CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. BP Drostenburg Dubbelink Venserpolder_toelichting_regels en bijlagen.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 24 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Drostenburg-Dubbelink Venserpolder. (ZD2021-001482)26.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Wel zijn alle woningeigenaren hierover in november 2019 schriftelijk geïnformeerd, zodat zij op de hoogte zijn van het voornemen om het bestemmingsplan aan te passen aan het vastgestelde Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink en de kavelpaspoorten.

8.2

Vooroverleg

Het Dagelijks Bestuur heeft heeft besloten om af te zien van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit heeft de volgende achtergrond. Hoewel het uitgangspunt van de wet is dat het wettelijk vooroverleg verplicht is, kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Die uitzondering is aan de orde als het gaat om een bestemmingsplanherziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, waarbij niet of in geringe mate herschikking van betrokken belangen aan de orde is (ABRvS 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4227 en ABRvS 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3466). Daar is in dit geval sprake van, gelet op het feit dat dit plan alleen voorziet in het afstemmen van de bouwhoogte op het Programma en de kavelpaspoorten. Dit raakt de belangen van wettelijke overlegpartners niet. Wel is dit bestemmingsplan in overleg met het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Zuidoost opgesteld.

8.3

Zienwijzen

Van 26 november 2020 tot en met 6 januari 2021 heeft het ontwerpbestemmingsplan, gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 16 zienswijzen ingediend. In bijlage 1 zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. Daarbij is aangegeven of en hoe de zienswijze heeft geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 32

8.4

Ambtshalve wijzigingen

In paragraaf 3.2.2. is de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vervangen door de Provinciale Omgevingverordening NH2020, vanwege het inwerking treden van laatstgenoemde op 17 november 2020. Voorts zijn ter verduidelijking in paragraaf 8.1. de eerste twee tekstregels vervangen. Ten slotte is in artikel 6.2.2. onder a van de planregels een wijziging doorgevoerd. Voor de inhoud van deze wijziging wordt verwezen naar de Nota van Beantwoording zienswijzen en wijzigingen, in bijlage 1.

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

Bestemmingsplan DrostenburgDubbelink Venserpolder

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Drostenburg-Dubbelink Venserpolder

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.T1902BPSTD-VG01

Datum print

28 Januari 2021

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Nota van beantwoording zienswijzen en wijzigingen

7

Bijlage 2

Toelichting als pdf

19

Bijlage 3

Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink

53

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 5

Bijlagen bij de toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 7

Bijlage 1

Nota van beantwoording zienswijzen en wijzigingen

Gemeente Amsterdam

Nota van beantwoording zienswijzen en wijzigingen Bestemmingsplan Drostenburg-Dubbelink Venserpolder

Colofon Opdrachtgever Opdrachtnemer Datum

Stadsdeel Zuidoost Ruimte en duurzaamheid januari 2021

1

Inhoud Algemeen................................................................................................................................................. 3 Ontvangen zienswijzen............................................................................................................................ 3 Inhoudelijke behandeling zienswijzen ..................................................................................................... 4 Zienswijzen nummer 1 t/m 15 ....................................................................................................... 4 Zienswijze nummer 16 ................................................................................................................... 8 Gewijzigde vaststelling ............................................................................................................................ 9 Bijlagen .................................................................................................................................................. 10

2

Inhoudelijke behandeling zienswijzen Inleiding In de 15 gelijkluidende zienswijzen zijn de hiernavolgende drie aspecten naar voren gebracht; er is dan ook voor een gezamenlijke beantwoording gekozen. Voorts is er een zienswijze ingebracht door één bewoner; deze zienswijze (nummer 16) is apart beantwoord.

Zienswijzen nummer 1 t/m 15 1.Inspraak en participatie Adressanten stellen dat het onredelijk is dat bij het ontwerpbestemmingsplan Drostenburg-Dubbelink Venserpolder geen gelegenheid is geboden voor inspraak en participatie. Er is geen rekening gehouden met het feit dat het gebied bij het ter visie gaan van het Programma en ontwerp Drostenburg-Dubbelink niet bewoond was en dat de kaveleigenaars er veel later zijn komen wonen. Daarnaast merken zij op dat het bestemmingsplan uit 2020 fors afwijkt van het vigerende bestemmingsplan Venserpolder. (adressanten gaan in punt 2 hier nader op). Adressanten geven aan herhaaldelijk navraag te hebben gedaan bij het stadsdeel Zuidoost over het nieuwe bestemmingsplan en over de uitbreidingsplannen van het Orioncollege. Hierop is geen reactie gekomen. Reactie Inspraak vindt plaats aan de hand van de Algemene inspraakverordening. Als inspraak aan de orde is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing (artikel 2 lid 2 Algemene inspraakverordening). Afdeling 3.4 van de Awb betreft de zogenaamde uniforme (openbare) voorbereidingsprocedure met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Omdat een bestemmingsplan tot stand komt via diezelfde voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb), bepaalt de Algemene inspraakverordening dat geen inspraak wordt gehouden bij bestemmingsplannen (artikel 2 lid 3, onder a).

Doel hiervan is om niet twee keer dezelfde procedure te volgen. Dit zegt echter niets over de vraag of er over een bestemmingsplan geparticipeerd wordt. Bij dit bestemmingsplan is daar ook bij stil gestaan en is niet gekozen voor participatie. Hieraan ligt het volgende ten grondslag. De stedenbouwkundige details voor de herontwikkeling van onder andere de (vrije) kavels in Drostenburg en Dubbelink zijn in 2009 uitgewerkt in het Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink. Dat programma is, na inspraak hierop, door de stadsdeelcommissie van Zuidoost op 26 mei 2009 vastgesteld. Omdat het om nieuwbouw ging van vrije kavels in Drostenburg en Dubbelink, is destijds in het bestemmingsplan Venserpolder gekozen voor een globale regeling met de huidige planologische mogelijkheden. Vervolgens zijn de vrije kavels via erfpacht uitgegeven. In de desbetreffende kavelpaspoorten zijn ruimtelijke randvoorwaarden opgenomen, die aansluiten bij het Programma en Ontwerp DrostenburgDubbelink. De kavelpaspoorten bieden dus niet de ruimere mogelijkheden van het bestemmingsplan Venserpolder. De in het bestemmingsplan Drostenburg-Dubbelink Venserpolder opgenomen gebieden hebben zich volgens het Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink ontwikkeld.

