Bijlagen bij de toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 7

Bijlage 1

Toelichting in PDF

Gemeente Amsterdam

Bestemmingsplan AdelaarswegMeeuwenlaan

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Adelaarsweg-Meeuwenlaan

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.N2009BPGST-VG01

Datum print

2 Mei 2023

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

Aanleiding Doel bestemmingsplan Leeswijzer

7 7 7

Plankader

9

Huidige situatie Ligging plangebied en plangrens Geldende bestemmingsplannen Uitgangspunten van het bestemmingsplan

9 9 10 12

Beleidskader

13

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 14 17

Hoofdstuk 4

Milieuaspecten

21

4.1 4.2 4.3

Luchtkwaliteit Geluidhinder Externe veiligheid

21 22 24

Omgevingsaspecten

29

Water Archeologie en cultuurhistorie Duurzaamheid

29 33 37

Juridische toelichting

39

Algemeen Artikelsgewijze toelichting

39 39

Economische uitvoerbaarheid

43

Kader Plangebied

43 43

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

45

Inspraak Vooroverleg Zienswijzen

45 45 45

1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3

Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 Hoofdstuk 8 8.1 8.2 8.3

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voor een groot gedeelte van het plangebied is sprake van een planologisch-juridisch vacuüm (een zogeheten 'witte vlek'), waar geen bestemmingsplan geldt. Vanuit planologisch-juridisch oogpunt is binnen een 'witte vlek' in principe elk planologisch gebruik toegestaan en zijn de bouwmogelijkheden onbeperkt, zodat de gemeente weinig grip heeft op ruimtelijke ontwikkelingen. In het plangebied gold ook één bestemmingsplannen die nog onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vastgesteld (zie ook 2.3). Het plan is zodoende ouder dan 10 jaar en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) niet meer actueel. Op grond van de Wro dienen in ieder geval analoge plannen geactualiseerd te worden. Deze actualiseringsverplichting geldt niet voor bestemmingsplannen die elektronisch raadpleegbaar zijn en beschikbaar zijn gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit digitale plan wordt echter gezien de leeftijd ook meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan neemt het planologisch-juridisch vacuüm weg en voorziet in de actualisering van bovengenoemd bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het Amsterdamse omgevingsplan.

1.2

Doel bestemmingsplan

Het doel van dit bestemmingsplan is om een actueel planologisch-juridisch kader te scheppen voor de aanwezige 'witte vlek' en bovengenoemd plan, waarbij de bestaande situatie wordt vastgelegd en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het is zogezegd een conserverend bestemmingsplan.

1.3

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. De toelichting bestaat uit 8 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de huidige situatie, de ligging van het plangebied en plangrens, de geldende bestemmingsplannen en de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Het voor het plan relevante beleid van Rijk, provincie en de gemeente is in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en hoofdstuk 5 behandelt de relevante omgevingsaspecten. In beide hoofdstukken vindt een toets aan de diverse milieuen omgevingsaspecten plaats. Een toelichting op de juridische systematiek oftewel een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedure.

Gemeente Amsterdam

blz. 8

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 2 2.1

Plankader

Huidige situatie

Het plangebied is nagenoeg gelijk aan het grootstedelijk gebied "De Adelaar". Midden in het plangebied is basisschool "De Kinderboom" gevestigd (Adelaarsweg 113). In de basisschool bevindt zich ook "Expertisecentrum Uniek", een paramedische praktijk gericht op onder meer logopedie en kinderfysiotherapie. Naast de basisschool ligt een verhard speelterrein met enkele speelvoorzieningen, een groen speelveld met een omheind gedeelte, een verharde strook en een speelpleintje. Het speelpleintje ligt niet geheel in het plangebied. Ten zuiden van het plangebied liggen woningen. De dichtstbijzijnde metrohalte is Noorderpark (niet afgebeeld).

Bestaande situatie (Data en informatie, luchtfoto 2021)

2.2

Ligging plangebied en plangrens

Het plangebied ligt in stadsdeel Noord, in de wijk IJplein/Vogelbuurt (Vogelbuurt Zuid). Het grenst direct aan de Adelaarsweg en het Albatrospad. Het Albatrospad ligt naast de Johan van Hasseltweg. Deze straat sluit aan op de Meeuwenlaan, die deel uitmaakt van de begrenzing van de Vogelbuurt Zuid. Ten zuiden van het plangebied ligt de Fazantenweg en ten oosten van het plangebied ligt de Kievietstraat.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

Plangebied met de omliggende straten en bebouwing

2.3

Geldende bestemmingsplannen

Voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt geen bestemmingsplan. Met het blauwe omlijnde vlak op onderstaande afbeelding is dit gebied aangegeven. Zoals in 1.1 is beschreven, gold er één bestemmingsplan in het voorliggende plangebied, namelijk het bestemmingsplan "Oud Noord-Albatros" (onherroepelijk op 2 april 2003). Dat bestemmingsplan gold binnen het onderstaande zwart omlijnde vlak.

