CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting 7e herziening Landelijk Noord.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 31 oktober 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 7e herziening Landelijk Noord (VN2023-022324)11.663 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan 7e Herziening Landelijk Noord

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan 7e Herziening Landelijk Noord

Colofon

Opdrachtgever

Dhr. Schafrat

Opdrachtnemer

Wissing BV

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.N1904PBSTD-VG01

Datum print

30 Maart 2023

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1 1.2

Aanleiding Leeswijzer

7 7

Hoofdstuk 2

Plankader

9

Ligging en begrenzing Doelstelling Vigerende bestemmingsplan Beschrijving project

9 10 10 12

Ruimtelijk beleid

17

Rijksbeleid en provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

17 19

Omgevingsaspecten

25

Bedrijven- en milieuzonering Flora en fauna Stikstofdepositie Water Bodem Geluid Cultuurhistorie Luchtkwaliteit Verkeer en parkeren Externe veiligheid M.e.r.

25 27 31 31 35 35 37 37 38 39 40

Hoofdstuk 5

Juridische planopzet

43

5.1 5.2

Planvorm Bestemmingsregeling

43 43

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

47

Hoofdstuk 7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro) Maatschappelijk overleg Participatie

49 54 54

2.1 2.2 2.3 2.4 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

7.1 7.2 7.3

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op de hoek van 't Voorwerf en de Broekergouw te Amsterdam stond een woonboerderij met bijbehorende stal uit 1922. Deze boerderij is in november 2013 verwoest door een uitslaande brand. De restanten van de voormalige boerderij zijn daarna gesloopt. De initiatiefnemer is voornemens om de boerderij in zijn geheel terug te bouwen, waarbij deze qua architectonische vormgeving en afmetingen wordt hersteld zoals de boerderij er vroeger (voor de brand) uitzag. In de herbouwde boerderij worden vervolgens drie grondgebonden woningen gerealiseerd. Het plangebied is bestemd voor 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied' (bestemmingsplan 'Landelijk Noord, 26 juni 2013). De realisatie van drie woningen in het plangebied is niet mogelijk binnen deze bestemming. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om het planvoornemen mogelijk te maken. Een vereiste voor deze ontwikkeling is dat de boerderij volledig wordt teruggebouwd zoals deze er vroeger uit zag (voor de brand). Het bouwplan voor de herbouwde boerderij wordt om deze reden juridisch verankerd in dit bestemmingsplan.

1.2

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling. De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit 6 hoofdstukken. Hier wordt in het kort de inhoud van deze hoofdstukken beschreven. Na dit eerste inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder andere ingegaan op de beschrijving van het plangebied en de beschrijving van de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en tot slot behandelt hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid (het overleg ex artikel 3.1.1 Bro). Tot slot zijn de relevante rapporten als bijlage bij de toelichting en/of regels gevoegd.

Gemeente Amsterdam

blz. 8

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 2 2.1

Plankader

Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt op de hoek van 't Voorwerf en de Broekergouw in het buitengebied van Amsterdam ten noorden van de stad (kadastraal bekend als percelen 230 en 183 sectie E, kadastrale gemeente Nieuwendam). Het plangebied ligt nabij het dorp Zunderdorp, welk ten zuiden van het plangebied ligt. Het plangebied van het bestemmingsplan '7e Herziening Landelijk Noord' wordt globaal als volgt begrensd: noorden: de in 2017 gerealiseerde woonwijk Broekergouw Zunderdorp; oosten: bestaande woning aan 't Voorwerf 13; zuiden: 't Voorwerf; westen: de Broekergouw. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de digitale verbeelding (voorheen de bestemmingsplankaart).

Afbeelding ligging en begrenzing plangebied

Gemeente Amsterdam

blz. 10

Afbeelding ligging plangebied ten opzichte van Amsterdam (rode speld)

2.2

Doelstelling

Het is niet mogelijk om het planvoornemen binnen het vigerende bestemmingsplan te realiseren. Het is daarom noodzakelijk een bestemmingsplan in procedure te brengen dat voorziet in een planologische en juridische regeling voor de nieuwe situatie in het gebied. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

2.3

Vigerende bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is 'Landelijk Noord', vastgesteld op 26 juni 2013. Het plangebied is hierin bestemd voor 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied'. De met deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor: het uitoefenen van een agrarisch (deeltijd)bedrijf en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en (aanlandingsplekken van) bruggen. Bewoning is toegestaan in een bedrijfswoning. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het aangewezen bouwvlak worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en overkappingen mag ten hoogste respectievelijk 4 meter en 10 meter bedragen. Per bedrijfswoning mag het oppervlak van bijgebouwen ten hoogste 30 m² bedragen. Het plangebied is ook bestemd voor 'Waarde - Archeologie - 1. Op deze gronden mag uitsluitend gebouwd worden ten dienste van de dubbelbestemming en de overige aan deze gronden toegekende

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 11

bestemmingen. In geval er sprake is van bodemverstoring, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwen een archeologisch rapport te overleggen.

Afbeelding uitsnede vigerend bestemmingsplan 2.3.1

Regels aangaande het bestemmingsplan

Bestemming 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied' Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 3 grondgebonden woningen in de nog her te bouwen boerderij. De functie wonen is binnen de vigerende bestemming niet toegestaan. De bebouwing wordt opgericht binnen het aangewezen bouwvlak maar is wel hoger dan de maximaal toegelaten hoogte. Het plan is daarmee in strijd met de bouwregels van de vigerende bestemming. Waarde - Archeologie - 1 In het plangebied vinden bodemverstorende werkzaamheden plaats door de herbouw van de woonboerderij. Een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.7.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

