CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Buiksloterham 10e part herz_Toelichting (3).pdf

RAAD 28 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buiksloterham 10e partiële herziening (VN2023-025870)13.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De minister ziet hierin als voordeel dat de (bijna)luchtkwaliteitsknelpunten op de huidige manier gemonitord kunnen blijven en dat de steden meer tijd krijgen om de hun reeds toegekende NSL-budgetten te besteden aan luchtkwaliteitsmaatregelen. De AMvB gevoelige bestemmingen luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op artikel 5.16a Wet milieubeheer, Gemeente Amsterdam

blz. 30

is in januari 2009 in werking getreden. Met deze AMvB wordt beoogd de realisering van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, dat wil zeggen kinderen, ouderen en zieken. Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor fijnstof en/of voor stikstofdioxide. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.

Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. De Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam is op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders. Het is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Daarbij zijn ter aanscherping van het landelijk Besluit als uitgangspunten bepaald dat: binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Van de genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig.

Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt. Resultaten toetsing Voorliggende 10e pariële herziening maakt woningbouw mogelijk. Deze functie was ook al mogelijk volgens het bestemmingsplan Buiksloterham 2009. De 10e herziening maakt wel meer brutovloeroppervlak aan bebouwing mogelijk. Dit is in overeenstemming met de Investeringsnota Buiksloterham 2020. Voor de investeringsnota Buiksloterham 2020 is een Luchtkwaliteitsonderzoek gedaan. In de onderzoeksrapportage die als Bijlage 5 van deze toelichting is gevoegd, zijn de gegevens met betrekking tot het verkeer voor het planjaar 2030 opgenomen.

Uit de rekenresultaten blijkt dat er wat betreft stikstofdioxide en (zeer) fijn stof op basis van artikel 5.16 lid 1 onder a van de Wet milieubeheer (Wm) ten aanzien van de luchtkwaliteitseisen van de Wm de grenswaarden niet worden bestemmingsplan_Buiksloterham 10e part herz (vastgesteld)

blz. 31

overschreden. Deze 10e herziening leidt niet tot een situatie dat binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van een stedelijke weg met meer dan 10.000 mvt per etmaal gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Daarmee wordt voldaan aan de Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Aan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Er zijn wat betreft luchtkwaliteit geen knelpuntenlocaties aanwezig in het plangebied of in de directe omgeving. 2.3.9

Stikstofdepositie

Er is een onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie van de voorgenomen ontwikkeling op Natura2000 gebieden. Dit onderzoek is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Tijdens de bouwfase wordt gebruikgemaakt van mobiele machines die stikstofoxiden (NOx) emitteren. Daarnaast zijn voertuigbewegingen nodig om bouwmateriaal en personeel van en naar de bouwlocatie te vervoeren. Relevante stikstofemissie als gevolg van de herontwikkeling vindt in de gebruiksfase plaats vanwege de verkeersgeneratie. Met het programma Aerius is de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden bepaald. Uit het voorliggende onderzoek blijkt dat de gebruiksfase van Kavel 18 na de partiële 10e herziening niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter hoogte van een Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, ook niet bij de dichtstbijzijnde en daardoor maatgevende, zijnde Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en Polder Westzaan. Hierdoor zijn op voorhand significant negatieve effecten gerelateerd aan stikstofdepositie voor de natuur uit te sluiten, en is ten aanzien van gebiedsbescherming een vergunningaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming voor ruimtelijke procedures en de bouwaanvraag niet aan de orde. 2.3.10 Bedrijven en milieuzonering 2.3.10.1

Algemeen

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Om gevoelige bestemmingen in het plangebied toe te kunnen staan dient daarnaast ook rekening te worden gehouden met de te verwachten milieuhinder van nieuwe bedrijven. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

