3. IJburg 2e fase - Strandeiland_Toelichtingklein.pdf
Tekst van het document
In het voorliggende bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden en wordt invulling gegeven aan de eerder gemaakte keuzes. 3.1.5
Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM)
3.1.5
Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM)
Op vele manieren wordt door Rijk en de regio samengewerkt aan een sterke en duurzame regio, die internationaal concurrerend is en waar het goed werken en wonen is. In 2013 is de Structuurvisie Amsterdam - Almere - Markermeer vastgesteld. Hierin wordt de opgave van het mogelijk maken van de drievoudige ambitie op het gebied van verstedelijking, natuur en recreatie in het gebied Amsterdam Almere - Markermeer, uitgewerkt. In RRAAM wordt middels een organische ontwikkeling toegewerkt naar het toekomstperspectief zoals beschreven in de Rijksstructuurvisie. Het plangebied bestaat uit het gebied waarop de opgaven, de keuzes en de aanpak uit de Rijksstructuurvisie betrekking hebben. Concreet gaat het om een gebied dat de volgende elementen omvat: de bestaande stad Almere en de in Almere (verder) te ontwikkelen locaties (Oosterwold, Centrum Weerwater (inclusief Floriade) en Pampus); de weg- en spoorcorridor tussen Almere en Amsterdam (inclusief de aansluiting op het Amsterdamse infrastructuurnetwerk); het Markermeer en het IJmeer. Woningbehoefte onderzoek laat zien dat ondanks de huidige situatie op de woningmarkt de vraag naar woningen in de Noordvleugel tot 2040 zeer groot zal zijn: circa 440.000 extra woningen. De vraag naar woonmilieus is gedifferentieerd: van hoogstedelijk tot landelijk, maar kent ook twee duidelijke ‘toppen’.
Zo bestaat er ten eerste een grote vraag naar centrumstedelijke woonmilieus en ten tweede naar groenstedelijke woonmilieus. In grote delen van de Noordvleugel zijn de mogelijkheden voor woningbouw beperkt. Binnen het westelijk deel van de regio komt dit vanwege de ruimte die de Mainport Schiphol, de Greenports en de Amsterdamse haven vragen en gebruiken.
bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 59
Kaart 1 Toekomstperspectief 'Amsterdam-Almere-Markermeer', bron: Rijksstructuurvisie Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer Om de agglomeratiekracht en daarmee de internationale concurrentiepositie van de Noordvleugel te versterken, is het in lijn met de Gebiedsagenda Noord-Holland, Utrecht en Flevoland de opgave om zoveel mogelijk woningen in bestaand stedelijk gebied in de regio’s Amsterdam, Utrecht en Amersfoort en langs bestaande infrastructuurcorridors te bouwen op de as Haarlemmermeer-Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad. Aanvullende verstedelijkingslocaties worden in de directe nabijheid daarvan gezocht.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
Relevantie voor het plangebied Het toevoegen van de geprognosticeerde vraag naar woningen in de Noordvleugel tot 2040 (440.000 woningen) vereist meerdere bouwlocaties. Het grootste gedeelte van de woningen wordt ontwikkeld in bestaand stedelijk gebied, door bestaande wijken in de stad te verdichten en te herstructureren en kantoor- en bedrijvenlocaties te transformeren. De gemeente Amsterdam heeft bijvoorbeeld het voornemen 70.000 woningen binnenstedelijk te realiseren. ZaanIJ is één van deze projecten. Ook de regio’s Utrecht en Amersfoort hebben de ambitie om zoveel mogelijk, liefst twee derde van de woningopgave, in bestaand gebouwd gebied tot stand te brengen. Bestaande cultuurlandschappen en natuurgebieden zoals de Heuvelrug, het Groene Hart en Waterland worden hiermee gespaard. Om in de vraag naar woningen te voldoen, zullen echter nieuwe uitleglocaties nodig blijven. Strandeiland als onderdeel van IJburg tweede fase is als één van deze uitleglocaties aangewezen. De ontwikkeling van Strandeiland staat de uitvoering van de gemaakte afspraken en opgaven die uit het RRAAM voortkomen niet in de weg. In tegendeel: met de realisatie van 8.000 woningen wordt de vraag naar woningen in de Noordvleugel juist invulling gegeven aan het verstedelijkingsprogramma dat in het kader van het RRAAM is opgesteld.
Verder is op kaart 1 'Toekomstperspectief' te zien dat er een gebiedsbegrenzing voor de toekomstige IJmeerverbinding is opgenomen. De Noordvleugel van de Randstad is nationaal gezien één van de belangrijkste economische motoren. Het toekomstperspectief is een sterke internationaal concurrerende regio, waarin een aantrekkelijk vestigingsklimaat wordt gecreëerd met een goede bereikbaarheid en unieke natuur- en recreatiegebieden in en rond het Markermeer-IJmeer. De gezamenlijke ambitie is om een regionaal metroachtig systeem - de IJmeerverbinding - te realiseren dat tussen Almere Centrum en Amsterdam Zuid loopt. Over de exacte invulling en vormgeving zijn de partijen nog in overleg. In het voorliggende bestemmingsplan wordt met deze mogelijke verbinding rekening gehouden en niet onmogelijk gemaakt. 3.1.6
Wet luchtvaart
De Wet Luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. Voor Schiphol is in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) geregeld welk gebied bestemd is voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daaromheen beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Het LIB geeft regels voor gebruik en bestemming van de grond in deze gebieden. In het Luchtverkeer wordt hier uitgebreid op in gegaan. 3.1.7
Regeling vervoer over de binnenwateren (van gevaarlijke stoffen)
Naast de algemene regeling van het Barro zijn rond ligplaatsen voor schepen geladen met gevaarlijke stoffen uit hoofde van het ADN (het verdrag voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Rijn-Donaugebied met rechtskracht in Nederland via de Wet vervoer gevaarlijke stoffen), Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Richtlijn Vaarwegen 2020 en het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van toepassing. Aan te houden afstanden tot aaneengesloten woongebieden en kunstwerken zijn afhankelijk van de soort stoffen (brandbaar, toxisch, explosief), de seinvoering van de schepen (1, 2 of 3 blauwe kegels) en de aard van het te beschermen object (woongebieden, kunstwerken, opslagtanks met gas of brandbare vloeistof). Wanneer een seinvoerend schip ligplaats neemt gelden de in de regelingen opgenomen aan te houden afstanden. Doel van de zoneringsafstanden is het beschermen van de genoemde objecten tegen de effecten van een scenario waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. Bij schepen met een seinvoering van één blauwe kegel geldt vanwege brandgevaar een aan te houden afstand tot (aaneengesloten) woongebieden en kunstwerken van 100 meter. Schepen die 1 kegel bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 61
voeren, vervoeren brandbare stoffen. Dit kunnen gassen, vloeistoffen of vaste stoffen zijn en zowel tankers als droge lading schepen. Voor schepen met een seinvoering met twee of meer blauwe kegels gelden grotere aan te houden afstanden. De bevoegde autoriteit kan met het oog op de plaatselijke omstandigheden kleinere afstanden toelaten. In dit geval is de bevoegde autoriteit Rijkswaterstaat (vanaf de zuidpunt van de wachtsteiger aan de noordwestzijde van het Zeeburgereiland richting zuid is de hoofdvaarweg Rijkswater). De Richtlijn Vaarwegen (2017) bevat regels voor de veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer. De richtlijn bevat onder andere bepalingen over de klassen van vaarwegen (CEMT), diepgang, doorvaarthoogte, profielen van watergangen en zichtlijnen. Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) bevat de verkeersregels voor de Nederlandse binnenwateren. Zo staan hierin de borden en overige verkeerstekens vermeld, de te voeren verlichting, tekens en geluidsseinen voor vaartuigen, en de voorrangs- en uitwijkregels op het water. Het BPR geldt voor iedereen en voor elk vaartuig, zowel voor de beroepsvaart als voor de recreatievaart (inclusief roeiboten en surfplanken). Op grond van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement is het BPR geldig op de openbare wateren van het Rijk die voor scheepvaart openstaan, met uitzondering van enkele vaarwegen.
