CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Rapport Berenschot.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 19 mei 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Klimaatrapportage 2022 en Eindrapportage Vliegwielmiddelen (VN2022-012687)7.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

De Amsterdamse klimaatambitie Aanvullende maatregelen om te komen tot 55% CO2-reductie in 2030

09-03-2022

Vertrouwelijk 1

Samenvatting Amsterdam wil een duurzame stad zijn, voor nu én voor de volgende generaties. Het blijkt echter dat met de huidige beleid(svoornemens) het doel om 55% CO2 te reduceren in 2030 niet gehaald wordt. Daarom is verkend welke zinvolle en realistische maatregelen de gemeente Amsterdam nog meer kan treffen, bovenop de plannen uit de Klimaatroutekaart en de adviezen van het Mini-Burgerberaad van Amsterdam. Er zijn zeven aanvullende kansen geïdentificeerd. Hiermee kan de totale emissiereductie in 2030 uit kunnen komen op 51%. De onzekerheid van deze prognose is echter groot, met een bandbreedte van tientallen procenten. De grenzen om aanvullende maatregelen te treffen voor 2030 zijn in zicht (zonder een onevenredig beroep te doen op financiële middelen, acceptatie van de bevolking of uitvoeringscapaciteit van de gemeente). Ons advies is daarom om nu prioriteit te geven aan het uitwerken en implementeren van de huidige ideeën en maatregelen. Met nog acht jaar tot 2030 dringt de tijd. Een deel van de maatregelen uit de Routekaart en het Mini-Burgerberaad zijn nog niet concreet. Deze moeten nog uitgewerkt worden tot vastgesteld beleid, geoperationaliseerd binnen de ambtelijke organisatie en tot slot succesvol uitgevoerd en nageleefd.

Dit vergt een aanzienlijke inzet van de gemeente in termen van capaciteit, middelen en politieke daadkracht. Gezien de beperkte tijd en mogelijkheden voor verdere CO2-reductie, is ons advies om de focus van de gemeente te leggen op de uitwerking van de geïdentificeerde en voorgenomen maatregelen. Ondanks dat binnen de gemeentegrenzen naar verwachting het doel van 55% CO 2-reductie niet behaald zal worden, kan de gemeente wel degelijk een evenredige bijdrage leveren aan het terugbrengen van haar CO2-uitstoot. Hiervoor is alleen een bredere blik nodig. Kijk ook naar de mogelijkheden buiten de gemeentegrenzen en draag bij aan de benodigde maatschappelijke veranderingen waar de energietransitie om vraagt. Hiervoor kan op verschillende niveaus klimaatbeleid ontwikkeld worden. Van directe emissiereductie binnen de gemeentegrenzen, tot beïnvloeding van haar inwoners en tot slot het terugbrengen en compenseren van uitstoot elders. Middels een CO2reductieladder kan zij deze verschillende niveaus van klimaatbeleid ontwikkelen en communiceren. Hiermee komen nieuwe mogelijkheden in beeld, waarmee Amsterdam een effectieve en evenredige bijdrage kan leveren aan het oplossen van de klimaatcrisis. Vertrouwelijk

2

Inhoudsopgave

De opgave en context

4

De aanvullende maatregelen

9

Conclusies & visie

19

Advies voor vervolg

22

Bijlagen

26

Vertrouwelijk

3

1

De opgave en context 55% CO2-reductie in 2030

Vertrouwelijk 4

Op naar de 55%: Welke zinvolle maatregelen kan de gemeente Amsterdam dichter bij haar doelstelling brengen? De Amsterdamse doelstelling voor 2030: 55% CO 2-reductie t.o.v. 1990

Op zoek naar extra kilotonnen

Amsterdam wil een duurzame stad zijn, voor nu én voor de volgende generaties. Zij werkt daarom aan de energietransitie, met als doel om de schadelijke gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Deze transitie vraagt om snelle actie en veranderingen op alle schaalniveaus. De gemeente Amsterdam neemt hierin haar verantwoordelijkheid en werkt aan het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen binnen haar gemeentegrenzen. Zij heeft als tussendoel gesteld om haar uitstoot in 2030 te verminderen met 55% t.o.v. het niveau in 1990.

De doelstelling van 55% reductie in 2030 is daarmee nog steeds niet in zicht en de tijd dringt. De gemeente Amsterdam heeft daarom aan Berenschot gevraagd om samen met ambtenaren verantwoordelijk voor het klimaatbeleid te onderzoeken in hoeverre er aanvullende realistische maatregelen denkbaar zijn om tot extra CO2-reductie te komen en zo te helpen de doelstelling te behalen.

De huidige maatregelen leiden ‘slechts’ tot 42% reductie In de Klimaatroutekaart beschrijft Amsterdam haar lange termijn visie en strategie op de energietransitie. Het geeft een overzicht van de maatregelen om de CO2-uitstoot1 te verlagen en een prognose van de verwachte reductie. In de meest recente doorrekening is gebleken dat de verwachte reductie in 2030 (slechts) 42% bedraagt (met een bandbreedte van 12-58% reductie vanwege onzekerheden)2. Het Mini-Burgerberaad brengt met extra voorstellen de reductie tot ca. 50% Om tot aanvullende CO2-reductie te komen heeft de gemeente in 2021 een MiniBurgerberaad georganiseerd. Bijna honderd inwoners hebben meegedacht om tot extra maatregelen te komen om de uitstoot terug te brengen. Dit heeft tot 21 voorstellen geleid die nu aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Indien deze voorstellen allemaal met succes worden uitgevoerd zou dit tot ~279 kton extra CO2reductie per jaar kunnen leiden binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam (en nog eens 630 kton per jaar daarbuiten). Hiermee zou de totale reductie in 2030 neerkomen op 50% t.o.v. 1990 (wederom met grote onzekerheidsmarge).

De onderzoeksvraag luidt daarom:

‘Wat zijn zinvolle maatregelen voor de gemeente Amsterdam om tot aanvullende CO2-reductie in 2030 te komen?’ Deze rapportage gaat hierop in. Eerst duiden we de opgave en beschouwen we in welke sectoren kansen liggen om tot aanvullende reductie te komen. Daarna geven we een overzicht van de aanbevolen aanvullende maatregelen en de hoeveel reductie die hiermee behaald kan worden. Tot slot geven we onze visie op de opgave en een tweetal aanbevelingen voor de opvolging om ook daadwerkelijk tot de beoogde reductie in uitstoot van CO2 te komen. 1In dit onderzoek beschouwen wij alle broeikasgassen. Wanneer wij spreken over CO -uitstoot bedoelen 2

wij de uitstoot in CO2-equivalent. 2CE Delft (2022). Monitor Amsterdam Klimaatneutraal. Effect van voorgenomen beleid op CO -uitstoot – 2 Update 2022.