2.4

Beschrijving project

Bestaande situatie Tot 2013 stond in het plangebied een woonboerderij met bijbehorende stal. De boerderij bestond uit een voorhuis en een kaakberg met daarbij behorende bijgebouwen. Daarnaast stond op het terrein een grotere schuur. Een kaakberg is een hoge betimmerde hooiberg, ook wel hooihuis genoemd, en is kenmerkend voor Amsterdam en omgeving. De buitenzijde van deze kaakberg was zwart terwijl het voorhuis voorzien was van een witte gevelkleur. Beide gebouwen hadden rode dakpannen. Het voorhuis van de boerderij dateerde uit 1850. De schuur, kaakberg en bijgebouwen dateerden uit 1922. De functie van de boerderij is agrarisch geweest van 1922 tot circa 1964. De eigenaar die in dit jaar de boerderij kocht, is een paardenverhuur en ijsverkoop gestart in de vrijstaande schuur. Daarnaast begon deze eigenaar de manege die zich naast het plangebied bevond en waar in 2017 woningen zijn gerealiseerd. Na aankoop van de boerderij door de huidige eigenaar in 1994 is het bedrijfsmatige gebruik definitief komen te vervallen en is de boerderij vervolgens als woonboerderij in gebruik genomen. In onderstaande afbeeldingen zijn de foto's van de boerderij, zoals deze er begin 2013 eruitzag, weergegeven.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 13

Afbeelding aanzicht woonboerderij in 2013 In november 2013 werd de boerderij getroffen door een grote uitslaande brand. Hierbij werden de boerderij, kaakberg en de stal volledig verwoest. Alleen de vrijstaande schuur kon behouden blijven. Na de brand werd besloten alle bebouwing binnen het plangebied te slopen.

Gemeente Amsterdam

blz. 14

Afbeelding aanzicht plangebied in 2014 Toekomstige situatie De initiatiefnemer, en tevens eigenaar van de voormalige woonboerderij, wil de woonboerderij herbouwen. Hierbij worden de architectonische vormgeving en afmetingen aangehouden zoals de boerderij er voor de brand uitzag en wordt het historische aanzicht van de locatie hersteld.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 15

Afbeeldingen aanzichten boerderij in de nieuwe situatie De boerderij is qua oppervlakte te groot voor de eigenaar om in zijn geheel te gebruiken als 1 woonboerderij. Daarom is ervoor gekozen de herbouwde woonboerderij te verdelen in 3 wooneenheden. De grondgebonden koopwoningen krijgen ieder een eigen kavel met een oppervlakte van tenminste 420 m2. Het grootste kavel heeft een oppervlakte van 670 m2. De woningen zijn via een voetpad te bereiken vanaf de nieuwe parkeerplaats. De woningen op kavels 1 en 3 krijgen een voordeur aan de noordzijde van de boerderij en de woning op kavel 3 krijgt een voordeur aan de oostzijde van de boerderij.

Gemeente Amsterdam

blz. 16

Afbeelding situatietekening Verkeer en parkeren De woningen worden ontsloten vanaf de privé-ontsluitingsweg (gelegen aan de oostzijde van het plangebied) waar vandaan de naastgelegen woonwijk wordt ontsloten. Vanaf deze weg zijn de parkeerplaatsen te bereiken die ten behoeve van de 3 woningen gerealiseerd worden. In totaal worden 8 parkeerplaatsen aangelegd. Ook wordt een gebouw met 2 garages gerealiseerd. Hierin kan eventueel een auto worden gestald. Dit gebouw staat op de plek waar vroeger het bijgebouw stond. Dit komt het herstel van het historisch aanzicht van het plangebied ten goede en hierdoor staan de andere auto's in het plangebied uit het zicht gezien vanaf de weg. De onderbouwing verkeer en parkeren wordt nader toegelicht in paragraaf 4.9 Verkeer en parkeren.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 17

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleid

Rijksbeleid en provinciaal beleid

Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen wordt het rijksbeleid niet nader toegelicht. Het planvoornemen heeft geen raakvlakken met het beleid op rijksniveau. Uitzondering hierop betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. De Ladder en het provinciaal beleid worden beknopt toegelicht. Ladder De Ladder is van toepassing bij stedelijke ontwikkelingen. Op basis van jurisprudentie blijkt dat ontwikkeling van één of enkele woningen niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling (Uitspraak Raad van State, ABRvS 18 december 2013, 201302867/1/R4). Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 3 woningen. Het planvoornemen voorziet in de algehele woningbehoefte in Amsterdam en specifiek in de behoefte van 1 particulier om een drietal woningen is de nog her te bouwen woonboerderij te realiseren. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en nadere onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig. Provincie Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid Op 19 november 2018 heeft Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH 2050 vastgesteld. In de visie wordt voor het stedelijk gebied uitgegaan van zoveel mogelijk binnenstedelijk realiseren en concentreren van wonen en werken (transformeren, bundelen, verdichten).

Hierbij houdt de provincie oog voor behoud en versterking van de leefbaarheid in bestaande en nieuwe gebieden. De provincie houdt ook een vinger aan de pols voor wat betreft de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van de vraag. Zo zorgt de provincie ervoor dat regionale afspraken over stedelijke ontwikkelingen bij de vraag blijven aansluiten. Hierbij betrekt de provincie de bestaande voorraad woningen. Het voormalig agrarische perceel, wat al langere tijd niet meer als zodanig in gebruik was, wordt getransformeerd naar een woonlocatie in een bestaand woongebied in Amsterdam. De directe omgeving van het plangebied (aan de noord- en westkant) bestaat uit een kleinschalige concentratie van bestaande woningen. Het plangebied was binnen dit woningcluster de enige locatie waar nog een agrarische bestemming gold. Door de realisatie van het planvoornemen sluit de locatie nu wel aan bij dit bebouwingscluster. Het planvoornemen is passend binnen de Omgevingsvisie door de transformatie van het voormalig agrarisch perceel (sinds 1964 niet meer als zodanig in gebruik) naar wonen (transformatie) waarbij wordt aangesloten op de bestaande concentratie woningen aan de noord- en westkant van het plangebied. Omgevingsverordening NH2020 Op 22 oktober 2020 is de Omgevingsverordening gepubliceerd.

Het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied'. Het perceel was niet langer meer als zodanig in gebruik en betreft dus een voormalig agrarisch bouwperceel. Ook is van een

Gemeente Amsterdam

blz. 18

veenweidegebied al lange tijd geen sprake meer. Het bebouwingscluster was een residu van het oorspronkelijk doch lang verdwenen veenweidelandschap. Het plangebied ligt in het aangewezen landelijk gebied en de artikelen 6.9 MRA landelijk gebied en Artikel 6.46 Bijzonder provinciaal landschap zijn voor dit perceel van toepassing. Artikel 6.9 MRA landelijk gebied 1. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. ter plaatse van de bestaande stedelijke functie of het agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan; b. de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; c. de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en d. een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt. 3.

