3. TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk_Toelichting
Tekst van het document
De instructieregels uit § 5.1.4.4 van het Bkl zijn beperkt tot de bescherming van trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten tegen trillingen in het frequentie interval van 1 tot 80 Hertz (Hz), ten gevolge van (milieubelastende) 'activiteiten anders dan wonen'. Ondanks de ruime benaming suggereert zijn veel activiteiten uitgezonderd. Uitgezonderd van het wettelijk kader zijn: activiteiten bij wonen (tenzij het gaat om een bedrijf aan huis) het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen tijdelijke trillinggevoelige gebouwen die niet meer dan tien jaar zijn toegelaten een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, en/of gelegen op een industrieterrein dat onder de Wet geluidhinder 'gezoneerd' was De wettelijke instructieregels en de uitwerking daarvan in het omgevingsplan dienen te waarborgen dat
Gemeente Amsterdam
blz. 76
trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten tegen trillingen van bedrijven beschermd zijn en dat trillingen door een activiteit aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Bkl). De begrippen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten zijn in artikel 5.80 en 5.81 Bkl gedefinieerd. Op grond van artikel 1.1, tweede lid van dit omgevingsplan zijn deze begripsbepalingen van het Bkl ook op dit omgevingsplan van toepassing. Het gaat om woningen en gebouwen voor onderwijs, en gebouwen voor gezondheidszorg- en kinderopvang met bedgebied. Deze categorie komt overeen met geluidgevoelige gebouwen, met het verschil dat woonschepen en woonwagens uitgezonderd zijn van het begrip trillinggevoelig gebouw. Aanvaardbaarheid Op grond van het tweede lid van artikel 5.83 Bkl moet het omgevingsplan erin voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het Bkl geeft daarbij de standaardwaarden waaraan in ieder geval moet worden voldaan. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen. Uitgangspunt bij trillinghinder is primair dat continue trillingen niet voelbaar mogen zijn. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines en stansen ponsactiviteiten.
Herhaald voorkomende trillingen worden meestal veroorzaakt door het aan- en afrijden van vrachtwagens en andere transportmiddelen. Voor zowel de continue trillingen als de herhaald voorkomende trillingen zijn normen opgenomen. De normen voor de continue trillingen zijn strenger dan voor de herhaald voorkomende trillingen. De standaardwaarden voor trillingssterkte in het Bkl zijn ontleend aan de Meet - en beoordelingsrichtlijn van trillingen, onderdeel B: Hinder voor personen in gebouwen van de Stichting Bouwresearch (SBR). Daarbij wordt de trilling beoordeeld aan de hand van de maximaal optredende trillingssterkte (Vmax) en de gemiddelde trillingssterkte (Vper). Als de trillingssterkte onder de standaardwaarden blijft, mag verwacht worden dat er geen hinder zal optreden. De instructieregels uit het Bkl zijn opgenomen in Hoofdstuk 10 van het omgevingsplan. De standaardwaarden zijn, conform wettelijke instructie, opgenomen in de artikelen 10.51 en 10.52 van het omgevingsplan. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente ook aan de 'aanvaardbaarheid' voldoen door het gebruik van andere waarden. In het omgevingsplan kunnen hogere of lagere waarden worden vastgesteld.
Voor hogere waarden kan dit alleen, gelet op het Bkl, indien: eerder al een vergunning of maatwerkvoorschrift is verleend met daarin een hogere waarde; het gaat om een afwijking tot 1,8 maal de standaardwaarde op een bedrijventerrein; het gaat om een afwijking van de standaard- of grenswaarden als zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Zie ook de bijbehorende artikelsgewijze toelichting behorende bij de artikelen 10.46 t/m 10.53 van het omgevingsplan (basisregeling).
8.3
Trillingen ten gevolge van andere activiteiten
In aanvulling op het wettelijk kader kunnen ook regels in het omgevingsplan worden gesteld om trillinghinder te voorkomen of te beperken ten gevolge van andere activiteiten dan (milieubelastende) activiteiten anders dan wonen. Het wettelijk kader in het Bkl laat immers onverlet dat het beginsel van evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook in andere gevallen ertoe kan nopen om een afweging ten aanzien van trillingen te maken. Spoorwegen
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 77
Er zijn geen wettelijke normen voor trillinghinder ten gevolge van de activiteit spoorwegen (railverkeer). Wel was op de vaststelling van een tracébesluit voor de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg de Beleidsregel trillinghinder spoor (Stb. 2012, 7532) van toepassing. Amsterdam heeft ook geen standaardregels opgesteld voor de bescherming van trillingen ten gevolge van de activiteit spoorwegen. Het toepassingsbereik van Hoofdstuk 10 is beperkt in artikel 10.8 van het omgevingsplan. Indien daartoe aanleiding bestaat met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient wel rekening te worden gehouden met trillinghinder ten gevolge van deze activiteit. Voor spoortrillingen is in 2019 een handreiking opgesteld in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Uit deze Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen volgt onder meer dat de gebruikelijk gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder door spoor wordt getoetst, een zone is tot 100 meter van het spoor. Wanneer klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld daartoe aanleiding geven moet een zone van 250 meter worden aangehouden. De afstand van 100 meter van trillinggevoelige gebouwen tot een spoorweg wordt in principe ook in Amsterdam aangehouden voor de afweging of nader trilling onderzoek noodzakelijk is.
Met een dergelijk onderzoek kan, op basis van de eerdergenoemde SBR-richtlijn deel B 'hinder voor personen in gebouwen', een oordeel gegeven worden over de aanvaardbaarheid van de functie op de betreffende locatie. Overige trilling veroorzakende activiteiten Ondanks het ontbreken van wettelijke regelgeving en specifieke beleidskaders is trillinghinder ten gevolge van andere, dan de hierboven beschreven activiteiten, uit de hoofde van de zorgplicht uit de Omgevingswet, een relevant aandachtspunt voor de besluitvorming op het omgevingsplan. De gemeente kan eigen regels stellen in het omgevingsplan voor trillinghinder ten gevolge van activiteiten zoals doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
8.4
Besluitgebied
Zoals beschreven is het onderdeel trillingen geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bronnen van trillingen aanwezig, behoudens de spoorlijn ten zuiden van het plangebied. De gebruikelijk gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden die boven de streefwaarde voor Vmax van 0,1 komen. Dit blijkt uit de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Uit de hiervoor genoemde Handreiking blijkt dat er in specifieke situaties aanleiding kan bestaan om een ruimere afstand dan 100 meter te hanteren. In voorliggend geval geldt dat het plangebied nagenoeg direct grenst aan de spoorlijn.
Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de leefomgevingsfoto (MER Haven-Stad), daaruit blijkt dat het plangebied
Gemeente Amsterdam
blz. 78
gelegen is binnen een 'aandachtzone trillinghinder' en een 'zone nader trillingonderzoek'.
Figuur 18: Uitsnede leefomgevingsfoto MER Haven-Stad, locatie globaal omlijnd. Ten behoeve van het plan is door Peutz een trillinghinderonderzoek uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 6 toegevoegd aan voorliggende motivering. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Meetmethode, meetinstrumenten en locatie meetposities Op twee meetposities op circa 55 meter van het hart van de spoorlijn hebben metingen plaatsgevonden. Het een en ander is weergegeven in onderstaand figuur.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 79
Figuur 19: Uitsnede trillinghinderonderzoek Peutz. De trillingmetingen zijn uitgevoerd conform de richtlijn SBR-B en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Het berekende trillingniveau (Vmax) t.g.v. de vijftien meest maatgevende treinpassages voor beide meetposities zijn weergegeven in onderstaande figuren.
Gemeente Amsterdam
blz. 80
Figuur 20: Uitsnede trillinghinderonderzoek Peutz.
Figuur 21: Uitsnede trillinghinderonderzoek Peutz. Uit de conclusie van het onderzoek blijkt dat op enkele treinpassages een overschrijding van de streefwaarde A2 plaatsvindt. Echter zal de toekomstige bebouwing door zijn massa en stijfheid trillingen verder reduceren. Vloeren kunnen het trillingsniveau echter weer verhogen indien aanstootfrequenties van trillingen op maaiveldniveau overeenkomen met de eerste eigenfrequentie van een vloer. Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zal moeten worden aangetoond dat de uiteindelijk beoogde constructie de trillingen op maaiveld voldoende reduceert en dat er geen sprake is van opslingering door de aanwezige vloervelden of andere gebouwdelen. De gemeten trillingniveaus op maaiveld zijn echter niet dusdanig hoog dat in de woningen niet voldaan kan worden aan de streefwaarden. Bij de verdere planvorming dient in het ontwerp aandacht geschonken te worden aan de gebouwconstructie en de afmetingen en het type vloeren. Het aspect vormt in het kader van het TAM-omgevingsplan verder geen belemmering.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 81
Hoofdstuk 9 9.1
Luchtkwaliteit
Wetgeving
De gemeente moet bij het toelaten van activiteiten in het omgevingsplan in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor lucht. De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (art. 2.1 en 2.4 Ow). In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit houdt in dat het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. De standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit staan onder artikel 5.54 (Bkl).
Activiteitentoetsen in en nabij aandachtsgebieden De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden (artikel 5.51 Bkl). Dat zijn gebieden of locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Volgens het tweede lid is de agglomeratie Amsterdam/Haarlem aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de activiteiten genoemd in het eerste lid van artikel 5.51 Bkl, namelijk: a. de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen, niet zijnde een activiteit als bedoeld in artikel 5.50 eerste lid; b. activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of c. milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Activiteiten die altijd getoetst moeten worden Naast activiteiten die in en nabij aandachtsgebieden getoetst moeten worden, zijn er activiteiten, die de gemeente overal moet toetsen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.50 van het Bkl. Hierbij gaat het om: a.
de aanleg van een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten minste 100 meter; b. een wijziging van een wegtunnelbuis waarbij de tunnelbuislengte met ten minste 100 meter toeneemt; of c. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Uitgezonderde locaties luchtkwaliteit, artikel 5.52 (Bkl) De instructieregels van de artikelen 5.50 en 5.51 (Bkl) zijn niet van toepassing voor zover het gaat om de verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of van PM10 op:
Gemeente Amsterdam
blz. 82
d. een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning is; of a. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. Omgevingswaarden Artikel 5.51 vierde lid van het Bkl bepaalt het volgende: Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van een van de volgende in een daarbij aangegeven aandachtsgebied, worden in een omgevingsplan de daarbij aangegeven omgevingswaarden in acht genomen: a. in een aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijnstof: 1°. de omgevingswaarde voor stikstofdioxide, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onder b; en 2°. de omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid; en b. in een aandachtsgebied voor fijnstof: de omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid. Het vijfde lid bepaalt vervolgens: Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide of van PM10 zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing . De omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn te vinden in paragraaf 2.2.1 Bkl. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn te vinden onder artikel 2.4, respectievelijk 2.5, Bkl.
Toetsing en monitoring In het algemeen geldt dat onder de Omgevingswet minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit worden getoetst en dat geldt ook voor de monitoring. Dat houdt verband met de aangewezen aandachtsgebieden, waar vooral aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Aangezien gemeente Amsterdam tot een aangewezen aandachtgebied voor stikstofdioxide en fijnstof behoort, is dit bij de opstelling van het omgevingsplan van belang. De monitoring van rijksomgevingswaarden vindt jaarlijks vanuit het ministerie door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) plaats. Of in Amsterdam wel of niet aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof wordt voldaan, wordt aldus centraal door meten en berekenen vastgesteld. De gemeente levert daarvoor jaarlijks de gegevens aan. De monitoringsrapportage wordt door de betrokken minister aangeboden aan de Tweede Kamer en vervolgens wordt aan de hand daarvan het gemeentebestuur geïnformeerd over de monitoringsresultaten die specifiek betrekking hebben op Amsterdam. GCN-kaarten (grootschalige concentratiekaart Nederland) geven een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit in Nederland. Paragraaf 11.2.1.1 van het Bkl geeft regels over de wijze waarop de monitoring plaatsvindt en hoe de gegevens worden verzameld.
