CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. NL.IMRO.0363.N2003BPGST-VG02_Toelichting.pdf

RAAD 13 november 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen van het (Herstelbesluit) bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2 (VN2025-012940)27.129 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Gemeente Amsterdam

blz. 34

leefklimaat. Deze verhoging bedraagt maximaal 3 dB naar analogie van de verhoging die wordt gehanteerd bij cumulatie van het geluid van meerdere bronnen. Vanzelfsprekend moet voor deze gevel ook een hogere waarde worden vastgesteld volgens wettelijke bepalingen en daarbij wordt in het besluit het ontbreken van de stille zijde gemotiveerd. 5.4.3

Resultaten onderzoeken

5.4.3.1 Wegverkeerslawaai In de zin van de Wet geluidhinder is voor de nieuwbouw met betrekking tot de Klaprozenweg, Kamperfoelieweg en Ridderspoorweg / Floraweg sprake van nog niet geprojecteerde woningen in stedelijk gebied langs bestaande, gezoneerde wegen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt 48 dB voor iedere weg afzonderlijk. Op grond van artikel 83 lid 2 Wet geluidhinder bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB voor iedere weg afzonderlijk. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is Akoestisch onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat vanwege het wegverkeer op zowel de Kamperfoelieweg als de Ridderspoorweg / Floraweg en de Klaprozenweg de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden.

Afbeelding 5.1: Kaart met geluidmetingen. Groen voldoet aan voorkeursgrenswaarde. Oranje valt binnen de maximale ontheffingswaarde. Rood geeft aan waar de maximale ontheffingswaarde wordt

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 35

overschreden. Ter plaatse van Blok B wordt op één gevel (op de begane grond van de zuidwestzijde van het blok) de maximale ontheffingswaarde overschreden met 1 dB (64) vanwege het geluid van de Ridderspoorweg / Floraweg. Hier kan een dove gevel worden toegepast of er kan worden gekozen voor een functie op de begane grond die niet geluidgevoelig is. In de nabije toekomst wordt de maximale snelheid van dit wegdeel terug gebracht van 50 naar 30 km/u en zal de dove gevel niet meer nodig zijn. Geluidbeperkende maatregelen In principe moeten geluidbeperkende maatregelen getroffen worden om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Om de geluidbelasting te reduceren kan een geluidreducerend wegdek worden aangebracht of een geluidscherm worden gerealiseerd. Als verdergaande geluidbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige of financiële aard ontmoeten kan de gemeente Amsterdam een hogere waarde voor de geluidbelasting op de gevels vaststellen. Geluidreducerend wegdek Op de Klaprozenweg is met uitzondering van de kruisingsvlakken reeds een geluidreducerend wegdek (Dubofalt) aangebracht. Het aanbrengen van een stil wegdek (bijvoorbeeld een dunne geluidreducerende deklaag) geeft bij een snelheid van 50 km/u een afname van de geluidbelasting van 3 á 4 dB.

Voor de Ridderspoorweg / Floraweg is een afname van 14 dB nodig om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde terug te brengen. Met een stil wegdek wordt de geluidbelasting niet beperkt tot de voorkeursgrenswaarde maar wordt wel een aanzienlijke afname bereikt. Een stil wegdek is echter minder goed bestand tegen wringend verkeer (mechanische beschadiging van het wegdek), waardoor het aanbrengen van deze wegdekken op kruisingen meestal civieltechnische bezwaren ontmoet. Daarom kan maar op een beperkt deel van de Ridderspoorweg / Floraweg een stil wegdek worden toegepast. De aanleg van een beperkte lengte stil wegdek is veelal vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk. Geluidscherm Voor een voldoende geluidafschermende werking moeten geluidschermen een hoogte hebben die een relatie heeft met de hoogte van de achterliggende bebouwing. Bij laagbouw kunnen lage geluidschermen worden geplaatst en bij hoogbouw moeten hoge schermen worden gerealiseerd. Om in de onderhavige situatie de hogere bouwlagen te beschermen moet een scherm met een hoogte van meer dan 2 meter langs de wegen geplaatst worden. Een dergelijk hoog scherm vormt in de onderhavige situatie een stedenbouwkundig en architectonisch ongewenste barrière. Tevens kunnen zich verkeersgevaarlijke situaties voordoen nabij de kruisingen (belemmering zicht).

Bovendien is het realiseren van een gesloten geluidscherm praktisch onmogelijk vanwege de aanwezige kruisingen. Verkeersmaatregelen De geluidbelasting van de woningen kan ook door het treffen van verkeersmaatregelen worden verlaagd. Bij bestaande wegen kan bijvoorbeeld de maximumsnelheid worden verlaagd waardoor de geluidbelasting afneemt. Een andere optie is het verlagen van de verkeersintensiteit bijvoorbeeld door het sluiten voor zwaar verkeer, het instellen van éénrichtingsverkeer, of door het verkeersluw maken. De Klaprozenweg wegen is echter doorgaande ontsluitingsweg waar een goede doorstroming van het verkeer gewenst is. Het treffen van verkeerskundige maatregelen belemmeren de gewenste doorstroming en stuiten daarmee op bezwaren van verkeerstechnische aard, ook voor het calamiteitenvervoer.

Gemeente Amsterdam

blz. 36

Voor de Floraweg / Ridderspoorweg geldt dat de maximale snelheid van terug wordt gebracht van 50 naar 30 km/u. Dit heeft gunstige effecten voor de geluidbelasting van een aantal blokken in het plangebied. Conclusie geluidbeperkende maatregelen Bij dit project zijn geluidbeperkende maatregelen geen optie. De maatregelen zijn niet doeltreffend genoeg en kennen technische, financiële en stedenbouwkundige bezwaren. De gemeente Amsterdam kan in dit geval hogere waarden voor de geluidbelasting vaststellen. Besluit hogere waarden Er is een besluit hogere waarden genomen (Bijlage 6) waarbij het positieve advies van het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluid Amsterdam (TAVGA) is betrokken. De TAVGA heeft expliciet aandacht gevraagd aan de in het stedenbouwkundig plan opgenomen incisies. Dit zijn open ruimtes die de gesloten gevelwand in een bouwblok doorbreken om op die manier de binnenterreinen te verbinden met de openbare ruimte op straatniveau. Deze incisies kunnen een geluidlek betekenen en op die manier de stille zijde aan de binnenzijde van een bouwblok negatief beïnvloeden. Hoewel een stille zijde ook kan worden bereikt door bouwkundige maatregelen dringt de TAVGA aan op het realiseren van zoveel mogelijk 'natuurlijke' stille zijden. In het stedenbouwkundig plan zijn de incisies voorzien op plekken in de bouwblokken die niet zwaar geluid belast zijn vanwege verkeer.

