- 31 Zorg (35) Bijlage 5A Advies Cliëntenbelang op concept-rapportage Toega
Tekst van het document
College van B&W van gemeente Amsterdam t.a.v. mevr. J. Bolle j.bolle@amsterdam.nl Postbus 202 1000 AC Amsterdam
Datum: 6 oktober 2020
Kenmerk: 20-020/BW
Onderwerp: Reactie op voortgangsrapportage ‘Amsterdam werkt aan Toegankelijkheid’
Geacht college, Graag begin ik deze reactie met het uitspreken van onze waardering voor de uitgebreide en heldere voortgangsrapportage ‘Amsterdam werkt aan Toegankelijkheid’. Deze laat zien hoeveel er op de verschillende beleidsterreinen in onze stad gebeurt. We zien gelukkig dat er voortgang wordt geboekt, dat de Amsterdamse Lokale Inclusie Agenda als uitgangspunt voor de rapportage is genomen en dat er een schema met doelen en acties in is opgenomen. Ook daarvoor onze waardering. De ratificatie van het VN-verdrag Handicap vraagt niet alleen inzet van het stadsbestuur en de gemeentelijke organisatie binnen formele kaders, maar betekent vooral dat mensen met een beperking net als ieder ander moeten kunnen meedoen in de stad. In het verkeer, het park, de winkel, de sportclub of met een buurtactiviteit. In de beleving van Amsterdammers met een beperking is de voortgang op het gebied van inclusie nog onvoldoende, zo blijkt uit onze inventarisatie. We doen daarom een oproep aan het gemeentebestuur om actief het principe ‘iedereen doet mee’ uit te dragen. Richting maatschappelijke partners en aan bestuurstafels, maar zeker ook naar alle Amsterdammers op straat, in de winkel, in het verkeer, in de zorg voor elkaar: naar elkaar omzien, even een handje helpen, een luisterend oor.
Op het gebied van de Wmo geldt dat zelfredzaamheid geen toverwoord is en niet hetzelfde is als meebeslissen. We moeten daarom opletten dat er niet een te grote verantwoordelijkheid bij het informele netwerk van mensen komt te liggen. De Coronacrisis drukt een enorm stempel op de Amsterdamse samenleving en dwingt u als bestuur om moeilijke keuzes te maken en te bezuinigen. In dat licht zijn we blij dat u niet van plan bent te bezuinigen op de coalitiemiddelen voor toegankelijkheid. Wel vragen we u dringend om nogmaals zorgvuldig te kijken naar de besparingsopties op de zorg. Als de drempels om goede zorg te krijgen hoger worden, heeft dit immers negatieve effecten op de gelijke mogelijkheden voor iedereen om mee te doen. In deze reactie beperken we ons tot de speerpunten van de Inclusie Agenda en de resultaten op het gebied van ‘Wonen’, en uw reactie daarop. Op ambtelijk niveau zijn we reeds in gesprek over de verschillende
1/5
onderwerpen die zijn opgenomen in de voortgangsrapportage. Over de speerpunten in het bijzonder zouden we graag in gesprek gaan en blijven met de verantwoordelijke wethouders. Speerpunt 1: Handhaving van de regelgeving rondom toegankelijkheid en inclusie We begrijpen dat de beheer- en handhavingscapaciteit beperkt is en daarom informatie-gestuurd werkt. Daarover merken we het volgende op en doen we graag een aantal suggesties: • Het doen van een melding of klacht kan eenvoudiger en beter toegankelijk worden gemaakt, vooral voor specifieke doelgroepen. Het levert veel meer op als het beter inzichtelijk wordt gemaakt hoe dat werkt, zoals in het voorgestelde webinar Mora Melding. • Bewustwording en gedragsbeïnvloeding bij verkeersdeelnemers zijn belangrijke succesfactoren om ‘iedereen doet mee’ in het verkeer en de publieke ruimte daadwerkelijk de norm te doen worden. Daarvoor kunnen de beschikbare handhavingsmiddelen worden gebruikt, zoals de € 380,- boete voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats. • We gaan ervan uit dat er ook binnen een informatie-gestuurde aanpak prioriteiten kunnen worden gesteld; daarin denken we graag mee. Ten aanzien van de (handhaving van) bouwregelgeving moeten we helaas constateren dat het Bouwbesluit ontoereikend is om goede toegankelijkheid van gebouwen te garanderen en zijn de bovenwettelijke mogelijkheden beperkt.