Vertrouwelijk

De opgave voor 2030: Om tot 55% reductie te komen zijn aanvullende maatregelen nodig De figuur hieronder geeft de historische CO2-uitstoot van Amsterdam weer en de prognose van de uitstoot volgens de Routekaart en de voorstellen uit het Mini-Burgerberaad. Als alle beleidsvoornemens en nieuwe voorstellen met succes zouden worden doorgevoerd, dan zou dit tot 50% CO2-reductie in 2030 kunnen leiden. Hiermee bedraagt de resterende opgave nog circa 200 kton CO 2. Voor deze prognoses geldt een aanzienlijke onzekerheidsmarge 3. De bandbreedte in de routekaart betreft al 1.750 kton CO2-reductie en ook het effect van de maatregelen van het Burgerberaad zijn onzeker. Dit komt onder andere omdat veel beleid(svoornemens) voor de langere termijn nog zijn niet uitgewerkt of onderdeel van de gemeentelijke werkprocessen. Daarnaast staat het niet vast dat de maatregelen ook daadwerkelijk tot de beoogde effecten zullen leiden. Het is daarom aannemelijk dat de reductie in de praktijk lager uit zal vallen. In het nieuwe nationale coalitieakkoord wordt hier ook op voorgesorteerd. Daar is opgenomen te steven naar een reductiedoelstelling van 60%, om hiervoor te compenseren. Als Amsterdam deze lijn zou volgen, dan zou de resterende opgave circa 400 kton per jaar zijn.

Referentiejaar van grote invloed op opgave De grafiek laat ook zien dat de CO2-uitstoot van Amsterdam tussen 1990 en 2010 sterk is toegenomen. In 1990 woonden er aanzienlijk minder mensen in de gemeente. Door de doelstelling te relateren aan het niveau van 1990 is de werkelijke opgave aanzienlijk groter dan 55% reductie. Dit maakt de doelstelling dan ook uitdagend. De keuze van het referentieniveau heeft grote invloed op de werkelijke opgave. Zou 2010 als referentie worden gekozen, dan kan de reductie, inclusief de voorstellen uit het burgerberaad, al uitkomen op 65% in 2030.

3Voor de toegepaste rekenmethodiek verwijzen wij naar Bijlage 1, de Klimaatroutekaart en de Monitor Amsterdam Klimaatneutraal.

Vertrouwelijk 6

Kansen per transitiepad: in de gebouwde omgeving en mobiliteit zien wij weinig kansen om de uitstoot nog verder te reduceren Onderstaand figuur geeft de verwachte reductie weer per transitiepad als gevolg van het bestaande beleid (de Routekaart) en de voorstellen van het Mini-Burgerberaad. De uitstoot als gevolg van elektriciteitsgebruik is apart weergegeven, in lijn met de Routekaart. Binnen het transitiepad gebouwde omgeving is dus geen emissie van het elektriciteitsgebruik door gebouwen opgenomen. Dit betreft alleen de uitstoot als gevolg van aardgas en stadswarmte.

Prognose CO2-emissie Amsterdam per transitiepad 2019

2030 - bestaande beleid Routekaart

2030 - inclusief voorstellen MBB

1800

Gebouwde omgeving: In absolute zin is hier nog veel CO2 te besparen. Tegelijkertijd zijn er ook al vergaande ambities voor de gebouwde omgeving, zoals de uitbreiding van het warmtenet en isolatieplannen. In de praktijk blijkt hoe complex en uitdagend het is om in de gebouwde omgeving op korte termijn significante resultaten te boeken. Wij achten het daarom niet realistisch dat er nog meer reductie gerealiseerd kan worden voor 2030.

1600

-58%

kton CO2

1400 1200

-39%

1000 800

-80%

600

-56%

400 200 0 Gebouwde omgeving

Mobiliteit

Haven & Industrie

Elektriciteit

Mobiliteit: Er zijn vergaande plannen om auto’s op fossiele brandstoffen te weren in de stad. Hierdoor is de afname van uitstoot binnen de mobiliteit al erg groot. De resterende uitstoot is voornamelijk het gevolg van verkeer op de Rijkswegen (buiten de invloedssfeer van de gemeente) en door zwaar transport (weinig technische mogelijkheden voor verduurzaming op de korte termijn). Vertrouwelijk 7

Kansen per transitiepad: mogelijkheden in de industrie; aanbeveling voor meer duurzame opwek (ook al ‘loont’ dit niet voor 55%) Haven & industrie: De afgenomen uitstoot door de haven en industrie is grotendeels het gevolg van de voorgenomen CO2-afvang en opslag bij de afvalenergiecentrale AEB. Voor het overige energiegebruik in de haven en industrie zijn nog wel mogelijkheden voor aanvullende reductie.

Prognose CO2-emissie Amsterdam per transitiepad 2019

2030 - bestaande beleid Routekaart

2030 - inclusief voorstellen MBB

1800 1600

-58%

kton CO2

1400 1200

-39%

1000 800

-80%

600

-56%

Elektriciteit: In de rekenmethodiek voor de Klimaatroutekaart is uitgegaan van de landelijke elektriciteitsmix. Vanwege de landelijke plannen voor wind en zon zal in 2030 een aanzienlijk deel van de elektriciteit in Nederland duurzaam opgewekt worden. Dit is terug te zien in de daling van de uitstoot van het elektriciteitsgebruik, ondanks dat het absolute gebruik toeneemt (door o.a. elektrisch rijden, warmtepompen en datacenters). Vanwege de toegepaste rekenmethodiek is het niet goed zichtbaar als Amsterdam de eigen productie van duurzame elektriciteit (of groengas) verhoogt. Dat neemt niet weg dat dit wel degelijk een bijdrage kan leveren aan de werkelijke energietransitie. Wij zien dan ook aanvullende kansen voor meer duurzame (elektriciteits)opwek binnen Amsterdam.

Voor een nadere duiding van de geprognosticeerde uitstoot en een samenvatting van de maatregelen die daartoe leiden, verwijzen wij naar Bijlage 2.

400 200 0 Gebouwde omgeving

Mobiliteit

Haven & Industrie

Elektriciteit Vertrouwelijk 8

2

De aanvullende maatregelen Zeven voorstellen voor extra reductie in 2030

Vertrouwelijk 9

Zeven maatregelen die kansrijk zijn om verder onderzocht te worden In dit hoofdstuk worden zeven maatregelen gepresenteerd die aanvullend zijn op de huidige beleidsplannen en voornemens en zodoende extra CO2-reductie zouden kunnen realiseren. Bewust is gekozen om selectief te zijn bij het aandragen van maatregelen omdat de gemeente heeft maar beperkt capaciteit en middelen heeft om deze verder uit te werken. Per maatregel is een inschatting gemaakt van de potentiële CO2-besparing en zijn kort de technische, financiele, juridische en overige aandachtspunten aangestipt. In alle gevallen geldt dat verder onderzoek nodig is om de daadwerkelijke haarbaarheid te bepalen. Tevens zijn er ook ideeën geopperd die ondersteunend zijn of invulling geven aan het huidige beleid en maatregelen van het MBB. Deze zijn opgenomen in bijlage 3.

1.

CO2-afvang en opslag bij de AEB uitbreiden naar het biogene deel van de emissies

Onzeker

2.

CO2-afvang en opslag uitbreiden naar andere industrie

Onzeker

3.

Lokaal stoomnet in de haven op warmte van AEB

~ 25 kton

4.

Vergisting van afvalstromen huishoudens en bedrijven

~ 22 kton

5.

Grootschalige opwek, zoals een drijvend zonnepark op het IJmeer

~ 85 kton1

6.

Energiebesparing datacenters door striktere eisen

~ 19 kton

7.