Het BPR bevat tevens regels voor het innemen van een ligplaats (ankeren en meren) in het water. Relevantie voor het plangebied Uit Externe veiligheid blijkt dat er in het plangebied geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ook worden geen nieuwe routes waarbij gevaarlijke stoffen worden vervoerd mogelijk gemaakt. Externe veiligheidsaspecten komen in datzelfde hoofdstuk uitgebreid aan bod. 3.1.8
Dienstenrichtlijn
Gemeenten moeten bestemmingsplannen toetsen aan de Dienstenrichtlijn. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) hebben hiervoor, in nauwe samenwerking met het IPO en de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten), een handreiking ontwikkeld. Op 30 januari 2018 heeft het Europese Hof van Justitie een uitspraak gedaan in de zaak Visser Vastgoed Beleggingen (ECLI:EU:C:2018:44). Uit deze uitspraak volgt dat élke gemeente vestigingsbeperkingen voor detailhandelslocaties moet toetsen aan de Dienstenrichtlijn en daarbij (opnieuw) moet motiveren waarom voor deze beperkingen is gekozen. Het gaat daarbij over beperkingen van: branche; maatvoering (minimum- of maximummaat); het aantal vestigingen (per branche); het assortiment. Ook beperkingen voor (de vestiging van) horeca, recreatie en leisure vallen onder de werking van de Dienstenrichtlijn. Artikel 15, lid 3 van de Dienstenrichtlijn luidt als volgt: De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: a. discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel; b. noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; Gemeente Amsterdam
blz. 62
c. evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. Aan alle drie de voorwaarden moet worden voldaan. Uit de rechtspraak blijkt dat ook ruimtelijke voorschriften die slechts een geringe beperking betekenen voor de toegang tot of het uitoefenen van dienstenactiviteiten, een territoriale of kwantitatieve beperking kunnen zijn in de zin van artikel 15 lid 2 onder a Dienstenrichtlijn. Relevantie voor het plangebied De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op beperkingen die in het bestemmingsplan worden gesteld aan diensten. Voor Strandeiland zijn dat detailhandel en horeca. De beperkende bestemmingsplaneisen moeten getoetst worden aan artikel 15 van de Dienstenrichtlijn. De drie in artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn opgesomde voorwaarden op grond waarvan brancheringsregelingen (als eis die een beperking inhoudt van de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten) en oppervlaktemaatregelen kunnen worden gerechtvaardigd, zijn cumulatief bedoeld. Aan alle drie voorwaarden moet zijn voldaan. Horeca Ad.
1 In de bestemmingsplanregeling voor horeca op Strandeiland en andere daaraan gestelde ruimtelijke voorschriften wordt geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, naar de plaats van hun statutaire zetel gemaakt. De voorschriften in het bestemmingsplan gelden voor eenieder en maken geen onderscheid dat kan leiden tot strijd met het discriminatieverbod. Ad. 2 Het bestemmingsplan Strandeiland is opgesteld om een nieuw stuk stad in Amsterdam mogelijk te maken. Voornaamste opgave daarbij is het realiseren van woningen. Het maximum aantal horecazaken dat mogelijk wordt gemaakt, is passend bij het aantal bewoners van Strandeiland, de ligging en eventuele aantrekkingskracht van buiten (zie Onderzoek programma detailhandel en horeca). Regulering is noodzakelijk om te kunnen sturen op overlast en bescherming van het woon- en leefklimaat. Alle gestelde voorwaarden met betrekking tot het aantal horecavestigingen van een bepaalde categorie, het maximumaantal vestigingen per bouwblok en het maximum vloeroppervlak van de horecavestigingen zijn hierop gericht. Vrije vestiging van horecazaken kan leiden tot overlast. Daarbij spelen het aantal horecazaken, de categorie (fastfood, café, restaurant, discotheek), de grootte van de vestigingen en een clustering van vestigingen een belangrijke rol.
De bestemmingsplanregeling voor horeca op Strandeiland draagt hiermee bij aan een aantrekkelijk voorzieningenniveau, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en streeft naar zorgvuldig ruimtegebruik. Ad. 3 De bestemmingsplanregeling voor horeca is geschikt en effectief om het beoogde doel van een aantrekkelijk voorzieningenniveau op Strandeiland met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, mee te bereiken. De beperkingen die aan de vestiging van horeca worden gesteld gaan niet verder dan nodig. Alleen met het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium kan de toedeling van functies aan locaties worden geregeld. Minder beperkende maatregelen om dit bereiken zijn niet voor handen. Detailhandel
bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 63
Ad. 1 In de bestemmingsplanregeling voor detailhandel op Strandeiland wordt geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, naar de plaats van hun statutaire zetel gemaakt. De voorschriften in het bestemmingsplan gelden voor eenieder en maken geen onderscheid dat kan leiden tot strijd met het discriminatieverbod. Ad. 2 Het bestemmingsplan Strandeiland is opgesteld om een nieuwe stuk stad in Amsterdam mogelijk te maken. Voornaamste opgave daarbij is het realiseren en van woningen. Daarbij is gekeken naar een passen voorzieningenniveau voor een buurt met de kenmerken van Strandeiland op basis van onder andere inwoneraantal, ligging en bereikbaarheid (verwijzen naar onderzoek DTNP). Regulering is noodzakelijk voor een concentratie van functies die elkaar kunnen versterken en van elkaar bezoekers kunnen profiteren. Vrije vestiging van detailhandelsvestigingen kan leiden tot een minder aantrekkelijk voorzieningencentrum, leegstand en daarmee een minder aantrekkelijke leefomgeving. De bestemmingsplanregeling voor detailhandel op Strandeiland draagt hiermee bij aan een aantrekkelijk voorzieningenniveau, voorkomen van leegstand, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en streeft naar zorgvuldig ruimtegebruik. Ad.
