CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Tuindorp Oostzaan II_Toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 12 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingplan ‘Tuindorp Oostzaan II’ (VN2024-005647)28.470 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Veel afstemming is al georganiseerd, dat is niet het geval op de schaal van de ‘agglomeratie’: het aaneengesloten gebied dat bestaat uit Zaanstad, Diemen, Ouder-Amstel, Amstelveen en Amsterdam, terwijl daar veel overlap ligt. Hier wordt nauwere samenwerking onderzocht. 3.4.2

Hoofdgroenstructuur

Sinds de introductie in het structuurplan van 2003 wordt de Hoofdgroenstructuur als planologisch-juridisch instrument ingezet om het waardevolle stedelijke groen binnen de stadsgrenzen van Amsterdam te behouden en te versterken. Met de vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad is de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangen. Hierop werden twee uitzonderingen gemaakt: de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen zijn in de Structuurvisie en van kracht blijven tot vervangend beleid is vastgesteld. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011 is de benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam minimaal wil borgen vastgelegd als de Hoofdgroenstructuur. Het groen in en om de stad draagt immers in hoge mate bij aan de kwaliteit van de Amsterdamse woon- en werkomgeving. Het is één van de redenen waarom Amsterdam populair is als vestigingsplaats. De Hoofdgroenstructuur omvat de gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool, omdat zij een onmisbare functie vervullen voor groene recreatie, verbetering leefklimaat, waterhuishouding, hittedemping, verbetering luchtkwaliteit, biodiversiteit en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn belangrijke aspecten.

Plannen in de Hoofdgroenstructuur vragen daarom om een afgewogen oordeel; ingrepen in de Hoofdgroenstructuur worden op hun inpasbaarheid beoordeeld. Om te beoordelen of een initiatief of plan een verbetering van de groenfunctie betekent, wordt gebruik gemaakt van de adviezen van een onafhankelijke toetscommissie (Technisch Adviescommissie Hoofdgroenstructuur, TAC). De TAC toetst plannen van de stad die aan het bevoegd gezag ter besluitvorming of ter advisering worden voorgelegd aan de beleidsregels voor de Hoofdgroenstructuur en adviseert het bevoegd gezag, wanneer zij dit nodig acht. Het college van burgemeester en wethouders kan, met instemming van de gemeenteraad, een negatief advies van de TAC naast zich neerliggen en besluiten dat er zwaarderwegende argumenten zijn om toch ruimte te bieden aan een functie die volgens het beleid en TAC advies niet inpasbaar zijn.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

Afbeelding: Sportpark Tuindorp Oostzaan als onderdeel van de Hoofdgroenstructuur, groentype 'sportpark ' Op de kaart van de Hoofdgroenstructuur zijn de verschillende groentypen weergegeven. In de structuurvisie zijn de beoordelingscriteria opgenomen, per groentype wordt aangegeven welke ingrepen wel en niet zijn toegestaan. De verschillende groentypen zijn: curiosa, corridor, ruigtegebied of struinnatuur, stadsrandpolder, stadspark, begraafplaats, volkstuinpark of schoolwerktuin en sportpark. Een klein deel van het plangebied is onderdeel van de Hoofdgroenstructuur. Het gaat om de sportvoorzieningen van Sportpark Tuindorp Oostzaan, aangeduid als groentype 'sportpark'. Het bebouwings- en verhardingspercentage volgens het gemeentelijk structuurvisiebeleid bedraagt op zowel stedelijke als groene sportparken maximaal circa 15% van de totale oppervlakte van het betreffende sportpark. Voor sportparken waar op het moment van vaststelling van de Structuurvisie al een hoger percentage voor bebouwing/verharding is én voor topsportparken (vastgesteld en vast te stellen in toekomstige Sportnota's) geldt een percentage van 20%. Kunstgras en verharding ten behoeve van sportuitoefening vallen niet onder de verhardingsnorm en zijn toegestaan. Parkeerfaciliteiten (inclusief gewapend gras) vallen wel onder de verhardingsnorm.

Verder zijn evenementen die aansluiten bij de mogelijkheden, het karakter, de omvang en de opzet van het sportpark (bijvoorbeeld sportevenementen en manifestaties) toegestaan.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 43

Afbeelding: beleidsintentie voor groentype 'Sportpark', uit Structuurvisie Amsterdam 2040 De aanwezige bebouwing in Sportpark Tuindorp Oostzaan bestrijkt ongeveer 1,7% van het sportpark (ca. 1100 m2). De totaal aanwezige verharding bestrijkt ongeveer 11% van het sportpark. In het bestemmingsplan, dat voor advies is voorgelegd aan de TAC, heeft het sportpark de bestemming Sport gekregen. In de sportbestemming wordt uitgegaan van behoud van de bestaande situatie en groenvoorzieningen. De TAC heeft geadviseerd om het aanbrengen van nieuwe verhardingen in het sportpark te koppelen aan een omgevingsvergunningplicht. Dit is overgenomen in de planregeling. De groene functie voor het sportpark is geborgd middels een verbod op het aanbrengen van nieuwe oppervlakteverhardingen. Een samenvatting van de overlegreactie van de TAC en beantwoording daarvan is terug te lezen in Bijlage 7 Nota van inspraak en overleg. Voorliggend bestemmingsplan is in overeenstemming met het gemeentelijke hoofdgroenstructuurbeleid. 3.4.3 stad'

Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: 'sterke winkelgebieden in een groeiende

In navolging van het regionaal detailhandelsbeleid en onder andere de 'Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch sterk en duurzaam' en het 'Amsterdams Ondernemers Programma 2015-2018', is nieuw gemeentelijk detailhandelsbeleid opgesteld. Actueel beleid voor detailhandel is nodig voor het maken of updaten van bestemmingsplannen. Het Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: 'sterke winkelgebieden in een groeiende stad', dat op 20 december 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld, geldt voor de periode 2018-2022 en dient mede ter vervanging van eerder vastgesteld detailhandelsbeleid op stadsdeelniveau, dat is komen te vervallen. Met het nieuwe beleid wordt ingespeeld op het veranderde consumentengedrag, waardoor er minder behoefte aan winkels is, en de tegelijkertijd plaatsvindende groei van het aantal inwoners en bezoekers. Het nieuwe detailhandelsbeleid houdt rekening met diverse nieuwe ontwikkelingen in het consumentengedrag en het winkelaanbod. Algemene doelstellingen en uitgangspunten

Gemeente Amsterdam

blz. 44

Amsterdam wil een aantrekkelijke stad zijn voor zowel bewoners als bezoekers en heeft twee hoofddoelstellingen voor de detailhandel. Boodschappen dichtbij voor bewoners: met dit beleid wil Amsterdam in de eerste plaats dat bewoners op redelijke afstand van de woning (750 meter loopafstand) dagelijkse boodschappen kunnen doen. Meerdere aantrek kelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad: Amsterdam heeft als ambitie om meerdere aantrekkelijke winkelgebieden te hebben. Het betreft hier het echte 'winkelen' voor producten die je niet elke dag koopt. Voor de verschillende in het beleid onderscheiden typen winkelgebieden gelden in heel Amsterdam algemene uitgangspunten. Een van de belangrijkste daarvan is dat het winkelaanbod in Amsterdam geclusterd wordt in winkelgebieden en dat nieuwe losstaande winkelvestigingen in beginsel zijn uitgesloten. Gebiedsgerichte koers detailhandel Amsterdam is in het beleid onderverdeeld in drie zones: de kernzone, centrumzone en stadszone. Deze verschillen in het al aanwezige winkelaanbod, de stedenbouwkundige structuur en het verzorgingsgebied. Het plangebied ligt in de stadszone. De stadszone is een gebied met veel gezichten: hier doemen de grootste problemen op met leegstand en verloedering. Tegelijkertijd staat het dynamische gebied aan een vooravond van grootse ontwikkelingen met nieuwe woongebieden en verbeterde verbindingen.

Het is zaak zowel voor de problemen als kansen ogen te hebben. Voor het aanbod van dagelijkse boodschappen kiezen we ervoor de structuur van kansrijke wijkcentra, de wat grotere winkelgebieden, te versterken.

