CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. NvReactie op adviezen stadsdelen Omgevingsplan Basisregeling definitief 4 juli 2023

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 27 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief inzake de uitkomsten van de participatie op de het voorontwerp van de eerste wijziging van het omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling (VN2023-016005)20.588 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Definitieve versie

4 juli 2023

artikel 7 het vereiste opgenomen dat dergelijke ruimten die de 4 m-zone overschrijden, voor zover zich op de 4 m-begrenzing geen inwendige scheidingsconstructie bevindt, in hun geheel functioneel ondergeschikt gebruikt dienen te worden (Staatsblad 2010 143, p. 143). Artikel 5.9 is inhoudelijk gelijk aan artikel 7 bijlage II Bor, dat op landelijk niveau komt te vervallen, en tijdelijk bij wijze van bruidsschat in het omgevingsplan van rechtswege is opgenomen. Het artikel is zoals uit het voorgaande blijkt juist bedoeld ten behoeve van de handhaving. Artikel 5.9 bevat geen vereiste van een inwendige scheidingsconstructie. Maar als die afwezig is (of verwijderd is), dan geldt voor de gehele ruimte, dus ook het deel dat binnen de 4 m-grens ligt, dat uitsluitend functioneel ondergeschikt gebruik mag worden gerealiseerd. Zodra dus wordt geconstateerd dat de inwendige scheidingsconstructie niet wordt aangebracht of is verwijderd, dan is een gebruik voor primaire woonfuncties in strijd met de regels, en kan handhavend worden opgetreden. Dat het constateren van een dergelijke overtreding lastig zal zijn, is op zichzelf geen reden de betreffende bepaling te laten vallen. Dat zou immers betekenen dat ook het vereiste in artikel 5.8, onder a, onder 7, aanhef en onder II geschrapt zou moeten worden. Dat is onwenselijk.

Specifiek Hoofdstuk 6 (Aanlegactiviteiten) 2.23 Gevolgen voor vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten voor bouwwerken In artikel 6.1, lid 1, onder f, in combinatie met artikel 6.2 wordt het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem in een archeologische beschermingszone aangewezen als een vergunningplichtige activiteit. Wat zijn hiervan de consequenties voor vergunningsvrije omgevingsplanactiviteiten voor bouwwerken? Wat is de omvang van de beschermingszone? Om hoeveel vergunningaanvragen voor deze aanlegactiviteit kan het straks gaan? Reactie: Het aanlegvergunningstelsel zoals opgenomen in afdeling 6.1 komt overeen met, en dient ter vervanging van soortgelijke vergunningstelsel die in onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen zijn opgenomen. Het aanlegvergunning stelsel heeft betrekking op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2014 geoordeeld (ECLI:NL:RVS:2014:2066) dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat.

Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In voorkomende gevallen zijn dus zowel een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken als een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit nodig.2 Dat betekent dat ook voor het realiseren van een bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunningplicht geldt voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, wel een aanlegvergunningplicht van toepassing kan zijn. Dat geldt, blijkens de hiervoor bedoelde uitspraak, ook nu reeds. Hoewel de omvang van de beschermingszone over het algemeen groot is, is vooral van belang dat op de aanlegvergunningplicht veelal uitzonderingen gelden. Die uitzonderingen houden veelal in dat als de bodemverstoring betrekking heeft op een bepaald maximum oppervlak, of een bepaalde maximum diepte, geen aanlegvergunning is vereist. Alleen wanneer de archeologische verwachtingswaarde heel erg hoog ligt, ligt de grens op bijvoorbeeld 100 m2, of (in het centrum) zelfs op 0 m2. Die hoge verwachtingswaarde legitimeert dan de vergunningplicht.

2 Zie artikelgewijze toelichting bij artikel 22.28 Bruidsschat, zoals die van rechtswege onderdeel wordt van het

omgevingsplan.

17

Definitieve versie

4 juli 2023

2.24 Zeer open norm De beoordelingsregel als genoemd in artikel 6.4 is een zeer open norm. Deze behoeft een nadere concrete invulling met uitvoeringsbeleid. Reactie: In artikel 6.4 is aangegeven dat de omgevingsvergunning voor de betreffende aanlegactiviteit alleen wordt verleend als het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten zich daartegen niet verzet. Dit beoordelingscriterium wijkt niet noemenswaardig af van beoordelingscriteria zoals die in bestemmingsplannen aan aanlegvergunningplichten worden verbonden. De beoordeling wordt gemaakt op grond van een door de initiatiefnemer te overleggen archeologisch rapport (artikel 6.5). In de huidige praktijk ligt de ambtelijke beoordeling vervolgens bij monumentenzorg en archeologie. Dit is bestaande praktijk, en behoeft blijkens die praktijk geen aanvullend uitvoeringsbeleid.

Specifiek Hoofdstuk 10 2.25 Begrip ‘woonschip’ In artikel 10.33 wordt het begrip ‘woonschip’ gehanteerd. De Dagelijks Besturen geven aan dat VTH hier bezwaar tegen heeft. De in de werkpraktijk gehanteerde term is woonboot. Een woonschip is in de werkpraktijk een ondercategorie daarvan, waarmee het onderscheid wordt gemaakt met een niet varende woonboot. In de reactie van de VNG (januari 2023) op het consultatieverzoek van het ministerie is deze stelling bekrachtigd. Reactie: Met de term woonschip wordt aangesloten op de terminologie die ook het Rijk onder de Omgevingswet hanteert. Een eenduidig begrippengebruik komt de kenbaarheid van het omgevingsrecht ten goede. Een via de lijn van de VNG ingebracht verzoek om op rijksniveau het begrippengebruik aan te passen aan de Amsterdamse werkpraktijk, is door de Minister niet gehonoreerd. Het ligt voor de hand dat de Amsterdamse werkpraktijk qua begrippengebruik aan gaat sluiten op de onder de Omgevingswet in het omgevingsplan gehanteerde begrippen. Dat geldt overigens voor veel meer begrippen dan alleen dit geval. Dat is een direct gevolg van de stelselvernieuwing. 2.26 Geuroverlast In artikel 10.102 worden eisen gesteld ten behoeve van het beperken van geuroverlast bij ‘niet-industriële voedselbereiding’. In lid 2 van dit artikel wordt een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar filter voorgeschreven.

Voedselbereiding op houtskool wordt hiervan uitgesloten. VTH heeft hier bezwaar tegen omdat ook deze manier van voedselbereiding (bijvoorbeeld bij pizzeria’s en steakhouses) in de praktijk vaak tot geuroverlast bij omwonenden leidt. Reactie: Bij het opstellen van de regels in Hoofdstuk 10 is vanuit het uitgangspunt ‘beleidsneutraal’ zo veel mogelijk aangesloten bij de regeling in de bruidsschat. Bij voedselbereiding op houtskool is ook onder het huidige recht niet verplicht om maatregelen te treffen. Dat neemt niet weg dat het voorkomt dat geuroverlast ook als gevolg van deze activiteit wordt ervaren. Het ligt voor de hand om dit aandachtspunt ook mee te nemen bij het op te stellen geurbeleid. Die actie is in de Omgevingsvisie aangekondigd. In dat kader kan onderzocht en beoordeeld worden waar en hoe vaak overlast wordt ervaren, welke maatregelen het meest effectief zijn, wat de gevolgen voor ondernemers en voor het ambtelijke apparaat zijn en welke overgangsrechtelijke bepalingen al dan niet redelijk zijn. Overigens biedt de bruidsschat en later Hoofdstuk 10 een ruimere grondslag om handhavend op te treden op grond van de specifieke zorgplicht voor het milieu dan het huidige recht. Ook wordt het mogelijk om (redelijke) maatregelen te eisen bij geurhinder als gevolg van voedselbereiding met houtskool. De afbakening van de