Grootschalige elektrolyse nabij de stad voor groene waterstof en restwarmte

Onzeker voor 2030

1 Waarvan 4 kton meetelt voor de Routekaart

Vertrouwelijk 10

1. CO2-afvang en opslag bij de AEB uitbreiden naar het biogene deel van de emissies Maatregel: Onderzoeken en lobby naar mogelijkheden voor CCS voor de biogene uitstoot van AEB. Beschrijving: Het afval dat verbrand wordt bij de AEB afvalenergiecentrale bestaat deels uit afval van biogene oorsprong (plantenresten) en afval van fossiele oorsprong (plastics e.d.). De CO2uitstoot als gevolg van verbranding van biogeen afval wordt niet meegeteld als broeikasgas, omdat dit (op de langere termijn) niet bijdraagt aan klimaatverandering. De huidige plannen om CCS (Carbon Capture & Storage) toe te passen bij AEB richten zich dan ook op het afvangen van de fossiele emissies. Het idee is om ~450 kton van de fossiele uitstoot af te vangen. Bij de AEB wordt echter ook nog eens ~1 Mton aan (overwegend) biogene CO2 uitgestoten door afvalverbranding en de biomassacentrale. Dit zijn feitelijk dezelfde rookgassen, het verschil zit alleen in de classificering ervan. Als het CSS project uitgebreid zou worden met de overige uitstoot kan dus een zeer grote aanvullende CO2-reductie bewerkstelligd worden (meer dan 2 keer de resterende opgave om tot 55% CO2-reductie in 2030 te komen. Men spreekt in dat geval ook wel van negatieve emissies. Potentiële CO2-reductie: tot ~730 kton per jaar. Doordat het afvangen van CO2 ook energie kost wordt een deel van de afgevangen CO2 teniet gedaan.

Aandachtspunten: • Een belangrijke kanttekening is dat deze maatregel sterk samenhangt met de haalbaarheid van de huidige CCS-plannen, die geheel afhankelijk is van de infrastructuur. Een CO2-leiding naar het noorden voor 2030, zoals het MiniBurgerberaad voorstelde, is gezien de relatief kleine hoeveelheden CO2 naar verwachting zeer onrendabel. Verkend kan worden of bijvoorbeeld transport van de CO2 per schip naar Rotterdam een logische keuze is. • Vanuit een technisch perspectief zou ook nader onderzocht moeten worden in hoeverre CO2-afvang bij de vier (oudere) stooklijnen van AEB mogelijk is. Zo is het belangrijk dat de CO2-stroom uit de schoorsteen voldoende geconcentreerd is. • Tot slot moet overeenstemming gevonden worden met AVR, als voorziene nieuwe eigenaar van AEB. Advies: Gezien het zeer grote reductie-potentieel, is het zinvol om de mogelijkheden voor CCS bij AEB te verkennen. Parallelle sporen hierbinnen zijn het onderzoeken van de technische mogelijkheden (incl. infrastructuur) en het vaststellen van de kosten per ton opgeslagen CO2. De kans is aanwezig dat de kosten per ton opgeslagen CO2 lager zijn dan veel andere maatregelen die de gemeente kan treffen. Daar komt bij dat middels één project een zeer grote reductie bewerkstelligd kan worden.

Vertrouwelijk 11

2. CO2-afvang en opslag uitbreiden naar andere industrie Maatregel: Mogelijkheden onderzoeken voor het uitbreiden van het beoogde CCS project bij de AEB naar andere industriële uitstoters. Beschrijving: Naast de AEB zijn er in de gemeente Amsterdam nog enkele andere grote industriële uitstoters zoals Albemarie, Budge Netherlands en Cargill Multiseed. Deze grote uitstoters zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de totaal 150 kton aardgasgerelateerde emissies uit de industrie. Daarnaast bevindt de Hemweg gascentrale zich ook op het grondgebied van Amsterdam. Hoewel deze niet meetelt voor de routekaart zou CCS ook hier (in theorie) een aanzienlijke CO2-reductie kunnen realiseren. Potentiële CO2-reductie: Ingeschat wordt dat de grote uitstoters in potentie grofweg 100 kton CO2 uitstoten die afgevangen kan worden; wat neerkomt op een 82 kton vermeden CO2. Welk deel hiervan kansrijk is om daadwerkelijk te realiseren is onbekend en zal nader onderzoek moeten uitwijzen.

Aandachtspunten: • Het is in veel gevallen technisch niet eenvoudig om bij bestaande installaties de CO2 af te vangen omdat de rookgassen onvoldoende geschikt zijn. • Financieel is het afvangen van CO2 bij kleinere uitstoters zeer kostbaar vanwege de hoge kosten van de installatie en infrastructuur. Daardoor zal dit naar verwachting niet via de SDE te subsidiëren zijn en zou er dus een andere vorm van financiering nodig zijn. • Ook biedt dit uitdagingen in het kader van ruimtelijke inpassing van de benodigde infrastructuur. • Uiteindelijk kan de gemeente partijen niet juridisch dwingen om deze maatregel(en) uit te voeren, het moet voor hen financieel voldoende aantrekkelijk zijn (door vermindering CO 2heffing en subsidie) om deze maatregel(en) uit te voeren. Hierbij speelt ook mee dat het onzeker is hoe lang deze kleinere partijen ze gevestigd zullen blijven in Amsterdam. Tegelijkertijd is hier mogelijk een significante CO2-reductie te realiseren en zijn de alternatieve mogelijkheden om CO2 te reduceren ook kostbaar en uitdagend. Het is daarom aan te bevelen om de mogelijkheden hiervoor te verkennen. Advies: Verkennen van de mogelijkheden om andere industrie ook aan te sluiten op het beoogde CCS project bij de AEB.

Vertrouwelijk 12

3. Lokaal stoomnet in de haven op warmte van AEB Maatregel: Onderzoeken mogelijkheid om deel van de warmte van AEB inzetten in een lokaal stoomnet in de haven om zo het aardgasgebruik van (huidige of nieuwe) industrie te reduceren.

Potentiële CO2-reductie: ca. 25 kton, wat een relatief conservatieve inschatting is. Hierbij zijn de volgende aanvullende zaken te onderzoeken om dit te verhogen:

Beschrijving: Van de energie geproduceerd bij AEB door afvalverbranding is circa driekwart in de vorm van elektriciteit; en een kwart in de vorm van stadswarmte. In de omgeving van AEB zijn diverse bedrijven gevestigd (o.a. voedingsmiddelenindustrie) die stoom zouden kunnen gebruiken in hun processen, ter vervanging van aardgas.

• Verkend kan worden of er cascaderingsmogelijkheden zijn waarbij de retourwarmte van het stoomnet wordt ingezet voor het stadswarmtenet en het stoomnet dus niet ten koste gaat van de elektriciteitsproductie.

Stel dat AEB 20% minder elektriciteit produceert en deze stoom levert aan industrie in de omgeving, dan zou er ca. 970 TJ warmte extra geleverd worden; goed voor ca. 730 TJ aardgasreductie (i.v.m. systeemverliezen). Ter illustratie: twee grote uitstoters in de haven (Cargill Multiseed en Sonneborn) hebben samen een aardgasvraag van grofweg 600 TJ.

• Er is ervan uitgegaan dat de elektriciteit volledig wordt vervangen door stoom, terwijl er in een WKK in de praktijk een combinatie mogelijk is waardoor er met dezelfde hoeveelheid restwarmte zowel stoom als elektriciteit wordt geproduceerd. Er is vermoedelijk dus meer rendement te behalen dan hier aangenomen.