Afbeelding: de drie zones in Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: 'sterke winkelgebieden in een groeiende stad' De huidige structuur in Amsterdam Noord kenmerkt zich door een grotendeels planmatige

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 45

winkelstructuur met buurt- en wijkwinkelgebieden. Voor de dagelijkse boodschappen functioneren nieuwere en/of grotere winkelcentra met voldoende aanbod en omvang voldoende tot goed. Deze boodschappencentra zijn dan ook de kansrijkere gebieden met het oog op huidige trends en te verwachten doorzetting ervan in de toekomst. Oudere en kleinere winkelgebieden, maar ook sommige aanloopstraten, hebben een afnemende concurrentiekracht. In sommige gebieden is leegstand of een tamelijk eenzijdig aanbod ontstaan (onder meer door kopieergedrag van ondernemers). Aandachtspunten zijn vernieuwing in het productaanbod, de inrichting en uitstraling van bedrijfspanden en markten, de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte, beschikbaarheid van geschikte bedrijfspanden, een digitale en logistieke infrastructuur die meebeweegt met veranderende behoeften en regelgeving die vernieuwing faciliteert. Het Zonneplein en het Mercuriusplein zijn aangewezen als kleinere wijkwinkelcentra. In het voorliggende bestemmingsplan is het detailhandelsbeleid vertaald door de bestaande detailhandel te bestemmen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan. 3.4.4

Overnachtingsbeleid

De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 13 juli 2016 de "herziening van het Amsterdamse deel van de Regionale hotelstrategie 2016-2022: van hotelbeleid naar overnachtingsbeleid" vastgesteld (gemeenteblad afdeling 1, nr. 868). Dit beleid is per 1 januari 2017 in werking getreden en geldt voor het hele grondgebied van gemeente Amsterdam. Amsterdam gaat van een hotelbeleid naar een overnachtingsbeleid. Vraag en aanbod van alle overnachtingsvormen in de Amsterdamse regio worden hierbij als één geheel gezien, waarbij er zeer beperkt ruimte blijft voor nieuwe hotelinitiatieven, ook in het centrum. Voor de overige overnachtingsvormen wordt het aanbod verder gereguleerd. Vanwege het verband tussen de verschillende overnachtingsvormen blijft Amsterdam zeer beperkt ruimte bieden aan hotelontwikkeling. De toetsing wordt nog strenger. Medewerking wordt alleen gegeven als hotelinitiatieven écht iets toevoegen aan de markt en aan de omgeving. Concepten worden getoetst op kwaliteit, innovatief karakter, duurzaamheid en verbinding met de buurt. Daartoe wordt de hotelladder verscherpt en objectiever gemaakt. De gemeente zet in op concepten die op innovatieve manier nieuwe verbindingen maken, die innovaties doorvoeren in doelgroepen of in ontwerp of programma.

Daarnaast zet de gemeente in op hotelontwikkelingen die een bijzondere bijdrage leveren aan het vestigingsklimaat van (internationale) bedrijven, zoals appartementenhotels. De gemeente Amsterdam verleent geen medewerking aan nieuwe hotels in een groot deel van de stad. In een beperkt deel van de stad is het uitgangspunt 'nee, tenzij…' Aan de hand van een stappenplan beoordeelt de gemeente of een nieuw initiatief op medewerking kan rekenen. Voor het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wordt niet uitgegaan van de realisatie van hotels. Dit past in het beleid van de gemeente om verdere hotelontwikkeling in principe niet toe te staan. 3.4.5

Beleidsnotitie short stay

Shortstay is de verhuur van vrije-sectorhuurwoningen voor een korte periode (minimaal 7 nachten). Het Amsterdamse shortstaybeleid is erop gericht om voldoende woningen te bieden aan (voornamelijk buitenlandse) werknemers en Amsterdam zo aantrekkelijk te houden als vestigingslocatie voor bedrijven. Naar aanleiding van de evaluatie van het Shortstaybeleid in 2013 is er de beleidsnotitie Shortstay 2014 vastgesteld. Op basis daarvan worden geen nieuwe vergunningen meer verleend. Reeds verleende vergunningen lopen door op basis van de bestaande voorwaarden. Het aantal shortstay-appartementen

Gemeente Amsterdam

blz. 46

was op 1 januari 2014 ongeveer 800. Hiermee is het streefgetal uit 2009 bereikt. In dit bestemmingsplan wordt om die reden geen short stay mogelijk gemaakt. 3.4.6

Horecabeleidsplan

Het horecabeleidsplan stadsdeel Amsterdam Noord 2007-2015 "voor elk wat wils" is in 2007 vastgesteld. Dit beleid is na het vervallen van de stadsdeelraden bekrachtigd in afwachting van een nieuw stedelijk horecabeleid. Tuindorp Oostzaan is in het beleid aangeduid als 'bestaande woonbuurten'. In bestaande woonbuurten wordt gestreefd naar behoud van het huidige aantal horecabedrijven. Bij geconstateerde hinder, overlast of aantasting van de openbare orde wordt in overleg met alle betrokkenen naar een oplossing gezocht en wordt er gehandhaafd. Dit betekent niet dat nieuwe initiatieven in bestaande woonbuurten geen kans krijgen. Horeca kan in een buurt immers een bindende functie hebben en sociale cohesie bevorderen. Waar de komende jaren perspectiefvolle buurt- en wijkwinkelcentra worden (her)ontwikkeld, wordt gestreefd naar een gelijktijdige herontwikkeling van het horeca-aanbod. Uitgangspunt daarbij is de vernieuwing van bestaande horeca en waar nodig de vestiging van één of enkele in de buurt en de wijkverzorging passende nieuwe horecabedrijven. Uiteraard wordt in die gevallen nagegaan of een verruiming van het horeca-aanbod in het betreffende winkelcentrum wenselijk is. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de bestaande horecavestigingen met de bijbehorende horecacategorie bestemd.

Bij nieuwe initiatieven zal per geval worden nagegaan of de uitbreiding van het horeca-aanbod wenselijk is en kan er indien gewenst middels een omgevingsvergunning worden meegewerkt. Deze regeling past binnen de beschreven kaders van het beleid. 3.4.7

Woonagenda 2025

Voor welke uitdagingen staat Amsterdam tot 2025 op het terrein van wonen? De Woonagenda 2025 geeft hier antwoord op. De Woonagenda 2025 is een kaderstellend, richtinggevend en praktisch document voor het woonbeleid tot 2025. Op 19 juli 2017 is de Woonagenda 2025 vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. In de Woonagenda staat beschreven hoe het Amsterdamse college wil blijven investeren in een stad waar voldoende woningen zijn voor alle Amsterdammers, de woningen duurzaam en van goede kwaliteit zijn en betaalbaar voor de Amsterdammers die erin wonen of gaan wonen. De Woonagenda zet in op voldoende, betaalbare en goede woningen in 2025 en brengt in kaart waar de huidige woningmarkt te kort schiet, wat er nu reeds aan gedaan wordt en welke aanvullende acties nodig zijn. Er zijn 25 acties geformuleerd. Voor het uitgangspunt 'voldoende woningen' is de ambitie om de woningvoorraad en woningbehoefte in 2025 beter op elkaar te laten aansluiten. De meest in het oog springende actie is het nieuwe stedelijke uitgangspunt voor de woningbouwprogrammering: 40% gereguleerde huur (sociale huur), 40% middeldure en 20% dure huur en koop. Er zijn spelregels opgesteld om de programmering van 40-40-20 op een goede wijze toe te passen in projecten.