In afwijking van het eerste lid kan een nieuwe burgerwoning worden toegestaan, indien deze woning wordt gesitueerd in een dorpslint en hierbij een aanwezige bedrijfswoning binnen het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied wordt wegbestemd en gesloopt. 4. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing In afwijking van het bovenstaande regels kan een bestemmingsplan voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. Het planvoornemen betreft de herbouw van de voormalige karakteristieke boerderij waarbij de boerderij in maximaal 3 woningen wordt gesplitst. Zoals toegelicht in hoofdstuk 2 wordt de boerderij qua architectuur, verschijningsvorm en omvang geheel teruggebouwd zoals de boerderij er in 1922 uit heeft gezien. Het planvoornemen is daarom niet in strijd met de regels voor voormalige agrarische bouwpercelen. Artikel 6.46 Bijzonder provinciaal landschap 1.

De kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 6. 2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. 3. In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. 4. Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast. 5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 19

6. Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan. 7. In afwijking van het vierde lid kan het ruimtelijk plan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken: a. een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of b. nieuwe bebouwings- en functiemogelijkheden op grond van artikel 6.33, eerste lid, onder e en f en artikel 6.33, tweede en derde lid. 8. In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien: a. er sprake is van groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd. 9. In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland. 10. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de motivering als bedoeld in het vijfde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het achtste lid, aanhef en onderdeel c. 11.

Gedeputeerde Staten kunnen de kernkwaliteiten zoals opgenomen in Bijlage 6 wijzigen.

Het plangebied en de omgeving is als bijzonder provinciaal landschap aangemerkt. In deze gebieden is de realisatie van nieuwe bebouwing niet mogelijk. Er is in het plangebied echter geen sprake van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De boerderij wordt uitsluitend herbouwd in de originele staat en op exact dezelfde locatie als de oorspronkelijke boerderij. Effecten worden daarom niet verwacht. In paragraaf 4.2 wordt het uitgevoerde ecologisch onderzoek toegelicht, hierin heeft ook een toets van provinciaal (ecologisch) beleid plaatsgevonden.

3.2

Gemeentelijk beleid

3.2.1

Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'

Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam' (17 februari 2011) legt Amsterdam zichzelf, inclusief de stadsdelen, regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde. De centrale ambitie van de structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen en efficiënter omgaan met energie en vervoer, zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast.

De ambitie is om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, een intensiever gebruik van de haven en huidige bedrijventerreinen te realiseren en ruimte te maken voor waterberging. Het beleid uit deze visie ten aanzien van kleinschalige woningbouw wordt toegelicht.

Gemeente Amsterdam

blz. 20

Het traditionele Amsterdamse ontwikkelmodel met grootschalige woningbouwprojecten heeft zijn grenzen bereikt. De gemeente gaat in de toekomst steeds meer uit van meer stapsgewijze en kleinschaligere ontwikkelingen, waarbij ook meer partijen betrokken zijn. Het planvoornemen betreft de realisatie van woningen door een particulier. In de structuurvisie is beschreven dat (collectief) particulier opdrachtgeverschap goed past binnen het nieuwe ontwikkelmodel voor Amsterdam, maar ook in het streven de eindgebruiker een grotere invloed te geven op zijn of haar woning. Voor de realisatie van de structuurvisie krijgt (collectief) particulier opdrachtgeverschap ruim baan. De procesgang wordt zo ingericht dat particulieren gefaciliteerd en ondersteund worden in het realiseren van hun eigen woning. Het planvoornemen sluit hierbij aan. Het plan heeft met geen verdere raakvlakken met het beleid zoals opgenomen in de structuurvisie. 3.2.2

Koers 2025

Koers 2025 operationaliseert de structuurvisie en de ambitie voor de bouw van 50.000 woningen in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. Om de planvoorraad op peil te houden is vanaf 2016 gestart moeten worden met nieuwe woningbouwprojecten. Om flexibel te kunnen inspelen op een veranderende marktvraag moet de stad over een divers aanbod van ontwikkellocaties beschikken. Dat betekent dat de locaties moeten variëren in omvang, type en spreiding over de stad. De komende jaren is de Amsterdamse ontwikkelstrategie dus primair gericht op het realiseren van voldoende woningen in alle segmenten in kwalitatief hoogwaardige, gemengde stedelijke milieus. Het planvoornemen sluit aan op de Koers 2025 door de realisatie van kwalitatief hoogwaardige woningen in een kleinschalig woonmilieu in het buitengebied van Amsterdam. 3.2.3

Groen

De gemeente Amsterdam heeft de Hoofdgroenstructuur opgesteld. Deze structuur omvat de minimaal benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam wil borgen, bestaande uit gebieden die waardevol zijn voor stad en metropool. In de Hoofdgroenstructuur zijn de gebieden opgenomen waar de functies groen en groene recreatie voorop staan. Ingrepen in de Hoofdgroenstructuur worden door de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) op inpasbaarheid beoordeeld. Het plangebied ligt buiten de hoofdgroenstructuur.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 21

Afbeelding Hoofdgroenstructuur Ecologische Visie, vastgesteld op 4 juli 2012 Het beleidsuitgangspunt van deze ecovisie is: "de ecologische hoofdstructuur wordt gerespecteerd, knelpunten worden aangepakt en voor wijzigingen is, vergelijkbaar met de hoofdgroenstructuur, een besluit van de gemeenteraad nodig." Als ruimtelijke plannen in aanmerking komen voor centraal stedelijke toetsing, dan zullen die plannen met deze ecovisie beoordeeld worden. Daarbij is het uitgangspunt dat plannen niet mogen leiden tot verzwakking van de ecologische structuur die in deze visie staat omschreven, bijvoorbeeld doordat extra barrières ontstaan. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot extra barrières in de ecologische hoofdgroenstructuur. 3.2.4