Zo zijn er geen incisies voorzien langs de Klaprozenweg. 5.4.3.2 Industrielawaai In de Wet geluidhinder is bepaald dat akoestisch onderzoek plaats moet vinden als nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen) worden geprojecteerd binnen een geluidzone van geluidgezoneerde industrieterreinen. Daarnaast is in de huidige en toekomstige situatie sprake van inrichtingen binnen het plangebied die geluid produceren danwel indirect geluid veroorzaken. Gezoneerde industrieterreinen In figuur 5.2 is de ligging weergegeven van het plangebied en de wettelijke geluidzone van het gezoneerde industrieterrein J. van Hasseltkanaal West.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 37

Afbeelding 5.2: Situatie met geluidzone J. van Hasseltkanaal Industrieterrein Johan van Hasseltkanaal Het plangebied valt nagenoeg volledig binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein J. van Hasseltkanaal. Deze geluidzone is niet de daadwerkelijke 50 dB(A) contour. De geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein is in het kader van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) onderzocht. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein J. van Hasseltkanaal West geen beperkingen oplevert voor de ontwikkelingen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2. 5.4.4

Conclusie

In het plangebied is sprake van geluidsbelasting als gevolg van verschillende bronnen. Voor een gemengd stedelijk gebied als de Klaprozenbuurt is een geluidsniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde aanvaardbaar. Ten aanzien van wegverkeersgeluid geldt dat voor een aantal gevels hogere grenswaarden dienen te worden vastgesteld en dat ter plaatse van blok B een deel met dove gevels moet worden uitgevoerd, tenzij op deze plek geen woningen worden gerealiseerd. Uit onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein J. van Hasseltkanaal geen beperkingen oplevert voor de ontwikkelingen binnen het plangebied. Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

5.5

Electromagnetische velden

5.5.1

Algemeen

Overal waar elektrische stroom vloeit zijn elektromagnetische velden aanwezig. Dus ook bij alle onderdelen van de elektriciteitsvoorziening, zoals elektriciteitscentrales, stroomverdeelstations, het transportnet van bovengrondse en ondergrondse hoogspannings- en middenspanningsleidingen, in de buurt van transformatorhuisjes maar ook bij leidingen en/apparatuur binnenshuis of naast bijvoorbeeld trein- en tramlijnen. De magnetische veldsterkte, uitgedrukt in microtesla, is mede afhankelijk van de stroomsterkte, de configuratie en opstelling van de afstand tot de stroomvoerende geleiders. Er wordt veel onderzoek gedaan naar effecten van langdurige blootstelling aan magnetische velden in de woon- en werkomgeving. Er is onderzoek dat er op wijst dat kinderen die langdurig verblijven in de directe nabijheid van een bovengrondse hoogspanningslijn, mogelijk een extra risico lopen op leukemie. Het (mogelijk) verhoogde risico op kinderleukemie tekent zich af bij langdurige blootstelling aan magneetvelden sterker dan 0,4 microtesla bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Of het magneetveld ook de oorzaak is van deze correlatie of slechts een maat voor de nabijheid, is niet duidelijk. In het kader van het bestemmingsplan is Onderzoek electromagnetische velden uitgevoerd. 5.5.2

Toetskader

De International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) heeft richtlijnen opgesteld voor blootstelling aan magnetische velden. De aanbevelingen van de ICNIRP worden onderschreven door de World Health Organization (WHO) en de Nederlandse Gezondheidsraad. In 1998 heeft het ICNIRP een richtlijn uitgebracht waarin voor 50 Hz magnetische velden een grenswaarde van 500 microtesla werd gesteld voor mensen die beroepsmatig aan magnetische velden worden blootgesteld en een grenswaarde van 100 microtesla voor de algehele bevolking. In 2010 is deze richtlijn geactualiseerd, waarbij deze grenswaarden zijn bijgesteld naar respectievelijk 1000 microtesla en 200 microtesla. In Europa, dus ook in Nederland, wordt ten aanzien van beroepsmatige blootstelling de grenswaarde van 1000 microtesla uit 2010 aangehouden (EU Directive 2013/35/EU). Ten aanzien van blootstelling van de algehele bevolking wordt de grenswaarde van 100 microtesla uit 1998 aangehouden (1999/519/EG). Deze grenswaarden zijn niet wettelijk verankerd.

Specifiek voor hoogspanningslijnen adviseert de Nederlandse rijksoverheid: ” …om bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)”. Het rijksbeleid richt zich uitsluitend op nieuwe situaties rond bovengrondse hoogspanningslijnen. Dat kunnen nieuw te bouwen woningen zijn of nieuw aan te leggen bovengrondse hoogspanningslijnen. De rijksoverheid probeert het beleidsdoel te bereiken door gemeenten en netbeheerders te vragen om geen gevoelige bestemmingen te realiseren binnen een zone langs bovengrondse hoogspanningslijnen waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan 0,4 microtesla. Gevoelige bestemmingen zijn plekken waar kinderen normaal gesproken langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven. Het college van B&W van Amsterdam heeft op 4 juli 2006 beleid vastgesteld voor magnetische velden veroorzaakt door onderstations en transformatorstations in Amsterdam. Dit beleid is gebaseerd op

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 39

advies van de GGD. Dat advies maakte gebruik van het TNO onderzoek 'Magnetische veldsterkte metingen uitgevoerd rond diverse onderstations te Amsterdam' (d.d. 7 maart 2006). De kern van het collegebeleid is dat er in nieuwe situaties naar wordt gestreefd dat kinderen niet langdurig kunnen verblijven op plaatsen waar de jaargemiddelde magnetische fluxdichtheid hoger is dan 0,4 microtesla (ìT). Dat betekent dat er bij voorkeur geen nieuwe gevoelige functies waar kinderen langdurige kunnen verblijven (zoals woningen, kinderdagverblijven en scholen) op die plaatsen worden gerealiseerd. 5.5.3

