CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Nota van Beantwoording Hoogbouwbeleid Amsterdam 2024_juli 2024.pdf

RAAD 18 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Hoogbouwbeleid Amsterdam 2024 (VN2024-007079)30.417 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dat is 20 of 30 meter, afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCOgebied. Hoogbouw tot 60 meter is in dit regime in principe niet mogelijk, alleen als uitzondering. Dat geldt ook voor de uitzonderingsgebieden. We nemen ook Kattenburg en Wittenburg op als uitzonderingsgebied.

4.5

Port of Amsterdam

Ingediend door: 2712-5042 Samenvatting reactie: 25

Het Havenbedrijf heeft met interesse kennisgenomen van het concept Hoogbouwbeleid. Ze kunnen zich vinden in de beschrijving van het havengebied en dat het havengebied als apart gebied is aangemerkt. Het Havenbedrijf verwacht ook goed overweg te kunnen met het regime toegewezen aan het havengebied, maar geeft een aantal overwegingen mee. a. Het Havenbedrijf wijst erop dat er veel hoogbouw mogelijk wordt gemaakt in de buurt van (zwaar) milieubelaste gebieden of rondom belangrijke transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Het nieuwe beleid zet daarmee de algehele leefbaarheid in het gebied rondom de Amsterdamse haven verder onder druk. Omgekeerd komen daarmee ook de bedrijven in de Amsterdamse haven onder druk te staan. Het Havenbedrijf verzoekt deze aandachtspunten op te nemen in hoofdstuk 3 en 4. b. In het concept-beleid wordt, aldus inspreker, geen aandacht besteed aan de scheepvaart op het IJ. Voor het Havenbedrijf is het van belang dat de veiligheid op het water geborgd is en blijft met een veilige inrichting van bebouwing. De vaarwegcapaciteit dient toekomstbestendig geborgd te zijn en zichtlijnen en radardekking dienen onaangetast te blijven. Het Havenbedrijf verzoekt de gemeente dan ook de Havenverordening, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en het Basisnet Water als relevante kaders op te nemen in hoofdstuk 3.5. c.

Het Havenbedrijf verzoekt de gemeente er rekening mee te houden dat in het havengebied – en daarbuiten – ligplaatsen zijn gesitueerd waar schepen met gevaarlijke stoffen kunnen afmeren en waar zich bunkerstations bevinden waar overslag van (alternatieve) brandstoffen plaatsvindt. Antwoord: a. Bij de positionering van eventuele hoogbouw in Haven-Stad dient vanzelfsprekend rekening te worden gehouden met transportroutes voor gevaarlijke stoffen en de milieu-aspecten van de aanwezige en toegestane bedrijvigheid, waaronder ook begrepen de externe veiligheid die verband houdt met die bedrijvigheid. Dit betekent echter niet dat hoogbouw per definitie onmogelijk is, De arbeidsdichtheid van bijvoorbeeld datacentra is zodanig laag dat het aspect externe veiligheid 0f andere milieuhinder een relatief lage impact heeft. Omdat de invloed van milieuhinder aldus niet principieel anders is bij hoogbouw dan bij niethoogbouwontwikkelingen is er geen reden om dit als specifiek voor hoogbouw geldend criterium op te nemen in het hoogbouwbeleid. Voor alle duidelijkheid: Milieuaspecten dienen te allen tijde in het planvormingsproces te worden beschouwd. b. Nemen we op. c. Zie hetgeen is gesteld in de reactie onder a. Wijziging in het concept-beleid:  We nemen de Havenverordening, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en het Basisnet Water als relevante kaders op in het beleid.

4.6

Red Amsterdam Noord

Ingediend door: 1685-5010 Samenvatting reactie: Red Amsterdam Noord vraagt de gemeente bij de besluitvorming over het Hoogbouwbeleid de volgende vijf punten in overweging te nemen:

26

a. Om de huidige problemen van klimaatverandering, woonomstandigheden en leefbaarheid van onze stad te kunnen adresseren, acht Red Amsterdam Noord het noodzakelijk het huidige hoogbouwbeleid te herzien. Hoogbouw is een intensieve vorm van verdichting, en te grote verdichting leidt tot hittestress. Gepaard met een tekort aan stadsnatuur en groen, wordt er met de huidige manier van bouwen in Noord een onleefbare stad gecreëerd. Doen de geringe voorgestelde aanpassingen in het oude hoogbouwbeleid recht aan de sterk veranderende omstandigheden en de urgentie van de genoemde problemen die daarmee samenhangen? b. Red Amsterdam Noord betoogt dat hoogbouw de nieuwe norm lijkt te zijn in de stedenbouwkundige ontwikkelingen in stadsdeel Noord. Ze vragen aandacht voor de tweedeling en klimatologisch onleefbare wijken in het stadsdeel. c. Door de IJ-oevers als geschikte locatie voor hoogbouw aan te wijzen wordt Noord visueel, maar ook mentaal door een grote muur afgescheiden van de centrale stad. Deze gebouwen zijn gericht naar het IJ en niet naar Noord. De plannen betekenen bovendien een nog grotere druk op de infrastructurele voorzieningen in Noord, aangezien de ontsluiting van de nieuwe woningen slechts vanuit één kant in Noord kan plaatsvinden.

De plannen staan volgens Red Amsterdam Noord in schril contrast met de doelstellingen van de door de gemeente gewenste Aanpak Noord die volop in ontwikkeling is. d. Eén hoogbouwbeleid voor de gehele stad is ontoereikend. Red Amsterdam Noord pleit voor een maatwerk hoogbouwbeleid per stadsdeel, dat adequaat inspeelt op de specifieke problemen die per stadsdeel zeer verschillend zijn. e. De HER is volgens Red Amsterdam Noord een onmisbaar instrument om alle effecten voor ieder afzonderlijk project concreet in kaart te brengen. Het staat op gespannen voet met de actuele klimaatcrisis en de problematiek van het wonen in Amsterdam. Red Amsterdam Noord vraagt de gemeente om zowel de HER als de externe toetscommissie te behouden. Antwoord: a. Het hoogbouwbeleid gaat niet over de verdichtingsopgave in de stad. Die opgave heeft een plek gekregen in de recent vastgestelde Omgevingsvisie Amsterdam 2050. In de Omgevingsvisie is naast de verdichting ook de opgave opgenomen voor groen op buurt-, gebieds- en stadsniveau, o.a. om hittestress tegen te gaan. Het hoogbouwbeleid geeft richting en legt restricties op in het geval die verdichtingsopgave in de vorm van hoogbouw wordt ingevuld. De keuze voor hoogbouw wordt soms juist gemaakt om ook ruimte open te houden voor groen. b. Het college erkent het belang van groen voor de leefbaarheid en gezondheid.

Ook wordt erkend dat de openbare ruimte en groene ruimte niet volledig mee kan groeien met de groei van de stad. Wel zorgt de gemeente ervoor dat bij gebiedsontwikkeling er genoeg ruimte is voor groen en sport en spel. Het onderwerp vergroening staat hoog op de gemeentelijke agenda. Het vormt de kern van de Groenvisie (2020) en is één van de vijf strategische keuzes (rigoureus vergroenen) in de Omgevingsvisie Amsterdam (2021). Het programma Amsterdam Klimaatneutraal legt de koppeling tussen ruimtelijke inrichting en de opwarming van de stad, de kans op toenemende droogte of juist wateroverlast (overstromingsrisico’s) etc. Er wordt stevig geïnvesteerd in vergroening: zo wordt er in de komende jaren voor 53 miljoen euro geïnvesteerd in de uitbereiding of kwaliteitsverbetering van stedelijke groengebieden (via het Strategisch Huisvestingsplan Bovenwijks Groen). En er is of wordt nieuw groen gerealiseerd in de gebiedsontwikkelingen en transformatiegebieden, zoals: Schinkelkwartier, Hamerkwartier, Amstelkwartier en Amstel III. Het belangrijkste groen in Amsterdam is goed beschermd omdat het onderdeel uitmaakt van de Hoofdgroenstructuur; hierin is bebouwing in principe niet toegestaan, tenzij het om functies gaat die onderdeel uitmaken van het groengebied. Voor grootschalige woningbouw is geen plek in de Hoofdgroenstructuur.

