3. De Schoonheid van Amsterdam.pdf
Tekst van het document
Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt.
Ruimtelijke systemen De criteria voor balkons zijn bedoeld voor woningen. In de Binnenstad, 19de-eeuwse Ring, Gordel ’20-’40 en de Tuindorpen is vrijwel altijd sprake van cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Hier moet elke ingreep zorgvuldig worden ingepast.
Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2.
Voor de Historische fragmenten, het Noordelijk buitengebied en het Groen en water is eveneens vaak sprake van cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Hier gelden criteria, die in beginsel afgestemd zijn op individuele bebouwing. Voor het AUP en Post-AUP, de Woonerven en Meanders en de Woongebieden na 1985 gelden criteria, die in beginsel zijn afgestemd op seriematige bebouwing. Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
Hoofdstuk 6 | Balkons
1. Binnenstad 3. 19de-eeuwse Ring 4. Gordel ’20-’40 5. Tuindorpen Zorgvuldig Voor alle deelgebieden geldt: n n
n n
n
n
n
aan de gevels van een hoofdgebouw die niet gekeerd zijn naar de openbare ruimte het eerst aangebrachte balkon is binnen een architectuureenheid bepalend voor plaatsing, kleur, materiaal, afmeting en vorm aanbrengen tegen een gevel (niet in een kap of ten behoeve van een kapverdieping) architectonische uitwerking en detaillering afstemmen op de oorspronkelijke karakteristiek van de gevel, daarbij de horizontale en verticale gevelgeleding handhaven in de 19de-eeuwse Ring en Gordel ’20-’40 aan een achtergevel eventueel over de hele breedte van het pand uitvoeren als veranda over één of meerdere lagen hekwerken uitvoeren als spijlenhekwerken en minstens 30% transparant (of uitvoeren als traditioneel houten hekwerk) materialen en kleuren afstemmen op het hoofdgebouw en het ensemble
Binnenstad Voor de binnenstad geldt ook: n
penanten vrijhouden
Erfgoed Voor monumenten en ordepanden geldt ook: n
bestaande balkons handhaven in oorspronkelijke karakteristiek en verhoudingen, vorm, maat, materiaal en kleur
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
64
Hoofdstuk 6 | Balkons
2. Historische fragmenten
Eenvoudig Voor alle deelgebieden geldt: n n n
aan de gevels van een hoofdgebouw die niet gekeerd zijn naar de openbare ruimte balkon vrijhouden van penant of hoek materialen en kleuren afstemmen op het hoofdgebouw
Zorgvuldig Voor deelgebieden met een hoog welstandsniveau geldt ook: n n n
n n
aan een achtergevel of niet naar de openbare ruimte gekeerde gevel aanbrengen tegen een gevel (niet in een kap) architectonische uitwerking en detaillering afstemmen op de oorspronkelijke karakteristiek van de gevel hekwerken uitvoeren als spijlenhekwerken en minstens 30% transparant materialen en kleuren afstemmen op het hoofdgebouw
Erfgoed Voor monumenten en ordepanden geldt ook: n
bestaande balkons handhaven in oorspronkelijke karakteristiek en verhoudingen, vorm, maat, materiaal en kleur
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
65
Hoofdstuk 6 | Balkons
6. AUP en Post-AUP 7. Woonerven en meanders 8. Woongebied na 1985 9. IJ-landen Eenvoudig Voor alle deelgebieden geldt: n n n n
aan een gevel van een hoofdgebouw bij samenhangende gevelwanden afstemmen op een trendsetter balkon vrijhouden van penant of hoek (tenzij het balkon deel uitmaakt van een doorgaande lijn) materialen en kleuren afstemmen op het hoofdgebouw en het ensemble
Zorgvuldig Voor deelgebieden met een hoog welstandsniveau geldt ook: n
n n
n
n
per blok of ensemble gelijk vormgeven en/of afstemmen op de trendsetter (het eerst aangebrachte balkon) aanbrengen tegen een gevel (niet in een kap) architectonische uitwerking en detaillering afstemmen op de oorspronkelijke karakteristiek van de gevel hekwerken uitvoeren als spijlenhekwerken en minstens 50% transparant (of in samenhang met de architectuur van het ensemble) materialen en kleuren afstemmen op het hoofdgebouw en het ensemble
Erfgoed Voor monumenten en AUP-ordes WA1 en WA2 geldt ook: n
bestaande balkons handhaven in oorspronkelijke karakteristiek en verhoudingen, vorm, maat, materiaal en kleur
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
66
Hoofdstuk 6 | Erfafscheidingen
67
7. Erfafscheidingen Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erfafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd en is in veel gevallen vergunningvrij. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op het straatbeeld. Een afscheiding direct aan een straat is in de regel wel vergunningplichtig.
Beoordeling Een erfafscheiding kan eenvoudig getoetst worden als aan de volgende standaardcriteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. De criteria zijn geschreven met als doel zo veel mogelijk zekerheid te geven over een positief resultaat van de welstandstoets en een eenvoudige vergunningsprocedure.
Uitgangspunten Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Het buitengebied vraagt bijvoorbeeld om andere erfafscheidingen dan de woongebieden. Als een erfafscheiding niet vergunningvrij kan worden gerealiseerd, regelt het bestemmingsplan in eerste instantie de plaatsingsmogelijkheden en grootte. Het bestemmingsplan geeft aan óf een erfafscheiding mogelijk is en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden.
Trendsetters Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand. Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze worden getoetst en vergund. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden.
Een erfafscheiding aan een voorkant vraagt om een vormgeving, die past bij het karakter van het hoofdgebouw en de omgeving. Een muur ziet er met zijn meer gesloten karakter bijvoorbeeld anders uit dan begroeide hekwerken. Het voorkomen van een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen is het uitgangspunt, ongeacht de uitvoering. De samenhang en ritmiek van het pand of de straatwand mogen niet worden verstoord door incidentele wijzigingen. De nadruk ligt in seriematige gebieden en ensemblebouw op herhaling, terwijl in pandsgewijs opgebouwde straatwanden juist enig onderscheid mogelijk is. Ruimtelijke systemen In de Binnenstad, 19de-eeuwse Ring, Gordel ’20-’40 en de Tuindorpen is vrijwel altijd sprake van cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Hier moet elke ingreep zorgvuldig worden ingepast. Voor de overige gebieden gelden in beginsel dezelfde criteria. Het verschil tussen de Historische fragmenten, het Noordelijk buitengebied, het Groen en water, het AUP en Post-AUP, de Woonerven en Meanders en de Woongebieden na 1985 ligt in de afstemming van de vormgeving afhankelijk van het gebiedskarakter, op het individuele pand of op het seriematig karakter.