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe bovengrondse hoogspanningslijnen of nieuwbouw in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk. Het Rijksbeleid is dan ook niet van toepassing op deze situatie. Wel maakt het bestemmingsplan de vestiging van gevoelige bestemmingen waar kinderen langdurig kunnen verblijven, zoals woningen en een school, mogelijk. Er is onderzoek uitgevoerd naar magnetische veldsterkten in het plangebied (zie Bijlage 7. Op basis van de momentane metingen en gegevens van historische stroombelasting zijn jaargemiddelde 0,4 microtesla contouren bepaald, waarmee de locaties inzichtelijk zijn gemaakt waar de jaargemiddelde magnetische veldsterkte tenminste 0,4 microtesla bedraagt. Daarbij is gekeken naar de bestaande ondergrondse 150 kV-hoogspanningskabel die langs de Klaprozenbuurt loopt. Uit de reslutaten blijkt dat de toekomstige bebouwing buitende 0,4 microteslazone van de hoogspanningskabel ligt. De afstand tussen de contour die de grens van 0,4 microtesla aangeeeft en de toekomstige bebouwing is minimaal 2 meter. 5.5.4

Conclusie

Het aspect magnetische veldsterkte vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

5.6.1

Algemeen

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Om gevoelige bestemmingen in het plangebied toe te kunnen staan dient daarnaast ook rekening te worden gehouden met de te verwachten milieuhinder van nieuwe bedrijven. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.6.2

Toetsingskader

Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruik gemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In deze publicatie worden richtafstanden gegeven tussen hinderveroorzakende bedrijven en woningen. De potentiële hinder wordt aangegeven op basis van de aspecten geur, geluid, gevaar en stof. De VNG-lijst is ook het uitgangspunt voor de Staat van bedrijfsactiviteiten, de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. De richtafstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten en zijn onder andere vastgesteld aan de hand van ervaringen uit de praktijk. Bedrijven zijn Gemeente Amsterdam

blz. 40

ingedeeld in categorieën oplopend naarmate de potentiële milieuhinder toeneemt (bedrijven uit een hogere milieucategorie zijn toegestaan): Zie de tabel hieronder. Het omgevingstype speelt hierbij een rol: de afstanden worden in beginsel gehanteerd ten opzichte van een rustige woonwijk. Er kan echter ook sprake zijn van een gemengd gebied (diverse functies naast elkaar). In dat geval kan de richtafstand met een stap verlaagd worden. De richtafstanden zijn indicatief: afwijken is mogelijk, mits goed gemotiveerd.

Afbeelding - Tabel richtafstanden VNG Op bedrijven in Nederland is de Wet milieubeheer van toepassing. Veel bedrijven hebben echter geen specifieke vergunning meer maar vallen onder het Activiteitenbesluit. Dit besluit omvat een pakket standaardvoorschriften waaraan het bedrijf moet voldoen. Indien noodzakelijk is het mogelijk om maatwerkvoorschriften op te leggen, zodat er specifieke voorschriften gelden. Het is mogelijk dat op basis van de vergunde milieuruimte van bedrijven afgeweken kan worden van de indicatieve VNG richtafstanden. Een voorschrift ten aanzien van geluid in een vergunning of op basis van het Activiteitenbesluit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een kleinere afstand tussen het bedrijf en een gevoelige functie kan worden aangehouden dan op grond van de VNG-lijst wordt geadviseerd. 5.6.3

Toegestane milieucategorie

Het plangebied Klaprozenbuurt 2 ligt binnen de ring van Amsterdam en betreft een stedelijk gemengd gebied. De richtafstanden voor een rustige woonwijk worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied te kunnen garanderen, worden bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Er is één bedrijf met een hogere categorie dan hiervoor is benoemd. Dit bedrijf betreft een LPG tankstation dat binnen 3 jaar geheel wordt gesaneerd (uiterlijk 31 december 2024). Dit is ook privaatrechtelijk overeen gekomen door middel van een huurbeëindigingsovereenkomst tussen verhuurder en huurder van de inrichting. Verder is er aan de Slijperweg 15 een reparatie- en onderhoudsbedrijf voor elektromotoren aanwezig. Van dit bedrijf is niet duidelijk binnen welke milieucategorie het valt en is maatwerk vereist. Ten westen van het plangebied (buiten het bestemmingsplangebied) bevinden zich 3 bedrijven / inrichtingen waarmee rekening moet worden gehouden in dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 41

5.6.4

Resultaten onderzoeken

De inpasbaarheid van gevoelige functies als woningen en scholen in het plangebied is beoordeeld in relatie tot de bedrijven binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied. Per bedrijf is de bepalende richtafstand (stof, geur, geluid of gevaar) gegeven. Enkele bedrijven zijn nader onderzocht. De bepalende richtafstanden zijn in het onderzoek op de kaart inzichtelijk gemaakt. Busremise GVB Net ten westen van het onderhavige bestemmingsplan is aan de Metaalbewerkerweg 23 een busremise van de GVB aanwezig. De remise bestaat uit twee gebouwen met stalling, werkplaats en kantoren. De stalling wordt gebruikt voor het stallen van bussen die ingezet worden voor het openbaar vervoer in de regio Amsterdam. In de werkplaats vindt onderhoud en reparatie plaats van de bussen en kleinere bedrijfsvoertuigen. Aan de westzijde van het terrein is een was- en tankplaats aanwezig. De remise is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de Investeringsnota is nog uitgegaan van een verplaatsing van de werkplaats (exclusief de stallingsruimte). Inmiddels wordt echter rekening gehouden met het feit dat de busremise de komende jaren nog op de locatie aanwezig zal zijn, waarbij de busvloot elektrisch zal gaan rijden. De busremise valt in milieucategorie 3.2 (SBI code 6021.1 493 Bus-, tram- en metrostations en –remises).