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 11

De blauwe en zwart omlijnde vlakk en vormen samen het plangebied

Plangebied Oud Noord-Albatros, waarvan een gedeelte in het huidige plangebied ligt (globaal aangegeven met rode pijl) Het gedeelte van het plangebied van het bestemmingsplan "Oud Noord-Albatros" wat binnen het huidige plangebied ligt, heeft de bestemmingen "Verblijfsareaal" (geel) en Verkeersareaal (wit). Rondom het plangebied geldt het bestemmingsplan "Oud Noord", vastgesteld op 29 oktober 2008. Gemeente Amsterdam

blz. 12

Plangebied van het bestemmingsplan "Oud Noord", met rode pijl is het huidige plangebied aangegeven

2.4

Uitgangspunten van het bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan voorziet in de actualisering van één bestemmingsplannen en neemt het planologisch-juridisch vacuüm weg. Verder zijn voor dit bestemmingsplan de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Er worden zogezegd geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt; de bestaande situatie wordt vastgelegd. 2. Voor wat betreft de regels en de verbeelding is uitgegaan van de bestaande situatie. 3. Recent ruimtelijk relevant beleid wordt opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. 4. Voor de dubbelbestemmingen wordt gebruik gemaakt van de meest recente leggers. Voor een nadere toelichting op de regels wordt verwezen naar de Artikelsgewijze toelichting. bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 13

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving en gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. De NOVI is een instrument van de Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve 1 paragraaf. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie. De NOVI benoemt de volgende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8.

Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. De nationale belangen staan in willekeurige volgorde.

De nationale belangen gelden daar waar nodig onverkort in de ondergrond. Er zijn vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Gemeente Amsterdam

blz. 14

2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier bovengenoemde NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Conclusie Aangezien sprake is van een conserverend bestemmingsplan, is geen sprake van strijd met de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).1 Het Barro beschrijft een aantal projecten en stelt per project regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het Barro.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie NH2050

Provinciale Staten hebben op 19 november 2018 de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 geeft inzicht in de ruimtelijke ambities van de provincie Noord-Holland. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Economische groei en een gezonde leefomgeving moeten op elkaar zijn afgestemd en houden elkaar in evenwicht. De vele ontwikkelingen die de komende jaren op de samenleving zullen afkomen zijn in de Omgevingsvisie NH2050 aangestipt. Er zijn acht urgente ontwikkelingen geformuleerd waar de samenleving mee te maken zal krijgen: Klimaatverandering: bescherming bieden tegen de (extra versnelde) zeespiegelstijging. Bodem-, water- en luchtkwaliteit: verdere verbetering van de kwaliteit van bodem, water en lucht op alle plekken in de provincie. Biodiversiteit en natuur: investeren en vergroten van de biodiversiteit om andere doelen te bereiken zoals een gezonde leefomgeving, economisch duurzame landbouw, bodem en waterkwaliteit, aantrekkelijke verstedelijking en klimaatadaptatie. Economische transitie: ruimte te bieden aan ontwikkelingen van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten door de overgang naar duurzame economie. bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 15

Energie transitie: overgaan naar een samenleving in de provincie die volledig klimaatneutraal is en is gebaseerd op hernieuwbare energie. Mobliliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland verplaatsen zichzelf of producten effectief, veilig en efficient; het versterken van mobiliteitsopties zoals goede OV-verbindingen en ontwikkelen van basisbereikbaarheid voor kleine kernen. Verstedelijking: vraag en aanbod van woon-en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming brengen, waarbij duurzaamheid het uitgangspunt is voor de totale woningvoorraad. Landschap: benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. In de Omgevingsvisie NH2050 zijn ontwikkelprincipes geformuleerd die helpen om in samenhang te kijken naar de bovengenoemde acht hoofdthema’s. Verder heeft de provincie vijf samenhangende bewegingen beschreven die samen met de hoofdthema’s richting geven aan de ontwikkeling van de leefomgeving. De samenhangende bewegingen zijn: Dynamisch schiereiland: de provincie Noord-Holland is aan drie zijden omgeven door water. Het benutten van deze unieke ligging is leidend, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling.

Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en waarin de kernen de herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving; centraal staat het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector. De hoofdthema’s en de samenhangende bewegingen vormen de belangrijkste maatschappelijke opgaven voor de komende jaren. Ontwikkelprincipes bieden houvast voor iedereen die iets wil doen dat raakt aan de fysieke leefomgeving. Aan de ruimtelijke beslissingen van de provincie zal daarom altijd een afweging van deze belangen voorafgaan. Metropool Amsterdam maakt onderdeel uit van de metropoolregio Amsterdam, een regio die zich uitstrekt tot Zaanstad, Almere, Zuid Kennemerland en de Gooi- en Vechtstreek. De metropool moet tot 2050 verder groeien als een belangrijke en duurzame internationale concurrerende stedelijke regio. Er moeten daarom voldoende kantoren, bedrijven en woningen zijn, die vooral binnen het binnenstedelijk gebied gerealiseerd worden.