3 De bestemmingsplanregeling voor detailhandel is geschikt en effectief om het beoogde doel van een aantrekkelijk voorzieningenniveau op Strandeiland met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, mee te bereiken. De beperkingen die aan de vestiging van detailhandel worden gesteld gaan niet verder dan nodig. Alleen met het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium kan de toedeling van functies aan locaties worden geregeld. Minder beperkende maatregelen om dit bereiken zijn niet voor handen. Conclusie Van toepassing op beperkingen die in het bestemmingsplan worden gesteld aan diensten. Voor Strandeiland zijn dat detailhandel en horeca. Uit het bovenstaande blijkt dat de beperkende bestemmingsplaneisen met betrekking tot detailhandel en horeca voldoen aan de in artikel 15, lid 3 van de dienstenrichtlijn gestelde voorwaarden wordt voldaan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050 (2018)
Op 19 november 2018 heeft de Provincie Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' vastgesteld. Zoals de titel al doet vermoeden wil de Provincie met de Omgevingsvisie voor een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid zorgen zodat toekomstige generaties het welvaarts-en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau kunnen houden. De provinciale visiedocumenten op het gebied van water, verkeer en vervoer, wonen, milieu, natuur, landschap en cultuur zijn met vaststelling van de omgevingsvisie vervangen door één provinciale omgevingsvisie. Voor het plangebied geldt geen specifieke wateropgave. Met de waterbelangen wordt bij de planontwikkeling integraal rekening gehouden; zie ook Hoofdstuk Water en bodem. Om een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving te kunnen borgen, hanteert de Provincie twee basisrandvoorwaarden die volgen uit Europese/Nationale regelgeving en gaan over gezondheid, veiligheid
Gemeente Amsterdam
blz. 64
en klimaatadaptatie. Daarnaast gelden vier generieke ontwikkelprincipes. De basisvoorwaarden luiden als volgt: 1. Overal wordt voldaan aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier; 2. Alle nieuwe ruimtelijke (her)ontwikkelingen doorlopen een klimaatstresstest. waarbij de volgende ontwikkelprincipes worden gehanteerd: 1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap; 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief; 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie en data-knooppunten; 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. De Omgevingsvisie NH2050 kent ambities en doelstellingen op verschillende thema's: Leefomgeving a. Klimaatverandering: ontwikkelen en inrichten van een klimaatbestendig en waterrobuuste stad, land en infrastructuur; b. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; c. Biodiversiteit en natuur: ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten. Gebruik van de leefomgeving a.
Economische transitie: ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. We bieden daarom ruimte aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. b. Wonen en Werken: ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. c. Mobiliteit: ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. d. Landschap: ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Energietransitie De provincie heeft ten slotte de ambitie dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en is gebaseerd op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. Daarvoor biedt de provincie ruimte aan de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Rekening houdend met de ambities voor verstedelijking en landschap.
De provincie monitoort de ontwikkeling van de energievraag, het aandeel duurzame energie en de hoogte van de CO2-uitstoot. Dynamisch schiereiland Om meer ontwikkelingen in en gebruik van alle kustgebieden, zoals het IJsselmeergebied, te kunnen opvangen, moet het systeem volgens de provincie ecologisch robuuster worden. Het is wenselijk om hierbij verder te kijken dan de grenzen van natuurregimes die nu gelden. Ook de (natte) kustlandschappen aan de randen, in het IJsselmeergebied en de binnenduinrand, kunnen bijdragen aan het realiseren van deze opgave. Ecologische verbindingen in de kustgebieden van de grote wateren
bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 65
(land- en waterzijde) worden behouden en aangevuld. Naast deze verbindingen tussen de wateren en het land werkt de provincie aan de verbetering van de ecologische kwaliteit van de verbindingen tussen de grote wateren, zoals Markermeer, IJsselmeer en Waddenzee. Randvoorwaarden voor deze ambities zijn de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het IJsselmeergebied als strategische zoetwatervoorraad voor drinkwater, landbouw en andere functies. Kritische succesfactoren hiervoor zijn de extra inzet op KRW, de waterkwaliteit in relatie tot voedingsstoffen (beschikbaarheid van waterplanten) en temperatuurstijging van het water, handhaving van de milieunormen, ook in de randgebieden en een slimme combinatie van functies, zoals natuurontwikkeling, waterveiligheid, waterberging, recreatie en landbouw. Metropool in ontwikkeling
Wereldwijd vindt verstedelijking plaats. In een aantal gevallen leidt dit tot de ontwikkeling van metropolen. In Noord-Holland ontwikkelt zich een metropool rond Amsterdam. Het gaat hier om een stedelijk systeem van grotere en kleinere kernen, met Amsterdam als hoogstedelijke kernstad, een landschap met hoge gebruiks- en belevingswaarde, (stads)landbouw, een multimodale bereikbaarheid, een havengebied met energietransitie en circulaire economie als dragers en Schiphol als internationale hub. De ontwikkeling komt tot uiting door een snel groeiend aantal inwoners, arbeidsplaatsen en bezoekers, leidend tot een tendens van clustering van economische functies. In het Noordzeekanaalgebied is er een concentratie van werkgelegenheid van direct en indirect aan de haven gerelateerde activiteiten. Daarnaast concentreren zich grote aantallen arbeidsplaatsen op een aantal locaties in een zone van de Amsterdamse binnenstad tot net ten zuiden van Schiphol. Daarbij is het wenselijk om, vanuit het beperken van woon-werkafstanden en daarbij horende mobiliteitsinvesteringen, nieuwe woningen zo dicht mogelijk bij de grote werkconcentraties te realiseren, waar mogelijk in gemengde woon-werkmilieus. De metropolitane ontwikkeling is goed voor de economie, welvaart en internationale concurrentiepositie van Nederland.
De metropool in ontwikkeling kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan steden, dorpen en deelregio’s, met specifieke identiteiten en kwaliteiten. Al deze kernen liggen in een grote diversiteit aan landschappen. Deze landschappen in en om de metropool zijn van groot belang als groene longen en vestigingsfactor. De kracht van de metropool zit hem in het feit dat kernen, regio’s en gebieden een sterke eigen identiteit behouden, terwijl het geheel in steeds sterkere mate als één dailyurban system functioneert. Binnen de metropool fnctioneert sinds 2007 het samenwerkingsverband Metropoolregio Amsterdam (MRA). Gemeente Amsterdam
blz. 66
De metropolitane ontwikkeling brengt grote opgaven met zich mee. Er ligt een zware druk op tal van kwaliteiten, zowel binnen de kernen als in de omringende landschappen. Het is zaak de basiskwaliteit voor gezondheid en veiligheid te behouden. En dat vergt inspanningen, in de wetenschap dat een metropool zonder hinder niet bestaat. Een zorgvuldig gebruik en verdeling van de schaarse ruimte is van belang. De provincie kiest voor het behouden van het metropolitane landschap, maar met toevoeging of verandering van functies. De provincie probeert daar milieuruimte voor bedrijvigheid te waarborgen, maar wel met duidelijke grenzen. In de drukker wordende metropool zijn het landschap en zijn gebruiksmogelijkheden van toenemend belang. Voor de leefbaarheid, maar ook om aantrekkelijk te blijven als vestigingsplaats. Om het landschap te sparen, kiest de provincie daarom primair voor verdichting van de bestaande kernen. Samen met enkele uitleglocaties, die al langere tijd op ons netvlies staan. Strandeiland is als onderdeel van IJburg fase 2 één van deze aangewezen uitleglocaties. De provincie stuurt daarbij niet alleen op kwantiteit, maar ook op kwaliteit (diversiteit qua woonmilieu, woningtype, -grootte en prijs) om de metropool in sociaal opzicht inclusief te houden. De Metropool moet ook in de toekomst een Metropool voor iedereen zijn.
