CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlagen bij toelichting NL.IMRO.0363.M2304BPGST-VG01_bijlagen bij toelichting.pdf

RAAD 14 november 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan IJburg 1e fase – kavel 124 II, reparatieplan (VN2024-011956)24.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Iedere woning die daarom nog gebouwd kan worden zorgt voor een afname van de druk op de woningmarkt.

Vraag bewoner  Zijn de woonboten tijdelijk? Reactie Mireille (gemeente Amsterdam): In principe is een bestemmingsplan permanent en zijn de woonboten dat ook. Het kan wel zo zijn dat bewoners van woonboten gaan verhuizen naar een andere ligplaats. Op dat moment komt deze ligplaats vrij en kan een andere woonboot/drijvend bouwwerk hier zijn intrede doen. Verzoeken bewoners  Bewoners wensen een lagere bouwhoogte van de woningen namelijk, maximaal 6 meter.  Bewoners wensen een grotere afstand tussen hun woningen en de toekomstige woningen.  En op die eerste rij (de zuidzijde van de steiger die het dichtst bij de Schokkerjachtdijk ligt) willen bewoners geen grote woonboten (drijvende bouwwerken), enkel woningen met ruimte er tussen. Reactie Mireille (gemeente Amsterdam):  Wij zullen geen aanpassingen doen aan de hoogte van de woningen, over deze hoogte heeft de rechter ons in het gelijk gesteld.  Ook over de afstand tot de woningen zullen we geen aanpassingen doen, ook hierover heeft de rechter ons in het gelijk gesteld.  We zullen wel onderzoeken of het mogelijk is om de drijvende bouwwerken niet op de eerste rij toe te staan. Onderzoek dat na afloop van het overleg heeft plaatsgevonden heeft uitgewezen dat het voor de invulling van het plangebied mogelijk is om drijvende bouwwerken aan de zuidzijde van de steiger het dichtst bij de Schokkerjachtdijk uit te sluiten.

Dit wordt dan ook vastgelegd in de regels en verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan.

blz. 77

Bijlage 4

Ecologisch onderzoek

Gemeente Amsterdam

Verondieping Binnenwater Steigereiland Quickscan natuur

Gemeente Amsterdam 17 januari 2022

Project Opdrachtgever

Document Status Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Verondieping Binnenwater Steigereiland Gemeente Amsterdam

Quickscan natuur Concept 01 128348/22-000.573

128438 L. Bovend’aerde MSc drs. L. Turlings

L. Bovend’aerde MSc ir. W.B. Roosen L. Bovend’aerde MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Doel

6

1.3

Leeswijzer

6

2

PLANGEBIED EN VOORNEMEN

8

2.1

Beschrijving plangebied

8

2.2

Beschrijving Voornemen en Planning

10

3

WERKWIJZE

11

4

GEBIEDSBESCHERMING

13

4.1

Natura 2000

13

4.1.1 4.1.2

13 14

4.2

Gegevens Effecten en conclusie

Overige beschermde gebieden (NNN, HGS, ES)

15

4.2.1 4.2.2

Gegevens Effecten en conclusie

15 15

5

SOORTENBESCHERMING

16

5.1

Flora

16

5.1.1 5.1.2 5.2

5.3

5.4

Gegevens Effecten en conclusie

16 17

Grondgebonden zoogdieren

18

5.2.1 5.2.2

18 18

Gegevens Effecten en conclusie

Vleermuizen

19

5.3.1 5.3.2

19 20

Gegevens Effecten en conclusie

Vogels 5.4.1 5.4.2

21 Gegevens Effecten en conclusie

21 22

5.5

5.6

5.7

Amfibieën

23

5.5.1 5.5.2

23 23

Reptielen

24

5.6.1 5.6.2

24 24

Gegevens Effecten en conclusie

Vissen 5.7.1 5.7.2

5.8

Gegevens Effecten en conclusie

24 Gegevens Effecten en conclusie

24 24

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

25

5.8.1 5.8.2

25 25

Gegevens Effecten en conclusie

6

RISICOSOORTEN

26

6.1

Risicosoorten: flora

26

6.2

Risicosoorten: fauna

26

7

KANSEN

27

8

CONCLUSIE

29

8.1

Effecten op beschermde natuurwaarden

29

8.1.1 8.1.2

29 29

Gebiedsbescherming Soortenbescherming

8.2

Risicosoorten

32

8.3

Kansen

32

9

OVERZICHT AANBEVELINGEN M.B.T. VERVOLG

33

9.1

Aanbevelingen mitigatie

33

9.2

Aanbevelingen vervolgstappen

34

10

BRONNEN

35

Laatste pagina

35

Bijlage(n)