Omdat het geldende bestemmingsplan Venserpolder in een hogere bouwhoogte voorziet dan het Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink en dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk is, wordt met dit nieuwe bestemmingsplan aangesloten bij de bouwhoogte uit het Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink en de daarop gebaseerde en uitgegeven kavelpaspoorten. Het Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink voorzag dat de nieuwbouw, die inmiddels gerealiseerd is, aansluit bij de omliggende bestaande stedenbouwkundige structuur. De noordzijde van Drostenburg heeft qua ligging aan de singel een ruime groene afstand tot de tegenoverliggende woningen in de Venserpolder. Omwille van een heldere en eenduidige structuur is ervoor gekozen om de noordzijde van Drostenburg te laten corresponderen met de bouwhoogte van de bestaande woningen aan de overzijde. Dat komt neer op een bouwhoogte van maximaal vier bouwlagen. Ten aanzien 4

van de zuidzijde van Drostenburg is bepaald dat deze moet aansluiten op de omliggende bouwstructuur van de Venserpolder, wat betekent dat de woonstraat aan deze zijde een maximum heeft van drie bouwlagen. In Dubbelink was reeds sprake van laagbouwmilieu; bij toevoeging van woningbouw is rekening gehouden met de maat, schaal en ligging. De door het stadsdeelcommissie vastgestelde Programma voorziet hiermee in het waarborgen van een samenhangende structuur voor de Venserpolder. Gezien het voorgaande voorziet dit bestemmingsplan niet in nieuwe ontwikkelingen, maar legt het de huidige situatie vast, zoals die beoogd is met het Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink en de daarop gebaseerde kavelpaspoorten. Gelet op deze voorgeschiedenis en het actualiserende karakter van dit bestemmingsplan is ervoor gekozen geen participatie te houden en te volstaan met de wettelijk vastgelegde procedure. Wel zijn alle woningeigenaren in november 2019 schriftelijk geïnformeerd, zodat zij op de hoogte zijn van het voornemen om het bestemmingsplan aan te passen aan het vastgestelde Programma en de kavelpaspoorten. In deze brief is toegelicht dat de bebouwingsregeling van dit nieuwe bestemmingsplan zal aansluiten bij randvoorwaarden uit het vastgestelde Programma en de daarop gebaseerde kavelpaspoorten.

In de brief wordt tevens ingegaan op de verwachte terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en de gelegenheid tot het indienen van zienswijzen. Naar aanleiding van die brief hebben wij hierover destijds van één bewoner een vraag gekregen, die toen ook is beantwoord. Via de in de brief opgenomen gegevens had contact met ons opgenomen kunnen worden over zaken die dit bestemmingsplan aangaan. Het Orion College Drostenburg valt niet in dit bestemmingsplan. Een mogelijke uitbreiding van deze school zal via een apart besluitvormings- en proceduretraject plaatsvinden, waarvoor, zoals adressanten al aangeven, het beste contact kan worden gehouden met de gebiedsmakelaars van Venserpolder. Conclusie Dit aspect van de zienswijzen leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

5

2. Bouwregels Adressanten menen dat de ongelijke hoogte in de bouwregels onrechtvaardig is en stellen dat dit in strijd is met het beginsel van gelijkheid. Gesteld wordt dat in één straat met 40 woningen -bovendien ontwikkeld door dezelfde ontwikkelaar - het onwenselijk en onredelijk is om (achteraf) onderscheid te maken in de regels voor deze woningen. Adressanten vermoeden dat de afgifte van vergunningen aan de Dostojevskisingel om een vierde bouwlaag te bouwen, reden is voor de wijziging in bouwhoogte. Zij zien liever de maximale toegestane bouwhoogte op alle 40 kavels gewijzigd van 16 meter (5 bouwlagen) naar maximaal 12 meter (4 bouwlagen). Reactie: Bij het opstellen van het bestemmingsplan Venserpolder is de keuze gemaakt voor een ruime (globale) opzet. De stedenbouwkundige en architectonische bewerking van het gebied is uitgewerkt in het Programma Ontwerp Drostenburg-Dubbelink en vervolgens in het kavelpaspoort. De kavels zijn uitgegeven met inachtneming van het kavelpaspoort, waarin voor elke kavel de (ruimtelijke) randvoorwaarden zijn opgenomen. Dit kan per kavel verschillend zijn, hetgeen een bekend gegeven is. Het onderscheid in de door adressanten aangehaalde bouwhoogte is niet ontstaan door dit nieuwe, voorliggende bestemmingsplan, maar was reeds aanwezig bij de kaveluitgifte.

Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan Venserpolder is sprake van een aanpassing van de bouwhoogte, maar het nieuwe, voorliggende bestemmingsplan sluit aan op en is een juridisch planologische vertaling van het Programma Ontwerp Drostenburg-Dubbelink en de kavelpaspoorten. De huidige situatie sluit hierbij aan en vertoont geen bebouwing die afwijkt van het Programma en de kavelpaspoorten, ook niet voor wat betreft afgegeven omgevingsvergunningen. De 40 kavels zijn weliswaar ontwikkeld binnen één project, maar de ligging van de kavels is een factor geweest bij de bepaling van de bouwhoogte. De noordzijde van Drostenburg heeft qua ligging aan de singel een ruime groene afstand tot de tegenoverliggende woningen in de Venserpolder. Omwille van een heldere en eenduidige structuur is ervoor gekozen om de noordzijde van Drostenburg te laten corresponderen met de bouwhoogte van de bestaande woningen aan de overzijde. Dit komt neer op een bouwhoogte van vier bouwlagen. Ten aanzien van de zuidzijde van Drostenburg is bepaald dat deze moet aansluiten op de omliggende bouwstructuur (scholen en voorzieningencluster), wat betekent dat de woonstraat aan deze zijde een maximum heeft van drie bouwlagen. Dit is beschreven in het Beeldkwaliteitsplan, dat onderdeel is van het Programma Ontwerp Drostenburg-Dubbelink.