Het stimuleren van groen op daken, aan gevels of dichtbij 27

woonbebouwing (stoeptuinen, binnenterreinen) is onderdeel van het groenbeleid zoals vastgelegd in de Groenvisie (2020). Juist omdat het groen in de stad door de beperkte ruimte niet veel kan uitbreiden en omdat mensen wel behoefte hebben aan groen dichtbij huis, zet het beleid stevig in op vergroening van de directe woon- en leefomgeving. De hierboven benoemde projecten en beleidstukken sturen op verschillende manieren op de vergroening van de stad. Daarnaast is de verdichtingsopgave voor de stad opgenomen in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Het hoogbouwbeleid maakt duidelijk waar die verdichting door middel van hoogbouw gerealiseerd kan worden. Bij elkaar resulteert dit in verdichten en vergroenen. De oevers van het IJ zijn als gebieden geschikt voor hoogbouw aangewezen omdat bebouwing van een grotere schaal passend is bij de ruimte van het IJ. Er zijn langs de noordelijke IJ-oever clusters van hogere bebouwing toegestaan, ten behoeve van de afwisseling en het tegengaan van één grote muur van heel hoge gebouwen. Daarmee wordt een visuele tweedeling voorkomen. Bovendien werkt Amsterdam door middel van 40-40-20 en de referentienorm maatschappelijke voorzieningen aan het tegengaan van een programmatische tweedeling.

Het concept ‘Bouwen aan buurten’ (Ontwikkelstrategie 2035) dat door het college net is vrijgegeven voor inspraak zet juist in op de versterking van bestaande buurten, naast de lopende transformatie van industrie- en bedrijventerreinen. c. De hele stad heeft een opgave om te groeien, omdat er heel veel mensen een woning zoeken. Dat is een reden om de stad te verdichten. Met de Omgevingsvisie en het Hoogbouwbeleid wordt richting gegeven aan waar de ruimte voor die verdichting gegeven wordt (en waar niet) en in welke vorm. We realiseren in de stad verschillende bebouwingsvormen omdat er heel verschillende woonwensen zijn. Het hoogbouwbeleid geeft aan waar hoogbouw mogelijk is. In de gebiedsontwikkeling wordt de aanvaardbaarheid op een specifieke plek verder onderzocht. De oevers van het IJ zijn als gebieden geschikt voor hoogbouw aangewezen omdat bebouwing van een grotere schaal passend is bij de ruimte van het IJ. Er zijn langs de noordelijke IJ-oever clusters van hogere bebouwing toegestaan, juist ten behoeve van de afwisseling en het tegengaan van één grote muur van heel hoge gebouwen. De concentratie van hoogbouw langs de IJ-oevers maken ook dat er slechts beperkte verdichting (evt. door middel van hoogbouw) in de bestaande buurten van Noord nodig is. Bovendien is het een manier om het landschap rondom de stad vrij te kunnen houden.

Op plekken met een hoge verdichtingsopgave is hoogbouw vaak een goed middel om te zorgen voor voldoende licht in de straten en binnenterreinen, bovendien kan er openbare (groene) ruimte vrij gehouden worden. d. Het hoogbouwbeleid is georganiseerd naar de ruimtelijke systemen waar de stad uit is opgebouwd. Daarmee is er veel differentiatie in de omgang met hoogbouw per gebied. De gebieden hebben een functionele en ruimtelijke samenhang. Soms komt dit overeen met de stadsdeelgrenzen. e. Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. De behoefte aan een efficiëntere werkwijze rondom toetsen en adviseren was één van de aanleidingen voor het nieuwe beleid. De werkwijze is verschoven van een HER-toets achteraf, naar helder beleid vooraf en onderzoek in het kader van de planontwikkeling. Op basis van dat beleid en onderzoek worden de randvoorwaarden geformuleerd die zorgen voor een zorgvuldige en adequate hoogbouwontwikkeling. Op basis van dat beleid en onderzoek worden de randvoorwaarden geformuleerd die zorgen voor een zorgvuldige en adequate hoogbouwontwikkeling.

Naar aanleiding van deze reactie is een verdere aanpassing toegevoegd aan het beleid: met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de 28

planvorming zijn. Voor zover voorafgaand aan de ontwikkeling van een concreet bouwplan voor een stedenbouwkundig plan wordt opgesteld wordt de inpassingsstudie in dat kader uitgevoerd. Ten aanzien van bijvoorbeeld windhinder kan het ook zo zijn dat ook bij de ontwikkeling van een concreet bouwplan een nadere studie en nadere maatregelen aan de orde zijn. Als het geen bredere gebiedsontwikkeling betreft, maar een solitair bouwplan is de inpassingsstudie in zijn geheel vereist bij de bouwplanontwikkeling. Wijziging in het concept-beleid:  In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.

4.7

Stichting Buurtbelangen Bosleeuw

Ingediend door: 2652-9891, 9383-3999 Samenvatting reactie: Stichting Buurtbelangen Bosleeuw vraagt aandacht voor de situatie bij het Entreegebied Gulden Winckel (EGW). Het gaat hier specifiek om het gebied tussen de Wiltzanglaan, de Haarlemmerweg en de A10. De stichting pleit ervoor op dit gebied regime 3 toe te passen in plaats van regime 1. In de inspraakreactie komt aan bod dat hoogbouw in dit gebied al langer een onderwerp van gesprek is tussen bewoners en de gemeente. De bewoners hebben lokaal al meer dan zeshonderd handtekeningen opgehaald voor een petitie om de bouwplannen te herzien. De bouwplannen zouden meer moeten aansluiten bij de bescheidenheid van de wijk en met de bouwplannen zou de leefbaarheid moeten worden verbeterd. Dit is in lijn met wat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) tweemaal (negatief) heeft geadviseerd op de (hoog)bouwplannen in het gebied. Naast een mismatch met de bestaande bouwstijl en hoogte van de wijk, zou hoogbouw volgens de CRK ook een te grote toevoer van parkeer- en verkeersbewegingen met zich meebrengen. De stichting geeft ook aan dat de beoogde woningen niet in lijn zijn met de bij gebouwregel 2 benoemde vuistregels; ze staan “pal op de snelweg ingetekend”, de oriëntatie is naar het noordoosten, en de achterkant van de woningen is een met fijnstof en geluidbelaste gevel.

Een bewoner van het gebied heeft ook een inspraakreactie ingediend, welke aansluit bij de inspraakreactie van Stichting Buurtbelangen Bosleeuw. De bewoner uit haar zorgen over de komst van hoogbouw in het EGW. Het zou “een dwerg maken van de beschermde gebouwen die er staan in en langs EGW” en de “historie wordt vernietigd”. Antwoord: Dit nieuwe hoogbouwbeleid heeft geen invloed op reeds vastgestelde plannen. Ter plaatse wordt regime 1 aangehouden. Het maakt een hoogbouwaccent mogelijk dat zich voegt in de reeks van hoge bebouwing langs de A10, van Delflandplein tot Sloterdijk. Verdichting door middel van hoogbouw wordt mogelijk door de ruimte tussen de randen van de buurten en de A10 te benutten. Het niveau van de milieuhinder ter plaatse is niet zodanig dat, al dan niet met hinderbeperkende maatregelen zoals geluidmaatregelen, op grond daarvan ter plaatse

29

geen hoogbouw aanvaardbaar zou zijn. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Geen aanleiding om het concept-hoogbouwbeleid aan te passen.