Aantal pagina's

Toetsingskader

6

Stikstofonderzoek uitvoeringsfase (AERIUS)

31

Biotoopeisen relevante soorten

3

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel

Dit project heeft betrekking op het binnenwater van Steigereiland, één van de eilanden van woonwijk IJburg te Amsterdam (afbeelding 1.1 en afbeelding 1.2). De waterkwaliteit van dit binnenwater gaat de laatste jaren sterk achteruit. Het systeem staat momenteel op omklappen, van een helder plantenrijk naar een troebel systeem. Waternet wil een duurzame oplossing om de waterkwaliteit te verbeteren. Hiertoe is een plan uitgewerkt, waarbij een deel van het binnenwater (10 %) wordt verondiept. Het uitvoeren van deze verondieping kan tot verstoring leiden, of vernietiging veroorzaken van beschermde natuurwaarden en/of door de gemeente Amsterdam aangewezen natuurwaarden. Ook kan door gebruik van stikstof emitterend materieel sprake zijn van stikstofdeposities binnen hiervoor gevoelige habitattypen van Natura 2000-gebied. Ten behoeve van de verondieping is zodoende inzicht nodig in de beschermde natuurwaarden in en direct rond het plangebied. Daartoe is voorliggende quickscan natuur uitgevoerd.

Afbeelding 1.1 Situering plangebied

5 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

Afbeelding 1.2 Plangebied

1.2

Doel

Het doel van deze quickscan natuur is (1) om te toetsen welke effecten het voornemen heeft op: - beschermde gebieden in het kader van: · de Wet natuurbescherming (Natura 2000); · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); · het natuurbeleid gemeente Amsterdam (Hoofdgroenstructuur & Ecologische structuur). - beschermde soorten in het kader van: · de Wet natuurbescherming; · de Gedragscode Wet Natuurbescherming voor gemeenten (Stadswerk) [lit. 1]. Hierbij wordt in beeld gebracht wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (meldingsplicht, ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Daarnaast (2) wordt onderzocht of binnen het plangebied sprake is van zogenaamde risicosoorten waarmee rekening dient te worden gehouden bij de realisatie van het voornemen. Ten slotte (3) wordt gekeken naar mogelijke meekoppelkansen om bij de uitvoering van het voornemen de natuurwaarden in en rond het gebied te behouden of eventueel op te waarderen.

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat de afbakening van het plangebied en het te toetsen voornemen. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van de werkwijze die is gehanteerd bij de uitvoering van deze ecologische quickscan. Hoofdstuk 4 en 5 betreffen de eigenlijke effectenbeoordeling ten aanzien van beschermde gebieden (hoofdstuk 4) en soorten (hoofdstuk 5). Hierin wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op

6 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

beschermde natuurwaarden. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op eventueel te verwachten risicosoorten (flora en fauna) en hoe hiermee kan worden omgegaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van mogelijk meekoppelkansen om bij de realisatie van het project de natuurwaarden van het gebied zoveel mogelijk te behouden of eventueel op te waarderen. In hoofdstuk 8 zijn de belangrijkste resultaten van de quickscan samengevat. Hoofdstuk 9 geeft een samenvattend overzicht van de aanbevelingen omtrent te nemen maatregelen en/of vervolgstappen voor het onderzoek. In hoofdstuk 10 is de geraadpleegde literatuur weergegeven.