18

Definitieve versie

4 juli 2023

maatwerkmogelijkheid in artikel 3.103, lid 4 Activiteitenregeling komt niet terug in het omgevingsplan. Vooruitlopend op het geurbeleid is dit een mogelijkheid om in individuele gevallen geuroverlast aan te pakken. 2.27 Vervuilde afvoerkanalen De Dagelijks Besturen geven aan dat VTH in de dagelijkse praktijk afvoerkanalen sterk vervuild ziet raken met als gevolg brandgevaarlijke situaties. Daarom moet regelmatig door middel van een last onder dwangsom de voedselbereiding bij horecagelegenheden worden stilgelegd. Dat betekent omzet verlies voor de ondernemer en hoge kosten om het afvoerkanaal te laten reinigen. Deze kosten lopen in de duizenden euro’s terwijl de kosten van een reinigbaar vetvervangend filter enkele honderden euro’s bedragen. Het is dus ook in het belang van de ondernemers dat dit wordt aangepast. Reactie: Aangenomen wordt dat hier extra argumenten (namelijk brandgevaar en financiële schade bij ondernemers) worden benoemd om ook bij voedselbereiding met houtskool een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter te eisen (net als bij andere vormen van voedselbereiding). Deze extra argumenten kunnen inderdaad ook betrokken worden bij het opstellen van geurbeleid. 2.28 Onderscheid tussen gebruik van grootkeukenapparatuur en gewone keukenapparatuur Maak geen onderscheid tussen het gebruik van grootkeukenapparatuur en gewone keukenapparatuur.

Het gaat om het professioneel/bedrijfsmatig bereiden van voedsel. Waarmee dit gebeurd maakt niet uit. Verder is het lastig om te onderscheiden waar de grens ligt tussen grootkeukenapparatuur en gewone keukenapparatuur (die overigens ook in professionele keukens wordt gebruik). Het criterium zou eerder moeten zijn dat er sprake is van professioneel/bedrijfsmatig bereiden van voedsel. Dit is ook eenvoudiger te toetsen. Onder andere KvK. en of er voedsel wordt bereid voor de verkoop(anders dan voor leden van bijvoorbeeld de sportvereniging). Reactie: Afdeling 10.2 heeft blijkens artikel 10.8 alleen betrekking op milieubelastende activiteiten met een bedrijfsmatig karakter (dan wel een bedrijfsmatige omvang). Voor niet-bedrijfsmatige activiteiten gelden deze milieuregels dus niet. Het opnemen van het professioneel/bedrijfsmatig bereiden van voedsel als criterium voor de toepassing van artikel 10.102 heeft geen toegevoegde waarde. Dat volgt immers reeds uit artikel 10.8. Het gebruik van gewone keukenapparatuur is net als in het huidig Activiteitenbesluit buiten de werkingssfeer van artikel 10.102 gelaten. De reden is dat de zorgplicht voldoende werd geacht. Ook met betrekking tot dit punt wordt voorgesteld om het bij het op te stellen geurbeleid mee te nemen.

Daarbij dient te worden verkend voor welke activiteiten aanvullende geurregels wenselijk en redelijk zijn, wat de gevolgen voor ondernemers zijn en of het al dan niet redelijk is om uitzondering te maken voor bestaande situaties. Tot slot wordt ook hier gewezen op de ruimere mogelijkheden die de bruidsschat en later Hoofdstuk 10 bieden om handhavend op te treden bij geuroverlast door voedselbereiding met gewone keukenapparatuur. Zie ook de reactie onder 2.26. 2.29 Geluid door sportscholen Ook al is het niet beleidsneutraal maar door de hoeveelheid overlast meldingen van sportscholen zou een meldingsplicht samen met akoestisch onderzoek (niet alleen een akoestisch onderzoek op muziekgeluid maar ook op contactgeluid) verplichten ook wenselijk zijn. Sportscholen toevoegen bij artikel 10.17 met betrekking tot verplichte geluidsonderzoeken. Reactie: Een verplichting om akoestisch onderzoek uit te voeren voor alle sportscholen betekent een aanzienlijke verzwaring van de lasten voor die zaken. Het laten uitvoeren van een akoestisch onderzoek is bovendien ook

19

Definitieve versie

4 juli 2023

niet altijd noodzakelijk, bijvoorbeeld als er geen geluidgevoelige gebouwen binnen een bepaalde afstand staan. In overleg met VTH zal worden bekeken in welke situaties een akoestisch onderzoek reeds voor het openen van de sportschool nodig is. Tot slot wordt opgemerkt dat de bruidsschat en (later) Hoofdstuk 10 meer mogelijkheden bieden om een akoestisch onderzoek te vragen bij (reeds aanwezige) sportscholen dan het huidige recht.

Bijlage 1, Begripsbepalingen 2.30 Verwijzing naar AMvB’s In de bijlage wordt in de begripsomschrijving van de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) verwezen naar de besluiten 3 juli 2018. Klopt dit? Er zijn na die tijd namelijk al veel wijzingen in de AMvB’s aangebracht. Dit geldt overigens ook voor de Omgevingsregeling. Reactie: In de begripsomschrijving wordt verwezen naar de besluiten van 3 juli 2018, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht. Alle wijzigingen die nadien zijn aangebracht, zijn dus inbegrepen. Daar waar voor een begripsbepaling wordt verwezen naar de begripsbepaling zoals opgenomen in één van de AMvB’s werkt een wijziging in de begripsbepaling dus direct door naar het omgevingsplan. Dit is gedaan om een eenduidige uitleg van begrippen te krijgen en te houden. 2.31 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit Voorstel voor correctie buitenplanse omgevingsplanactiviteit: Buitenplanse omgevingsplanactiviteit = omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet waarbij moet worden voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Reactie: De in de consultatieversie opgenomen begripsomschrijving verwijst naar de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

Dat is inderdaad niet voldoende specifiek, omdat daaronder ook binnenplanse omgevingsvergunningen vallen. Bovendien bevat de Omgevingswet inmiddels zelf een definitie voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze (van het voorstel afwijkende) begripsbepaling is vanwege artikel 1.1, eerste lid van de Omgevingswet van toepassing op het omgevingsplan. De begripsbepaling voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt daarom in het omgevingsplan geschrapt. 2.32 Kunstijsbaan Voorstel correctie kunstijsbaan: Kunstijsbaan = al dan niet overdekte voorziening voor recreatieve doeleinden of het beoefenen van sport op kunstijs. Reactie: Het voorstel wordt in enigszins aangepaste vorm overgenomen. De begripsbepaling wordt gewijzigd in: ‘al dan niet overdekte voorziening voor de uitoefening van recreatie of sport op kunstijs’. De aanpassing ten opzichte van het voorstel is om te voorkomen dat ‘recreatieve doeleinden’ als zelfstandig doel naast ‘het beoefenen van sport op ijs’ kan worden gezien.