De regionale verschillen tussen de grotere en kleinere kernen binnen de metropool moeten hun sterke identiteit behouden, terwijl het geheel in sterkere mate als een systeem functioneert. Er moet functiemenging zijn, een goede bereikbaarheid en er wordt geïnvesteerd in een samenhangend netwerk van openbaar vervoer tussen woon- en werklocatie. De provincie ziet hierin niet de rol van trekker voor zichzelf, maar dit zal gezamenlijk met partners die daar mede voor verantwoordelijk zijn, worden opgepakt. Primaire waterkering Primaire waterkeringen beschermen Noord-Holland tegen overstromingen vanuit de Noordzee, Waddenzee, IJssel- en Markermeer. De provincie streeft bij dijkverbeteringen robuustheid en ruimtelijke kwaliteit na, inclusief versterking van cultuurhistorische, landschappelijke, recreatieve en ecologische waarden van waterkeringen en aangrenzende zones. Nieuwe ontwikkelingen moeten klimaatbestending en waterrobuust zijn.

Gemeente Amsterdam

blz. 16

Bereikbaarheid Verder vindt de provincie een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid van natuur- en recreatiegebieden via groenblauwe verbindingen voor haar bewoners en bezoekers belangrijk, zowel voor de leefbaarheid als voor het vestigingsklimaat. De provincie stelt zich ten doel dat in het jaar 2050 de fiets een nog belangrijker rol speelt in de regionale mobiliteit van Noord-Holland. Er is dan één compleet, herkenbaar en veilig netwerk van fietspaden: op de belangrijkste regionale verbindingen tussen gemeenten, werklocaties, OV-knooppunten, onderwijsinstellingen en natuurgebieden. Verdichting De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande, verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Er moet voldoende ruimte en budget zijn voor de ontsluiting van grote woongebieden door te verdichten op goed bereikbare plekken nabij knooppunten van openbaar vervoer. Groen en (water)recreatie Ten slotte dient er voldoende groen om de stad te zijn in het kader van recreatie. Met de provincies Utrecht en Zuid-Holland is in het kader van de Groene Hartsamenwerking het Perspectief Groene Hart 2040 vastgesteld. Daarmee hebben deze provincies zich gecommitteerd aan samenhangend beleid voor het Groene Hart, wat in uitwerkingen verder vorm zal worden gegeven.

Kern van de beweging zijn twee grote veranderprocessen die vragen om samenwerking, innovatie en gebiedsgericht maatwerk: de ontwikkeling naar een natuurinclusieve landbouw en de bodemdaling in veenweidegebied. Waterrecreatie is als belangrijk thema in Noord-Holland in een gezamenlijk met alle partners opgestelde Visie Waterrecreatie Noord-Holland 2030 benoemd. Zowel vanuit het economisch als maatschappelijk belang dient de positie van Noord-Holland als vooraanstaande waterprovincie te worden behouden en versterkt. Het Blauwe Hart (het gebied van Markermeer en IJmeer) is een belangrijke locatie voor de groeiende behoefte aan waterrecreatie. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de kaders uit de Omgevingsvisie NH2050. 3.2.2

Omgevingsverordening NH2020

Op 22 oktober 2020 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening vastgesteld. De provincie Noord-Holland heeft ervoor gekozen zich tijdig voor te bereiden op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet al vormgegeven aan de kerninstrumenten van de provincie van deze wet: de Omgevingsvisie en de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening NH2020 worden de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en de sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie NH2050 te vertalen in de regels van de provincie. Doel en uitdaging Deze eerste omgevingsverordening Noord-Holland integreert 21 verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Het doel is daarmee de provinciale regels te vereenvoudigen, harmoniseren, en op onderdelen meer ruimte te bieden voor lokaal en regionaal maatwerk en bestuurlijke afweging. Volgens de legger van de Omgevingsverordening ligt in het plangebied een regionale waterkering. Ook geldt voor het plangebied een regionale verdringingsreeks. Aangezien het plan conserverend van aard is, bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 17

wordt de waterkering noch verdringsreeks aangetast. Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de Omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie 2050 'Een menselijke metropool'

De ontwerp-omgevingsvisie heeft van 21 januari tot en met 3 maart 2021 ter inzage gelegen en is op 8 juli 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet, die naar verwachting op relatief korte termijn in werking treedt. Onderstaande tekst is afkomstig uit de concept-visie, de definitieve versie wordt binnenkort gepubliceerd. De omgevingsvisie vormt voor het grondgebied van de Gemeente Amsterdam tot 2050 de leidraad voor de inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het vormt voor de Gemeente Amsterdam een zelfbindend kader voor projecten, beleid en programma’s die betrekking hebben op die fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft richting, maar is geen concreet investeringsplan waarvoor de middelen nu al beschikbaar zijn of moeten komen. De omgevingsvisie vervangt "Structuurvisie Amsterdam 2040". De gemeente wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: richting geven aan groei; versnellen van transities; ruimte bieden aan initiatieven. Met vijf strategische keuzes wordt invulling gegeven aan de grote opgaven voor de komende tien jaar: woningbouw, economische vitaliteit, de energietransitie, de mobiliteitstransitie, vergoten van de leefbaarheid, regionale ontwikkeling en meer ruimte voor maatschappelijk initiatief.