Aandachtspunten: • In hoeverre er een (grote) onrendabele top is bij een dergelijke stoomnet is zeer onzeker en zal nader onderzocht moeten worden. De aanleg van het stoomnet is een grote investering. Echter wordt aardgas en het uitstoten van CO2 komende jaren ook steeds duurder. • Er is medewerking nodig van AVR, de voorziene nieuwe eigenaar van AEB. Daarnaast moeten er natuurlijk afnemers zijn van aanzienlijke hoeveelheden stoom. • Ook ruimtelijke inpassing van het stoomnet kan een uitdaging vormen. In 2019 is een haalbaarheidsonderzoek aangekondigd naar een stoomnet tussen de AEB en biobrandstoffabrikant Argent Energy. Onduidelijk is wat dit haalbaarheidsonderzoek heeft opgeleverd. Advies: Verken met de betrokken partijen (mogelijk als onderdeel van de duurzame bedrijvencoalitie aangedragen door het Mini-Burgerberaad) wat de kansen zijn voor een dergelijk stoomnet. Vertrouwelijk 13

4. Vergisting van afvalstromen huishoudens en bedrijven Maatregel: Vergist alle ONF, GFE en swill afvalstromen geproduceerd bij de bij AEB aangesloten gemeenten en bedrijven, bijvoorbeeld op het terrein van AEB.

Potentiële CO2-reductie1:

Beschrijving: De biomassa die in het restafval zit wordt momenteel in de ovens van AEB verbrand en omgezet in warmte. Echter zou deze biomassa (organische natte fractie, ONF) ook uit het restafval gefilterd kunnen worden om het vervolgens te vergisten. Het biogas dat hiermee geproduceerd wordt zou ingevoed kunnen worden in een lokaal gasnet om zo de industrie te voeden, of worden opgewaardeerd tot groen gas om het in het reguliere gasnet in te voeden. Een alternatieve toepassing zou kunnen zijn om het biogas om te zetten in LNG voor de transportsector.

• Als ook het bedrijfsafval (ONF en swill) van de bedrijven uit de regio bij AEB wordt vergist komt dit neer op ca. 22 kton.

1 Het is niet onderzocht hoeveel ONF uit het restafval gehaald kan worden

middels nascheiding. AVR werkt in Rozenburg met een biozeef, maar er zijn ook alternatieven zoals natte nascheiding waarmee het scheidingspercentage naar verwachting hoger ligt. In de berekeningen zijn we uitgegaan van een nascheidingspercentage van 50%, maar afhankelijk van de gekozen techniek kan dit veranderen en de potentiële CO2-reductie daarmee ook.

• Indien al het GFE en ONF van Amsterdamse huishoudens wordt vergist levert dit ca. 6 kton besparing op. • Als ook het GFE en ONF van het huishoudelijke afval van de andere gemeenten die hun afval verwerken bij AEB wordt benut is dit 12 kton.

Let op: Dit telt enkel mee voor de Routekaart als het gas in een lokaal gesloten net wordt benut. Als het ingevoed wordt in het landelijke net is de CO2-reductie hetzelfde, maar het deel dat meetelt voor de Routekaart beperkt. Aandachtspunten: • Betrouwbare toegang tot biomassa is essentieel om een vergister te opereren. Echter is onzeker of AEB in de toekomst voor dezelfde gemeenten restafval blijft verwerken en zal zij tevens ook de gescheiden biomassastromen (GFT/GFE/swill) moeten aantrekken.

• Tevens is de gemeente voor deze activiteiten afhankelijk van partijen die dit willen uitvoeren, bijvoorbeeld AVR als voorziene nieuwe eigenaar van AEB. Advies: Vergisting zal komende jaren een belangrijke rol spelen in het realiseren van een betaalbare transitie. Naar verwachting zal deze sector komende jaren een aanzienlijke groei (zowel qua omvang als qua volwassenheid) doormaken. Verken de mogelijkheden om in Amsterdam biogas te produceren, door bijvoorbeeld verkennende gesprekken te voeren met AVR of andere partijen. Vertrouwelijk 14

5. Grootschalige opwek, zoals een drijvend zonnepark op het IJmeer Maatregel: Ontwikkelen van meer grootschalige opwek van zon of wind, zoals een drijvend zonnepark op het IJmeer. Beschrijving: Voor een grootstedelijke gemeente als Amsterdam is het niet mogelijk alle energievraag binnen het eigen grondgebied duurzaam op te wekken. Vanuit de RES Noord-Holland-Zuid wordt voor Amsterdam dan ook in belangrijke mate ingezet op zonnepanelen voor alle daken. In 2030 is het de ambitie om 50% van al het geschikte dakoppervlak hiervoor te benutten. En uiteindelijk is zelfs het streven naar volledige benutting van al het dakoppervlak. Dit is een zeer uitdagende ambitie, maar desondanks zal het maar een klein deel van de totale elektriciteitsvraag kunnen leveren. Op sommige plaatsen is nog wel ruimte voor grootschalige opwek, zoals bijvoorbeeld in het IJmeer. In de RES is dit gebied aangegeven als extra zoekgebied, dat pas in beeld komt wanneer andere zoekgebieden tot onvoldoende resultaten leiden. Vanuit het perspectief van de Klimaatambitie van Amsterdam is dit echter het heroverwegen waard. Potentiële CO2-reductie: Stel dat een zonnepark van 150 hectare ontwikkelt zou worden, dan levert dit een CO2-reductie op van circa 85 kton.

Dit is de werkelijke bijdrage aan het klimaatprobleem (door de gebruikte rekenmethodiek levert dit voor de Routekaart slechts 4 kton reductie op voor Amsterdam).

Aandachtspunten: • Bij het opstellen van de RES is het draagvlak gepeild voor ontwikkeling van zon of wind in het IJmeer. Daaruit bleek dat hiervoor weinig draagvlak was. Liander heeft tevens aangegeven dat grootschalige opwek in het IJmeer niet de voorkeur heeft, gezien het netwerk daar niet veel extra capaciteit heeft. Uiteindelijk is het gebied in de RES 1.0 aangewezen als ‘extra zoekgebied’ (dus met een lagere prioriteit). • Randvoorwaarde voor dit voorstel is dat er voldoende capaciteit is op het elektriciteitsnetwerk van Liander.