In de criteria is onderscheid gemaakt: Erfafscheidingen tussen gebieden geschikt voor een eenvoudige inpassing (eenvoudig en gewoon welstandsniveau) en gebieden waar een zorgvuldige inpassing op zijn plaats is (bijzonder en beschermd welstandsniveau).
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt. Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2.
Hoofdstuk 6 | Erfafscheidingen
1. Binnenstad 3. 19de-eeuwse Ring 4. Gordel ’20-’40 5. Tuindorpen Zorgvuldig Voor alle deelgebieden geldt: n n
n
n n
n
n
n
in vormgeving en afwerking ondergeschikt aan de omgeving in vormgeving afstemmen op de architectuur van het hoofdgebouw, erfafscheidingen van belendende percelen en op het straatbeeld voor de voorgevellijn hoogte maximaal 1,00 m en daarachter maximaal 2,00 m (dit is in lijn met het vergunningvrij bouwen) eenduidige vormgeving afgestemd op erfafscheidingen van belendende percelen erfafscheidingen die zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied en geen onderdeel vormen van een gesloten straatwand voor minstens 75% transparant vanaf 1,00 m hoogte erfafscheidingen over een lange lengte hebben visuele onderbrekingen door bijvoorbeeld afwisseling in hoogte, geleding, materialen of penanten duurzame materialen als metselwerk, hout, spijlen of te begroeien gaaswerk gebruiken, aansluitend op erfafscheiding naastgelegen percelen terughoudende kleuren zoals bruin, groen en zwart (danwel historische kleuren)
Binnenstad Voor de Binnenstad geldt ook: n
n
n
traditionele materialen als metselwerk, hout en spijlenhekwerken afgestemd op het pand en de omgeving uitvoeren met een rechte bovenbeëindiging (geen combinatie van verschillende vormen en materialen) waar in de Plantagebuurt en Singelgrachtzone erfafscheidingen aan de voorzijde zijn toegestaan, deze uitvoeren als rank spijlenhekwerk van metaal in grachtengroen of als heg
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
68
Hoofdstuk 6 | Erfafscheidingen
Overige systemen
Eenvoudig Voor alle deelgebieden geldt: n
n
ingetogen vormgeving afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw en erfafscheidingen van belendende percelen (geen combinatie van verschillende vormen en materialen) materialen als metselwerk, hout of draadstaal gebruiken, afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw en erfafscheiding naastgelegen percelen
Zorgvuldig Voor deelgebieden met een hoog welstandsniveau geldt ook: n n
n n
eenduidige vormgeving afgestemd op erfafscheidingen van belendende percelen bij seriematige bouw en andere ensembles erfafscheiding gelijk aan erfafscheiding naastgelegen percelen mits deze recent een positieve welstandsbeoordeling hebben gehad voor de voorgevellijn hoogte maximaal 1,00 m en daarachter maximaal 2,00 m terughoudende kleuren
Noordelijk buitengebied Voor het Noordelijk buitengebied geldt ook: n
transparant vormgeven
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
69
Hoofdstuk 6 | Dakkapellen
70
8. Dakkapellen Een dakkapel is een ondergeschikte uitbouw in een kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Uitgangspunten Dakkapellen kunnen zeer bepalend zijn voor het straatbeeld. Plaatsing aan een achterkant heeft de voorkeur.
Beoordeling Een dakkapel kan eenvoudig getoetst worden als aan de volgende standaardcriteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. De criteria zijn geschreven met als doel zo veel mogelijk zekerheid te geven over een positief resultaat van de welstandstoets en een eenvoudige vergunningsprocedure.
Als een dakkapel niet vergunningvrij kan worden gerealiseerd, regelt het bestemmingsplan in eerste instantie de plaatsingsmogelijkheden en grootte. Het bestemmingsplan geeft aan óf een dakkapel mogelijk is en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. De dakkapel mag het silhouet van het dak niet domineren en de noklijn van het dak moet, afhankelijk van het straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Een dakkapel aan een voorkant vraagt om een zorgvuldige vormgeving, die past bij het karakter van het hoofdgebouw en in de omgeving. De samenhang en ritmiek van het pand of de straatwand mogen niet worden verstoord door incidentele wijzigingen. De nadruk ligt in seriematige gebieden en ensemblebouw op herhaling. Op doorgaande dakvlakken betreft dit herhaling op regelmatige afstanden en rangschikking op een horizontale lijn, terwijl in pandsgewijs opgebouwde straatwanden juist enig onderscheid mogelijk is.
Trendsetters Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand. Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze worden getoetst en vergund. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden.
Ruimtelijke systemen In de Binnenstad, 19de-eeuwse Ring, Gordel ’20-’40 en de Tuindorpen is vrijwel altijd sprake van cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Hier moet elke ingreep zorgvuldig worden ingepast. Voor de Historische fragmenten, het Noordelijk buitengebied en het Groen en water is eveneens vaak sprake van cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Hier gelden criteria, die in beginsel afgestemd zijn op individuele bebouwing.
Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2.
Voor het AUP en Post-AUP, de Woonerven en Meanders en de Woongebieden na 1985 gelden criteria, die in beginsel zijn afgestemd op seriematige bebouwing. In de criteria is onderscheid gemaakt Dakkapellentussen gebieden geschikt voor een eenvoudige inpassing (eenvoudig en gewoon welstandsniveau) en gebieden waar een zorgvuldige inpassing op zijn plaats is (bijzonder en beschermd welstandsniveau).
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt.