4.8

Stichting Korenmolen De Vriendschap

Ingediend door: 5268-1901 Samenvatting reactie: Stichting Korenmolen de Vriendschap beheert al meer dan tien jaar de monumentale korenmolen De Vriendschap in Weesp. Voor een molen is een goede windvang essentieel om te kunnen draaien en malen. Aangezien hoogbouw hiermee in beginsel een bedreiging voor een molen vormt, dient de stichting een inspraakreactie in. a. Bijna heel Weesp valt ook het werkende gebied van een UNESCO-werelderfgoed, namelijk het werelderfgoed van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Wij missen deze zone gevisualiseerd op de gepubliceerde kaart van bladzijde 33. Wij gaan er daarnaast vanuit dat het strenge regime voor hoogbouw dat wordt toegepast binnen het UNESCO-gebied van de Amsterdamse binnenstad ook voor het UNESCO-gebied van de Waterlinies, en dus Weesp, gaat gelden. b. In de geldende bestemmingsplannen Binnenstad, Landelijk Gebied en Bedrijventerreinen voor het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp zijn voor molen De Vriendschap, molen d’Eendragt en molen ’t Haantje zogeheten molenbiotoopzones opgenomen waar aan de hand van een rekenformule kan worden berekend of hoogbouw is toegestaan. Graag zien wij deze, geldende, regelgeving overgenomen in het Hoogbouwbeleid. c. De vastgestelde Omgevingsvisie Weesp refereert op pagina 114 expliciet aan het belang van werkende molens als kernwaarde voor Weesp.

De borging van dit immaterieel erfgoed (het molenaarschap is bijgeschreven op Representatieve Lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid van UNESCO), is een duidelijke wens binnen deze visie. Daarnaast wordt in de visie ook het open landschap van de waterlinies als kernkwaliteit benoemd. Antwoord: a. Het UNESCO-gebied van Weesp is alsnog opgenomen in de kaarten van het hoogbouwbeleid, met daarbij een bescherming die hoogbouw niet toelaat. b. We nemen in dit beleid geen ander beleid op, zoals het beleidskader dat geldt voor molenbiotopen, omdat hierin soms aanpassingen worden gedaan die ook gevolgen zouden hebben voor dit beleid. Door elk beleid in een eigen kader vast te stellen blijft het geheel overzichtelijk en wordt voorkomen dat in de loop der tijd in verschillende beleidskader per abuis verschillende uitgangspunten zouden kunnen staan. Wel verwijzen we op pagina 54 naar ander beleid dat van invloed is op de ontwikkeling van hoogbouw. c. Op pagina 38 wordt van het bebouwde deel van Weesp de UNESCO-status benoemd. Het hoogbouwbeleid is in overeenstemming met deze status. Buiten het bebouwde deel is er überhaupt geen sprake van hoogbouw. d. Op pagina 38 is het bebouwde deel van Weesp opgenomen als UNESCO-gebied met bijbehorende bescherming. Buiten het bebouwde deel is er überhaupt geen sprake van hoogbouw.

30

Wijzigingen in het concept-beleid:  het UNESCO-gebied in Weesp is opgenomen in de kaarten met de daarbij passende bescherming.

4.9

Stichting Monumenten Noord

Ingediend door: 0000-0003 Samenvatting reactie: Stichting Monumenten Noord constateert een minachting van de hoge monumentale waarden in Amsterdam Noord. De volgende punten worden na lezing als bedreigend voor het toekomstig stadsbeeld van Amsterdam Noord ervaren, gebaseerd op de totaalkaart in het concept-beleid. a. Torens langs de Ringweg A10 aan de noordoostzijde in het directe zicht van Waterland:  is een totaal verwerpelijk denkgebied in strijd met hoofdstuk 4 Ruimtelijke structuur van de Structuurvisie 2040;  roept het Waterland ontsluitende wegen op;  ontsluiting via markante punten betekent verkleving aan de huidige afslagpunten S115 t/m S117;  betekent bouwen op de grote diameter riooltransport- en gasleiding van Oost tot Kadoelenscheg;  voorzieningen zoals basisscholen en winkels zijn ook veraf. b. Langs de lange lijn van de IJdoornlaan betekent bouwen in het talud of opvullen van de halfhoge weg een aantasting van een ooit ontworpen stadsbeeld. Waarom wordt er gekozen voor ontsluiting en parkeren vanuit de halfhoge weg, juist bij een vrijstaande enkele toren? c. Solitaire torens van honderd meter hoogte op alle knikpunten van de Noordelijke IJ-oever bederven de waterpleinruimte. Daarbij zou de torenbouw aan de monding van het Van Hasseltkanaal bescheiden in hoogte moeten worden gehouden. d.

De torenbouw bij sportpark Melkweg / naast de Coentunnel conflicteert met de zuidelijke van de drie gewenste plaatsen voor windturbines langs de Noorder IJplas. e. Stichting Monumenten Noord is het oneens met het voorstel de hoogbouweffectrapportage niet meer te verplichten. De ambtelijke stem van leiding en gebiedsontwikkeling behoeft een tegenspraak uit de bevolking en gehonoreerde niet-ambtelijke deskundigen. De stichting pleit ervoor de uitvoering van de HER en de instelling van een vaste toetscommissie te herstellen en hiervoor ambtelijke steun te verzorgen. f. De Noordhollandsch Kanaalzone is ook een scheg en moet ontzien worden; geen hoogbouw daar in zichtlijnen of op kanaaldijken. De indicatie van de Van Hasseltstrook op het kaartbeeld dient het Noordhollandsch Kanaal en de bermen vrij te laten. g. Gebiedsontwikkeling langs rijksbeschermd stadsgezicht (d.w.z. alle tuindorpen in Noord en de Zeedijk) zou zich niet moeten bedienen van hoogbouw, ook niet langs brede profielen van 50 tot 70 meter en meer, omdat hier een knallend contrast zou ontstaan tussen de laagbouw en bouw tot 30 meter. h. De valwinden langs een toren op een dak van een verhoogd plintgebouw en de invloed op het verblijfsklimaat zijn niet voldoende in beschouwing genomen. Ze bepalen de verblijfskwaliteit. Ook slagschaduw van torens op dat verhoogde plein (als het al openbaar is) zal hinderen. i.

De stichting uit haar zorgen over de brede zachte grondstrook langs de Ringweg A10 dat momenteel een informeel stadspark voor de Walenburgsingel en andere woonbuurten

31

vormt. Hoogbouw daar zou volgens de stichting funest zijn en in strijd met paragraaf 4.1.1 uit de Structuurvisie 2040. Antwoord: a. Nadere overwegingen aangaande de mogelijke locaties van hoogbouw in Amsterdam Noord heeft geleid tot het aanpassen van de kaarten. De A10 Noord is als infrastructureel element geschrapt. Daarmee is hoogbouw langs de A10 Noord in principe niet meer aan de orde. b. De hele stad heeft een opgave om te groeien, omdat er heel veel mensen een woning zoeken. Dat is een reden om de stad te verdichten. Met de Omgevingsvisie en het Hoogbouwbeleid wordt richting gegeven aan waar de ruimte voor die verdichting gegeven wordt (en waar niet) en in welke vorm. We realiseren in de stad verschillende bebouwingsvormen omdat er heel verschillende woonwensen zijn. Langs de IJdoornlaan is door het brede profiel ruimte is voor verdichting en kan hoogbouw de oriëntatie in het gebied verbeteren. Bovendien, door hoogbouw hier te concentreren, kan de originele opzet van bestaande buurten intact blijven. Inpassing aan het talud is inderdaad een uitdaging, waar we onder andere met de ontwikkeling van Banne Centrum lessen over opgedaan hebben. De lessen hebben betrekking op het plaatsen van bebouwing tegen een talud, het situeren van voordeuren aan de hooggelegen laan en de verkeerskundige inrichting van de openbare ruimte die daarvoor geschikt is. c.