We verdichten op goed bereikbare plekken, zoals nabij knooppunten van openbaar vervoer. Met de ontwikkeling van de metropool wordt het versterken van het metropolitane landschap steeds belangrijker. Dit landschap kent gebieden als Laag Holland, Markermeer en IJmeer (het ‘waterpark’ van de metropool, in relatie tot ontwikkelingen als Markerwadden en Nationaal Park Nieuwland), Gooi en Vechtstreek, Amstelscheg en natuurlijk de kust. Recreatie, natuur en voedselproductie hebben hier een plek, waarbij het landschap soms in verschijningsvorm zal veranderen. Het tegengaan van de bodemdaling in veenweidegebieden vormt eveneens een belangrijke reden voor verandering van het gebruik van het landschap. De samenhang tussen verstedelijkings-, mobiliteits-, (lucht)haven- en landschappelijke ontwikkelingen leidt tot een versterking van de agglomeratiekracht, die cruciaal is om de metropool in ontwikkeling ook naar de toekomst toe succesvol te laten zijn. Conclusie De ontwikkeling van Strandeiland leidt tot een versterking van de agglomeratiekracht, waarbij naar samenhang en balans tussen verstedelijking, het mobiliteitssysteem en landschappelijke ontwikkeling is gezocht. In de paragrafen 3.4.2, 7.2.1, Hoofdstuk 15 worden deze onderdelen toegelicht. Verder wil de Gemeente Amsterdam koploper zijn op het gebied van duurzaamheid.
Het Amsterdamse duurzaamheidsbeleid voor gebiedsontwikkeling bestaat uit de volgende pijlers: duurzame energie, klimaatbestendige stad, circulaire economie en schone lucht. Deze pijlers zijn meegenomen in de ontwikkeling van een duurzaam Strandeiland. Al met al kan worden geconcludeerd dat aan de provinciale ambities en doelstellingen die uit de Omgevingsvisie voortvloeien, volop invulling wordt gegeven. In de navolgende paragrafen en hoofdstukken wordt nader ingegaan op verschillende milieu- en omgevingsaspecten en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 67
3.2.2
Omgevingsverordening NH2020
Op 22 oktober 2020 hebben Gedeputeerde Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie NH2050 (2018) zijn in de Omgevingsverordening Noord-Holland verankerd. De verordening vervangt daarmee alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Volgens kaart 2 'Werkgebieden' wordt het plangebied van Strandeiland aangemerkt als 'MRA-gebied' (thema: energie), Natura 2000-bufferzone (thema: Natura 2000-gebieden) en voor een klein deel als 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'.
Uitsnede kaart Ontwerp Omgevingsverordening NH2020 Woningbouw en MRA-gebied Nieuwbouw in het landelijk gebied is onder de huidige regelgeving slechts onder zeer strenge voorwaarden mogelijk. De nieuwe omgevingsverordening geeft een verruiming in de mogelijkheden om te bouwen buiten het bestaand stedelijk gebied in Noord-Holland Noord. Kleinschalige woningbouw van elf woningen wordt door de nieuwe verordening mogelijk gemaakt aan de rand van kernen of linten binnen het landelijk gebied. De versoepeling voor kleinschalige woningbouwontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied geldt echter niet voor de Metropool Regio Amsterdam. De provincie wil binnen deze regio geen afname van het landelijk gebied en hanteert als uitgangspunt dat voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen altijd een plek is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. De nieuwe omgevingsverordening geeft meer ruimte voor windturbines binnen de MRA. Strandeiland maakt geen onderdeel uit van het door de provincie aangemerkte landelijke gebied. Wel wordt het plangebied aangeduid als 'MRA-gebied'. De omgevingsverordening bevat regels met het oog op het mogelijk maken van windturbines binnen de MRA vooruitlopend op de Regionale Energie Strategieën en met het oog op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van windturbines.
Volgens artikel 6.22 van de omgevingsverordening is het bouwen (of opschalen) van een of meer Gemeente Amsterdam
blz. 68
windturbines ter plaatse van het MRA-gebied niet toegestaan. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen windturbines mogelijk en voorziet hier ook niet in. Wel is in Artikel 33 Algemene afwijkingsregels een binnenplanse mogelijkheid opgenomen waarbij het college onder voorwaarden een overschrijding van de maximum bouwhoogtes ten behoeve van kleinschalige, gebouwgebonden windturbines kan toestaan. Natura 2000-bufferzone Op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming hebben provinciale staten de bevoegdheid om een verordening vast te stellen op grond waarvan het verbod om zonder vergunning handelingen te verrichten die de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren, niet van toepassing is op aangewezen categorieën van handelingen. De ontwikkeling van Strandeiland heeft te maken met een naast het plangebied aanwezig Natura 2000-gebied Merkermeer & IJmeer. In Hoofdstuk 15 Natuur en Landschap wordt de wijze waarop de beoogde ontwikkeling van Strandeiland invloed heeft op het beschermingsgebied omschreven. Tevens wordt in datzelfde hoofdstuk toegelicht hoe het beschermingsregime in het voorliggende bestemmingsplan is vormgegeven (bijvoorbeeld door vaarverboden en emissievrij varen). Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde UNESCO is de culturele organisatie van de Verenigde Naties.
Het doel is om cultureel- en natuurlijk erfgoed van unieke en universele waarde beter te kunnen bewaren voor de toekomst. Het werelderfgoedverdrag is ondertekend door 193 lidstaten. Nederland heeft 10 van deze werelderfgoederen. De provincie Noord-Holland biedt met deze verordening bescherming aan: de Beemster, Stelling van Amsterdam en Nieuwe Hollandse Waterlinie. Een deel van het plangebied valt op grond van artikel 2.13.2, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in een gebied dat aangewezen wordt als erfgoed van uitzonderlijke universele waarde: De Stelling van Amsterdam. Volgens artikel 6.44 van de omgevingsverordening geldt dat een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde regels moet bevatten gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Ook mag het plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde uitsluitend in nieuwe activiteiten voorzien die de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid niet aantasten.
