CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. De Schoonheid van Amsterdam.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 10 januari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief ter afdoening van motie 205.2023 ‘Mooi Bouwen’ van lid Boomsma (CDA). (VN2023-025168)39.917 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bij de toepassing van deze criteria is eerder sprake van een exces: n

naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap;

n

naarmate een gebied een hoger welstandsniveau en/of hogere cultuurhistorische waarde heeft, zeker als er sprake is van ensemblewaarde;

n

naarmate er meer van de genoemde criteria van toepassing zijn.

24

4. Welstandscriteria duurzame stad Inleiding Amsterdam moet duurzamer worden. Een grote slag kan worden gemaakt met het duurzaam maken van de bestaande bebouwing. Bebouwing in de oudere buurten is, ook al is zij technisch gesproken verouderd, van grote betekenis voor de stad. Door het specifieke karakter, de belevingswaarde en veranderbaarheid is deze bebouwing buitengewoon in trek bij de moderne stedeling. Tegelijkertijd komt door het streven om haar duurzamer te maken, dit karakter juist onder druk te staan. Dit hoofdstuk bevat geen letterlijke criteria voor duurzaamheid. Het bevat wel verwijzingen die uitsluitend bedoeld zijn als verduidelijking van en toelichting op de welstandscriteria in de volgende hoofdstukken, toegespitst op duurzaamheidsingrepen. Voor beschermde stads- en dorpsgezichten en voor monumenten gelden deze verwijzingen in de regel niet. Duurzaamheidsingrepen zijn (tenzij de Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

welstandsnota anders vermeldt) bij monumenten en beschermde gezichten maatwerk en vereisen een gewogen oordeel. Ontwerpaspecten Maatregelen voor energiebesparing zoals het aanbrengen van dubbel glas of isolatie aan de buitenkant, een zonnepaneel of warmtepomp leiden tot zichtbare wijzigingen van gevels en daken. De opbouw en indeling van de gevel en het dak zijn een belangrijk onderdeel van de architectonische vormgeving van een gebouw en/of de straatwand. Dergelijke wijzigingen moeten dan ook passen bij het karakter van een gebouw en de karakteristiek van de omgeving. Bij naoorlogse woningbouw zijn de mogelijkheden voor ingrijpende wijzigingen ruimer dan bij de kenmerkende negentiende eeuwse architectuur. Voorwaarde is echter dat de samenhang van een ensemble niet wordt verstoord, tenzij er een totaal nieuw beeld wordt gecreëerd dat voldoet aan redelijke eisen van welstand. Ingrepen als het aanbrengen van

25

Hoofdstuk 4 Welstandscriteria duurzame stad

buitengevelisolatie, het vervangen van kozijnen, het renoveren van balkons en het aanleggen van (individuele) centrale verwarmingssystemen dienen in samenhang met elkaar te worden ontwikkeld. Daarnaast verdient het aanbeveling rekening te houden met de duurzaamheid van de benodigde verbouwing. De productie, het vervoer en de verwerking van de materialen heeft ook gevolgen en is daarmee van invloed op de totale duurzaamheid van een plan. Voorkant en achterkant Bij de beoordeling op welstand wordt een verschil gemaakt tussen ‘voorkant’ en ‘achterkant’: een ingreep aan voor- of zijgevels en dakvlakken die naar de openbare ruimte zijn gekeerd, is in het algemeen kwetsbaarder dan een ingreep aan de achterkant, waar de mogelijkheden, zoals de toepassing van buitengevelisolatie, ruimer zijn. Veel gebouwen in het ruimtelijk systeem AUP en Post-AUP zijn met alle gevels naar de openbare ruimte gekeerd en kennen daarom alleen maar voorkanten. Een ingreep zal zich dan rekenschap moeten geven van de zichtbaarheid van alle gevels vanuit de openbare ruimte en van de alzijdigheid van gebouwen. De stad wil aan achterzijden veel ruimte geven aan maatregelen, die de duurzaamheid vergroten. Welstand is hier beperkt tot het voorkomen van excessen. Alleen als een plan onevenredig afbreuk doet aan het uiterlijk van een bouwwerk zal de belangenafweging niet uitvallen in de richting van duurzaamheid.

Van onevenredigheid kan sprake zijn als de staat en de (cultuurhistorische) waarde van de gevels zodanig is, dat de maatregelen deze geweld aandoen. Aan een voorkant wordt, in verband met het aanzien van de stad, meer architectonische kwaliteit gevraagd en rekening gehouden met de oorspronkelijke karakteristiek. Het zal vanuit deze overweging niet in alle gevallen mogelijk zijn om een gevel van buiten te isoleren. Leeswijzer Er zijn negen verwijzingen met toelichting naar de criteria in de volgende hoofdstukken. Zij vormen een leeswijzer hoe duurzaamheidsingrepen in de bestaande bouw worden beoordeeld: n n n n n n n n n

kozijnwijzigingen (1) buitengevelisolatie (2) ventilatieroosters (3) dakisolatie (4) groene daken (5) energie- en klimaatinstallaties (6) aan- en afvoerkanalen (7) energiepanelen (8) kleine windinstallaties (9)

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

Voor beschermde stads-en dorpsgezichten en voor monumenten gelden deze verwijzingen in de regel niet. Duurzaamheidsingrepen zijn (tenzij de welstandsnota anders vermeldt) bij monumenten en beschermde gezichten maatwerk en vereisen een gewogen oordeel. Beoordeling Bij de beoordeling van een duurzaamheidsvoorziening aan een bestaand gebouw wordt bekeken of deze voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het kan zijn dat het niet mogelijk is hieraan te voldoen. In dat geval weegt de gemeente af of in strijd met redelijke eisen van wel- stand, toch een omgevingsvergunning kan worden verleend. De beoordeling vindt als volgt plaats: Stap 1 De bouwkundige ingreep wordt getoetst aan de criteria in hoofdstuk 6 ‘Standaardtoets voor veel voorkomende kleine bouwplannen) of in paragraaf 7.7 ‘Kleine windinstallaties’. Indien daaraan niet wordt voldaan, volgt stap 2. Stap 2 De bouwkundige ingreep wordt getoetst aan de relatieve criteria uit hoofdstuk 8 ‘Welstandscriteria ruimtelijke systemen’. Indien daaraan niet wordt voldaan, volgt stap 3. Stap 3 De bouwkundige ingreep wordt getoetst aan de algemene criteria, die worden gebruikt bij afwijkende plannen. Het is raadzaam hierover met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in contact te treden. Indien ook dit leidt tot een negatief advies, volgt stap 4.

Stap 4 Het bestuur (het bevoegd gezag) bepaalt of, al is het bouwwerk in strijd met redelijke eisen van welstand, toch vergunning kan worden verleend. Bij de afweging speelt een rol of bij een duurzaamheidsvoorziening voldoende doelmatig is gelet op de duurzaamheidsdoelstellingen. De betrokken milieuambtenaar voorziet de vergunningaanvraag van advies.

Hoofdstuk 4 Welstandscriteria duurzame stad

1. Kozijnen Een kozijn past bij het karakter van het gebouw en bij de karakteristiek van de omgeving. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor kozijnwijzigingen in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 6.3) n aan de achterkant geldt de excessenregeling (paragraaf 3.4) 2. Buitengevelisolatie Buitengevelisolatie is toelaatbaar indien deze past bij het karakter van het gebouw en bij de karakteristiek van de omgeving. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor gevelwijzigingen in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 6.4) n aan de achterkant geldt op een enkele uitzondering na de excessenregeling (paragraaf 3.4) Toelichting Een isolatiepakket is toelaatbaar indien de voor de karakteristiek belangrijke bouwkundige elementen zoals lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en metselwerk niet onevenredig worden aangetast. Het belang van deze elementen is afhankelijk van de karakteristiek van de aanwezige bebouwing en de stedenbouwkundige context. Bij de interpretatie van de karakteristiek wordt gebruik gemaakt van de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen en het gebiedsgerichte beoordelingskader. Aan de achterkant geldt in beginsel alleen de excessenregeling. Een eventuele uitzondering op deze regel is afhankelijk van de staat en de (cultuurhistorische) waarde van de gevel. 3.