• Het IJmeer is een Natura-2000 gebied. Nader onderzocht moet worden of en hoe drijvende zonnepanelen hier mogelijk en wenselijk zijn. • Om de ambitie van Amsterdam te behalen zijn echter aanvullende maatregelen nodig. Dit gaat verder dan de ambitie waarmee het RES proces is gevoerd. Elke maatregel kent voor- en nadelen en zal tot een zekere mate van weerstand leiden. Het is daarom belangrijk om acceptatie van maatregelen te toetsen in relatie tot alternatieven. De energietransitie zal immers hoe dan ook tot veranderingen in ons landschap en onze maatschappij leiden. Advies: Gezien de noodzaak om tot aanvullende CO2-reductie te komen adviseren wij om de dialoog over grootschalige opwek van duurzame energie (bijvoorbeeld in het IJmeer, maar zeker ook elders) in Amsterdam te vervolgen. En daarbij de discussie te verbreden naar de voor- en nadelen van een breed palet aan maatregelen, zodat consequenties van keuzes eerlijk in beeld gebracht worden. Vertrouwelijk 15

6. Energiebesparing datacenters door striktere vestigingseisen Maatregel: Gemeente stelt strengere eisen aan energiebesparing bij nieuwe datacenters om elektriciteitsvraag van deze sector te beperken. Beschrijving: In het concept vestigingsbeleid voor datacenters stelt de gemeente verschillende eisen aan datacenters, o.a. met betrekking tot LEAP en de Power Usage Effectiveness (PUE). Zo stelt zij strenge eisen aan die laatste, die maximaal 1.2 mag zijn. Dit betekent dat voor elke kWh die een datacenter gebruikt voor ITapparatuur er 0.2 kWh elektriciteit wordt gebruikt voor koeling of stroomvoorziening. Echter zijn er al nieuwe, grootschalige datacenters (hyperscales) die een PUE van 1.1 hebben. Aangezien datacenters in 2030 goed zijn voor bijna de helft van de elektriciteitsvraag van de stad; en daarmee voor ruim 10% van de totale emissies, is het zinvol om te kijken of verdere energiebesparing mogelijk is. Potentiële CO2-reductie: Stel dat de PUE voor nieuwe datacenters wordt gesteld op 1.1 in plaats van 1.2, dan levert dat een besparing van 19 kton op. Als er striktere eisen worden opgesteld aan het stroomgebruik van ITapparatuur kan dit meer worden.

Aandachtspunten: • Binnen de huidige wetgeving is het juridisch niet mogelijk om eisen te stellen aan het energiegebruik van datacenters. Met inwerkingtreding van de nieuwe omgevingswet kunnen generieke milieuregels m.b.t. energiebesparing uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor datacenters gaan gelden. • Bij het stellen van (nog) strengere vestigingsvoorwaarden voor nieuwe datacenters moet de balans gevonden worden tussen het maximaal uitdagen van partijen om te innoveren en zo energie te besparen, zonder het technisch onhaalbaar of zeer kostbaar te maken en het risico te lopen dat de datacenters elders vestigen (en het probleem alleen verplaatst wordt).

• Hoe deze ontwikkeling precies zal lopen, en wat dus in de toekomst haalbaar is, is onzeker. Echter, aangezien het een zeer snel groeiende sector is kan verwacht worden dat technische innovaties rondom energiebesparing ook snel kunnen ontwikkelen. • Een ander aandachtspunt zijn de dieselgeneratoren die datacenters gebruiken als back-up bij stroomuitval. Hoewel deze weinig gebruikt worden, zorgen deze wel voor CO 2-uitstoot tijdens het noodzakelijke proefdraaien. Deze uitstoot is onbekend en wordt (voor zover wij kunnen herleiden) niet meegewogen in de routekaart. Echter zou het in het kader van vergroening van de stad overwogen kunnen worden om ook hieromtrent strengere eisen in de vestigingsvoorwaarden op te nemen. Advies: Verken de mogelijkheden, bij voorkeur samen met de datacentersector, om adaptief beleid te ontwikkelen voor de vestiging van nieuwe datacenters. Dit geeft een (blijvende) prikkel voor innovaties op het gebied van energiebesparing. Vertrouwelijk 16

7. Grootschalige elektrolyse nabij de stad voor restwarmte i.c.m. opslag (1/2) Maatregel: Verkenning door de gemeente of zij zich in wil zetten om een deel van de elektrolysercapaciteit in Nederland nabij de gebouwde omgeving in Amsterdam te plaatsen om zo de restwarmte te kunnen benutten. Beschrijving: In het Klimaatakkoord is de ambitie opgeschreven om in 2030 3 à 4 GJ elektrolysercapaciteit te realiseren. Daarna zal deze productie verder doorgroeien. Op diverse plekken in Nederland wordt de mogelijkheid van grootschalige productie van groene waterstof verkend, met name bij industriële clusters. Zo zijn er plannen voor een groene waterstoffabriek bij North Sea Port en in de Eemshaven1. Echter zijn dit ook typisch regio’s waar weinig gebouwde omgeving in de buurt is om de geproduceerde restwarmte nuttig in te zetten. Dit is een argument om elektrolysers juist nabij de gebouwde omgeving te plaatsen, bijvoorbeeld in de buurt van Amsterdam. Stel dat er in Amsterdam een 600 MW elektrolyser wordt gerealiseerd, dan komt op jaarbasis ca. 1500 TJ nuttig inzetbare restwarmte vrij, circa 17% van de totale MT-warmtevraag in de Amsterdamse gebouwde omgeving in 2040. Dit zou een stabiele en duurzame bron voor het warmtenet kunnen vormen.

Zeker ook voor de langere termijn (na 2030), wanneer verdere groei van het warmtenet beoogd is (en AEB mogelijk minder warmte zal leveren) kan deze warmte een belangrijke bouwsteen vormen in de warmtevoorziening.

Om de benutting van deze warmte te verhogen en piekvoorziening op aardgas grotendeels overbodig te maken zou onderzocht kunnen worden of de elektrolyser gecombineerd kan worden met een warmteopslag. Verkend kan worden of de benzine- en dieselterminals in de Amsterdamse haven – die in de toekomst buiten gebruik zullen raken – ingezet kunnen worden voor deze warmteopslag. Eerdere verkenningen in het verleden hebben laten zien dat deze terminals mogelijk een goede functie kunnen vervullen voor seizoensopslag.

Een 600MW elektrolyser produceert jaarlijks ca. 5100 TJ aan waterstof, ruim voldoende om de Amsterdamse industriële aardgasvraag (ca. 2600 TJ) te vervangen. Echter is deze groene waterstof met name bedoeld voor de zware industrie elders en is het dus niet waarschijnlijk dat Amsterdam de groene waterstof kan benutten. Potentiële CO2-reductie: Bij een 600MW elektrolyser: • Indien restwarmte huidige baseload uit STEG of AVI vervangt: ~ 14 kton. • Indien dit wordt gecombineerd wordt met warmteopslag:~ 27 kton Let op! Zoals benoemd lijkt het niet haalbaar om deze maatregel voor 2030 door te voeren. Het is juist een maatregel die voor de langere termijn kan bijdragen aan een betrouwbaar duurzame warmtevoorziening.

1 In beide gevallen zijn vergunningen voor kleinschalige pilots uitgegeven (25 en 50 MW).

Vertrouwelijk 17

7. Grootschalige elektrolyse nabij de stad voor restwarmte i.c.m. opslag (2/2) Aandachtspunten: • Randvoorwaarde voor elektrolyse nabij Amsterdam is de aanwezigheid van een hoogspanningsnet met voldoende capaciteit. Voor zover bekend is dit geen onderdeel van de geplande uitbreidingen van TenneT voor 2030. Deze maatregel redelijkerwijs pas na 2030 gerealiseerd worden.

Advies: Verken of er de politiek draagvlak is om als gemeente deel te nemen in de groene waterstofontwikkeling en werk de argumenten uit voor en tegen de plaatsing nabij Amsterdam (o.b.v. o.a. systeemkosten en ruimtelijke inpassing).

• Daarbij is dit een maatregel die Amsterdam niet zelfstandig kan uitvoeren. Lobby bij het rijk en/of Europa voor subsidie en bij Gasunie voor infrastructuur is essentieel. Dergelijke lobby zal al wel komende jaren moeten starten om de noodzakelijke randvoorwaarden (zoals elektriciteit infrastructuur) te realiseren.