We spreken onze waardering ervoor uit dat de gemeente Amsterdam en de VNG zich inzetten voor een goede ‘NEN-norm toegankelijkheid’ en we kunnen grotendeels achter de andere maatregelen en actiepunten staan. In contracten en aanbestedingen kan en moet ook de fysieke toegankelijkheid van locaties en voorzieningen (met een publieksfunctie) goed in de kwaliteitseisen worden opgenomen, ook in het sociale domein (zie ook Wmo). Graag verkennen we met de gemeente de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt om toegankelijkheid beter te verankeren. Speerpunt 2: Inclusieve mobiliteit; het OV Over inclusieve mobiliteit kunnen we veel zeggen. We constateren dat alle betrokken partijen voor toegankelijk openbaar vervoer zijn. De afspraken en inspanningen om het Openbaar Vervoer inclusief te maken, vinden wij daarentegen tot nu toe te vrijblijvend. Een paar voorbeelden: • Er is al enkele jaren toegezegd dat er een Technisch Programma van Eisen voor toegankelijke ‘combi-haltes’ zou komen. Dat PvE ligt er nog steeds niet, terwijl er voor bijvoorbeeld ‘IJburg fase 2’ wel haltes moeten worden ontworpen. De keuze voor de 15G tram met een hogere vloer, andere configuratie van draaistellen en deuren heeft dit technisch moeilijke vraagstuk nog ingewikkelder gemaakt. • Zowel bij het OV als het Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) is de inbreng van ervaringskennis onvoldoende geborgd.
De kennis over toegankelijkheids- en comfortaspecten wordt door de opdrachtgever te veel aan de vervoerders overgelaten. Gevolg hiervan is bijvoorbeeld dat de 15G tram zoals die nu is besteld en goedgekeurd, minder goed toegankelijk is dan de Combino. En waarvan de rolstoelplank niet toegankelijk is voor rolstoelgebruikers. Ook bij het AOV zijn gebruikers niet betrokken bij de aanschaf van nieuw materieel. Dit leidt noodgedwongen tot aanpassingen achteraf, negatieve publiciteit en (voortdurende) klachten en zorgen bij gebruikers. • In de afwegingen om haltes toegankelijk te maken, wordt het bereikbaarheidsaspect niet of onvoldoende betrokken. Er wordt kennelijk geen afstandscriterium meer gehanteerd. De meest recente voorbeelden zijn de opheffing van de halte ‘Jan Pieter Heijestraat’ in de Kinkerstraat en de verplaatsing van de halte ‘Ten Katestraat’. De loopafstand en looproute naar de haltes, de moeite
2/5
•
die overstappen kost, nodigen ouderen en mensen met een beperking niet uit om meer van het OV gebruik te maken. Bovendien hebben zij minder alternatieven en mogelijk heeft dit tot een toeloop op het AOV heeft geleid (zie ook speerpunt 5). Een groot zorgpunt is de bereikbaarheid voor het AOV als gevolg van het autoluw maken van steeds grotere delen van de stad. Het heet niet voor niets ‘Van kamer tot kamer -’ en ‘Van deur tot deurvoervoer’. Er bestaat onduidelijkheid over beleid, handhaving en stadsbrede afspraken en oplossingen, met als gevolg anti-inrijpaaltjes of ongewenst autoverkeer.
Zoals bij u bekend is, betreuren we het dat er bezuinigingsopties op het AOV naar buiten zijn gebracht zònder dat de achterliggende visie voor het sociaal vervoer al openbaar is. Wel zijn we aangenaam verrast door het bericht dat de Vervoerregio Amsterdam de komende 5 jaar ook fors wil investeren in inclusieve mobiliteit. We spreken het vertrouwen uit dat ook de bovengenoemde pijnpunten daarbij voortvarend en in samenhang worden aangepakt. Speerpunt 3: Sociale bewustwording en inclusie Het realiseren van een inclusieve stad hangt niet alleen af van het regelen van formelen zaken. Het is in belangrijke mate ook afhankelijk van de stadscultuur die (uit)gedragen wordt. Wat enorm zou kunnen helpen is als het College het principe ‘iedereen doet mee’ een prominentere plek op zijn agenda en in de (communicatie)uitingen zou geven. Het gaat daarbij niet alleen om de communicatie met de Amsterdammers, maar zeker ook met de partners in de zorg, huisvesting, cultuur- en horecasector en aan bestuurstafels. Er gebeurt veel, maar het mag wel een ‘tandje meer’, zeker in de onzekere tijden waarin wij ons nu bevinden. Speerpunt 4: De inclusie van ervaringsdeskundigheid Er is een hoge intrinsieke motivatie bij de vele vrijwilligers die hun ervaringskennis inzetten. We zijn blij met de erkenning van het belang ervan en staan achter alle activiteiten en actiepunten van de gemeente op dat terrein.