Ventilatieroosters Ventilatieroosters maken deel uit van de architectonische vormgeving of zijn niet zichtbaar vanaf de weg of het openbaar groen. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor gevelwijzigingen in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 6.4) n aan de achterkant geldt de excessenregeling (paragraaf 3.4) Toelichting Een ventilatierooster maakt qua vormgeving, materiaal en plaatsing deel uit van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand.

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

26 Indien dit niet mogelijk is: opnemen in het kozijn of aan de achterzijde van het gebouw aanbrengen. 4. Dakisolatie Dakisolatie respecteert de architectuureenheid, die is gebouwd naar hetzelfde ontwerp. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor gevelwijzigingen in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 6.4) Toelichting Dakranden, daklijsten, boeidelen en nokpannen dienen bij het aanbrengen van dakisolatie als bindend element in de architectuureenheid te blijven functioneren, daarbij doorgaande lijnen handhaven. Opnieuw vormgeven van deze onderdelen per architectuureenheid kan een oplossing zijn. Uitzondering zijn panden in orde 1 en 2, waarvoor het bestaande beeld uitgangspunt is. Hiervoor kan het handhaven van de daklijn door een overgangsdetail een oplossing zijn, bijvoorbeeld door het dakschild van een afgeplatte kap aan de binnenzijde te isoleren en het daarachter gelegen platte dak met een verholen goot van buitenisolatie te voorzien. Aan de achterkant is een individuele wijziging van de dakrand eventueel mogelijk. De eerste ingreep is de trendsetter voor volgende ingrepen binnen de architectuureenheid. Uitzondering zijn panden in orde 1 en 2, waarvoor het bestaande beeld uitgangspunt is. 5. Groene daken Een groen dak respecteert de architectuureenheid die is gebouwd naar hetzelfde ontwerp.

Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor groene daken in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 6.13). Bij het wijzigen van de dakrand zijn de specifieke welstandscriteria voor gevelwijzigingen in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 6.4) van toepassing. Bij het maken van een daktuin gelden de criteria voor dakterrassen en daktuinen (paragraaf 6.9) Toelichting De invulling met flora maakt geen onderdeel uit van de welstandstoets, wel de bouwkundige voorzieningen die nodig zijn om de flora te dragen. Voor de bouwkundige voorzieningen betekenen deze criteria het volgende: Dakranden, daklijsten, boeidelen en nokpannen dienen bij het aanbrengen van een groen dak als bindend element in de architectuureenheid blijven functioneren.

Hoofdstuk 4 Welstandscriteria duurzame stad

Doorgaande lijnen in beginsel handhaven. Opnieuw vormgeven van deze onderdelen per architectuureenheid kan een oplossing zijn. Uitzondering zijn panden in orde 1 en 2, waarvoor het bestaande beeld uitgangspunt is. Hiervoor kan het handhaven van de daklijn door een overgangsdetail een oplossing zijn, bijvoorbeeld door het dakschild van een afgeplatte kap aan de binnenzijde te isoleren en het daarachter gelegen platte dak met een verholen goot van buitenisolatie te voorzien. De uitbreiding van het bouwvolume en eventuele hekwerken komen vanaf de straat niet zichtbaar in beeld (als vuistregel gerekend met een zichtlijn van vijfenveertig graden). Aan de achterkant is een individuele wijziging van de bindende elementen eventueel mogelijk. De eerste ingreep vormt de trendsetter voor volgende ingrepen binnen de architectuureenheid. Bij orde 1 en 2 panden blijft ook aan de achterkant het bestaande beeld uitgangspunt. Groene daken met een hellingshoek van meer dan vijfentwintig graden komen in de praktijk zo zelden voor, dat zij per geval afzonderlijk beoordeeld worden aan de hand van de algemene criteria van welstand en het gebiedsgerichte beoordelingskader. 6.

Energie- en klimaatsinstallaties Een energie- of klimaatinstallatie is, zoals een warmtepomp, voor zover zij geen deel uitmaakt van het architectonisch ontwerp van het gebouw, onopvallend geplaatst en verstoort het samenhangend stelsel van maatverhoudingen van het gebouw niet. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor installaties (paragraaf 6.12) Toelichting Installaties indien mogelijk inpandig plaatsen. Respecteren van elementen van gevels en dak kan door een neutrale kleurstelling en plaatsing midden op het dak, zodanig dat de installatie niet zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. Aan de achterkant een minimale afstand tot de dakrand conform de 45-gradenregeling. Dat wil zeggen: hoogte installatie = minimale afstand tot dakrand. Bij meer dan één installatie, bij lange zichtlijnen, of bij plaatsing op lager gelegen dakvlakken, de installatie(s) voorzien van een ombouw.

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

27 7. Aan- en afvoerkanalen Een aan- of afvoerkanaal ten behoeve van een centrale verwarmingsinstallatie van een woning is onopvallend geplaatst. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor installaties, de daarbij behorende criteria voor schoorstenen en afvoerkanalen (paragraaf 6.12). Daarnaast zijn bij het wijzigen van het gevelbeeld de specifieke welstandscriteria voor gevelwijzigingen in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 6.4) van toepassing. Toelichting Zorgvuldig plaatsen, bij voorkeur tegen de achtergevel (niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte). Gemoffeld in een neutrale, matte kleur. Bij panden in orde 1 en 2 (in zoverre het geen monument betreft) uit het zicht wegwerken, zo dicht mogelijk tegen de achtergevel en binnen de balkonzone, opnemen in de balkonkasten of voorzien van een omkleding. 8. Zonnepanelen en zonnecollectoren Zonnepanelen en zonnecollectoren op daken doen niet, of slechts in beperkte mate afbreuk aan de karakteristiek van het dak of het daklandschap. Zonnepanelen en zonnecollectoren op daken zijn onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij, behalve bij een monument. Zie voor de voorwaarden www.omgevingsloket.nl en de brochure ‘Zonnecollectoren en zonnepanelen’ van het Ministerie van Binnenlandse zaken. Ook in beschermde stads- en dorpsgezichten kunnen zonnepanelen toegepast worden.

Daarvoor gelden aanvullende voorwaarden. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor zonnepanelen en zonnecollectoren in paragraaf 6.11. 9. Kleine windinstallaties Een op een dak geplaatste kleine windinstallatie (KWI) respecteert de samenhang in de bebouwing en voegt zich in de stedenbouwkundige context. Welke criteria zijn van toepassing? n de specifieke welstandscriteria voor kleine windinstallaties in de verschillende ruimtelijke systemen (paragraaf 7.7) Toelichting De stedenbouwkundige context (tot uitdrukking komend in het bestemmingsplan) is bepalend of een kleine windinstallatie geplaatst kan worden. Voor de beschermde stads- en dorpsgezichten zijn de mogelijkheden beperkter dan in andere gebieden. Hetzelfde geldt voor monumenten.

28

5. Welstandscriteria voor erfgoed Inleiding De Westertoren, de Hermitage, het Olympisch Stadion, Het Schip, het Vondelpark, Tuindorp Frankendaal, het voormalig Burgerweeshuis, of Brug 705: het zijn maar 8 van de 8.000 monumenten die Amsterdam rijk is. Amsterdam telt ook vijf rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten. Naast wettelijk beschermde monumenten en gezichten kent de stad een aantal ruimtelijke systemen van bijzondere cultuurhistorische waarde: de 19de-eeuwse Ring, de Gordel ’20-’40 en het AUP. Bovendien heeft een deel van het gebied binnen de Singelgracht de status van Werelderfgoed. Alle gebouwen en zones die van historische waarde zijn – óók de niet wettelijk beschermde – worden gerekend tot het Amsterdams erfgoed en vormen een belangrijk onderdeel van het culturele kapitaal van de stad. Welke gebieden en bouwwerken dit zijn, is te Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

vinden op de waarderingskaarten (zie de bijlage van deze welstandsnota). In dit hoofdstuk worden de criteria beschreven die bij de beoordeling van al dit erfgoed gehanteerd worden.