Elektriciteitsnet

• De restwarmte die vrijkomt bij elektrolyse is op middentemperatuur (ca. 75 graden). • Een ander aandachtspunt is de ruimtelijke inpassing van de elektrolysers. Een 600 MW elektrolyser kan ca. 6 hectare ruimte in beslag nemen, en bevindt zich wel het liefst zo dicht mogelijk bij de gebouwde omgeving om de restwarmte te benutten. • Tot slot zijn er onzekerheden rond de technische haalbaarheid. Het uitkoppelen van restwarmte bij elektrolysers is opgenomen in de SDE++, maar wordt in de praktijk momenteel nog niet gedaan.

Elektrolyser Gasnet

Warmtenet

Waar een elektrolyser het beste geplaatst kan worden is een afweging waarbij de kosten van infrastructuur een belangrijke rol spelen. Als de elektrolyser bij een off-shore windpark geplaatst wordt vraagt dit een minder zwaar elektriciteitsnet. Hetzelfde geldt voor het gasnet als de elektrolyser nabij industrie wordt geplaatst, en een warmtenet bij plaatsing in de buurt van warmtevragers. Aangezien warmtenetten per strekkende meter of het algemeen het meest kostbaar zijn kan het maatschappelijk het meest wenselijk zijn om de eletrolyser nabij de warmtevraag te lokaliseren. Vertrouwelijk 18

3

Conclusies & visie op de opgave Bijdrage aan de ambitie van 55% CO2-reductie in 2030 en onze visie om een evenredige bijdrage leveren aan de energietransitie

Vertrouwelijk 19

De aanvullende maatregelen zorgen een beperkte extra reductie, CCS biedt mogelijke uitweg maar is onzeker

Extra CO2-reductie zou op kunnen tellen tot 70 kton1

In dat geval zou de totale CO2 reductie uitkomen op 51%

Dit zou betekenen dat de doelstelling iets dichterbij komt maar niet behaald zal worden. De onzekerheid rondom deze getallen is echter groot, zie ook de bandbreedtes zoals berekend in de Monitor van CE Delft2.

CCS heeft (ruimschoots) de potentie om een belangrijke bijdrage te leveren aan het behalen van de 55% CO2-reductie, maar is te onzeker om hierboven op te nemen Hierbij is gerekend met de besparing conform de rekenmethodiek van de Routekaart. Bij extra grootschalige opwek van wind en zon is landelijk een aanvullende bijdrage aan het klimaatprobleem te behalen. Voor deze berekeningen is ervanuit gegaan dat de maatregelen op hoofdlijnen geïmplementeerd kunnen worden, zoals ze bedacht zijn. En dat ze ook tot de beoogde resultaten leiden. De maatregelen zijn nog niet in detail uitgewerkt en getoetst op praktische uitvoerbaarheid en financiering. Ook wet- en regelgeving kan een belemmering vormen. Het kan daarom zijn dat de maatregelen in de praktijk niet werken zoals deze beoogd zijn. De berekening geeft dan ook niet de verwachte CO2-reductie weer, maar de mogelijke reductie, in het geval dat de voorgestelde maatregelen met succes ingevoerd worden. 1 Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele wisselwerking tussen de verschillende maatregelen

2 CE Delft (2022). Monitor Amsterdam Klimaatneutraal. Effect van voorgenomen beleid op CO -uitstoot – Update 2022. 2

Vertrouwelijk 20

Visie op de opgave: de grenzen komen in beeld, richt de energie op het realiseren van de huidige voornemens Het doel van dit onderzoek is te verkennen welke aanvullende maatregelen kansrijk en zinvol zijn om tot extra CO2-reductie binnen Amsterdam te komen. Zoals op basis van de vorige pagina geconcludeerd kan worden blijkt het een uitdaging om met haalbare en impactvolle aanvullende maatregelen te komen. Een beperkte invloedsfeer De invloed van gemeenten op de energietransitie kent grenzen. Zo bepaalt de Rijksoverheid en Europees beleid wat juridisch afdwingbaar is en hebben zij de ruimste financiële mogelijkheden. Daarnaast zijn binnen de gestelde grenzen inwoners en bedrijven vrij om zelf keuzes te maken. De gemeente is dan ook niet in staat om zelfstandig een systeemverandering af te dwingen. Dat neemt niet weg dat zij wel degelijk invloed en instrumenten heeft om een belangrijke bijdrage te leveren aan de energietransitie. Het is goed dat de gemeente Amsterdam hierin haar verantwoordelijkheid neemt, terwijl zij zich tegelijkertijd bewust is van wat realistisch en haalbaar is. Voor een fors gegroeide stad is de ambitie extra ambitieus Het is ambitieus om een dergelijke doelstelling te behalen binnen de grenzen van een sterk gegroeide metropool met een klein grondgebied.

De grenzen van meer maatregelen lijken in zicht Al met al blijkt het steeds uitdagender om tot aanvullende maatregelen in Amsterdam te komen die tot significante CO2 besparing leiden binnen een tijdshorizon van 9 jaar en zonder een onevenredig beroep te doen op de uitvoeringscapaciteit van de gemeente, de betaalbaarheid van deze maatregelen of de (juridische) mogelijkheden om deze uit te voeren. Uit opeenvolgend onderzoek voor de Routekaart, het Mini-Burgerberaad en voorliggend onderzoek blijkt dat de grenzen hiervan in beeld zijn gekomen. Maak impact door het uitwerken en -voeren van bestaande beleidsvoornemens Door de gemeente Amsterdam wordt hard gewerkt om van de huidige plannen, beleid en realiteit te maken. Ons inziens is het van belang om de beschikbare capaciteit bij de gemeente de komende tijd daar ook nog meer op te richten. Het zoeken naar nieuwe maatregelen is niet effectief meer. Een deel van de maatregelen (met name die voor de langere termijn) uit de Routekaart (en zeker ook het Mini-Burgerberaad) zijn nog niet geconcretiseerd. Deze moeten nog uitgewerkt worden tot vastgesteld beleid, geoperationaliseerd binnen de ambtelijke uitvoeringsorganisatie en tot slot succesvol worden uitgevoerd en nageleefd. Dit vergt een aanzienlijke inzet van de gemeente in termen van capaciteit, middelen en politieke daadkracht.