Beoordelingsregels vergunningverlening milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 8 Bkl gaat over vergunningverlening, waaronder beoordelingsregels bij aanvragen omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit. Het betreft algemene regels en meer specifieke regels. Artikel 8.17 bevat specifieke beoordelingsregels voor de milieubelastende activiteit luchtkwaliteit.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 83
9.2
Het Schone Lucht Akkoord (SLA)
Het doel van het Schone Lucht Akkoord is om de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. Het is een akkoord tussen Rijk, provincies en een groot aantal gemeenten, waaronder Amsterdam. Samen streven de deelnemende partijen naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Daarbij wordt toegewerkt naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit in 2030 voor fijnstof en stikstofdioxide. Het akkoord onderschrijft de ambitie om in de sectoren (weg)verkeer, inclusief mobiele werktuigen, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens een dalende trend in te zetten van emissies van stikstofdioxide en fijnstof naar de lucht, waarbij éénieder verantwoordelijk is voor de eigen bijdrage aan de doelstelling en partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van het akkoord. Op 26 maart 2021 is de uitvoeringsagenda 2021-2023 gepubliceerd. De Uitvoeringsagenda gaat over de gezamenlijke aanpak van rijk, provincies en gemeenten van het Schone Lucht Akkoord. De agenda bevat de maatregelen, pilots en activiteiten van de deelnemers om de afspraken uit het Akkoord in praktijk te brengen.
9.3
Actieplan Schone Lucht 2019 (ASL)
Het Actieplan Schone Lucht beschrijft op hoofdlijnen onder andere hoe de gemeente in 2030 wil voldoen aan de jaargemiddelde advieswaarden van de World Health Organisation (WHO). Op dat moment waren dat de volgende: een gemiddelde jaarconcentratie voor stikstofdioxide van 40 µg/m3, voor fijnstof vanonder 20 (of 15) µg/m3 (PM10), respectievelijk en 10 (of 5) µg/m3 (PM2.5). Rood is volgens tabel uit document WHO advieswaarden Luchtkwaliteit 2021. Dit zijn, behalve voor stikstofdioxide strengere waarden dan de Europese grenswaarden. Op 22 september 2021 heeft de WHO aangescherpte advieswaarden Luchtkwaliteit gepubliceerd. De haalbaarheid van deze aangescherpte advieswaarden zijn nog in onderzoek en nog niet in nader landelijk en gemeentelijk beleid vertaald. In het Actieplan Schone Lucht wordt omschreven hoe de gemeente wil gaan voldoen aan deze waarden.
De kern van de aanpak luidt als volgt: bij de bron beginnen: uitstoot van vieze stoffen voorkomen is beter en uiteindelijk goedkoper dan bestrijden; aanpakken wat haalbaar is: tegengaan van de uitstoot van verkeer, houtstook en mobiele werktuigen als aggregaten en bouwwerktuigen; meest vieze punten eerst: het centrum heeft de meeste knelpunten in luchtkwaliteit en is het drukste deel van de stad; van zakelijk naar privaat: zakelijk verkeer maakt de meeste kilometers en heeft meer mogelijkheden om sneller te verschonen dan bewoners. Daarnaast heeft de gemeente de volgende mijlpalen verwoord: 2020: Realisatie (diesel)milieuzone binnen ring A10 personenauto's vanaf Euro4 en geografische uitbreiding milieuzones; 2022: ov-bussen en touringcars centrum zijn uitstootvrij (binnen s100 ten zuiden van het spoor); 2025: al het verkeer, waaronder ook taxi's, passagiersvaart, pleziervaart en GVB-veren, maar behalve personenauto's en motoren, is uitstootvrij binnen de ring A10 (voor brom- en snorfietsen geldt de hele bebouwde kom); 2030: al het verkeer binnen bebouwde kom is uitstootvrij.
Gemeente Amsterdam
blz. 84
9.4
Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (2010)
Op 21 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit 2024' vastgesteld, waarmee de oude richtlijn uit 2014 werd vervangen. De afstanden voor snelwegen en binnenstedelijke wegen zijn ten opzichte van de oude richtlijn gehalveerd. Dat betekent dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 150 meter van de rand van een snelweg, binnen 50 meter van de rand van een provinciale weg of binnen 25 meter van een drukke stadsweg. Een drukke stadsweg is een weg waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. Binnen de zones wordt in beginsel een bouw- en/of gebruiksverbod voor gevoelige functies opgenomen. (De richtlijn hanteert vanwege de herkenbaarheid nog steeds het begrip 'bestemmingen', een kernbegrip van de inmiddels vervallen Wet ruimtelijke ordening. Die term blijft onder de Omgevingswet bruikbaar.) Een gevoelige bestemming kan als volgt gedefinieerd worden: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.
De richtlijn heeft in beginsel alleen betrekking op nieuwe situaties. Hierbij moet worden gedacht aan nieuw te bouwen gebouwen bedoeld voor gevoelige bestemmingen als wel om bestaande gebouwen die een functiewijziging ondergaan waardoor het mogelijk wordt om in een bestaand gebouw een (voor die locatie) nieuwe gevoelige bestemming te vestigen. In de richtlijn wordt het 'nee, tenzij'-principe gehanteerd. Dit betekent dat van de richtlijn gemotiveerd kan worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Daarbij moet expliciet aandacht worden besteed aan de relatie tussen gezondheid en luchtkwaliteit. Als langs een drukke weg vestiging van een gevoelige bestemming gewenst is, is het verplicht om een toetsing te laten uitvoeren door de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) van de gemeente Amsterdam. De uitkomst van deze toetsing (en eventueel daaruit voortvloeiende aanbevelingen) moeten binnen het kader van besluitvorming over het project aan het bevoegd gezag kenbaar worden gemaakt. Indien het bevoegd gezag de eventuele aanbevelingen van de GGD niet overneemt, dan wordt dit schriftelijk met redenen omkleed beargumenteerd.