In het fysieke domein is de positie van de ingebrachte kennis echter te vrijblijvend of is er sprake van een ongelijk speelveld. Daarbij denken we aan de opvolging van de in schouwen geconstateerde verbeterpunten voor de Noord-Zuidlijn, 15G tram, diverse tram- en bushaltes, of de discussies over het behoud van veilige voetgangersoversteekplaatsen in de Centrale Verkeerscommissie. Op dit punt kan en moet dus nog voortgang worden geboekt. Speerpunt 5: Inclusieve mobiliteit; looproutes door de stad We zijn blij dat het College dit speerpunt herkent en erkent. Wij zien ook dat dit ‘beleid in ontwikkeling’ is. Het beleidskader ‘Ruimte voor de voetganger’ is een goede stap vooruit, maar in onze optiek nog onvoldoende consistent – door bijvoorbeeld obstakels in looproutes, onvoldoende consequent waar het gaat om uitstallingen- en terrassenbeleid, en nog niet compleet op het gebied van toegankelijke en veilige voetgangersoversteekplaatsen. Dit laatste geldt ook voor het programma ‘Autoluw’: een snelheidslimiet van 30km p/u maakt de stad niet meteen toegankelijker en veiliger, want in een 30km p/u regime worden zebrapaden bij uitzondering toegepast. We zien nu al dat zebrapaden worden opgeheven, de oversteek over de trambaan wordt ‘afgekruist’ en verkeerslichten worden verwijderd. Hierdoor is oversteken voor blinden en slechtzienden bijna onmogelijk.
De kennelijk gewenste doorstroming van het OV zet dit nog verder onder druk. Daarnaast wordt vaak toegegeven aan het schijnveiligheidsargument dat ‘fietsers toch niet stoppen, haal dus het zebrapad maar weg’. Wij dringen er op aan om dit als gemeente in 2021 aan te pakken, in samenhang met het uitvoeringsprogramma inclusieve mobiliteit waaraan de Vervoerregio werkt.
3/5
Speerpunt 6: Inclusief onderwijs We onderschrijven en steunen de reactie die het Jeugdplatform Amsterdam over dit speerpunt heeft opgesteld. Speerpunt 7: Meer toegankelijke toiletten Goed dat dit speerpunt ook de aandacht van de gemeenteraad heeft en de Rekenkamer hier onderzoek naar gedaan heeft. We vinden het zinvol om eerst alternatieven te zoeken, voordat er in ‘losstaande’ openbare toiletvoorzieningen geïnvesteerd wordt. Daarbij kan worden gedacht aan afspraken met de horeca, maar bijvoorbeeld ook met woon-zorgcentra. Aanvullend op de treinstations zouden ook OVknooppunten toegankelijke toiletvoorzieningen moeten krijgen. De oorspronkelijke ondergrondse metrostations hadden nota bene ooit toegankelijke toiletten en dat zou passen in het uitvoeringsplan Inclusieve Mobiliteit van de Vervoerregio. Graag zien we ook oplossingen voor de parken, waar kennelijk een beheerprobleem speelt, en voor toegankelijke toiletvoorzieningen bij grote evenementen. Meer bekendheid geven aan de (semiopenbare) toiletvoorzieningen juichen we toe en daar werken we graag aan mee. Speerpunt 8: Toegankelijkheid van Wmo-voorzieningen De toegang tot Wmo-ondersteuning wordt op een aantal manieren bemoeilijkt en vertraagd, want de gemeente heeft voor ambulante ondersteuning en dagbesteding budgetplafonds ingesteld.
Het gevolg hiervan is dat er wachtlijsten zijn en mensen die ondersteuning nodig hebben, zich zonder ondersteuning moeten redden. Dit heeft nadelige effecten voor het functioneren van deze Amsterdammers en het vergroot de druk op hun mantelzorgers en familieleden. Ook voor de Hulp bij het huishouden wordt nu een budgetplafond ingesteld en zijn er wachtlijsten. Voor Hulp bij het huishouden blijkt de invoering van het vaste abonnementstarief en de afschaffing van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage een toename van de vraag te veroorzaken. Wij zijn voorstander van een rechtvaardige systematiek voor de eigen bijdrage, met als doel een optimale toegankelijkheid van de zorg, het tegengaan van zorgmijding én een financieel houdbaar systeem. Wij steunen de lobby van de gemeente om compensatie van het rijk te krijgen voor de toegenomen vraag. Mogelijk is ook een landelijke beleidsaanpassing nodig, die gerichter aansluit bij de verschillen in het besteedbaar inkomen. Vertraging bij toegang tot Wmo-ondersteuning en voorzieningen Een ander knelpunt in de toegang tot zorg zijn de wachttijden bij het Indicatieadviesbureau Amsterdam, die de afgelopen jaren met tussenpozen verder zijn opgelopen. De consequentie is ook hier dat mensen die zorg aanvragen, zich langer zonder ondersteuning moeten redden.