71
Hoofdstuk 6 | Dakkapellen
1. Binnenstad 3. 19de-eeuwse Ring 4. Gordel ’20-’40 5. Tuindorpen Zorgvuldig Voor alle deelgebieden geldt:
n n
Algemeen n de oorspronkelijke kapconstructie en noklijn blijven duidelijk herkenbaar: de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging Aantal en plaats n per woning één dakkapel op een voordakvlak (alleen op daken met een helling van minstens 30 graden) n aan voorkanten minstens 0,50 m dakvlak naast en boven de dakkapel (bij monumenten en in beschermde gezichten minstens 1,00 m) n aan achterkanten minstens 0,50 m dakvlak naast en boven de dakkapel n afstand tussen dakkapel en gootlijn tussen 0,50 en 1,00 m n tussen de 0,50 en 1,00 m afstand tot de gootlijn aanhouden (dakkapellen raken de gootlijn als dit past in de karakteristiek van de gevel) n meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden), dus niet boven elkaar Maat n breedte aan de voorkant hoogstens 30% van de breedte van het dakvlak inclusief bestaande en aangevraagde ingrepen (in de binnenstad met een maximum van 2,00 m) n hoogte tot 50% van de hoogte van het dakvlak tot een maximum van 1,50 m aan voorkanten en 1,75 m aan achterkanten (op monumenten en in beschermde gezichten tot een maximum van 30% van het hellend dakvlak) n dakkapellen in tegenover elkaar liggende zijdakvlakken zijn in beginsel even hoog (aanbrengen op dezelfde hoogte) Vorm n vorm gelijk aan andere dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok en bescheiden detailleren zonder
nadrukkelijke ornamenten (wanneer het hoofdgebouw een bijzondere stijl of detaillering heeft, kan deze – eventueel vereenvoudigd – in de dakkapel worden voortgezet) n plat afdekken of gelijk aan trendsetter n gevelgeleding afgestemd op verticale gevelgeleding hoofdgebouw of gecentreerd in het dakvlak Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
n n n
boeiboord of lijst aan een voorkant maximaal 0,25 m indeling en profielen van kozijnen afgestemd op en hiërarchisch gelijk of ondergeschikt aan de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw voorvlak hoofdzakelijk gevuld met glas zijwangen dakkapel gesloten in Stadsdeel Noord in Tuindorpen alleen op daken met een helling van ten minste 45 graden
Materiaal en kleur n materialen en kleuren afstemmen op hoofdgebouw n zijwangen donker, wit of in de kleur van het dakvlak danwel in zinkgrijs (bij monumenten, ordepanden en in beschermde gezichten in donkere kleur of afgewerkt in de kleur van het dakvlak) n kleuren kozijnen gelijk aan kozijnen hoofdgebouw n bij bouwblokken met een ongeschonden dakvlak of met dakkapellen in hout of zink, de dakkapel uitvoeren in hout of zink Binnenstad n de omvang van de raamopeningen in dakkapellen is in hiërarchie gelijk of ondergeschikt aan de raamopeningen in het onderliggend gevelvlak n de afstand tot andere objecten in het dakvlak zoals schoorstenen is minstens 1,00 m n dakkapellen, dakramen en andere toegevoegde elementen hebben opgeteld een breedte van niet meer dan 30% van de breedte van de kap Afwijkende dakvormen Voor een aantal afwijkende kapvormen geldt ook: Flauw hellend zadeldak Een zadeldak met hellingshoek kleiner dan 30 graden is in de regel niet geschikt voor een dakkapel, doordat de bovenzijde van de dakkapel (nagenoeg) gelijk met de nok komt te liggen. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast. Daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30 graden geen standaardmogelijkheid. De aanvraag zal worden beoordeeld op grond van de gebieds- en eventuele andere welstandscriteria.
Hoofdstuk 6 | Dakkapellen
Vervolg van: 1. Binnenstad 3. 19de-eeuwse Ring 4. Gordel ’20-’40 5. Tuindorpen Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn vergelijkbaar met een zadeldak en meer geschikt voor plaatsen van een toevoeging (als de wolfseinden worden gerespecteerd). Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft bovendien een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen in het bovendakvlak. Schild-, tent- of piramidedak Deze naar de nok toelopende dakvormen vereisen een zeer beperkte afmeting van de dakkapel, omdat naast de dakkapel minimaal 1,00 m dakvlak vrij moet blijven (gemeten aan de bovenzijde). Mansardedak Dakkapellen zijn aan een achterkant toegestaan in het onderste deel van het dakvlak, waarbij kan worden gekozen uit een schuin of plat dak in aansluiting op de knik van de mansarde of een plat dak bij plaatsing op de gootlijn. Overige dakvormen Voor overige dakvormen en in geval van combinaties van verschillende dakvormen is maatwerk nodig.
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
72
73
Hoofdstuk 6 | Dakkapellen
2. Historische fragmenten 11. Noordelijk buitengebied 12. Groen en water Eenvoudig Voor alle deelgebieden geldt: n
n
n
n n n n
de oorspronkelijke kapconstructie en noklijn blijven duidelijk herkenbaar: de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden), dus niet boven elkaar tussen de 0,50 en 1,00 m afstand tot de gootlijn aanhouden (dakkapellen raken de gootlijn als dit past in de karakteristiek van de gevel) minstens 0,50 m dakvlak naast en boven de dakkapel breedte aan voorkanten hoogstens 30% van het dakvlak hoogte aan voorkanten tot 1,50 m gevelgeleding gelijk aan of gelijnd met gevelgeleding hoofdgebouw dan wel dakkapel centreren in het dakvlak
Zorgvuldig Voor deelgebieden met een hoogwelstandsniveau geldt ook: Aantal en plaats n per woning één dakkapel op een voordakvlak (alleen op daken met een helling van minstens 30 graden) n aan voorkanten minstens 1,00 m dakvlak naast en boven de dakkapel n aan achterkanten minstens 0,50 m dakvlak naast en boven de dakkapel n dakkapel in een mansardekap aansluiten op de knik of in de gootlijn n vorm gelijk aan andere dakkapellen en dakramen op het betreffende dakvlak van het bouwblok (mits deze recent een positieve welstandsbeoordeling hebben gehad) en bescheiden detailleren zonder nadrukkelijke ornamenten Vorm n plat afdekken of indien gewenst bij een dakhelling van minstens 45 graden aan de achterkant aankappen met een minimale dakhelling van 25 graden n zijwangen donker, wit of in de kleur van het dakvlak danwel in zinkgrijs n kleuren kozijnen gelijk aan kozijnen hoofdgebouw n hoogstens 20% dichte panelen in het voorvlak (niet als borstwering)
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
n
bij bouwblokken met een ongeschonden dakvlak of met dakkapellen in hout of zink, de dakkapel uitvoeren in hout of zink
Maat n breedte aan de voorkant hoogstens 30% van het dakvlak met een maximum van 2,00 m n hoogte van de dakkapel tot 50% van de hoogte van het dakvlak tot een maximum van 1,50 m aan voorkanten en 1,75 m aan achterkanten n dakkapellen in tegenover elkaar liggende zijdakvlakken zijn in beginsel even hoog (aanbrengen op dezelfde hoogte) Materiaal en kleur n traditionele materialen en kleuren afgestemd op het hoofdgebouw Afwijkende dakvormen Voor een aantal afwijkende kapvormen geldt ook: Flauw hellend zadeldak Een zadeldak met hellingshoek kleiner dan 30 graden is in de regel niet geschikt voor een dakkapel, doordat de bovenzijde van de dakkapel (nagenoeg) gelijk met de nok komt te liggen. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast. Daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30 graden geen standaardmogelijkheid. De aanvraag zal worden beoordeeld op grond van de gebieds- en eventuele andere welstandscriteria.. Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn vergelijkbaar met een zadeldak en meer geschikt voor plaatsen van een toevoeging (als de wolfseinden worden gerespecteerd).