Er is expliciet in het beleid opgenomen dat door een gelaagde volume-opbouw van gebouwen langs het IJ de waardevolle openheid van het IJ behouden blijft d. Deze locatie vraagt inderdaad om een precieze inpassing van eventuele hoogbouw en windturbines. Om te komen tot de conclusie dat hoogbouw op deze locatie al dan niet mogelijk is is bij de verdere concretisering nader onderzoek en studie nodig. e. Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. De behoefte aan een efficiëntere werkwijze rondom toetsen was één van de aanleidingen voor dit nieuwe beleid. De toetsing is verschoven van een toets achteraf, naar helder beleid vooraf en onderzoek in het kader van de planontwikkeling. Om die reden krijgt de werkwijze waarbij een HER was voorgeschreven met de ingang van dit beleid een andere vorm. f. De Noordhollandsch Kanaalzone heeft beleidsmatig nergens (niet in het huidige hoogbouwbeleid, niet in de Omgevingsvisie) de status van een scheg. De reeks aanwezige grootschalige bebouwing en de ligging dichtbij het OV-knooppunt zijn redenen om een enkele toren toe te staan. g. Er zijn vele beschermde stadsgezichten in Amsterdam, die vrijwaren we van hoogbouw.

Op andere plekken, die ruimer in hun jasje zitten en waar in de originele plannen hoogbouw ook onderdeel was van het stadslandschap, voegt hoogbouw op een eigentijdse manier, zorgvuldig ingepast zich in de originele situatie. De woningen die erdoor in de buurten worden toegevoegd, geven invulling aan de grote vraag naar woningen en geven een impuls aan buurten met een lage dichtheid. h. Er is een procedure opgenomen om in de verschillende stadia van het planproces te toetsen op windoverlast. In elk plan worden bezonningsstudies gemaakt. Juist omdat verhoogde pleinen/routes vaak niet openbaar gehouden kunnen worden zetten we daar in dit beleid alleen als ‘extraatje’ op in. Het primaire belang wordt gehecht aan de echte openbare ruimte van straten en pleinen. i. Nadere overwegingen aangaande de mogelijke locaties van hoogbouw in Amsterdam Noord heeft geleid tot het aanpassen van de kaarten. De A10 Noord is als infrastructureel element geschrapt. Daarmee is hoogbouw langs de A10 Noord in principe niet meer aan de orde.

32

Wijzigingen in het concept-beleid:  De A10 Noord als infrastructureel element is in het hoogbouwbeleid uit de kaart gehaald.  In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.

4.10

Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, het Cuypersgenootschap, Stichting Monumenten Noord, Vereniging Promotie Westelijke Tuinsteden (ProWest) en Erfgoedvereniging Heemschut

Ingediend door: 3870-9269, 0654-8359 Samenvatting reactie: Genoemde erfgoedorganisaties hebben samen een inspraakreactie ingediend waarin zij de gemeente het volgende aanbevelen: a. Beperk het Hoogbouwbeleid tot heldere kaders. De erfgoedorganisaties stellen dat het concept-beleid voorbijgaat aan de nieuwste stedenbouwkundige inzichten van verdichting. In dit verband verwijzen ze naar luchtfoto's van de Parijse binnenstad, dat met haar hoge bevolkingsdichtheid en gebrek aan hoogbouw een voorbeeld kan zijn voor Amsterdam. Geen eenzijdige en controversiële bespiegelingen hoe mooi en fijn hoogbouw wel niet is, maar een beperking tot het stellen van regels en kaders. Het ideologische sausje zou uit het beleid moeten worden verwijderd. b. Bepaal maximale bouwhoogtes. Het concept definieert wel de onder-, maar niet de bovengrens van hoogbouw. Bouwhoogte XL is de maximale bouwhoogte die het LIB stelt en is dus eigenlijk geen bovengrens, maar de maximale bouwhoogte die door externe wetgeving is bepaald. Het zou dus beter zijn een duidelijke hoogbouwkaart met kleurtjes te maken met maximale bouwhoogtes, bijvoorbeeld: 15, 30, 60 en 120 m. Abstraheer daarbij van bestaande 2 hoogbouw. Het gaat om het stellen van kaders voor nieuwe hoogbouw. c. Neem een dwingend zichtbaarheidscriterium op zoals in de Hoogbouwvisie 2011.

Het stellen van vier gebieden met eigen regimes voor hoogbouw leidt ertoe dat er geen eenduidige hoogbouwdefinitie is en ook geen te handhaven zichtbaarheidscriterium zoals in het huidige beleid nog wel het geval was. Het nu geformuleerde criterium is niet helder en dwingend genoeg en geldt alleen voor het 2 kilometergebied. Het criterium uit het bestaande beleid dient niet alleen gehandhaafd te blijven, maar van toepassing te zijn wanneer hoogbouw in het UNESCO-gebied zichtbaar is, ongeacht de locatie, dus niet alleen van toepassing te zijn voor hoogbouwlocaties binnen de 2 kilometerzone. d. Haal de uitzonderingen uit het 2 kilometer-gebied. Ook binnen de 2 kilometer-grens wordt hoogbouw mogelijk gemaakt. Er is geen enkele rechtvaardiging voor een aparte status voor bepaalde gebieden in de bestaande stad binnen de 2 km-zone, waar ‘in principe nee’ geldt: het Hallengebied in West en het Marinekwartier en Oostenburg in Oost. In gebied 3 zou de de maximale bouwhoogte op 30 m moeten liggen. Niet ‘in principe nee’, maar ‘nee’. Nu staat de deur op een kier voor onwenselijke hoogbouw. e. Behoud de verplichte hoogbouweffectrapportage (HER). Juist als er meer hoogbouw wordt toegestaan, is een dergelijk instrument onontbeerlijk om de gevolgen van hoogbouw te bepalen. Alleen het verplichte HER-instrument garandeert dat het hoogbouwbeleid wordt 33

geborgd bij de toetsing van hoogbouwinitiatieven. In de beschrijving van het ontwikkelproces hoort de verplichte HER opgenomen te blijven. De uitkomsten van een HER zijn niet dwingend, maar dienen wel meegewogen te worden. f. Geef burgers zeggenschap en participatie over de toekomst van hun eigen stad. Besluitvorming over hoogbouw hoort niet thuis in achterkamers, maar dient transparant te zijn. g. Informeer de UNESCO tijdig over het beoogde hoogbouwbeleid en de mogelijke gevolgen daarvan voor het Werelderfgoed. Antwoord: a. Het beleid geeft een genuanceerd beeld van hoogbouw. De opvattingen over of het wel of niet fijn wonen is in hoogbouw, lopen uiteen. Juist daarom bouwen we in Amsterdam verschillende typen gebouwen en buurten. In het beleid staat nergens dat hoogbouw moet, maar wel waar het kan en onder welke voorwaarden. Als het er wel komt, dan moet het zo goed, zoals we in het beleid beschrijven (dus wél met goede openbare ruimte, prettige woningen, enzovoorts). Door een goede afweging te maken (en hiervoor voorafgaand het beleidskader aan te geven) kan hoogbouw worden toegestaan waar en waar dat een goed antwoord is op de verdichtingsopgave van de stad. Een paar luchtfoto’s zeggen niet veel over de werkelijke dichtheid in m2 (i.p.v. aantal inwoners) en bijvoorbeeld de lichtinval in binnentuinen en straten. b.

In de hele stad, behalve in de clusters in de gebieden die vallen onder het regime ‘geschikt voor hoogbouw’ is een maximumhoogte aangegeven (en daarmee laat dit beleid minder openingen dan het huidige beleid). Op de meeste plekken is dat niet hoger dan 70 meter. De hoogte die op een bepaalde plek passend is hangt sterk af van de zichtbaarheid over een grotere afstand. Sommige hoogbouw verdwijnt achter bestaande bebouwing, sommige hoogbouw staat in open zichtassen. Het is daarom niet mogelijk om absolute hoogten aan te geven. Daar waar hogere bebouwing mogelijk is, zal dit vanuit de binnenstad in het uiterste geval in de buurt komen van hoe de Rembrandttoren perspectivisch wordt beleefd. c. In het vorige beleid werd is onderstaande gevallen het zichtbaarheidscriterium vanuit het UNESCO-gebied getoetst door middel van een HER. In het nieuwe beleid hebben we maximale hoogtes aangegeven, zodat op die manier bij voorbaat al aan het zichtbaarheidscriterium wordt voldaan. Het oude beleid (beschreven op pagina 34) Toetsing op zichtbaarheid vanaf:

Het nieuwe beleid Maximaal toegestane hoogte:

Middelhoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of 25% hoger dan hun directe omgeving in het UNESCOgebied.