Gezien de beperkte ruimte voor verdere CO2-reductie, is ons advies dan ook om de focus van de gemeente vooral te leggen op de uitwerking van de voorgenomen maatregelen en bestaande ideeën. En zoek naar andere vormen om resterende opgave in te vullen Tot slot kan de gemeente ook een extra bijdrage leveren aan het tegengaan van de klimaatcrisis door naar mogelijkheden buiten haar eigen gemeentegrenzen te kijken en te sturen op de benodigde maatschappelijke veranderingen. In het laatste hoofdstuk gaan wij hier nader op in. Vertrouwelijk 21

4

Advies voor het vervolg De volgende stappen richting een Klimaatneutraal Amsterdam

Vertrouwelijk 22

Vooruit kijken: richt aandacht op het beoordelen en concretiseren van de voorstellen Als vervolg op de Routekaart, het Mini-burgerberaad en dit onderzoek, zien wij twee relevante acties voor de gemeente Amsterdam om verder invulling te geven aan de ambitie om tot 55% CO 2-reductie te komen. Actielijn 1. Beoordelen en concretiseren van alle voorstellen Uit de Routekaart, het Mini-burgerberaad en dit vervolgonderzoek is een breed pallet aan maatregelen, beleidsvoorstellen en aanbevelingen gedaan. Gezamenlijk kunnen deze tot een significante reductie van CO2-uitstoot leiden. Het concreet uitwerken, toetsen en uitvoeren van deze maatregelen vergt een aanzienlijke inzet van capaciteit, middelen en daadkracht van de gemeente. Ons voornaamste advies is dan ook om de activiteiten die lopen rondom het concretiseren van deze maatregelen prioriteit te geven en uit te breiden. Een eerste stap is om alle beleid(svoornemens) per sector te toetsen en uit te werken op aspecten zoals: • Beoordeling van de effectiviteit van de maatregelen, t.o.v. benodigde capaciteit & middelen; • Uitvoerbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen toetsen (juridisch, praktisch, financieel, draagvlak, etc.); • Nader uitwerken van de maatregelen en verkennen op welke wijze het haalbaar te maken is; • Acties / werkzaamheden identificeren die nodig zijn om tot implementatie te kunnen komen.

Op basis hiervan kunnen de maatregelen geprioriteerd worden. Zo wordt ambtelijke capaciteit zo effectief mogelijk ingezet en kunnen per maatregel vervolgacties worden uitgezet om deze verder uit te werken en te implementeren. Door het uitbreiden van deze ambtelijke capaciteit kan hier mogelijk extra snelheid mee gemaakt worden, wat bijdraagt aan het daadwerkelijk uitvoeren van de plannen. Vertrouwelijk 23

Vooruit kijken: onderzoek alternatieve opties om resterende opgave te realiseren met behulp van een CO2-reducieladder Actielijn 2. CO2-reductie ladder opstellen als beleidskader om de klimaatambitie van Amsterdam te realiseren

De gemeente Amsterdam wil haar verantwoordelijkheid nemen en een evenredige bijdrage leveren aan strijd tegen klimaatverandering. Daarom stelt zij zichzelf ten doel om 55% CO2 te reduceren t.o.v. 1990, in lijn met de nationale en Europese ambities. Het is echter een grote uitdaging om deze doelstelling te behalen. De grenzen om verdere CO2-reductie te behalen komen in beeld. De belangrijkste redenen hiervoor zijn: • dat Amsterdam sterk gegroeid is na 1990, waardoor de feitelijke opgave groter is; • Amsterdam een sterk stedelijke gemeente is met een hoge energievraag binnen een klein grondgebied; • de middelen en instrumenten van de gemeente beperkt zijn om de benodigde systeemverandering teweeg te brengen. Toch betekent dat niet dat er geen mogelijkheden meer zijn om een evenredige bijdrage te leveren aan het tegengaan van klimaatverandering. Het proces tot nu toe had ten doel om de uitstoot terug te brengen binnen het grondgebied van Amsterdam. Het is goed om hier als eerste naar te kijken en alle mogelijkheden te benutten om zelf rechtstreeks de eigen CO2-uitstoot terug te brengen. Hier kan immers de meeste invloed op uitgeoefend worden en zadelt anderen niet op met eventuele negatieve effecten van de maatregelen.

Toch is het niet verassend dat voor een gemeente als Amsterdam dit onvoldoende mogelijkheden biedt om de doelstellingen te behalen. Amsterdam kan echter ook een bijdrage leveren aan het terugbrengen of compenseren van haar emissies, door maatregelen te treffen buiten haar gemeentegrenzen. Zo kan geïnvesteerd worden in extra duurzame opwek elders (wind/zon), bijgedragen worden aan het verduurzamen van aanleveringsketens van producten die zij consumeert of zelfs CO2 compenseren door het kopen van CO2-emissierechten op de markt.

In veel gevallen genieten meer directe maatregelen de voorkeur en is het terugbrengen van de uitstoot beter dan dit te compenseren elders. Tegelijkertijd heeft dit onderzoek laten zien dat de grenzen van de mogelijkheden binnen de gemeente in beeld zijn. De ontwikkeling van een voorkeursladder kan helpen om een rangorde van maatregelen aan te brengen en te communiceren op welke wijze de gemeente werkt aan het volbrengen van haar klimaatambities. Bij gebruik van een CO2-reductieladder komen tal van nieuwe mogelijkheden in beeld waarmee een Amsterdam een effectieve en evenredige bijdrage kan leveren aan het oplossen van de klimaatcrisis.

Vertrouwelijk 24

Voorbeeld van een CO2-reductieladder als beleidskader om invulling te geven aan de resterende opgave Hieronder is een voorbeeld weergegeven hoe een CO2-reductieladder opgebouwd kan worden. Bij gebruik van een CO2-reductieladder komen tal van nieuwe mogelijkheden in beeld waarmee de gemeente Amsterdam een effectieve en evenredige bijdrage kan leveren aan het oplossen van de klimaatcrisis.

1. Maatregelen binnen de gemeentegrens van Amsterdam Routekaart & MiniBurgerberaad

Resterende opgave

2. Maatregelen binnen Nederland die zonder inzet van Amsterdam niet tot stand zouden zijn gekomen

Nieuw windpark of klimaatbos

Resterende opgave

3. Maatregelen die tot reductie leiden in de keten van producten die Amsterdam gebruikt (scope 3 emissies)

Circulaire producten, inkoopeisen, consumptie inwoners Klimaatbos buitenland of CO2-certificaten

Resterende opgave

4. Maatregelen om CO2uitstoot te compenseren in het buitenland

Ander (consumptie)gedrag Naast de verduurzaming van het energiesysteem, o.a. gestimuleerd door de gemeente, ligt er tegelijkertijd een belangrijke verantwoordelijkheid bij de inwoners om hun voetafdruk te verkleinen. De klimaatcrisis vormt een existentiële bedreiging voor onze maatschappij. Vergaande maatschappelijke ontwrichting kan alleen voorkomen worden als wij de komende jaren onze manier van leven hierop weten aan te passen. Dit vraagt ook om een verandering in onze consumptie, eetpatroon en mobiliteit. Voordeel van deze veranderingen is dat dit geen investeringen vergt, snel tot resultaten kan leiden en ook voor inwoners met beperkte middelen mogelijk is. De gemeente Amsterdam kan een belangrijke rol spelen om haar inwoners hierbij te stimuleren en begeleiden. Vertrouwelijk 25

5

Bijlagen 1. Toelichting rekenmethodiek 2. Resterende opgave per transitiepad 3. Ideeën ter invulling van maatregelen uit de Routekaart en het Mini-Burgerberaad Vertrouwelijk 26

Bijlage 1: Toelichting rekenmethodiek De emissiereducties gepresenteerd in deze rapportage betreffen inschattingen. Voor de toegepaste rekenmethodiek geldt:

• Er is voortgebouwd op de rekenmethodiek en aannames gebruikt door CE Delft in de doorrekening van de Routekaart. Dit betekent dat gebruik gemaakt is van de eindgebruikersmethode en de emissiefactoren zoals door CE Delft gebruikt. Voor deze rekenmethode verwijzen we naar de Monitor Amsterdam Klimaatneutraal. • De impact van individuele maatregelen is berekend. In werkelijkheid zullen in sommige gevallen afhankelijkheden tussen maatregelen zitten. Bijvoorbeeld, als de restwarmte uit de AEB een lagere emissiefactor krijgt vanwege uitbreiding van de CCSactiviteiten dan is de ‘impact’ van duurzame warmte uit een elektrolyser kleiner, als deze warmte van de AEB verdringt.