Wonen

Woonagenda 2025 Op 19 juli 2017 is de nieuwe Amsterdamse woonagenda vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. De woonagenda heeft drie speerpunten die gaan over het bieden van voldoende, betaalbare en goede woningen in 2025. Variatie en differentiatie in de woningvoorraad, afgestemd op de locatie is een belangrijk uitgangspunt in deze woonagenda. Om de woningvoorraad beter te laten aansluiten bij de woningbehoefte, is belangrijk dat deze woningen ook bewoond worden door huishoudens die hierop zijn aangewezen. Nieuwbouw moet bijdragen aan een gemengde stad. Gezien de ontwikkelingen in de bestaande woningvoorraad en in de bevolkingssamenstelling wordt er in 2025 een tekort voorzien aan gereguleerde Gemeente Amsterdam

blz. 22

sociale huurwoningen en aan middeldure woningen. Om dit te voorkomen zet de gemeente in op een differentiatie in de nieuwbouw en wordt het stedelijk uitgangspunt: 40% gereguleerde huurwoningen (inclusief studenten- en jongerenwoningen), 40% middelduur (huur en koop) en 20% duur (huur en koop). Dit betreft plannen waarvoor nog niet een investeringsbesluit is vastgesteld en geen contracten zijn gesloten of anderszins juridische en financiële verplichtingen zijn aangegaan. Het planvoornemen draagt bij aan variatie en differentiatie in de woningvoorraad door de realisatie van 3 duurdere halfvrijstaande woningen in het buitengebied van Zunderdorp. Hierdoor wordt voorzien in de specifieke vraag van een particulier om op zijn terrein 3 woningen te realiseren. Wonen in de metropool, woonvisie Amsterdam tot 2020 De stedelijke woonvisie is in 2008 vastgesteld door de gemeenteraad. De woonvisie bevat een aantal thema's die enerzijds de bestaande stad Amsterdam schetsen en anderzijds de ambities verwoorden. De ambitie is gericht op zowel een attractieve stad met nadruk op de economische kracht als een ongedeelde stad, gericht op het voorkomen van sociale segregatie en ruimtelijke tweedeling.

In de woonvisie zijn zeven thema's met speerpunten voor de toekomst beschreven: Emancipatiestad: nieuwkomers en jongeren moeten zich kunnen blijven vestigen, bewoners moeten wooncarrière kunnen maken; Ongedeelde stad: binnen de ring A10 bescherming van de onderkant van de woningmarkt, elke buurt blijft toegankelijk voor mensen met lagere inkomens, meer verscheidenheid in woonmilieus, meer aanbod voor gezinnen, ruimte voor verschillen, streven naar gemengdheid; Betaalbare stad: woningen voor lage inkomensgroepen, lage middeninkomensgroepen en middeninkomens; Vernieuwde stad: wijkaanpak en transformatie bij wijken waar de leefbaarheid onder druk staat; Topstad: kwaliteit van woningen en voorzieningen bieden om mensen en talent aan te trekken en te behouden, verruiming (tijdelijke) vestigingsmogelijkheden voor expats, buitenlandse studenten, kunstenaars en startende ondernemers; Zorgzame stad: woonservicewijken realiseren, aanpasbaar bouwen, huisvesting dak- en thuislozen; Duurzame stad: energiebesparing in de bestaande woningvoorraad, duurzaam en flexibel bouwen, beperken watergebruik.

Daarnaast is beschreven wat er nodig is voor het faciliteren van de wooncarrière: Voldoende aanbod van betaalbare woningen voor grotere huishoudens met lage inkomens; Meer aanbod van woningen in het middensegment, zowel huur als koop, voor de stedelingen die in de stad willen blijven en meer ruimte en kwaliteit zoeken; Constructies om de koopmarkt meer toegankelijk te maken voor middeninkomens, dit noemen we sociale koop; Nieuwbouw van eengezinswoningen, of huizen met een tuin, voor de middenklasse die graag in (de buitengebieden van) de stad wil blijven wonen; Meer dure woningen van hoge kwaliteit voor de mensen met hoge inkomens. Het planvoornemen sluit aan bij de twee laatstgenoemde punten aangaande wat er nodig is voor het faciliteren van een wooncarrière. In het plangebied worden drie duurdere half vrijstaande woningen met tuin gerealiseerd. Ten aanzien van het speerpunt duurzame stad levert het planvoornemen ook een bijdrage. Er wordt bij de nieuwbouw van de woningen een lage EPC-waarde van 0,2 behaald. Dit wordt behaald door de realisatie van warmtepompen en zonnepanelen. Voor het bouwmateriaal wordt uitsluitend met FSC-hout gewerkt.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 23

3.2.5

Parkeren

Op 7 juni 2017 is de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. In de nota zijn voor nieuwe ontwikkelingen parkeernormen opgenomen. Daarbij is Amsterdam opgedeeld in A, B en C gebieden, waarbij een A-locatie goed per openbaar vervoer bereikbaar is en een C gebied vooral goed met de auto bereikbaar is. Het plangebied is aangewezen als C locatie. Hiervoor geldt dat het parkeren op eigen terrein opgelost moet worden, maar ook het parkeren op straat kan een optie zijn. Voor deze locaties zijn geen minimum parkeernormen en maximum parkeernormen bepaald. Voor deze locaties wordt door middel van maatwerk de parkeervraag inzichtelijk gemaakt. De beoordeling parkeren wordt nader toegelicht in paragraaf 4.9.

Afbeelding kaart gebiedsindeling parkeernormen 3.2.6

Conclusie gemeentelijk beleid

Het planvoornemen is passend binnen het geldende gemeentelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 24

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 25

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Bedrijven- en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of er ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling plaatsvindt, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming ligt. De VNG-handreiking gaat uit van de omgevingstypes rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als een rustige woonwijk. Het betreft een kleinschalig woonmilieu in het landelijk gebied rondom het Zunderdorp. Door BK ingenieurs is de beoordeling bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 2 bijgesloten.