Overige, meer algemene opmerkingen 2.33 Introductie nieuwe vergunningplichten drukt op beschikbare VTH-capaciteit stadsdelen Conform het collegebesluit van 19 maart 2019 zijn de regels zoals die zijn opgenomen in de basisregeling zoveel als mogelijk beleidsneutraal van aard. Maar er zijn ook wijzigingen die niet geheel beleidsneutraal zijn, en die wel inhoudelijk tot een andere betekenis van de regels leiden. 20

Definitieve versie

4 juli 2023

Uit het overzicht van ‘betekenisvolle wijzigingen ten opzichte van het huidig stelsel’ blijkt dat er enkele nieuwe vergunningplichten worden geïntroduceerd. De uitvoering hiervan komt naar verwachting bij de VTH afdelingen van de stadsdelen te liggen. De introductie van nieuwe vergunningplichten brengt niet alleen de afhandeling van aangevraagde vergunningen met zich mee, maar ook het toezicht op verleende vergunningen en het handhavend optreden tegen niet vergunde c.q. illegale activiteiten. De druk op de bestaande VTH capaciteit is op dit moment echter reeds hoog. De Dagelijks Besturen adviseren het College om op stedelijk niveau extra capaciteit toe te kennen voor uitvoering van deze nieuwe taken, of middels prioritering inzichtelijk te maken aan welke andere onderwerpen minder capaciteit moet worden toegekend. Reactie: Inderdaad worden enkele nieuwe vergunningplichten in het leven geroepen. Die worden nodig geacht om een goede uitvoering te kunnen geven aan instructieregels van her Rijk, of anderszins een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving te waarborgen. Voor een deel komen deze nieuwe vergunningplichten in de plaats van reeds bestaande instrumenten, waarvoor de verantwoordelijkheid voor toestemming, toezicht en handhaving ook bij VTH ligt. Niettemin is te verwachten dat er extra druk ontstaat op de bestaande capaciteit van VTH.

Die druk wordt nog verder vergroot door het leren werken met het nieuwe stelsel als geheel, zie ook de reactie onder punt 1.8. 2.34 Wijziging rechtsgevolg expliciet vermelden bij concretisering regels met uitgesteld rechtsgevolg De Basisregeling Omgevingsplan bevat een grote hoeveelheid regels met een uitgesteld rechtsgevolg. Daarmee wordt bedoeld dat de regels pas daadwerkelijk ergens gaan gelden nadat ze middels een latere wijziging van het omgevingsplan voor een concrete locatie van toepassing zijn verklaard. Het betreft met name ruimtelijke regels waarmee uiteindelijk de bestemmingspannen vervangen moeten worden. In de toelichting bij dit onderdeel is vermeld dat deze regels veelal zullen afwijken van veel van de regels in de verschillende ruimtelijke plannen die ze zullen gaan vervangen. Die afwijking is het gevolg van harmonisatie. Regels over eenzelfde onderwerp, gesteld in honderden bestemmingsplannen, lopen uiteen. Wanneer die worden geharmoniseerd ontstaan verschillen. Dat ze afwijken betekent niet dat dat automatisch tot een veranderend rechtsgevolg leidt, maar het kan wel. De Dagelijks Besturen van de stadsdelen adviseren het college om bij het vervangen van de ruimtelijke plannen die op dit moment gelden binnen het stadsdeel, expliciet te vermelden wat de (eventuele) wijzigingen in rechtsgevolg zijn ten opzichte van de bestaande regels.

Op deze wijze kan het dagelijks bestuur zich een zorgvuldig oordeel vormen over het al dan niet wenselijk zijn van deze wijziging en kan eventueel voor het specifieke gebied een locatiegerichte maatwerkregel worden opgenomen. Reactie: Regelharmonisatie van honderden bestemmingsplannen leidt automatisch tot tekstuele verschillen met die afzonderlijke bestemmingsplannen. Dat is onontkoombaar. Dat deed zich overigens ook voor bij het actualiseren van bestemmingsplan, zij het in mindere mate. Veel van die tekstuele verschillen zullen echter niet leiden tot een inhoudelijke wijziging. Daar waar wel een rechtsgevolg optreedt bij het vervangen van het bestemmingsplan door het omgevingsplan, ligt voor de hand dat dit rechtsgevolg zoals verzocht in beeld wordt gebracht en voorgelegd. 2.35 Verhoging tijdsbesteding afhandeling bouwaanvraag door uitbreiding beoordelingsaspecten In artikel 4.7 is een verbodsbepaling opgenomen om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten. Onderdeel van de systematiek zijn ook de beoordelingsregels die van toepassing zijn op vergunningaanvragen. Ten opzichte van de huidige beoordelingsregels wordt een aantal extra beoordelingsregels opgenomen in de Basisregeling Omgevingsplan. De extra aspecten die onder de nieuwe systematiek bij een vergunningsaanvraag moeten 21

Definitieve versie

4 juli 2023

worden beoordeeld, maakten onder de huidige systematiek onderdeel uit van de onderzoeken die worden gedaan bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Het gaat onder andere om beoordeling van windhinder, geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico. Hiermee verschuift de onderzoekslast van het bestemmingsplanproces naar het vergunningenproces. De tijdsbesteding voor behandeling van een aanvraag neemt door deze uitbreiding van de beoordelingsaspecten toe. De gevolgen hiervan zijn tweeledig. Ten eerste betekent dit een langere afhandelingstijd voor de aanvrager van een vergunning. Ten tweede brengt dit een verdere verhoging van de druk op de beschikbare capaciteit met zich mee. Ook hierbij adviseert het Dagelijks Bestuur het College om op stedelijk niveau extra capaciteit toe te kennen, of middels prioritering inzichtelijk te maken aan welke andere onderwerpen minder capaciteit moet worden toegekend. Reactie: Op de mogelijke gevolgen van het doorschuiven van de finale beoordeling op enkele onderwerpen naar de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken is reeds ingegaan onder punt 1.8. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. Aanvullend wordt opgemerkt dat de onderzoekslast slechts ten dele verschuift.

In het kader van een wijziging van het omgevingsplan waarmee een bepaalde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, zal wel de uitvoerbaarheid moeten worden aangetoond. De finale beoordeling op aanvaardbaarheid zal echter worden doorgeschoven naar de vergunning. Dat betekent ook dat de daarmee gepaard gaande onderzoekslast wordt verlegd naar de initiatiefnemer. 2.36 Onduidelijk waarom ‘kruimelafwijking’ voor gebruik niet wordt overgenomen Artikel 4.26 biedt de mogelijkheid om af te wijken van de in afdeling 5.2 of in een nog geldend, onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan gestelde ruimtelijke regels over bouwwerken. In bestemmingsplannen werden al vaak binnenplanse afwijkmogelijkheden opgenomen voor bepaalde (onderdelen van) bouwwerken. Veelal verschilden die aanzienlijk. Daarvoor komt nu één regeling in de plaats. Daarnaast is er op grond van de huidige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (/Bor) de buitenplanse afwijkmogelijkheid voor aangewezen ‘kruimelgevallen’. De lijst met kruimelgevallen op rijksniveau vervalt en wordt ook overgenomen in artikel 4.26 van de Basisregeling Omgevingsplan. Alleen de in huidige landelijke lijst met kruimelgevallen opgenomen mogelijkheden om af te wijken van de planregels voor ‘gebruik’ worden niet overgenomen.

Bijvoorbeeld de afwijkmogelijkheid voor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten. Van deze mogelijkheid wordt in de praktijk met enige regelmaat gebruik gemaakt. Het is de Dagelijks Besturen niet duidelijk om welke reden deze huidige wettelijke afwijkmogelijkheid niet wordt overgenomen in de Basisregeling Omgevingsplan. Het dagelijks bestuur adviseert het college om dit onderdeel nader te verduidelijken. Reactie: Hoofdstuk 4 van de voorgestelde basisregeling kent een vergunningplicht voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk (omgevingsvergunning bouwwerken). Een van de beoordelingsregels bepaalt dat getoetst wordt aan ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5. Waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt getoetst aan het bestemmingsplan. Is een aanvraag met de geldende ruimtelijke regels over bouwwerken in strijd, dan moet de binnenplanse omgevingsvergunning bouwwerken worden geweigerd. Voor bepaalde gevallen is echter voorzien in een binnenplanse afwijkmogelijkheid (artikel 4.26). Daarbij is deels aangesloten op de lijst met zogenaamde ‘kruimelgevallen’, waarvoor onder de Wabo buitenplans van het bestemmingsplan kon worden afgeweken. Niet alle gevallen zijn echter overgenomen.