Dit onder voorbehoud dat er sprake is van groot openbaar belang zoals een grootschalige stadsontwikkelingslocatie en onder de voorwaarde dat er geen reële alternatieven zijn en voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten te mitigeren of te compenseren. Gedeputeerde Staten kunnen hier nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie plaatsvindt. Ter bescherming van de Stelling van Amsterdam is de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie (dubbelbestemming) opgenomen. Verder worden ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde de realisatie van windturbines en opstellingen voor zonne-energie uitgesloten, tenzij de gronden zijn bestemd voor of feitelijk in gebruik zijn als nutsvoorzieningen, weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit. Conclusie Volgens de ontwerp-omgevingsverordening worden delen van Strandeiland aangewezen als 'erfgoed van uitzonderlijke universele waarde' - de Stelling van Amsterdam. Ter bescherming van het nabij gelegen
bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 69
Natura 2000-gebied en de Stelling van Amsterdam zijn in het voorliggende bestemmingsplan maatregelen getroffen (zie Hoofdstuk 15 Natuur en Landschap en Hoofdstuk 10 Cultuurhistorie en archeologie). Daarnaast zijn volgens de provinciale omgevingsverordening geen windturbines op Strandeiland toegestaan. Deze worden met het voorliggende bestemmingsplan ook niet mogelijk gemaakt. Kleinschalige gebouwgebonden windturbines zijn onder voorwaarden mogelijk. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de provinciale ontwerp-omgevingsverordening van Noord-Holland. 3.2.3
Woonagenda 2020-2025
De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De provincie Noord-Holland wil dat er de komende jaren veel betaalbare en duurzame woningen beschikbaar komen. Zij gaat gemeenten met raad en daad helpen om de flinke ambitie op het gebied van wonen waar te maken. Dat staat in de definitieve Woonagenda die is vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten. Versnellen woningbouw Er bestaat momenteel een grote vraag naar woningen, en er zijn gelukkig ook veel plannen. Bij sommige woningen zijn alle planologische producties doorlopen en deze kunnen meteen gebouwd worden. In de praktijk moeten nog wel een of meer complicaties worden opgelost voordat er gebouwd kan worden. De provincie richt zich daarbij in eerste instantie op de plannen die zijn vastgelegd in een bestemmingsplan met een relatief grote bouwopgave.
In tweede instantie kijkt de provincie naar plannen die nog moeten worden vastgelegd in een bestemmingsplan en, wat betreft productie. ook van betekenis zijn en die passen binnen landelijke en provinciale wet – en regelgeving. Samen met afzonderlijke gemeenten, Metropoolregio Amsterdam en Bouwend Nederland zet de provincie zich in om knelpunten weg te nemen en tot productie te komen via het uitvoeringsprogramma binnenstedelijk bouwen en versnellen woningbouw. Regionale afspraken wonen De provincie richt zich op bouwprojecten waar behoefte aan is. Vooral op de steden omdat daar de meeste mensen nu eenmaal graag wonen. Echter, de stad moet wel leefbaar en aantrekkelijk blijven, zodanig dat de ‘lucht niet uit de stad gehaald wordt’. Gemeenten maken regionale afspraken over woningbouw, die passen binnen de woningbehoefte en mogelijkheden. Er moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt wat de beste plek is om te gaan bouwen. Hierbij wordt onder andere ook rekening houden met bereikbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid, waterberging, natuur, ruimte. Duurzaamheid De provincie wil dat woningen in 2050 energieneutraal zijn. Om dat te bereiken stimuleert de provincie gemeenten om bij nieuwbouwwoningen af te stappen van aardgasverwarming en over te stappen op duurzame alternatieven. Noord-Hollandse gemeenten hebben hiervoor een intentieverklaring
Gemeente Amsterdam
blz. 70
ondertekend. Relevantie voor het plangebied De provinciale woonvisie is nader uitgewerkt door de Stadsregio Amsterdam. Hierin is onderzocht hoe de woningmarkt zich ontwikkelt en tot en met 2025 behoefte aan is. In de gemeentelijke Woonagenda 2025 en Koers 2025 'Ruimte voor de stad' wordt nader hierop ingegaan. Met het hoogstedelijk woonmilieu voor Strandeiland met voldoende ruimte voor verschillende voorzieningen wordt aangesloten bij de doelstellingen van het provinciaal beleid. Het plan biedt ruime mogelijkheden voor het toepassen van maatregelen op het gebied van duurzaamheid. Door gefaseerd te ontwikkelen kan worden aangesloten bij de actuele vraag uit de markt, waarbij geldt dat ook de gebouwen duurzaam worden ontworpen.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Metropoolregio Amsterdam
De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincie. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. 3.3.2
Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien
3.3.2
Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien
De Metropoolregio Amsterdam (MRA) heeft een krachtige en dynamische economie. Deze is gebaseerd op een brede en diverse structuur, een sterke internationale oriëntatie en een goede naam en faam. Het is de ambitie om de komende jaren te blijven behoren tot de selecte groep van European Global Business Gateways en daarmee de economische motorfunctie van Nederland te blijven vervullen. Dit betreft een hoog ambitieniveau dat een forse inspanning van alle partijen vergt om dit te bereiken. Eén van de voorwaarden om dit te realiseren is een excellent vestigingsmilieu. Een dergelijk vestigingsmilieu bestaat uit veel elementen – waarvan voldoende beschikbaarheid van kwalitatief goede werklocaties een belangrijke is. Met deze strategie wordt voldaan aan de afspraak met het Rijk om het Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020 regionaal uit te werken en te verankeren. Om te blijven behoren tot de top 5 van Europese metropoolregio’s is het van belang om een gezond evenwicht te creëren tussen vraag en aanbod van werklocaties. Het gaat daarbij niet alleen om de kwantiteit, maar vooral ook om de kwaliteit van werklocaties. Dit betekent een aanbod van voldoende, gedifferentieerde en toekomstbestendige werklocaties om aan alle uiteenlopende vestigingswensen van (potentiële) bedrijven tegemoet te komen.
Op deze wijze is de MRA in staat nieuwe werkgelegenheid aan te trekken en bestaande werkgelegenheid te behouden. De doelstelling van de Uitvoeringsstrategie voor werklocaties in de MRA is: “Het creëren van voldoende ruimte en kwaliteit van werklocaties (kantoren, bedrijventerreinen, bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 71
zeehaventerreinen) voor een evenwichtige economische ontwikkeling om daarmee een bijdrage te leveren aan de versterking van de (internationale) concurrentiepositie van de Metropoolregio en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven.” Monitoring en evaluatie Een goede monitoring van de nieuwe Platform Bedrijventerreinen en Kantorenlocaties (PlaBeKa-afspraken) is essentieel om te kunnen bepalen of alle partners hun afspraken nakomen, of de voorgestelde maatregelen werken en of het beleid het gewenste effect heeft. Door de monitor jaarlijks uit te voeren is bijsturing mogelijk van de ontwikkeling van bedrijventerreinen en kantorenlocaties aan de hand van marktontwikkelingen op regionaal niveau. Zo blijft een vraaggericht regionaal kantoren- en bedrijventerreinenbeleid gewaarborgd. Bovendien wordt ook duidelijk in hoeverre de ambities van een versnelling van de herstructurering van bedrijventerreinen en het transformeren van kantoren gehaald worden. Zacht-hard procedure Bij vaststelling van de Uitvoeringsstrategie is van alle plannen de hardheid bekend. Plannen die niet in de Uitvoeringsstrategie zijn opgenomen, worden aangemerkt als 'zacht'. Plannen waarvoor een bestemmingsplan geldt, worden als 'hard' aangemerkt. Het omzetten van een ‘zacht’ naar een ‘hard’ plan is in alle gevallen onderwerp van regionale afstemming.