Hoofdstuk 6 | Dakkapellen
Vervolg van: 2. Historische fragmenten 11. Noordelijk buitengebied 12. Groen en water
Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft bovendien een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen in het bovendakvlak. Schild-, tent- of piramidedak Deze naar de nok toelopende dakvormen vereisen een zeer beperkte afmeting van de dakkapel, omdat naast de dakkapel minimaal 1,00 m dakvlak vrij moet blijven (gemeten aan de bovenzijde). Mansardedak Dakkapellen zijn aan een achterkant toegestaan in het onderste deel van het dakvlak, waarbij kan worden gekozen uit een schuin of plat dak in aansluiting op de knik van de mansarde of een plat dak bij plaatsing op de gootlijn. Overige dakvormen Voor overige dakvormen en in geval van combinaties van verschillende dakvormen is maatwerk nodig.
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
74
75
Hoofdstuk 6 | Dakkapellen
6. AUP en Post-AUP 7. Woonerven en meanders 8. Woongebied na 1985 9. IJ-landen Eenvoudig Voor alle deelgebieden geldt: n
n
n n
n
n n
n
de oorspronkelijke kapconstructie en noklijn blijven duidelijk herkenbaar: de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden), dus niet boven elkaar minstens 0,50 m dakvlak naast en boven de dakkapel dakkapellen raken de gootlijn als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel als onderdeel van de straatwand, in andere gevallen tussen de 0,50 en 1,00 m afstand tot de gootlijn aanhouden gevelgeleding gelijk aan of gelijnd met gevelgeleding hoofdgebouw dan wel dakkapel centreren in het dakvlak breedte aan voorkanten hoogstens 50% van het dakvlak in Zuidoost zijn op de lange dakvlakken dakkapellen boven elkaar mogelijk als de twee dakkapellen een verticaal gemeten tussenafstand hebben van tenminste 0,50 m in Zuidoost zijn bij woonerven en meanders dakkapellen over de hele woningbreedte mogelijk tot 0,50 m van zijgevels
Zorgvuldig Voor deelgebieden met een hoogwelstandsniveau geldt ook: Aantal en plaats n per woning één dakkapel op een voordakvlak (alleen op daken met een helling van minstens 30 graden) n dakkapel in een mansardekap aansluiten op de knik of in de gootlijn n vorm gelijk aan andere dakkapellen en dakramen op het betreffende dakvlak van het bouwblok (mits deze recent een positieve welstandsbeoordeling hebben gehad) en bescheiden detailleren zonder nadrukkelijke ornamenten Vorm n plat afdekken of indien passend bij de karakteristiek van het pand en een dakhelling van minstens 45 graden aan de achterkant aankappen met een minimale dakhelling van 25 graden n zijwangen donker, wit of in de kleur van het dakvlak danwel in zinkgrijs n kleuren kozijnen gelijk aan kozijnen hoofdgebouw Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
n n
n n
n
hoogstens 20% dichte panelen in het voorvlak (niet als borstwering) bij bouwblokken met een ongeschonden dakvlak of met dakkapellen in hout of zink, de dakkapel uitvoeren in hout of zink breedte aan de voorkant hoogstens 30% van het dakvlak of gelijk aan trendsetter hoogte van de dakkapel tot 50% van de hoogte van het dakvlak tot een maximum van 1,50 m aan voorkanten en 1,75 m aan achterkanten materialen en kleuren afstemmen op hoofdgebouw
Afwijkende dakvormen Voor een aantal afwijkende kapvormen geldt ook: Flauw hellend zadeldak Een zadeldak met hellingshoek kleiner dan 30 graden is in de regel niet geschikt voor een dakkapel, doordat de bovenzijde van de dakkapel (nagenoeg) gelijk met de nok komt te liggen. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast. Daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30 graden geen standaardmogelijkheid. De aanvraag zal worden beoordeeld op grond van de gebieds- en eventuele andere welstandscriteria. Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn vergelijkbaar met een zadeldak en meer geschikt voor plaatsen van een toevoeging (als de wolfseinden worden gerespecteerd). Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft bovendien een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm zijn eventuele dakkapellen in het bovendakvlak maatwerk.
Hoofdstuk 6 | Dakkapellen
Vervolg van: 6. AUP en Post-AUP 7. Woonerven en meanders 8. Woongebied na 1985 9. IJ-landen Schild-, tent- of piramidedak Deze naar de nok toelopende dakvormen vereisen een zeer beperkte afmeting van de dakkapel, omdat naast de dakkapel minimaal 1,00 m dakvlak vrij moet blijven (gemeten aan de bovenzijde). Mansardedak Dakkapellen zijn aan een achterkant toegestaan in het onderste deel van het dakvlak, waarbij kan worden gekozen uit een schuin of plat dak in aansluiting op de knik van de mansarde of een plat dak bij plaatsing op de gootlijn. Overige dakvormen Voor overige dakvormen en in geval van combinaties van verschillende dakvormen is maatwerk nodig.
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
76
Hoofdstuk 6 | Dakterrassen en daktuinen
77
9. Dakterrassen en daktuinen Dakterrassen en daktuinen zijn buitenruimten op een plat dak met toegangen en hekwerken. In de meeste gevallen zijn ze beperkt zichtbaar vanuit de openbare ruimte, maar als ze wel zichtbaar zijn kunnen ze grote invloed hebben op het straatbeeld. Uitgangspunten Omdat platte daken zelden van oorsprong zijn bedoeld als buitenruimte, zijn er voor dakterrassen vrijwel altijd toevoegingen nodig: van een deur in een bestaande gevel of een luik in een dak tot een uitbouw van een kap of een opbouw boven een trap. Daarbij gaat de voorkeur uit naar de minst ingrijpende wijziging van het gebouw en een bescheiden maatvoering (voor grotere ingrepen zijn de criteria voor dakuitbreidingen van toepassing). Het bestemmingsplan en ander ruimtelijk beleid regelen in eerste instantie de plaatsingsmogelijkheden. Hierin is op te zoeken óf deze gebouwd mogen worden en onder welke voorwaarden. Daktoegangen, dakterrassen en bijbehorende hekwerken vragen, indien zichtbaar vanuit de openbare ruimte, om een zorgvuldige en terughoudende vormgeving die past bij het karakter van de omgeving. De samenhang en ritmiek van pand of straatwand mogen niet worden verstoord door incidentele wijzigingen. Voor gebieden met individuele bebouwing is het uitgangspunt dat (hoofd)vormen passen bij het karakter van de straat en dat de contour van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijft.