Als de woningvoorraad hierdoor beter aansluit bij de woningbehoefte, is het belangrijk dat deze woningen ook bewoond worden door de huishoudens die hierop zijn aangewezen. Het voorliggende plan gaat uit van het bestaande woningareaal

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 47

3.4.8

Beleidskader Verkeersnetten

In het Beleidskader Verkeersnetten, vastgesteld door de Gemeenteraad op 24 januari 2018, wordt beschreven waar de verschillende verkeersnetten liggen, welke doelen ze dienen en aan welke eisen en toetskwaliteiten ze ten minste moeten voldoen. In het beleidskader is de indeling van de straten en pleinen naar Plusnetten, Hoofdnetten en Basisnetten voor voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto vastgelegd. Het beleidskader is geen investeringsprogramma, maar dient vanuit de regierol van de gemeente als basis voor investeringen, herinrichtingsplannen en andere maatregelen om de doorstroming van verkeer te verbeteren. Verbetering in de doorstroming leidt over het algemeen ook tot een verbetering van de luchtkwaliteit. In het voorliggende bestemmingsplan wordt het bestaande wegennetwerk conserverend bestemd. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Beleidskader Verkeersnetten opgesteld. 3.4.9

Welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam' (2016)

In 2013 zijn vijftien stadsdeelnota's vervangen door één welstandsnota die geldt voor de hele stad: De Schoonheid van Amsterdam. De nota, die in 2016 is geactualiseerd, besteedt aandacht aan duurzaam (ver)bouwen en aan gevelreclame. De welstandsnota zorgt ervoor dat iedereen die in Amsterdam iets wil bouwen duidelijkheid heeft over de wijze waarop de gemeente de schoonheid van Amsterdam wil behouden en bevorderen. Een opsteller van een bouwplan moet erin kunnen vinden welke eisen op welke plek worden gesteld. De commissie moet op basis van de beschrijvingen en criteria een onderbouwd advies kunnen geven over de plannen. In de welstandsnota zijn de ruimtelijke systemen (gebieden met gelijksoortige bebouwing, zoals de 19de-eeuwse ring, de gordel '20-'40 of de naoorlogse wijken in Nieuw-West en Buitenveldert) de uitgangspunt voor beleid in plaats van stadsdeelgrenzen. De nota maakt een scherp onderscheid tussen drie soorten criteria: concrete standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen en ingrepen aan de bestaande bebouwing, relatieve en meer abstract geformuleerde criteria die toegespitst zijn op grotere en meer ingrijpende plannen en planafhankelijke criteria voor gebieden die in transformatie zijn. Per ruimtelijk systeem zijn een beschrijving, de waardering en de uitgangspunten voor beleid opgenomen.

Deze ingrediënten maken de criteria die bij de beoordeling worden toegepast en ook de beoordeling zelf inzichtelijk. Aan de welstandsnota is een kaart met welstandsniveaus toegevoegd. Die geeft de ambities per gebied weer. Het welstandsniveau is bepalend voor de mate van inspanning en kwaliteit die van een ontwerp wordt verwacht: een plan dat in een gebied met eenvoudig welstandsniveau goed genoeg is, zal in een gebied met bijzonder niveau mogelijk niet eens met de hakken over de sloot komen. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende welstandsniveaus: Beschermd niveau: gereserveerd voor monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Bijzonder (sterk) niveau: voor gebieden met groot belang voor het aanzien van de stad (19de eeuwse ring, gordel 20-40, Tuindorpen, delen van het AUP). Gewoon niveau: gericht op praktisch beheer van de gangbare kwaliteit van een gebied. Eenvoudig (licht) niveau: voor gebieden waar de ambities beperkt zijn en het welstandsbeleid vooral gericht is op het voorkomen van incidenten. Geen preventieve toetsing: hierbij worden plannen niet vooraf getoetst. Wel is het morgelijk om tegen excessen achteraf op te treden. Welstandsvrij: geen welstandstoets, ook niet achteraf.

De kaarten (raadpleegbaar via http://amsterdam.welstandinbeeld.nl/kaart) vormen het handvat voor de Commissie voor Welstand en Monumenten bij de beoordeling van renovatie of vernieuwing. Voor het plangebied geldt een beschermd, bijzonder en gewoon welstandsniveau. Gemeente Amsterdam

blz. 48

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 49

Hoofdstuk 4

Het ruimtelijk kader

Het bestemmingsplan Tuindorp Oostzaan II is hoofdzakelijk een conserverend bestemmingsplan. Uitgangspunt daarbij is datgene positief te bestemmen wat onherroepelijk is vergund en voor het overige de bestaande situatie vast te leggen. Bovendien is het uitgangspunt het behoud en versterken van de cultuurhistorische waarden in het kader van de status van rijksbeschermd stadsgezicht.

4.1

Ruimtelijk-functionele aspecten

Uitgangspunt in voorliggend bestemmingsplan is het behouden van de bestaande functionele hoofdstructuur van de buurt, die hoofdzakelijk bestaat uit woonstraten en enkele straten met voornamelijk economische en maatschappelijke functies. Hieronder worden per functie in het plangebied de belangrijkste uitgangspunten samengevat. Wonen Vrijwel alle woningen in het plangebied hebben de bestemming Wonen gekregen, met uitzondering van de woningen boven niet-woonfuncties. Deze vallen onder de bestemming Gemengd - 1. Het plangebied heeft het karakter van een woonwijk met in hoofdzaak eengezinswoningen in twee of drie bouwlagen. In Terrasdorp en Het Hogeland komt op enkele plaatsen ook gestapelde bouw voor. De maximale bouwen goothoogte is op de verbeelding aangegeven. Bij het Ananasplein bevindt zich langs de Pomonastraat, in de eerste bouwlaag, een steunpunt van Cordaan (Pomonastraat 18A), een wasserette (Pomonastraat 18B) en daarnaast een Chinees restaurant (Pomonastraat 22). Deze functies hebben de bestemming Gemengd - 1 gekregen. Garages zoals garageboxen langs de Schutterweg, de Sinaasappelstraat en aan de Schutterweg 1 alwaar inpandig parkeren is gerealiseerd, zijn toegestaan middels een specifieke aanduiding op de verbeelding. Tuinen De voortuinen in het plangebied hebben de bestemming Tuin - 1 gekregen.

Op enkele plaatsen in Terrasdorp (Tomatenstraat, Notenstraat, Citroenenstraat en Rozijnenstraat) zijn bergingen in voortuinen gerealiseerd. In een aantal voortuinen in Het Hogeland (Krasseurstraat) is parkeren, waaronder carports, toegestaan. De achtertuinen vallen binnen de bestemming Tuin - 2 en Tuin - 3. Bestaande bijgebouwen (bergingen) zijn met een aanduiding 'bijgebouwen' op de verbeelding aangegeven. Dit is in ieder geval gebeurd voor de gebieden die zijn aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht (Tuin-2). De bouw van extra bijgebouwen is daarmee in die tuinen niet toegestaan. In de bestemming Tuin-3 zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van het vergunningvrij realiseren van bijbehorende bouwwerken (uitbouwen en bergingen). Cultuurhistorie De gebieden die zijn aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht hebben een beschermende regeling gekregen. In paragraafen 4.2 wordt nader ingegaan op het rijksbeschermd stadsgezicht en de verwerking daarvan in het bestemmingsplan. Detailhandel Conform het beleid van de gemeente Amsterdam is het detailhandelsbeleid erop gericht om de structuur van bestaande wijkwinkelcentra te versterken, omdat deze de meeste overlevingskansen hebben. In het plangebied zijn twee (kleine) wijkwinkelcentra aanwezig, het Zonneplein en het Mercuriusplein, waaraan

Gemeente Amsterdam

blz. 50

het leeuwendeel van de aanwezige winkels in het plangebied zijn gegroepeerd. Aan de pleinen bevindt zich een verscheidenheid aan winkels (dierenwinkel, traiteur, kledingwinkel, sportartikelenwinkel, graveur, fietsenmaker, bakkerij, slagerij, groente- en fruitwinkel, tabakswinkel en een winkel voor printen drukwerk), waarbij overigens sprake is van een continue doorloop. Daarnaast bevinden zich verspreid over het plangebied verschillende detailhandelvestigingen: slagerij, Meteorenweg 262 avondwinkel, Nieuwe Maanstraat 2 tabakspeciaalzaak / afhaalpunt PostNL, Nieuwe Maanstraat 7-9 winkel in modeaccessoires, Meteorenweg 127-129 kringloopwinkel, Nageljongenstraat 150 Het gaat hier om locaties waarin reeds gemengde functies mogelijk zijn, zodat deze tevens voor verschillende publieksgerichte commerciële en maatschappelijke doeleinden gebruikt kunnen worden. In het bestemmingsplan is dit vertaald door bovengenoemde gebieden te bestemmen als Gemengd - 1 en Gemengd - 2. Horeca De horeca in het plangebied is hoofdzakelijk gevestigd nabij de pleinen. Het gaat om de volgende locaties: restaurant, Zonneplein 2, 4 en 6 snackbar, Meteorenweg 248 restaurant, Pomonastraat 22 eetcafé/restaurant, Nieuwe Maanstraat 1-1b, 3 en 5 Voor de winkelstraten zoals het Zonneplein geldt als uitgangspunt dat horeca alleen op de bestaande locaties wordt toegestaan.