Zo wordt een werkwijze gecreëerd waarmee expliciet een vinger aan de pols kan worden gehouden, opdat wordt voorkomen dat de vraag-aanbod-verhoudingen op deelregionaal of MRA-niveau onverantwoord (verder) uit evenwicht worden gebracht. Met deze procedure wordt bovendien de gemeentelijke autonomie gerespecteerd, terwijl tegelijkertijd het regionale belang in voldoende mate wordt geborgd. In praktische zin is gekozen om de daadwerkelijke afstemming te laten gebeuren voor plannen die groter zijn dan 10.000 m² BVO (kantoren) of 10 ha netto (bedrijventerrein). Procedure Voor het omzetten van zachte plannen in harde plannen, dient advies gevraagd te worden van Directeuren Overleg Platform Regionaal Economische Stimulering (DO PRES). Voor kleine plannen (<10.000 m² of <10 ha) hoeven gemeenten geen advies te vragen aan het DO PRES. In dat geval moet het DO PRES wel geïnformeerd worden. Relevantie voor het plangebied Volgens Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien is voor IJburg is tussen 2010 - 2040 een totaal van 40.000 m² bvo kantoorprogramma vastgelegd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt werkfuncties in vorm van flexwerklocaties met collectieve voorzieningen mogelijk. Op Strandeiland is voor maximaal 10.000 m² aan kantoorruimte gereserveerd. Deze behoefte is door middel van Kantorenstrategie 2017 en Kantorenplan 2019 - 2026 aangetoond.
Daarnaast biedt Strandeiland bedrijfsruimten met een overwegend lokale functie, zoals aannemers, schilders- en installatiebedrijven en kleinschalige bedrijfsruimte voor maken, onderhouden of opslaan een plaats. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt tevens het Warmte-energiegebouw, de WKO installatie en een travostation mogelijk gemaakt. Met het niet-woon programma wordt een bijdrage geleverd aan de economische structuur in de MRA. Conclusie Een advies van het Directeuren Overleg Platform Regionaal Economische Stimulering is gelet op de
Gemeente Amsterdam
blz. 72
opvang (<10.000 m² bvo kantoren) derhalve niet vereist. Wel het platform over het voorliggende plan te worden geïnformeerd. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voorliggende bestemmingsplan in lijn is met kantoorprogramma zoals vastgelegd in Uitvoeringsstrategie PlaBeKa 2010-2040: Snoeien om te kunnen bloeien. Tevens wordt met het beoogde niet-woon programma voor Strandeiland aan de doelstellingen van de Uitvoeringsstrategie voor werklocaties in de MRA voldaan. 3.3.3
Regionaal Actieprogramma Wonen 2016-2020 stadsregio Amsterdam
De provincie Noord-Holland heeft de gemeenten in de Stadsregio Amsterdam gevraagd gezamenlijk een Regionaal Actieprogramma Wonen (RAP) op te stellen voor de periode 2016 t/m 2020. Dit komt voort uit de provinciale Woonvisie uit 2010 waarin als doelstelling is opgenomen dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. Voor de eerste RAP-periode 2011 t/m 2015 hebben alle regio’s een RAP opgesteld. Aandachtspunten die de provincie benoemd heeft voor het RAP 2016-2020 zijn: Vraaggestuurd bouwen (zowel kwalitatief als kwantitatief); Binnenstedelijk bouwen en transformeren'; Betaalbaarheid/Sociale woningbouw (huur en koop); Wonen, zorg, welzijn en voorzieningen; Duurzaam Bouwen; (collectieve) zelfbouw; Demografische prognoses en cijfers over de woningbouwbehoeften; Inzicht in potentiële locaties binnen bestaand stedelijk gebied (bsg); OV-knooppunten; Het RAP dient ‘ladderproof’ te zijn (Ladder voor Duurzame Verstedelijking). De bestuurders zien een belangrijke opgave voor de samenwerking, toegespitst op drie thema’s. De achtergrond hierbij wordt verder toegelicht in de Samenwerkingsagenda Regionale Woningmarkt. Het eerste thema is de woningbouwproductie.
Levert de optelsom van alle lokale plannen bij elkaar het gewenste beeld op voor de ontwikkeling van de woningmarkt in de Metropoolregio? Zowel kwantitatief als naar type woonmilieu. Vanuit het perspectief van een aantrekkelijke en diverse woningmarkt en om bij te dragen aan de economische concurrentiepositie van de Metropoolregio. Maar ook om tegemoet te komen aan de kwalitatieve woningvraag van huishoudens. Aanvullend daarop hebben de bestuurders al eerder uitgesproken dat zij ondanks de hoge marktdruk in de regio ook aandacht willen houden voor de woningbehoefte van de lage en middeninkomens. Betaalbare Voorraad is daarom het tweede thema dat benoemd is als aandachtspunt voor de samenwerking. Tegelijkertijd constateren we dat de sociale huurwoningen, waarop de laagste inkomens aangewezen zijn, op dit moment een schaars goed zijn. In dat licht bespreken we met elkaar hoe we deze schaarse sociale huurwoningen willen verdelen. Woonruimteverdeling is het derde thema in de samenwerking. Voor de Stadsregio Amsterdam als totaal wordt de groei van de woningbehoefte in de periode 20152020 geraamd op circa. 45.000 woningen en voor de periode 2015-2025 op circa. 87.000 woningen. Dat komt neer op ruim 9.000 woningen per jaar. Relevantie voor het plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in maximaal 8.000 woningen en is daarmee in lijn met het regionale beleid.
Met de realisatie van dit aantal woningen kan Strandeiland een aanzienlijke bijdrage leveren aan de woningbehoefte die voor de komende jaren geraamd is.
bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 73
3.3.4
Stadsregio Amsterdam
De Stadsregio Amsterdam is een samenwerkingsverband van zestien gemeenten. De stadsregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling en heeft in dat kader een aantal beleidsnota's opgesteld. 3.3.4.1 Detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam De ambitie van de Stadsregio Amsterdam is om een dynamische en fijnmazige detailhandelsstructuur in de stadsregio Amsterdam te realiseren. Een belangrijk speerpunt van het regionaal detailhandelsbeleid is tot op heden altijd de keuze voor een fijnmazige detailhandelsstructuur geweest. Een fijnmazige detailhandelsstructuur zet de leefbaarheid centraal en gaat uit van de behoefte van inwoners om dichtbij huis -op aanvaardbare afstand- hun aankopen te kunnen doen. Behoud van een fijnmazige detailhandelsstructuur blijft een centraal uitgangspunt van het detailhandelsbeleid.