7 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

2 PLANGEBIED EN VOORNEMEN 2.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied bevindt zich binnen Steigereiland, één van de eilanden van woonwijk IJburg in het oosten van Amsterdam. Steigereiland heeft een groot binnenwater gebied (totale oppervlakte circa 76 ha) waar een aantal drijvende woningen reeds aanwezig zijn en in de komende jaren worden gerealiseerd (afbeelding 2.1). Het Binnenwater is relatief diep; gemiddeld 2,6 m, en is met het Buiten IJ verbonden via twee sluizen. In het noorden is het verbonden via een schutsluis waar het vaarverkeer in en uit het gebied gaat. In het zuiden is een spuisluis aanwezig om het peil van het binnenwater te reguleren. Uit data verkregen van Waternet blijkt weliswaar dat de sluizen tot nu nauwelijks open werden gezet (enkel wanneer het peil van het binnenwater hoger is dan het IJmeer). Direct ten zuiden van het binnenwater, bevindt zich het proefeilandpark van Steigereiland. Het betreft een relatief klein park (circa 15 ha) met een aantal bosschages (elke bosschage bestaat uit een homogene opstand van één of twee soorten: populier, eik, witte abeel dan wel meidoorn) waardoor een aantal wandelpaden lopen en waarbinnen een grote natuurspeeltuin is ingericht. Ten zuidwesten loopt een drukke autoweg, de IJburglaan (S114). Aan de overzijde van deze weg bevindt zich het resterende deel van Steigereiland, dat geheel is ingericht als woon- en industriegebied.

Afbeelding 2.1 Ligging van het plangebied

Schutsluis

Spuisluis

8 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

Proefeilandpark

Afbeelding 2.2 Impressie van het plangebied

Binnenwater (vanaf zuidwesthoek)

Birgantijnkade (oostzijde)

Drijvende woningen (noordwestzijde)

Drijvende woningen (noordwestzijde)

Schutsluis

Spuisluis

Schokkerjachtdijk (zuidzijde)

Proefeilandpark

9 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

2.2

Beschrijving Voornemen en Planning

Voornemen Om de waterkwaliteit van het binnenwater Steigereiland te verbeteren wordt dit lokaal verondiept, opdat waterplanten zich hier (beter) kunnen ontwikkelen. De verondieping van het binnenwater wordt gerealiseerd door een zandlichaam op de waterbodem aan te brengen waardoor nog ca. 0,80 – 0,90 m waterdiepte ten opzichte van het gemiddeld (zomers) waterpeil overblijft. Het zandlichaam zal ca. 9,4 % van het gehele oppervlakte van het binnenwater omvatten. Als 9,4 % van het oppervlak (7.144 m2) wordt verondiept van 2,6 m naar 0,80 – 0,90 (0,85) m, daalt de gemiddelde waterdiepte van het binnenwater tot 2,43 m. Afbeelding 1.1 en afbeelding 1.2 geven de locatie aan van dit 9,4 % verondiepte deel van de bodem. Er wordt een zo steil mogelijk talud onder water gerealiseerd om te zorgen dat de verondieping niet te dichtbij omringende objecten komt. Bovendien zorgt een steil talud onder water ervoor dat ongewenste waterplanten (riet) geen kans krijgen om te groeien. Om steile taluds onder water te kunnen maken is een stortsteen bekleding op de taluds nodig. Uitvoering en planning Het ontwerp wordt in meerdere slagen aangebracht. Hierbij is uitgegaan van de volgende fasering met een rusttijd van 1 maand tussen elk ophoogslag: - ophoogslag 1 bedraagt ca. 1,6 m zandlaagdikte; - ophoogslag 2 bedraagt ca. 1,0 m zandlaagdikte; - ophoogslag 3 bedraagt ca.

1,0 m zandlaagdikte; - de ophoging laten rusten voor ca. 365 dagen (zettingsperiode); - na 365 dagen kan de overhoogte worden verwijderd (ca. 0,9 m zandlaagdikte); - en daarna ca. 0,35 m stortsteen aanbrengen tot het ontwerpniveau van NAP -1,0 m. In de voorlopige planning wordt de start van de werkzaamheden voorzien medio september 2022. Rekening houdend met een zettingstijd van 1 jaar zou vanaf september 2023 de overhoogte kunnen worden verwijderd, de stenen bekleding worden aangelegd en de waterplanten worden geplant. De verondieping zou dan in november van 2023 opgeleverd kunnen worden.