5.1 B  eschermde stads- en dorpsgezichten Beschermde stads- en dorpgezichten zijn gebieden die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun onderlinge samenhang of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Het gaat in een beschermd gezicht niet alleen om de afzonderlijke gebouwen die een bepaalde waarde vertegenwoordigen, maar juist om de onderlinge samenhang en de daarbij behorende structuur, dan wel aanleg, die een cultuurhistorische betekenis heeft. Bij beschermde gezichten wordt onderscheid gemaakt tussen van rijkswege en van gemeentewege beschermde gezichten. De van rijkswege beschermde

29

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

gezichten zijn: ‘Amsterdam binnen de Singelgracht’, Plan Zuid van H.P. Berlage in de gordel ’20-’40, beschermd gezicht Amsterdam-Noord en de Waterlandse dorpen Durgerdam, Ransdorp en Holysloot. Amsterdam heeft ook vijf gemeentelijk beschermde stadsgezichten: “Van Eesteren”, een deel van de Tuinstad Slotermeer in Nieuw-West. Het is vernoemd naar de stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren, onder wiens leiding het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP)van Amsterdam werd ontwikkeld. In 2017 is een tweede gebied binnen het AUP van Van Eesteren aangewezen, de Noordoever van de Sloterplas. Tegelijk werd in Nieuw-West ook de oude dorpskern van Sloten aangewezen als beschermd gezicht. Het gebied ‘Bijlmermuseum’ is vanwege de stedenbouwkundige opzet, de kenmerkende honingraatstructuur van de hoogbouw en de cultuurhistorische waarde in mei 2019 aangewezen als beschermd gezicht. Recent, in december 2020, heeft de gemeenteraad het IJplein in Noord dat tot stand kwam onder leiding van coördinerend architect Rem Koolhaas en met de nodige bewonersinspraak, aangewezen als beschermd stadsgezicht. In een beschermd gezicht is het slopen van panden moeilijker, omdat de waarde van de bestaande bebouwing nadrukkelijk een rol speelt in het afwegingsproces.

Bij verbouwings- of vernieuwings­ plannen wordt strenger beoordeeld of een plan een stedenbouwkundige of architectonische verbetering voor het geheel oplevert. Er wordt vooral gekeken naar het behoud van de samenhang. Daarom gelden ook in een beschermd gezicht deels andere regels voor vergunningvrij bouwen.

Bij twijfel of een bouwwerkzaamheid wel of niet vergunningvrij is, is het aan te bevelen contact op te nemen met het stadsdeel of M en A, dat als kennisbank en vraagbaak fungeert voor verbouwingen, restauraties en het energiezuiniger maken van monumenten. Beoordeling van monumenten Is een pand aangewezen als monument, dan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) tegelijkertijd twee adviezen uitgebracht: n

Advies aspect ‘bouwen’ Een advies over het aspect ‘bouwen’, waarbij het beoordelingskader, afhankelijk van het soort bouwplan, wordt gevormd door de criteria voor orde 1 in hoofdstuk 6 ‘Standaardtoets voor veel voorkomende kleine bouwplannen’, de welstandscriteria voor categorieën (zie hoofdstuk 7), de welstandscriteria voor de ruimtelijke systemen (zie hoofdstuk 8) of de algemene welstandscriteria. Daarnaast wordt ook beoordeeld hoe een bouwkundige ingreep zich verhoudt tot de cultuurhistorische waarde van het monument.

n

Advies aspect ‘monument’ Een advies over het aspect ‘monument’, op basis van de Erfgoedwet (voorheen Monumentenwet 1988) en de gemeentelijke verordeningen. M en A treedt op als adviseur van de CRK: een adviesaanvraag voor een monument wordt pas door de CRK behandeld nadat M en A een rapportage heeft gemaakt waarin de gevolgen van een bouwplan voor de monumentale waarden zijn geanalyseerd. De CRK beoordeelt vervolgens of in bouwplannen voldoende zorgvuldig wordt omgegaan met veranderingen aan monumenten. Daarbij gaat het niet alleen om het exterieur, maar ook om de gevolgen voor de interieurelementen en de structuur van het monument.

5.2 Monumenten Net als bij de beschermde gezichten zijn er in Amsterdam twee categorieën beschermde monumenten: rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Een rijksmonument is een gebouw of object dat cultuurhistorisch gezien van nationaal belang is vanwege schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Voor een gemeentelijk monument geldt hetzelfde, maar dan gaat het om lokaal belang. De juridische kaders voor de bescherming van monumenten worden gevormd door de Erfgoedwet (voorheen Monumentenwet 1988) en de erfgoed­ verordening van de gemeente. Op de website van Monumenten en Archeologie (M en A) is te vinden of een pand voorkomt op de lijst van rijks- of gemeentelijke monumenten. Bij een monument zijn de mogelijkheden voor het vergunningvrije bouwen uiteraard beperkter dan bij een niet-monument. Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

De algemene uitgangspunten bij de beoordeling van een monument zijn: n

Een bouwplan aan een monument vraagt om een individuele aanpak Elk monument heeft zijn eigen, unieke kenmerken. Alleen als er een goed beeld bestaat van de aspecten die juist dat monument waardevol maken, kan bij plannen het benodigde maatwerk worden geleverd. Bij de beoordeling van plannen wordt getoetst of de monumentale aspecten van het pand of object voldoende worden gerespecteerd.

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

n

Het monument is uitgangspunt Niet elke functie past in elk monument. De aard en structuur van het monument kan een nieuw gebruik beperken. Bij wijzigingen draait het steeds om het vinden van een goede balans tussen de wensen van de gebruiker en de mogelijkheden die het monument biedt. Elke ingreep wordt gemotiveerd door een zorgvuldige afweging.

n

De bouw- en gebruiksgeschiedenis maakt monumenten interessant Een monument ontleent veelal zijn waarde aan de bouwgeschiedenis. Latere wijzigingen of toevoegingen kunnen van groot belang zijn omdat de bouwgeschiedenis van een gebouw daaraan afleesbaar is.

n

Behoud van historisch materiaal heeft de voorkeur Constructie, materiaal, afwerking en detail bepalen de fysieke ouderdom van het monument en zijn essentieel voor de monumentale waarde.

n

Toevoegingen en veranderingen aan monumenten moeten reversibel zijn Een verandering moet in beginsel een toevoeging zijn die weer ongedaan kan worden gemaakt, zonder de monumentale waarden aan te tasten.

n

Nieuw toe te passen materialen moeten compatibel zijn Historische materiaaltoepassingen en/of constructiewijzen zijn niet altijd verenigbaar met de hedendaagse bouwmaterialen of constructiewijzen. De toe te passen technieken mogen geen mechanische, fysische of chemische schade toebrengen aan een monument.

Door M en A is een beleidskader samengesteld, waarin restauratieve richtlijnen voor het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van beschermde objecten worden aangegeven. Deze richtlijnen zijn bedoeld als leidraad voor planontwikkeling, planbeoordeling en de uitvoering van verbouwings- of restauratiewerkzaamheden. Dit beleidskader vormt onderdeel van het toetsingskader bij de beoordeling van monumenten.