De afwijkmogelijkheden voor gebruik, opgenomen in artikel 4, lid 9 tot en met 11, 22

Definitieve versie

4 juli 2023

bijlage II Bor, zijn niet overgenomen. De afwijkmogelijkheid voor bijbehorende bouwwerken, opgenomen in artikel 4, lid 1, bijlage II Bor, is overgenomen, maar in omvang beperkt. Voor de beperkingen ten opzichte van artikel 4, bijlage II Bor, is gekozen om de volgende redenen: De onder de Wabo bestaande kruimelgevallenregeling heeft betrekking op het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan. Op het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan is in beginsel de uitgebreide procedure van toepassing. Voor de aangewezen kruimelgevallen kan met de kortere reguliere procedure worden afgeweken van het bestemmingsplan. De huidige kruimelgevallenregeling ziet dus op een snellere procedure voor de aangewezen gevallen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan voor initiatieven die niet passen binnen het omgevingsplan eveneens met een buitenplanse ‘afwijkvergunning’ (de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) worden afgeweken van het omgevingsplan. Daarvoor geldt (in afwijking van onder de Wabo) standaard de reguliere procedure. Voor procedurele versnelling is een kruimelgevallenregeling onder de Omgevingswet dus niet meer nodig. Toch wordt in het omgevingsplan zelf een soort van kruimelgevallenregeling geïntroduceerd (artikel 4.26).

De reden is niet dat dan een kortere procedure van toepassing is, maar dat (ten opzichte van de buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit) een beperkte beoordeling kan plaatsvinden. Die beperkte beoordeling kan alleen van toepassing zijn op initiatieven die voor wat betreft situering, omvang, aard en impact relatief beperkt zijn. Bovendien geldt voor de binnenplans vergunde gevallen niet de inpassingsplicht in het omgevingsplan, die wel geldt voor buitenplanse omgevingsvergunningen waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken. Juist voor relatief grote afwijkingen is die inpassing gewenst, omdat anders op enig moment niet meer op grond van het omgevingsplan valt te achterhalen wat nu wel of niet is toegestaan. Voor echt kleine afwijkingen, zoals opgenomen in artikel 4.26, is dat geen probleem. Het biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid op maatwerk op gebouwdetails, waarbij net niet wordt voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zonder dat dit na realisatie van het gebouw vertaling naar algemene regels in het omgevingsplan behoeft. Het biedt ook ruimte voor maatwerk voor erfbebouwing, en voor de afweging of die wenselijk is.

In artikel 4.26 worden daarom alleen initiatieven van beperkte omvang en impact aangewezen waarvoor met een binnenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken toestemming kan worden gegeven, ook al is het initiatief in strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 of in het nog niet vervangen bestemmingsplan. Voor gevallen die niet onder artikel 4.26 vallen geldt dat nog altijd van de buitenplanse afwijkmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, en bovendien (behoudens uitzonderingen) met de reguliere procedure. De toelichting zal op dit punt verder worden verduidelijkt. 2.37 Evalueer de aangepaste normering ten aanzien van piekgeluid Hoofdstuk 10 van de Basisregeling Omgevingsplan bevat regels over milieubelastende activiteiten. Onder huidig recht staan die in het Activiteitenbesluit, het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit lozen afvalwater huishoudens. Ten opzichte van de regels over milieubelastende activiteiten zoals die als bruidsschat in het omgevingsplan zijn gekomen, zijn in de Basisregeling Omgevingsplan behoorlijk veel aanpassingen gedaan. Deze wijzigingen volgen uit de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De meest significante wijziging ten opzichte van de bruidsschatregels betreft een andere normering ten aanzien van piekgeluid.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is een beleidsvernieuwing doorgevoerd ten aanzien van de regulering van maximale geluidniveaus (piekgeluid). Omdat piekgeluiden vooral een relatie hebben met slaapverstoring, worden voor de dagperiode geen verplichte eisen meer gesteld aan het maximale 23

Definitieve versie

4 juli 2023

geluidniveau. Verder wordt er een onderscheid gemaakt tussen het aandrijfgeluid van transportmiddelen en overige piekbronnen. Voor aandrijfgeluid is kenmerkend dat het op het beoordelingspunt relatief langzaam toeneemt en afneemt, en daardoor ook relatief minder slaapverstoring geeft. Voor deze bron is de geluidwaarde in de avond- en nachtperiode verhoogd (de norm is versoepeld). De norm voor de overige bronnen wordt in de avond strenger. Het dagelijks bestuur kan op dit moment niet inschatten wat de gevolgen zijn van deze wijziging ten opzichte van het huidige recht. Tegelijkertijd kan een wijziging in geluidsbelasting aanzienlijke maatschappelijke effecten hebben. Het dagelijks bestuur adviseert het college om de beleidsvernieuwing ten aanzien van de regulering van maximale geluidniveaus binnen een jaar na invoering daarvan te evalueren. Indien blijkt dat de ervaren (geluids)overlast is toegenomen dienen passende maatregelen te worden genomen om dit effect zo spoedig mogelijk weg te nemen. Reactie: Vooropgesteld wordt dat ook het aantal inhoudelijke wijzigingen in hoofdstuk 10, ten opzichte van de bruidsschat (en dus huidig recht) beperkt is. Voor zover sprake is van wijzigingen, volgen die bovendien uit beleidskeuzes die op rijksniveau zijn gemaakt over de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemeenten moeten daaraan in het omgevingsplan uitvoering geven.

Het is (zoals ook in het advies wordt aangegeven) inderdaad lastig om in te schatten wat de gevolgen zullen zijn van de beleidsvernieuwing in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het is dan ook wenselijk om die gevolgen op een gegeven moment in beeld te brengen. Bekeken moet worden op welke termijn en op welke wijze dat het beste kan gebeuren. Ook moet verkend worden of aansluiting bij bestaande trajecten (bv. een actieplan geluid) mogelijk is. Overigens staat het Besluit kwaliteit leefomgeving er aan in de weg om een generieke pieknorm (geldend voor alle activiteiten) voor de dagperiode in het omgevingsplan op te nemen. Wel biedt het de mogelijkheid om piekgeluid in de dagperiode te normeren mits de aard en de locatie van de activiteit hiertoe aanleiding geeft. Naar aanleiding van opmerkingen van VTH en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied wordt de basisregeling aangevuld met regels over enkele activiteiten waarbij de aard van de activiteiten dit noodzakelijk maakt. Het gaat om de activiteiten: 

afvalpunten, handelingen met metaalschroot en autowrakken, onderhoud, reparatie en bouw van schepen en steigerverhuurbedrijven, voor zover het gaat om het piekgeluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen; en

detailhandel, sportscholen en onderhoud en reparatie van gemotoriseerde voertuigen, voor zover het gaat om het piekgeluid binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen.