10 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

3 WERKWIJZE Werkwijze beschermde gebieden Op basis van een bureaustudie is inzicht verkregen in de ligging van het plangebied ten opzichte van: - beschermde gebieden van het Natura 2000-netwerk; - beschermde gebieden van het provinciaal NNN-netwerk; - onderdelen van de Ecologische structuur en de Hoofdgroen structuur van de gemeente Amsterdam. Vervolgens is bepaald wat de (mogelijke) effecten van het voornemen zijn op deze waardevolle en/of beschermde gebieden en wat de knelpunten zijn (en/of hoe het project bijdraagt aan het oplossen daarvan). Op basis van resultaten van de bureaustudie worden de effecten van het voornemen op de (mogelijk) aanwezige natuurwaarden beschreven, waaronder de binnen Amsterdam aangewezen natuurwaarden. Vervolgens worden de juridische consequenties van het voornemen in het plangebied en eventuele vervolgstappen toegelicht. Werkwijze (beschermde) soorten Om de aanwezigheid van beschermde soorten en overige aandachtsoorten1 in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestond uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen, maps.amsterdam.nl en overige vrij toegankelijke verspreidingsgegevens op internet (RAVON, de Vlinderstichting, Telmee.nl enzovoorts).

De verzamelde gegevens van het bureauonderzoek zijn niet altijd volledig, van voldoende detailniveau of voldoende actueel2 om de werkelijke aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb) of overige aandacht soorten uit te kunnen sluiten. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is daarom een veldbezoek uitgevoerd door twee ecologen van Witteveen+Bos (L. Bovend’aerde, W. Roosen). Het veldbezoek is uitgevoerd op 16 december 2021 onder voor een habitat- en soortenscan geschikte weersomstandigheden (11°C, droog, helder, 1 Bft WZW). Gedurende het veldbezoek lag voor dit project de nadruk met name op aanwezigheid van beschermde muurvegetatie langs kades, potenties voor vissen en amfibieën, en (jaarrond beschermde) nesten van vogels langs oevers en in omliggende gebouwen. Het veldbezoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de relevante inventarisatieprotocollen- en standaarden. Zo is voor de scan voor vleermuizen gebruik gemaakt van de ‘checklist aanwezigheid’ uit het Vleermuisprotocol (2021). Volledige soortgerichte inventarisaties zijn tijdens het veldbezoek niet uitgevoerd, omdat een eenmalig veldbezoek niet voldoet aan de daarvoor vereiste protocollen en in deze fase van het onderzoek niet noodzakelijk is. Gedurende het veldbezoek zijn wel toevallig waargenomen soorten genoteerd.

Relevante waarnemingen van beschermde of andere aandacht soorten zijn ingevoerd in het NDFF, via het portal van Amsterdam bij het NDFF. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde of overige aandacht soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij

1

Rode Lijst-soorten (vaatplanten), risicosoorten (zoals de Aziatische duizendknopen, stadsduif/eikenprocessierups), aan/afwezigheid iepenpage, kleine marterachtigen, de waterkwaliteit voor amfibieën, reptielen en vissen en vissen uit de gedragscode).

2

Natuuronderzoek heeft doorgaans slechts een beperkte houdbaarheid. Afhankelijk van het type onderzoek en de onderzochte soortgroep zijn de resultaten 3-5 jaar houdbaar. Na deze periode dient opnieuw onderzoek plaats te vinden zodat opnieuw een actueel beeld van de aanwezige natuurwaarden wordt verkregen.

11 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb. Tevens is beschreven welke maatregelen genomen moeten worden om effecten te voorkomen. Voor de iepenpage is in gemeente Amsterdam het beleid dat deze enkel wordt meegenomen voor gebieden/locaties waar de soort tijdens de recente stadsbrede monitoring is vastgesteld. Tijdens stadsbreed onderzoek in 2021 is de soort op één locatie waargenomen, in stadsdeel Nieuw-West (noordoostzijde van begraafplaats Vredenhof, grenzend aan de Haarlemmerweg) [lit. 2]. Voor 2022 wordt de stadsbrede monitoring gecontinueerd. Bij werkzaamheden in de omgeving van locatie(s) waarde iepenpage is vastgesteld, dient rekening gehouden te worden met de soort. Indien binnen het project iepen worden gekapt binnen een straal van 125 m van een waarneming, wordt contact opgenomen met de Vlinderstichting om te controleren of de betreffende iepen zijn onderzocht.