Vertrouwelijk 27

Bijlage 2: Resterende opgave per transitiepad De volgende pagina’s geven per transitiepad een samenvatting van de belangrijkste maatregelen uit de Routekaart en het Mini-Burgerberaad die tot de beoogde CO2-reductie in 2030 leiden. Deze waarden zijn, in tegenstelling tot de rest van dit rapport, op basis van de update van de routekaart door CE Delft in 2021.

Vertrouwelijk 28

Verdieping woningen: de beoogde maatregelen Belangrijke maatregelen/ontwikkelingen Routekaart: 1. Verduurzaming warmtevraag door uitvoering TvW 1200

2. Verduurzamen energiebron (elektriciteit en warmte)

Belangrijke maatregelen MBB:

1000

1. Versnellen TvW door AETF 2. Versnellen geothermie voor warmtenet 800

kton CO2

Resterend: • 600

Ca. 95.000 woningen waar tot 2030 weinig wordt gedaan

400

200

0 2018

2030 - bestaande beleid Routekaart Aardgas

MT-warmte

LT-warmte

Elektriciteit

2030 - inclusief voorstellen MBB Vertrouwelijk 29

Verdieping utiliteit: de beoogde maatregelen Belangrijke maatregelen/ontwikkelingen Routekaart: 1400

1.

Verduurzaming nationale elektriciteitsmix

2.

Verduurzaming warmtevraag door uitvoering TvW en rijksbeleid

Resterend: •

Aardgasgebruik publieke dienstverlening (~ 160 kton) en commerciële dienstverlening (~ 180 kton)

•

Grote publieke dienstverleners zijn de zorg (108 kton) en onderwijs (28 kton)

1200

1000

Belangrijke maatregelen MBB:

Kton CO2

1. 800

OZB-korting stimuleert besparing bij kleinere bedrijven (47 kton)

600

400

200

0 2018

2030 - bestaande beleid Routekaart Aardgas

MT-warmte

LT-warmte

Elektriciteit

2030 - inclusief voorstellen MBB Vertrouwelijk 30

Verdieping mobiliteit: de beoogde maatregelen 1200

Belangrijke maatregelen/ontwikkelingen Routekaart: •

95%-100% van het vervoer uitstootvrij

•

Belangrijke maatregelen MBB:

1000

1.

Ontmoedigen autogebruik en -bezit en stimuleren OV (19 kton)

2.

OV-verbinding NieuwWest (5 kton)

800

kton CO2

Resterend:

•

600

Brandstofgebruik: •

Personenauto’s: 90 kton (met name op rijkswegen)

•

Zware bedrijfsvoertuigen: 36 kton

•

Mobiele werktuigen: 28 kton

•

Lichte bedrijfsvoertuigen: 26 kton

Elektriciteit: •

OV: 53 kton

•

Personenauto’s: 31 kton

400

200

0 2018

2030 - bestaande beleid Routekaart Brandstof

Elektriciteit

2030 - inclusief voorstellen MBB Vertrouwelijk 31

Verdieping haven & industrie: de beoogde maatregelen Belangrijke maatregelen / ontwikkelingen Routekaart: •

CCS bij AEB

1400

Belangrijke maatregelen MBB:

1200

• •

kton CO2

1000

Resterend:

Duurzame bedrijvencoalitie (47 kton) Alle cruiseschepen op groene walstroom (6 kton)

800

•

Emissies door industrie: ~200 kton (150 kton door aardgas; 50 kton door elektriciteit)

•

Emissies datacenters: 320 kton

600

400

200

0 2018

2030 - bestaande beleid Routekaart Aardgas

MT-warmte

Overig - AEB

Brandstof

2030 - inclusief voorstellen MBB Elektriciteit

Vertrouwelijk 32

Verdieping elektriciteit: de beoogde maatregelen • •

30000

Verduurzaming nationale mix Forste toename vraag door mobiliteit en datacenters

25000

2000

Belangrijke maatregelen MBB: •

Extra PV

kton CO2

1500

1000

Resterend: •

20000

Grootste gebruikers: •

Datacenters (~ 9600 TJ)

•

Utiliteit (~6700 TJ)

•

Mobiliteit (4500 TJ)

15000

TJ

2500

Belangrijke maatregelen/ontwikkelingen Routekaart:

10000

500

5000

0

0 2018 Emissies door gebouwde omgeving

2030 - bestaande beleid Routekaart Emissies door mobiliteit

2030 - inclusief voorstellen MBB

Emissies door industrie & haven

Energiegebruik

Vertrouwelijk 33

Bijlage 3: Ideeën ter invulling van maatregelen uit de Routekaart en het Mini-Burgerberaad Veel maatregelen uit de Routekaart en het Mini-burgerberaad dienen nog nader uitgewerkt te worden. Tijdens de totstandkoming van deze rapportage zijn ook ideeën aangedragen om reeds meegerekende maatregelen concreter invulling te geven of een aanzet daartoe. Hieronder worden enkele van de geopperde ideeën benoemd: • Bij vergunningsplichtige renovatie of splitsing van woningen eisen stellen ten aanzien van energiebesparingsmaatregelen. • Versnelde uitrol van warmtenetten: Inwoners de mogelijkheid bieden mee te investeren in het duurzame warmtenet en de bronnen. • Meer ambtelijke capaciteit inzetten op het verkrijgen van (Europese) subsidies voor aardgasvrij en CO 2-reductie. • Meekoppelkansen bij de ontwikkeling van warmtenetten beter benutten (werk met werk combineren). • Gemeente onderzoekt mogelijkheden voor opschalen warmtenet. (Seizoens)buffering van warmte is hierbij een belangrijke systeemcomponent. Mogelijk zou op termijn (na 2030) hierbij ook de (vrijgekomen) opslagcapaciteit van de olieterminals in de haven van Amsterdam gebruikt kunnen worden voor de opslag van warmte. • Hybride warmtepompen: Verkennen van de mogelijkheden om dit verder te stimuleren.

• Lobby om de regel met betrekking tot de benodigde 70% instemming van huurders bij aansluiting om een warmtenet te vervangen voor een algemene standaard die de kwaliteit borgt. • Tijdelijke witgoedregeling en campagne: inruilen van inefficiënte apparatuur, zoals oude koelkasten (>7 jaar). • Campagne voor het beter inregelen van warmte-installaties (zoals waterzijdig inregelen). • Reductie van het energiegebruik van utiliteitsgebouwen door gerichte communicatiecampagne, collectieve inkoopacties of energiescans. • Extra inzet op energiebesparing bij de slechtst geïsoleerde woningen (bv. vouchers vanuit project energiearmoede). • Extra aandacht bij het ontwerp van nieuwe wijken voor minimale noodzaak van (auto)mobiliteit door aspecten zoals een hoge dichtheid, een goede loopbaarheid en een mix van wonen, werken en recreatieve functies.

Vertrouwelijk 34

www.berenschot.nl /berenschot

Vertrouwelijk 35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11466793/1