Gelet op het voorgaande is het niet wenselijk om op alle 40 kavels dezelfde bouwhoogte te hanteren. Conclusie Dit aspect van de zienswijzen leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

6

3. Planbegrenzing Het baart adressanten zorgen dat de zuidzijde van Drostenburg (het scholen- en voorzieningencluster) niet in het plangebied van dit nieuwe bestemmingsplan is opgenomen. De ontwikkelingen op het Orion College Drostenburg hebben directe invloed op hun leefomgeving en tot nu toe worden ze niet betrokken bij (bouw)ontwikkelingen van de school. Reactie In paragraaf 1.1 van de toelichting van het bestemmingsplan is de aanleiding en het doel van dit nieuwe bestemmingsplan beschreven. Daaruit is op te maken dat het bestemmingsplan betrekking heeft op de (vrije) kavels van Drostenburg en Dubbelink. Nu de ontwikkeling van deze (vrije) kavels zo goed als voltooid is en op de (meeste) kavels woningen zijn gerealiseerd, is specifiek voor deze locaties behoefte aan een actueel juridisch-planologisch kader. Die behoefte houdt verband met het feit dat in het bestemmingsplan Venserpolder ruimere bebouwingsmogelijkheden zijn opgenomen dan de randvoorwaarden uit het Programma Ontwerp Drostenburg-Dubbelink en de kavelpaspoorten. Het voornaamste doel van dit bestemmingsplan is dan ook om de huidige globale bebouwingsregeling op de kavels af te stemmen op en aan te laten sluiten bij het Programma en de kavelpaspoorten. Voor het scholen- en voorzieningencluster aan de zuidzijde van Drostenburg speelt dit niet.

Om die reden is het scholen- en voorzieningencluster niet in dit bestemmingsplan opgenomen. Voor het scholen- en voorzieningencluster verandert er niets door dit bestemmingsplan. De planologische mogelijkheden van het scholen- en voorzieningencluster zijn nog steeds opgenomen in het geldende bestemmingsplan Venserpolder. Een mogelijke uitbreiding van dit cluster zal via een apart besluitvormings- en proceduretraject plaatsvinden. Waarvoor, zoals adressanten al aangeven, het beste contact kan worden gehouden met de gebiedsmakelaars van Venserpolder. Conclusie Dit aspect van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

7

Zienswijze nummer 16 De hoekkavel kan opgesplitst worden in maximaal 2 woningen voor het gehele bouwblok. Achterhuis maximaal 60m² over 2 lagen en daartussen 5 meter bij 2=10 m² over 1 bouwlaag. Dit betreft de kavelinformatie voor de hoekkavel 40 afkomstig uit het kavelpaspoort. Adressant wil dit graag verwerkt hebben in het bestemmingsplan. Reactie In het ontwerpbestemmingsplan is in artikel 6.2.2. onder a van de planregels het volgende opgenomen: “het maximaal aantal te realiseren woningen: zoals is aangegeven in het bestemmingsvlak”. In tegenstelling tot hetgeen hieruit zou kunnen worden afgeleid, is in het bestemmingsvlak echter geen maximum aan het aantal te realiseren woningen aangegeven. Dit bestemmingsplan staat woningsplitsing dan ook niet in de weg. Wel moet bij woningsplitsing aan de voorwaarden uit de kavelpaspoorten worden voldaan en is een omzettingsvergunning nodig op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Gezien het voorgaande is artikel 6.2.2 onder a uit de planregels verwijderd. Conclusie Dit aspect van de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan voor wat betreft het verwijderen van artikelnummer 6.2.2 onder a.

8

Gewijzigde vaststelling Aan het ontwerpbestemmingsplan Drostenburg-Dubbelink Venserpolder zoals dat ter visie heeft gelegen is een wijziging in de planregels (artikel 6.2.2 onder a) aangebracht. Het betreft een wijziging naar aanleiding van zienswijze nummer 16. Daarnaast is een ambtelijke wijziging aangebracht die betrekking heeft op een verwijzing naar oude regelgeving, namelijk in paragraaf 3.2.2. In deze paragraaf is de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vervangen door de op 17 november 2020 in werking getreden Provinciale Omgevingsverordening NH2020. Voorts is in de toelichting, ter verduidelijking een redactionele aanpassing gedaan in de eerste twee regels van paragraaf 8.1, Inspraak.

Zienswijze

Onderwerp

Nummer 16

Hoekkavel moet opgesplitst kunnen worden in twee woningen

Te wijzigen bij vaststelling bestemmingsplan Artikel 6.2.2. onder a in het ontwerpbestemmingsplan voor wat betreft de maximaal te realiseren woningen is verwijderd. Wellicht ten overvloede: Gelet op de doornummering van artikelnummers schuift artikel 6.2.2. onder b door naar onder a (bij vaststelling), enzovoorts.

9

Bijlagen 16 zienswijzen

10

blz. 18

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 19

Bijlage 2

Toelichting als pdf

Gemeente Amsterdam

Bestemmingsplan DrostenburgDubbelink Venserpolder

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Drostenburg-Dubbelink Venserpolder

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.T1902BPSTD-VG01

Datum print

28 Januari 2021

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

Aanleiding en doel Ligging plangebied en plangrens Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer

7 7 8 8

Het plangebied

9

Historie en beschrijving huidige situatie

9

Beleidskader

11

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 15

Milieuaspecten

17

Milieueffectenrapportage Luchtkwaliteit Geluidhinder Externe veiligheid Bodemkwaliteit