5.3 Waarderingskaarten en ordepanden Niet alleen monumenten of architectonische hoogtepunten zijn van cultuurhistorisch belang, maar ook het weefsel tússen de beschermde monumenten. Om ervoor te zorgen dat ook zorgvuldig wordt omgegaan met waardevolle panden en gebieden die niet wettelijk beschermd zijn, heeft Amsterdam Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

30 waarderingskaarten opgesteld voor veel gebieden. Zo zijn er waarderingskaarten voor de Binnenstad, de Gordel ’20-’40, de 19de-eeuwse Ring en de AUP gebieden. Hierin worden de buurten in hun samenhang en onderlinge verscheidenheid beschreven en met elkaar vergeleken. De bebouwing is vervolgens op pandniveau gewaardeerd in vier (19de-eeuwse Ring en Gordel ’20-’40) respectievelijk drie ordes (Binnenstad en AUP gebieden), opklimmend van de laagste basis­ orde respectievelijk orde 3 naar de hoogste orde 1. De criteria die uit de waardering van de architectuur in deze kaarten zijn afgeleid, vormen de basis voor de welstandsbeoordeling van bouwinitiatieven. Met uitzondering van de Waarderingskaart Beschermd Stadsgezicht Centrum zijn niet alleen de individuele gebouwen gewaardeerd, maar is ook aan de stedenbouwkundige samenhang een waardering gegeven. In deze gebieden speelt deze stedenbouwkundige waardering eveneens een rol bij de beoordeling van plannen. Waarderingskaart Beschermd Stadsgezicht Centrum In het centrum van Amsterdam vormen stedenbouw­ kundige structuur, bebouwing en publieke ruimten samen één van de mooiste, grootste en best bewaarde historische binnensteden van Europa. De binnenstad is van zeer grote cultuurhistorische waarde en daarom aangewezen als beschermd stadsgezicht op grond van de Monumentenwet.

Zowel het ruimtelijk beleid als het welstandsbeleid zijn gericht op de instandhouding van de aanwezige waarden. In de context van het beschermd gezicht passen omzichtigheid en terughoudendheid. Bouwinitiatieven moeten zich voegen naar de bestaande, historisch gegroeide structuur en architectuur van de binnenstad en mogen die niet verstoren. Dit houdt ook in dat het beleid aanstuurt op behoud, herstel en restauratie; voor nieuwbouw zijn slechts incidenteel mogelijkheden. De Waarderingskaart Beschermd Stadsgezicht Centrum vat het beschermde stadsgezicht binnen de grenzen van de Amsterdamse binnenstad samen. Dit gebeurt in zogenoemde ordes, waarbij getrapt uitgangspunten voor bouwactiviteiten worden gegeven. Recentelijk is de behoefte ontstaan om ook de bouwwerken uit de Wederopbouwperiode in kaart te brengen en te waarderen volgens het ordesysteem. De bouwkunst uit deze periode heeft inmiddels een leeftijd bereikt van 40-70 jaar. Hierdoor bestaat er voldoende afstand voor beoordeling in aansluiting op de landelijke trend. Stadsdeel Centrum heeft de waarderingen opgenomen in de verbeelding (kaart) behorend bij het bestemmingsplan. Bij de actualisatie van het

31

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

bestemmingsplan worden voortaan panden uit de periode 1940- 1970 dus ook van een ordewaardering voorzien. Voorts is er een catalogus opgesteld, getiteld ‘1940-1970. Wederopbouwpanden in de binnenstad gewaardeerd’. Aanvulling op de waarderingskaart beschermd stadsgezicht stadsdeel Centrum.” In deze catalogus zijn de waarderingen van de wederopbouwpanden gelegen in de bestemmingsplangebieden voor de Zuidelijke en Westelijke Binnenstad en in bestemmingsplan Postcodegebied 1012 opgenomen. Ook is de karakteristiek per pand omschreven. Het geeft daarmee een goed beeld van de hoeveelheid en soort panden uit de periode 1940-1970. De catalogus is bedoeld als handreiking voor de CRK.

een kwaliteitstoets van de straatgevel wordt bepaald of sprake is van panden met cultuurhistorische, bouwhistorische, architectuurhistorische en/of stedenbouwkundige waarden. Wanneer dat het geval is, is behoud van de gevel en kap het uitgangspunt. Het kwaliteitsniveau van deze genoemde waarden bepaalt of sloop/nieuwbouw mogelijk is. Van orde 3 zijn tevens panden uit de periode tussen 1940 en 1970 die in cultuurhistorisch, architectuurhistorisch of, in zeldzame gevallen, stedenbouwkundig opzicht een positieve bijdrage leveren aan de beeldkwaliteit of op andere wijze een positieve betekenis hebben voor de stad. n

Orde 2 Dit zijn bouwwerken van vóór 1940, die vanwege hun hoge architectonische kwaliteit, hun plaats in de stedenbouwkundige structuur en/of als toonaangevend element in de gevelwand een belangrijke bijdrage leveren aan het stadsbeeld. Uitgangspunt bij orde 2 panden is behoud/ restauratie. Bij verbouwing dient te worden uitgegaan van een restauratieve aanpak van de straatgevels en de kap. Oorspronkelijke gevelelementen dienen te worden gehandhaafd en indien nodig hersteld. Hierbij is gebruik van niet-authentieke materialen toegestaan, mits deze visueel volledig overeenkomen met de oorspronkelijke vorm, kleur en detaillering. In afwijking hiervan mag de eerste bouwlaag van straten die als winkellint (plus) zijn omschreven, afwijkend worden vormgegeven, mits de oorspronkelijke, waardevolle karakteristiek van de winkelpui niet wordt verstoord. Wanneer de bouwkundige staat zo slecht is dat de kap en de straatgevels in de oorspronkelijke staat niet meer te handhaven zijn, dan is het mogelijk om onder nadere voorwaarden tot herbouw over te gaan. Belangrijkste voorwaarde is dat deze herbouw het stadsbeeld niet aantast. De vanaf de straat zichtbare gevels en dakvorm moeten dan nauwkeurig naar het origineel worden teruggebouwd, waarbij oorspronkelijke gevelelementen zoveel mogelijk dienen te worden gehandhaafd en/of hersteld.

Van orde 2 zijn tevens panden van na 1940, maar voor 1970 van zeer bijzondere cultuurhistorische, architectuurhistorische of in zeldzame gevallen stedenbouwkundige betekenis.

n

Orde 1 Dit zijn rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en panden met een vergelijkbare cultuurhistorische waarde. Uitgangspunt bij orde 1 panden is behoud/restauratie.

Qua volume worden drie hoofdtypen onderscheiden: ten eerste het kleinschalig bouwwerk dat zich voegt in de straatwand. Hiervoor kunnen de reguliere criteria voor het stadshuis gebruikt worden. Een tweede type is het grote kolossale, vaak monofunctionele gebouw, dat een stempel drukt op het stadsbeeld, maar waarvan de stedenbouwkundige inpassing vaak botst met het historische stadsbeeld. Een derde type is de tussenmaat, waarbij er wel sprake is van schaalvergroting, maar niet van kolossale bouwwerken. Voor laatstgenoemde twee typen zijn de reguliere criteria van het stadshuis niet passend en wordt uitgegaan van maatwerk, waarbij de karakteristiek als uitgangspunt dient bij een eventueel transformatieproces. Criteria ordepanden Beschermd Stadsgezicht Centrum De architectonische kwaliteit van de bebouwing wordt in opklimmende waardering aangegeven met orde 3, orde 2 en orde 1. Deze ordes worden als volgt gedefinieerd: n