12 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

4 GEBIEDSBESCHERMING Voorliggend hoofdstuk bevat de beoordeling van de effecten van het voornemen op beschermde gebieden. Het bijhorend toetsingskader is opgenomen in bijlage I van dit rapport.

4.1

Natura 2000

4.1.1

Gegevens

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Markermeer en IJmeer’, gelegen vanaf een afstand van circa 600 m ten noordoosten van het eiland IJburg. Verder bevindt zich op een afstand van circa 7 km ten noorden het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’. Dit is tevens het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen. Overige Natura 2000-gebieden (al dan niet met stikstofgevoelige habitattypen) bevinden zich op een afstand van 9 km of meer vanaf het plangebied.

Afbeelding 4.1 Ligging plangebied ten opzichte van gebieden van het Natura 2000-netwerk [lit. 3]

13 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

4.1.2

Effecten en conclusie

Fysieke effecten Het plangebied ligt op een minimale afstand van 600 m van Natura 2000-gebied. Het plangebied is van het Natura 2000-gebied gescheiden door een waterkering en het open water van het Buiten-IJ. Als gevolg van de afstand (600 m) en de barrièrewerking van de waterkering en het uitgestrekt open watergebied, kan worden uitgesloten dat fysieke effecten als gevolg van het voornemen, zoals oppervlakteverlies, versnippering, verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring, optreden tot binnen de grenzen van Natura 2000-gebied. In sommige gevallen kan sprake zijn van verstoring door externe werking, namelijk wanneer aangewezen soorten van het Natura 2000-gebied gebruik maken van het plangebied zelf als (essentieel) onderdeel van hun leefgebied (buiten het Natura 2000-gebied) en daar worden verstoord. De aangewezen vis-, vogel- en vleermuissoorten van het Markermeer & IJmeer zijn voor hun belangrijke functies (foerageergebied, rust- en slaapplaats) echter allen gebonden aan het open water en/of de oevers van het Natura 2000-gebied zelf. Het plangebied vormt, gezien de ligging en aard (geïsoleerd binnenwater, beperkte vegetatie, verstoorde omgeving), in ieder geval geen essentieel onderdeel van het leefgebied van deze populaties. De IHD van het Natura 2000-gebied komen als gevolg van de voorgenomen verondieping van het binnenwater dan ook niet in het geding.

Vervolgstappen zijn daarom niet nodig. Effect door stikstofdepositie De werkzaamheden voor de verondieping van het binnenwater resulteren in een (naar verwachting zeer beperkte) emissie van met name stikstofoxiden (NOx). Deze komen vrij uit de verbrandingsmotoren van mobiele werktuigen en vaartuigen. Gezien de aard en schaal van de werkzaamheden in combinatie met de grote afstand (circa 7 km) tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, is het depositie effect van het voornemen op deze Natura 2000-gebieden naar alle verwachting nihil. Om dit te onderbouwen is een stikstofberekening met AERIUS uitgevoerd voor de uitvoeringsfase van dit voornemen. De stikstofdepositieberekeningen zijn met het wettelijk rekeninstrument AERIUS, versie 2020, uitgevoerd. Versie 2020 is op het moment van schrijven van dit rapport de meest actuele versie. Een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten en resultaten van deze berekening is opgenomen in de notitie in bijlage II bij deze quickscan. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er gedurende de uitvoeringsfase op geen enkel Natura 2000-gebied een stikstofdepositie van meer dan 0,005 mol/ha/jaar optreedt. Hiermee is de nodige juridische zekerheid verschaft dat de werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder Wnbvergunning. N.B. Een nieuwe versie van AERIUS Calculator wordt binnen enkele weken uitgebracht.