9.5
Besluitgebied
Zoals beschreven moet de gemeente de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl). Geconcludeerd kan worden dat het plangebied gelegen is binnen een aandachtsgebied voor NO2 en PM10. Uit de leefomgevingsfoto van het MER Haven-Stad blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het gebied waar de richtlijn gevoelige bestemmingen van toepassing is. Daarnaast voorzien het plan ook niet in een dergelijk gevoelige functie.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 85
Figuur 22: Uitsnede leefomgevingsfoto MER Haven-Stad, locatie globaal omlijnd. Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties. In onderhavig geval is sprake van een maximale toevoeging van 850 woningen met een
Gemeente Amsterdam
blz. 86
niet-woonprogramma van maximaal 10.000 m2 bvo en derhalve kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt op basis van voorgenoemde voorbeelden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de achtergrondconcentraties ter plaatse van het plangebied beoordeeld. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (geraadpleegd via CIMLK op 8 juli 2025). Jaar
Totale concentratie, rekenpunt 34366966_1089162 NO2 (µg/m3)
PM10 (µg/m3)
PM2, 5 (µg/ m 3)
Monit 17,89 orings ronde 2024 – mon itoring sjaar 2025
17,24
8,57
Monit 15,33 orings ronde 2024 – mon itoring sjaar 2030
16,26
7,67
Grens 40 waard en
40
25
Figuur 23: Tabel achtergrondconcentraties nabij plangebied. Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Op basis van de resultaten uit het CIMLK kan niet alleen geconcludeerd worden dat de concentraties ruim onder de maatgevende omgevingswaarden voor deze stoffen liggen, maar ook naar de toekomst toe steeds verder dalen. Daarnaast geldt dat er voor PM10 6,01 overschrijdingsdagen optreden. Dit aantal is ruim minder dan het maximum van 35 overschrijdingsdagen. Zodoende kan geconcludeerd worden dat de rijksomgevingswaarden (grenswaarden in bovenstaand tabel) op de ontwikkellocatie niet worden overschreden. Ook kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 87
Hoofdstuk 10 10.1
Omgevingsveiligheid (externe veiligheid)
Algemeen
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, wateren spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Een viertal begrippen is van belang: het plaatsgebonden risico (PR), brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden (BAG, EAG en GAG), voorschriftengebieden en het groepsrisico (GR). Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour rond de risicovolle activiteit en geeft daarmee de (minimaal) aan te houden afstand aan tussen de risicovolle activiteit en te beschermen objecten.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden volgen uit het toestaan van een bepaalde risicobron op een locatie en gelden automatisch zodra de risicoactiviteit vergund is dan wel met de risicoactiviteit is begonnen. In brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebieden, moet je rekening houden met gevaren die door bedrijven of door het transport van gevaarlijke stoffen veroorzaakt worden. Binnen deze aandachtsgebieden kunnen voorwaarden worden gesteld voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, scholen, kantoorpanden en ziekenhuizen. Hiertoe wordt er onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (zoals kinderopvang en ziekenhuizen) en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties (zoals kampeerterreinen en grote evenementen). De definities van deze categorieën zijn opgenomen in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voorschriftengebied In het omgevingsplan worden aandachtsgebieden als voorschriftengebieden aangewezen, waardoor (bouwtechnische) maatregelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gaan gelden voor nieuwe gebouwen.
De gemeente moet in principe in een omgevingsplan een geldend brandaandachtsgebied aanwijzen als een brandvoorschriftengebied en een geldend explosieaandachtsgebied als een explosievoorschriftengebied. De gemeenteraad kan gemotiveerd afzien van de verplichte aanwijzing van een voorschriftengebied of een kleiner voorschriftengebied aanwijzen. Voor zover zeer kwetsbare gebouwen zijn voorzien op een locatie in het aandachtsgebied bestaat deze mogelijkheid niet en moeten de maatregelen uit het Bbl worden toegepast. Voor een gifwolkaandachtsgebied is het niet mogelijk (en ook niet nodig) een voorschriftengebied aan te wijzen, omdat de generieke bouweisen uit het Bbl al voldoende mogelijkheden bieden om bescherming tegen een gifwolk te realiseren.
Gemeente Amsterdam
blz. 88
Groepsrisico Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Uit onder meer de Nota van toelichting bij het Bkl is echter op te maken dat het in het nieuwe beleid niet alleen gaat om het voorkomen van doden, maar ook om het voorkomen of beperken van maatschappelijke ontwrichting. Maatschappelijke ontwrichting kan verband houden met het overlijden van een groep mensen, maar ook met gewonden, milieuschade en economische schade. Voor externe veiligheid wordt door het Rijk sinds 2013 nieuw beleid ontwikkeld dat wordt aangeduid als omgevingsveiligheidsbeleid. Het omgevingsveiligheidsbeleid is er op gericht dat het bevoegd gezag externe veiligheidsrisico's als ontwerp-variabele zo vroeg mogelijk bij de totstandkoming van omgevingsplannen betrekt. In de ontwerpfase zijn immer meestal nog meerdere keuzes mogelijk, zoals een keuze voor een andere, minder risicovolle locatie of voor het voorschrijven van maatregelen die het aantal mogelijke slachtoffers bij een ongeval verminderen.
Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de term omgevingsveiligheid niet gebruikt wordt de term externe veiligheid in dit omgevingsplan gebruikt. Omgevingsveiligheid wordt ook wel in verband gebracht met artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dat artikel moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, beperken en te bestrijden en met de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van personen en geneeskundige hulpverlening. Dit betreft dus een bredere afweging, externe veiligheid is dan slechts één van die veiligheidsrisico's, maar het kan ook gaan om overstromingen, natuurbranden of paniek in een menigte. Deze andere aspecten van veiligheid worden uitgewerkt in het regionaal risicoprofiel en het regionaal beleidsplan die worden opgesteld door de Veiligheidsregio. Wanneer onderdelen hiervan gevolgen hebben voor dit omgevingsplan, wordt dit uitgewerkt in de betreffende paragraaf of toegepast op dat gebied.