Omdat de vertraging bij het Indicatieadviesbureau van structurele aard is, pleiten we voor betere randvoorwaarden voor het uitvoeren van de indicatiefunctie. De komst van de buurteams is niet voldoende om deze problemen op te lossen: het Indicatieadviesbureau is immers verantwoordelijk voor zowel de aanvragen van hulpmiddelen en woningaanpassingen, als voor aanvragen voor ondersteuning die met een Persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en onafhankelijk advies bij bezwaarprocedures. Voor al deze taken is toereikende capaciteit nodig. Ook de fysieke toegankelijkheid van de locaties waarop het Indicatieadviesbureau werkt, moet goed verankerd worden in de kwaliteitseisen. Bij aanbestedingen moet dit een standaardeis zijn die de gemeente stelt (zie ook speerpunt 1).
4/5
Speerpunt 9: Toegankelijke Informatievoorziening Het is goed te constateren dat er stelselmatig wordt gewerkt aan het verbeteren van de informatievoorziening richting Amsterdammers in een kwetsbare positie. Op specifieke gebieden zijn zeker nog verbeteringen mogelijk en nodig. We vragen vooral aandacht voor het goed en actief informeren van Amsterdammers met een beperking en/of zorgvraag, niet alleen over Coronamaatregelen, maar ook over (het doen van aanspraak op) de beschikbare voorzieningen. Speerpunt 10: Sociale inclusie (vrije tijd) Zie onze reactie op speerpunt 3. Resultaten, plannen en ambities; 2.1 Wonen De gemeente laat blijken met haar beleid zich bewust te zijn van het belang om gericht beleid te hebben voor de verschillende groepen mensen in een kwetsbare positie. Bijvoorbeeld via programma’s voor het huisvesten van kwetsbare groepen, voor rolstoelwoningen en ouderenhuisvesting en het verwerven van de ‘Blokhuismiddelen voor MO/BW’. Positief zijn de bestaande regels voor het bepalen van de urgentie bij de toewijzing van een woning en toezeggingen over de aantallen aangepaste woningen. De handhaving van deze regels is voor ons echter reden tot bezorgdheid. Ook zouden wij meer duidelijkheid willen zien in de wijze van handhaving en meer inzicht krijgen in het totaal aantal beschikbare woningen voor kwetsbare groepen.
Uit de praktijk weten we dat woningen waar rolstoelgebruikers vertrekken, vervolgens worden verbouwd tot 'gewone' woningen die verkocht of verhuurd worden voor een hogere prijs. De ‘all inclusive’ ambitie die door gemeente is onderschreven, dient nog verder geconcretiseerd te worden en in projectplannen vertaald. Naast het aangaan van duidelijke afspraken met de betrokken partijen in het veld over de realisatie van de lopende programma’s, zouden wij ook graag zien dat de gemeente proactief het contact zou zoeken met innovatieve aannemers om bijvoorbeeld meer ‘aged fiendly’ huisvesting te realiseren uit leegstaand vastgoed. Ook op het gebied van huisvesting zouden wij graag zien dat ervaringsdeskundigen meer zouden worden betrokken bij het hele realisatieproces van woningen. Van ontwerp - omdat het slimmer kan - tot aan oplevering, omdat ook uit de praktijk blijkt dat van plannen wordt afgeweken. Daarnaast heeft de bouwinspectie te weinig mensen om voldoende controle uit te oefenen of ontbreekt er aan bewustzijn over toegankelijkheid. Bovenal, de eindgebruiker is degene die het beste kan aangeven welke keuzes en oplossingen passend zijn voor de eigen situatie. Namens ons allen bedank ik u voor de mogelijkheid om op de conceptrapportage te reageren. Uiteraard zijn wij graag bereid om het bovenstaande nader toe te lichten.
Hoogachtend,
Deborah Lauria Directeur-bestuurder
5/5