Gemeente Amsterdam

blz. 32

2.3.10.2

Toetskader

Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruik gemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In deze publicatie worden richtafstanden gegeven tussen hinderveroorzakende bedrijven en woningen. De potentiële hinder wordt aangegeven op basis van de aspecten geur, geluid, gevaar en stof. De VNG-lijst is ook het uitgangspunt voor de Staat van bedrijfsactiviteiten, de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. De richtafstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten en zijn onder andere vastgesteld aan de hand van ervaringen uit de praktijk. Bedrijven zijn ingedeeld in categorieën oplopend naarmate de potentiële milieuhinder toeneemt (bedrijven uit een hogere milieucategorie zijn toegestaan): Zie de tabel hieronder. Het omgevingstype speelt hierbij een rol: de afstanden worden in beginsel gehanteerd ten opzichte van een rustige woonwijk. Er kan echter ook sprake zijn van een gemengd gebied (diverse functies naast elkaar). In dat geval kan de richtafstand met een stap verlaagd worden. De richtafstanden zijn indicatief: afwijken is mogelijk, mits goed gemotiveerd.

Tabel richtafstanden VNG Brochure Bedrijven en milieuzonering

Op bedrijven in Nederland is de Wet milieubeheer van toepassing. Veel bedrijven hebben echter geen specifieke vergunning meer maar vallen onder het Activiteitenbesluit. Dit besluit omvat een pakket standaardvoorschriften waaraan het bedrijf moet voldoen. Indien noodzakelijk is het mogelijk om maatwerkvoorschriften op te leggen, zodat er specifieke voorschriften gelden. Het is mogelijk dat op basis van de vergunde milieuruimte van bedrijven afgeweken kan worden van de indicatieve VNG richtafstanden. Een voorschrift ten aanzien van geluid in een vergunning of op basis van het Activiteitenbesluit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een kleinere afstand tussen het bedrijf en een gevoelige functie kan worden aangehouden dan op grond van de VNG-lijst wordt geadviseerd. 2.3.10.3

Beoordeling

Het plangebied Buiksloterham ligt binnen de ring van Amsterdam en betreft een stedelijk gemengd gebied. De richtafstanden voor een rustige woonwijk worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd. Ten noord-oosten van de projectlocatie bevindt zich een bestaand transformatorstation. Liander heeft ook het voormnemen om dit station aan de Paparverweg 50 uit te breiden. Het transformaterstation kent milieucategorie 4.2 met een richtafstand van 200 meter in gemengd gebied. Deze richtafstand kan niet in acht worden genomen. Vanwege eerdere (geplande) woningbouwplannen bestemmingsplan_Buiksloterham 10e part herz (vastgesteld)

blz. 33

in de nabijheid van het transformatorstation is op 16 september 2009 een maatwerkvoorschrift opgelegd. Het maatwerkvoorschrift luidt als volgt: Het door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad-en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddelijke nabijheid van de inrichting, mag, gemeten op 5 meter boven het maaiveld, op enig punt 50 meter van de grens van de inrichting niet meer bedragen dan: 42 dB(A) van 07.00 tot 19.00 uur 42 dB(A) van 19.00 tot 23.00 uur 42 dB(A) van 23.00 tot 07.00 uur Als gevolg van de ruime afstand tussen de ontwikkeling en het transformatorstation, het opgelegde maatwerkvoorschrift en de reeds aanwezige of geprojecteerde gevoelige bestemmingen in de nabijheid van het station, wordt de milieugebruiksruimte van het station niet verder ingeperkt als gevolg van de nieuwbouw. Ter plaatse van de nieuwbouw is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het kader van het bouwplan zal een nadere toets plaats hebben van het geluidniveau op de gevel en de daarbij behorende karakteristieke geluidwering die nodig is voor een voldoende geluidniveau volgens het Bouwbesluit binnen de woningen en de eventuele buitenruimte.

Ingevolge artikel 3.2.3 van de regels van het bestemmingsplan dienen nieuwe woningen te worden voorzien van een geluidluwe gevel. Hiervan kan ingevolge artikel 3.3.2 worden afgeweken onder voorwaarde dat niet niet ten koste gaat van de belangen van Liander. 2.3.10.4

Conclusie

Het onderdeel 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 2.3.11 Elektromagnetische velden 2.3.11.1