Daarbij hoort een richtafstand van 50 meter tot gemengd gebied. Geluid is daarbij het maatgevende milieuaspect. Aangezien binnen de richtafstand woningbouw is voorzien zal hiervan gemotiveerd afgeweken moeten worden. Dit is met name relevant omdat het activiteiten betreft die plaatsvinden in de avond- en nachtperiode en het activiteiten betreffen die deels in de open lucht plaatsvinden. In het kader van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) is door middel van Akoestisch onderzoek GVB remise bepaald in hoeverre een woonfunctie in de nabijheid van de GVB verenigbaar is met de geluidemissie van de busremise. Voor de beoordeling in het kader van de ruimtelijke ordening moet in ieder geval aan de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden voldaan. Het onderzoek is uitgevoerd door in overleg met het GVB de bestaande en toekomstige bedrijfssituatie vast te stellen. Van deze bedrijfssituaties is de geluidemissie bepaald. Met behulp van een rekenmodel is bepaald in hoeverre een woonfunctie in de nabijheid aanvaardbaar is. Hierbij is ook onderzocht met welke maatregelen de geluidemissie kan worden beperkt. Uit het onderzoek blijkt dat rekening moet worden gehouden met een afstand van circa 100 m tussen de erfgrens van de remise en nieuwe woninggevels. Uitgaande van alleen elektrische bussen is deze afstand te verkleinen tot circa 40 m.

Hiervoor moeten dan wel enige technische maatregelen worden getroffen. Een kleinere afstand is alleen haalbaar met relatief ingrijpende maatregelen. Hierbij moet gedacht worden aan een geheel andere lay-out zodat de ontsluiting aan één zijde van het terrein kan plaatsvinden in combinatie met een overkapping van de andere zijde van het terrein. In dat geval is een afstand van theoretisch 0 m mogelijk voor de overkapte zijde. Voor de ontsluitingszijde moet dan nog wel rekening worden gehouden met 30 à 40 m (elektrisch) tot 70 à 80 m (diesel). Een verdergaande vorm van deze overkapping is een nieuw gebouw waarbij woningen boven de remise komen. In theorie is dit mogelijk. Daarbij moet ook rekening gehouden met een afstand van 30 à 40 m (elektrisch) tot 70 à 80 m (diesel) voor de zijde waar de remise wordt ontsloten. Uiteraard dient ook een goede bouwkundige scheiding te worden gemaakt tussen remise en bovenwoningen. Daarbij moet niet alleen een voldoende zware betonnen vloerscheiding worden aangebracht maar ook een naadloze rijweg voor de bussen om trillinghinder te voorkomen. Hierbij wordt een kelderlaag onder de remise afgeraden alsmede een hellingbaan voor bussen aangezien deze meer kans geven op trillinghinder.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de beoogde woningbouw sprake is van een overschrijding van de standaardvoorschriften Activiteitenbesluit. Op dit moment is nog niet duidelijk of de electrificatie van de busvloot eerder plaats heeft dan de bouw van de woningen binnen de geluidsruimte van de remise. In de regels van het bestemmingsplan wordt een voorwaardelijkheid opgenomen met betrekking tot het geluidniveau op de gevels en de eventuele maatregelen die nodig zijn om tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te komen. Deze maatregelen hebben betrekking op het ter plaatse van de geluidsbelaste gevels toepassen van dove gevels danwel vliesgevels. Eventueel worden er met de GVB afspraken gemaakt over maatwerkvoorschriften ten aanzien van het Activiteitenbesluit. Bij het realiseren van de woningen zal dus nader worden onderzocht welke maatregelen nodig zijn om enerzijds te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en aan de andere kant tot een situatie waarbij de GVB garage niet onevenredig wordt beperkt in haar bedrijfsvoering.

Deze werkwijze sluit aan bij de mogelijkheden die volgen uit artikel 7c lid 9 sub c onder 2 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet waarbij de mate van detail van de ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting te verrichten akoestische onderzoeken kan worden afgestemd op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan. Door de bovengenoemde verschillende maatregelen en maatwerk vormt de geluidsbelasting van de busremise geen belemmering voor het kunnen garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt de bedrijfsvoering van de busremise niet onevenredig belemmerd. Gasontvangststation Ter plaatse van de Draaierweg naast nummer 19 is een bestaand gasstation aanwezig. In het voorliggende bestemmingsplan is nieuwbouw met woningen geprojecteerd op een afstand van 30 meter van het gasontvangststation. Er is Akoestisch onderzoek gasontvangststation uitgevoerd. Het gasontvangstation voldoet niet aan de streefwaarden voor geluid. De hoogste overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt in alle etmaalperioden 8, 12 en 10 dB in respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode. Het gasontvangstation en de nieuwbouwwoningen zijn niet zonder meer verenigbaar. Het gasontvangstation voldoet niet aan de grenswaarden voor geluid, zoals beschreven in paragraaf.

De overschrijdingen zijn gelijk aan die benoemd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met de Gasunie worden de mogelijkeden besproken om maatregelen te treffen aan het gebouw en de installaties en eventueel het opnemen van maatwerkvoorschriften. Verwacht wordt dat met een combinatie van maatregelen, mogelijk in aanvulling met het toelaten van een hogere geluidbelasting, het gasstation en de nieuwbouw verenigbaar zijn. Er wordt een beoordeling gemaakt van de benodigde maatregelen aan de bron, in de overdracht en eventueel aan de gevels van de geprojecteerde woningen zodat duidelijk wordt bij welke maatregelen uiteindelijk sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat. Ten slotte zijn er regels in het bestemmingsplan opgenomen die borgen dat de benodigde maatregelen worden getroffen. Bakkerij Kaandorp Bakkerij Kaandorp ligt aan de Draaierweg 1, op de hoek met de Klaprozenweg. In het Akoestisch onderzoek bakkerij Kaandorp is de geluidbelasting bepaald op de beoogde nieuwbouw van het bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 43

bestemmingsplan Klaprozenbuurt 2. De berekende geluidbelasting is zowel in de dag- als in de nachtperiode 5 dB hoger dan de streefwaarden (RO) en grenswaarden (Activiteitenbesluit). In de dagperiode is de maatgevende bron het vullen van de silo's. In de nachtperiode zijn de maatgevende bronnen twee installaties op het dak en de laad en losactiviteiten. De maximale geluidniveaus in de avondperiode voldoen aan de streefwaarden (RO) en de grenswaarden (Activiteitenbesluit). In de dag- en nachtperiode worden de streefwaarden en grenswaarden overschreden met respectievelijk 4 en 10 dB. Bepalend zijn de laad- en losactiviteiten. In de dagperiode zijn, in het kader van het Activiteitenbesluit, deze maximale geluidniveaus uitgesloten van toetsing. Dit is echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet zonder meer het geval. Dit is aan het bevoegd gezag om te beoordelen. Indirecte hinder voldoet aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Verwacht wordt dat met een combinatie van maatregelen, mogelijk in aanvulling met het toelaten van een hogere geluidbelasting, de bakkerij en nieuwbouw verenigbaar zijn. De beoordeling of en bij welke maatregelen uiteindelijk sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat, wordt gemaakt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woningen.