Meerkernige ontwikkeling Amsterdam groeit als stad en als metropool. De gemeente wil de agglomeratiekracht van de metropoolregio vergroten. De behoefte aan stedelijke plekken als vestigingsmilieu voor internationale bedrijven en als aantrekkelijke leefomgeving blijft groot. Om daarin te voorzien zijn naast het centrum en Zuidas nieuwe stedelijke centra voor wonen en werken nodig. Deze wil de gemeente in de hele stad en regio laten ontstaan. Binnen Amsterdam wordt ruimte gemaakt voor circa 200.000 arbeidsplaatsen. Tegelijk zet de gemeente zich in voor meer werkgelegenheid in de regiokernen. De gemeente wil de tendens van ongelijk verdeelde groei, ruimtelijke segregatie en toenemende kansenongelijkheid doorbreken en de druk op het Amsterdamse centrum verminderen. Met een evenwichtige ontwikkeling van de stad, de agglomeratie en de regio als geheel bouwt de gemeente aan meer variatie en tegelijk meer samenhang in de metropoolregio. Amsterdam wordt daarmee een meerkernige stad. Groeien binnen grenzen Amsterdam maakt tot 2050 binnen de huidige stadsgrenzen ruimte voor minimaal 150.000 woningen voor 250.000 Amsterdammers, in met werken en voorzieningen gemengde buurten. Deze groei wordt ingezet om de sociale kwaliteit van de bestaande stad te vergroten en onze duurzaamheidsdoelstellingen te halen.

Groeien binnen grenzen geeft daarmee mede invulling aan de donut-stad, met een stevig sociaal fundament en het minimaliseren van het fysieke ruimtebeslag van de stad, van gebruik van grondstoffen en van de bijdrage aan klimaatverandering. Duurzaam en gezond bewegen

Gemeente Amsterdam

blz. 18

In een verdichtende stad is ruimte schaars. Dat betekent dat de gemeente slim gebruik moeten maken van die ruimte. Een intensief bebouwde stad is in principe een gezonde plek om te leven, zo lang de lucht schoon is en de leefomgeving veilig is en uitnodigt tot bewegen. Daarom krijgen richting 2050 stap voor stap in de hele stad voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer ruim baan. Dit zorgt er ook voor dat noodzakelijk vervoer, zoals nood- en hulpdiensten, logistiek en mensen met een beperking meer ruimte houden. Amsterdammers vinden straks op loop- en fietsafstand parken en buurtvoorzieningen en op maximaal vijftien minuten fietsen stedelijke voorzieningen en grote groengebieden. Een autoluwe stad vraagt een grote inzet. Bijvoorbeeld op nieuwe openbaarvervoerverbindingen en goede overstapmogelijkheden, die banen en voorzieningen ook vanuit de regio beter bereikbaar houden. Samenwerking met Rijk en regiopartners is daarvoor onmisbaar. Rigoureus vergroenen Vergeleken met vijftig jaar geleden is Amsterdam een onnoemelijk veel groenere stad geworden. De wijze waarop wijken als De Pijp een nieuwe groene kwaliteit kregen dankzij straatbomen en gevelgroen wil de gemeente in de hele stad toepassen. Verdichten van de stad gaat zo gepaard met meer groene kwaliteit.

De gemeente verenigt daarmee de wens om meer stedelijke kwaliteit te ontwikkelen met de noodzaak om de stad klimaatbestendig en leefbaarder te maken voor mens, dier en plant. Het vergroenen van de stad krijgt zijn beslag op verschillende schaalniveaus. In het landschap, in de buurt en ook op en aan gebouwen. De gemeente zoekt daarbij naar innovatieve oplossingen om de leefomgeving in de hele stad een groener aanzien te geven. Daarbij staan de kwaliteit en diversiteit voorop. Samen stadmaken Amsterdam wil meer ruimte voor diversiteit en eigenheid in de manier waarop aan de stad wordt gebouwd. De gemeente werkt als vanouds samen met professionele partijen, zoals de woningcorporaties, beleggers en grote instellingen, maar is tegelijk op zoek naar het verbreden van het ontwikkelpalet. Een uitdrukkelijke wens is om Amsterdammers een meer actieve rol te geven. Dat geldt voor beheer en programmering van de eigen leefomgeving, ruimte voor lokaal ondernemerschap, programmeren van vrije ruimte, maar ook in het daadwerkelijk bouwen aan de stad en het invulling geven aan de energietransitie. Conclusie Het plangebied is aangemerkt als een gemengde stadsbuurt (redelijk hoge dichtheid, ruimte voor niet-wonen, vooral in plinten en af en toe een groter gebouw, groen in parkjes en langs watergangen).

Aangezien het bestemmingsplan de bestaande situatie vastlegt, is het bestemmingsplan in overeenstemming met de omgevingsvisie.