In deze versie worden onder andere de emissies van alle bronnen op 25 km afgekapt, verandert de rekenmethodiek voor mobiele werktuigen en zullen de gehanteerde emissie kentallen van verschillende bronnen wijzigen. De verwachting is niet dat hierdoor de conclusies van het onderzoek wijzigen. Wel is vanuit de vergunningverlening van belang dat de berekening is uitgevoerd met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Het is derhalve aan te raden om wanneer deze nieuwe versie beschikbaar komt een herberekeningen te maken, om de impact goed te kunnen inschatten op basis van de nieuwste ontwikkelingen. Deze resultaten kunnen worden verwerkt in de definitieve versie van de quickscan. Overige (indirecte) effecten Overige indirecte negatieve effecten zoals vernatting, verdroging en verontreiniging op Natura 2000gebieden worden bij voorbaat uitgesloten vanwege de afstand en de aard van de werkzaamheden (geen invloed op het grondwater, geen lozing, etc.).

14 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

4.2

Overige beschermde gebieden (NNN, HGS, ES)

4.2.1

Gegevens

Het plangebied is gelegen buiten de contouren van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de provincie Noord-Holland (afbeelding 4.2). Overigens is het plangebied gelegen buiten de grenzen van zones behorend tot de Hoofdgroenstructuur (HGS) of de Ecologische structuur (ES) van de gemeente Amsterdam (afbeelding 4.2). Er zijn verder in of direct rond het plangebied geen knelpunten met betrekking tot de ecologische passage (onderdeel ES) bekend.

Afbeelding 4.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van zones van het NNN, EHS en ES [lit. 4, 5]

4.2.2

Effecten en conclusie

Gezien de ligging van het plangebied buiten de contouren van het provinciaal NNN en het gemeentelijk HGS en ES, is van een directe effecten van het voornemen op deze beschermde natuurzones geen sprake. Gezien de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland (NNN) alsook de beleidsvisie van de gemeente Amsterdam (HGS en ES) verder geen bepalingen ten aanzien van externe werking voor deze natuurzones bevatten, zijn vervolgstappen niet noodzakelijk. Belemmeringen vanuit het natuurbeleid omtrent NNN, HGS en ES zijn niet aan de orde.

15 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

5 SOORTENBESCHERMING Voorliggend hoofdstuk bevat de beoordeling van de effecten van het voornemen op beschermde soorten. Het bijhorend toetsingskader is opgenomen in bijlage I van dit rapport.

5.1

Flora

5.1.1

Gegevens

Bureaustudie Op basis van de NDFF-databank [lit. 6] zijn in de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde flora op Steigereiland. Wel zijn waarnemingen bekend van een aantal rode lijst florasoorten op het eiland. Het gaat om de soorten beemdkroon, steenanjer, korenbloem, veldsalie (in de bermen langs Ijburglaan), blauw walstro, Oosterse morgenster, en ruige weegbree (verspreid in woonwijk van Steigereiland) en slanke mantelanjer (bij de aansluiting op Zeeburgeiland). De waarnemingen bevinden zich allen op een minimale afstand van 30 m van het plangebied (bermen IJburglaan). Er zijn geen waarnemingen bekend van rode lijst soorten in of rond het binnenwater (plangebied) zelf. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van (restanten van) beschermde soorten of rode lijst florasoorten in het plangebied. De kades van het binnenwater zijn nauwelijks begroeid (afbeelding 5.1). Van bijzondere muurplanten is hier geen sprake. In de zuidoosthoek van het plangebied is lokaal sprake van een natuurlijke oever met een dichte rietvegetatie (afbeelding 5.2). Beschermde of bijzondere (rode lijst) florasoorten zijn niet waargenomen en worden ook niet verwacht in een dergelijk smalle, voedselrijke oeverzone. Achter deze oever, aan de overzijde van de weg (Schokkerjachtdijk) is het proefeilandpark gelegen.

Het park bestaat uit een aantal bosschages met een homogene opstand van één of twee soorten: populier, eik, witte abeel dan wel meidoorn. Ook hier is geen geschikt biotoop aanwezig voor beschermde of bijzondere florasoorten (voedselrijk, weinig structuurvariatie, intensief beheer, etc.).

16 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

Afbeelding 5.1 Impressie van de kademuren met geen of nauwelijks begroeiing; links: kade westzijde, rechts: kade oostzijde (foto’s veldbezoek december 2021)

Afbeelding 5.2 Impressie van de rietoever in de zuidoostelijke hoek van het plangebied, met achterliggend park (foto’s google streetview en veldbezoek december 2021)

5.1.2

Effecten en conclusie

Gezien de afwezigheid van beschermde en/of waardevolle (rode lijst) florasoorten in het plangebied, zijn negatieve effecten van het voornemen op deze soortgroep op voorhand uit te sluiten. Vervolgstappen ten aanzien van deze soortgroep zijn niet nodig.