Orde 3 Dit zijn bouwwerken van vóór 1940, die wat schaal en detaillering betreft passen in de gevelwand waar ze deel van uitmaken, maar geen architectonische of stedenbouwkundige meerwaarde hebben. Binnen de orde 3 panden is sprake van grote kwaliteitsverschillen. Bij verbouwing is behoud en herstel van de oorspronkelijke gevelelementen uitgangspunt. Hierbij zijn veranderingen in materiaal, maatvoering en detaillering toegestaan, mits deze de oorspronkelijke karakteristiek van het gebouw niet verstoren. Wanneer er sprake is van een bouwplan voor een ingrijpende wijziging of sloop van een orde 3 pand wordt een kwaliteitstoets uitgevoerd. Op basis van

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

32

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

n

n

Ensembles en seriebouw Voor ensembles en seriebouw geldt dat de samenhang tussen de verschillende panden moet worden gehandhaafd. Bij verbouwingen waarbij het beeld van de gevel en/of kap wordt gewijzigd, dient dat in de afzonderlijke panden zo te gebeuren dat de samenhang in het ensemble op geen enkele wijze wordt verstoord. Bij ensembles en seriebouw waar de samenhang door eerdere verbouwingen of kozijnvernieuwing is aangetast, dienen bouwinitiatieven bij te dragen aan herstel van de samenhang. Bij orde 3 seriebouw, is het uitgangspunt dat voor sloop van panden die een onderdeel uitmaken van de serie een sloop- en/of bouwvergunning kan worden verleend, mits de kwaliteitstoets dit uitwijst en mits de eenheid van de serie niet in onevenredige mate wordt aangetast. Meer gedetailleerde regelgeving is opgenomen in de welstandsnota onder de specifieke categorie Ensembles en seriebouw. Te vervangen gebouwen en te bebouwen gaten Dit zijn gebouwen die in architectonische zin geen enkele bijdrage aan het stadsbeeld leveren en niet passen in de gevelwand. Vaak gaat het om gebouwen waar grote delen van zijn verdwenen (zoals onderstukken).

n

Nieuwbouw Bebouwing van na 1970 is niet met een orde gewaardeerd. Voor deze bouwwerken zijn in het kader van de ordewaarderingssystematiek geen bijzondere regels opgenomen. Wel geldt voor elk nieuwbouwplan dat deze de karakteristiek van het stadsbeeld niet onevenredig mag aantasten en de gevel een duidelijke indeling van plint, gevelvlak en beëindiging dient te bevatten. Voor nieuwbouw en transformatie zijn in de welstandsnota richtlijnen opgenomen.

n

Verbouwingen Bij verbouwingen dient respect voor het bestaande gebouw uitgangspunt te zijn. Een gebouw, zeker een oud gebouw, heeft in de loop van zijn bestaan vaak vele functies gehad. Toch is het niet zo dat een gebouw voor alle functies te gebruiken is. Niet alle functies passen in elk gebouw: de architectuur van een gebouw mag niet worden aangetast door een te groot programma van eisen. Bij panden waarvan de architectonische waarde door eerdere verbouwingen is aangetast, moet het herstel van de architectonische waarden uitgangspunt zijn. Bruggen Bruggen zijn belangrijke elementen in het stadsbeeld van Amsterdam. Het verschil met gebouwen is dat bruggen vaak sneller worden

n

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

vernieuwd. Dat vernieuwingsproces verloopt over het algemeen geleidelijk. Onderdelen worden vervangen zonder dat het totaalbeeld van de brug sterk wordt gewijzigd. Op de waarderingskaart hebben alle bruggen, net als de gebouwen een orde. De monumenten hebben een orde 1, bruggen die nog grotendeels uit authentieke elementen bestaan hebben een orde 2, oude bruggen die grotendeels uit nietauthentieke onderdelen bestaan, en dus vervangbaar zijn, hebben een orde 3. Bruggen uit de periode 1940-1970 worden inmiddels ook van een ordewaardering voorzien. Geheel nieuwe bruggen zijn als nieuwbouw opgenomen. Waarderingskaart19de-eeuwse Ring De 19de-eeuwse Ring laat als geheel een sterk samenhangend stadsbeeld zien. Niet alle bebouwing heeft echter dezelfde architectonische waarde of stedenbouwkundige kwaliteit. Op de waarderings­ kaarten wordt de architectonische kwaliteit van de bebouwing in een opklimmende waardering aangegeven met basisorde, orde 3, orde 2 en orde 1. In de waarderingskaarten is bovendien aandacht voor architectuureenheden, accenten en symmetrische bebouwing. Ook deze aspecten worden bij de beoordeling van plannen betrokken. Omdat het niet alleen om het individuele gebouw gaat, maar ook om stedenbouwkundige samenhang, is ook aan de stedenbouw een waardering gegeven, oplopend van basiszone naar zone 3, zone 2 en zone 1.

Door de combinatie van deze twee waarderings­ systemen kan genuanceerd naar een bepaalde bebouwing worden gekeken. Architectuur met een lage waardering in een stedenbouwkundig hoogwaardig gebied vraagt om een zorgvuldiger beoordeling dan in een stedenbouwkundig laag gewaardeerd gebied: ordes en zones versterken elkaar of geven nuancering. Criteria ordepanden 19de-eeuwse Ring n

Basisorde Dit zijn voor de periode kenmerkende bouwwerken met basiskwaliteit, of bouwwerken die door ingrijpende wijzigingen hun architectonische meerwaarde hebben verloren. Voor de aanpak van voorgevels en gevels grenzend aan openbaar gebied geldt dat de oorspronkelijke karakteristiek het uitgangspunt vormt. Afwijking van de oorspronkelijke gevelelementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur zijn denkbaar, als deze niet leiden tot een visuele verstoring van de architectuureenheid als geheel en van het straat-

33

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

en/of gevelbeeld. Voor achtergevels geldt: redelijke eisen van welstand. n

Orde 3 Dit zijn karakteristieke bouwwerken met architectonische en/of stedenbouwkundige meerwaarde. Voor de aanpak van voorgevels en gevels grenzend aan openbaar gebied geldt als uitgangspunt het handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. Veranderingen hierin zijn in geringe mate denkbaar als deze overeenstemmen met de oorspronkelijke karakteristiek. Voor achtergevels geldt: redelijke eisen van welstand.

n

Orde 2 Dit zijn monumentwaardige bouwwerken met nadrukkelijke architectonische verbijzondering en bouwwerken met een bijzondere cultuurhistorische betekenis. Voor de aanpak van gevels en kap grenzend aan openbaar gebied geldt als uitgangspunt het handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. In geval van storende verminkingen de oorspronkelijke bouwmassa reconstrueren. Het gebruik van niet-oorspronkelijke materialen is niet uitgesloten mits dit visueel overeenkomt met de oorspronkelijke vorm, maat, detaillering, verhouding en kleur. Voor achtergevels geldt: redelijke eisen van welstand.

n

Orde 1 Dit zijn rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en panden met een vergelijkbare cultuurhistorische waarde. Voor geregistreerde rijks- en gemeentelijke monumenten geldt: te behandelen als beschermd volgens de Erfgoedwet (voorheen Monumentenwet 1988) danwel gemeentelijke erfgoedverordening. Voor het casco geldt een restauratieve aanpak. Voor niet als rijks- en gemeentelijk monument geregistreerde orde 1 panden geldt restauratieve aanpak van gevels en kap grenzend aan openbaar gebied: handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. In geval van storende verminkingen reconstructie van de oorspronkelijke bouwmassa. Voor achtergevels van niet als rijks- en gemeentelijk monument geregistreerde orde 1 panden geldt: redelijke eisen van welstand.