Om die reden is in dit bestemmingsplan de horeca op de bestaande locatie vastgelegd met daaraan gekoppeld de bijbehorende horecacategorie. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor de woongebieden waar het toevoegen van horeca vanwege het te beschermen woon- en leefklimaat niet zonder meer gewenst is. Conform het horecabeleid is in het bestemmingsplan de volgende horeca indeling aangehouden: horeca van categorie 1: fastfood (snackbar, automatiek loketverkoop, fastfoodrestaurant en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven); horeca vaFn categorie 2: nachtzaak (dancing, discotheek, sociëteit, zaalaccommodatie, nachtcafé, zalenverhuur en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven); horeca van categorie 3: café (café, bar, eetcafé en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven); horeca van categorie 4: restaurant (restaurant, koffie- en theehuis, lunchroom, juicebar, ijssalon en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven); horeca van categorie 5: hotel (hotel, motel, jeugdherberg en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven). In het plangebied bevindt zich horeca van de categorieën 1, 3 en 4 en zijn deze in de bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2, Maatschappelijk en Wonen toegestaan in de eerste bouwlaag. Dit is met een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Voor het plangebied wordt verwacht dat er behoefte aan meer en andere horeca ontstaat.

Met name op monumentale pleinen (Zonneplein/ Mercuriusplein) kan hier meer ruimte aan worden geven. Op dit moment zijn er geen concrete initiatieven, dus wordt er in dit bestemmingsplan geen extra horeca opgenomen. Als zich een initiatief voor zelfstandige horeca aandient, kan een aparte planologische procedure doorlopen worden via een omgevingsvergunning. Wel wordt in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt om een beperkt gedeelte van een winkel te gebruiken voor ondergeschikte horeca (maximaal 20% tot een maximum van 20 m2 bvo). Dit mag geen

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 51

zelfstandige horeca betreffen, de horecavoorziening moet onderdeel zijn van de winkel. Ondergeschikte horeca in maatschappelijke voorzieningen als verzorgingstehuizen en verpleeghuizen wordt ook toegestaan. Maatschappelijke voorzieningen In het plangebied is een groot aantal maatschappelijke voorzieningen aanwezig, zoals basisscholen, kinderdagverblijven en een gezondheidscentrum (Medisch Centrum Tuindorp Oostzaan). Welzijns- en medische voorzieningen in tuindorp Oostzaan zijn onder meer de ouderenwoningen aan de Watermanstraat (woonzorgcomplex Evean Twiskehuis), een podotherapiepraktijk, fysiotherapiepraktijk, huisartsenpraktijk en een organisatie voor jeugdzorg. In het Medisch Centrum Tuindorp Oostzaan aan de Meteorensingel zijn voorts diverse medische praktijken en een apotheek gevestigd. Deze hebben de bestemming Maatschappelijk gekregen. Bij de bestemming van de maatschappelijke voorzieningen is uitgegaan van de bestaande situatie. Bedrijven In het plangebied is een aantal dienstverlenende bedrijven (en kantoren) gevestigd. Verder zijn er verdeeld over de wijk, en vaak als onderdeel van de bestemming wonen, kleine advieskantoortjes gevestigd (zijnde praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten). Sport Het sportpark Tuindorp-Oostzaan, dat onderdeel is van de Hoofdgroenstructuur, heeft de bestemming Sport gekregen.

Het sportpark is openbaar toegankelijk als deze niet in gebruik is door voetbalvereniging S.V. De Meteoor en honkbalvereniging Amsterdam North Stars. Groenvoorzieningen De groenstroken, parken en plantsoenen die van belang zijn voor de groenstructuur van het plangebied hebben de bestemming Groen gekregen. Hetzelfde geldt voor pleinen met relatief veel groenvoorzieningen (Plejadenplein, Planetenplein, Kleine Zonneplein, Sterrenplein, Neptunusplein, Polluxplein, Castorplein en Aldebaranplein). Water De bestemming Water is toegekend aan de waterlopen zoals Oostertocht en Westertocht. De watergangen zijn daarmee in hoofdzaak bestemd voor water en waterstaatkundige werken zoals beschoeiingen en vlonders, steigers, bruggen en duikers. Verkeer De hoofdontsluiting van de tuindorpen wordt gevormd door de Meteorenweg, de Kometensingel en de Werktuigstraat. Buurtstraten zijn over het algemeen ingericht als 30 kilometer-zone. Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is het handhaven van de bestaande verkeersstructuur. De openbare ruimte in het plangebied, zijnde buurtstraten en doorgaande wegen, heeft de bestemming Verkeer - 1 gekregen. Pleinen met relatief weinig groenvoorzieningen, zoals het Zonneplein en Ananasplein, zijn bestemd als Verkeer - 2. Binnen deze bestemming zijn autoverkeer en parkeerplaatsen niet toegestaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 52

4.2

Rijksbeschermd stadsgezicht

4.2.1

Aanwijzing als rijksbeschermd stadsgezicht

Een groot gedeelte van het bestemmingsplangebied Tuindorp Oostzaan is in 2014 aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. Voor aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten geldt dat de gemeente verplicht is om een beschermend bestemmingsplan op te stellen. Het voorliggende bestemmingsplan heeft onder meer als doel om de in de waardestelling beschreven waardevolle elementen te beschermen. In de toelichting bij het aanwijzingsbesluit betreffende de aanwijzing als rijksbeschermd stadsgezicht worden de te beschermen waarden per deelgebied beschreven. In aanvulling daarop is ten behoeve van dit bestemmingsplan door de afdeling Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam een cultuurhistorische verkenning gemaakt, waarin nader ingegaan wordt op het beschermd stadsgezicht en de te beschermen waarden. Hieronder volgt een samenvatting van de Cultuurhistorische verkenning (zie Bijlage 2 Cultuurhistorische verkenning, Monumenten en Archeologie d.d. januari 2020, C 16-066 Amsterdam 2020). Achtereenvolgens zullen de volgende onderwerpen de revue passeren: de pre-stedelijke bebouwing van het plangebied, het fenomeen 'tuindorpen in Amsterdam', waarna wordt ingezoomd op de ontwikkelingsgeschiedenis, de stedenbouwkundige structuur, het bebouwingskarakter en de inrichting van het groen en de openbare ruimte van het rijksbeschermde stadsgezicht tuindorp Oostzaan (paragraaf 4.2.2).

Voorts worden de te beschermen cultuurhistorische waarden van Tuindorp Oostzaan als rijksbeschermd stadsgezicht, zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit, op een rij gezet (paragraaf 4.2.3). Tot slot wordt uiteengezet hoe deze te beschermen waarden worden vertaald naar het bestemmingsplan (paragraaf 4.2.4).

Afbeelding: rijksbeschermd stadsgezicht in Amsterdam Noord, blauw omlijnd

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 53

4.2.2

Historisch stedenbouwkundige analyse

Prestedelijke bebouwing Het bestemmingsplangebied Tuindorp Oostzaan ligt aan de zuidkant van de prestedelijke Oostzanerdijk. Om de ontginning van veen mogelijk te maken, werden in de Middeleeuwen dijken opgeworpen, die de bevolking van Waterland tegen het omringende water moest beschermen. De dijken vormen samen de lange Waterlandse Zeedijk. De bewoning aan de Oostzanerdijk kreeg in de tweede helft van de negentiende eeuw een impuls met de aanleg van het Noordzeekanaal en daarmee de aanleg van de Noorder IJpolder VIII. In de polder vestigden in 1919 scheepsbouw gerelateerde bedrijven, onder andere de NSM-werf (de latere NDSM-werf) met in het kielzog diverse andere bedrijven. Tussen de werven en de Oostzanerdijk werd Tuindorp Oostzaan gebouwd met voornamelijk arbeiderswoningen voor de scheepswerven. De structuur van de Oostzanerdijk wordt bepaald door de lintbebouwing van dijkwoningen langs een licht verspringende rooilijn. De bebouwing dateert voornamelijk van eind negentiende of begin twintigste eeuw en bestaat uit vrijstaande of korte rijtjes dijkwoningen. De naoorlogse bebouwing is aangepast qua maat, schaal en kleurgebruik. Ook hebben verscheidene bedrijven hun loodsen aan de dijk. In het westelijk deel van de dijk is er ook bebouwing aan de buitendijkse voet van de dijk. Hier grijpen de Oostzanerdijk- en tuindorpbebouwing in elkaar.