Inleiding

Overal waar elektrische stroom vloeit zijn elektromagnetische velden aanwezig. Dus ook bij alle onderdelen van de elektriciteitsvoorziening, zoals elektriciteitscentrales, stroomverdeelstations, het transportnet van bovengrondse en ondergrondse hoogspannings- en middenspanningsleidingen, in de buurt van transformatorhuisjes maar ook bij leidingen en/apparatuur binnenshuis of naast bijvoorbeeld trein- en tramlijnen. De magnetische veldsterkte, uitgedrukt in microtesla, is mede afhankelijk van de stroomsterkte, de configuratie en opstelling van de afstand tot de stroomvoerende geleiders. Er wordt veel onderzoek gedaan naar effecten van langdurige blootstelling aan magnetische velden in de woon- en werkomgeving. Er is onderzoek dat er op wijst dat kinderen die langdurig verblijven in de directe nabijheid van een bovengrondse hoogspanningslijn, mogelijk een extra risico lopen op leukemie. Het (mogelijk) verhoogde risico op kinderleukemie tekent zich af bij langdurige blootstelling aan magneetvelden sterker dan 0,4 microtesla bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Of het magneetveld ook de oorzaak is van deze correlatie of slechts een maat voor de nabijheid, is niet duidelijk. In het kader van het bestemmingsplan is Onderzoek magneetveldzone uitgevoerd.

Gemeente Amsterdam

blz. 34

2.3.11.2

Toetskader

De International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) heeft richtlijnen opgesteld voor blootstelling aan magnetische velden. De aanbevelingen van de ICNIRP worden onderschreven door de World Health Organization (WHO) en de Nederlandse Gezondheidsraad. In 1998 heeft het ICNIRP een richtlijn uitgebracht waarin voor 50 Hz magnetische velden een grenswaarde van 500 microtesla werd gesteld voor mensen die beroepsmatig aan magnetische velden worden blootgesteld en een grenswaarde van 100 microtesla voor de algehele bevolking. In 2010 is deze richtlijn geactualiseerd, waarbij deze grenswaarden zijn bijgesteld naar respectievelijk 1000 microtesla en 200 microtesla. In Europa, dus ook in Nederland, wordt ten aanzien van beroepsmatige blootstelling de grenswaarde van 1000 microtesla uit 2010 aangehouden (EU Directive 2013/35/EU). Ten aanzien van blootstelling van de algehele bevolking wordt de grenswaarde van 100 microtesla uit 1998 aangehouden (1999/519/EG). Deze grenswaarden zijn niet wettelijk verankerd.

Specifiek voor hoogspanningslijnen adviseert de Nederlandse rijksoverheid: ” …om bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)”. Het rijksbeleid richt zich uitsluitend op nieuwe situaties rond bovengrondse hoogspanningslijnen. Dat kunnen nieuw te bouwen woningen zijn of nieuw aan te leggen bovengrondse hoogspanningslijnen. De rijksoverheid probeert het beleidsdoel te bereiken door gemeenten en netbeheerders te vragen om geen gevoelige bestemmingen te realiseren binnen een zone langs bovengrondse hoogspanningslijnen waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan 0,4 microtesla. Gevoelige bestemmingen zijn plekken waar kinderen normaal gesproken langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven. Het college van B&W van Amsterdam heeft op 4 juli 2006 beleid vastgesteld voor magnetische velden veroorzaakt door onderstations en transformatorstations in Amsterdam. Dit beleid is gebaseerd op advies van de GGD.

Dat advies maakte gebruik van het TNO onderzoek 'Magnetische veldsterkte metingen uitgevoerd rond diverse onderstations te Amsterdam' (d.d. 7 maart 2006). De kern van het collegebeleid is dat er in nieuwe situaties naar wordt gestreefd dat kinderen niet langdurig kunnen verblijven op plaatsen waar de jaargemiddelde magnetische fluxdichtheid hoger is dan 0,4 microtesla (ìT). Dat betekent dat er bij voorkeur geen nieuwe gevoelige functies waar kinderen langdurige kunnen verblijven (zoals woningen, kinderdagverblijven en scholen) op die plaatsen worden gerealiseerd. 2.3.11.3