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

Criteria stedenbouwkundige zones 19de-eeuwse Ring Onder stedenbouwkundige zones wordt het openbaar gebied verstaan, dat wil zeggen straten en pleinen of combinaties dan wel gedeelten ervan, in samenhang met flankerende bebouwing, groen, water en privétuinen die grenzen aan het openbaar gebied. De stedenbouwkundige zones maken onderdeel uit van de gebiedsgerichte criteria van het ruimtelijk systeem en geven bij verbouwingen, uitbreidingen en nieuwbouw een belangrijk houvast bij de beoordeling van de ingreep in relatie tot zijn omgeving. Zo mag van nieuwbouw in zone A (hoogste waardering) meer verwacht worden dan van nieuwbouw in een basiszone. De waardering wordt bepaald door de kwaliteit van het onderliggende stedenbouwkundige plan, het profiel, de kwaliteit van de architectuur, de inrichting van de openbare ruimte, de groenvoorziening en de aanwezigheid van bijvoorbeeld zichtlijnen. n

Basiszone Voor de periode kenmerkende zone met basiskwaliteit, of een zone waarin door latere invullingen sprake is van een onsamenhangend of verstoord straatbeeld. Hieronder wordt verstaan een zone zonder stedenbouwkundige verbijzondering en niet noodzakelijkerwijs met een oorspronkelijk straatbeeld. Het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan toont veelal weinig samenhang door nieuwe invullingen en een gebrek aan architectonische en/ of architectuurhistorische continuïteit.

n

Zone C Karakteristieke zone met stedenbouwkundige meerwaarde. Dit is een zone met stedenbouwkundige meerwaarde, die wordt bewerkstelligd doordat het oorspronkelijke stratenpatroon en de grotendeels authentieke bebouwing zorgen voor een architectonische en/of architectuurhistorische continuïteit, of doordat een fraaie zichtlijn of beplantingsstructuur bijdraagt aan een bijzonder straatbeeld en/of groenvoorziening. Voor deze zone geldt dat de architectonische continuïteit moet worden gehandhaafd; stedenbouwkundige ingrepen mogen geen afbreuk doen aan het bestaande straatbeeld.

n

Zone B Beschermenswaardige zone met een nadrukkelijke stedenbouwkundige verbijzondering, dikwijls onderdeel van een bijzondere ruimtelijke structuur, al dan niet gerealiseerd volgens een belangrijk stedenbouwkundig plan. In een zone B wordt de stedenbouwkundige meerwaarde versterkt door een architectonische

34

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

of ruimtelijke verbijzondering. Dit kan gebeuren door een kwalitatief hoogstaande en gave historische bebouwing, of doordat de zone deel uitmaakt van een bijzondere, al dan niet volgens een belangrijk stedenbouwkundig ontwerp gerealiseerde ruimtelijke structuur. Voor deze zone geldt als uitgangspunt: handhaving van de ruimtelijke structuur, van het historische straatbeeld, groenvoorziening en waterpartij(en). n

Zone A Deze zone is te beschouwen als de dragende structuur van een hooggewaardeerd stadsgezicht. De bebouwing en/of het groen en/of het water zijn van uitzonderlijke kwaliteit en/of gaafheid en het gebied is gerealiseerd volgens een belangrijk stedenbouwkundig ontwerp of maakt deel uit van een bijzondere ruimtelijke structuur. Voor deze zone geldt een restauratieve aanpak van de ruimtelijke structuur en architectuur. Uitgangspunt is handhaving en indien nodig herstel van de kwaliteit van het oorspronkelijke stedenbouwkundig concept en de historische bebouwing.

Waarderingskaart Gordel 20-40 De waarderingskaart voor de Gordel ’20-’40 omvat alle stadsuitbreidingen uit de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, inclusief de tuindorpen in Amsterdam-Noord. Op de waarderingskaarten wordt de architectonische kwaliteit van de bebouwing in een opklimmende waardering aangegeven met basisorde, orde 3, orde 2 en orde 1. In de waarderingskaarten is bovendien aandacht voor architectuureenheden, accenten en symmetrische bebouwing. Ook deze aspecten worden bij de beoordeling van plannen betrokken. Omdat het niet alleen om het individuele gebouw gaat, maar ook om stedenbouwkundige samenhang, is ook aan de stedenbouw een waardering gegeven, oplopend van basiszone naar zone 3, zone 2 en zone 1. Door de combinatie van deze twee waarderings­ systemen kan genuanceerd naar een bepaalde bebouwing worden gekeken. Architectuur met een lage waardering in een stedenbouwkundig hoogwaardig gebied vraagt om een zorgvuldiger beoordeling dan in een stedenbouwkundig laag gewaardeerd gebied: ordes en zones versterken elkaar of geven nuancering.

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

Criteria ordepanden Gordel ’20-’40 n

Basisorde Dit zijn voor de periode kenmerkende bouwwerken met basiskwaliteit, of bouwwerken die door ingrijpende wijzigingen hun architectonische meerwaarde hebben verloren. Voor de aanpak van gevels grenzend aan openbaar gebied vormt de oorspronkelijke karakteristiek het uitgangspunt. Afwijking van de oorspronkelijke gevelelementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur zijn denkbaar, als deze niet leiden tot een visuele verstoring van de architectuureenheid als geheel en van het straatbeeld. Voor achtergevels geldt: redelijke eisen van welstand.

n

Orde 3 Dit zijn karakteristieke bouwwerken met architectonische en/of stedenbouwkundige meerwaarde. Voor de aanpak van gevels grenzend aan openbaar gebied geldt als uitgangspunt het handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. Veranderingen hierin zijn in geringe mate denkbaar als deze overeenstemmen met de oorspronkelijke karakteristiek. Specifieke aandacht wordt gevraagd voor bouwwerken die bijzonder zijn gesitueerd of die een bijzondere positie innemen in de architectuureenheid, zoals symmetrisch opgebouwde panden en hoekpanden. Voor achtergevels geldt: redelijke eisen van welstand.

n

Orde 2 Dit zijn monumentwaardige bouwwerken met nadrukkelijke architectonische verbijzondering en bouwwerken met een bijzondere cultuurhistorische betekenis. Voor de aanpak van gevels en kap grenzend aan openbaar gebied geldt als uitgangspunt een restauratieve aanpak en het handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. In geval van storende verminkingen de oorspronkelijke bouwmassa reconstrueren. Het gebruik van niet-oorspronkelijke materialen is niet uitgesloten mits dit visueel volledig overeenkomt met de oorspronkelijke vorm, maat, detaillering, verhouding en kleur, maar wordt dringend ontraden. Voor achtergevels geldt: redelijke eisen van welstand.

35

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

n

Orde 1 Dit zijn rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en panden met een vergelijkbare cultuurhistorische waarde. Voor geregistreerde rijks- en gemeentelijke monumenten geldt: te behandelen als beschermd volgens de Erfgoedwet (voorheen) Monumentenwet 1988 danwel gemeentelijke erfgoedverordening. Voor het casco geldt een restauratieve aanpak. Voor niet als rijks- en gemeentelijk monument geregistreerde orde 1 panden geldt restauratieve aanpak van gevels en kap grenzend aan openbaar gebied: handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. In geval van storende verminkingen reconstructie van de oorspronkelijke bouwmassa. Voor achtergevels van niet als rijks- en gemeentelijke monument geregistreerde orde 1 panden geldt: redelijke eisen van welstand.

Criteria stedenbouwkundige zones Gordel ’20-’40 Onder stedenbouwkundige zones wordt het openbaar gebied verstaan, dat wil zeggen straten en pleinen of combinaties dan wel gedeelten ervan, in samenhang met flankerende bebouwing, groen, water en privétuinen die grenzen aan het openbaar gebied. De stedenbouwkundige zones maken onderdeel uit van de gebiedsgerichte criteria van het ruimtelijk systeem en geven bij verbouwingen, uitbreidingen en nieuwbouw een belangrijk houvast bij de beoordeling van de ingreep in relatie tot zijn omgeving. Zo mag van nieuwbouw in zone A (hoogste waardering) meer verwacht worden dan van nieuwbouw in een basiszone. De waardering wordt bepaald door de kwaliteit van het onderliggende stedenbouwkundige plan, het profiel, de kwaliteit van de architectuur, de inrichting van de openbare ruimte, de groenvoorziening en de aanwezigheid van bijvoorbeeld zichtlijnen. n

Basiszone Voor de periode kenmerkende zone met basiskwaliteit, of een zone waarin door latere invullingen sprake is van een onsamenhangend of verstoord straatbeeld.

n

Zone C Karakteristieke zone met stedenbouwkundige meerwaarde. Voor deze zone geldt dat de architectonische continuïteit moet worden gehandhaafd; stedenbouwkundige ingrepen mogen geen afbreuk doen aan het bestaande straatbeeld.