Voor seriematige bebouwing is herhaling van vergelijkbare exemplaren uitgangspunt. Ruimtelijke systemen In de criteria is onderscheid gemaakt in een drietal groepen ruimtelijke systemen. In de binnenstad geldt, om recht te doen aan de grote cultuurhistorische waarde en het eigen karakter van dit ruimtelijk systeem, ten aanzien van dakterrassen en daktuinen een terughoudend beleid, met name wat betreft de toegangen. Ook in de 19de-eeuwse Ring, Gordel ’20-’40 en de Tuindorpen is sprake van cultuurhistorisch waardevolle gebieden waar elke ingreep zorgvuldig moet worden ingepast. Op de diepere blokken is hier mede vanwege de dakvormen meer vrijheid in de vorm van de daktoegangen. Voor het AUP en Post-AUP, de Woonerven en Meanders en de Woongebieden na 1985 gelden criteria, die in beginsel zijn afgestemd op seriematige bebouwing. Hier zijn trendsetters van groot belang. Mocht in andere ruimtelijke systemen een dakterras of daktuin gewenst zijn, dan zal gebruik worden gemaakt van de gebieds- en eventuele andere criteria. Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
Beoordeling Een daktoegang, dakterras of bijbehorend hekwerk kan eenvoudig getoetst worden als aan de volgende standaardcriteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. De criteria zijn geschreven met als doel zo veel mogelijk zekerheid te geven over een positief resultaat van de welstandstoets en een eenvoudige vergunningsprocedure. Trendsetters Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand. Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze worden getoetst en vergund. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden. Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt.
Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2.
Hoofdstuk 6 | Dakterrassen en daktuinen
1. Binnenstad
Algemeen n het groene dak mag het daklandschap niet aantasten Plaats n op de achterste helft van hoofdbebouwing zonder de kap aan te tasten (om verstoring van de relatie privé/openbaar en de aantasting van het daklandschap te voorkomen) n op een (keuken)uitbouw aan de achterzijde van de hoofdbebouwing n hekwerken zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte Vorm n daktoegangen vanaf ondergelegen verdiepingen uitvoeren als ‘scheepsluik’ met minimale hoogte n hekken uitvoeren als ranke spijlhekken met een open constructie n geen pergola’s en vergelijkbare vaste objecten plaatsen n hoogte hekwerken maximaal 1,20 m Materiaal en kleur n hekken uitvoeren in terughoudende, gedekte kleuren
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
78
Hoofdstuk 6 | Dakterrassen en daktuinen
3. 19de-eeuwse Ring 4. Gordel ’20-’40 5. Tuindorpen
Hekwerken n op platte daken n hoogte tot 1,20 m en minstens 50% transparant (geen glas) n materialen en kleuren afstemmen op hoofdgebouw Plaatsing opgebouwde toegang n alleen op het hoogst gelegen dak (niet op lagere daken) n op platte daken of een plat dakdeel n in beginsel plaatsen buiten het zicht vanuit de openbare ruimte (waar mogelijk aansluiten op bestaand trappenhuis) Dakluik n plaatsen binnen een hekwerk n hoogte maximaal 1,20 m n oppervlak maximaal 2,00 m² n materialen en kleuren afstemmen op hoofdgebouw Overige daktoegangen Als een dakterras wordt gerealiseerd achter een (schijn) kap met voldoende maat voor een uitbouw, dan de toegang in beginsel realiseren als dakuitbouw (breedte niet meer dan 1,10 m en de ritmiek van de bouwmassa bewaren). In andere gevallen: n n n n n n n
vormgeven als solitair object in vorm en karakter ondergeschikt aan het hoofdgebouw hoogte niet meer dan 2,50 m (ten opzichte van terras) oppervlak niet meer dan 6,00 m² wanden minimaal 60% transparant boeiborden zijn bescheiden van maat schilderwerk in de kleur van de gevel danwel grijs- of wittinten
Erfgoed n dakterrassen bij monumenten en orde 1 alleen indien deze de architectuur van het pand niet aantasten, dit vereist altijd een gewogen oordeel n bij panden in orde 2 daktoegangen uitvoeren als dakluik
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
79
Hoofdstuk 6 | Dakterrassen en daktuinen
6. AUP en Post-AUP 7. Woonerven en meanders 8. Woongebied na 1985 9. IJ-landen Algemeen Een dakterras of daktuin is inclusief de toegang gelijk aan een trendsetter. Als er geen trendsetter is gelden onderstaande criteria: Plaats n toegangen alleen bouwen op het hoogst gelegen dak (niet op lagere daken) n op platte daken of een plat dakdeel n in beginsel plaatsen buiten het zicht vanuit de openbare ruimte n plaatsen op minstens 1,20 m uit de dakrand (waar mogelijk aansluiten op bestaand trappenhuis) Dakluik n plaatsen buiten het zicht vanuit de openbare ruimte n plaatsen binnen een hekwerk n hoogte maximaal 1,20 m n oppervlak maximaal 2,00 m² n materialen en kleuren afstemmen op hoofdgebouw Overige daktoegangen n oppervlakte niet meer dan 6,00 m2 Hekwerken n uitvoeren als spijlhekwerk (geen glas) met een hoogte tot 1,20 m n uitvoeren in terughoudende, gedekte kleuren Verstedelijkt havengebied In afwijking van bovenstaande geldt voor het Verstedelijkt havengebied, dat dakterrassen en daktuinen een architectonische eenheid vormen met het gebouw waarop ze geplaatst worden. Scheidingen tussen terrassen of tuinen in deze gebieden in beginsel uitvoeren als te begroeien constructies.