Tuindorpen in Amsterdam De tuindorpen in Amsterdam Noord zijn geworteld in de idealistische opvattingen die in de negentiende eeuw in de West-Europese industriesteden ontstonden in reactie op de sociale en hygiënische misstanden in die tijd. Dat leidde in Nederland onder meer tot een sterkere overheidsbemoeienis met woningbouw voor arbeiders en de inwerkingtreding van de Woningwet in 1901, een tot dan toe ongekend fenomeen. Gestreefd werd naar gunstige woonomstandigheden voor de ‘gewone’ arbeider: woningen tegen een lage huur, met goede plattegronden, voldoende privacy en hygiëne. In Nederland omarmden sociaal democratische kringen het tuindorp-concept met laagbouwwoningen en tuinen. Noord was een geschikte locatie omdat de gronden hier relatief goedkoop verkregen waren. De realisatie ervan verliep aanvankelijk moeizaam. Zeker omdat er geen eenduidige opvatting heerste of en in welke mate de overheid zich over woningbouw moesten ontfermen. Door de gemeentes Rotterdam en Amsterdam werden daarom enkele zogenaamde ‘semi-permanente dorpen’ gebouwd als tussenoplossing. De eerste sociale woningbouw na WOI was de Van der Pekbuurt (ca. 1918-1926). Daarna volgden de Vogelbuurt (1920-1930), Tuindorp Oostzaan (in twee fases 1921-1924 en 1935-1938), de Bloemenbuurt (1928- 1931), Tuindorp Nieuwendam (1927-1930) en Tuindorp Buiksloot (1930-1932).

De nieuwe woonbuurten kregen allerlei voorzieningen, zoals scholen, politieposten, verenigingsgebouwen, een openbare leeszaal, badhuizen en, apart, de Noorderbegraafplaats. In de opeenvolgende tuindorpen in Noord is een duidelijke ontwikkeling te zien. Aanvankelijk verliep de bouw van deze buurten enigszins ongeleid. De eerste wijken hebben een vrij compacte, stedelijke structuur van gesloten bouwblokken, met een duidelijke scheiding tussen de openbare en privé-ruimte. Gaandeweg wordt er meer gezocht naar het realiseren van een groenere en intiemere wijk. De overgangen tussen de openbare en privé ruimten lopen subtiel in elkaar over, bouwblokken worden opengeknipt tot korte stroken en het zicht op de (semi)privé binnenterreinen speelt nadrukkelijk mee in het totale concept. Aan de samenhang tussen stedenbouwkundige opzet, aanplanting, inrichting van de openbare ruimte en architectonische vormgeving binnen één wijk wordt steeds meer aandacht besteed. Zo zijn dorpse, romantische wijken met relatief veel details bewerkstelligd. Hiermee is eerst geëxperimenteerd in de nooddorpen Disteldorp en Vogeldorp, daarna wordt het volledig gerealiseerd in de tuindorpen Oostzaan en Nieuwendam. De tuindorpen in Noord zijn een typisch fenomeen voor Amsterdam vanwege de goedkope bouwgronden.

Gemeente Amsterdam

blz. 54

Afbeelding: Tuindorpen in Amsterdam Noord, met linksboven Tuindorp Oostzaan. Uitsnede kaart Dienst Publieke Werken, 1922 Tuindorp Oostzaan Tuindorp Oostzaan maakt onderdeel uit van de reeks bovengenoemde tuindorpen die in de eerste helft van de 20e eeuw tot stand kwam, ook wel de '20-40-gordel' van Noord genoemd. Tuindorp Oostzaan ligt ten zuidwesten van de lintbebouwing aan de Oostzanerdijk, en wordt rondom omsloten door de Kometensingel. Dit laag gelegen gedeelte is volledig omdijkt, en tijdens de inpoldering van 1872 enkele tientallen jaren gebruikt als baggerbergplaats voor slib uit de Amsterdamse grachten en vaarten.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 55

Afbeelding: situatietekening oudste deel van Tuindorp Oostzaan op prentbriefkaart, ca. 1920 Ontstaan en ontwikkeling De Gemeentelijke Woningdienst (GWD) kreeg in 1919 de opdracht tot de bouw van 1.000 semi-permanente, kleine woningen, vooral bestemd als huisvesting voor de arbeiders van de nabij gelegen Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij (NSM). Tuindorp Oostzaan is in 1921-1924 gerealiseerd naar het stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp van Berend Boeyinga en Jakoba Mulder van de GWD. Omstreeks 1934 werd de zuidwestelijke strook, tussen de Meteorenweg en de Oostensloot, naar stedenbouwkundig ontwerp van C. van Eesteren toegevoegd. Met deze uitbreiding had men al bij het eerste plan rekening gehouden. De architectonische uitwerking was van de architecten Peters en Mulder. De bouw werd voltooid in 1938. Het tuindorp vormde een enclave op 5 kilometer afstand van het Centraal Station. De verbinding met de stad bestond in de eerste decennia in feite alleen uit een gemeentelijke tramboot tussen het station en het Cornelis Douweskanaal-West. De route over land was een praktische omweg.

Huidig ruimtelijk karakter Stedenbouwkundige structuur Tuindorp Oostzaan heeft een hiërarchisch-geometrische en symmetrische structuur van brede hoofdstraten (Zonneweg, Orionstraat, Maanstraat), smallere dwarsstraten die als kleine zichtassen fungeren, korte binnenstraten, een centraal plein en enkele kleinere pleinen. Opvallend is dat niet één straat schuin is of gebogen. De kleine bouwblokken zijn op de koppen geopend of opengeknipt. Hierdoor zijn doorzichten mogelijk naar de binnentuinen, en is er ruimte voor een klein plantsoen op de hoek van de straat. De plaatsing van de bouwblokken, de open hoeken, de verspringende rooilijnen en de U-vormige hofjes is zeer zorgvuldig gedaan. Het gevolg is een stelsel van openbare ruimten binnen de open bebouwingsstructuur, die enerzijds een samenhangend geheel vormen en anderzijds een eigen mate van beslotenheid en verschillend karakter hebben. De eerste fase van Tuindorp Oostzaan kan in twee delen worden onderscheiden, elk aan weerszijden van het Plejadenplein. Het in 1922 voltooide zuidoostelijke deel heeft als centrum het Zonneplein (met gemeenschapshuis het Zonnehuis) met regelmatig hier omheen gegroepeerd een aantal kleinere pleinen. De Zonneweg en Orionstraat vormen een kruis, dat de basisstructuur van de buurt vormt. In deze twee straten zijn belangrijke zichtlijnen geconstrueerd die dwars door de buurt lopen.

De zichtlijnen worden op bijzondere wijze beëindigd door scholen of brengen een visuele relatie met de landelijke omgeving van het tuindorp tot stand. Voor de overige straten geldt dat de zichtassen korter zijn en bijvoorbeeld besloten worden door U-vormige hofjes. Het noordwestelijke deel heeft in de structuur een ‘verborgen’ as langs de lijn, die het Mercuriusplein en het Neptunusplein doorsnijdt. Aan weerszijden daarvan zijn de blokken grotendeels symmetrisch verkaveld. Binnen deze sobere opzet is een aantal pleinruimtes gecreëerd, zowel langs de buitenrand aan de Oostertocht als te midden van de woonblokken. De eerste uitbreiding van Tuindorp Oostzaan is de zuidwestelijke strook uit de jaren dertig, met bebouwing aan weerszijden van de Vegastraat. De uitbreiding heeft een strakke, en in vergelijking met het oudere deel van het tuindorp, sobere stedenbouwkundige structuur met strokenbouw. De lange rijenhuizen worden afgewisseld met korte blokjes woningen, winkelwoningen en groene plantsoenen. Langs de Kometensingel wordt de strakke structuur onderbroken door een halfopen hof met bejaardenwoningen. Het complex neemt een bijzondere plaats in binnen het tuindorp als afwijkend stedenbouwkundig ensemble, met de verhoogde aanleg, het plantsoen, beeldhouwwerken en bijzondere voorzieningen als bankjes.