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

n

Zone B Beschermenswaardige zone met een nadrukkelijke stedenbouwkundige verbijzondering, dikwijls onderdeel van een bijzondere ruimtelijke structuur, al dan niet gerealiseerd volgens een belangrijk stedenbouwkundig plan. Voor deze zone geldt als uitgangspunt: handhaving van de ruimtelijke structuur, van het historische straatbeeld, groenvoorziening en waterpartij(en).

n

Zone A Deze zone is te beschouwen als de dragende structuur van een hooggewaardeerd stadsgezicht. De bebouwing en/of het groen en/of het water zijn van uitzonderlijke kwaliteit en/of gaafheid en het gebied is gerealiseerd volgens een belangrijk stedenbouwkundig ontwerp of maakt deel uit van een bijzondere ruimtelijke structuur. Voor deze zone geldt een restauratieve aanpak van de ruimtelijke structuur en architectuur. Uitgangspunt is handhaving en indien nodig herstel van de kwaliteit van het oorspronkelijke stedenbouwkundig concept en de historische bebouwing.

36

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

Waarderingskaart AUP en Post-AUP De waarderingskaart AUP- en Post AUP gebieden zijn gemaakt voor de wijken die zijn aangelegd op basis van het Algemeen Uitbreidingsplan. Ze liggen in de stadsdelen West (Bos en Lommer), Nieuw-West (Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomseveld, Osdorp), Zuid (Zuideramstel), Oost (Watergraafsmeer) en Noord. In de waarderingskaarten wordt de oorspronkelijke planopzet en uitvoering gewaardeerd. Dat betekent dat bij de beoordeling is uitgegaan van de huidige situatie in het perspectief van de oorspronkelijke bedoelingen van het stedenbouwkundig- en architectonisch ontwerp. Waarderingsmethode en criteria In de AUP gebieden zijn de architectuur van de bebouwing en de stedenbouwkundige opzet niet los van elkaar te zien. De samenhang tussen repeterende architectuureenheden, de verkavelingswijzen en woningtypologieën en de stedenbouwkundige opzet als geheel is de drager van de karakteristiek. De waardering van de bebouwing is daarom gebaseerd op vier aspecten die zijn verbeeld in vier tussenwaarderingskaarten (A, B, C, D). Elk aspect wordt gewaardeerd met 1 – 5 punten. De optelling van het puntental van elk van de vier aspecten leidt tot de ordewaardering op de totaalwaarderingskaart. Architectonische aspecten: A. D  e interne organisatie van het object en de typologie (bijvoorbeeld galerijwoning, eengezinswoning, portieketageflat, enz.) B.

De ruimtelijke vormgeving van objecten (architectuur) Stedenbouwkundige aspecten: C. D  e groepering van objecten (verkaveling) D. De bijdrage van objecten aan de kwaliteit van tuinstedelijke ensembles als geheel (relatie met veld als geheel) Ordewaardering Dewaardering in ordes is op de ordekaart of totaalwaarderingskaart aangegeven met kleurcodes. Daarbij zijn dezelfde kleurcodes gebruikt die ook bij de eerdere waarderingskaarten voor de 19de-eeuwse Ring en de Gordel ’20-’40 zijn toegepast: paars voor orde 1, rood voor orde 2, oranje voor orde 3 en geel voor basisorde. Bebouwing die niet tot het AUP behoort is grijs ingekleurd; bebouwing waarvoor bij de afronding van deze kaarten al vernieuwingsplannen waren vastgesteld is in wit aangegeven. De wegenstructuur (parklanen, wijkontsluitingswegen en Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

buurtontsluitingswegen) zijn in lijnen op de kaart aangeven, alsmede de groene hoofdstructuur en het openbaar groen. Privé-tuinen grenzend aan de openbare ruimte zijn met een groene lijn op de kaart aangegeven. Omschrijving ordewaardering n

Basisorde: Lage waarde Een voor de periode kenmerkende architectuureenheid zonder architectonische of stedenbouwkundige meerwaarde, ofwel ontstaan door geringe ontwerpkwaliteit ofwel door latere, ingrijpende wijzigingen waardoor deze de architectonische meerwaarde en/of bijdrage aan de compositie van de verkaveling heeft verloren.

n

Orde 3: Middelhoge waarde Een architectuureenheid met een voor de periode kenmerkende vormgeving en/of kenmerkende typologie en/of belangrijke bijdrage aan de compositie van de verkaveling en het veld.

n

Orde 2: Hoge waarde Een architectuureenheid met een voor de periode karakteristieke architectonische vormgeving en/of typologie, die bovendien een belangrijke bijdrage levert aan de compositie van de verkaveling­ eenheid en het veld.

n

Orde 1: Monumenten of monumentwaardige bebouwing Een architectuureenheid die op basis van typologie, een voor die periode bijzondere en/of karakteristieke architectonische vormgeving, de positie in een verkavelingeenheid en/of zijn bijdrage aan een verkaveling en veld de status heeft van rijks- of gemeentelijk monument of daarvoor in aanmerking komt.

37

Hoofdstuk 5 Welstandscriteria voor erfgoed

Toekomstperspectief De kaarten bieden een perspectief voor de toekomst. Bij een combinatie van hoge architectonische en stedenbouwkundige waarde bijvoorbeeld is behoud wenselijk, terwijl een combinatie van geringe architectonische en stedenbouwkundige waarden ruimte biedt voor transformatie. Tussen deze uitersten zijn uiteraard allerlei mogelijkheden denkbaar waarbij per type ingreep de architectonische of de architectonische én de stedenbouwkundige ordes het uitgangspunt bij de beoordeling zijn. Welstandskaart Architectuur t.b.v. veel voorkomende kleine bouwplannen Bij de beoordeling van wijzigingen aan de bestaande bebouwing gaat het er vooral om hoe deze wijzigingen zich verhouden tot de bestaande architectonische kwaliteit. Is de architectonische kwaliteit laag gewaardeerd, dan is er meer ruimte voor een ingrijpende transformatie dan bij een architectonisch hoog gewaardeerde bebouwing, ook wanneer er sprake is van een relatief lage stedenbouwkundige waardering. Voor veel voorkomende kleine bouwplannen (zie hoofdstuk 6) wordt alleen de tussenwaarderingskaart B gebruikt, die in deze samenhang geldt als de Welstandskaart Architectuur. De criteria die voortkomen uit de waardering van de bebouwing op deze Welstandskaart Architectuur (ordes WA-basis, WA3, WA2 en WA1) zijn verwerkt in de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (hoofdstuk 6).

n

Bij sloop/nieuwbouw In het geval van sloop en vernieuwing van bestaande verkavelingen in de AUP gebieden dienen de onderstaande criteria, die volgen uit de gecombineerde waardering voor stedenbouwkundige aspecten, als uitgangspunt: n

C+D = 2-3 punten Handhaven van de ruimtelijke continuïteit die kenmerkend is voor de compositie van het bebouwingsveld.

n

C+D = 4-5 punten Handhaven van de samenhang tussen de verkaveling van de bebouwing en de compositie van het veld als geheel zoals dat tot uitdrukking komt in de doorkoppeling van de groenstructuur op de verschillende schaalniveaus dient uitgangspunt te zijn.

n

C+D = 6-7 punten Handhaven van de ontwerpprincipes die ten grondslag liggen aan de relatie tussen bebouwing en openbare ruimte als het gaat om de compositie van elementen als zichtlijnen, relatie openbaar en privaatgebied en de samenhang met het tuinstedelijk ensemble van het veld.

n

C+D = 8-10 punten Handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van de verkavelingseenheid zoals die tot uitdrukking komt in de relatie bebouwing en ontwerp openbare ruimte als het gaat om de compositie van elementen als zichtlijnen, relatie openbaar en privaatgebied en de samenhang met het tuinstedelijk ensemble van het veld.