17 17 18 19 20

Omgevingsaspecten

23

Mobiliteit Water Cultuurhistorie, monumenten en archeologie Natuurbescherming

23 23 25 26

Juridische toelichting

27

Algemeen De bestemmingen

27 27

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

29

Hoofdstuk 8

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

31

Inspraak Vooroverleg Zienwijzen Ambtshalve wijzigingen

31 31 31 32

1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 Hoofdstuk 6 6.1 6.2

8.1 8.2 8.3 8.4

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Aanleiding Op de locaties Drostenburg en Dubbelink gelegen in de wijk Venserpolder, vigeert het bestemmingsplan 'Venserpolder', dat is vastgesteld op 16 februari 2010 (onherroepelijk op 22 april 2010). Deze locaties zijn in het vigerende bestemmingsplan door de deelraad van stadsdeel Zuidoost aangemerkt als ontwikkelingslocatie, onder andere voor de realisatie van vrije sector koopwoningen. De plannen voor de locaties zijn beschreven in het Programma en Ontwerp Drostenburg-Dubbelink (Programma). Het Programma is vastgesteld op 26 mei 2009 door de stadsdeelraad en bevat een gdetailleerde uitwerking van de locatie van de kavels. Daarnaast zijn de ruimtelijke randvoorwaarden vastgelegd in de kavelpaspoorten ten behoeve van de in erfpacht uitgegeven kavels. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Venserpolder hebben de (vrije) kavels van Drostenburg en Dubbelink een globale bestemming gekregen, in afwachting van de stedenbouwkundige uitwerking. Nu de planontwikkeling zo goed als voltooid is en op de (meeste) kavels woningen zijn gerealiseerd, is specifiek voor deze locaties behoefte voor een actueel juridisch-planologisch kader. Daarin voorziet het voorliggend bestemmingsplan 'Drostenburg-Dubbelink Venserpolder'. Doel Het vigerende bestemmingsplan biedt ruimere bebouwingsmogelijkheden dan de randvoorwaarden uit het Programma en de kavelpaspoorten.

Het voornaamste doel van bestemmingsplan 'Drostenburg-Dubbelink Venserpolder' is om de huidige globale bebouwingsregeling op de kavels af te stemmen op het Programma en de kavelpaspoorten. Daarnaast heeft dit bestemmingsplan te voorzien in een goede planologische en juridische vertaling van de bestaande bebouwing en het gebruik.

1.2

Ligging plangebied en plangrens

Het plangebied, aangeduid als Drostenburg-Dubbelink, betreft de woningen op 40 (vrije) kavels in de noordzone Drostenburg en op 20 (vrije) kavels in de zuidzone Dubbelink. De kavels in de noordzone Drostenburg worden begrensd door de Dostojevskisingel aan de noordzijde, de Dolingadreef aan de westzijde, het Frissensteinpad aan de oostzijde en aan de zuidzijde door het scholen- en voorzieningencluster aan de Drostenburg. De kavels in de zuidzone Dubbelink worden zowel aan noord-, west- als zuidzijde begrensd door de Dubbelink en aan de oostzijde door de George Sandstraat.

Gemeente Amsterdam

blz. 8

Ligging van de kavels in het plangebied

1.3

Geldende bestemmingsplannen

In het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is momenteel het bestemmingsplan Venserpolder van kracht, dat vastgesteld is op 16 februari 2010 en onherroepelijk geworden is op 22 april 2010.

1.4

Leeswijzer

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. De toelichting bestaat uit 8 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en geeft aan welke ontwikkelingen zich voordoen in het plangebied. De voor het plan relevante beleidsuitspraken van rijk, provincie en het eigen gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en hoofdstuk 5 behandelt de relevante omgevingsaspecten. Een toelichting op de juridische systematiek met daarin een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedure.

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 2 2.1

Het plangebied

Historie en beschrijving huidige situatie

Historie Het plangebied vormt de overgang tussen de woonwijken van de Venserpolder en de Bijlmermeer, omgeven door singels, groenstroken en halfhoge dreven. Voor de herontwikkeling van dit gebied waren in Drostenburg-Dubbelink vijf scholen voor voortgezet en speciaal onderwijs gehuisvest. Door de geïsoleerde ligging ten opzichte van de omliggende woonbuurten werd het gebied, mede door het monofunctionele karakter, als sociaal onveilig ervaren. Tussen de schoolbesturen heeft jaren overleg plaatsgevonden over de herontwikkeling van de gebouwen. Het stadsdeel Zuidoost heeft gezamenlijk met de schoolbesturen en de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam onderzocht wat de mogelijkheden zijn tot herontwikkeling van dit gebied. Het stadsdeel heeft destijds gekozen voor een integrale oplossing voor het hele gebied, waarbij de functionaliteit verbetert, de bebouwingsdichtsheid toeneemt en functiemenging wordt gerealiseerd. Hierdoor is de mogelijkheid ontstaan om woningbouw toe te voegen. Deze oplossingen zijn vastgelegd in de op 24 oktober 2006 vastgestelde strategienota Drostenburg-Dubbelink. De randvoorwaarden voor de realisering van de voorzieningen en woningen zijn opgenomen in het Programma, bijlage 2 bij de toelichting.

Bij de herontwikkeling waren de doelstellingen: Het opheffen van het monotunctionele karaker van het plangebied; Het verbeteren van de auto-aansluiting in het gebied; Het toevoegen van nieuwe woningbouw aan de Dostojevskisingel en in het oostelijk deel van Dubbelink; Het toevoegen van functies in het projectgebied zoals woningen en welzijnsvoorzieningen Naast twee stadsvilla's met sociale huurappartementen aan de Dostojevskysingel zijn eind jaren '80 55 koopeengezinswoningen gerealiseerd in het plangebied.Vanwege de wens tot het doorbreken van het eenzijdige karakter van Venserpolder, het versterken van het imago, de geringe omvang van de bouwlocatie en het genereren van grondwaarde (vanwege de kapitaalvernietiging door de sloop van een van de scholen uit het gebied) is in de Strategienota vastgelegd dat in Drostenburg en Dubbelink vrije sector koopwoningen worden gerealiseerd. In totaal zijn 60 kavels in erfpacht uitgegeven, 40 in Drostenburg en 20 in Dubbelink. Op twee na zijn alle kavels bebouwd en in gebruik genomen. Recent is ook op deze laatste kavels de bouw gestart. De gehele ontwikkeling van het plangebied kon worden gerealiseerd onder het huidige planologische regime van het bestemmingsplan Venserpolder. Beschrijving huidige situatie Het vigerend planologisch kader heeft een globaal karakter, wat bij de herontwikkeling van de kavels voldoende flexibiliteit gaf.