3. Stadsdeel Noord 3.1 Uniformere regeling ter bescherming van het dakenlandschap In de Basisregeling mist een (uniformerende) regeling voor de bescherming van de cultuurhistorische waarden van met name de bovenste bouwlaag of bouwlagen, ter bescherming van het dakenlandschap dat doorgaans van cultuurhistorische waarde is in beschermde stadsgezichten. Reactie: Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder punt 1.5. 3.2 Regeling woonboten, passagiersvaart, pleziervaart en transport over water In de Basisregeling ontbreekt een (uniformerende) regeling voor woonboten (woonarken en woonschepen), passagiersvaart, pleziervaart en transport over water. 24

Definitieve versie

4 juli 2023

Reactie: Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder punt 1.6. 3.3 Sloopvergunningplicht gemeentelijk beschermd stadsgezicht Geldt de vergunningplicht voor sloopactiviteiten zoals opgenomen in afdeling 4.2a (artikel 4.73) ook voor het ‘gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht’ (of alleen voor het rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht)? In afdeling 4.2a is in tegenstelling tot paragraaf 4.2.3 (artikel 4.13) van de Basisregeling geen onderscheid gemaakt in de aanduidingen ‘rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht’ en ‘gemeentelijk beschermd stadsen dorpsgezicht’, waardoor verwarring ontstaat over of de sloopvergunningplicht ook geldt voor gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten. Het lijkt erop van niet. De omgevingsvergunning voor het slopen in gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht is nu namelijk geregeld in artikel 21 / hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam. Uit de Algemene toelichting bij de Basisregeling blijkt dat uitsluitend hoofdstuk 7 van de Erfgoedverordening is overgegaan in de Basisregeling. Aangezien de sloopvergunningsplicht betrekking heeft op een activiteit met gevolgen voor de fysieke leefomgeving, zou het betreffende artikel uit de Erfgoedverordening opgenomen moeten worden in de Basisregeling. De Basisregeling behoeft een verduidelijk op dit punt.

Reactie De sloopvergunningplicht voor beschermde stads- en dorpsgezichten zoals opgenomen in afdeling 4.2a geldt voor zowel rijksbeschermde gezichten als gemeentelijk beschermde gezichten. De regeling en de toelichting worden op dit punt verduidelijkt. De gedachte was zowel rijksbeschermde gezichten als gemeentelijk beschermde gezichten met dezelfde aanduiding beschermd stads- of dorpsgezicht aan te wijzen. Daar zou afdeling 4.2a dan gelden (zie artikel 4.72, eerste lid). Vanwege bepalingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, die betrekking hebben op locatie waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, zal toch het onderscheid gemaakt moeten worden. Artikel 4.72 wordt hierop aangepast. Bovendien geldt de regeling voor gebieden die in het omgevingsplan met de aanduiding ‘beschermd stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, maar ook voor beschermde gezichten waarvoor die aanduiding nog niet is opgenomen. Dit zal in artikel 4.72 worden toegevoegd. Artikel 4.13, derde lid, zoals dat in de consultatieversie stond, had inderdaad betrekking op zowel rijksbeschermde als gemeentelijk beschermde gezichten. Dat is onder huidig recht niet zo, maar de wens bestond dit gelijk te trekken. Dit moet worden teruggedraaid, zie reactie onder punt 8.7.

Het deel van de algemene toelichting waarop gewezen wordt, beschrijft welke (onderdelen van) gemeentelijke verordeningen onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Dat is voor wat betreft de Erfgoedverordening, alleen hoofdstuk 7. Er is voor gekozen ook andere onderdelen van de Erfgoedverordening direct te vervangen. De algemene toelichting wordt hierop nog aangevuld. 3.4 Regeling vergunningvrije activiteiten In artikel 4.12 van de Basisregeling worden de vergunningvrije activiteiten geregeld. Dit is het equivalent van het huidige artikel 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. In het daaropvolgende artikel 4.12a wordt de cruciale voorwaarde gesteld dat deze activiteiten vergunningvrij zijn indien zij passen in het omgevingsplan (afdeling 5.2) of het nog geldende bestemmingsplan. Het verdient de voorkeur beide artikelen, 4.12 en 4.12a, samen te voegen tot één artikel, met afzonderlijke leden. Op deze manier zijn alle voorwaarden in één oogopslag terug te lezen in één en hetzelfde artikel dat de vergunningvrije bouwactiviteiten toestaat. 25

Definitieve versie

4 juli 2023

Reactie: Artikel 4.12a bepaalt inderdaad dat wanneer sprake is van strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken, alsnog de vergunningplicht geldt. Artikel 4.12a bevat echter niet de enige uitzondering van die strekking. Ook artikel 4.13 bevat vanwege cultureel erfgoed geldende beperkingen op artikel 4.12. Het opnemen van al de beperkingen van artikel 4.12a en artikel 4.13 in artikel 4.12 komt de leesbaarheid van artikel 4.12 niet ten goede. De suggestie wordt daarom niet overgenomen. 3.5 Introductie vergunningplicht na vaststelling Stedelijk beleidskader horeca en terrassen Het Dagelijks Bestuur begrijpt dat de Basisregeling nog niet volledig is (aan een aantal onderwerpen wordt nog doorgewerkt), bijvoorbeeld op het punt van het nog vast te stellen nieuwe horecabeleid. Dat beleid moet na vaststelling door de raad worden vertaald in de regels van de Basisregeling. Dat het onwenselijk is te wachten op de gereedkoming van dit onderdeel, kan het Dagelijks Bestuur volgen, evenals dat over het beleidsonderwerp participatie plaatsvindt in het kader van dat beleid.

Het Dagelijks Bestuur merkt evenwel op dat indien de vertaling van het nieuwe horecabeleid in de regels van de Basisregeling mocht leiden tot de introductie van een omgevingsvergunningplicht horeca voor ondernemers of anderszins rechtsgevolgen heeft, het nodig is de dan aan te passen Basisregeling te onderwerpen aan participatie. Reactie: In het concept-horecabeleid is voorzien in een binnenplanse omgevingsvergunningplicht voor horeca. Participatie over dat voornemen heeft reeds plaatsgevonden in het kader van dat beleid. Opname van een dergelijke vergunningplicht zou niets anders betekenen dan een juridische vertaling van beleid waarover reeds participatie heeft plaatsgevonden. Het hernieuwd onderwerpen van die regels aan participatie dient geen doel. Overigens wordt op dit moment, mede naar aanleiding van inspraakreacties op het concept-horecabeleid, onderzocht of een dergelijke vergunningplicht toegevoegde waarde heeft. Mogelijk dat het beleid op dit punt wordt aangepast. Ook dat betekent niet dat het beleid of de vertaling ervan opnieuw moet worden onderworpen aan participatie. Dat alles betekent overigens niet dat niet meer op de regels kan worden gereageerd. Over elke ontwerpwijziging van het omgevingsplan kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht. Zo ook over deze nog op te nemen regels.

3.6 Introductie vergunningplicht bij maken van uitweg Voor het maken van een uitweg geldt in Amsterdam geen omgevingsvergunningplicht op grond van een gemeentelijke verordening. Indien straks in hoofdstuk 7 van de Basisregeling voor het aanleggen van een uitweg een omgevingsvergunningplicht gaat gelden, acht het Dagelijks Bestuur het nodig de dan aan te passen Basisregeling te onderwerpen aan participatie. Het betreft namelijk een nieuwe situatie, de introductie van een omgevingsvergunningplicht voor de burger. Participatie is dan wenselijk. Reactie: Hoofdstuk 7 was in de versie zoals die aan de stadsdelen voor advies is voorgelegd, nog niet ingevuld. Het hoofdstuk zal een regeling bevatten voor het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. Met de vergunningplicht wordt voorzien in een finale toets op geluid. De verplichting tot het doen van die beoordeling volgt rechtstreeks uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die beoordeling is het best te doen in het kader van het concrete initiatief. Vandaar de keuze voor een vergunningplicht. Het aanleggen van een uitweg valt niet onder de reikwijdte van dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk zal dus geen vergunningplicht bevatten voor het aanleggen van een uitweg.