In de beschermde stadsgezichten (waaronder het UNESCO-gebied, Plan Zuid, Admiralenbuurt, Tuindorpen in Noord) is hoogbouw niet toegestaan. De maximale hoogte van nieuwe gebouwen is tot 1,25 keer de overwegende hoogte van de directe omgeving. Deze maximale hoogte wil niet zeggen dat deze hoogte overal is toegestaan. De gewenste hoogte in het grootste deel van deze gebieden is de huidige bouwhoogte. Afwegingen worden gemaakt op basis van dit Hoogbouwbeleid, maar ook op basis van overig beleid en bestemmingsplannen/omgevingsplan dat van toepassing is. (pag. 34) 2km zone: Binnen de ring A10 en ten zuiden van het IJ wordt de definitie van hoogbouw gerelateerd aan de omgeving. Hoogbouw is bebouwing die 1,25 keer de hoogte heeft van de overwegende bouwhoogte van de directe omgeving. Dit heeft alleen betrekking op bebouwing met een hoogte van 15 meter of hoger. In de gebieden die onder dit regime vallen wordt zeer terughoudend met hoogbouw omgegaan. Het wél toestaan van hoogbouw (maximaal 60 meter) moet hier zorgvuldig onderbouwd worden. Daarbij komt dat de bebouwing geen perspectivische schaalbreuk met bebouwing in het UNESCO-gebied mag opleveren. (pag. 32-35)

Hoogbouwinitiatieven hoger dan 30 meter of tweemaal de hoogte in hun directe omgeving binnen de op de hoogbouwkaart aangegeven 2 kmzone rondom het UNESCO-gebied. In deze zone geldt de zichtbaarheid van hoogbouw vanuit het UNESCOgebied van de Rembrandttoren op 2 kilometer afstand van dat gebied als bovengrens voor de toelaatbare hoogte.

34

Hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter buiten die zone, maar binnen één van de hierboven genoemde ‘gebieden van bijzondere waarden’.

Hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de randen van de groene scheggen. Hoogbouwinitiatieven vanaf 40 meter in het Buiten-IJ

Hoogbouwinitiatieven vanaf 60 meter elders, met uitzondering van de stimuleringsgebieden (op de hoogbouwkaart paars aangeduid).

Deze gebieden vallen in het nieuwe beleid onder de beschermde stadsgezichten. Hier is überhaupt geen hogere bebouwing toegestaan. In de beschermde stadsgezichten (waaronder het UNESCO-gebied, Plan Zuid en het historisch centrum van Weesp) is hoogbouw niet toegestaan. De maximale hoogte van nieuwe gebouwen is tot 1,25 keer de overwegende hoogte van de directe omgeving. Deze maximale hoogte wil niet zeggen dat deze hoogte overal is toegestaan. De gewenste hoogte in het grootste deel van deze gebieden is de huidige bouwhoogte. Afwegingen worden gemaakt op basis van dit Hoogbouwbeleid, maar ook op basis van overig beleid en bestemmingsplannen/omgevingsplan dat van toepassing is. (pag. 34-35) Daar waar de scheggen grenzen aan een gebied dat valt onder het regime ‘geschikt voor hoogbouw’ wordt de weidsheid wordt gekoesterd door hoogbouw nooit als aaneengesloten wanden direct aan deze landschappelijke elementen te positioneren. (pag. 28 en 29) In deze gebieden kan bij uitzondering hoogbouw als stedenbouwkundig accent worden ingezet. Ook wordt het thema van de incidentele meteorieten aan het IJ voortgezet: het Sluishuis en nieuwe bakens op Strandeiland en in HavenStad. Het zijn dan uitzonderingen in een overwegend lage en middelhoge stad. We spreken van hoogbouw bij een hoogte van meer dan 30 meter.

Op IJburg en de oostkant van het Zeeburgereiland is de maximale hoogte L circa 70 meter. (pag. 32 en 33) We spreken hier van hoogbouw bij gebouwen van hoger dan 30 meter en hoogbouw is toegestaan tot een hoogte van circa 70 meter. (pag. 30 en 31)

d. Het beleid is op dit punt aangepast. Het wordt: in dit regime 3 geven we voor de uitzonderingsgebieden maximale hoogtes aan wat de definitie van hoogbouw is. Dat is 20 of 30 meter, afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCO-gebied. Hoogbouw, tot 60 meter, is net als in de andere delen die onder dit regime vallen, alleen als uitzondering mogelijk. e. Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. De behoefte aan een efficiëntere werkwijze rondom toetsen en adviseren was één van de aanleidingen voor dit nieuwe beleid. De werkwijze is verschoven van een HER-toets achteraf, naar helder beleid vooraf en onderzoek in het kader van de planontwikkeling. Op basis van dat beleid en onderzoek worden de randvoorwaarden geformuleerd die zorgen voor een zorgvuldige en adequate hoogbouwontwikkeling. Het hoogbouwbeleid is naar aanleiding van deze reactie aangepast: Met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. f. Het betrekken van inwoners van Amsterdam bij verdichtingslocaties loopt minimaal via de reguliere processen van plan- en besluitvorming.

In het kader van 'Samen Stadsmaken', één van de strategische keuzes uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, gebeurt dit betrekken bovendien steeds meer, ook in de vroegste fases van visie- en planvorming, en op verschillende manieren. g. Parallel aan het opstellen van dit beleid is het informeren van UNESCO opgepakt. Een geactualiseerd managementplan is in juli 2023 door het College van B&W vastgesteld en wordt op korte termijn door het Rijk aan UNESCO aangeboden. Doel van managementplan is beschrijven hoe de gemeente Amsterdam invulling geeft aan het in stand houden, uitdragen en waar mogelijk en gewenst versterken van de uitzonderlijke en universele waarde van het werelderfgoed voor huidige en toekomstige generaties. Het plan gaat in op de beleidsmatige bescherming, de beheersmatige bescherming en het uitdragen van de 35

waarden van het werelderfgoed. Daarin is het beleid op hoogbouw een onderdeel. Het managementplan is primair een zelfbindend plan van de gemeente Amsterdam. Wijzigingen in het concept-beleid:  Voor regime 3 zijn voor de uitzonderingsgebieden maximale hoogtes aangegeven. Dat is 20 tot 40 meter. Daarbij is toegevoegd: “afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCOgebied". Hoogbouw tot 60 meter is in dit regime in principe niet mogelijk, alleen als uitzondering. Dat geldt ook voor de uitzonderingsgebieden.  In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.

4.11

Voordestad

Ingediend door: 0000-0004 Samenvatting reactie: Erfgoedvereniging Voordestad constateert dat het concept-beleid waardevolle aanvullingen bevat op de Hoogbouwvisie van 2011. Zo is het uitermate zinvol dat er op gebouwniveau kwaliteitseisen worden gesteld aan hoogbouw in de vorm van normatieve principes en richtinggevende vuistregels. Ook is het een goede zaak dat de ruimtelijke systemen uitgebreid worden beschreven en dat er voor hoogbouw diverse regimes worden onderscheiden. De erfgoedvereniging geeft verder een aantal kritische opmerkingen en een zestal aanbevelingen mee. a. Bouw geen escape in en schrap het woord ‘grotendeels’ uit de tekst dat de zichtlijnen vanuit het UNESCO-gebied ‘grotendeels’ vrij blijven. b. Handhaaf, zoals opgenomen in de Hoogbouwvisie 2011, de 135 meter hoge Rembrandttoren als referentiepunt op 2 kilometer afstand van het UNESCO-gebied. c. Zorg ervoor dat alle hoogbouwplannen die mogelijk een 'visual impact' kunnen hebben op het Amsterdamse werelderfgoed goed kunnen worden beoordeeld, bij voorkeur door het opstellen van een verplichte HER of een HIA (Heritage Impact Assessment). Een hoogbouw impact analyse voor de stad zou een alternatief kunnen zijn, mits daaruit kan worden afgelezen dat hoogbouw tot bepaalde hoogten op onderscheiden plekken in de stad niet zal leiden tot aantasting van de 'Outstanding Universal Value' van het UNESCO-gebied.