Nu de gebiedsontwikkeling bijna is afgerond, is het van belang de eenduidige en samenhangende structuur in de wijk te behouden. Een bestemmingsplan met een globaal karakter is daarvoor minder goed geschikt en dus ruimtelijk minder gewenst. Bovendien is de bouwhoogte voor de kavels in het kavelpaspoort beperkter dan de bouwhoogte uit het vigerend bestemmingsplan. De bouwhoogten moeten daarom meer met elkaar in overeenstemming worden gebracht. De bestaande situatie geldt hierbij als uitgangspunt. Regeling in het bestemmingsplan

Gemeente Amsterdam

blz. 10

De huidige bebouwingsregeling op de vrije kavels van Drostenburg maakt bebouwing mogelijk over maximaal 60% van het bestemmingsvlak tot een hoogte van 16 meter (± 5 bouwlagen). De bestemming is 'Gemengd - 3 (GD - 3)', waar zowel onderwijs- en welzijnsvoorzieningen als woningen zijn toegestaan. Op de vrije kavels Dubbelink geldt de bestemming 'Wonen - 1' waarbij bebouwing over maximaal 60% van het bestemmingsvlak tot een hoogte van 9 meter (3 bouwlagen) is toegestaan. Voorwaarden uit kavelpaspoort In het Kavelpaspoort wordt uitgegaan van een bouwhoogte van maximaal vier bouwlagen (12 meter) op de kavels Drostenburg gelegen tegenover de Dostojevskisingel. Op de resterende kavels Drostenburg tegenover het scholen- en voorzieningencluster én op de kavels Dubbelink wordt uitgegaan van een bouwhoogte van maximaal drie bouwlagen (9 meter). Wat verandert er ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan De maximaal toegestane bouwhoogte van de 40 vrije kavels Drostenburg wordt gewijzigd van 16 meter (±5 bouwlagen) naar 9 meter (3 volledige bouwlagen). Op 20 van deze vrije kavels die tegenover de Dostojevskisingel zijn gesitueerd wordt een vierde bouwlaag toegestaan die vanaf de voorgevelrooilijn voor maximaal 50% bebouwd mag worden. Op de vrije kavels aan de Dubbelink geldt reeds een bouwhoogte van maximaal 9 meter (3 bouwlagen).

Alleen wordt voor de hoekwoningen opgenomen dat één gedeeltelijke bouwlaag is toegestaan achter het hoofdgebouw met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 11

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit Algemene regels ruimtellijke ordening Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: a. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland b. het verbeteren, in standhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; c. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen 13 onderwerpen voort die van nationaal belang zijn: Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1). Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2). Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3). Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4). Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5).

Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6). Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7). Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's (nationaal belang 8). Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9). Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10). Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11). Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12). Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13). Het Rijk is verantwoordelijk voor deze nationale belangen. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Consequenties voor dit plan Het plangebied raakt geen van de beschreven nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en

Gemeente Amsterdam

blz. 12

Ruimte en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan 3.1.2

Ladder Duurzame verstedelijking

In geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte hieraan beschreven te worden (artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening). Het voorliggend bestemmingsplan betreft niet een nieuwe stedelijke ontwikkeling, maar een voortzetting van een bestaande situatie, die in overeenstemming is met het vigerende ruimtelijke beleid. Het feit dat de ontwikkeling van het plangebied al geruimte tijd plaatsvindt onder het vigerende bestemmingsplan, geeft blijk van de aanwezige behoefte. Op het voorliggend bestemmingsplan is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. 3.1.3

Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Kader Het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: LIB) is een algemene maatregel van Bestuur, die gebaseerd is op de Wet Luchtvaart. In deze wet is bepaald dat bij de vaststelling van ruimtelijke plannen het LIB in acht genomen moet worden. Het LIB regelt welk gebied is bestemd voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daar omheen beperkingen gelden ten behoeve van veiligheid en geluidbelasting, het zogeheten beperkingengebied. Het LIB geeft regels over het gebruik en de bestemming van de gronden in dit beperkingengebied. Het beperkingengebied is aangegeven op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het LIB. Het LIB is sinds 2003 in werking. Op het onderdeel vliegveiligheid is het LIB in 2015 geactualiseerd. Het LIB bevat regels over: 1. De bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; 2. De bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; 3. De maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; 4. Een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.

Consequenties voor dit plan Beperking bebouwing Bijlage 3 van het LIB bevat het ruimtelijk afwegingsgebied geluid en externe veiligheid, aangeduid met nummer 5 (LIB 5). De gronden aangeduid met nummer 1 tot en met nummer 4 (LIB 1 t/m LIB 4) zijn in het voorliggend plan niet aan de orde. De regels van bijlage 3 zijn neergelegd in artikel 2.2.1d van het LIB, waarin is bepaald dat ten aanzien van het gebruik beperkingen gelden binnen het afwegingsgebied. Het gehele plangebied Drostenburg-Dubbelink valt binnen het beperkingengebied van het LIB. Alle (bouw)ontwikkelingen in het plangebied zijn mogelijk gemaakt en gerealiseerd onder het regime van het vigerende bestemmingsplan Venserpolder. Het onderhavige plan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk, maar legt de bestaande legale situatie vast. Zodoende is het huidige gebruik in overeenstemming met het voornoemd artikel. Maatgevende toetshoogtes In verband met het waarborgen van de vliegveiligheid bevat bijlage 4 van het LIB bouwhoogtebeperkingen voor objecten binnen het beperkingengebied. Op grond van artikel 2.2.2 van het LIB geldt dat objecten geen doorgang kunnen vinden indien zij toetsvlakken doorsnijden of binnen een toetszone vallen.

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 13

Overschrijding van de toetshoogte is wel mogelijk indien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven. Het plangebied ligt binnen de toetszone waar hoogtebeperkingen gelden voor objecten van maximaal 146 meter. Het voorliggende bestemmingsplan maakt het echter niet mogelijk bouwwerken met dergelijke bouwhoogtes op te richten. De bouwwerken binnen het plangebied hebben een maximale hoogte van 16 meter. Om die reden vormt het LIB geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Toetshoogte i.v.m. radar Voor de toetsing van mogelijke verstoringen voor radarapparatuur geldt op grond van artikel 2.2.2a van het LIB een afwijkend regime. De toetshoogte vanwege de radar wordt op kaart aangegeven in bijlage 4B van het LIB. Voor objecten die het toetsvlak voor radar doorsnijden geldt dat die alleen gerealiseerd kunnen worden wanneer de ILT een positief advies heeft uitgebracht. Het plangebied ligt binnen de toetszone in verband met de radar. Eerder is opgemerkt dat het voorliggend bestemmingsplan geen bouwwerken mogelijk maakt die de toetswaarden overschrijden. Zodoende zijn er geen belemmeringen voor het veilig functioneren van radarapparatuur.