Beoordeling Het plangebied ligt in de nabijheid van agrarisch- en niet agrarische bedrijvigheid. Niet agrarische bedrijvigheid. In de nabijheid van het plangebied komt niet-agrarische bedrijvigheid voor, aangegeven als zagerij, thans Bed & Breakfast. Dit pand is op circa 50 meter afstand gelegen. Bed & Breakfast ''In de oude Zagerij'', 't Voorwerf 7, 1027 AG Amsterdam kent de industriefunctie. Het planologie regime is Bedrijf, specifieke vorm van bedrijf 1 (tevens een aannemersbedrijf, voor zover voorkomend in categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten). Voor een Bed & Breakfast wordt een grootst aan te houden afstand geadviseerd van 10 meter vanwege geur, geluid en gevaar. De functie ligt op voldoende afstand van de geprojecteerde woonbebouwing.

Gemeente Amsterdam

blz. 26

Afbeelding bestemming 'Bedrijf' (voormalig aannemersbedrijf, nu bed & breakfast) en afstand nieuwe situatie Nader onderzoek leert dat het pand in de huidige situatie een bed & breakfast functie heeft en niet langer in gebruik is als aannemersbedrijf. Voor een bed en breakfast wordt een grootst aan te houden afstand geadviseerd van 10 meter vanwege geur, geluid en gevaar. De functie ligt op voldoende afstand van de nieuwe woonbebouwing. Agrarische bedrijven Wet geurhinder en veehouderij Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient, bij de aanwezigheid van veehouderijen in het plangebied, rekening te worden gehouden met geurhinder. Een veehouderij mag daarbij niet in zijn huidige milieuruimte worden aangetast. Daarnaast dienen uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen op dusdanige wijze te worden beperkt dat er geen hinder ontstaat voor (geplande) geurgevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich aan de Broekergouw 2 en ligt op een afstand van circa 70 meter. De minimale afstand voor dit bedrijf bedraagt 50 meter aangezien er op de locatie geen landbouwhuisdieren meer voor de productie worden gehouden. Omdat voldaan wordt aan de minimaal te houden afstand conform het Besluit milieubeheer vormt het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 27

4.2

Flora en fauna

Habitus heeft voor het plan de quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 3 bijgevoegd. Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting mogelijk in strijd met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er kunnen namelijk verblijfplaatsen van vleermuizen, marterachtigen en 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' in het plangebied aanwezig zijn. Ook kunnen 'vogels zonder jaarrond beschermd nest', marters en rugstreeppad zich vestigen in het plangebied, als er geen voorzorgsmaatregelen worden genomen. Daarnaast zijn er mogelijk nesten van huismussen aanwezig direct naast het plangebied en maakt het plangebied mogelijk deel uit van de functionele leefomgeving. De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk ook in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming, namelijk door stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Verder zijn de plannen niet in strijd met provinciale gebiedsbescherming.

Afbeelding kaart met het plangebied, biotopen waar diersoorten in verwacht worden en relevante waarnemingen A= Amfibieën, H = Huismus, M = Marters, R = Rugstreeppad, VL = Vleermuizen, V = Vogels zonder jaarrond beschermd nest, Z = Zorgplichtsoorten Vervolg

Gemeente Amsterdam

blz. 28

Naar aanleiding van de uitkomsten van de quickscan zijn de volgende vervolgstappen nodig: Er is een aeriuscalculatie benodigd om te bepalen of er depositie-effecten optreden. Dit wordt toegelicht in paragraaf 4.3. Huismus: nesten en functionele leefomgeving. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden door het uitvoeren van minimaal twee veldbezoeken in de periode april t/m 20 juni. Dit onderzoek is uitgevoerd en wordt toegelicht in subparagraaf 4.2.1. Vleermuizen: indien niet aan de genoemde maatregelen voldaan kan worden, is onderzoek benodigd. Dit wordt onder ''maatregelen'' nader toegelicht. Marters: indien niet aan de genoemde maatregelen voldaan kan worden, is onderzoek benodigd. Dit wordt onder ''maatregelen'' nader toegelicht. Maatregelen Vleermuizen Maatregel: voorkom het kappen van de boom met geschikte holtes. Voorkom het beschijnen van de holteboom met verlichting. Voorkom sterke trillingen. Werk niet tussen zonsondergang en zonsopgang. Enkele bomen zijn reeds gekapt in het plangebied, waaronder ook de geschikte holteboom. De initiatiefnemer heeft hiervoor een kapvergunning verkregen. Dit betekent dat de boom met geschikte holtes niet langer aanwezig zijn.

Omdat de bomen zijn gekapt na gemeentelijke toestemming, in de vorm van een kapvergunning, wordt gesteld dat de initiatiefnemer niet kon weten dat het plan mogelijk in strijd was met de Wet natuurbescherming. Het benodigde nader onderzoek is niet langer zinvol vanwege het ontbreken van de geschikte holteboom en is derhalve niet uitgevoerd. Marters Maatregel: Verwijder de takkenhopen zo spoedig mogelijk uit het gebied om vestiging te voorkomen (binnen 10 dagen na oplevering rapport. Indien het niet mogelijk is om aan deze maatregelen te voldoen, dan dient additioneel nader onderzoek verricht te worden naar verblijfplaatsen in de takkenhopen. De takkenhopen zijn binnen 10 dagen na oplevering van het rapport verwijderd, zie hiervoor ook onderstaande afbeelding. Daarmee is voldaan aan deze maatregel en is nader onderzoek niet nodig.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 29

Afbeelding foto plangebied 9 juni 2020 Rugstreeppad (vestiging voorkomen) Maatregel 1: verwijder de aanwezige takkenhopen, stammenhopen en stenen direct uit het plangebied. Maatregel 2: voorkom dat er in de periode april t/m eind augustus ondiepe wateren ontstaan of zorg dat deze direct gedempt worden. Denk hierbij aan regenplassen en bandensporen. Deze maatregel is enkel toepasbaar om nieuwe vestiging in geschikt voortplantingsbiotoop te voorkomen. Maatregel 3: voorkom dat er in de periode april t/m eind november nieuwe zomer- en/of winterverblijfplaatsen ontstaan, zoals hopen vergraafbaar zand, bouwmateriaal (bijv. puin), hopen houtafval of stenen. Verwijder dit direct uit het plangebied. Aan maatregel 1 is voldaan door het verwijderen van de takkenhopen, stammenhopen en stenen uit het plangebied, zie hiervoor ook bovenstaande foto. Met maatregelen 2 en 3 wordt rekening gehouden bij het bouwrijp maken van het terrein en het realiseren van de nieuwbouw. Vogels zonder jaarrond beschermd nest Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van een in Europa inheemse vogelsoort. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus.