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe bovengrondse hoogspanningslijnen of nieuwbouw in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk. Het Rijksbeleid is dan ook niet van toepassing op deze situatie. Wel maakt het bestemmingsplan de vestiging van gevoelige bestemmingen waar kinderen langdurig kunnen verblijven, zoals woningen mogelijk. Er is onderzoek uitgevoerd naar de magneetveldzone in het plangebied (zie Onderzoek magneetveldzone). Op basis van de momentane metingen en gegevens van historische stroombelasting zijn jaargemiddelde 0,4 microtesla contouren bepaald, waarmee de locaties inzichtelijk zijn gemaakt waar de jaargemiddelde magnetische veldsterkte tenminste 0,4 microtesla bedraagt. Daarbij is gekeken naar het bestaande onderstation en de aansluitende ondergrondse kabelverbindingen.

bestemmingsplan_Buiksloterham 10e part herz (vastgesteld)

blz. 35

De berekende jaargemiddelde 0,4 microtesla magneetveldzone strekt zich aan meerdere kanten buiten de erfgrens van het onderstation. In de toekomstige situatie is er een toename in de omvang van het magneetveld te zien aan de zuidwestelijke zijde van het stationsterrein. Ondanks dat er nieuwe woningbouw ten zuidoosten en zuidwesten van het onderstation gerealiseerd wordt, bevinden er zich, in zowel de huidige als de toekomstige situatie, geen gevoelige bestemmingen binnen de berekende jaargemiddelde 0,4 microtesla magneetveldzone. 2.3.11.4

Conclusie

Het onderdeel magneetveldzone vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4

Juridisch planologische aspecten

2.4.1

Algemeen

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het juridisch deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.

Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd. Bij de opzet van het bestemmingsplan is rekening gehouden met de geleidelijke transformatie naar een gemengd woon/werk gebied. Bestaande bedrijven worden alleen wetgbestemd als de milieucategorie hoger is dan 3.1. 2.4.2

Planregels

De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 'Herzieningsregels' heeft betrekking op samenhang tussen de herziening en het moederplan. Hoofdstuk 2 'Inleidende regels' omvat het artikel met de begripsbepalingen. Hoofdstuk 3 'Bestemmingsregels' geeft invulling aan de opgenomen bestemmingen. Hoofdstuk 4 'Slotregel' bevat de slotregel.

Gemeente Amsterdam

blz. 36

2.4.3

Artikelsgewijze toelichting

In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Het beleid wordt niet toegelicht, maar de wijze van regelen. HOOFDSTUK 1 - HERZIENINGSREGELS Het bestemmingsplan betreft de 10e partiële herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. In de herzieningsregels wordt uitleg gegeven over de samenhang tussen deze herziening en het moederplan uit 2009. De regels, verbeelding en toelichting van dit bestemmingsplan Buiksloterham 10e partiële herziening hebben uitsluitend betrekking op de geometrich bepaalde planobjecten (het plangebied zoals opgenomen op de verbeelding) van dit bestemmingsplan en hebben geen gevolgen voor het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 en de daarop volgende overige partiële herzieningen. HOOFDSTUK 2 - INLEIDENDE REGELS Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. De begrippen gelden (uitsluitend voor deze 10e partiële herziening) als vervanging van de begrippen zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 (het moederplan).

HOOFDSTUK 3 - BESTEMMINGSREGELS Gemengd - 2 Voor het plandeel 'Kavel 18' waar deze 10e partiële herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham betrekking op heeft is een nieuwe bestemming Gemengd - 2 opgenomen die, uitsluitend voor de geometrich bepaalde planobjecten waar deze 10e partiële betrekking op heeft, geheel in de plaats treedt van de bestemming Gemengd zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. Hoewel de bestemming Gemengd - 2 op hoofdlijnen gelijk is aan de bestemming Gemengd uit het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 is er vanwege de leesbaarheid van de regeling gekozen voor een geheel nieuwe bestemming. Gebruiksmogelijkheden Het programma dat in Gemengd - 2 mogelijk wordt gemaakt bestaat uit een functiemix van wonen, economische functies, maatschappelijke voorzieningen en (gebouwde) parkeervoorzieningen. In lid 3.4.2 zijn de gebruiksregels opgenomen waar bedrijven in het gebied zich aan moeten houden zodat er enerzijds ter plaatse van de woningen (en andere gevoelige functies) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en anderszijds de bedrijfsactiviteiten niet verder worden beperkt door de woningen. Het percentage wonen mag niet meer bedragen dan 70% ten opzichte van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte niet-woonfuncties.