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 19

Uitsnede Visiekaart met een rode pijl bij het plangebied

Gemeente Amsterdam

blz. 20

3.3.2

Welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam' (2016)

In 2013 zijn vijftien stadsdeelnota's vervangen door één welstandsnota die geldt voor de hele stad: De Schoonheid van Amsterdam. De nota, die in 2016 is geactualiseerd, besteedt aandacht aan duurzaam (ver)bouwen en aan gevelreclame. De welstandsnota zorgt ervoor dat iedereen die in Amsterdam iets wil bouwen duidelijkheid heeft over de wijze waarop de gemeente de schoonheid van Amsterdam wil behouden en bevorderen. Een opsteller van een bouwplan moet erin kunnen vinden welke eisen op welke plek worden gesteld. De commissie moet op basis van de beschrijvingen en criteria een onderbouwd advies kunnen geven over de plannen. In de welstandsnota zijn de ruimtelijke systemen (gebieden met gelijksoortige bebouwing, zoals de 19de-eeuwse ring, de gordel '20-'40 of de naoorlogse wijken in Nieuw-West en Buitenveldert) de uitgangspunt voor beleid in plaats van stadsdeelgrenzen. De nota maakt een scherp onderscheid tussen drie soorten criteria: concrete standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen en ingrepen aan de bestaande bebouwing, relatieve en meer abstract geformuleerde criteria die toegespitst zijn op grotere en meer ingrijpende plannen en planafhankelijke criteria voor gebieden die in transformatie zijn. Per ruimtelijk systeem zijn een beschrijving, de waardering en de uitgangspunten voor beleid opgenomen.

Deze ingrediënten maken de criteria die bij de beoordeling worden toegepast en ook de beoordeling zelf inzichtelijk. Aan de welstandsnota is een kaart met welstandsniveaus toegevoegd. Die geeft de ambities per gebied weer. Het welstandsniveau is bepalend voor de mate van inspanning en kwaliteit die van een ontwerp wordt verwacht: een plan dat in een gebied met eenvoudig welstandsniveau goed genoeg is, zal in een gebied met bijzonder niveau mogelijk niet eens met de hakken over de sloot komen. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende welstandsniveaus: Beschermd niveau: gereserveerd voor monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Bijzonder (sterk) niveau: voor gebieden met groot belang voor het aanzien van de stad (19de eeuwse ring, gordel 20-40, Tuindorpen, delen van het AUP). Gewoon niveau: gericht op praktisch beheer van de gangbare kwaliteit van een gebied. Eenvoudig (licht) niveau: voor gebieden waar de ambities beperkt zijn en het welstandsbeleid vooral gericht is op het voorkomen van incidenten. Geen preventieve toetsing: hierbij worden plannen niet vooraf getoetst. Wel is het mogelijk om tegen excessen achteraf op te treden. Welstandsvrij: geen welstandstoets, ook niet achteraf. Conclusie Het plangebied heeft het niveau "Beschermd".

Aangezien de bestaande situatie wordt vastgelegd en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, wordt dit niveau in stand gehouden. Het plan is in overeenstemming met de welstandsnota. 3.3.3

Plan maatschappelijke voorzieningen Amsterdam-Noord 2015-2030

Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Noord heeft het Plan maatschappelijke voorzieningen Amsterdam-Noord 2015-2030 vastgesteld op 24 februari 2016. Doel van dit plan is om de benodigde ruimte voor nieuwe maatschappelijke voorzieningen in de ontwikkel- en vernieuwingsgebieden inzichtelijk te maken zodat het goed kan worden meegenomen in de plannen voor gebiedsontwikkeling. Conclusie Aangezien een bestaande basisschool wordt bestemd, is geen sprake van strijd met bovengenoemd plan. bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 21

Hoofdstuk 4

Milieuaspecten

4.1

Luchtkwaliteit

4.1.1

Kader

Wet milieubeheer De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. Deze wetgeving kent een dubbele doelstelling: De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. Een bestemmingsplan is in overeenstemming met de Wet milieubeheer als het bestemmingsplan niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. AMvB en Regeling niet in betekende mate (NIBM) De wetgeving maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Actieplan Schone Lucht Het Actieplan Schone Lucht beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeente tot 2030 toewerkt naar schonere en gezondere lucht in de stad. In het Actieplan heeft het college de ambitie uitgesproken dat in 2030 overal in de gemeente alleen maar uitstootvrij verkeer rijdt. Daarom heeft de gemeente de volgende mijlpalen verwoord: 2020: Realisatie (diesel)milieuzone binnen ring A10 personenauto’s vanaf Euro 4 en geografische uitbreiding milieuzones; 2022: ov-bussen en touringcars centrum zijn uitstootvrij (binnen s100 ten zuiden van het spoor); 2025: al het verkeer, waaronder ook taxi's, passagiersvaart, pleziervaart en GVB veren, maar behalve personenauto's en motoren, is uitstootvrij binnen de ring A10 (voor brom- en snorfietsen geldt de hele bebouwde kom); 2030: al het verkeer binnen bebouwde kom is uitstootvrij. Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam

Gemeente Amsterdam

blz. 22

Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd. 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd.

Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 4.1.2

Plangebied

In de richtlijn staat dat deze alleen betrekking heeft op nieuwe situaties. Volgens de richtlijn moet worden gedacht aan nieuw te bouwen gebouwen bedoeld voor gevoelige bestemmingen als wel om bestaande gebouwen die een functiewijziging ondergaan waardoor het mogelijk wordt om in een bestaand gebouw een (voor die locatie) nieuwe gevoelige bestemming te vestigen. In dit bestemmingsplan wordt de bestaande situatie vastgelegd (waaronder het bestaande schoolgebouw) en worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De richtlijn is derhalve niet van toepassing op de onderhavige situatie. Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.2

Geluidhinder

4.2.1

Kader

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijvoorbeeld gevoelige functies. In de Wet geluidhinder zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties is toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 23

Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Hierbij dient uitgegaan te worden van wettelijk aangewezen zones voor wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Indien binnen deze zones nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Op grond van de Wet geluidhinder moet een geluidzone worden vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die "in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken". Dit zijn inrichtingen als aangewezen in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Stb. 2010, nr. 143) , de zogenaamde "grote lawaaimakers". Dergelijke inrichtingen worden geacht zoveel lawaai te (kunnen) veroorzaken, dat de wijde omgeving ervan zeer zwaar belast wordt. Geluidbeleid Op 5 maart 2019 heeft het college van B&W de nota “Amsterdams Geluidbeleid 2016, Hogere waarde Wet geluidhinder” gewijzigd vastgesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluidhinder Amsterdam (TAVGA) om advies wordt gevraagd.

Bij de vaststelling van een hogere waarde wordt rekening gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Het beleid geeft aan dat er sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden. 4.2.2

Plangebied

Rondom het plangebied liggen meerdere wegen, waaronder de Johan van Hasseltweg en de IJtunnel. Het plangebied ligt binnen de geluidszones van die wegen. Tevens ligt het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van het gezoneerde industrieterrein "Johan van Hasseltkanaal Oost" en nabij het metrostation Noorderpark. Omdat echter sprake is van een conserverend bestemmingsplan en het een bestaande geluidsgevoelige bestemming betreft, hoeft volgens de Wet geluidhinder niet te worden getoetst aan de geldende voorkeursgrenswaarde of vastgestelde hogere waarde. Een akoestisch onderzoek is daarom niet benodigd.

Gemeente Amsterdam

blz. 24

Geluidzone rond industrieterrein Johan van Hasseltkanaal Oost (bron: Geluidskaart 2018, maps.amsterdam.nl) Conclusie Het aspect ''geluid" levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.

4.3

Externe veiligheid

4.3.1

Kader

Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan. Met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm. Het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.

Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 25

niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord.

Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (vanaf 16 bar en met een uitwendige diameter groter dan 50 mm), is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing.

Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens een eventuele toename van het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Gemeente Amsterdam

blz. 26

Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. In artikel 14 van het Bevb is bepaald dat deze strook ten minste vijf meter bedraagt aan weerszijde van de buisleiding. In artikel 5 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is bepaald deze strook ten minste 4 meter bedraagt indien het een buisleiding betreft voor aardgas met een druk tussen 1.600 en 4.000 kPa. Nabij het bestemmingsplangebied zijn hoge druk buisleidingen aanwezig voor het transport van aardgas (maximaal 40 bar). Het plangebied ligt buiten de 1% letaliteitszone van deze gasleidingen. Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen.

Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid streeft naar een groepsrisico lager dan de oriëntatiewaarde. De afweging voor overschrijding van de oriënterende waarde en een toename van een overschrijding van de oriëntatiewaarde moet als specifiek beslispunt aan het bevoegd gezag ter besluitvorming worden voorgelegd. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Het uitvoeringsbeleid streeft naar extra bescherming van beperkt zelfredzame personen. Ongevalsscenario's met brandbaar gas zoals LPG en aardgasbuisleidingen zijn snelle scenario's die minder mogelijkheden geven voor mensen om zichzelf in veiligheid te brengen.

Daarom stelt het uitvoeringsbeleid dat nieuwe objecten specifiek bedoeld voor beperkt zelfredzame personen gesitueerd moeten worden buiten de 100%-letaliteitsgrens van ongevallen met brandbaar gas. Uitgangspunt hierbij is dat er op deze afstand meer mogelijkheden zijn om mensen in veiligheid te brengen bij een eventueel ongeval. Daarnaast zal er afschermende werking optreden door andere bebouwing en zullen mensen binnen gebouwen beschermd zijn tegen warmtestraling. Amsterdam definieert minder zelfredzame personen vanuit externe veiligheid als personen die niet over het fysieke en/of verstandelijke vermogen beschikken om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een calamiteit. De volgende personen/groepen worden in ieder geval als minder zelfredzaam gedefinieerd: kinderen onder 12 jaar; zieken; bejaarden; gehandicapten. Uitdrukkelijk worden niet bedoeld objecten als woningen, winkels, kantoren etc. waar deze groepen ook aanwezig kunnen zijn. De 100% letaliteitsgrens ligt op de volgende afstand van de verschillende risicobronnen in het gebied: 100% letaliteit LPG spoor is 100 meter; 100% letaliteit LPG weg is 80 meter; 100% letaliteit betreffende aardgasleidingen is 80 meter; 100% letaliteit LPG tankstation 150 meter.