Beperking aantrekken vogels Voor het beperkingengebied op grond van artikel 2.2.3 van het LIB geldt dat het grondgebruik binnen bepaalde categorieën, waaronder de beperking aantrekking vogels, niet is toegestaan. Het beperkingengebied is aangegeven op kaartbijlage 5 van het LIB. Het plangebied ligt niet binnen de zone van het verbod op vogelaantrekkende functies. Windturbines en lasers Volgens het bepaalde in artikel 2.2.3 van LIB gelden op de gronden aangewezen in bijlage 6 beperkingen bij de oprichting van windturbines en lasers. Hoewel het plangebied geheel binnen deze toetszone voor windturbines en lasers valt, maakt dit bestemmingsplan het niet mogelijk om dergelijke bouwwerken op te richten. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan geheel in overeenstemming is met het LIB.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050

Provinciale Staten hebben op 19 november 2018 de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 geeft inzicht in de ruimtelijke ambities van de provincie Noord-Holland. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Economische groei en een gezonde leefomgeving moeten op elkaar zijn afgestemd en houden elkaar in evenwicht. De vele ontwikkelingen die de komende jaren op de samenleving zullen afkomen zijn in de Omgevingsvisie NH2050 aangestipt. Er zijn acht urgente ontwikkelingen geformuleerd waar de samenleving mee te maken zal krijgen: Klimaatverandering: bescherming bieden tegen de (extra versnelde) zeespiegelstijging. Bodem-, water- en luchtkwaliteit: verdere verbetering van de kwaliteit van bodem, water en lucht op alle plekken in de provincie. Biodiversiteit en natuur: investeren en vergroten van de biodiversiteit om andere doelen te bereiken

Gemeente Amsterdam

blz. 14

zoals een gezonde leefomgeving, economisch duurzame landbouw, bodem en waterkwaliteit, aantrekkelijke verstedelijking en klimaatadaptatie. Economische transitie: ruimte te bieden aan ontwikkelingen van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten door de overgang naar duurzame economie. Energie transitie: overgaan naar een samenleving in de provincie die volledig klimaatneutraal is en is gebaseerd op hernieuwbare energie. Mobliliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland verplaatsen zichzelf of producten effectief, veilig en efficient; het versterken van mobiliteitsopties zoals goede OV-verbindingen en ontwikkelen van basisbereikbaarheid voor kleine kernen. Verstedelijking: vraag en aanbod van woon-en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming brengen, waarbij duurzaamheid het uitgangspunt is voor de totale woningvoorraad. Landschap: benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. In de Omgevingsvisie NH2050 zijn ontwikkelprincipes geformuleerd die helpen om in samenhang te kijken naar de bovengenoemde acht hoofdthema's. Verder heeft de provincie vijf samenhangende bewegingen beschreven die samen met de hoofdthema's richting geven aan de ontwikkeling van de leefomgeving. De samenhangende bewegingen zijn: 1.

Dynamisch schiereiland: de provincie Noord-Holland is aan drie zijden omgeven door water. Het benutten van deze unieke ligging is leidend, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 3. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en waarin de kernen de herkenbare identiteit behouden. 4. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving; centraal staat het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector. De hoofdthema's en de samenhangende bewegingen vormen de belangrijkste maatschappelijke opgaven voor de komende jaren. Ontwikkelprincipes bieden houvast voor iedereen die iets wil doen dat raakt aan de fysieke leefomgeving. Aan de ruimtelijke beslissingen van de provincie zal daarom altijd een afweging van deze belangen voorafgaan.

Bereikbaarheid Verder vindt de provincie een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid van natuur- en recreatiegebieden via groenblauwe verbindingen voor haar bewoners en bezoekers belangrijk, zowel voor de leefbaarheid als voor het vestigingsklimaat. De provincie stelt zich ten doel dat in het jaar 2050 de fiets een nog belangrijker rol speelt in de regionale mobiliteit van Noord-Holland. Er is dan één compleet, herkenbaar en veilig netwerk van fietspaden: op de belangrijkste regionale verbindingen tussen gemeenten, werklocaties, OV-knooppunten, onderwijsinstellingen en natuurgebieden. Verdichting De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande, verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Er moet voldoende ruimte en budget zijn voor de ontsluiting van grote woongebieden door te verdichten op goed bereikbare plekken nabij knooppunten van openbaar vervoer. Groen en (water)recreatie Ten slotte dient er voldoende groen om de stad te zijn in het kader van recreatie. Met de provincies Utrecht en Zuid-Holland is in het kader van de Groene Hartsamenwerking het Perspectief Groene Hart

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 15

2040 vastgesteld. Daarmee hebben deze provincies zich gecommitteerd aan samenhangend beleid voor het Groene Hart, wat in uitwerkingen verder vorm zal worden gegeven. Kern van de beweging zijn twee grote veranderprocessen die vragen om samenwerking, innovatie en gebiedsgericht maatwerk: de ontwikkeling naar een natuurinclusieve landbouw en de bodemdaling in veenweidegebied. Voorliggend bestemmingsplan geeft op onderdelen uitvoering aan het gegeven beleid en is daarmee in overeenstemming. 3.2.2

Provinciale Omgevingsverordening NH2020

Op 22 oktober 2020 hebben de Gedeputeerde Staten de Provinciale Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie NH 2050 (2018) zijn in de Omgevingsverordening Noord-Holland verankerd. De verordening vervangt daarmee alle verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.Daarnaast bevat de Provinciale Verordening regels die voortvloeien uit het Barro. Bij de gemeentelijke planologische besluitvorming, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, moeten de regels uit de Provninciale verordening in acht genomen worden. Het voorliggende plan is in overeenstemming met de Provinciale Verordening NH2020. 3.2.3

