CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Woonboten Oostenburgervaart_Toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 24 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart. (ZD2021-001872)11.328 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d. 17 juni 2011, stbl 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) In de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) zijn in de artikelen 20-22 regels opgenomen ten aanzien van enkele UNESCO werelderfgoederen, waaronder De Stelling van Amsterdam. Het gebiedVuurtoreneiland bij de IJdoornpolder in bij Durgerdam maakt deel uit van deze Stelling. Dit vloeit voort uit de verplichting in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), artikel 2.13.4, ten aanzien van enkele Unesco Werelderfgoederen. De PRV bepaalt dat in het bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)

blz. 31

bestemmingsplan regels dienen te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van deze erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De Verordening geeft daarnaast regels voor mogelijke ontwikkelingen aan in deze gebieden. De PRV geldt niet ten aanzien van het UNESCO-werelderfgoed De Grachtengordel van Amsterdam. De bescherming van de Amsterdamse Grachtengordel is namelijk al geregeld op basis van de Erfgoedwet en de Monumentenwet. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten.

In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek.

Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een

Gemeente Amsterdam

blz. 32

omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Cultuurhistorie beleid Amsterdam Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden” (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening).

Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Bij cultuurhistorische waarden (bovengronds) gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of -gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. 5.2.2

Plangebied

Het plangebied van het bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart bestaat uitsluitend uit de bestaande woonbootrakken in de Oostenburgervaart. Er zijn daarom geen gebouwen aanwezig met een cultuurhistorische waarde. Daarnaast worden met het bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart geen bouwmogelijkheden toegevoegd, noch worden bodemwerkzaamheden uitgevoerd. Het is daarom niet noodzakelijk archeologisch onderzoek uit te voeren ten behoeve van dit plan. Om te zorgen dat archeologische waarden in het gebied zijn geborgd is in het bestemmingsplan de regeling uit het moederplan Stadswerf Oostenburg opgenomen ten aanzien van de archeologische bescherming. Ter plaatse van het plangebied geldt de regeling 'Waarde - Archeologie D'. Met deze regeling worden eisen gesteld ten aanzien van de bescherming van archeologische waarden, mits de werkzaamheden meer dan 500 m² oppervlakte en dieper dan de baggerdiepte bedragen. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)

blz. 33

5.3

Natuurbescherming

5.3.1

Kader

Wet natuurbescherming Voor de bescherming van diersoorten is per 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 98, Flora en faunawet en Boswet geïntegreerd tot één wet. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten. Indien uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vergunning. Naast wettelijke regelgeving zijn er een aantal beleidskaders (die ten doel hebben de biodiversiteit te behouden en bijzondere soorten te beschermen. Het gaat bijvoorbeeld om landelijk- en provinciaals beleid zoals de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de vertaalslag daarvan op Amsterdams niveau. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 (2011) zijn de Ecologische structuur en Hoofdgroenstructuur voor Amsterdam vastgesteld. Het plangebied ligt volledig buiten de hoofdgroenstructuur. 5.3.2

Plangebied

Het plangebied is niet gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur van Amsterdam. Daarnaast wordt met het bestemmingsplan geen nieuwe bouwwerken of activiteiten mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een planologische wijziging van de maatvoering van woonboten. Om deze reden is het niet nodig een natuurtoets uit te voeren. Ten noorden van Amsterdam liggen voor stikstof gevoelige natuurgebieden. Het bestemmingsplan maakt echter geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, waardoor de toename van stikstofdepositie kan worden uitgesloten. Conclusie Natuur en de bescherming daarvan vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 34

bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)

blz. 35

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

De bestemmingen

Artikel 3 Water De Bestemming Water is de enige enkelbestemming toegekend aan de gronden behorende bij het plangebied. Het plangebied bestaat dan ook uitsluitend uit de woonbootrakken in de Oostenburgervaart. Deze gronden zijn o.a. bestemd voor waterstaatkundige doeleinden en waterwegen. Binnen de bestemming is het mogelijk een drijvend bouwwerk op te richten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen'. Daarnaast is het mogelijk om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten in de vorm van plankieren en toegangsvoorzieningen ten behoeve van woonboten. Artikel 4 Waarde - Archeologie D Het gehele plangebied kent de dubbelbestemming Waarde - Archeologie D. Met de dubbelbestemming