Indien er economische of maatschappelijke gewichtige redenen zijn en de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid voldoende op orde zijn, kan een object bedoeld voor minder zelfredzame personen bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 27

worden gesitueerd binnen de 100% letaliteitsgrens. Een dergelijke afweging wordt als specifiek beslispunt binnen het ruimtelijke proces aan het bestuur of verantwoordelijk bestuurder ter besluitvorming voorgelegd. 4.3.2

Plangebied

Er is door de Omgevingsdienst onderzoek uitgevoerd naar het aspect "externe veiligheid" voor dit bestemmingsplan (d.d. 08 juni 2021, ref.: Z10287990). Dit onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste punten. Kwetsbaar object De school met bijbehorend buitenterrein is op grond van artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) aangewezen als kwetsbaar object. Risicocontouren en invloedsgebieden. Ten oosten van het plangebied loopt een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie. Er vallen echter geen plaatsgebonden risicocontouren of invloedsgebieden over de locatie noch is er strijd met de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Er zijn geen risicocontouren of invloedsgebieden van risicovolle bedrijven of wegen, spoorwegen en waterwegen die vallen onder Basisnet over deze locatie gelegen. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg De gemeenteraad van Amsterdam heeft gemeentelijke routes voor transport van gevaarlijke stoffen aangewezen. Langs het plangebied loopt een aangewezen route over de Johan van Hasseltweg. Plaatsgebonden risico Voor het plaatsgebonden risico geldt een afstand van 0 meter vanaf de weg. Het plangebied ligt hier buiten.

Er is geen strijd met de grens- of richtwaarden (voor respectievelijk kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) volgens artikel 4 uit het Bevt. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en neemt met minder dan 10% toe in de nieuwe situatie. Er wordt namelijk een conserverend bestemmingsplan vastgesteld waardoor geen toename van personen plaats zal vinden. Daarom is er geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk en hoeft uitsluitend conform artikel 7 van het Bevt in de toelichting van het bestemmingsplan te worden ingegaan op een ramp met gevaarlijke stoffen (het voorkomen daarvan en vluchtmogelijkheden). De veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland dient in de gelegenheid te worden gesteld om hierover advies uit te brengen. Plasbrandaandachtsgebied Er geldt voor gemeentelijke wegen geen op grond van het Bevt aangewezen plasbrandaandachtsgebied. Er is geen nadere onderbouwing of onderzoek nodig. Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Gemeente Amsterdam Er wordt niet voldaan aan het Uitvoeringsbeleid voor wat betreft de letaliteitscontour van de transportroute, omdat niet kan worden uitgesloten dat de 100% letaliteitscontour over (een deel) van de bestemming valt. Er is echter in het verleden een andere afweging gemaakt.

Het lijkt niet opportuun om in het kader van deze procedure daar op terug te komen.De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Zodoende wordt op dit punt wel voldaan aan het Uitvoeringsbeleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 28

Conclusie Uit het onderzoek van de Omgevingsdienst blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en met minder dan 10% toeneemt. Daarom is geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. De veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland dient in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen in het kader van de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Daarom is het concept ontwerpbestemmingsplan conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland voorgelegd, zie voor de reactie bijlage 4. Voor de volledigheid wordt volstaan met de observatie dat het speelplein niet aan de Johan van Hasseltweg is gelegen (enkel een patio, waarschijnlijk voor personeel) en er geen ramen aanwezig zijn aan de zijde van genoemde weg. Verder is de ingang van de basisschool niet gelegen aan de Johan van Hasseltweg, maar aan de Adelaarsweg. De vluchtroute is derhalve gunstig. Externe veiligheid levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 29

Hoofdstuk 5 5.1

Water

5.1.1

Kader

Omgevingsaspecten

Besluit ruimtelijke ordening Het Besluit ruimtelijke ordening verplicht tot het opnemen van een beschrijving over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van het bestemmingsplan (artikel 3.1.6, lid 1, onder b). Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlakte- en grondwater internationaal en stroomgebiedsgericht aan te pakken. De KRW moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in alle Europese landen in 2027 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen, die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de huidige stroomgebiedbeheerplannen (2016-2021) van de waterschappen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.

Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet en beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Als bijlage bij het ontwerp Nationaal Waterplan zijn beleidsnota's toegevoegd over waterveiligheid. Deze beleidsnota's vormen een nadere uitwerking en onderbouwing van de keuzes die in de hoofdtekst staan van het Nationaal Waterplan en dienen in samenhang ermee te worden gelezen. Bij de ontwikkeling van locaties in de stad wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo gelijk blijft of toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden. Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In mei 2011 sloten het Rijk, de provincies, het Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen en de vereniging van waterbedrijven Nederland het Bestuursakkoord water.