17 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

5.2

Grondgebonden zoogdieren

5.2.1

Gegevens

Bureaustudie Op basis van de NDFF-databank [lit. 6] zijn in de afgelopen 5 jaar in de omgeving (< 1 km) van het plangebied waarnemingen bekend een aantal algemeen voorkomende onder de Wnb beschermde zoogdiersoorten. Het gaat om egel, konijn, haas, vos en verschillende muizensoorten (bosmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis). Voor deze algemene soorten, van ‘bijlage A’ van de Wnb (‘Andere soorten’), geldt binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling voor de Wnb verboden in het kader van ruimtelijke ingrepen. Naast de algemene soorten zijn er in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen bekend van een aantal ‘bijlage A’ soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet opgaat. Het gaat om (kleine) marters, namelijk hermelijn, wezel en boommarter. De waarnemingen van deze soorten beperken zich voornamelijk tot het Diemerpark (circa 300 m ten zuiden van Steigereiland, aan overzijde water), al zijn incidentele waarnemingen tot in de bebouwde zone van IJburg-West (woonkern circa 200 m ten zuidoosten) bekend. Een overzicht van de biotoopeisen van deze soorten is opgenomen in bijlage III van deze quickscan. Er zijn geen waarnemingen bekend van Habitatrichtlijnsoorten in de omgeving (< 1 km) van het plangebied. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten.

In de omgeving van het plangebied, met name in de tuinen van aangrenzende woningen en in het proefeilandpark, is wel geschikt leefgebied aanwezig voor verschillende algemeen voorkomende soorten van beschermingsregime ‘Andere soorten’ zoals egel, konijn, haas, vos en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Marterachtigen (hermelijn, wezel, boommarter) zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Het plangebied, bestaande uit het binnenwater, zelf biedt geen leefgebied aan deze soorten. Het nabijgelegen proefeilandpark kan, gezien de aanwezige bosschages en korte afstand tot Diemerpark, onderdeel uitmaken van het leefgebied van deze soorten. Gezien de nog beperkte ontwikkelingsperiode van dit park in combinatie met de hoge mate van verstoring door recreanten (met honden), gaat het weliswaar om een marginaal geschikt onderdeel van het leefgebied.

5.2.2

Effecten en conclusie

Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) in en rond het plangebied, zoals egel, konijn, haas, vos en verschillende algemeen voorkomende muissoorten is op basis van bekende waarnemingen en het aanwezige biotoop niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is een eenmalige melding van het gebruik van deze vrijstelling nodig (meldingsplicht provincie Noord-Holland). Wat betreft niet-vrijgestelde beschermde zoogdiersoorten, is het voorkomen van wezel, hermelijn en boommarter in de directe omgeving van het plangebied, namelijk ter hoogte van het (marginaal geschikt leefgebied) proefeilandpark, niet uit te sluiten. Het voornemen laat dit park echter ongemoeid. Van een aantasting of vernietiging van leefgebied van deze soorten is daarmee geen sprake. De werkzaamheden zorgen wel voor een tijdelijke verstoring in de omgeving van dit potentieel leefgebied. Het verstoren van bijlage A-soorten is onder de Wnb echter niet verboden. Tevens is er in de omgeving ruim voldoende alternatief -tevens beter geschikt- leefgebied aanwezig (geheel Diemerpark) waarnaar de dieren in geval van verstoring kunnen uitwijken. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.