Maatregel 1: verricht de werkzaamheden buiten de broedperiode van de aanwezige soorten. Indien het niet mogelijk is om buiten deze broedperiode te werken, kan maatregel 2 uitkomst bieden. Maatregel 2: laat voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren door een

Gemeente Amsterdam

blz. 30

ecoloog. Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de werkzaamheden alsnog doorgang vinden. De werkzaamheden in het plangebied vinden in principe buiten de broedperiode plaats. Mochten er wel werkzaamheden plaatsvinden, dan vindt voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats. Oeverzwaluw Voorkom vestiging van oeverzwaluw door in de periode april t/m juni steilwanden te voorkomen (in de vorm van zanddepots en afgravingen). Of zorg voor geleidelijke overgangen met een minimale verhouding van 1:3 óf dek de zandhopen af met een stevig zeil. Met deze maatregel wordt rekening gehouden bij het bouwrijp maken van het terrein en het realiseren van de nieuwbouw. Witte kwikstaart en zwarte roodstaart Vogelsoorten zoals de witte kwikstaart en zwarte roodstaart kunnen aanwezig zijn op bouwterreinen en broeden in hopen afval of bouwmateriaal. Als de soort tot broeden komt op het terrein is het nest beschermd en zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Maatregel: voorkom vestiging van deze soorten door in de broedperiode (globaal van half maart t/m eind juli) bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het plangebied. Of dek de bouwmaterialen geheel af met een stevig zeil of doek. Met deze maatregel wordt rekening gehouden bij het bouwrijp maken van het terrein en het realiseren van de nieuwbouw.

Zorgplichtmaatregelen In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Uit de zorgplicht volgt dat nadelige gevolgen voor flora of fauna voorkomen worden óf dat noodzakelijke maatregelen getroffen worden. De zorgplichtmaatregelen worden in acht genomen. Conclusie Op basis van het onderzoek en de maatregelen in relatie tot het plan wordt geconcludeerd dat alleen nader onderzoek naar huismussen nodig is. Alsmede is een berekening stikstofdepositie nodig. Het nader onderzoek huismussen wordt toegelicht in subparagraaf 4.2.1 en het benodigde onderzoek stikstofdepositie wordt toegelicht in paragraaf 4.3. 4.2.1

Nader onderzoek huismussen

Habitus heeft het benodigde nader onderzoek naar huismussen uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 4 toegevoegd. Uit dit onderzoek volgt dat er geen huismussen zijn aangetroffen die het plangebied gebruikten als functioneel leefgebied. Ook is er veel alternatief aanwezig wat drinkplaatsen en zanderige plekken betreft. Dit maakt dat het plangebied niet essentieel is als functioneel leefgebied voor de huismus. Conclusie Op basis van dit onderzoek is de conclusie dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 31

4.3

Stikstofdepositie

Econsultancy heeft een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 5 bijgevoegd. In Bijlage 6 is de actualisatie van de AERIUS berekening opgenomen, zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Het beoogde plan mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Uit de actualisatie van de AERIUS-berekening voor de aanlegfase en de beoogde situatie tijdens de permanente gebruiksfase blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.

4.4

Water

Beleidskader Keur HHNK In 2016 heeft het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) de Keur vastgesteld. In de Keur staan de regels die het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Samen met de Waterwet, nationale en Europese wetgeving en beleidsregels van HHNK vormt dit de basis voor de watervergunning. Waterplan (WBP6) In het waterplan (WBP6) wordt de koers van het HHNK gepresenteerd en de opgave waaraan gewerkt gaat worden. Met het waterbeheer van HHNK wordt ervoor gezorgd dat er voldoende, gezond en schoon water is om van te leven, er te werken en te recreëren, voor mens, dier en natuur. Het maatschappelijk belang van water neemt steeds verder toe door klimaatverandering, drukte in de fysieke leefomgeving en toenemend watergebruik. Daardoor is er ook steeds meer aandacht en belang bij het waterbeheer. HHNK verwacht daarom de komende jaren het gesprek met de omgeving te intensiveren. Zodat HHNK gezamenlijk kan uitvinden hoe het waterbeheer toekomstbestendig te houden. Daarnaast kan HHNK met het waterbeheer bijdragen aan maatschappelijke opgaven zoals biodiversiteitsherstel en de energietransitie. Onderzoek BK ingenieurs heeft voor het plan de waterparagraaf opgesteld, deze is als Bijlage 7 bijgesloten. Deze paragraaf wordt onderstaand toegelicht.

Waterparagraaf De huidige (waterstaatkundige) situatie

Gemeente Amsterdam

blz. 32

Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet binnen de kernzone en/of beschermingszone van een waterkering. Waterkwantiteit Het plangebied ligt in landelijk gebied. In de huidige situatie is het plangebied voor circa de helft van het perceel met oppervlaktewater omzoomd. Deze watergangen betreffende secundaire watergangen die in onderhoud zijn bij de wegeigenaar. De bestaande grondwaterstand is zeer hoog (circa 50 cm onder maaiveldniveau).