Om deze nadere afweging te borgen zijn regels opgenomen in het bestemmingsplan. School In het noorden van de Klimopwegdriehoek is een nieuwe school met schoolplein voorzien. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden aangetoond dat met deze functie geen onaanvaardbare geluidhinder ontstaat voor de te realiseren woningen. Geluid vanaf het schoolpein is hierbij bepalend. Grenzend aan het schoolplein zal aan de ene zijde de school worden gerealiseerd en kunnen aan de andere zijde woningen worden gerealiseerd. Voor een school geldt binnen gemengd gebied een richtafstand van 10 meter tot woningen. Aan deze richtafstand zal worden voldaan. Daarnaast zullen de woningen beschikken over een stille zijde. Geconcludeerd wordt dat de realisatie van een school met schoolplein een goed woon- en leefklimaat in het plangebied en de directe omgeving niet in de weg staat. De Vier Elektromotoren Aan de Slijperweg 15 is De Vier Elektromotoren gevestigd. Het bedrijf richt zich onder meer op onderhoud, revisie en verkoop van elektromotoren en kool- en grafietproducten. In de brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is met SBI codes 271, 331 de volgende bedrijfsomschrijving opgenomen: Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie. Deze activiteiten zijn aangewezen als milieucategorie 4.1.

Bij De Vier is echter geen sprake van het nieuw vervaardigen van electromotoren en generatoren maar uitsluitend om onderhoud en reparatie. Het betreft dus geen fabriek. Het is dus de vraag of de bedrijfsactiviteiten van De Vier daadwerkelijk kwalificeren als een 4.1 bedrijf. In het kader van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) is door de Omgevingsdienst (OD) Noordzeekanaalgebied een bezoek gebracht aan het bedrijf. Hierbij is globaal in beeld gebracht welke machines in het bedrijf worden gebruikt en wat de bedrijfsprocessen zijn. Aan de hand van de aspecten geur, geluid, stof en gevaar is gekeken wat de milieugevolgen zijn van de

Gemeente Amsterdam

blz. 44

aanwezigheid van het bedrijf voor de toekomstige transformatie van het plangebied naar een woonwerkgebied. Gezien de bedrijfsvoering, de installaties op het dak en de toch wel aanzienlijke verkeer aantrekkende werking is geluid een groot aandachtspunt bij dit bedrijf. Zonder dat akoestisch onderzoek is gedaan werd door de OD vastgesteld dat door de uitgevoerde bedrijfsactiviteiten het bedrijf niet kan voldoen aan de geluidsgrenswaarden. Door een akoestisch onderzoek kan worden bepaald in hoeverre woningbouw op de erfgrens mogelijk is, mogelijk samen met akoestisce maatregelen bij de toekomstige nieuwbouw of toepassingen in kelderruimten. Indien nodig is het mogelijk om hogere grenswaarden vast te stellen, bijvoorbeeld zodat deze aansluiten op de grenswaarden van een industrieterrein.

Geur komt vrij bij het gebruik van de uitbrandoven, hiervoor is in de huidige situatie reeds een schoorstenen aanwezig. Bij het ontwikkelen van geurgevoelige objecten in de nabijheid van de inrichting moeten aanpassingen worden doorgevoerd. Dit kunnen o.a. een ontgeuringsinstallatie zijn of bouwtechnische aanpassingen aan de schoorstenen. Bij het niet toepassen van een ontgeuringsinstallatie dient de uitmonding van de afvoerleiding ten minste 2 m uitsteken boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen geurgevoelige gebouwen. Bij het toepassen van een ontgeuringsinstallatie dient de werking te worden onderbouwd middels een geuronderzoek. De aspecten 'stof' en 'gevaar' spelen geen belangrijke rol rondom het bedrijf. Aan het perceel is in het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) de bestemming "Bedrijf" toegekend, met de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1'. Binnen de bestemming 'Bedrijf' zijn bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.1. Nu het niet op voorhand duidelijk is binnen welke milieucategorie het bedrijf kan worden geschaard is het noodzakelijk om door middel van gericht onderzoek uit te vinden wat de daadwerkelijke milieuhinder is als gevolg van het bedrijf en in hoeverre het bedrijf in haar huidige bedrijfsvoering al wordt beperkt door reeds aanwezige gevoelige functies in de directe nabijheid.

Door de gemeente is met regelmaat contact opgenomen om onderzoek te doen bij het bedrijf. Daarvoor is nodig dat er sprake is van een representatieve bedrijfssituatie en dus de machines draaien op het moment dat het onderzoek wordt uitgevoerd. De eigenaar van De Vier heeft dit onderzoek tot op heden aangehouden. Het is voor de gemeente niet mogelijk om het onderzoek alleen te doen buiten de inrichting omdat er dan geen zekerheid bestaat over of sprake is van een representatieve bedrijfssituatie. Zoals in het kader van het bestemmingsplan Klaprozenbuurt (1) al is aangegeven is er binnen de grondexploitatie van het project Klaprozenbuurt budget beschikbaar om tot verplaatsing van het bedrijf over te gaan, dan wel voor een schadeloosstelling als het bedrijf moet worden uitgekocht. De transformatie van de Klaprozenbuurt komt echter grotendeels door middel van zelfrealisatie tot stand. Het is daarbij de ambitie om zoveel mogelijk ruimte te geven aan de terugkeer of inpassing van bestaande functies. Daarbij komt ook dat de transformatie geleidelijk tot stand komt. Het is dus goed mogelijk dat De Vier nog in bedrijf is terwijl er op nabijgelegen percelen al nieuwe (gevoelige) functies worden gerealiseerd.