Dat impliceert dat afspraken nodig zijn die de huidige structuur in stand houden of verder versterken: vasthouden aan het op aanvaardbare afstand hebben van winkels in dagelijkse artikelen; vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van nieuwe (perifere) locaties waar (grootschalige) detailhandel is toegestaan; vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van brancheverruiming op bestaande perifere locaties; vasthouden aan het weren van foodretail of de verkoop van dagelijkse artikelen op bedrijventerreinen en perifere winkellocaties; versterking van bestaande winkelgebieden staat centraal; weidewinkels zijn niet toegestaan. Om deze ambitie te realiseren, zet de Stadsregio in op een aantal speerpunten: terughoudendheid in het toevoegen van nieuwe meters; meer ruimte voor kwaliteit; maatwerk op de perifere locaties; pro-actief acquisitiebeleid. Relevantie voor het plangebied Het voorliggende bestemmingsplan maakt 8.000 m² BVO detailhandel mogelijk. In paragraaf 3.4.5 wordt nader op dit aspect ingegaan.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Amsterdam 2050
Van Structuurvisie Amsterdam 2040 naar Omgevingsvisie Amsterdam 2050 De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, die elke overheid opstelt in het kader van de Omgevingswet. De ontwerp-omgevingsvisie heeft samen met het ontwerp-OmgevingsEffectRapport (OER) vanaf 21 januari 2021 zes weken ter inzage gelegen. De omgevingsvisie is samen met het OER op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040. Met vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad is de Structuurvisie
Gemeente Amsterdam
blz. 74
Amsterdam 2040 vervangen. Hierop zijn twee uitzonderingen, de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De Gemeente Amsterdam wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: richting geven aan groei; versnellen van transities; ruimte bieden aan initiatieven. De omgevingsvisie bouwt voort op eerder geformuleerde beleidsinzetten. In sommige paragrafen wordt derhalve nog verwezen naar de Structuurvisie Amsterdam 2040. Op een aantal punten formuleert de omgevingsvisie een aangepaste ruimtelijke koers. Die is gericht op het tegengaan van negatieve effecten op kansengelijkheid en leefbaarheid, op het verduurzamen van de stad en op herstel en vernieuwing van de economie. Omgevingsvisie Amsterdam 2050 Wereldwijd groeien steden. Steden hebben aantrekkingskracht omdat ze bedrijvigheid, wetenschap en creativiteit dicht bijeenbrengen en zo innovatie stimuleren en kansen bieden aan individuen. De stad moet kansen bieden aan iedereen. Om die reden omarmt Amsterdam zowel nieuwe inwoners als nieuwe banen. Economische groei is gewenst, niet in de laatste plaats vanwege de inkomsten. Maar Amsterdam wil ook ruimte bieden aan vernieuwing en een meer circulaire economie. Groei een plek geven in de stad is daarmee ook een verantwoordelijkheid.
Om volledig profijt te trekken moet die groei richting gegeven worden. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op is gericht is. Een van de hoofddoelen van deze visie is een stad te worden met meer stedelijke centra. Ook in de regio willen we de kernen meer stedelijke kwaliteit geven. Groeien binnen grenzen: duurzame, compacte stedelijke ontwikkeling en intensief ruimtegebruik. Daarmee maken we sociaal sterke buurten, met veel ruimte voor ondernemerschap en beperken we de ecologische voetafdruk van de stad. Duurzaam en gezond bewegen: in een compacte stad staan ontmoeten en bewegen in de openbare ruimte voorop. In de hele stad krijgen lopen, fietsen en openbaar vervoer ruim baan. Rigoureus vergroenen: nieuwe parken en meer groen in de openbare ruimte en op en aan gebouwen houdt de stad klimaatbestendig en leefbaar voor mens, dier en plant. Samen stadmaken: meer mogelijkheden voor maatschappelijk initiatief. Samen met Amsterdammers, corporaties en private partijen bouwen we aan de stad. Daarbij maken we meer ruimte voor experimenten en verantwoordelijk en eigenaarschap voor onze inwoners. Relevantie voor het plangebied Naast Strandeiland zijn er veel nieuwe ontwikkelingen in Oost.
Grootschalige ontwikkeling van nieuwe gebieden ziet Amsterdam als belangrijke kans voor betere verbindingen tussen de verschillende buurten. De ontwikkelingen vragen om betere openbaarvervoerverbindingen, waaronder een HOV-verbinding naar Zeeburgereiland en IJburg. Daarnaast is de verbinding van IJburg met het centrum, maar ook met Diemen en Zuidoost een belangrijke opgave. De toegankelijkheid van het groen in Oost kan beter. Op Strandeiland wordt een nieuw stadsstrand aangelegd. Als onderdeel van IJburg is Strandeiland 'te gast' in het IJmeer en wordt Strandeiland als een groenblauwe woon- en werklocatie in het IJmeer gerealiseerd. Strandeiland wordt een groenblauwe woonbuurt met gemengde stedelijke woonmilieus met bijna 6 hectare aan groen voor onder meer sporten, spelen en ontmoeten. Aan de zuidzijde is een ruige natuurkant met zand en groen voorzien.
bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 75
Uitsnede Omgevingsvisie Amsterdam 2050 Op bovenstaande uistnede van de omgevingsvisie is te zien dat er een metrolijn naar Almere is opgenomen. Voor deze IJmeerverbinding is in het voorliggende bestemmingsplan een ruimtelijke reservering voor opgenomen. Ook het doortrekken van de IJtram is in het bestemmingsplan geborgd. Bedrijvigheid is volgens de omgevingsvisie voorzien op de Makerskade en als zodanig opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. In het voorliggende bestemmingsplan zijn deze bedrijven ondergebracht op de Makerskade, ter plaatse van de bestemming Gemengd - 2. Voor de functie wonen wordt verwezen naar de gemeentelijke Woonagenda (zie paragraaf 3.4.4). Daarnaast gaat de omgevingsvisie in op bedrijvigheid, detailhandel en locatiebeleid. Voor de functie detailhandel gelden procesafspraken. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.5. Kantoorontwikkeling in Amsterdam is gebonden aan het beleid zoals verwoord in het ‘Kantorenplan 2019-2026’. Dit in 2019 vastgestelde beleid ging na jaren van leegstand uit van meer krapte op de kantorenmarkt in de komende jaren. Met de voorspelde groei van de stad is het reëel uit te gaan van aanhoudende vraag naar kantoorruimte. In paragraaf 3.4.7 wordt hier nader op ingegaan. Ten aanzien van hoogbouw geldt dat Amsterdam streeft naar een economisch sterke en duurzaam ingerichte stad.
Daarbij vormt het intensieve gebruik van de bestaande stad en tegelijk het open houden van het landschap één van de doelen. Verdichting is een belangrijke opgave, voor de hele stad en voor bepaalde gebieden in het bijzonder. Hoogbouw is daarin niet het enige, maar wel een geschikt middel. Het is bovendien een krachtig instrument. Afhankelijk van de positionering van hoogbouw kan deze bijdrage aan de kwaliteit van de stad als metropool. De structuurvisie bevat een kaart 'hoogbouw in Amsterdam'. Op deze kaart is zichtbaar gemaakt waar hoogbouw wordt gestimuleerd; in de (paarse) zones langs de ringweg A10/ringlijn, met name rond OV-knooppunten, en in twee ovale zoekgebieden langs het IJ. De zones en zoekgebieden zijn indicatief. In het bijzonder wordt ingezet op verdichting in gebieden en zones binnen de zuidflank, op locaties langs het waterfront en langs de ringweg. Rond het Beschermd Stadsgezicht van de binnenstad is, in verband met de bijzondere status van het werelderfgoed van de 17e- eeuwse grachtengordel een zone van 2 kilometer aangegeven. Ook voor andere gebieden geldt dat terughoudendheid met hoogbouw op zijn plaats is. Het opstellen van een Hoogbouweffectrapportage (HER) wordt te allen tijde aanbevolen als instrument om de effecten van een hoogbouwplan in beeld te brengen, af te wegen en waar mogelijk negatieve effecten weg te nemen.
In situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd is een HER Gemeente Amsterdam
blz. 76
verplicht gesteld (zie ook Hoofdstuk 12 van de toelichting van het bestemmingsplan). De visie op hoogbouw is nader uitgewerkt in de Hoogbouwvisie.