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
80
Hoofdstuk 6 | Dakuitbreidingen
81
10. Dakuitbreidingen Dakuitbreidingen zijn veranderingen waarmee de binnenruimte op het dak of in de kap groter wordt. Uitgangspunten Er is onderscheid tussen dakverhogingen, -uitbouwen en -opbouwen. Dakverhoging Een dakverhoging is het enigszins hoger maken van een (bijna) plat dak en vooral te vinden in de 19deeeuwse Ring en Gordel ’20-’40. Met deze ingreep is het mogelijk een zolderverdieping te laten voldoen aan de hoogte die het Bouwbesluit stelt aan verblijfsruimten. Voorwaarde is, dat de dakverhoging zo min mogelijk zichtbaar is en dat deze de dakranden in het zicht vanuit de openbare ruimte niet onderbreekt. Dakuitbouw Een dakuitbouw is een uitbreiding van een (schijn)kap en vooral te vinden in de 19de-eeuwse Ring en Gordel ’20-’40. Een dakuitbouw is wat betreft vorm en plaatsing te beschrijven als een dakkapel in de dakvoet. Deze wordt toegepast in dakvlakken aan de zij- en achterkant. Met een goede dimensionering zijn ze niet nadrukkelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Dakopbouw Een dakopbouw is de toevoeging van een verblijfsruimte of zelfs een vrijwel volledige verdieping op een plat dak. Dit type is met name te vinden op de tweelaags bebouwing van woonwijken in het AUP en op de IJ-landen. Met het plaatsen van een dakopbouw verandert het profiel van het gebouw, wat gevolgen heeft voor het straatbeeld.
Ze zijn vrijwel altijd nadrukkelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Het bestemmingsplan regelt in eerste instantie de plaatsingsmogelijkheden. Hierin is op te zoeken óf deze gebouwd mogen worden en onder welke voorwaarden. Uitgangspunt voor gebieden met individuele bebouwing is dat de contour van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijft en de vorm past bij het karakter van de straat. Voor seriematige bebouwing is herhaling van vergelijkbare exemplaren uitgangspunt. Ruimtelijke systemen De criteria voor dakuitbreidingen zijn bedoeld voor woningen. Voor de Gordel ’20-’40 en de 19de-eeuwse Ring zijn criteria opgenomen voor dakuitbouwen en -verhogingen. Voor het AUP en Post-AUP, de Woonerven en Meanders, de Woongebieden van na 1985 en de IJ-landen zijn criteria opgenomen voor Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
dakopbouwen. Mocht in andere ruimtelijke systemen een dakuitbreiding gewenst zijn, dan zal gebruik worden gemaakt van de gebieds- en eventuele andere criteria. Beoordeling Een dakuitbouw, dakverhoging of dakopbouw kan eenvoudig getoetst worden als aan de volgende standaardcriteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. De criteria zijn geschreven met als doel zo veel mogelijk zekerheid te geven over een positief resultaat van de welstandstoets en een eenvoudige vergunningsprocedure. Trendsetters Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand. Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze worden getoetst en vergund. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden. Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen.
Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt. Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2.
82
Hoofdstuk 6 | Dakuitbreidingen
3. 19de-eeuwse Ring 4. Gordel ’20-’40
Algemeen n afgestemd op het hoofdgebouw, passend in het daklandschap n uitvoeren gelijkvormig aan eerder geplaatste dakuitbreidingen op het betreffende dakvlak (trendsetter) n een eerste dakuitbreiding op een dakvlak van een ensemble krijgt als nieuwe trendsetter een gewogen oordeel n de in maatvoering meest bescheiden oplossing heeft de voorkeur n in vorm en detaillering terughoudend en afstemmen op het hoofdgebouw en ensemble n materiaal en kleur afstemmen op het hoofdgebouw en ensemble
Dakuitbouwen Bij uitbouwen geldt ook: n n
n
Dakverhoging Bij verhoging geldt ook: n
n
n
n
achter de bestaande dakrand of nok van het voorgeveldakvlak plaatsen, waarbij de verhoging of uitbreiding niet of niet nadrukkelijk zichtbaar is vanuit de openbare ruimte (de bestaande rand en het dakprofiel respecteren) de sprong in het dakvlak wegwerken door de toepassing van bijvoorbeeld een zinken rand die visueel wegvalt in het daklandschap (geen in het oog springende afwerking zoals een witgeschilderde boeirand) aan de achterzijde binnen de gestelde grenzen vanuit het ruimtelijk beleid houden (in beginsel terugliggend uitvoeren) de maximale beoogde hoogte op de onderliggende verdieping is 2,40 m
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
n n
uitvoeren met een plat dak in het zijdakvlak van een dwarskap: - lengte niet meer dan 50% van het betreffende dakvlak en terugliggend plaatsen op een afstand van minstens 25% vanuit de voor- en achterzijde - de hoogte van het kozijn is niet meer dan 2,20 m (gemeten van de voet van de dakuitbouw) - de hoogte van de dakuitbouw is niet meer dan 2,50 m boven de verdiepingsvloer op een achterdakvlak achter een schijnkap: - onder de nok van de schijnkap (zo nodig uitvoeren met een terugliggende verhoging) en in beginsel terugliggend ten opzichte van de achtergevel uitvoeren met ondoorzichtige zijwangen en een bescheiden boeiboord bij een mansardekap niet hoger dan de knik in het dakvlak
Erfgoed n dakuitbreidingen bij monumenten, orde 1 en 2 alleen als deze de architectuur van het pand niet aantasten, dit vereist altijd een gewogen oordeel
Hoofdstuk 6 | Dakuitbreidingen
6. AUP en Post-AUP 7. Woonerven en meanders 8. Woongebied na 1985 9. IJ-landen Algemeen n uitvoeren als dakopbouw n uitvoeren gelijkvormig aan eerder geplaatste dakopbouwen op het betreffende dakvlak van het bouwblok of ensemble (trendsetter) Dakopbouwen Als er geen trendsetter is, geldt: n
n n
n
n
n
de dakopbouw is afgestemd op het hoofdgebouw, passend in het daklandschap en heeft in beginsel een plat dak in vorm en afwerking terughoudend uitvoeren en afstemmen op het hoofdgebouw en ensemble doorgaande gootlijnen of boeiboorden respecteren (dakopbouw in beginsel terugliggend uitvoeren) een dakopbouw heeft indien geplaatst op de erfgrens zijgevels, waarop dakopbouwen van belendingen kunnen aansluiten dakopbouwen in materiaal en kleur afstemmen op het hoofdgebouw of met afwijkende materialen uitvoeren in terughoudende, lichte kleuren danwel hout schoorstenen meeverhogen
Erfgoed n dakuitbreidingen bij monumenten, orde WA1 en WA2 alleen als deze de architectuur van het pand niet aantasten, dit vereist altijd een gewogen oordeel n dakuitbreidingen orde WA3 uit het zicht
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
83
Hoofdstuk 6 | Zonnepanelen en -collectoren
84
11. Zonnepanelen en -collectoren Zonnepanelen en zonnecollectoren zijn toevoegingen aan een dakvlak die in vele gevallen het straatbeeld niet zullen verstoren. Mede daarom kunnen zij in alle niet-beschermde gebieden onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij worden geplaatst, met uitzondering van monumenten. En ook op een achterdakvlak binnen beschermde gezichten kan een zonnepaneel onder voorwaarden vergunningvrij worden aangebracht, mits het niet om monumenten gaat. Zie voor de voorwaarden www.omgevingsloket.nl en de brochure Zonnecollectoren en zonnepanelen van het Ministerie van Binnenlandse zaken. Alleen als een eigenaar zonnepanelen wil aanbrengen die niet voldoen aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Voor zonnepanelen en zonnecollectoren in beschermde stads- en dorpsgezichten gelden aanvullende voorwaarden. Uitgangspunten Het uitgangspunt is dat zonnepanelen niet worden aangebracht op dakvlakken die aan de openbare ruimte grenzen. Zonnepanelen hebben een matte, donkere kleur. Met het criterium dat zonnepanelen een minimale afstand van drie pannen (of vergelijkbaar) moeten houden tot de randen van het dakvlak, blijven de contouren van het dakvlak zichtbaar en wordt het cultuurhistorisch waardevol daklandschap zo min mogelijk verstoord.