10.2
Regelgeving
10.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving De Omgevingswet geeft aan welke instructieregels worden gesteld over met het oog het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, met betrekking tot de externe veiligheidsrisico's van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, in ieder geval ter uitvoering van de Seveso-richtlijn. Deze instructieregels zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De instructieregels gaan in op het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, voorschriftengebieden en het groepsrisico in relatie tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Wat er onder beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties valt, is opgenomen in Bijlage VI van het Bkl. In de bijlagen VII, VIII, IX en X van het Bkl staan de risicovolle activiteiten genoemd. Voor alle risicovolle activiteiten geldt dat binnen de PR 10-6 geen nieuwe kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen of locaties mogen worden toegestaan en alleen onder voorwaarden kunnen er beperkt kwetsbare gebouwen of locaties worden toegestaan. Voor windturbines zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving andere eisen opgenomen met betrekking tot het plaatsgebonden risico.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 89
In de brand- en explosieaandachtsgebieden geldt dat er een voorschriftengebied moet worden aangewezen in het omgevingsplan. Hiervan kan gemotiveerd een kleiner gebied worden aangewezen of worden afgezien. Dit geldt echter niet als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen binnen een brand- en explosieaandachtsgebied worden toegelaten; die locatie moet als een voorschriftengebied worden aangewezen. Voor transportassen opgenomen in het Basisnet geldt dat hiervoor in de omgevingsregeling een brandvoorschriftengebied is aangewezen. Voor buisleidingen is het verplicht om in het omgevingsplan de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden van het hart van de leiding) meegenomen, waarbinnen geen kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen mogen worden opgericht. Verder dient het omgevingsplan te waarborgen dat het bouwen van andere bouwwerken en het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook, de integriteit en werking van de buisleiding niet schaadt. De bevoegdheid voor het maken van keuzes over externe veiligheid ligt grotendeels bij de gemeente. Uit de toelichting van het Bkl betreffende het groepsrisico blijkt tot slot dat gemeenten worden geacht de volgende opties achtereenvolgens af te wegen: 1.
De te beschermen functies worden buiten een het aandachtsgebied gerealiseerd. 2. Indien te beschermen functies binnen een aandachtsgebied worden gerealiseerd, dan dienen de volgende afwegingen gemaakt moeten worden: a. Het omgevingsplan biedt waarborgen dat binnen een aandachtsgebied zodanige maatregelen zijn getroffen dat de kans dat personen binnen een gebouw of op een locatie buiten een gebouw overlijden als gevolg van een brand, explosie of giftige stof voldoende wordt beperkt. b. Het omgevingsplan bevat regels die het mogelijke aantal slachtoffers binnen het aandachtsgebied beperken. Het gaat dus om een volgordelijk patroon van: afstand houden of anders het waarborgen van maatregelen en het opnemen van regels over beperking mogelijk aantal slachtoffers. 10.2.2 Luchthavenindelingbesluit Schiphol Beperkingengebied LIB 3 Uit de kaarten behorende bij het LIB blijkt dat voorliggend besluitgebied buiten de beperkingencontour van het LIB 3 is gelegen. In voorliggende motivering wordt hier verder niet op ingegaan. Afwegingsgebied LIB 5 Bijlage 3 van het LIB bevat het ruimtelijk afwegingsgebied geluid en externe veiligheid (voorheen: 20 Ke gebied), aangeduid met nummer 5. Volgens het bepaalde in artikel 2.2.1.d, eerste lid, van het LIB zijn binnen het ruimtelijke afwegingsgebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied.
Op grond van het tweede lid van hetzelfde artikel motiveren gemeenten in de toelichting op het omgevingsplan de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen.
10.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Amsterdam 2050
Gemeente Amsterdam
blz. 90
De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 gaat onder het kopje Omgevingsveiligheid in op zowel de brede definitie van omgevingsveiligheid als de beperkte. In de omgevingsvisie wordt meegegeven dat een volledig veilige stad niet mogelijk is. Veiligheid als absolute doelstelling kan niet en zou tot een onleefbare stad leiden. Tot op zekere hoogte horen risico's bij een gemengde stad. Door Amsterdam liggen belangrijke regionale en nationale routes voor gevaarlijke stoffen. Dit zijn routes via alle modaliteiten: buisleidingen, (rijks)wegen, spoor- en vaarwegen. Daarnaast zijn er bedrijven die vanwege het gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen als risicobron gelden. De routes gevaarlijke stoffen worden mogelijk nog belangrijker in de toekomst. Vanwege de energietransitie zullen andere niet-fossiele brandstoffen nodig zijn, zoals waterstof. De aandachtsgebieden van al deze risicobronnen zullen deels over stedelijk gebied komen te liggen en soms de gemeentegrens overschrijden. Langs de routes zal in de komende 30 jaar ook worden getransformeerd en verdicht. De wijze waarop in dergelijke gebieden om wordt gegaan met deze risico's en welke risico's daar aanvaardbaar zijn, moet nog verder worden uitgewerkt. In het havengebied zijn risicobedrijven gevestigd en zullen ook nieuwe risicobedrijven zich vestigen voor de energietransitie.
Voor het industriegebied waar de haven deel van uitmaakt, Westpoort, is gebiedsgericht beleid gemaakt (Gebiedsvisie EV Westpoort 2009). Dit beleid wordt ook in de komende jaren geactualiseerd. Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water of door buisleidingen in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van het bevoegd gezag kan worden toegestaan.
Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. Naast het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 zijn er nog vier andere vigerende beleidsdocumenten in Amsterdam: Gebiedsgerichte visie externe veiligheid Westpoort (2009), van toepassing op Wespoort;
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 91
Spoorzone Zuidoostlob Amsterdam, Omgevingsvisie externe veiligheid (2012), van toepassing op de spoorzone in stadsdeel Zuidoost; Beleidsvisie externe veiligheid, Gooi- en Vechtstreek (2010), van toepassing op het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp; Beleidsnotitie advisering Groepsrisico (2006) van toepassing op het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp. Het uitvoeringsbeleid is echter het meest uitgebreid en geldt voor een groot deel van de stad. Op het ogenblik is er nieuw beleid in voorbereiding. Totdat het nieuwe beleid is vastgesteld wordt getoetst op basis van deze visies en het uitvoeringsbeleid. Gebiedsvisie externe veiligheid Westpoort Burgemeester en wethouders hebben bij besluit van 8 december 2009 de Gebiedsvisie externe veiligheid Westpoort vastgesteld. Gedeputeerde Staten hebben de gebiedsvisie bij besluit van 15 december 2009 vastgesteld. Deze visie omvat onder meer een zonering van Westpoort op het punt van de toelaatbaarheid van risicoveroorzakende bedrijvigheid en de toelaatbaarheid van (beperkt) kwetsbare objecten. Deze visie wordt ook geactualiseerd.
10.4
Besluitgebied
In onderstaand figuur is een uitsnede opgenomen van de beschikbare openbare kaarten (Atlasleefomgeving). Daaruit blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het brand- (slechts deels) en explosieaandachtsgebied van het spoor (ten zuiden) en brandaandachtsgebied (slechts deels) van een buisleiding. In onderstaand figuur is een uitsnede opgenomen van de beschikbare openbare kaarten (Atlasleefomgeving). Daaruit blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het brand- (slechts deels) en explosieaandachtsgebied van het spoor (ten zuiden) en brandaandachtsgebied (slechts deels) van een buisleiding. Brandaandachtsgebied buisleiding (W-534-08)
Brand- en explosieaandachtsgebied spoor
Figuur 24: Uitsnede atalasleefomgeving, plangebied in brand en explosieaandachtsgebied. Het een en ander blijkt tevens uit de leefomgevingsfoto van het MER Haven-Stad.
Gemeente Amsterdam
blz. 92
Figuur 25: Uitsnede leefomgevingsfoto MER Haven-Stad. Ten behoeve van het plan is door DWA een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het is als bijlage 7 opgenomen bij deze motivering. De resultaten worden hieronder nader beschreven. Externe veiligheidsrisico's plangebied - spoorlijn Over de spoorlijn Amsterdam Sloterdijk – Amsterdam centraal worden gevaarlijke stoffen getransporteerd en ligt op circa 50 meter ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee buiten het brandaandachtsgebied (BAG) van 30 meter, maar binnen het explosieaandachtsgebied (EAG) van 200 meter. Een afstand van 0 meter betekent dat het plaatsgebonden risico als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen op die afstand – gemeten vanaf het midden tussen de buitenste sporen waarover gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd – niet hoger mag zijn dan PR 10?6 per jaar. Aangezien het plangebied zich op minimaal 50 meter ten noorden van het spoor bevindt, ligt het buiten deze risicocontour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich binnen het explosieaandachtsgebied (EAG) van 200 meter. Het explosieaandachtsgebied is weergegeven in bovenstaand figuur.
Binnen deze zone kunnen bouwkundige eisen worden gesteld, maar alleen onder de volgende voorwaarden: Als het bevoegd gezag een explosievoorschriftengebied heeft aangewezen, of als de ontwikkeling betrekking heeft op een zeer kwetsbaar gebouw.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 93
In het omgevingsplan is geen explosievoorschriftengebied is aangewezen. Daarom kunnen er geen aanvullende bouwkundige eisen worden opgelegd op grond van artikel 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De geplande ontwikkeling wordt wel aangemerkt als een kwetsbaar gebouw (conform Bijlage VI van het Bkl). Voor dit type gebouw geldt geen verplichting tot het aanwijzen van een voorschriftengebied in het omgevingsplan. Voor nieuwbouw geldt dat het handmatig kunnen uitschakelen van een mechanisch ventilatiesysteem een standaard bouwkundige eis is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dankzij deze maatregel biedt schuilen in een gebouw bij een gifwolk doorgaans betere bescherming dan vluchten. Hierdoor zijn personen in nieuwe gebouwen binnen een gifwolkaandachtsgebied in principe voldoende beschermd tegen de effecten van een giftige gaswolk. Externe veiligheidsrisico's plangebied - buisleiding Het plangebied bevindt zich deels binnen het brandaandachtsgebied (BAG) van de betreffende buisleiding, zoals weergegeven in bovenstaand figuur. Er is geen brandvoorschriftengebied aangewezen. De ontwikkeling binnen het plangebied wordt aangemerkt als een kwetsbaar gebouw (conform Bijlage VI van het Bkl). Voor dit type gebouw is het voor het bevoegd gezag niet verplicht om een voorschriftengebied aan te wijzen in het omgevingsplan.
Mocht het bevoegd gezag alsnog besluiten om een brandvoorschriftengebied aan te wijzen, dan gelden voor een deel van de gebouwen in het plangebied aanvullende bouweisen op grond van artikelen 4.91 tot en met 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze eisen hebben betrekking op: Brandwerendheid van uitwendige scheidingsconstructies [artikel 4.91 Bbl] Brandklasse A2 voor gevels en dak [artikel 4.92 en 4.93 Bbl] Veilige vluchtroutes [artikel 4.94 Bbl] Sterkte van het gebouw bij brand [artikel 4.95 Bbl] Beschouwing groepsrisico Conform artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Dit betreft het groepsrisico. Conform artikel 5.15 lid 2 van de Bkl wordt aan het hier bovenstaande in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied: geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, het volgende waarborgt: 1.
Maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in deze gebouwen en op deze locaties, of 2. Het aantal aanwezige personen of de verblijfsduur van die personen op deze locaties beperkt is. Het bevoegd gezag kan gebruik maken van een zogeheten 'gereedschapskist' met maatregelen om de veiligheid binnen aandachtsgebieden te waarborgen: 1. 2. 3. 4.
Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied Aanvullende risicocommunicatie richting bewoners en gebruikers Beperken van personendichtheid in de directe omgeving Vlucht- en schuilmogelijkheden creëren of verbeteren
Gemeente Amsterdam
blz. 94
5. Omgevingsmaatregelen, zoals groenstroken of fysieke barrières 6. Aanvullende bouwmaatregelen binnen een aangewezen voorschriftengebied Zelfredzaamheid Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied De ontwikkeling ligt voor een deel binnen het explosieaandachtsgebied van het spoor en het brandaandachtsgebied van de buisleiding. Daarmee ligt het planvoornemen grotendeels buiten de meest risicovolle zone van de aandachtsgebieden. De ruimte op de beschikbare kavel voor het meer afstand nemen tot deze risicobronnen is zeer beperkt. Aanvullende risicocommunicatie Bij een ondergrondse buisleiding kan een breuk of lekkage worden veroorzaakt door (graaf)werkzaamheden nabij of aan de leiding. Wanneer nieuwe bewoners de locatie betrekken, kunnen zij op de hoogte worden gebracht, bijvoorbeeld middels een brochure waarin informatie is opgenomen over de scenario's, de effecten en het bijbehorende handelingsperspectief bij een fakkelbrand. Op dezelfde wijze kunnen bewoners op de hoogte worden gebracht bijvoorbeeld middels een brochure waarin informatie is opgenomen over de scenario's, de effecten en het bijbehorende handelingsperspectief bij een ongeval op het spoor. Beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron. Aangenomen wordt dat door de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een toename van 1.695 personen.
Deze zelfredzame personen zijn vanwege de woonfunctie voor 50% overdag en 100% 's nachts aanwezig verondersteld. Deze toename van personen is een logisch gevolg van de ontwikkeling. Snelle ongevalsscenario's geven minder mogelijkheden voor mensen om zichzelf in veiligheid te brengen. Conform het uitvoeringsbeleid zal Amsterdam zal bij de afweging omtrent een ruimtelijk besluit langs alle rijkswegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en langs de spoorzone (traject Haven-Centraal station-Station Muiderpoort-Duivendrecht) expliciet in worden gegaan op de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied. In basis dienen nieuwe objecten bedoeld voor minder zelfredzame personen (als kinderen < 12 jaar, zieken, bejaarden en gehandicapten) te worden gesitueerd buiten de 100%-letaliteitsgrens van LPG (80 meter vanaf de rand van de rechterrijbaan van rijkswegen en 100 meter vanaf de buitenste spoorstaaf). Uitgangspunt hierbij is dat er op deze afstand meer mogelijkheden zijn om mensen in veiligheid te brengen bij een eventueel ongeval op de weg of het spoor. Het gehele plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied. Hierbij kan de eerste lijns bebouwing dienen als afschermende werking voor de achterliggende objecten. Uitgangspunt voor het plangebied is dat hier geen zeer kwetsbare groepen of terreinen worden gerealiseerd.
Bovendien wordt, in lijn met het uitvoeringsbeleid van de gemeente Amsterdam, op het plangebied geen minder zelfredzame personen gehuisvest (als kinderen < 12 jaar, zieken, bejaarden en gehandicapten). Met de minder zelfredzame personen wordt uitdrukkelijk niet bedoeld objecten als woningen, winkels, kantoren etc. waar deze groepen ook aanwezig kunnen zijn. Deze zijn volgens het uitvoeringsbeleid wel mogelijk binnen het explosieaandachtsgebied. Op dit punt voldoet het plan dus aan de uitgangspunten van het uitvoeringsbeleid. Vlucht- en schuilmogelijkheden. Afhankelijk van waar op het spoor of de aardgasleiding een calamiteit plaatsvindt, kan gevlucht worden in tegengestelde richting, waarbij het gebouw als bescherming fungeert, namelijk: bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 95
Calamiteit spoor: vluchten via de contactweg naar Transformatorweg, bij een gifwolk dient in de woning te worden gebleven en het ventilatiesysteem te worden uitgeschakeld. Calamiteit buisleiding: Vluchten via de contactweg onder het spoor door naar de Sloterdijkerweg. Omgevingsmaatregelen. Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen binnen de aandachtsgebieden in geval van calamiteit. NL-Alert kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten). Daarnaast dient om de gevolgen van ongevallen te beperken in ieder geval rekening gehouden te worden met (art. 5.2 Bkl): het voorkomen, beperken en bestrijden van die branden, rampen en crises; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en de geneeskundige hulpverlening aan personen Conclusie Het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied (EAG) van het spoor. Omdat erin het omgevingsplan geen voorschriftengebied is voorgeschreven, zijn de eisen uit de Bbl niet van kracht. Dit is ook niet vereist. Enkel wanneer er in het plangebied zeer kwetsbare gebouwen worden voorzien (zoals woonfuncties voor 24-uurs zorg, ziekenhuizen, kinderdagverblijven en penitentiaire inrichtingen) moet door het bevoegd gezag het voorschriftengebied worden aangewezen in het omgevingsplan.
Aangezien deze functie in voorliggend TAM-omgevingsplan niet zijn toegestaan is dit niet direct van toepassing. Verder ligt het plangebied binnen het (toekomstige) gifwolkaandachtsgebied (GAG). Voor nieuwbouw binnen dit gebied geldt dat het handmatig kunnen uitschakelen van mechanische ventilatie een standaard bouwkundige eis is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dankzij deze maatregel zijn aanwezigen in nieuwe gebouwen in principe voldoende beschermd tegen de effecten van een gifwolk. Daarnaast wordt bij de verdere planvorming rekening gehouden met de volgende aspecten: Zorg dragen voor het feit dat de gebruiker bekend is met de externe veiligheidsrisico's middels een brochure waarin informatie is opgenomen over de scenario's, de effecten en het bijbehorende handelingsperspectief bij de betreffende externe veiligheidsrisico's. Borg dat de vluchtroutes vanuit de gebouwen van de bron afleiden en het gebouw bescherming biedt. Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen binnen de aandachtsgebieden in geval van calamiteit. NL-Alert kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten). Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor wat betreft externe veiligheid.