Uitsnede kaart Hoogbouw in Amsterdam (bron: Structuurvisie Amsterdam 2040) Voor wat betreft groen geldt dat een Hoofdgroenstructuur (HGS) is aangeduid. De ecologische hoofdstructuur loopt aan de westkant en de oostkant van Amsterdam. Aan de westzijde verbindt de groene As Amstelland en Spaarnwoude met elkaar. Aan de oostzijde doet de Natuurboog hetzelfde met de Vechtstreek en Waterland. Om goed te functioneren moeten barrières in de ecologische structuur, zoals kruisingen met wegen, spoorlijnen en kanalen, met faunapassages en vistrappen worden overwonnen. Op de kaart in de structuurvisie zijn de belangrijkste op te heffen barrières (knelpunten) in beeld gebracht. In de Hoofdgroenstructuur zijn die gebieden opgenomen waar de functie groen en groene recreatie voorop staan. Ingrepen in de Hoofdgroenstructuur worden beoordeeld op inpasbaarheid. De Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) heeft hierin een rol. De Hoofdgroenstructuur omvat uiteenlopende typen groen, met elk hun eigen gebruik, belevingswaarde, cultuurhistorische betekenis, natuurwaarde etc. De groengebieden in de Hoofdgroenstructuur zijn hiertoe verdeeld in groentypen (curiosa, corridor, stadspark etc). Strandeiland is geen onderdeel van de aangewezen ecologische hoofdstructuur. Voor wat betreft verkeer en vervoer zijn hoofdnetten aangewezen.
Hoofdnetten zijn onderdeel van een gestructureerd wegennet, waarbij de hoofdnetten de weggebruikers routes aanbiedt die stadsdeeloverstijgend zijn. De Structuurvisie Amsterdam beschrijft de belangrijkste uitgangspunten voor de auto (o.a. het garanderen van de bereikbaarheid van de stad(sdelen), bereikbaar houden van de belangrijkste bestemmingen, concentreren van het doorgaande autoverkeer op daarvoor meest geschikte wegen), het OV (bereikbaar houden van belangrijkste bestemmingen, behoud van het voorzieningenniveau, na 2020 zo goed mogelijk benutten van in aanleg en in studie zijnde OV-lijnen en knooppunten, en voor na 2030 maken van reserveringen die toekomstige ontwikkelingen faciliteren) en de fiets (stimuleren dagelijks fietsgebruik, garanderen van bereikbaarheid van stad(sdelen) en stedelijke bestemmingsplan_IJburg 2e fase - Strandeiland (vastgesteld)
blz. 77
bestemmingen, ruimte reserveren voor bredere paden en meer comfort). In de Structuurvisie Amsterdam 2040 staat opgenomen dat de voorkeur ligt bij de fiets en het openbaar vervoer, maar dat ook rekening moet worden gehouden met de verwachte groei van de automobiliteit. Daarom wordt gestreefd naar een optimum van de 'modal split', de optimale verdeling van OV-, auto- en fietsgebruik. De gemeente ziet hier een maatregelenpakket dat gebruik van het OV en de fiets stimuleert: fiets- en OV waar mogelijk, auto waar noodzakelijk. Om het OV-gebruik te stimuleren staat in de structuurvisie ook de ambitie om een snel, frequent en comfortabel openbaar vervoernetwerk van trein, bus, tram en metro (verder) te ontwikkelen. Nadere uitwerking van de ambitie voor verkeer en vervoer heeft inmiddels plaatsgevonden in het Mobiliteitsplan Zeeburgereiland en IJburg – Integrale aanpak van de bereikbaarheid 2018-2038. Hierin staat beschreven op welke wijze de economische vitaliteit van Amsterdam op duurzame wijze versterkt kan worden door de bereikbaarheid in en van de stad en de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte te vergroten. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in lijn met de Omgevingsvisie 2050 en de beoogde uitwerking daarvan. 3.4.2
Koers 2025 'Ruimte voor de stad'
De ambitie is om tot 2025 de bouw van 50.000 woningen binnen de stadsgrenzen van Amsterdam mogelijk te maken. Op welke plekken dit kan gebeuren met ruimte voor opkomende bedrijvigheid en voorzieningen staat beschreven in Koers 2025 en in Ruimte voor de Economie van Morgen. De Amsterdamse ontwikkelstrategie richt zich vooral op het realiseren van voldoende woningen in kwalitatief hoogwaardige, gemengde stedelijke milieus. Koers 2025 biedt een overzicht aan het totaal te ontwikkelen locaties voor gebiedsontwikkeling. De mogelijke te ontwikkelen locaties worden als 'de strategische Ruimte' aangeduid. Dit zijn de locaties waarover in dit document afwegingen gemaakt moeten worden. Per ontwikkelgebied wordt daarbij ingegaan op de grote opgave, lopende projecten en versnelde locaties. Vervolgens worden bouwstenen voor nieuwe gebiedsontwikkeling behandeld. Per bouwsteen is waar mogelijk op basis van eerdere planverkenningen en referenties een inschatting gemaakt van het aantal te realiseren woningen per locatie. Relevantie voor het plangebied Sinds de jaren ‘80 kent Amsterdam een structurele toename van bevolking en arbeidsplaatsen. Toch groeide in de jaren ‘80 en ‘90 de regio nog altijd sneller. Sinds de eeuwwisseling heeft Amsterdam echter een steeds groter aandeel in de ontwikkeling van de MRA als geheel.
Met jaarlijks ongeveer 11.000 extra inwoners neemt Amsterdam op dit moment twee derde van de bevolkingstoename in de MRA voor haar rekening. De economische groei in de MRA concentreert zich de laatste jaren in het internationaal georiënteerde economisch kerngebied Amsterdam –Schiphol. De druk op de stedelijke ruimte wordt versterkt door de groeiende aantrekkelijkheid van het gebied binnen de ring A10 als gebied om te wonen, te werken, te studeren of als bezoeker of bewoner van de regio de vrije tijd door te brengen. De mate waarin Amsterdam de komende decennia groeit hangt sterk af van het aantal woningen dat in de stad gerealiseerd wordt. De geprognotiseerde woningbehoefte in de MRA voor de periode 2015-2020 (opgesteld door de provincie Noord-Holland, 2015) wijst in de richting van toevoeging van gemiddeld 11.000 woningen per jaar. Grofweg 50% daarvan zal gevonden moeten worden binnen de stadsgrenzen
Gemeente Amsterdam
blz. 78
van Amsterdam, de rest verspreid over de regio, met een accent op de zuidelijke deelregio. Strandeiland behoort samen met Middeneiland en Buiteneiland tot 'Bouwsteen 7 IJburg 2'. Voor deze bouwsteen zijn totaal circa 8.000 woningen geraamd. Het milieutype is vastgelegd op 'Groenblauwe woonbuurten'. Met de vaststelling van het Stedenbouwkundig Plan voor Strandeiland is hieraan invulling gegeven. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan maakt een groenblauw woonmilieu met circa 8.000 woningen mogelijk. Het programma voor Strandeiland is daarmee in lijn met de Koers 2025. 3.4.3