Pas de tekst van de beleidsnota hierop aan. d. Zorg dat de toetsing die plaatsvindt, of dat nu is door een hoogbouwcommissie, projectteam of gebiedsteam, te allen tijde publiek gedeeld wordt, in de geest van het Europese Verdrag van Faro, zodat erfgoedorganisaties en betrokken burgers goed geïnformeerd zijn. Het niveau waarop de uiteindelijke afwegingen worden gemaakt moet in voorkomend geval formeel en materieel voldoende ruimte laten voor 'bezwaar en beroep'. e. Vul de nota aan met een hoofdstuk over de voor- en nadelen van hoogbouw en andere vormen van verdichting, zodat deze betrokken kunnen worden bij keuzes op concrete nieuwbouwlocaties, of schrap de al te ronkende passages over hoogbouw en maak in de inleiding duidelijk dat de nota geen handvat biedt voor de keuze voor hoogbouw of een andere vorm van stedelijke verdichting. 36

f.

Betrek op verdichtingslocaties de buurt bij het maken van de keuze voor een bepaalde vorm van verdichtingsbouw, met bijbehorend woonmilieu.

Antwoord: a. Om verwarring te voorkomen is bij de toelichting op de betekenis van de term <<geen visual impact>> en bij de toelichting op de tekst <<dat veranderingen in dit historisch gelaagde stadsbeeld door nieuwe bebouwing in de 2 kilometerzone rondom het Singelgrachtgebied niet mag worden aangetast>> de tekst aangepast en is het woord “grotendeels” geschrapt. b. In het huidige beleid staat het volgende: “Een goed voorbeeld daarvan is het zicht op de hoogbouw in de omgeving van het Amstelstation, bezien vanaf de Leidsestraat over de Prinsengracht. De Rembrandttoren is dan niet groter dan een grachtenpand. Dit wordt tot regel verheven: vanuit het gebied gekenmerkt als werelderfgoed mag een gebouw niet hoger lijken dan de gemiddelde bebouwing.” De zichtbaarheid van de Rembrandttoren vanaf een specifieke plek in het UNESCO-gebied wordt als voorbeeld aangehaald. De kern van het principe is dat hoogbouw niet hoger mag lijken dan de bebouwing op een bepaalde plek. Zo is het ook in het nieuwe hoogbouwbeleid opgenomen op pagina 29: “Dat houdt in dat veranderingen in dit historisch gelaagde stadsbeeld door nieuwe bebouwing in de 2 kilometerzone rondom het Singelgrachtgebied niet mag worden aangetast.

Dat wil zeggen: geen veranderingen in aanzicht vanuit de diverse zichtlijnen in het werelderfgoedgebied, namelijk de zichtlijnen richting het IJ, zichtlijnen vanuit het UNESCO-gebied over de Amstel, maar ook richting het stedelijk weefsel van de Jordaan en verder.” De Rembrandttoren is hier als voorbeeld opgenomen. c. Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. De behoefte aan een efficiëntere werkwijze rondom toetsen en adviseren was één van de aanleidingen voor dit nieuwe beleid. De werkwijze is verschoven van een toets achteraf, naar helder beleid vooraf en onderzoek in het kader van de planontwikkeling. Om die reden krijgt de werkwijze waarbij een HER is voorgeschreven met de ingang van dit beleid een andere vorm. Naar aanleiding van deze reactie is een aanpassing aan het beleid doorgevoerd: Met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. d. Het betrekken en informeren van erfgoedverenigingen en bewoners loopt minimaal via de reguliere processen van plan- en besluitvorming.

In het kader van 'Samen Stadsmaken', één van de strategische keuzes uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, gebeurt dit betrekken bovendien steeds meer, ook in de vroegste fases van visie- en planvorming, en op verschillende manieren. e. In hoofdstuk 1 is een nuancering opgenomen die ook later in het stuk wordt genoemd: “Hoge gebouwen hebben grote invloed op het leven in de stad qua schaal en in de tijd. Hoogbouw breek je niet zo makkelijk weer af, dus het staat er lang. Daarnaast zijn hoge gebouwen van grote afstand zichtbaar. Bovendien is het door zijn maat bepalend voor de beleving van de directe omgeving. Een hoog gebouw heeft daarmee meer impact op de stad dan een schuurtje in de achtertuin. Het moeten gebouwen zijn waar we op korte én op lange termijn waarde aan hechten. Daarom is het extra van belang hoge gebouwen op een zorgvuldige wijze in te passen, vorm te geven en rekening te houden met de functionaliteit en bruikbaarheid voor langere tijd.” Daarnaast is op pagina 5 van de concepttekst de volgende aanpassing doorgevoerd. Er stond: “Dit hoogbouwbeleid maakt inzichtelijk waar hoogbouw is toegestaan en onder welke voorwaarden. Bovendien geeft het beleid handvatten voor de 37

f.

borging van de kwaliteit van hoogbouwinitiatieven op gebouwniveau.” Dat is geworden: ‘‘Dit hoogbouwbeleid maakt inzichtelijk waar hoogbouw is toegestaan en onder welke voorwaarden. Bovendien geeft het beleid handvatten voor de borging van de kwaliteit van hoogbouwinitiatieven op gebouwniveau. Dat hoogbouw ergens is toegestaan, wil niet zeggen dat het móet. In gebiedsontwikkeling op een specifieke plek kan blijken dat een andere vorm van verdichting geschikter is.” Het betrekken van de buurt bij verdichtingslocaties loopt minimaal via de reguliere processen van plan- en besluitvorming. In het kader van 'Samen Stadsmaken', één van de strategische keuzes uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, gebeurt dit betrekken bovendien steeds meer, ook in de vroegste fases van visie- en planvorming, en op verschillende manieren.

Wijzigingen in het concept-beleid: Het college onderschrijft dat hoogbouw om een zeer zorgvuldige afweging en inpassing vraagt. Om dat beter te borgen is het beleid op een aantal punten aangepast:  Op pagina 29, 35 en 39 is de toelichting op <<geen visual impact>> en op << dat veranderingen in dit historisch gelaagde stadsbeeld door nieuwe bebouwing in de 2 kilometerzone rondom het Singelgrachtgebied niet mag worden aangetast>> aangepast en het woord “grotendeels” geschrapt.  De Rembrandttoren is in het beleid opgenomen als voorbeeld voor bebouwing die perspectivisch vanuit het UNESCO-gebied niet hoger mag lijken dan de overwegende hoogte van de bebouwing in het UNESCO-gebied.  In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.  In hoofdstuk 1 is een alinea opgenomen uit hoofdstuk 3 waarin het belang van zorgvuldige inpassing wordt benadrukt.

 Op pagina 5 is een zin toegevoegd waarin wordt benadrukt dat hoogbouw niet móet als het volgens het beleid is toegestaan.