Gemeente Amsterdam

blz. 56

De randen geven het tuindorp een bijzondere toegevoegde waarde. De eeuwenoude Oostzanerdijk vormt een visueel herkenbaar pre-stedelijk element en biedt uitzicht op het markante dakenlandschap (rode en zwarte pannengedekte mansarde-, wolf- en schildkappen) van het tuindorp. De zuidoostelijke kant is door de combinatie van bebouwing, water en groen en het aanwezige niveauverschil schilderachtig. Bijzonder fraai zijn hier de speelplaats op de plek van het voormalige openluchttheater, het fietspad dat door een hegje van de sloot wordt gescheiden, de driehoekige groene ruimten aan het eind van de Kometensingel en de Kleine en Grote Beerstraat, alsmede de opgang naar het naoorlogse sportcomplex in de buurt van de aanlegplaats van de vroegere gemeentelijk tramboot. Ter afscheiding van de zuidwestelijke strook van het oude tuindorp, langs de Kometensingel, loopt een groene watersingel met een smalle parkstructuur tegen de IJ-dijk (Cornelis Douwesweg). De woningen in het tuindorp werden na gereedkomen toebedeeld aan grote gezinnen. Samen met de naoorlogse babyboom leidde dat tot een grotere behoefte aan scholen dan aanvankelijk voorzien. In de naoorlogse jaren zijn aan het Plejadenplein de Bethelkerk (1958) en een schoolgebouw (1966) toegevoegd.

Het kerkgebouw is het belangrijkste en een integraal onderdeel van het ensemble waartoe ook de toegangstrap, klokkentoren, speelplaats (speelvijver- en weide, 1965), pergola, rijwielberging en kosterwoning met garage behoren. Het gebouw met klokkentoren fungeert als wand voor het plein en de trappen als tribune voor de speelplaats. Ook op enkele andere plekken in Tuindorp Oostzaan zijn openbare gebouwen van later datum gerealiseerd. Tussen de Oostzanerdijk en de Kometensingel, nabij de Sacramentskerk, is in 2008 een rijtje twee-onder-een-kapwoningen gebouwd.

Afbeelding: boven het oudere deel van Tuindorp Oostzaan, met linksboven het Plejadenplein, en onder de lange rijenhuizen, 1938

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 57

Afbeelding: de zichtlijnen worden op bijzondere wijze beëindigd door scholen. Op de linker foto de Orionstraat, met zicht op de Meteorenschool, 1924. Rechts de speelplaats en speelweide aan de Vegastraat, op de hoek met de Nieuwe Maanstraat, jaren vijftig

Afbeelding: de Oostzanerdijk (hier ter hoogte van de Centaurusstraat, 1932) biedt uitzicht op het markante dakenlandschap van het tuindorp en rechts de zuidoostelijke rand van het tuindorp, met een schoolgebouw, een groene open ruimte en het fietspad dat door een hegje begeleid wordt Bebouwingskarakter Het oudste deel van Tuindorp Oostzaan bevatte 1.320 eengezins- en enkele middenstandswoningen, een dokterswoning, winkels, een leeszaal, badhuis, scholen en een centraal gelegen verenigingsgebouw. De architectuur is over het algemeen sober, met een sterke horizontale belijning, en is nauw verwant met landelijke bebouwing. De woningen zijn niet onderheid, maar gebouwd op betonnen platen. Twee basistypen komen in de woningbouw het meeste voor. Het ene type bestaat uit korte blokken van circa zes woningen van één bouwlaag onder een bewoonbare, met rode pannen gedekte, mansarde- of wolfkap. Het andere type heeft twee bouwlagen onder een met zwarte pannen gedekt schilddak, in langere blokken. Net als in de nooddorpen Vogel- en Disteldorp en in Tuindorp Nieuwendam heeft Boeyinga ook hier poortwoningen gesitueerd op verschillende hoofdassen. De bijzondere gebouwtypen, zoals de villa-achtige woningen en scholen, hebben een architectonisch rijkere uitstraling ten opzichte van de woningbouw.

Het nieuwere deel van het tuindorp kenmerkt zich door lange stroken met rijtjeshuizen, opgetrokken uit baksteen, onder een zadeldak en met elementen als erkers en stenen muurtjes naast de voordeur. De bescheiden schuren zijn meeontworpen en ook zorgvuldig gepositioneerd. Het ensemble bejaardenwoningen van een bouwlaag onder een kap aan de Kometensingel is in een brede U-vorm aan drie zijden rond een plantsoen gebouwd.

Gemeente Amsterdam

blz. 58

Afbeelding: de twee basistypen in de woningbouw; de ene met rode pannen en twee bouwlagen inclusief kap; de andere met zwarte pannen en drie bouwlagen inclusief kap

Afbeelding: Zonneweg, met zicht op poortgebouw, 1925 en anno 2017 toegeëigende openbare ruimte (voormalige stoep) met schuttingen die zichtlijnen blokkeren Groen en openbare ruimte De relatie tussen stedenbouwkundige structuur en bebouwing is doorgezet in de inrichting van de openbare ruimte en de groenaanleg. De groenaanleg speelt een belangrijke plaats in het beoogde landelijke karakter van het dorp. Het groene en intieme karakter daarvan is een wezenlijk onderdeel van de planopzet. Alle woningen zijn voorzien van een voor- en een achtertuin, geheel volgens de formule van het tuindorp. De overgang tussen de openbare en privé ruimten loopt subtiel in elkaar over door onder meer de doorzichten op de (semi)privé binnenterreinen, mogelijk vanwege de geopende of opengeknipte bouwblokken. De onbebouwde hoeken van de straten bieden ruimte aan een klein plantsoen en boomaanplant. In de woonstraten staan nu niet meer overal bomen, maar van oorsprong stonden die in een uitgekiend ritme in voortuinen. Zonder die bomen heeft het straatbeeld een minder groen karakter gekregen. Bij de aanleg was de voortuinafscheiding eenduidig, met eenvoudige lage heggen en hekwerken. Omdat bewoners gaandeweg een veelheid aan erfafscheidingen hebben neergezet en de tuinen ook vaak hebben betegeld, heeft ook dat het rustige, groene karakter in de straten verminderd.

De inrichting van de privé-voortuinen is uiteraard beeldbepalend voor het straatbeeld. Oorspronkelijk bestond de straatbekleding uit klinkers voor de rijweg en waarschijnlijk vierkante tegels voor de trottoirs, wat tot een rustig en bescheiden straatbeeld leidde. Tegenwoordig is dit rommeliger, omdat het materiaalgebruik meer divers is. Het kenmerkende straatprofiel met de smalle stoepen is nog wel vrijwel intact. Ook in de strook uit de jaren dertig, ontworpen door Van Eesteren, vormt het groen een belangrijk

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 59

stedenbouwkundig element. Enkele rechthoekige groenplantsoenen waren onderdeel van het ontwerp. De woningen zijn voorzien van een voor- en een achtertuin. Het complex bejaardenwoningen wijkt af van de orthogonale structuur met het plantsoen in U-vorm. Aan de achterzijde is er een strook grond ingericht als collectief gazon, dat toegankelijk is via twee poorten in de hoeken van de U-vorm en via stegen vanaf de Vegastraat.