Om deze reden is op de verbeelding van het bestemmingsplan rondom De Vier een zone van 100 meter aangegeven waarbinnen het alleen onder voorwaarden mogelijk is om nieuwe gevoelige functies te realiseren. Deze voorwaarden hebben betrekking op het voldoen aan normen voor geluid en geur. Er bevinden zich op de perceelsgrens van De Vier reeds bestaande (bedrijfs)woningen van derderen. In

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 45

afstemming met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en indien mogelijk De Vier, wordt onderzocht hoe de bedrijfsactiviteiten zich verhouden tot deze (bedrijfs)woningen en de nieuw te realiseren gevoelige bestemmingen. Bij dit onderzoek geldt het Activiteitenbesluit als toetsingskader. 5.6.5

Conclusie

Uit de onderzoeken volgt dat woningbouw in de nabijheid van de bestaande bedrijfsfuncties mogelijk is, mits er maatregelen worden getroffen om de geluidemissie te reduceren. De voorgenomen ontwikkeling is wat dat betreft uitvoerbaar. In het kader van de vergunningverlening zal nader onderzoek worden uitgevoerd en zullen te nemen maatregelen worden geborgd.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. 5.7.2

Beleid en regelgeving

5.7.2.1 Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge de wet is een specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer opgenomen. De wet voorziet onder meer in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip 'niet in betekenende mate' (nibm) en gebiedssaldering. Als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het vaststellen van een bestemmingsplan: het bestemmingsplan niet leidt tot een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden voor stikstofoxide (NO2) of fijn stof (PM10); de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan (al dan niet per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10; het bestemmingsplan is opgenomen in het NSL. Voor luchtkwaliteit als gevolg van wegverkeer is NO2 (jaargemiddelde) in Amsterdam het meest maatgevend, aangezien deze stof door de invloed van het wegverkeer het snelst een overschrijding van de grenswaarde uit de wet veroorzaakt. Daarnaast zijn ook de concentraties van PM10 van belang.

Gemeente Amsterdam

blz. 46

5.7.2.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is in januari 2009 in werking getreden. Met deze Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, zijnde kinderen, ouderen en zieken. Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden. In geval van de Klaprozenbuurt worden gevoelige functies in de vorm van woningen en maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan.

Er zijn geen rijkswegen of provinciale wegen aanwezig binnen een afstand van 300 meter respectievelijk 50 meter. Aan de bepalingen uit het Besluit gevoelige bestemmingen kan worden voldaan. 5.7.2.3 Actieplan luchtkwaliteit Amsterdam In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht te verbeteren door bestaande knelpunten ten aanzien van luchtkwaliteit op te lossen. Als Amsterdam zich verder wil ontwikkelen door het realiseren van nieuwe bouwprojecten, dan moet er voldoende (milieu)ruimte worden geschapen. Amsterdam houdt binnen het Actieplan vast aan het beleid met betrekking tot de compacte stad, verbetering van het stedelijk functioneren door een grotere concentratie van de functies wonen, werken en recreëren. Daarnaast houdt Amsterdam vast aan het concentratiebeleid ten aanzien van het Hoofdnet Auto. 5.7.2.4 Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam.

Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 47

geprojecteerd. Voor project Klaprozenbuurt is het tweede uitgangspunt – in verband met de toenemende verkeersintensiteit als gevolg van de woningbouwontwikkeling in heel Noord – van toepassing. Beide scholen zijn echter achter eerstelijnsbebouwing voorzien, waarmee aan het uitgangspunt wordt voldaan. Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt. 5.7.3

Resultaat onderzoek

Met de aanpassingen in het plangebied veranderen de verkeersstromen en zijn de emissies naar de lucht door de gewijzigde verkeersbewegingen van belang bij de toetsing van het plan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Er is voor de voorgenomen ontwikkelingen onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Er is getoetst aan grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Uit het onderzoek volgt dat er wat betreft stikstofdioxide en (zeer) fijn stof op basis van artikel 5.16 lid 1 onder a van de Wet milieubeheer ten aanzien van de luchtkwaliteitseisen van de Wm geen knelpuntlocaties binnen het plangebied bestaan. Er worden in de plansituatie geen grenswaarden overschreden en de hoogst berekende waarden die uit dit absolute worst case scenario berekend worden liggen ruim onder de grenswaarden. 5.7.4

Conclusie

Op grond van de voorgenoemde bevindingen vormen de luchtkwaliteitseisen uit titel 5.2 Wet milieubeheer en bijbehorende uitvoeringsbesluiten alsmede de Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van de Klaprozenbuurt.

5.8

Bodem

Voor Bodem wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van bestemmingsplan Klaprozenbuurt.

5.9

Cultuur en archeologie

Uit het archeologisch bureauonderzoek zoals dat door Bureau Monumentenzorg & Archeologie is uitgevoerd, volgt dat er binnen het plangebied materiële overblijfselen kunnen worden verwacht die samenhangen met de aanleg en bewoning van de Buiksloterdijk vanaf de 13de eeuw. Een lagere verwachting geldt voor de scheepvaart op het IJ vanaf de 13de eeuw. Voor het gebied is een beleidskaart opgesteld met vier verwachtingszones. Per zone is gespecificeerd in welke gevallen archeologisch vervolgonderzoek nodig is bij planontwikkeling. De zones zijn opgenomen als dubbelbestemming in de planregeling.

Gemeente Amsterdam

blz. 48

De cultuurhistorische waarde van de Waterlandse Zeedijk is in dit bestemmingsplan met een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie geborgd.