Beoordeling Een zonnepaneel of zonnecollector kan eenvoudig getoetst worden als aan de volgende standaardcriteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. De criteria zijn geschreven met als doel zo veel mogelijk zekerheid te geven over een positief resultaat van de welstandstoets en een eenvoudige vergunningsprocedure. Trendsetters Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand. Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze worden getoetst en vergund. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden.
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt.
Hoofdstuk 6 | Zonnepanelen en -collectoren
Alle systemen
Erfgoed Voor monumenten en beschermde gezichten geldt: Algemeen n de zonnecollector of het zonnepaneel wordt op een dak geplaatst (niet aan gevels en wanden) n installaties vormen een geheel met de panelen of zijn in het gebouw geplaatst Platte daken n de zonnecollector of het zonnepaneel blijft tenminste net zo ver verwijderd van de dakrand als de collector of het paneel hoog is Schuine daken n geen panelen of collectoren in dakvlakken grenzend aan de openbare ruimte n de collector of het paneel wordt direct op het dakvlak geplaatst n de hellingshoek van de collector of het paneel is dezelfde als die van het dakvlak waarop het wordt aangebracht n zonnepanelen worden in een recht aaneengesloten vlak aangebracht en houden minimaal drie pannen (of vergelijkbaar) afstand tot goot, nok en zijkanten van het dakvlak Vorm en kleur n terughoudend detailleren n kleuren komen overeen met het achterliggende dakvlak of zijn donker n zonnepanelen zijn mat en hebben een bij de kleur passende randafwerking Monumenten Voor monumenten geldt ook: n n
plaatsing is mogelijk voor zover niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte monumentale waarden worden niet aangetast (een en ander in overeenstemming met beleid en richtlijnen ten aanzien van monumenten)
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
85
Hoofdstuk 6 | Installaties
86
12. Installaties Installaties horen bij gebouwen. Het gaat bijvoorbeeld om schoorstenen, afvoerkanalen, liftopbouwen, warmtepompen, airco units, luchtbehandelingskasten en schotelantennes. Om bij de tijd te blijven en om tegemoet te komen aan veranderingen in gebruik worden ze van tijd tot tijd vervangen of uitgebreid. In veel gevallen is er geen of weinig ruimte voor gereserveerd. Uitgangspunten Om installaties te veranderen of aan te brengen, zijn meestal bouwkundige voorzieningen nodig. De veranderingen zijn zelden gericht op het verfraaien van het gebouw. Installaties zijn bijna altijd noodzakelijk. Uitgangspunt voor deze ingrepen is dat ze ondergeschikt zijn en het beeld van het gebouw intact laten. Om dit te bereiken is een terughoudende vormgeving uitgangspunt. Voor het aanbrengen van installaties die het aanzien van het gebouw ingrijpend wijzigen, zijn deze criteria niet geschreven. Ruimtelijke systemen Bij de installaties is geen onderscheid gemaakt naar ruimtelijke systemen. Wel is er een onderverdeling naar type ingreep. Beoordeling Een installatie kan eenvoudig getoetst worden als aan de volgende standaardcriteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken.
De criteria zijn geschreven met als doel zo veel mogelijk zekerheid te geven over een positief resultaat van de welstandstoets en een eenvoudige vergunningsprocedure. Trendsetters Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand. Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze worden getoetst en vergund. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden. Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt. Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2.
87
Hoofdstuk 6 | Installaties
Alle systemen
Voor installaties geldt: n
n
n n
n
n n n
n n
geen installaties aan gevels grenzend aan de openbare ruimte (met uitzondering van reversibele terrasverwarmingsinstallaties) installaties inpandig realiseren (tenzij er aantoonbare redenen zijn dat deze niet of niet geheel inpandig kunnen worden gerealiseerd) aanbrengen afgestemd op de vormentaal en het karakter van de gevel en het gebouw aandacht schenken aan het reliëf, de ornamentiek en de materiaalverschillen in de compositie van het pand of ensemble in plaatsing en maatvoering penanten, lateien, dorpels, lijsten, speklagen, rollagen en vergelijkbare elementen van gevels en dak respecteren onopvallend van vorm, detaillering en kleur duurzame materialen gelijk aan of afgestemd op het pand en op de belendingen installaties hebben een neutrale kleurstelling, waardoor de opbouw tegen de lucht of de achterliggende gevel wegvalt bij meerdere installaties op een dak deze in beginsel clusteren en voorzien van een ombouw aan de gevel bevestigde elementen zijn bescheiden in maat en onopvallend van vorm en kleur (bijvoorbeeld geen contrasterende kleuren of aanlichting van een gevel)
Schoorstenen Voor schoorstenen geldt ook: n n
onopvallend vormgeven in kleur en materiaal afstemmen op het gebouw
Afvoerkanalen Voor afvoerkanalen geldt ook: n n
n n n n
hoogstens één afvoerkanaal aan, op of bij een pand het afvoerkanaal is per ensemble, blok of cluster gelijkvormig aan eerder geplaatste afvoerkanalen, mits deze recent een positieve welstandsbeoordeling hebben gehad als één geheel vormgeven (recht en zonder bochten) indien zichtbaar vanaf de weg of het openbaar groen slank vormgeven terughoudend uitvoeren en afstemmen op het hoofdgebouw materialen en kleuren onopvallend (zoals gegalvaniseerd staal, antraciet of een andere grijstint)
Liftopbouwen Voor liftopbouwen geldt ook: n n n
als zij technisch niet inpandig te realiseren zijn op een dak plaatsen zo laag mogelijk houden en zo plaatsen, dat deze niet zichtbaar zijn vanaf de straat uitvoeren in een neutrale kleurstelling waarmee deze tegen de lucht wegvalt of zo uitvoeren dat deze visueel past in de achterliggende gevel
Small cells Voor small cells ten behoeve van openbare netwerken geldt ook: n n
n n