26

Definitieve versie

4 juli 2023

4. Stadsdeel Oost 4.1 Planning vervangen bestemmingsplannen Het Dagelijks Bestuur vraagt aandacht voor de planning bij het vervangen van bestemmingsplannen, en adviseert op gebiedsniveau te laten bepalen welke volgorde wordt gehanteerd. Reactie Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder punt 1.7. 4.2 Lokaal maatwerk Voorliggende basisregeling voorziet in geharmoniseerde en uniforme standaardregels. Voor zover deze standaardregels werkbaar zijn voor de lokale opgave dienen de standaardregels vanzelfsprekend te worden benut. Het Dagelijks Bestuur is groot voorstander van de mogelijkheid van lokaal maatwerk. Naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur zijn er in Oost ook een hoop bestemmingsplanregels die zich niet eenvoudig laten ombouwen naar de standaard ruimtelijke regels uit de Basisregeling. Bijvoorbeeld als het gaat om regels met ‘voorwaardelijke verplichtingen’ (te denken valt aan het in gebruik nemen van een woning, nadat een geluidsscherm is gerealiseerd) of zeer specifieke regels zoals dat ‘ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 1' alleen een hellend dakvlak oplopend van noord naar zuid van 7,5 naar 13 meter mag worden gerealiseerd. Naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur zijn er in Oost een hoop ‘bijzondere’ bestemmingsplanregels die zich niet eenvoudig laten ombouwen naar de standaard ruimtelijke regels uit de Basisregeling.

Maatwerk is dan essentieel. Met de voorliggende basisregeling is te allen tijde ruimte voor aanvullende regels, of voor afwijkende maatwerkregels. Het Dagelijks Bestuur onderschrijft deze keuze, maar gaat graag in gesprek met het College over welke ruimte er is voor maatwerk, evenals de (hiermee gepaard gaande) capaciteitsvraag. Naar verwachting zal dit proces specifieke expertise verlangen en meer tijd kosten dan werken met de standaard set regels. Reactie: Per concreet bestemmingsplan moet worden bekeken in hoeverre het vervangen ervan maatwerk vraagt. Maatwerk zal te allen tijde extra werk betekenen dan gebruikmaking van reeds bestaande ruimtelijke regels. Er zullen nieuwe regels aan het omgevingsplan moeten worden toegevoegd, die regels zullen op een juiste wijze moeten worden ingepast, zodat er geen ongewenste gevolgen elders optreden, en die regels moeten worden geannoteerd. Waar dat daadwerkelijk nodig is, is maatwerk mogelijk. Wanneer hetzelfde bereikt kan worden met een ook elders bruikbare regel, dan heeft dat zeer de voorkeur. Allereerst omdat dat uiteindelijk leidt tot een daadwerkelijk integraal omgevingsplan voor Amsterdam, maar ook omdat dat juist capaciteit scheelt. Maatwerkregels vragen meer tijd en capaciteit dan gebruikmaking van reeds bestaande, voor herhaald gebruik bedoelde regels.

Per te vervangen bestemmingsplan zal de beoordeling moeten worden gemaakt waar maatwerk nodig is. Voor bijvoorbeeld bestaande bebouwing is het niet noodzakelijk gedetailleerd juridisch de stedenbouwkundige contour met detailregels vast te leggen. Dat kan wel, maar er zijn vaak eenvoudiger manieren om dat te doen. Voor lokaal maatwerk zou gekozen moeten worden als dat juridisch echt noodzakelijk is om een ongewenste ontwikkeling tegen te houden. Wat dat betreft heeft het proces van totstandkoming van de basisregeling de afgelopen jaren, waarbij heel veel verschillende bestemmingsplannen van verschillende stadsdelen zijn bestudeerd, geleerd dat meer harmonisatie mogelijk is dan dat op het eerste gezicht het geval lijkt. Dat geldt mogelijk ook voor bestemmingsplannen in stadsdeel Oost. 

Zo is de als voorbeeld genoemde voorwaardelijke verplichting waarschijnlijk niet nodig om in het omgevingsplan op te nemen, omdat de finale beoordeling op geluid is doorgeschoven naar de bouwvergunning. Aan de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt ook 27

Definitieve versie

4 juli 2023

een beoordelingsregel met betrekking tot geluid gekoppeld. Dat maakt het mogelijk dat een dergelijk voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. Een aanvullende maatwerkregel is dan overbodig. 

Ook het voorbeeld van het voorgeschreven hellend vlak laat zich, voor zover dat betrekking heeft op reeds gerealiseerde gebouwen, mogelijk eenvoudig vervangen door een algemeen bruikbare regel dat voor bestaande gebouwen het bestaande dakprofiel niet mag worden gewijzigd. Met een binnenplanse afwijkmogelijkheid kan daarvan worden afgeweken, waarbij een beoordeling per geval kan plaatsvinden.

De door het Dagelijks Bestuur aangedragen voorbeelden laten juist zien dat niet al te snel gegrepen moet worden naar een lokale maatwerkregel. Maatwerk valt veelal op een wijze te realiseren, die algemeen bruikbaar is. In veel gevallen voorziet de basisregeling daar reeds in, en als dat niet het geval is kan worden gezocht naar een meer algemeen bruikbare oplossing. Er zal binnen Ruimte en Duurzaamheid een team worden geformeerd ingericht rondom het beheer van het omgevingsplan, dat helpt en meedenkt bij onder andere vragen over nut en noodzaak van dit soort maatwerkregels, en alternatieve, meer algemeen bruikbare oplossingen. 4.3 Gevolgen regelharmonisatie De gemeentelijke regelharmonisatie binnen Amsterdam leidt tot onvermijdelijke wijzigingen in regels en begrippen waar jarenlang mee gewerkt is via de huidige bestemmingsplannen. Een ieder in Oost zal hier op termijn mee geconfronteerd (kunnen) worden. Onder het begrip ‘maatschappelijke dienstverlening’ wordt in de begrippenlijst (Bijlage 1 – begripsbepalingen) van de Basisregeling bijvoorbeeld ook kinderopvang of religieuze instelling beschouwd, terwijl er nu bestemmingsplannen zijn waar dat niet het geval is. Dit wijzigt bestaande (woon)situaties op het moment dat we het nieuwe begrip uit het Omgevingsplan onverkort overnemen.

Er zal in de transitiefase dus per gebied moeten worden uitgeplozen welke mogelijke verschillen kunnen ontstaan, wat de impact daarvan is en of we met maatwerkregels willen afwijken van de standaard Basisregeling. Reactie: De verplichting om één integraal omgevingsplan voor Amsterdam op te stellen, dat in de plaats komt voor alle afzonderlijke bestemmingsplannen, is een verplichting die volgt uit de Omgevingswet. Dat in één omgevingsplan voor heel Amsterdam wordt gewerkt met een uniform begrippenkader is onontkoombaar, en dat heeft inderdaad consequenties. Die consequenties moeten bij het voor een gebied vervangen van een of meer bestemminsplannen ook goed in beeld worden gebracht. Dat was overigens ook het geval bij het actualiseren van een bestemmingsplan, waarbij vanwege nieuw beleid, rechterlijke uitspraken en overige gewijzigde inzichten toch wel de nodige aanpassingen werden doorgevoerd. Die tienjaarlijkse actualisatieplicht voor bestemmingsplannen is enkel vanwege de komst van de Omgevingswet komen te vervallen. Overigens geldt ook hiervoor dat de gevolgen wellicht minder groot zijn dan dat ze lijken.

Begripsomschrijvingen zoals in het voorbeeld van het Dagelijks Bestuur genoemd zijn bedoeld om aan te geven wat onder een begrip wordt verstaan, niet om het gebruik te reguleren (dat laatste is iets wat in veel bestemmingsplannen wel gebeurt, maar waarvoor een begripsomschrijving niet is bedoeld). In lijn daarmee bepaalt de begripsomschrijving voor maatschappelijke dienstverlening wat in het omgevingsplan Amsterdam onder maatschappelijke dienstverlening wordt verstaan. Die omschrijving zal ruimer zijn dan in veel bestemmingsplannen is opgenomen. Dat betekent niet dat overal waar maatschappelijke dienstverlening is toegestaan, alle vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan. Met de regels over maatschappelijke dienstverlening kan nader worden gereguleerd waar bepaalde vormen van maatschappelijke dienstverlening niet zijn toegestaan, of waar juist uitsluitend een bepaalde vorm van maatschappelijke dienstverlening is toegestaan.