Gemeente Amsterdam

blz. 36

worden ter bescherming van mogelijke archeologische waarden restricties opgelegd aan de hoofdbestemming. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, dan wel het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is vereist indien de grenswaarde ten aanzien van oppervlakte en/of diepte wordt overschreden. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen indien blijkt dat archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 5 Waarde - Landschap Ter plaatse van deze dubbelbestemming is het wenselijk dat waardevolle doorzichten op en van het water in stand worden gehouden. De regeling in artikel 5 waarborgd de bescherming of het herstel van deze doorzichten. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze standaardbepaling is bedoeld om te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt. Artikel 7 Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksverboden, waaronder in ieder geval het gebruik van bebouwing of gronden ten behoeve van opslag van materialen en het gebruik van panden als souvenirwinkel en dergelijke. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Vlak buiten het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation aanwezig.

De veiligheidszone, waarbinnen geen (beperkt) gevoelige objecten mogen worden gebouwd, maakt onderdeel uit van het plangebied. Deze veiligheidszone is door middel van een aanduiding opgenomen in het bestemmingsplan. Artikel 9 Overgangsrecht Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor hoe de overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik in bestemmingsplannen dienen te luiden. Kort samengevat zijn hieronder de belangrijkste punten vermeld. Voor bouwwerken die aanwezig zijn op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan of die nog gebouwd kunnen worden op basis van een bouwvergunning en die afwijken van het bestemmingsplan geldt, dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd. De overgangsbepalingen voor bouwwerken bevat een calamiteitenregeling en een regeling op grond waarvan het bevoegd gezag eenmalig kan afwijken voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk dat onder de overgangsbepalingen valt met maximaal 10%. De overgangsregels voor het gebruik bepalen dat het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, mag worden voortgezet. Het met het bestemmingsplan strijdige gebruik mag niet worden veranderd in een ander strijdig gebruik, tenzij daardoor de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Indien het strijdige gebruik langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten. De overgangsbepalingen zijn niet van toepassing op bestaande bouwwerken die zijn gebouwd zonder

bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)

blz. 37

vergunning en bestaand gebruik in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 10 Slotregel Deze regeling bevat de titel onder welke het plan aangehaald kan worden.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)

blz. 39

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het bestemmingsplan maakt geen bouwplan in de zin van afdeling 6.4 van de Wro mogelijk, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet is vereist.Extern is een planschaderisicoanalyse opgesteld. De gemeente kan het risico dat uit de analyse naar voren komt dragen. Het plan is economisch uitvoerbaar.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

bestemmingsplan_Woonboten Oostenburgervaart (vastgesteld)

blz. 41

Hoofdstuk 8 8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voortraject

De gemeenteraad heeft op 18 december 2019 het Voorbereidingsbesluit Woonboten Oostenburgervaart vastgesteld. Met dit voorbereidingsbesluit heeft de raad kenbaar gemaakt dat een bestemmingsplan wordt voorbereid en moeten omgevingsvergunningaanvragen worden aangehouden totdat het nieuwe bestemmingsplan Woonboten Oostenburgervaart in werking is getreden, mits binnen een jaar na vaststelling van het voorbereidingsbesluit het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.

8.2

Inspraak

Ingevolge de Algemene Inspraakverordening van de gemeente Amsterdam hoeft geen inspraak te worden verleend. Het bestemmingsplan zal volgens de wettelijke procedure worden voorbereid. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd met de mogelijkheid voor een ieder om gedurende zes weken een zienswijze naar voren te brengen. De ingebrachte zienswijzen worden betrokken bij de verdere besluitvorming. Hierna zal het plan ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad.

8.3

Vooroverleg

Het plan is in het kader van het vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan verzonder aan Waternet. Waternet heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het ontwerpbestemmingsplan. Naar het oordeel van burgemeester en wethouders is verder geen sprake van gemeenten, diensten van de provincieen en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Het overleg kan dan ook achterwege blijven.

8.4

Zienwijzen

Van 17 december 2020 heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage. Gedurende deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend. Er is 1 zienswijze ingediend. In de bijgevoegde Nota van beantwoording is deze zienswijze samengevat en beantwoord. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9876740/1