plaatsing aan gevels grenzend aan de openbare ruimte is mogelijk indien onopvallend aanbrengen tegen de dakrand, binnen de begrenzing van puibalken of vergelijkbare onopvallende posities kabels en andere toevoeren in beginsel inpandig oplossen uitvoeren in een neutrale kleurstelling die visueel past bij de achterliggende gevel
Erfgoed Voor monumenten en beschermde gezichten geldt ook: n
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
installaties inpandig oplossen (tenzij er aantoonbare redenen zijn dat de installaties niet (geheel) inpandig kunnen worden gerealiseerd)
88
Hoofdstuk 6 | Groene daken
13. Groene daken Groene daken zijn daken met extensief groen dat niet bedoeld is als beloopbare tuin (zie voor intensieve of beloopbare groene daken de criteria voor dakterrassen en daktuinen). Een voorbeeld van een groen dak is het aanbrengen van vetplanten, waarvoor relatief weinig bouwkundige voorzieningen nodig zijn. Uitgangspunten Extensief groen is meestal zonder veel bouwkundige voorzieningen op een plat dak aan te brengen en kan onder voorwaarden ook op hellende daken worden gerealiseerd. Als het dak vanuit de openbare ruimte niet nadrukkelijk in het zicht ligt, is het goed mogelijk om ook op bestaande daken groen aan te brengen. Bij seriematige bebouwing is het uitgangspunt dat belendingen aan kunnen sluiten op een gerealiseerd groen dak. Voor individuele bebouwing is dit geen overweging. De criteria voor groene daken zijn bedoeld voor alle ruimtelijke systemen. Beoordeling Een groen dak kan eenvoudig getoetst worden als aan de volgende standaardcriteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. De criteria zijn geschreven met als doel zo veel mogelijk zekerheid te geven over een positief resultaat van de welstandstoets en een eenvoudige vergunningsprocedure. Trendsetters Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand.
Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze worden getoetst en vergund. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden. Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt. Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2. Criteria Voor extensieve groene daken geldt: n
n
aanleggen op platte en licht hellende daken: - bij een maximale hellingshoek ten opzichte van de horizontaal kleiner of gelijk aan 25 graden - een eventuele opstand voor een dikker dakpakket minstens 1,00 m plus de dikte van het pakket uit de dakrand terugleggen en deze opstand onnadrukkelijk vormgeven (bijvoorbeeld een zinken rand) aanleggen op schuine daken: - niet op pannendaken, leiendaken of daken met een vergelijkbare afwerking - niet nadrukkelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte
Monumenten n extensieve groene daken op een rijks- of gemeentelijk monument zijn alleen toegestaan als de architectuurhistorische of monumentale waarden niet worden aangetast (een monumentenvergunning is vereist)
89
7. Welstandscriteria categorieën Inleiding Er zijn gebouwtypen of bouwwerken te benoemen die zo gebiedseigen zijn, een specifieke functie hebben of beeldbepalend zijn dat daarvoor afzonderlijke criteria kunnen worden opgesteld. Dit worden categorieën genoemd. De welstandscriteria voor categorieën moeten worden gezien als de gewenste eigenschappen van het bouwplan. Wilt u iets wijzigen aan een categorie, bijvoorbeeld isolatie aanbrengen of een dakkapel toevoegen? Kijk dan niet alleen bij de criteria voor die specifieke categorie, maar ook bij de standaardoplossingen voor veel voorkomende kleine bouwplannen (hoofdstuk 6).
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
Specifieke bouwwerken Welstandscriteria zijn opgesteld voor de volgende categorieën: n n n n n n n n
Gevelreclame (1) Steigers en watertrappen (2) Houten huizen (3) Boerderijen (4) Stolpen (5) Kaakbergen (6) Kleine windinstallaties (7) Kiosken (8)
Trendsetter Een trendsetter is een plan, dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden, dus voor een bouwblok, ensemble of een buurt met een vergelijkbare architectuur. Niet ieder bouwwerk is automatisch een trendsetter. Een eerder op dezelfde woning of hetzelfde bouwblok goedgekeurd plan is dit
Hoofdstuk 7 | Inleiding
in de regel wel. Ook een oorspronkelijke optie voldoet op deze gronden aan redelijke eisen van welstand. Welstandsvrije objecten Onderstaande objecten worden niet preventief aan redelijke eisen van welstand getoetst: n scootsafes n bouwwerken die behoren tot volkstuincomplexen (met uitzondering van de hoofdgebouwen en afwijkende functies) n de inrichting van de openbare ruimte, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van 3,00 m (zoals banken, stallingsmogelijkheden voor fietsen en speeltoestellen) n verkeerskundige objecten zoals stoplichten en matrixborden
Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021
90
91
Hoofdstuk 7 | Gevelreclame
1. Gevelreclame Inleiding De invloed van reclame op het stadsbeeld is groot. Reclame past lang niet altijd bij de architectuur van de gebouwen en het karakter van het gebied. Deze criteria beogen ontsierende reclame tegen te gaan. Zij gelden als welstandscriteria in de zin van de Woningwet én als nadere regels voor de toelaatbaarheid van reclame op onroerende zaken als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Er wordt in de regelgeving onderscheid gemaakt tussen gevelreclame en reclame in de openbare ruimte. Gevelreclame Gevelreclame betreft reclame op gebouwen en heeft betrekking op de onderneming die in het betreffende pand is gevestigd. Een uitgebreide definitie en de criteria waaraan gevelreclame moet voldoen zijn in dit hoofdstuk van de welstandsnota vastgelegd. Reclame en reclame gerelateerde objecten in de openbare ruimte Het beleidskader Buitenreclame geeft aan hoe de gemeente Amsterdam omgaat met reclame in de openbare ruimte. De reikwijdte betreft alle reclame die zich in de openbare ruimte bevindt. Hieronder valt commerciële buitenreclame op onder andere billboards, reclamemasten, informatiepanelen (waaronder zogenaamde MUPI’s) en culturele affichage, handelsnaamreclame, overige reclame gerelateerde objecten en reclame tijdens de bouw. Voor veel objecten geldt dat voorafgaande aan de plaatsing een omgevingsvergunning voor bouwen nodig is.