28

Definitieve versie

4 juli 2023

Wanneer een maatschappelijke bestemming uit een bestemmingsplan wordt vervangen, en in die maatschappelijke bestemming zijn (zoals in het voorbeeld) kinderopvang en een religieuze instelling niet in de omschrijving van maatschappelijke dienstverlening opgenomen, dan moet allereerst de vraag worden beantwoord of het toestaan van die vormen van maatschappelijke dienstverlening op de betreffende locatie ongewenst is of niet. Als het antwoord daarop bevestigend is (ongewenst), dan biedt het omgevingsplan de ruimte om binnen het gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening die functies in het betreffende gebied uit te sluiten. Uiteraard moeten daaraan wel redenen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten grondslag liggen. Dit is nader toegelicht in paragraaf 10.4.1 van de Algemene toelichting (consultatieversie). 4.4 Geharmoniseerde regelinterpretatie De herhaalde toepassing van de nieuwe regels in heel Amsterdam zal ook tot gevolg hebben dat interpretaties van begrippen en regels en juridische procedures daarover in andere stadsdelen gevolgen kunnen hebben voor de wijze waarop we in Oost met de regel werken en hoe we die uitleggen naar de omgeving. Goede en actieve communicatie wordt derhalve wenselijk geacht met voldoende afstemming.

Reactie: De bevoegdheden die door de Dagelijks Besturen worden uitgeoefend, worden uitgeoefend in mandaat namens het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Daar waar nu regels in afzonderlijke bestemmingsplannen worden geïnterpreteerd, gaat het straks om de interpretatie van regels in een plan dat voor heel de gemeente geldt. En dat heeft inderdaad de consequentie dat een interpretatie door het ene Dagelijks Bestuur gemaakt, gevolgen kan hebben voor de interpretatie door andere Dagelijks Besturen. Geharmoniseerde regelgeving vraagt in die zin ook om geharmoniseerde interpretatie van die regelgeving. Een verschillende uitleg in verschillende stadsdelen van bijvoorbeeld eenzelfde begrip is ongewenst. Dat vraagt goede communicatie en afstemming binnen in elk geval het VTH-domein, maar ook tussen het VTH-domein en Ruimte en Duurzaamheid als beheerder van het omgevingsplan. Daar waar dat in de praktijk nodig is, kan bijvoorbeeld in de artikelgewijze toelichting worden aangegeven welke interpretatie de juiste is. Een snelle en brede afstemming over de uitleg van regels of begrippen waarover twijfel bestaat, is van belang. Hierover zullen organisatorische afspraken worden gemaakt, zie ook onder punt 1.4.

4.5 Vergunningvrij bouwen artikel 2 bijlage II Bor beperkt Het Dagelijks Bestuur constateert dat niet alle ‘bekende’ gevallen van vergunningsvrij bouwen (opgesomd in het huidige artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht) terugkomen in de Basisregeling, maar wel de categorieën bijbehorend bouwwerk en erf- of perceelafscheiding (zowel in art. 4.12 als art. 5.8). Reactie: Het huidig artikel 2 bijlage II Bor bevat een opsomming van bouwwerken die bouwvergunningvrij zijn, en die ook, ongeacht wat het bestemmingsplan zegt, zijn toegestaan. Ze zijn ook ‘afwijkvergunningvrij’. Deze bouwwerken zijn opgenomen in artikel 5.8. Die opsomming is inderdaad beperkter dan die in artikel 2, bijlage II Bor. Dat komt omdat het Rijk in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zelf ook voor een aantal bouwwerken heeft bepaald dat die, ongeacht wat het omgevingsplan daarover bepaalt, zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn toegestaan. Omdat ze reeds op grond van het Bbl vergunningvrij zijn, worden ze niet genoemd in artikel 5.8. 4.6 Gecompliceerde regeling voor vergunningvrije bouwwerken De systematiek voor vergunningvrij bouwen, geregeld in artikel 4.12 en 5.8, wordt uiterst complex gevonden. Het Dagelijks Bestuur vreest dat hiermee onbedoeld vergunningplichtige aanbouwen zonder vergunning zullen worden gebouwd.

Het Dagelijks Bestuur vraagt hier nadrukkelijk aandacht voor. Reactie: Onder punt 1.1 wordt uitgebreid ingegaan op de systematiek vergunningvrije bouwwerken. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. 29

Definitieve versie

4 juli 2023

4.7 Vergunningplicht voor aan- en uitbouwen op het achtererf Het Dagelijks Bestuur vraagt het college om een gemeentelijke vergunningplicht (met binnenplanse afwijkingsmogelijkheid) voor aan- en uitbouwen aan de achterzijde met nader te onderzoeken voorwaarden dan wel de optie van het kunnen aanwijzen van de vergunningsvrije regeling per gebied of per bouwblok. Reactie: In de basisregeling is reeds in het gevraagde voorzien. Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder punt 1.2. 4.8 Gebiedsgericht afwijkingsbeleid In Oost gelden al lange tijd gebiedsgerichte beleidsregels voor o.a. dakopbouwen en balkons voor de beoordeling van afwijkingen op een bestemmingsplan mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning. Het Dagelijks Bestuur stelt voor dat deze beleidsregels in beginsel als beoordelingskader blijven gelden voor dit soort type bouwactiviteiten die niet rechtstreeks passen in het omgevingsplan. Reactie: Dergelijke beleidsregels kunnen van toepassing zijn op de in het omgevingsplan opgenomen afwijkmogelijkheid (artikel 4.26) en op de bevoegdheid tot het verlenen van buitenplanse omgevingsvergunningen. Wel zal het op enkele onderdelen aangepast moeten worden, onder meer omdat de grondslag voor de bevoegdheid verandert. Die is immers niet langer gelegen in de Wabo, maar in de Omgevingswet of (bij een binnenplanse afwijkmogelijkheid) in het omgevingsplan.

Momenteel loopt hierover binnen Ruimte en Duurzaamheid onderzoek naar welke aanpassingen noodzakelijk zijn. 4.9 Communicatie over de basisregeling Het Dagelijks Bestuur vraagt aandacht voor goede communicatie over de impact van de basisregeling voor bewoners en ondernemers. Aandacht voor goede communicatie naar de buitenwereld, in ieder geval wijzen op zaken die veranderen ten opzichte van nu. En aandacht voor hoe we de initiatiefnemer kunnen faciliteren als de wet in werking treedt. Het moet helder zijn waar ze een omgevingsvergunning of een wijziging omgevingsplan kunnen aanvragen. Reactie: De adviezen worden bij het verdere implementatietraject betrokken. 4.10 Overige verzoeken Aanvullend vraagt het Dagelijks Bestuur om in samenwerking met de verschillende VTH-afdelingen de volgende drie punten op te pakken: a. Het actief werkbaar en handhaafbaar maken van wetten, regels en begrippen. b. Het formuleren van een strategie om de omzetting en invoering van de basisregels te monitoren en evalueren. c.

Duidelijkheid te scheppen over de rol en invloed van de stadsdelen bij het proces van de invoering van de basisregels en de Omgevingswet.

Reactie: Ad. a: Niet duidelijk is op welke wetten, regels en begrippen wordt gedoeld. Voor zover dat het omgevingsplan betreft, wordt opgemerkt dat hierover allerlei vormen van afstemming hebben plaatsgevonden en plaats blijven vinden. Zie ook onder 1.4. Ad. b: Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder punt 1.4. Ad. c: Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder punt 1.7.

30

Definitieve versie

4 juli 2023

5. Stadsgebied Weesp Ten opzichte van de onder punt 1 en punt 2 besproken adviezen, heeft het Dagelijks Bestuur geen aanvullingen.