Afbeelding: de overgang tussen de openbare en privé ruimten loopt subtiel in elkaar over door de doorzichten op de (semi)privé binnenterreinen, en die mogelijk zijn vanwege de geopende of opengeknipte bouwblokken; links de Orionstraat

Afbeelding: op de hoek van de straat is ruimte voor een klein plantsoen

Afbeelding: regelmatig is het openbare karakter en de aaneenschakeling van privé en openbare ruimte Gemeente Amsterdam

blz. 60

verloren gegaan, omdat de zichtlijnen zijn dichtgezet; bijvoorbeeld schuttingen en geprivatiseerde openbare ruimte of te hoog opgeschoten groen 4.2.3

Betekenisvolle structuren, elementen en bebouwing

Het tuindorp Oostzaan maakt deel uit van het van rijkswege beschermde stadsgezicht Amsterdam Noord vanwege de belangrijke stedenbouwkundige, architectonische en cultuurhistorische betekenis. Door de doordachte stedenbouwkundige opzet en daarmee samenhangende uitwerking van de architectuur en openbare ruimte met meeontworpen groenaanleg zijn bijzondere woonwijken met herkenbare buurtjes gerealiseerd. De besloten zichtlijnen, bijzondere doorzichten, kleinschalige bakstenen bebouwing, oranje dakpannen daken en de toonaangevende aanwezigheid van groene ruimtes is de relatie van het tuindorp met de pre-stedelijke bebouwing sterk. Het plangebied grenst aan het historische gegroeide, prestedelijke bewoningslint aan de Oostzanerdijk. De bijzondere stedenbouwkundige, architectonische en cultuurhistorische waarden zijn op nationaal niveau erkend met de aanwijzing tot rijks beschermd stadsgezicht. Om die reden is het van belang om bij planontwikkeling rekening te houden met de bijzondere ruimtelijke karakteristieken. Nadere typering te beschermen waarden Tuindorp Oostzaan a. De nog gave stedenbouwkundige structuur, die bepaald wordt door een hiërarchisch geometrische structuur aan de hand waarvan de verschillende stedelijke ruimtes zijn gegroepeerd. b. De samenhang tussen het tuindorp en de historische (landschappelijke) elementen zoals de waterlopen en dijkdorp Oostzaan. c.

De samenhang tussen de stedenbouwkundige opzet, de architectonische uitwerking en de inrichting van de openbare ruimte. d. De uitgebalanceerde verhoudingen tussen openbare, semi-openbare en privé-ruimtes, die in combinatie met de open structuur in belangrijke mate bijdragen aan het gemeenschappelijke karakter. e. De bebouwingskarakteristieken die in de woongebiedjes worden gekenmerkt door bakstenen laagbouw met wolf- en zadeldaken en waarvan ritmische accenten zijn aangewend in de vorm van entreepartijen, dakkapellen, en de afwisseling tussen de nokken haaks op en evenwijdig aan de straat. f. De verschillende zichtlijnen die op bijzondere wijze visueel besloten worden, bijvoorbeeld door middel van bijzondere gebouwen of U-vormige hofjes.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 61

Afbeelding: waarderingskaart uit de Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Amsterdam Noord (2014) Cultuurhistorische verkenning De ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten en structuur van het tuindorp zijn beschreven in de Cultuurhistorische verkenning van Monumenten en Archeologie (zie Bijlage 2 Cultuurhistorische verkenning, Monumenten en Archeologie d.d. januari 2020, C 16-066 Amsterdam 2020) en verder in de paragrafen 4.2.2 en 10.3. Het daklandschap bestaande uit samenhangende kapvormen neemt binnen de ruimtelijke kwaliteit een bijzondere plaats in. In de cultuurhistorische verkenning van het gebied is aanvullende aandacht besteed aan de waarde van het dakenlandschap: in heel het tuindorp is sprake van een uitgekiende oriëntatie van bouwblokken, kappen, dakkapellen en poorten die alle onlosmakelijk verbonden zijn met de stedenbouwkundige opzet en die ervoor zorgen dat met beperkte middelen een gevarieerd ruimtelijk beeld is gecreëerd. De eeuwenoude Oostzanerdijk vormt een visueel herkenbaar pre-stedelijk element en biedt uitzicht op het markante dakenlandschap (rode en zwarte pannengedekte mansarde-, wolf- en schildkappen) van het tuindorp. De architectuur in het oudste deel van tuindorp Oostzaan is over het algemeen sober, met een sterke horizontale belijning, en is nauw verwant met landelijke bebouwing.

Twee basistypen komen in de woningbouw het meeste voor. Het ene type bestaat uit korte blokken van circa zes woningen van één bouwlaag onder een bewoonbare, met rode pannen gedekte, mansarde- of wolfkap. Het andere type heeft twee bouwlagen onder een met zwarte pannen gedekt schilddak, in langere blokken. Het nieuwere deel van het tuindorp kenmerkt zich door lange stroken met rijtjeshuizen, opgetrokken uit baksteen, onder een zadeldak en met elementen als erkers en stenen muurtjes naast de voordeur. Afhankelijk van de vraag of het om een bewoonbare kaplaag gaat, zijn er dakkapellen geplaatst die passen bij het architectonische beeld en het beoogde krachtige daklandschap, een onderdeel dat zowel in de vormgeving van het straatbeeld in de Amsterdamse Schoolperiode in het algemeen als in de tuindorpen veel aandacht kreeg. In het laatste geval om de link met het landelijke bebouwingskarakter te leggen. Bij een aantal blokken zijn deze onbewoonbare kappen later voorzien van een opgebouwde dakkapel. Aangezien het tot voor kort in het tuindorp geheel om corporatiebezit ging, zijn dat soort ingrepen in samenhang uitgevoerd.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

4.2.4

Vertaling in bestemmingsplan

Een belangrijk uitgangspunt van dit bestemmingsplan is het verwerken van de aanwijzing in 2014 van tuindorp Oostzaan als rijksbeschermd stadsgezicht in de planregeling. Een groot deel van het plangebied valt binnen het beschermd stadsgezicht. Het is van belang om in het bestemmingsplan rekening te houden met de bijzondere ruimtelijke karakteristieken. De aanwijzing als beschermd stadsgezicht is daarom vertaald in het bestemmingsplan door een beschermende regeling op te nemen. Voor het gehele als rijksbeschermd stadsgezicht aangewezen gebied is een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen (artikel 18 Waarde - Cultuurhistorie), waarin een koppeling is gemaakt met de te beschermen waarden uit het aanwijzingsbesluit. Door de directe koppeling in de bouwregels van de dubbelbestemming met de te beschermen waarden uit het aanwijzingsbesluit, zijn de gronden aldus mede bestemd voor het behoud, herstel en versterking van de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden. Door Monumenten en Archeologie van gemeente Amsterdam zijn nog enkele voorstellen voor de planregeling aangedragen. Hieronder volgt een uiteenzetting van de gemaakte keuzes in het bestemmingpslan.

Stedenbouwkundige structuur Om de ruimtelijke waarden te kunnen behouden, is het van belang dat de bestaande zichtlijnen tussen en achter de bouwblokken open blijven en wordt aangesloten bij de verhouding groen-bouwmassa en het karakter van de verschillende architectuureenheden. Voor het gehele beschermd stadsgezicht geldt dat de bestaande situatie bestemd is. De bestaande bouwblokken en rooilijnen zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Ook de bestaande bouw- en goothoogtes en kapvormen zijn opgenomen in het bestemmingsplan. De bestaande stedenbouwkundige structuur van het plangebied is aldus vastgelegd en beschermd. Geen sloopvergunningplicht voor panden in beschermd stadsgezicht Voor slopen in beschermd stadsgezicht is een omgevingsvergunning (ook wel: sloopvergunning) nodig op grond van de wet. De omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor dit type sloopactiviteit zal dit aannemelijk moeten maken. Het nieuw te bouwen bouwwerk moet voldoen aan de bouwregels van het bestemmingsplan, waarin is opgenomen dat de gronden tevens zijn bestemd voor de bescherming van de in stand te houden en de te versterken cultuurhistorische waarden.