5.10

Duurzaamheid

5.10.1 Algemeen Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden. 5.10.2 Beleid en regelgeving 5.10.2.1

Provinciale Ruimtelijke Verordening

De Provincie Noord-Holland wil zoveel mogelijk bijdragen aan de afname van de oorzaken van klimaatverandering. Daarom wil de Provincie het energieverbruik in samenwerking met gemeenten in het stedelijk gebied, op bedrijventerreinen en in de glastuinbouw zoveel mogelijk beperken en de resterende vraag met duurzame energie invullen. De toepassing van duurzame energie in de gebouwde omgeving moet worden vergroot. Artikel 33 ("Energie en duurzaam bouwen") van de Provinciale Ruimtelijke Verordening bepaalt dat bestemmingsplannen voor woningbouw, renovatie (herstructurering), bedrijventerreinen en kantoorlocaties en glastuinbouw dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en inzet van duurzame energie, waaronder mede wordt verstaan het gebruik van restwarmte, WKO en aardwarmte, zonne-energie, biomassa. Verder dient nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking aan eisen van duurzaam bouwen te voldoen. 5.10.2.2

Duurzaam Amsterdam

De gemeenteraad van Amsterdam heeft in maart 2015 de agenda 'Duurzaam Amsterdam' vastgesteld. Dit is de Agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. In de volgende paragraaf is per aspect aangegeven op welke wijze hier in de voorgenomen ontwikkeling rekening mee is gehouden. 5.10.3 Specifiek plan / project Planvormingstraject Duurzaamheid heeft gedurende het gehele planvormingstraject van de Klaprozenbuurt een rol gespeeld. Duurzaamheid is verweven in andere milieuaspecten zoals de keuze van intensief ruimtegebruik, gebruik van het openbaar vervoer, langzaam verkeer, duurzaamheid van het watersysteem. Ook bij de verdere planuitwerking zal duurzaamheid een belangrijke overweging zijn, bijvoorbeeld bij keuzen ten aanzien van materiaalgebruik, afvalketens en energiegebruik. Toegespitst op plangebied/project: Amsterdam wil duurzaam groeien. Een belangrijke keuze is om vooral binnen bestaand stedelijk gebied deze groei te laten plaatsvinden, zodat groengebieden buiten de stad groen kunnen blijven. In de stad zelf neemt het draagvlak toe voor voorzieningen, openbaar vervoer en de deeleconomie. De

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 49

herontwikkeling van het plangebied draagt aan deze duurzame groei bij door een stedelijke dichtheid in het plangebied mogelijk te maken. In aanvulling hierop heeft Amsterdam een duurzaamheidsbeleid bestaande uit de onderstaande zeven aandachtsgebieden, die hieronder voor het project Klaprozenbuurt nader worden uitgewerkt. Energie Amsterdam heeft als doel om in 2030 55% en in 2050 95% minder CO2-uitstoot te realiseren ten opzichte van 1990. Daarnaast streeft de stad naar 100% gebruik van duurzame energie in 2050. Deze doelen worden in 2019 verder uitgewerkt in een Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal en lokale klimaatakkoorden. In 2040 wil Amsterdam aardgasvrij zijn. Deze ambities zijn vastgelegd in het coalitieakkoord “Een nieuwe lente en een nieuw geluid”. Als onderdeel voor het bereiken van deze doelen streeft de gemeente Amsterdam naar klimaatneutrale gebouwen onder het adagium “klimaatneutraal is het nieuwe normaal”. Daarbij is er maar één moment om een gebouw optimaal klimaatneutraal te maken en dat is het moment van nieuwbouw. Veel energiebesparende maatregelen brengen aanzienlijk hogere (maatschappelijke) kosten met zich mee als ze pas later aangebracht of verbeterd worden. Dit geldt met name ook voor de meest basale energiebesparende maatregelen zoals extra goede isolatie. Klimaat-neutraal betekent een EPC 0. Een EPC van 0,15 is het maximum in Amsterdam.

Op 1 juli 2020 wordt de EPC vervangen door de BENG. BENG staat voor Bijna Energieneutrale gebouwen. De gemeente zal richtlijnen opstellen over hoe de ambitie in EPC in de ander te vertalen. Bij verdere concretisering van de plannen zal gewerkt gaan worden met energie-eisen en ambities in de termen die de BENG gebruikt. Verder geldt dat toepassing van conventionele koel- of verwarmingsinstallaties zoals HR ketels, (traditionele) elektrische boilers en conventionele koelmachines niet is toegestaan. Ook lokale biomassa gestookte stookinstallaties (o.a. pellet kachel) zijn niet toegestaan in verband met de negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Er zullen geen nieuwe aansluitingen op gas worden gerealiseerd en uit oogpunt van de gebiedsontwikkeling wordt het bestaande netwerk bij voorkeur zo spoedig mogelijk afgebouwd. Er lopen daarnaast ook al leidingen van het stadswarmtenet door de wijk. De Klaprozenbuurt valt onder de concessie Noord voor aansluiting op stadswarmte en koude. Op grond van motie 1404 uit 2017 streeft de gemeente tegelijkertijd naar toepassing van lage-temperatuur warmtesystemen en de inzet van lokale duurzame bronnen. Mogelijk kan in de Klaprozenbuurt gebruik gemaakt worden van warmte en koude uit het IJ. Dit wordt de komende periode verder onderzocht. De gebouwen dienen in ieder geval voorbereid te zijn op gebruik van lage temperatuur warmte.

Duurzame energie wordt (afgezien van stadswarmte) op het kavel opgewekt. Mede daarom dient de oriëntatie van gebouwen goed te zijn en is het van belang dat de daken optimaal geschikt te worden gemaakt voor opwekken van zonne-energie. Dat houdt ook in dat rekening gehouden wordt met beschaduwing. Naast zonne-energie kunnen de daken echter ook voor waterberging en het toevoegen van een ecologische meerwaarde worden gebruikt. Bij zonnepanelen in gevels dient extra aandacht besteed te worden aan de architectonische integratie. Circulair Bouwen In 2050 wil Amsterdam volledig circulair zijn. Vanwege de omvang van materieelgebruik in de bouw van gebouwen en wegen, is de bouwketen een van de twee ketens waar Amsterdam op focust bij het circulair maken van de stedelijke economie. Bij circulair bouwen worden materialen gebruikt die bij de productie een zo laag mogelijke milieu-impact hebben en voor gelijkwaardige toepassingen herbruikbaar zijn. Nog beter is het gebruik van gerecyclede materialen. Er zal een inventarisatie gemaakt worden van de grondstoffen die op dit moment in de buurt aanwezig zijn en vrijkomen bij sloop en herinrichting van