Provinciale Watervisie 2021 'Buiten de oevers'

De Provinciale Watervisie 2021 'Buiten de Oevers' is vastgesteld op 15 november 2015 door Provinciale Staten. De watervisie is afgestemd met de Stroomgebiedbeheerplannen uit de Kaderrichtlijn Water. De Watervisie beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 met doorkijk naar 2040. De Watervisie is integraal onderdeel van het strategisch omgevingsbeleid en heeft een directe relatie met de provinciale structuurvisie. In de Watervisie richt de provincie zich op de thema's veilig, schoon en voldoende water en werkt die uit in doelstellingen voor onder andere veilige dijken en duinen, robuuste inrichting van het achterland, rampenbeheersing bij overstromingen, kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, zoetwatervoorziening en het tegengaan van wateroverlast. Hoofdstuk 5, paragraaf 5.2 beschrijft hoe in het plangebied met de waterhuishouding wordt omgegaan.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Amsterdam 2040

Economisch sterk, duurzaam, goed wonen en werken, veel ruimte voor groen Amsterdam. De Structuurvisie is op 17 februari 2011 vastgesteld door de gemeenteraad en daarmee het toekomstbeeld voor de stad. De Structuurvisie heeft een stad voor ogen waar het goed toeven is, met voldoende geschikte woningen op diverse locaties, de aantrekkingskracht van een wereldstad met een attractief vestigingsmilieu en ruimte voor groen. Er komen 70.000 woningen bij, aan de Zuidas, de IJoevers op het Zeeburgereiland en in de stedelijke vernieuwingsgebieden. Ook in de Coen- en Vlothaven komen woningen, maar de havenbedrijven worden voor de stad behouden. Andere belangrijke onderdelen van de visie op de metropool zijn: kiezen voor binnenstedelijk verdichten om groen buitengebied te sparen; parken en groen essentieel voor groei stedelijke economie (groot groenonderzoek); kiezen voor duurzame energie: wind, zon, warmtenet; regionaal OV moet beter, bustangenten naar Zaanstad en van Sloterdijk naar Schiphol. metroring

Gemeente Amsterdam

blz. 16

sluiten over Noord (ontsluiten IJoevers); uitbreiding van de ecologische structuur en hoodgroenstructuur; centrummilieu binnen de ring uitbreiden: autoluw, meer stadsstraten. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze Structuurvisie opgesteld.

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 17

Hoofdstuk 4 4.1

Milieuaspecten

Milieueffectenrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project, genoemd in de categorieën in de C en D lijst van het Besluit mer, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, zodat de categerorieën in de C en D lijst van het Besluit mer niet aan de orde zijn bij dit plan. Er geldt dan ook geen (beoordelings)plicht.

4.2

Luchtkwaliteit

Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Specifieke onderdelen hiervan zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De wetgeving kent een dubbele doelstelling: De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig omdat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen. Een belangrijk verschil met het vervallen Besluit luchtkwaliteit 2005 is dat de huidige regelgeving geen directe en harde koppeling meer kent tussen besluiten en grenswaarden. Deze is vervangen door een meer flexibele toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een van de elementen daarvan is dat projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht.

Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant.Een bestemmingsplan is in overeenstemming met de Wet milieubeheer als het niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. AMvB en Regeling niet in betekende mate (NIBM) De wet maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL.De AMvB en Regeling "niet in betekenende mate" bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als "in betekenende mate" moet worden beschouwd. Deze AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam Op 1 maart 2006 is de gemeenteraad akkoord gegaan met het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam

Gemeente Amsterdam

blz. 18

2005. Dit actieplan kent als doel het oplossen van de bestaande knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit in de stad. De drie centrale uitgangspunten van dit actieplan zijn: Het beschermen van de gezondheid van mensen staat centraal. Amsterdam houdt vast aan het concentratiebeleid ten aanzien van het hoofdnet auto. Amsterdam houdt vast aan het beleid met betrekking tot de compacte stad. Het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam vloeit voort uit de verplichting die was opgenomen in het landelijke Besluit luchtkwaliteit (2005). Ingegeven door aspecten van de volksgezondheid stelde dit besluit, op grond van een Europese richtlijn, voor verschillende stoffen normen voor maximale concentraties in de buitenlucht. Burgemeester en Wethouders moesten op grond van het Besluit luchtkwaliteit jaarlijks de stedelijke luchtkwaliteit inventariseren. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van knelpunten, hetgeen in Amsterdam het geval is, moesten Burgemeester en Wethouders op grond van het Besluit luchtkwaliteit een actieplan opstellen dat gericht is op het aanpakken van de geïdentificeerde knelpunten. Dit actieplan is vastgesteld door het College op 24 januari 2006. Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam Deze stedelijke richtlijn heeft het college van B&W in december 2009 vastgesteld.

Het belangrijkste uitgangspunt in de richtlijn is dat bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal binnen een afstand van 50 meter (gemeten van de rand van de weg) geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Van de in de richtlijn genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Met deze Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit is sprake van extra en strengere regelgeving dan Europa voorschrijft. Consequenties voor dit plan Het voorliggend plan heeft een conserverend karakter en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. In de huidige situatie en daarmee ook in de nieuwe situatie worden de in de wet gestelde grenswaarden niet overschreden. Luchtkwaliteit levert derhalve geen belemmering op.

4.3

Geluidhinder

Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail-en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Op grond van de Wgh gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen. In de Wgh is aangegeven dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Wanneer een nieuw (of gewijzigd) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidsgevoelige bebouwing in de geluidszone van een industrieterrein of (spoor)weg te realiseren, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidsbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag.

Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Het toepassen van maatregelen dient in volgorde van prioriteit gericht te zijn op bronmaatregelen (geluiddempers, aanpassing wielen/spoor, aanpassing bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 19

wegverharding en/of aangepaste rijsnelheden) en overdrachtsmaatregelen (geluidsschermen/geluidswallen). Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een besluit hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidsbelasting, de binnenwaarde worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. Amsterdams geluidbeleid Op 5 maart 2019 heeft het college van B&W de nota "Amsterdams Geluidbeleid 2016, Hogere waarde Wet geluidhinder" gewijzigd vastgesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat bij de vaststelling van een hogere waarde rekening wordt gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Het beleid geeft aan dat er sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden. Consequenties voor dit plan Het voorliggende bestemmingsplan legt het bestaand gebruik juridisch-planologisch vast, hetgeen betekent dat het voorliggende bestemmingsplan geen geluidgevoelige functies in de zin van de Wgh mogelijk maakt. De huidige situatie blijft gehandhaafd en derhalve is een akoestisch onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig.

4.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) als het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels en restaurants, dienen de risico's te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans op een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten Gemeente Amsterdam

blz. 20

andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met de regionale brandweer. Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Amsterdam Naast de nationale wet- en regelgeving is het gemeentelijke Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid Amsterdam (mei 2012) van belang. In dit beleid zijn lokale planologische kaders beschreven in relatie tot het aspect externe veiligheid. Consequenties voor dit plan Bij de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan Venserpolder is de externe veiligheid onderzocht. In dat onderzoek zijn de volgende conclusies beschreven: Binnen het plangebied Drostenburg-Dubbelink liggen geen inrichtingen voor productie of opslag van gevaarlijke stoffen. Tevens is er geen tankstation gelegen met een LPG verkooppunt.Het plangebied ligt dus niet binnen een veiligheidszone rond inrichtingen voor gevaarlijke stoffen. Een onderzoek naar het plaatsgebonden en groepsrisico is daarom niet nodig; Het plan ligt in het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Deze route is geen onderdeel van het hoofdnet voor gevaarlijke stoffen. Het betreft een route die gebruikt wordt om te voorkomen dat vrachtwagens met gevaarlijke stoffen onder de Amsterdam ArenA doorrijden.

Slechts in incidentele gevallen zal de route worden gebruikt, als uitwijkmogelijkheid. Het gebied Drostenburg-Dubbelink ligt op meer dan 200 meter van deze route en is daarom niet onderzocht op veiligheid'; In het onderzoek zijn de gevaarlijke stoffen over het spoorttraject Duivendrecht - Breukelen beschouwd, alwaar Venserpolder is gesitueerd. Uit het onderzoek blijkt dat de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (10-6 contour) nergens langs de spoorbaan wordt overschreden. Het onderhavige plan betreft een conserverend bestemmingsplan. Het betreft hier een bestaande situatie die eerder is onderzocht en acceptabel is bevonden. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan en het groepsrisico blijft daardoor gelijk. Gezien het voorgaande zijn in het kader van externe veiligheid geen belemmeringen geconstateerd.

4.5

Bodemkwaliteit

De Wet bodembescherming In het algemeen geldt dat verontreiniging van de bodem (grond en grondwater) moet worden voorkomen. Uitgangspunt is dat de bodem schoon is en dat dat zo moet blijven (zorgplicht). Voor vervuilde bodems geldt dat deze functiegericht en kostenefficiënt gesaneerd moeten worden. Voorwaarde is dat hierbij geen verspreiding van of ontoelaatbare blootstelling aan verontreiniging optreedt. De Wet bodembescherming geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor de stof geldende streefwaarde overschrijdt. Consequenties voor dit plan Bij de vaststelling van bestemmingsplan Venserpolder is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Omdat de plannen voor de herontwikkeling van Drostenburg en Dubbelink al concreet waren, zijn deze locaties meegenomen in het onderzoek. Uit dat bodemonderzoek kwamen de volgende conclusies:

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 21

in het deelgebied Drostenburg is de toplaag van de bodem ter plaatse niet tot plaatselijk (noordzijde) licht verontreinigd is met enkele zware metalen en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Tevens wordt plaatselijk in de toplaag van de bodem voor de somparameter EOX de triggerwaarde overschreden. De onderlaag is niet tot plaatselijk (noordzijde) licht verontreinigd met zink. Het grondwater is ter plaatse licht verontreinigd met zink. in het deelgebied Dubbelink is de top- en onderlaag van de bodem niet verontreinigd met de onderzochte componenten. Het grondwater is op basis van de AS3000-correctie licht verontreinigd met xylenen en som dichloortheen. Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse zijn er gezien de geringe mate aan verontreiniging milieuhygiënisch geen bezwaren tegen de ontwikkeling van het plangebied. Het onderhavige bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk op grond waarvan er nieuw bodemonderzoek zou moeten plaatsvinden. De bodemkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor dit plan.

Gemeente Amsterdam

blz. 22

bestemmingsplan_Drostenburg-Dubbelink Venserpolder (vastgesteld)

blz. 23

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Mobiliteit

Auto De wijk Venserpolder wordt ten behoeve van het autoverkeer ontsloten door drie verkeerswegen: de Burgermeester Stramanweg, Dolingadreef en Daalwijkdreef. Deze wegen zijn onderdeel van het Hoofdnet Auto van de gemeente Amsterdam. Deze wegen vormen de verbindingen tussen de woonstraten en de omliggende wegen die de Venserpolder in het groter geheel ontsluiten. Alle wegen in de Venserpolder zijn voor het autoverkeer toegankelijk. De straten zijn veelal ingericht als 30 kilometer zone. Het parkeren in de Venserpolder vindt plaats op maaiveldniveau in de openbare ruimte en inpandig in de woonblokken langs de Burgemeester Stramanweg. Voor het parkeren zijn er over het algemeen aparte insteekhavens in de woonstraten gerealiseerd. Deze insteekhavens liggen of aan weerszijden van de rijweg of in het midden van de woonstraten met aan weerszijden een rijweg. Bij de appartementenblokken in het oosten van de Venserpolder zijn aparte hoven ingericht ten behoeve van parkeren. Nabij het metrostation Strandvliet is een blauwe zone ingesteld. Openbaar vervoer De omliggende metrolijnen, de Dolingadreef en de Daalwijkdreef behoren tot het Hoofdnet Openbaar Vervoer. Nabij de Venserpolder bevinden zich de stations Duivendrecht en Bijlmer, respectievelijk stations van de tweede (nationaal netwerk) en eerste ( brandpunt grootstedelijk centrum, internationaal netwerk) orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9876735/1