Bij het berekenen van dit percentage worden gebouwde parkeervoorzieningen (de hub) meegeteld als niet- woonfuncties. In plaats van de parkeernormen uit het bestemmingsplan Buiksloterham gelden hier de parkeernormen uit de Nota Parkeren Auto en Nota Parkeren Fiets en Scooter. Met dien verstande dat voor de maximale bestemmingsplan_Buiksloterham 10e part herz (vastgesteld)

blz. 37

parkeernorm ook het programma van het naastgelegen kavel 19 wordt meegewogen. Ingevolge artikel 3.4.6 dient parkeren plaats te hebben op eigen terrein. Onder eigen terrein worden gronden en gebouwen begrepen waarover de aanvrager van de omgevingsvergunning (initiatiefnemer) kan beschikken. Het eigen terrein hoeft daarmee niet in eigendom te zijn bij de initiatiefnemer maar de initiatiefnemer moet er wel over kunnen beschikken, bijvoorbeeld door middel van huur. Het eigen terrein heeft geen betrekking op openbaar gebied. Bouwmogelijkheden Binnen het plangebied geldt een generieke bouwhoogte van 30 meter. Langs het Johan van Haseltkanaal is een hoogteaanduidingsvlak opgenomen waar maximaal 25 meter hoog mag worden gebouwd. In de noord-oosthoek van het plangebied is een hoogteaanduidingsvlak opgenomen waar een bouwhoogte van 40 meter is toegestaan. Deze hoogbouw mag boven de 30 meter die daar overal mogelijk is, per bouwlaag niet meer bedragen dan 600 m2 bvo. De bouwmogelijkheden worden met name bepaald door de maximale floorspace-index (fsi) van 3,5 die is aangeven op de verbeelding. Langs het Johan van Hasseltkanaal is een stedelijke plint voorzien met levendige functies. Om deze functies te ondersteunen geldt ter plaatse van deze plint een minimale bouwhoogte van 4 meter. De regels van het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders zijn integraal verwerkt.

HOOFDSTUK 4 - ALGEMENE REGELS Voor het overgrote deel van de Algemene regels geldt dat wordt verwezen naar het moederplan. Alleen met betrekking tot de geluidzone - industrielawaai is specifiek aangegeven dat deze ongewijzigd is (omdat deze ook op de verbeelding is opgenomen. HOOFDSTUK 5 - SLOTREGEL Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

bestemmingsplan_Buiksloterham 10e part herz (vastgesteld)

blz. 39

Hoofdstuk 3 3.1

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Realisatie en kostenverhaal

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. De gemeenteraad heeft in 2007 het Investeringsbesluit 'Buiksloterham' vastgesteld en recent in november 2020 met de vaststelling van de Investeringsnota Buiksloterham 2020 deze herzien en geactualiseerd. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan 'Buiksloterham' is op 16 december 2009 een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vastgesteld. De kavel waar deze 10e herziening betrekking op heeft is in eigendom van de gemeente, waarbij het kostenverhaal anderszins, via de erfpacht wordt verzekerd. Bestemmingsplannen en andere planologische besluiten kunnen schade veroorzaken. Artikel 6.1 van de Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders onder voorwaarden gehouden zijn deze schades als gevolg van planologische besluiten (planschade) aan de gedupeerden te vergoeden. De grondexploitatie voorziet in eventuele kosten van planschade. Vastgesteld kan worden dat er sprake is van een economisch-financieel uitvoerbaar plan.

3.2

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro)

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan verzonden aan: Waternet; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, afdeling Amsterdam; Provincie Noord-Holland; Rijkswaterstaat West-Nederland Noord; Brandweer Amsterdam - Amstelland. Parallel aan de 3.1.1 procedure is stadsdeel Noord verzocht om advies. In Bijlage 8 is de Nota van beantwoording overlegreacties toegevoegd. In deze nota zijn de ingekomen reacties samengevat en voorzien van een reactie.