Afbeelding uitsnede legger, watergangen Waterkwaliteit en ecologie In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen ecologische zones. De dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone ligt op circa 2 km afstand. Afvalwater en riolering Het huishoudelijk afvalwater (DWA) wordt op de bestaande (enkelvoudige) riolering aangesloten. Het afstromende regenwater kan rechtstreeks naar de omringende waterloop worden geloosd.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 33

Toekomstige situatie Veiligheid en waterkeringen De huidige ligging van de waterkering(-en) blijft gehandhaafd en er vinden geen werkzaamheden in of nabij waterkeringen plaats. Ten gevolge van het planvoornemen vinden in het plangebied geen werken of werkzaamheden nabij het bestaande oppervlaktewater plaats. Waterkwantiteit Uit het onderzoek blijkt dat: De kans op overstromingen (inundatie) ter plaatse laag is. (bron: risicokaart.nl) De kans op wateroverlast reëel is, gezien de hoge grondwaterstand, et infiltratievermogen van het plangebied laag is, doordat het een veengebied betreft (laag doorlatend vermogen) in combinatie met de hoge grondwaterstand. Toename verhard oppervlak Als het nieuwe oppervlak dat bebouwd wordt niet groter is dan in de huidige situatie aanwezig was hoeft er geen watercompensatie in de vorm van oppervlaktewater plaats te vinden. Uit de uitgevoerde waterberekening blijkt dat er sprake is van een afname van het verharde oppervlak met 726 m2. Ten opzichte van de bestaande situatie wordt meer groen aangelegd waardoor het verhard oppervlak afneemt. Zie hiervoor de bijgevoegde berekening verhard oppervlak in Bijlage 7. Bestaand m 2

Nieuw m 2

Bebouwing bestaand (agrarisch schuren en woning, fundering nog aanwezig)

620

475

Verharding, erf, paden en parkeren

910

329

Subtotaal verharding

1530

804

Groen (tuin en groenzones)

350

1075

Oppervlakte plangebied

1880

1880

Tabel waterberekening Klimaatadaptatie Amsterdam en het hoogheemraadschap hechten waarden aan het rainproof inrichten van de stad. De resultaten uit de watersysteemanalyse van het hoogheemraadschap geven geen gebieden aan binnen het plangebied die kwetsbaar zijn voor inundatie.

Gemeente Amsterdam

blz. 34

Vanuit het MRA zijn er richtlijnen opgesteld waardoor bij ontwikkelingen 70 mm aan water vast te houden voordat het afgevoerd kan worden door de hemelwaterafvoer of de watergang. Zoals hiervoor al uiteengezet is, vindt er een afname aan verharding plaats. Hierdoor is er sprake van een waterneutrale ontwikkeling en van een kwantitatieve verbetering van het watersysteem in de omgeving. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp zal onderzocht worden of het opvangen en hergebruik van water in een regenton/silo een mogelijkheid is om nog meer bij te dragen aan klimaatadaptieve maatregelen in het plangebied. Effecten van de beoogde ontwikkeling op het watersysteem Momenteel is er geen sprake van wateroverlast en door het nemen van passende maatregelen wordt wateroverlast voorkomen (geen kelders, natte kruipruimtes en dergelijke); Het plan sluit qua riolering aan op het naastgelegen woongebied; Er is geen sprake van een toename van verharding; Er worden geen bedrijfsmatige wijze activiteiten verricht waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt; Er is sprake van de aanleg en aansluiting op een rioolafwateringssysteem; Hemelwater wordt geïnfiltreerd; Er worden geen materialen gebruikt waardoor het afstromende water verontreinigd kan raken; Agrarische activiteiten worden niet uitgevoerd; Er wordt géén grondwater onttrokken binnen het plangebied.

bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 35

Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.5

Bodem

Bureau Landview heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 8 bijgesloten. Onderzoek De hypothese voor het onderzoek was dat er verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de waarschijnlijk puin houdende grond aanwezig zijn. Doel van het onderzoek was om aan te tonen dat de verwachte verhoogde gehalten verontreinigende stoffen in de grond op de locatie niet tot meer gebruiksbeperkingen leiden dan beperkingen in het hergebruik. Van hergebruik is sprake wanneer grond, die bij eventueel graafwerk is vrijgekomen, buiten de locatie wordt toegepast. Uit het onderzoek blijkt: In de puin houdende grond zijn verontreinigingen tot boven de interventiewaarden met koper, lood en of PAK geconstateerd; In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen, barium en of naftaleen aangetroffen; Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De hypothese dat in de grond verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. In de grond worden wel interventiewaarden overschreden. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd.

Aangezien plaatselijk interventiewaarden worden overschreden, bestaan er mogelijk risico's voor de volksgezondheid. In principe is nader onderzoek noodzakelijk. Met de nu verkregen resultaten is echter een voldoende duidelijk beeld van de verontreinigingssituatie verkregen. Op basis van de nu bekende gegevens is op de locatie waarschijnlijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging aangezien er een duidelijk vermoeden is, dat in een bodemvolume van meer dan 25 m3 in de grond voor som PAK en een of meer zware metalen de interventiewaarden worden overschreden. Dit betekent dat graafwerkzaamheden ter plaatse van de locatie als saneringswerkzaamheden moeten worden gezien. Deze werkzaamheden moeten daarom worden gemeld aan het bevoegd gezag door middel van een melding in het kader van Besluit uniforme Saneringen (BUS-melding) of door het indienen van een saneringsplan Wbb. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan. Wel dienen de graafwerkzaamheden in het kader van de bouwwerkzaamheden op de locatie als saneringswerkzaamheden te worden gezien. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen wordt de BUS-melding gedaan.

4.6

Geluid

Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 9 bijgesloten.

Gemeente Amsterdam

blz. 36

De woningen liggen niet in de geluidszone van een weg. Wel zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening de nabijgelegen 30 km/uur wegen (Broekergouw, ’t Voorwerf, Uilengouw en Middenlaan Zunderdorp) in het onderzoek betrokken. Onderzoek Uit het onderzoek volgt dat alleen ten gevolge van het niet-gezoneerde deel van de Broekergouw een overschrijding optreedt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB, specifiek op de gevel van de begane grond die zich het dichtst bij de weg bevindt. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt met maximaal 2 dB overschreden op kavel 2. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden.