Gemeente Amsterdam
blz. 96
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22M Sloterdijk 1 Zuid Blok 1 Zuid (vastgesteld)
blz. 97
Hoofdstuk 11
Milieuruimte van milieubelastende activeiten
11.1 Algemeen kader voor toelating van milieubelastende en milieugevoelige activiteiten Milieuhinder en milieuruimte i.h.k.v. evenwichtige toedeling van functies aan locaties Een kernbegrip van de Omgevingswet is 'milieubelastende activiteit'. Dat is (gelet op bijlage 1 bij de Omgevingswet) een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken (anders dan lozen op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk of wateronttrekking). Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt onder meer in dat: 7. milieuhinder voor gevoelige activiteiten wordt voorkomen of zo veel mogelijk beperkt ('beschermen'); en 8. er voldoende ruimte wordt geboden voor milieubelastende activiteiten ('benutten'). Gelet hierop dient bij het toelaten van nieuwe milieubelastende activiteiten beoordeeld te worden of milieubelasting van die nieuwe activiteiten aanvaardbaar is voor toegelaten (bestaande en mogelijk toekomstige) woningen ('aanvaardbaar woon- en leefklimaat') en voor andere milieugevoelige activiteiten. Ook bij het 'hertoelaten' (herbestemmen onder het oude recht) van bestaande milieubelastende activiteiten dient beoordeeld te worden of er nog steeds sprake is van een aanvaardbare situatie. Ook dient getoetst te worden of een nieuwe milieubelastende activiteit qua benodigde milieuruimte passend is op de locatie.
Is de betreffende locatie geschikt voor het vestigen van die activiteit of is de ruimte gereserveerd voor lichtere of zwaardere functies qua milieugebruik? In geval van bestaande activiteiten (bv. bij het hertoelaten van een bestaand bedrijventerrein) wordt ook bekeken of de milieuruimte nog steeds passend is gezien de omgeving. De maatschappij en de economie zijn immers continue in beweging. Daardoor of daartoe kan het karakter van gebieden veranderen of veranderd worden. Bijvoorbeeld doordat leegstaande kantoren worden vervangen door woonruimte. Het in de loop der tijd veranderen van woon- en werkomgeving kan aanleiding geven voor herziening van vestigings- of uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven. Bij het (her)toelaten van milieugevoelige activiteiten moet ook een afweging plaats vinden. Enerzijds dient beoordeeld te worden of er sprake is van een aanvaardbare woon- of verblijfsklimaat gelet op de toegelaten (aanwezige en mogelijke toekomstige) milieubelastende activiteiten in de omgeving. Anderzijds moet ook afgewogen worden of een nieuwe gevoelige activiteit een aanvaardbare beperking vormt voor de milieu- of gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten.
Daarbij dient niet alleen de bestaande bedrijfsvoering van bedrijven betrokken te worden maar de ook de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt voor de vestiging van nieuwe (nog niet bestaand, maar toegelaten) activiteiten. Sommige activiteiten kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn, bijvoorbeeld een school of kinderdagverblijf. In dat geval dienen beide aspecten (effecten omgeving op de school en gevolgen school voor de omgeving) beoordeeld te worden. Samenhang met regels ter bescherming van het milieu Dit omgevingsplan (alsmede andere wetgeving, zoals het Besluit activiteiten leefomgeving) bevat milieuregels met het beschermen van het milieu als doel. Op basis van de milieuregels moeten milieubelastende activiteiten alle redelijke maatregelen treffen om gevolgen voor het milieu te voorkomen. Ook als een milieubelastende activiteit volledig voldoet aan de milieuregels, kan het enige hinder naar de omgeving veroorzaken. Teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen moet
Gemeente Amsterdam
blz. 98
daarom vooraf bij het toelaten van milieubelastende activiteiten een afweging plaatsvinden. Zie verder het wettelijk kader voor geluid in paragraaf , voor gevaar in paragraaf , de overige milieuaspecten in hoofdstuk .
11.2
Bedrijvenregeling
Onderscheid bedrijven en andere milieubelastende activiteiten Bij de meeste vormen van planologische gebruiksactiviteiten kunnen de milieugevolgen op voorhand goed ingeschat worden en kan de hierboven beschreven afweging gemaakt worden. Bij bedrijven (in een enge zin) is dit echter anders. Het begrip bedrijf bevat immers een breed scala aan activiteiten gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren van goederen, alsmede distributie en groothandel. De milieugevolgen van een kledingreparatiebedrijf is dan ook heel anders dan een groot chemisch productiebedrijf of een metaalfabriek. Gelet hierop is voor bedrijven een nadere regeling nodig om te kunnen sturen op de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in verband met het aspect milieuhinder. Deze regeling t.b.v. vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven noemen we de bedrijvenregeling en het wordt hieronder kort beschreven. Werkwijze bij functiescheiding en functiemenging Onder functiescheiding wordt het ordeningsprincipe verstaan dat milieubelastende activiteiten en gevoelige activiteiten van elkaar gescheiden worden. Door een afstand aan te houden door die twee groepen activiteiten kan aan beide doelen (beschermen en benutten) voldaan worden.
De aan te houden afstand is afhankelijk van hoe zwaar de mogelijke milieugevolgen kunnen zijn en hoe hoog de ambities zijn omtrent woon- en leefklimaat. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de werkwijze met milieuhindercategorieën die in de inmiddels ingetrokken handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Hoewel de VNG deze brochure inmiddels heeft ingetrokken, blijft de gemeente Amsterdam de werkwijze met milieuhindercategorieën als uitgangspunt gebruiken. De Brochure blijkt in de praktijk een goed werkend instrument dat in de afgelopen decennia zijn nut heeft bewezen. Indien nodig, zal de gemeente de Lijst van bedrijfsactiviteiten actualiseren of bijwerken. Bij functiemenging vindt geen scheiding plaats. In (hoog)stedelijke gebieden is het juist wenselijk omwille van levendigheid en beleving dat de verschillende activiteiten 'door elkaar zijn'. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen kan dit echter alleen bij milieubelastende activiteiten met geringe milieugevolgen. Lijst van bedrijfsactiviteiten In Bijlage IV bij het omgevingsplan is de Lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen. Hierin zijn bedrijfsactiviteiten opgesomd en is de potentiële milieubelasting met betrekking tot de milieuhinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof in een indicatieve richtafstand uitgedrukt.