In de Cultuurhistorische verkenning is door Monumenten en Archeologie voorgesteld om voor alle panden binnen het rijksbeschermde stadsgezicht een sloopvergunningstelsel op te nemen in het bestemmingsplan zodat bij sloop een nadere cultuurhistorische afweging op pandniveau gemaakt kan worden, omdat de sloopvergunningplicht in de wet geen eisen stelt ten aanzien van cultuurhistorische waarden van het pand zelf. Een sloopvergunningplicht in het bestemmingsplan zou hierin kunnen voorzien, aldus Monumenten en Archeologie. Aan voornoemde wens is niet tegemoet gekomen, omdat het wettelijk sloopvergunningstelsel in relatie tot de planregeling reeds afdoende bescherming biedt. Een aanvraag voor een nieuwbouwpand moet de beschermde cultuurhistorische waarden ter plaatse zoals opgenomen in het bestemmingsplan immers in acht nemen. Een bouwplan dat niet in lijn is met de beschermde waarden en deze op onevenredige wijze aantast, zal niet vergund kunnen worden. Met als gevolg dat de omgevingsvergunning voor de sloop niet verleend kan worden. Het wettelijk stelsel biedt daarmee afdoende waarborg. Voor een andere verdergaande - bescherming op pandniveau ligt de aanwijzing als monument voor de hand.

Geen sloopvergunningplicht voor orde 1-, orde 2- of orde 3-panden In de Cultuurhistorische verkenning is door Monumenten en Archeologie verder voorgesteld om een sloopvergunningstelsel in het bestemmingsplan op te nemen voor betekenisvolle bebouwing die is bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 63

gewaardeerd met orde 1 of 2 of orde 3 aan een hoge stedenbouwkundige zone (zone A of B). Hiermee zou het bevoegd gezag een afwegingsmoment krijgen bij de sloop van deze panden, aldus Monumenten en Archeologie. Aan deze wens is niet tegemoet gekomen, omdat het wettelijk sloopvergunningstelsel reeds afdoende bescherming biedt. De orde 1 panden in het plangebied vallen binnen namelijk het rijksbeschermde stadsgezicht of zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument, op één na te weten de bebouwing aan Nadirstraat - Stierstraat - Schorpioenstraat, welke bebouwing 'monumentwaardige bebouwing' betreft. Voor panden in het rijksbeschermde stadsgezicht en voor rijksmonumenten geldt een wettelijk sloopvergunningsplicht; voor gemeentelijke monumenten is de sloopvergunningplicht geregeld in de Erfgoedverordening van de gemeente. Het opnemen van een sloopvergunningplicht in het bestemmingsplan is daarmee overbodig, de bescherming is wettelijk reeds geborgd. Voor een andere - verdergaande - bescherming, op pandniveau, ligt de aanwijzing als monument voor de hand. Voor de 'monumentwaardige bebouwing' in aan Nadirstraat - Stierstraat Schorpioenstraat voert het te ver om daarvoor sloopbescherming in het bestemmingsplan op te nemen, omdat dit woonpanden in corporatiebezit zijn, waarvoor sloop niet in de lijn der verwachtingen ligt.

Groenstructuren De overgangen tussen openbaar, semi-privé en privégroen zijn kenmerkend voor het tuindorp. Om de ruimtelijke waarden te kunnen behouden is het van belang dat de bestaande verschillende groenstructuren worden vastgelegd. De bestaande groenstructuren en tuinen zijn bestemd in het bestemmingsplan. De waterlopen zijn ook bestemd. Daarmee worden de groenstructuren beschermd in het bestemmingsplan. Geen aanlegvergunningstelsel voor de openbare ruimte In de Cultuurhistorische verkenning is door Monumenten en Archeologie voorgesteld om voor de openbare ruimte van het rijksbeschermde stadsgezicht een aanlegvergunningstelsel in het bestemmingsplan op te nemen, zodat voor het aanleggen van nieuwe verhardingen (fietspaden) en watergangen op de gronden met de bestemming Groen voortaan een omgevingsvergunning nodig is. Als alternatief is een separate en restrictieve groenbestemming voorgesteld voor het rijksbeschermde stadsgezicht, waarin het aanleggen van fietspaden en watergangen wordt uitgesloten. Ook is voorgesteld om fietspaden binnen de bestemming Verkeer-2 uit te sluiten en de bestaande fietspaden te bestemmen als Verkeer-1. Aldus zou moeten worden voorkomen dat de groenstructuren, die historisch van grote waarde zijn voor de beleving van het tuindorp, verloren kunnen gaan en dat afbreuk wordt gedaan aan het ontwerp van de openbare ruimte in het tuindorp.

Aan deze wensen is niet tegemoet gekomen. Voorliggend bestemmingsplan is een in hoofdzaak conserverend bestemmingsplan, waarbij als uitgangspunt geldt het overnemen van de geldende, planologische mogelijkheden. De regeling in het vigerende plan heeft tot nu toe niet tot onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden in het tuindorp geleid, zodat het opnemen van een nieuwe groenbestemming voor het rijksbeschermd stadsgezicht niet geboden is. Argumenten die inperking van de gebruiksmogelijkheden rechtvaardigen, worden dan ook niet gezien. De pleinen in het rijksbeschermd stadsgezicht hebben allemaal de bestemming Groen gekregen, met uitzondering van Zonneplein en Ananasplein omdat die reeds zijn verhard. In de groenbestemming zijn de bestaande groenstructuren vastgelegd en daarmee voldoende beschermd. Het op verharde pleinen uitsluiten van fietspaden is, gelet op het gewenste effect (behoud van groen), weinig zinvol. Het bestemmen van reeds bestaande fietspaden tot Verkeer-1 zou een nog grotere aantasting van de openbare ruimte betekenen, aangezien daarmee ook autoverkeer wordt toegestaan. Bebouwing in voor- en zijtuinen Het is van belang dat de groenstructuren, die historisch van grote waarde zijn voor de beleving van het

Gemeente Amsterdam

blz. 64

tuindorp, behouden blijven en voorkomen wordt dat afbreuk wordt gedaan aan het ontwerp van de openbare ruimte in het tuindorp. In de gebieden die zijn aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht maken de voor- en zijtuinen wezenlijk onderdeel uit van de openbare ruimte. De voortuinen in het tuindorp zijn gezien het smalle profiel van de straten beeldbepalend voor de openbare ruimte. De mogelijkheden voor het oprichten van bouwwerken in voor- en zijtuinen zijn dan ook uitgesloten in de planregeling, met uitzondering van erfafscheidingen (zie bestemming Tuin-1) . Erfafscheidingen zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 1 meter, een hoogte die uit stedenbouwkundig en cultuurhistorisch oogpunt nog aanvaardbaar is. Om het overwegend groene karakter van het tuindorp te beschermen, is in artikel 18 Waarde - Cultuurhistorie verder opgenomen dat voor het verharden van de oppervlakte van een voortuin met meer dan 25% een omgevingsvergunning nodig is. Bebouwing in achtertuinen Bijgebouwen In de achtertuinen van het rijksbeschermde stadsgezicht zijn bergingen c.q. bijgebouwen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan op de plekken waar deze reeds aanwezig zijn. Deze bergingen zijn in veel gevallen meeontworpen met de hoofdbebouwing en de locatie ervan is zorgvuldig ingepast in het ontwerp van het tuindorp.

De bijgebouwen zijn specifiek aangeduid op de verbeelding (aanduiding 'bijgebouwen') en mogen 2,5 meter hoog zijn. Voor het overige zijn in de achtertuinen alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde (erfafscheidingen) toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter. Uitbouwen Uitbouwen (aan de achterzijde van woningen) mogen geen afbreuk doen aan het ruimtelijk karakter van het rijksbeschermde stadsgezicht. In het Besluit omgevingsrecht is daarom bepaald dat bijbehorende bouwwerken zoals uitbouwen alleen vergunningvrij in het rijksbeschermde stadsgezicht zijn toegestaan als in het bestemmingsplan een bouwrecht voor de uitbouw is opgenomen. Het al dan niet toestaan van nieuwe uitbouwen vereist een zorgvuldige inpassing in het rijksbeschermde stadsgezicht. In samenspraak met Monumenten en Archeologie en de stedenbouwkundigen van Ruimte en Duurzaamheid is nagegaan op welke plekken in het tuindorp nieuwe uitbouwen kunnen worden toegestaan in het bestemmingsplan. Dit ook omdat bij veel bewoners de wens leeft om een uitbouw te realiseren. Tijdens de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan kwamen hier veel vragen over uit de buurt. Op basis van een analyse van het gebied zijn allereerst de uitbouwen die legaal gerealiseerd zijn (met een omgevingsvergunning dan wel vergunningvrij, wat tot 2014 kon) in kaart gebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14215917/1