Gemeente Amsterdam

blz. 50

de openbare ruimte. Als vervolg hierop zal gekeken worden in hoeverre deze grondstoffen opnieuw gebruikt kunnen worden, bij voorkeur in het gebied zelf. Hout dat wordt gebruikt is aantoonbaar afkomstig van bossen die beheerd worden volgens de eisen van het FSC. Amsterdam heeft hiertoe in 2012 het FSC convenant getekend. Voor Noord zijn in het programma Circulair Buiksloterham en Noord een maximum MPG van 0,8 €/m2 een ambitie van 0,5 €/m2 vastgesteld. Hierbij hoeven zonnepanelen niet te worden meegeteld. Om uitwisseling van materialen en recycling beter mogelijk te maken, krijgen alle nieuwe gebouwen een materialenpaspoort, op te stellen door de ontwikkelende partij. Om gebouwen beter toekomstbestendig te maken wordt zo veel mogelijk demontabel en flexibel gebouwd. Dat laatste houdt in dat het mogelijk is in de toekomst gebouwen voor andere functies te gebruiken. Demontabel wil zeggen dat de gebruikte materialen bij sloop of renovatie goed van elkaar te scheiden en daardoor goed herbruikbaar zijn. Om vervuiling van het oppervlaktewater tegen te gaan worden geen uitlogende materalen zoals lood, koper en zink gebruikt aan de buitenzijde van gebouwen. Bodem Gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans (circulair).

Onderzocht wordt of kan worden aangesloten op het raamsaneringsplan dat in Buiksloterham wordt uitgewerkt, zodat verontreinigde grond die vrijkomt uit saneringsspots of vanwege grondverbetering dicht bij kan worden verwerkt in landaanwinningen. Ook wordt onderzocht of het zand dat vrijkomt bij het afgraven van de dijk kan worden verwerkt als schone goed doorlatende leeflaag in de woonstraten. Schone lucht Vuile lucht is een sluipmoordenaar. Het is na roken, ongezonde voeding en gebrek aan beweging het vierde gezondheidsrisico in Amsterdam. Daarom heeft het college het actieplan Schone Lucht opgesteld. In 2030 wil Amsterdam alleen nog maar uitstootvrije voertuigen toelaten. Naast regelgeving zijn daar ook voldoende voorzieningen voor elektrisch laden voor nodig. De Klaprozenbuurt wordt daarom voorbereid op elektrisch vervoer. Dat betekent dat bij realisatie al bij minimaal 10% van de parkeerplekken in de openbare ruimte en algemeen toegankelijke parkeergarages elektrisch kan worden geladen. Afhankelijk van de vraag naar elektrisch laden wordt op termijn het aantal laadplekken verder uitgebreid. Alle parkeergarages worden voorbereid op 100% elektrisch laden. Dat betekent dat er minimaal loze leidingen liggen en ruimte is voor een regelinstallatie. Bij VvE's maakt het reglement elektrisch laden mogelijk.

Dit moet er toe leiden dat kopers en huurders met een vaste parkeerplaats op ieder moment eenvoudig een laadpunt kunnen aanvragen. Zie ook de Richtlijn voorbereiding laadpunten in nieuw te bouwen of grondig te renoveren parkeervoorzieningen (2018). Deeloplossingen voor mobiliteit worden aangemoedigd bij herontwikkelingsgebieden. Onderzocht wordt of er een mobility hub op de Klaprozenweg kan komen. Klimaatadaptatie De voorspellingen voor de toekomst zijn dat het weer extremer wordt. De zomers worden warmer en mogelijk droger en de winters zachter en natter. Buien worden heviger en hevige buien komen vaker voor. In het extremer wordende klimaat en door de verder verdichtende stad is een extra inspanning nodig o.a. om de stad hemelwaterbestendig te maken en schade te voorkomen. Er wordt bij de inrichting van de buitenruimte (privaat en publiek) rekening worden gehouden met het tijdelijk opvangen van extreme buien. In paragraaf 7.8 onder het kopje hemelwater wordt hier verder op ingegaan. Alhoewel de gevolgen van hevige neerslag groot kunnen zijn, zullen toekomstige stadsbewoners naar

bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 51

verwachting het meest last hebben van zogenaamde hittestress. Het beste middel tegen hittestress is veel groen in de buurt. Wat dat betreft kan er nooit te veel groen in de wijk zijn. Afval De gemeente Amsterdam streeft ernaar om afval zoveel mogelijk bij de bron te scheiden. De essentie van het beleid is dat bewoners hun glas, papier, en plastic dichtbij de woning kwijt kunnen in ondergrondse containers, en dan nog resterende afval elders in de wijk kunnen brengen. In principe worden ondergrondse containers geplaatst. Bij de locatiekeuze voor de containers wordt rekening gehouden met maximale loopafstanden en ondergrondse mogelijkheden. Het totaal aantal containers wordt als volgt bepaald: Restafval: 1 container per 150 huishoudens GFT: 1 container per 80 huishoudens Papier: 1 container per 150 huishoudens Glas: 1 container per 500 huishoudens Textiel: 1 container per 750 huishoudens Grote milieuwinst kan behaald worden met apart inzamelen van groente, fruit en etensresten (GFE). De gemeente Amsterdam zamelt deze fractie momenteel nog niet apart in. In de naastgelegen buurt Buiksloterham gaat echter wel GFE apart ingezameld worden, al is nog niet precies duidelijk op welke wijze. Voor de Klaprozenbuurt kan mogelijk aangesloten worden bij deze ontwikkeling.

5.11

Externe veiliheid

5.11.1 Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.

Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens. Gemeente Amsterdam

blz. 52

In het plangebied bevindt zich een LPG-tankstation. Verder loopt er ook een transportleiding aardgas door het gebied naar twee gasdrukregelstations. Hieronder worden de risico's van deze activiteiten voor de omgeving omschreven. 5.11.2 Beleid en regelgeving 5.11.2.1

Beleid externe veiligheid

Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. 5.11.2.2

Risicovolle inrichtingen

Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. 5.11.2.3

Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren

De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te bestemmingsplan_Klaprozenbuurt 2 (vastgesteld)

blz. 53

verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening. Op basis van de Circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Voor het GR geldt op basis van de Circulaire voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht in de gevallen van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Desondanks kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording voor het groepsrisico ook buiten deze 200 meter op zijn plaats zijn, met eventuele beperkingen, zoals bijvoorbeeld in de sfeer van maatregelen die de zelfredzaamheid van de bevolking bevorderen. 5.11.2.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16220819/1