Met de actualisatie van het NBW onderstrepen de betrokken partijen, rijk, provincies, gemeenten en waterschappen nogmaals het belang van samenwerking om het water duurzaam, klimaatbestendig en doelmatiger te beheren. In het akkoord staat onder meer hoe met klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur moet worden omgegaan. Ook is er meer aandacht voor het realiseren van

Gemeente Amsterdam

blz. 30

schoon en ecologisch gezond water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2020 het watersysteem in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Het gaat hierbij om de verwachte zeespiegelstijging, bodemdaling en klimaatverandering. Nederland krijgt hierdoor steeds meer te maken met extreem natte en extreem droge periodes. Watervisie 2021 en Uitvoeringsprogramma 2016-2021 In de Watervisie van de Provincie Noord-Holland zijn de ambities uiteengezet betreffende water, en wordt gekeken naar hoe het waterbeleid eruit ziet op de lange termijn en waar de prioriteit voor de planperiode 2016-2021 liggen. De uitwerking van deze visie is opgesteld in het uitvoeringsprogramma. Dit programma wordt jaarlijks geactualiseerd en geeft inzicht in de uit te voeren acties. Voor deze periode wordt ingezet op innovatie en samenwerking met andere overheden (gemeenten, waterschappen) en ondernemers. Waterprogramma 2016-2021 en Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In het Waterprogramma 2016-2021 beschrijft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) de doelstellingen voor de periode 2016-2010 voor de drie kerntaken: veiligheid tegen overstromingen, droge voeten en schoon water. Deze taken worden de komende periode sterk beïnvloed door de klimaatverandering en de uitgangspunten van de Europese Kaderrichtlijn Water.

De komende jaren is de opgave om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort en schoon water. Dat gebeurt vooral preventief door de uitvoering van programma's en dagelijks beheer, maar ook door het onderhouden van een goede crisisorganisatie. In 2016 heeft het algemeen bestuur van het HHNK een nieuwe Keur vastgesteld. De keur van HHNK is gericht op het beschermen van de water aan- en afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de Keur staan de regels die het HHNK hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Samen met de Waterwet, nationale- en Europese wetgeving en beleidsregels van HHNK vormt dit de basis voor de watervergunning. Visie op waterveiligheid (2019) Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Sterke dijken en duinen beschermen het gebied tegen overstromingen. Van oudsher zorgt HHNK voor het in stand houden en periodiek versterken van alle keringen in hun beheergebied. Een dijkdoorbraak kan echter nooit volledig worden uitgesloten. Een overstroming kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting, economische schade en slachtoffers.

Het HHNK kan samen met belanghebbende partijen in de regio de gevolgen zoveel mogelijk beperken door maatregelen te nemen in de ruimtelijke inrichting en/of de crisisbeheersing. Dergelijke waterveiligheidsmaatregelen vormen een waardevolle aanvulling op de primaire bescherming die waterkeringen bieden tegen overstromingen. Dit principe van werken in trappen wordt meerlaagsveiligheid genoemd: 1. Preventie HHNK houdt de waterkeringen in ons gebied nauwkeurig in de gaten. De gebiedsbeheerders zijn dagelijks in het gebied aanwezig. Daarnaast worden periodieke inspecties uitgevoerd. Geconstateerde schade aan de waterkeringen wordt beoordeeld en zo nodig hersteld. Voor een gebied dat voor 80% onder NAP ligt, is dit een serieuze aangelegenheid. Er wordt gewerkt aan 'open data', waarmee het voor de omgeving gemakkelijker wordt een rol te gaan spelen in het beperken van en anticiperen op waterveiligheidsrisico's. 2. Gevolgbeperking via ruimtelijke inrichting Bij de ruimtelijke inrichting van het beheergebied vertrouwt HHNK erop dat de gemeenten en de

bestemmingsplan_Adelaarsweg-Meeuwenlaan (vastgesteld)

blz. 31

provincie waterveiligheid volwaardig meewegen in hun besluitvorming. Het is aan de regio, onder aanvoering van de gemeente, om te bepalen wat de ambitie is om de kwetsbaarheid van het gebied te verminderen en welke maatregelen daarvoor worden ingezet. HHNK ondersteunt dit proces met kennis en expertise en brengt vanzelfsprekend vanuit de eigen verantwoordelijkheid het water(veiligheids)belang in. 3. Gevolgbeperking via crisisbeheersing Hier gaat het onder meer om het beschikbaar hebben van concrete kennis over de leefbaarheid van gebieden bij de geldende overstromingsscenario’s. Op basis van die kennis kunnen kansen en (on)mogelijkheden van evacuatie worden ingeschat en voorbereid, zodat daarover in een crisissituatie tijdig en voldoende onderbouwd kan worden beslist en daarnaar gehandeld kan worden. Ook kunnen gerichte inrichtingsmaatregelen worden geïdentificeerd die maken dat daadwerkelijke maatschappelijke ontwrichting niet of pas later optreedt. Dit helpt de rampenbestrijding. Beleidsnota Waterkeringen 2012-2017 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In deze beleidsnota wordt het beleid en de uitgangspunten voor het beheer en medegebruik van de waterkeringen van HHNK beschreven. De Beleidsnota Waterkeringen geeft helderheid over: het doelmatig beheren, het waarborgen van de waterkerende functie, het afstemmen van de belangen, het vergunningen- en ontheffingenbeleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13065138/1