3.3

Participatie

Participatie met bewoners, ondernemers en ontwikkelaars heeft plaats gehad in het kader van de Herijking van de Investeringsnota (HIB). Het voorliggend bestemmingsplan is een juridische vertaling van de uitgangspunten die in de HIB zijn vastgelegd. Er zijn diverse bijeenkomsten georganiseerd waarbij de plannen zijn toegelicht en stakeholders de kans hebben gehad en genomen om zorgen, kansen, ideeën naar voren te brengen. Naar aanleiding van deze bijeenkomsten zijn de plannen op onderdelen aangepast en de aangepaste plannen zijn weer met de stakeholders besproken tijdens terugkoppelavonden. Vervolgens zijn er sinds februari 2019 iedere eerste dinsdag van de maand inloopavonden georganiseerd in het kader van relatiebeheer en belenagenmanagement. Op 3 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met vrijgave voor inspraak van het concept investeringsnota Buiksloterham 2019. De inspraakperiode duurde van 11 Gemeente Amsterdam

blz. 40

december 2019 t/m 4 februari 2020. Als onderdeel van de inspraakprocedure is er op 7 januari 2020 een inspraakavond georganiseerd in de vorm van een vrije inloop met informatiepanelen over de verschillende thema's binnen de investeringsnota. Circa 250 belangstellenden kwamen op deze avond af. In acht weken tijd zijn in totaal 86 inspraakreacties ingediend die ca. 290 keer zijn ondertekend. Bewoners, omwonenden uit omliggende buurten, bedrijven, erfpachters, ontwikkelaars en corporaties hebben gebruik gemaakt van hun inspraakrecht. Door de grote diversiteit aan insprekers en belangen liepen de inspraakreacties uiteen en waren vaak tegenstrijdig. Toch kan gesteld worden dat veel insprekers zich bekommeren om de leefbaarheid van Buiksloterham. Dit uitte zich in zorgen over de hoeveelheid groen, dichtheden en het aantal woningen, het percentage productieve bedrijfsruimte in relatie tot levendige plinten en beschikbare openbare ruimte, bereikbaarheid, verkeersveiligheid en voorzieningen. Andere inspraakreacties gingen over ondernemen in het gebied, ontwikkelkaders en over de manier waarop de gemeente de plannen maakt. Alle inspraakreacties zijn gevat en beantwoord in de Nota van Beantwoording Buiksloterham. Omdat de inhoud van deze 10e partiële herziening niet afwijkt van de HIB wordt er in het kader van het bestemmingsplan zelf niet integraal geparticipeerd.

Daar waar relevant is de inhoud van het plan wel vooraf afgestemd met stakeholders binnen het plangebied.

3.4

Procedure

De bestemmingsplanprocedure bestaat uit de fase ontwerp, vaststelling en beroep. Binnen deze fasering zijn daarnaast het vooroverleg en de reactieve aanwijzing van belang. Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeente overlegt met alle betrokken overheden en partijen. Dit vooroverleg heeft plaats gehad voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. In de Nota vooroverleg zijn de reacties samengevat en beantwoord. Ontwerpbestemmingsplan De resultaten uit het overleg en indien van toepassing uit de inspraak, zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Dit ontwerpbestemmingsplan is met ingang van 23 februari 2023 zes weken ter inzage gelegd door het college van burgemeester en wethouders waarbij een ieder de gelegenheid heeft gehad om schriftelijke of mondelinge zienswijzen kenbaar maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt in principe twaalf weken na het einde van de terinzagelegging, vastgesteld door de gemeenteraad. Het vastgestelde plan wordt eveneens ter inzage gelegd. Gedurende de terinzagelegging kan beroep tegen het plan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State. Reactieve aanwijzing De provincie en de minister hebben voordat de beroepstermijn ingaat, de mogelijkheid om in te grijpen.

Dit wordt een reactieve aanwijzing genoemd en houdt in dat het onderdeel waarop de aanwijzing

bestemmingsplan_Buiksloterham 10e part herz (vastgesteld)

blz. 41

betrekking heeft, geen onderdeel blijft uitmaken van het plan. Inwerkingtreding en onherroepelijk bestemmingsplan Het bestemmingsplan treedt in werking de dag nadat de beroepstermijn is afgelopen en geen schorsingsverzoek is ingediend. Het plan is onherroepelijk als door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State een uitspraak is gedaan over het ingestelde beroep.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13823333/1