4.12

Kernteam Oeverlanden-Sloten

Ingediend door: 8500-2119 Samenvatting reactie: Het kernteam Oeverlanden-Sloten kan zich niet vinden in de geplande hoogbouw in de strook tussen de A4 en de Oude Haagseweg en verzoekt met haar inspraakreactie om het gebied uit de plannen voor hoogbouw te verwijderen. Hiervoor draagt zij enkele argumenten aan: - Hoogbouw in deze zone zou het eeuwenoude cultuurlandschap van de Riekerpolder vernietigen; - Het aangemerkte gebied is deels de veiligheidszone van het gas- en elektriciteitsstation; - Gezien de ligging tussen landschapspark Oeverlanden-Sloten en een groen sport- en recreatiegebied getuigen de plannen niet van zorgvuldige omgang met de relatie tussen hoogbouw en het omringende landschap; - Met de bouw van 11.000 woningen zal de drukte in het recreatiegebied toenemen, terwijl het juist ook als bijzonder natuurgebied is aangewezen. 38

Antwoord: Het hoogbouwbeleid geeft aan waar en op welke manier hoogbouw in de stad mogelijk is. Op alle locaties spelen specifieke kwesties die de mogelijkheid en inpassing kunnen inperken. De (technische) mogelijkheid en wenselijkheid op een specifieke plek wordt in de gebiedsontwikkeling verder onderzocht, als er überhaupt de intentie is om hoogbouw te realiseren. De aanduiding op de kaart geeft aan dat hoogbouw alleen mogelijk in langs het infrastructurele element van de A4. Bovendien wordt hoogbouw niet willekeurig aan deze ruimtelijke elementen gepositioneerd, maar enkel ter markering van een bijzondere plek in het gebied. Het betekent ook dat hoogbouw op andere plekken, in buurten, niet wordt toegestaan. Het Luchthaven Indelingsbesluit, dat vanuit Schiphol hoogterestricties oplegt, is in de hele stad een plafond voor de mogelijkheden tot hoogbouw. Op deze locatie biedt dat zeer beperkt mogelijkheden tot hogere bebouwing. Geen aanleiding om het concept-beleid aan te passen. 4.13

Federatie Amsterdamse Huurderskoepels

Ingediend door: 6993-5183 Samenvatting reactie: De Federatie Amsterdamse Huurderskoepels (FAH) plaatst in haar inspraakreactie enkele kritische kanttekeningen bij het concept-beleid: a. De Federatie Amsterdamse Huurderskoepels (FAH) vraagt zich af of de gevolgen voor de omwonende bewoners voldoende zijn onderzocht. Hoogbouw plaatsen in een al dicht bewoonde omgeving is volgens de FAH voor de omwonenden (en dat is bij hoge hoogbouw altijd een grote driekwart cirkel rondom de hoogbouw wegens bezonning) altijd een stap achteruit. De FAH is voorstander van de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. b. De FAH is kritisch op hoogbouw in uitbreidingsgebieden, langs infrastructuur (denk Ring A10) daar mag hoogbouw tot de Landelijk Vliegverkeer Norm (LVN) van 145 meter. Ook bij OVknooppunten mag hoger gebouwd worden, maar met name langs de noordelijke IJ-oevers en Groene Scheggen vindt de FAH het niet acceptabel. c. De FAH is kritisch op verregaande verdichting, onder het motto: “wat kan de wijk nog aan?”. In de uitwerking is het van belang hoe het straatbeeld tussen alle hoogbouw wordt vormgegeven.

De FAH vindt vooral het benadrukken van de gevolgen voor de omgeving van belang: parkeerdruk, overlast van fietsen en scooters die stoepen verstoppen, grote drukte in het verkeer en op fietspaden met toenemend gevaar van ongelukken, drukte in de winkels, restaurants en cafés en effecten op de rust daaromheen, effecten op OV dat steeds minder rijdt, effect van hoogbouw op zon in de omgeving. d. Van groot belang is om te letten op de ligging ten opzichte van buurten van gebieden waar hoogbouw mag, als de hoogbouw zuidelijk van bestaande bouw ligt heeft bestaande bouw last van schaduw, geldt in mindere mate voor Oost en West (maar dan zijn het grotere gebieden in verband met de lagere zonnestand). Het feit dat een klein aantal mensen een mooi uitzicht hebben, weegt niet op tegen de grote gevolgen voor omwonenden. e. Hoe wordt gecontroleerd een gebouw geen windoverlast en schaduwoverlast geeft? f. De FAH is voorstander van opname van een groenparagraaf in elk bouwplan. 39

Antwoord: a. Over de borging van bezonning bij bestaande bebouwing is eerder een motie over ingediend en behandeld. Meer informatie hierover is terug te vinden in de desbetreffende raadsinformatiebrief d.d. 5 maart 2019. In het kort staat in de raadsinformatiebrief het volgende: In de complexe verdichtingsopgave van Amsterdam, waarin veel verschillende belangen spelen, legt generiek normatief beleid, vanuit het ‘bezonningsbelang’, te veel vast. Het biedt te weinig mogelijkheid om per locatie naar een slimme, integrale oplossing te kunnen zoeken. Hieruit concluderend is het advies voor Amsterdam om geen norm vast te leggen in apart beleid. Hiermee wordt overregulering voorkomen. Stedenbouw vraagt om weloverwogen en creatieve beslissingen over allerlei verschillende aspecten. Bezonning is daar één van. Het is en wordt in Amsterdam altijd consciëntieus met de bezonning van woningen en openbare ruimte omgegaan. Het is bijvoorbeeld niet voor niets dat vooral aan de noordelijke IJ-oevers en minder aan de zuidelijke IJ-oevers ruimte wordt gemaakt voor hogere bebouwing. Op die manier worden de zonuren in de openbare ruimte op de kades geoptimaliseerd. Daar waar de bezonning in het geding kan komen kunnen randvoorwaarden in tenders en contracten worden vastgelegd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen.

De lichte TNO-norm moet bij besluitvorming wel meegewogen worden als onderdeel van de totale belangenafweging. Daarnaast wordt geadviseerd bezonning te integreren in beleid waarbij dit van belang is, zoals over hoogbouw. Naar aanleiding van deze reactie is een aanpassing gedaan doorgevoerd in het beleid: Met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. b. We delen het idee dat grote open landschappelijke ruimtes niet geflankeerd moeten worden met wanden van hoogbouw. Om die reden hebben we expliciet een aanduiding opgenomen die dat voorkomt. Op plekken waar die maximale hoogtes toegestaan zijn, maar waarvan de randen grenzen aan één van die open ruimtes geldt het volgende: “De weidsheid en ‘lucht’ van het IJ, de Amstelscheg en de Amsterdamse Bosscheg bieden (het zijn open ruimtes, omlijst door stad), wordt gekoesterd door hoogbouw nooit als aaneengesloten wanden direct aan deze landschappelijke elementen te positioneren. Het vraagt om een gelaagde volume-opbouw vanaf deze grens, waarbij slechts incidenteel hoogbouw mogelijk is op plekken die daar aanleiding toe geven. Aan de Noordoever van het IJ ontstaat deze gelaagdheid deels doordat de dokken zorgen voor een verspringing van bouwvolumes”. c.

Het hoogbouwbeleid gaat niet over de verdichtingsopgave in de stad. Die opgave heeft een plek gekregen in de recent vastgestelde Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Het hoogbouwbeleid geeft richting en legt restricties op in het geval die verdichtingsopgave in de vorm van hoogbouw wordt ingevuld. Die verdichting, in de vorm van hoogbouw of in een andere vorm, vraagt altijd om een omgang met de toegenomen (verkeers-)druk. Sommige aspecten, zoals ruimte bieden voor fietsparkeren, zijn vastgelegd in beleid. Sommige aspecten zijn onderdeel van de stedenbouwkundige ontwerpopgave (bijvoorbeeld het zorgen voor rustige, stillere plekken in een buurt). Bovendien zijn er grote verschillen tussen verschillende plekken in de stad. Zo heeft Oostenburg heel veel rustige plekken, waar het NDSM-terrein veel levendiger is. Dit komt voornamelijk voort uit de routes die door en langs de gebieden lopen en het programma. De verdichting heeft hier slechts beperkt invloed op. 40

We onderschrijven het belang van de openbare ruimte. Op de kwaliteit daarvan wordt gestuurd door het principe “Hoogbouw draagt bij aan de levendigheid van de openbare ruimte”. d. Zie antwoord bij a. e. Daarnaast is er een procedure opgenomen over hoe er bij elk bouwplan getoetst wordt op het windklimaat, om tijdig maatregelen te kunnen nemen om overlast te voorkomen. f. Het onderwerp vergroening staat hoog op de gemeentelijke agenda. Het vormt de kern van de Groenvisie (2020) en is één van de vijf strategische keuzes (rigoureus vergroenen) in de Omgevingsvisie Amsterdam (2021). Het programma Amsterdam Klimaatneutraal legt de koppeling tussen ruimtelijke inrichting en de opwarming van de stad, de kans op toenemende droogte of juist wateroverlast (overstromingsrisico’s) etc. Er is of wordt nieuw groen gerealiseerd in de gebiedsontwikkelingen en transformatiegebieden. Het belangrijkste groen in Amsterdam is goed beschermd omdat het onderdeel uitmaakt van de Hoofdgroenstructuur. Het stimuleren van groen op daken, aan gevels of dichtbij woonbebouwing (stoeptuinen, binnenterreinen) is onderdeel van het groenbeleid zoals vastgelegd in de Groenvisie (2020). Wijzigingen in het concept-beleid:  In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan.

Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.

41

5

Stadsdeeladviezen

5.1

Stadsdeel Centrum a. Vanwege het belang van het beschermen van het UNESCO werelderfgoed verzoekt het dagelijks bestuur dat bij hoogbouwinitiatieven binnen de 2 kilometerzone een hoogbouweffectrapportage verplicht blijft. Daarnaast is van belang dat bij de initiatieven die buiten stadsdeel Centrum maar binnen de 2 kilometerzone vallen, het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum altijd betrokken wordt bij de beoordeling. b. De realisatie van het gebied Oostenburg is in volle gang. Het is geen locatie die nog een “nieuwe ruimtelijke invulling” moet krijgen. Het Dagelijks bestuur ziet Oostenburg dan ook niet als een potentiële hoogbouwlocatie met mogelijkheden voor hoogbouw tot circa 70 meter. Het verzoek is om deze locatie niet als hoogbouwlocatie in het hoogbouwbeleid op te nemen. c. Het Dagelijks bestuur adviseert om in het Hoogbouwbeleid uit te gaan van de concept Nota van Uitgangspunten van het Marineterrein door in het hoogbouwbeleid dezelfde bouwhoogten op te nemen, een hoogte tussen de 20 en 30 meter met hoogte accenten van maximaal 40 meter. Naar verwachting wordt de projectnota Marineterrein, waar de Nota van Uitgangspunten deel van uitmaakt, in het laatste kwartaal van dit jaar vastgesteld. d. Het Dagelijks bestuur heeft de ambitie om woningen toe te voegen in stadsdeel Centrum door bijvoorbeeld optoppen van de bestaande bebouwing in de Weesperstraat.

Of het mogelijk is om op de bestaande bebouwing twee bouwlagen toe te voegen, moet nog uit onderzoek blijken. Wij adviseren om voor de koppen van de Weesperstraat een bouwhoogte aan te houden waarbij de zichtlijnen van UNESCO vrij blijven en dat nieuwe bebouwing perspectivisch vanuit het UNESCO-gebied gezien niet hoger mag lijken dan de gemiddelde bebouwing. We gaan er hierbij vanuit dat hoogbouw alleen mogelijk is aan de kant van het Rhijnspoorplein omdat de kop aan de andere kant zich in de bufferzone van het UNESCOgebied bevindt. Daarbij is van belang dat bij de initiatieven die buiten stadsdeel Centrum maar binnen de 2 kilometerzone vallen, het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum betrokken wordt bij de beoordeling. e. Op de Oostelijke Eilanden zien wij kansen om twee bouwlagen toe te voegen aan de bestaande bebouwing. Voor twee bouwlagen is een hoogte van ongeveer 6 meter nodig. Of twee bouwlagen uiteindelijk ruimtelijk inpasbaar zijn, moet uit het onderzoek blijken. Om te voorkomen dat het hoogbouwbeleid deze ontwikkeling belemmert, verzoekt het dagelijks bestuur om de Oostelijke Eilanden op zo’n manier in het hoogbouwbeleid op te nemen dat het optoppen van de bestaande bebouwing met twee bouwlagen mogelijk is.

Antwoord: a. Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. Een efficiëntere werkwijze rondom toetsen en adviseren was één van de aanleidingen voor het nieuwe beleid. De werkwijze is verschoven van een toets achteraf, naar helder beleid vooraf en onderzoek in het kader van de planontwikkeling. Op basis van dat beleid en onderzoek worden de randvoorwaarden geformuleerd die zorgen voor een zorgvuldige en adequate hoogbouwontwikkeling. b. Het beleid is op dit punt overeenkomstig de inspraakreactie aangepast. In het regime 3 geven we voor de uitzonderingsgebieden, waaronder nu dus ook Oostenburg, maximale hoogtes aan. Dat is 20 tot 40 meter, afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCO-gebied. Hoogbouw, tot 60 meter, is net als in de andere delen die onder dit regime vallen, alleen als 42

uitzondering mogelijk. Het gaat hier om gebieden die nog een invulling moeten krijgen, of waar dat recent gebeurd is. Het beleid maakt geen onderscheid tussen bestaande en te ontwikkelen gebieden, omdat niet met zekerheid te voorspellen is waar wel en geen ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Er is voor de hele stad aangegeven hoe hoogbouw onderdeel is van het stedenbouwkundig weefsel. In veel gevallen bevestigt het dus vooral de bestaande situatie. c. Het beleid is aangepast: “in dit regime 3 geven we voor de uitzonderingsgebieden, waaronder het Marineterrein, maximale hoogtes aan. Dat is 20-40 meter, afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCO-gebied. Hoogbouw, tot 60 meter, is net als in de andere delen die onder dit regime vallen, alleen als uitzondering mogelijk”. d. De toegestane hoogte in het centrum wordt gerelateerd aan de aanwezige bebouwing. Nieuwe ontwikkelingen kunnen slechts in geringe mate hoger worden, namelijk 1,25 keer de overwegende hoogte van de omgeving. Daar waar de bestaande bebouwing als een wat grotere maat heeft, zoals langs de Weesperstraat, mag de nieuwe bebouwing dus ook hoger zijn. Bebouwing die hoger wordt dan 1,25 keer de overwegende hoogte van de omgeving is alleen als uitzondering mogelijk. In alle gevallen geldt dat binnen de 2 kilometerzone nieuwe bebouwing dit historisch gelaagde stadsbeeld niet mag aantasten.

Geen ‘visual impact’, dat wil zeggen geen veranderingen in aanzicht vanuit de diverse zichtlijnen in het werelderfgoedgebied. Concreet houdt dat in, dat zichtlijnen richting het IJ, zichtlijnen vanuit het UNESCO-gebied over de Amstel, maar ook richting het stedelijk weefsel van de Jordaan en verder, vrij moeten blijven en dat nieuwe bebouwing perspectivisch vanuit het UNESCO-gebied gezien niet hoger mag lijken dan de gemiddelde bebouwing. We zullen deze richtlijn ook opnemen bij regime 3. e. Alle Oostelijke Eilanden zijn na aanpassing van het beleid meegenomen als uitzonderingsgebied, zodat nieuwe ontwikkelingen aan kunnen sluiten op de ontwikkeling van het Marineterrein en Oostenburg. Dat betekent dat we van hoogbouw spreken vanaf een hoogte van 20 meter. In alle gevallen geldt dat binnen de 2 kilometerzone nieuwe bebouwing dit historische stadsbeeld niet mag aantasten. Geen visual impact, dat wil zeggen geen veranderingen in aanzicht vanuit de diverse zichtlijnen in het werelderfgoedgebied. Concreet houdt dat in, dat zichtlijnen richting het IJ, zichtlijnen vanuit het UNESCO-gebied over de Amstel, maar ook richting het stedelijk weefsel van de Jordaan en verder, vrij moeten blijven en dat nieuwe bebouwing perspectivisch vanuit het UNESCO-gebied gezien niet hoger mag lijken dan de gemiddelde bebouwing. We zullen deze richtlijn ook opnemen bij regime 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14402350/1