Afbeelding berekening geluidsniveaus

Afbeelding situatietekening met kavelindeling Wegens de overschrijding van grenswaarde is voor de Broekergouw een afweging van geluidsreducerende maatregelen opgesteld. Afweging van maatregelen In hoofdstuk 5 van het akoestisch rapport is de beoordeling van de bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen beschreven. Hieruit volgt dat het beperken van de rijsnelheid of het beperken van de verkeersintensiteiten van de Broekergouw onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 37

maatregelen zijn. Verplaatsing van de bebouwing is niet mogelijk. Vanwege het niet-gezoneerde deel van de Broekergouw treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting op kavel 2. Op basis van de maatregelenafweging worden bron- en overdrachtsmaatregelen als niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Een aanvraag hogere waarden is niet mogelijk vanwege het ontbreken van een zone. De laatst resterende mogelijkheid is het treffen van maatregelen aan de gevel. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is in het kader van goede ruimtelijke ordening een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels wenselijk, maar niet verplicht volgens het Bouwbesluit. Conclusie Het plan kan vanuit het aspect geluid gerealiseerd worden. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt bepaald of een onderzoek naar de geluidwering van de gevel wordt uitgevoerd.

4.7

Cultuurhistorie

Ten behoeve van het bestemmingsplan is door de gemeente een archeologische Quickscan uitgevoerd. Op basis hiervan is de archeologische waardestelling bepaald. Deze Quickscan is als Bijlage 10 bijgevoegd. Uit de Quickscan volgt dat voor de planlocatie een hoge archeologische verwachting geldt, vanwege de ligging binnen een terpenlint met bewoningssporen daterend vanaf de late middeleeuwen (zie Quickscan 19-141 in bijlage). Aangezien de voorgenomen bodemingreep groter is dan 100 m2 (namelijk ca. 610 m2) en dieper gaat dan 0,5 m (namelijk tot ca. 0,90 m onder maaiveld) geldt als beleid dat een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven in de planontwikkeling wordt opgenomen. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan. Het benodigde onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.

4.8

Luchtkwaliteit

In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 3 woningen mogelijk. Daardoor is deze ontwikkeling aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan zijn de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) bekeken. Uit de monitoringstool (2018) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de dichtstbij gelegen doorgaande wegen, Zunderdorpgouw en Buikslotermeerdijk, Nieuwe Leeuwarderweg / Slochterweg, nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3. De concentratie NO2 bedraagt maximaal 31 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 19,1 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 6,9 ug/m3 (grenswaarde 25 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde Gemeente Amsterdam

blz. 38

concentratie is maximaal 6,4 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog lager is. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.9

Verkeer en parkeren

In subparagraaf 3.2.5 is toegelicht dat het aspect parkeren voor het plan inzichtelijk moet worden gemaakt met een maatwerkingberekening. Voor de beoordeling verkeer en parkeren is gebruik gemaakt van CROW-publicatie ''Toekomstig bestendig parkeren (december 2018)''. In deze publicatie zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Er zijn kencijfers omtrent verkeersgeneratie en parkeerkencijfers, met een minimale en maximale aan te houden bandbreedte. Bij gebruikmaking van deze publicatie is er van uitgegaan dat het plangebied in 'sterk stedelijk gebied' ligt en in een zone ligt die kan worden aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Beoordeling De ritproductie per weekdagetmaal en parkeerkencijfers, met een minimale en maximale aan te houden bandbreedte, behorende bij de in het plangebied te realiseren woningen zijn in onderstaande tabel inzichtelijk gemaakt. Verkeersgeneratie kencijfers

Parkeerkencijfers (pp)

min

max

gemiddeld

min

max

gemiddeld

2-onder-1-kap / 7,4 halfvrijstaand

8,2

7,8

1,6

2,4

2,0

Tabel kencijfers verkeersgeneratie en parkeernormen Het planvoornemen betreft de realisatie van 3 halfvrijstaande woningen. De parkeervraag en de verkeersgeneratie is op basis van bovenstaande tabel doorgerekend. Aantallen Verkeersgeneratie woningen

2-onder-1-kap / halfvrijstaand

3

Parkeervraag (pp)

min

max

gemiddeld

min

max

gemiddeld

22,2

24,6

23,4

4,8

7,2

6,0

Tabel verkeersgeneratie en parkeervraag De realisatie van 3 woningen leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking (van motorvoertuigbewegingen) van en naar het plangebied. Uitgaande van een worst-case scenario wordt voor de verkeersgeneratie een toename van afgerond 23 motorvoertuigen per weekdagetmaal op de bestaande ontsluitingsweg Broekergouw verwacht. Dit is niet van een dusdanige orde van grootte dat bestemmingsplan_7e Herziening Landelijk Noord (vastgesteld)

blz. 39

hierdoor problemen voor de verkeersafwikkeling worden verwacht. Hierbij ook meegewogen dat in een eerdere situatie, ten tijde van de aanwezigheid van de (woon) boerderij in het plangebied, ook al sprake was van een bepaalde verkeersaantrekkende werking. Aangaande de parkeerbehoefte moeten minimaal 5 parkeerplaatsen en maximaal 7 parkeerplaatsen worden aangelegd. De parkeeroplossing wordt op eigen erf opgelost. Aan de oostzijde van het plangebied wordt een parkeerplaats aangelegd met daarin de ruimte voor 8 auto's. Dit is voldoende om te voorzien in de maximale parkeervraag. Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een onevenredige verkeerstoename van en naar het plangebied. Het parkeren kan in het plangebied worden opgelost. Hierbij worden voldoende parkeerplaatsen aangelegd om te voldoen aan de maximale norm. Deze aspecten leveren geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.10

Externe veiligheid

Voor het milieuaspect externe veiligheid zijn een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Die grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR), een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden in dit kader twee normstellingen gehanteerd, te weten: Het plaatsgebonden risico: richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het groepsrisico: stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Beoordeling Aan de hand van de risicokaart is beoordeeld welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Er is 1 risicobron aanwezig te weten; Rijksweg A10 Over de N247 mogen geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Deze weg is daarom buiten beschouwing gelaten. Het PR plafond van de A10 bedraagt 0 meter. Het GR plafond bedraagt 82 meter. Het plangebied ligt op 1,36 km van de weg en daarmee op voldoende afstand van deze weg.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

Afbeelding uitsnede risicok aart, plangebied rood gemarkeerd Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.11

M.e.r.

Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden. Onderdeel B is reeds vervallen. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Het planvoornemen betreft geen activiteit genoemd in de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er is geen sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt wel een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Vormvrije m.e.r. beoordeling Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13373018/1