Aan de architectuurordes WA-basis, WA3, WA2 en WA1 zijn de volgende criteria verbonden: n

WA-basis Handhaven van vorm en massawerking voor zover deze belangrijk is voor de compositie van de verkaveling en de relatie met het veld als geheel.

n

WA3 Handhaven en herstellen van de oorspronkelijke karakteristiek en samenhang in het gevelbeeld, waarbij afwijking in materiaal, kleur en detaillering mogelijk is.

n

WA2 Handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur of vormgeving van een vergelijkbare kwaliteit. Het gebruik van niet oorspronkelijke materialen is mogelijk mits dit gebeurt met respect voor de authenticiteit van de gevel.

Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

WA1 Handhaven en herstellen van de voor de vormgeving bepalende kenmerken, zoals maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. Dit moet zoveel mogelijk gebeuren in authentiek materiaal, kleur en detaillering en rekening houdend met de samenhang in het gevelbeeld.

38

6. S  tandaardtoets veel voorkomende kleine bouwplannen Inleiding Het doel van de criteria in dit hoofdstuk is om veel voorkomende kleine bouwplannen eenvoudig te kunnen toetsen en om planindieners vooraf zicht te geven op een positieve uitkomst. Voor vele kleine ingrepen aan de bestaande bebouwing worden standaardoplossingen genoemd. Plannen die deze standaardoplossingen volgen, kunnen op eenvoudige wijze getoetst en vergund worden. Daarmee is niet gezegd dat andere, specifiekere oplossingen niet aan redelijke eisen van welstand kunnen voldoen. In dergelijke gevallen wordt niet getoetst aan de absolute criteria in dit hoofdstuk, maar aan de relatieve criteria van het ruimtelijk systeem in hoofdstuk 8 en de context van het plan. Wordt bij de Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

ambtelijke toets geconstateerd dat een ingreep ook niet kan rekenen op een positief advies van de commissie, kan ook op basis van een negatieve uitkomst van de ambtelijke toets een afwijzend besluit worden genomen. Veel voorkomende kleine bouwplannen n n n n n n n n n

aanbouwen (1) bijgebouwen (2) kozijnwijzigingen (3) gevelwijzigingen (4) dakramen (5) balkons (6) erfafscheidingen (7) dakkapellen (8) dakterrassen en daktuinen (9)

Hoofdstuk 6 | Inleiding

n n n n

dakuitbreidingen (10) zonnepanelen en -collectoren (11) installaties (12) groene daken (13)

Beoordeling In veel gevallen zijn deze kleine bouwplannen vergunningvrij. Ze kunnen zonder voorafgaande toetsing worden gerealiseerd. Bij bouwplannen die niet vergunningvrij zijn, treedt in eerste instantie het bestemmingsplan regelend op voor wat betreft de rooilijnen en maximale afmetingen. Voor bouwwerken zoals bijgebouwen en aanbouwen, maar in sommige gebieden ook voor andere plannen zoals dakkapellen of erfafscheidingen, is in het bestemmingsplan te lezen óf deze gebouwd mogen worden en zo ja waar deze mogen worden geplaatst. De welstandscriteria worden gebruikt om het uiterlijk van het bouwwerk te beoordelen binnen de begrenzing van de ruimtelijke ordening zoals vastgelegd in de bestemmingsplannen. De criteria geven uitsluitsel onder welke voorwaarden een klein plan wat betreft welstand voor een vergunning in aanmerking komt. Ruimtelijke systemen In de criteria is onderscheid gemaakt naar ruimtelijke systemen. Wat bijvoorbeeld past in een wijk met geschakelde woningen, hoeft niet op zijn plaats te zijn in een buurt met individuele huizen. Een beschermd stadsgezicht zoals de Binnenstad vraagt uiteraard om nog preciezere criteria. Door de criteria te groeperen aan de hand van de ruimtelijke systemen is met grotere zekerheid aan te geven of een klein plan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Criteria In de beoordelingscriteria wordt gebruik gemaakt van het welstandsniveau van de gebieden. Eenvoudige toetsing Voor gebieden met een eenvoudig en gewoon welstandsniveau is een beperkt aantal basisregels opgenomen. Voor deze gebieden geldt een ruime bandbreedte. Zorgvuldige toetsing Voor gebieden met een bijzonder en beschermd welstandsniveau gelden niet alleen de criteria van de eenvoudige, maar ook die van de zorgvuldige toetsing. Erfgoed Voor monumenten, beschermde gezichten en ordepanden (waarbij in de AUP gebieden alleen gebruik wordt gemaakt van de Welstandskaart Architectuur en de ordes WA1, WA2, WA3 en WAbasis) gelden in de regel aanvullende criteria. Welstandsnota 2016 technische herziening april 2021

39 Trendsetter Een trendsetter is een plan, dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden, dus voor een bouwblok, ensemble of een buurt met een vergelijkbare architectuur. Een plan dat een trendsetter volgt kan op eenvoudige wijze getoetst en vergund worden. Daarmee is niet gezegd dat kleine afwijkingen van trendsetters niet mogelijk zijn. Als een afwijkend plan voldoende ‘familie’ is van de trendsetter, zal dit met grote zekerheid positief beoordeeld worden. Niet ieder bouwwerk is automatisch een trendsetter. Een eerder op dezelfde woning of hetzelfde bouwblok goedgekeurd plan is dit in de regel wel. Gewogen oordeel Initiatieven die niet passen binnen de standaardcriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen oordeel door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Datzelfde geldt voor plannen in de ruimtelijke systemen waarvoor geen criteria zijn opgenomen. Hierbij worden naast de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen de gebiedscriteria en eventuele andere criteria zoals de criteria voor erfgoed (hoofdstuk 5) gebruikt.

Monumenten, orde 1 en orde 2 Initiatieven die monumenten betreffen of bouwwerken van grote cultuurhistorische waarde (orde 1) worden niet eenvoudig getoetst, maar krijgen een gewogen oordeel door de CRK waarbij de onder erfgoed vermelde criteria worden gebruikt als richtlijn. Dit geldt ook voor ingrepen in gevels of kappen grenzend aan de openbare ruimte van panden die zijn gewaardeerd met orde 2.

Hoofdstuk 6 | Inleiding

Voor- en achterkant De begrippen voorkant en achterkant zijn gekoppeld aan de algemene welstandscriteria - de relatie tussen een bouwwerk en zijn omgeving- en de excessenregeling. Naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap is er eerder sprake van een exces. Immers, naar mate een bouwwerk of bouwdeel nadrukkelijker zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, des te hoger zijn de eisen die mogen worden gesteld aan de visuele kwaliteit. Een uitbouw op een achterterrein in een gesloten bouwblok bijvoorbeeld zal in de regel worden beschouwd als een bouwwerk aan de achterkant, terwijl in de stroken bebouwing van bijvoorbeeld de westelijke tuinsteden alle gevels en het dak die rondom vanuit de openbare ruimte zichtbaar zijn, vanuit welstandsoogpunt zullen worden beschouwd als voorkant. Onder voorkant worden in dit verband verstaan de bebouwing en het erf in zoverre duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan de bebouwing en het erf in zoverre niet duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13622139/1