6. Stadsdeel Centrum 6.1 Principiële keuzes moeilijk te doorgronden Met de regeling wordt een zoveel mogelijk beleidsneutrale overgang naar de Omgevingswet beoogt. Een document waarin de principiële keuzes zijn toegelicht zou behulpzaam zijn voor een goede beoordeling. Een dergelijk document is nu alleen voor de zogenaamde bruidsschat opgesteld, en niet voor de rest van het plan. Dat maakt deze zeer omvangrijke en belangrijke basisregeling moeilijk te doorgronden. Reactie: De principiële keuzes die zijn gemaakt hebben vooral betrekking op opzet en systematiek en wijze van transitie, en worden uitgebreid toegelicht in de algemene toelichting. Omdat de regeling inhoudelijk zo veel als mogelijk beleidsneutraal is aangepakt, zijn er inhoudelijk weinig principiële keuzes gemaakt. Waar dat wel is gebeurd, zijn die eveneens toegelicht in de algemene toelichting en/of de artikelgewijze toelichting. Overigens zal de algemene toelichting uitgebreid worden, waardoor de onderbouwing van een aantal van de gemaakte keuzes makkelijke vindbaar is. In hoofdstuk 9 wordt concreet ingegaan op de wijze waarmee aan instructieregels van Rijk en Provincie uitvoering wordt gegeven.

In hoofdstuk 10 zal over een aantal andere aspecten, zoals opzet regels over gebruik, parkeernormering en de regeling vergunningplicht bouwwerken, worden uitgelegd hoe (en waarom) daarmee in het omgevingsplan wordt omgegaan. Die onderbouwing stond in de consultatieversie in de hoofdstukgewijze toelichting van de algemene toelichting, of in de artikelgewijze toelichting. 6.2 Vergunningplicht horecaterrassen Een voor stadsdeel Centrum relevant voorbeeld van zo’n principiële keuze betreft horecaterrassen. Wij hebben de indruk dat de regeling erop neerkomt dat voor een horecaterras een omgevingsvergunning nodig is. We leiden dat af uit het feit dat terrassen nergens in het plan als toegestane functie worden benoemd. In de huidige bestemmingsplannen in stadsdeel Centrum, waar zich het merendeel van de horecaterrassen bevindt, is dat wel het geval: horecaterrassen zijn toegestaan op basis van het bestemmingsplan en worden uitsluitend gereguleerd via de exploitatievergunning. Wij zien op basis van onze ervaringen met de huidige regeling niet in wat een tweede vergunning toevoegt. Wij verzoeken u om de regeling zoals die nu in stadsdeel Centrum geldt intact te laten. Reactie: Een regeling voor horeca was nog niet opgenomen in de versie zoals die aan de stadsdelen om advies is voorgelegd. De reden daarvoor is dat nieuw horecabeleid nog niet was vastgesteld.

Zodra dit beleid is afgerond, zullen de regels die daaraan uitvoering moeten geven, worden opgesteld. De motivering voor de keuzes wordt gemaakt in het horecabeleid. Met het omgevingsplan zal daaraan uitvoering worden gegeven. Vooruitlopend daarop kan al wel worden opgemerkt dat het om verschillende redenen voor de hand ligt dat er in het horecabeleid voor wordt gekozen om in het omgevingsplan een vergunningplicht voor horecaterrassen op te nemen. Reeds onder huidig recht heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bepaald dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarmee een horecaterras wordt toegestaan, moet worden beoordeeld of dat “vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is, en dat die beoordeling en afweging een andere is dan de afweging die plaatsvindt bij het beoordelen van de vraag of voor een terras al dan niet een vergunning op grond van de APV kan worden verleend. Bij de beslissing omtrent het verlenen van een terrasvergunning kan geen integrale afweging worden gemaakt van alle in het plangebied betrokken ruimtelijk relevante belangen. De beoordeling welke dient plaats te vinden in het kader van artikel

31

Definitieve versie

4 juli 2023

3.1 van de Wet ruimtelijke ordening kan dan ook niet worden vervangen door een beoordeling bij het verlenen van een vergunning op grond van de APV.”3 Niet valt in te zien dat dit straks onder de Omgevingswet anders zal worden uitgelegd. In tegendeel, vanwege de verruimde reikwijdte van de Omgevingswet ten opzichte van de Wet ruimtelijke ordening valt eerder te verwachten dat de onder de Omgevingswet te maken afweging breder zal zijn dan nu, en dat dat ook betekent dat met het oog op bijvoorbeeld het voorkomen van onaanvaardbare hinder vanwege stemgeluid regels moeten worden gesteld. Overigens speelt ook dat nu al. De Afdeling heeft in een uitspraak van 6 april 2022 duidelijk gemaakt “dat het stemgeluid afkomstig van het terras een relevant aspect is dat in het kader van de door het college te maken belangenafweging aan de orde dient te komen.”4 Onder de Omgevingswet wordt in artikel 5.59 Bkl expliciet bepaald in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, en dat een omgevingsplan erin voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Dat kan niet in de vorm van geluidsnormen, daaraan staat straks artikel 5.73 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de weg.

Om er toch in te voorzien dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, kan de gemeente dit geluid wel reguleren op andere wijze, bijvoorbeeld door gebruiksregels op te nemen in het omgevingsplan.5 Die gebruiksregels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de omvang van terrassen, of de periode van een dag dat een terras geopend mag zijn. Een dergelijke beoordeling, en daarover te stellen regels, is gelet op de hoeveelheid terrassen die zich in Amsterdam bevinden niet via algemene regels voor heel Amsterdam te doen, maar vraagt een beoordeling per geval. Om die reden ligt een keuze voor een vergunningplicht voor de hand. Voor zover het horecabeleid daarvoor na vaststelling ruimte laat, staat de systematiek van het omgevingsplan er niet aan in de weg dat voor bepaalde gebieden de vergunningplicht voor terrassen niet geldt, maar dat het gebruik ervan door algemene regels in het omgevingsplan wordt gereguleerd. Bij wijziging van het omgevingsplan waarmee een dergelijke keuze wordt gemaakt, zal dan moeten worden gemotiveerd dat ook met die keuze aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies wordt voldaan. 6.3 Uitvoeringstoets Een zorgpunt is voor ons dat niet inzichtelijk is gemaakt wat de gevolgen van deze basisregeling voor de uitvoerbaarheid zijn.

Een uitvoeringstoets - wat betekent de regeling voor de capaciteit en inzet van de uitvoerende afdelingen - ontbreekt. Zo’n toets is een onmisbaar onderdeel bij de besluitvorming over nieuwe regelgeving. Dat geldt zeker voor regelgeving die zo omvangrijk is als deze basisregeling. Wij verzoeken u om deze toets alsnog op te laten stellen en onderdeel te laten zijn van de besluitvorming over de basisregeling. Reactie: Op een enkele uitzondering na voorziet de basisregeling niet in nieuwe regelgeving, maar in een vervanging en integratie van bestaande regelgeving. De omvang doet daaraan niets af. Het omvangrijke hoofdstuk 10, dat gaat over milieubelastende activiteiten, vervangt het eveneens omvangrijke Activiteitenbesluit. De vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken met de uitzonderingen daarop, en de erop van toepassing zijnde beoordelingsregels, vervangen de bouwvergunningplicht zoals nu nog opgenomen in de Wabo. Het is bestaande regelgeving, aangepast aan de instructieregels van het Rijk, geïntegreerd in een nieuwe regeling. De hoofdstukken met daarin regels om op een later moment bestemmingsplannen te vervangen, gaan bovendien inhoudelijk nog nergens gelden. Die integratie volgt uit de verplichtingen van de Omgevingswet. Dat is geen keuze. Over de fasering valt wel een keuze te maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13145876/2