18 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

5.3

Vleermuizen

5.3.1

Gegevens

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 6], de themakaart vleermuizen op maps.amsterdam.nl [lit. 5] en het vleermuisonderzoek uitgevoerd voor de stadsparken van Amsterdam [lit. 7], zijn in de omgeving (< 1 km) van het plangebied waarnemingen bekend van de vleermuissoorten gewone- en ruige- dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis en meervleermuis. Het gaat voornamelijk om overvliegende en foeragerende individuen in de nabijgelegen woonkernen (Steigereiland en IJburgWest) en rond het Diemerpark. Er is één waarneming bekend van een baltsterritorium van ruige dwergvleermuis op de hoek van de Brigantijnkade en de Barkasstraat (langs noordelijke kade van het binnenwater) [lit. 5]. Dit wijst op de aanwezigheid van een paarverblijf van deze soort in één van de hier aanwezige gebouwen. Een overzicht van de biotoopeisen van de hierboven genoemde soorten is opgenomen in bijlage III van deze quickscan. Veldbezoek Het open binnenwater en de (beperkte) oevervegetatie in het plangebied trekken insecten aan en vormen daarmee potentieel foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten. Ook het nabijgelegen proefeilandpark biedt door de aanwezigheid van struweel, bloemrijke zones en bosschages, geschikt foerageergebied aan vleermuizen. Belangrijke (essentiële) vliegroutes voor vleermuizen worden binnen de grenzen van het plangebied niet verwacht.

Het ontbreekt immers aan geleidende structuren (bv. opgaande, ononderbroken bomenrijen) tussen voor vleermuizen geschikte leefgebieden (bv. tussen parken en woonkernen met potentiële verblijfplaatsen). Wel zijn overvliegers te verwachten in de directe omgeving van het plangebied, zoals langs de bomenrij parallel aan de IJburglaan (ten zuiden) en langs de buitenoever van het eiland. Tot slot is tijdens het veldbezoek gekeken naar mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in of direct nabij het plangebied. Boombewonende soorten worden hier niet verwacht. Het beperkt aantal aanwezige bomen rond het binnenwater, beschikt immers niet over geschikte holten of scheuren voor deze vleermuizen. Wat betreft gebouwbewonende vleermuizen; deze worden niet verwacht in de gebouwen op het binnenwater zelf. De hier aanwezige drijvende woningen zijn allen strak afgewerkt en bevatten geen voor vleermuizen geschikte inkruipopeningen (bv. loszittende dakpannen, open spouwmuur, etc.). Wel zijn een aantal voor (gebouw bewonende) vleermuizen geschikte gebouwen aanwezig rond het binnenwater. Het gaat dan om de gebouwen langs de Brigantijnkade, met open stootvoegen die toegang geven tot de spouwmuur (zie afbeelding 5.3).

Afbeelding 5.3 Impressie van gebouwen langs Brigantijnkade met open stootvoegen (zie rode cirkels), geschikt als invliegopening voor (gebouw bewonende) vleermuizen

19 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

5.3.2

Effecten en conclusie

Het plangebied biedt geschikt foerageergebied aan de verschillende vleermuissoorten die in de omgeving aanwezig zijn (nl. gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis, meervleermuis en watervleermuis). Daarnaast is in de directe omgeving van het plangebied sprake van potentieel geschikte verblijfplaatsen voor de in Nederland verblijvende1 gebouwbewonende soorten (gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). De verblijfplaatsen kunnen in principe zowel in de zomer- en kraamperiode, paarperiode als in de winterperiode gebruikt worden door vleermuizen. Enkel voor meervleermuis geldt dat winterverblijven op voorhand zijn uitgesloten. Van deze soort is immers bekend dat deze overwintert in mergelgroeven, bunkers, forten en kelders.

Tabel 5.1 Overzicht potentiële belang van het plangebied voor vleermuizen Nederlandse naam

Kraamverblij fplaats

Zomerverblij fplaats

Paarverblijfpl aats

Winterverblij fplaats

Foerageerge bied

gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

x

laatvlieger

x

x

x

x

x

meervleermuis

x

x

x

Vliegroute

gewone grootoorvleerm uis kleine dwergvleermuis

x

rosse vleermuis ruige dwergvleermuis

x x

x

x

x

x

tweekleurige vleermuis*

x

watervleermuis

x

Effecten op foerageergebied Het plangebied kan deel uitmaken van het leefgebied van de lokale populaties vleermuizen. Dit als onderdeel van het foerageergebied van deze dieren. In de (wijdere) omgeving van het gebied zijn weliswaar ruimschoots voldoende (beter geschikte) alternatieve foerageergebieden aanwezig. Denk daarbij aan het proefeilandpark en het Diemerpark. Van een essentieel foerageergebied voor vleermuizen is hier daarom geen sprake. Een aantasting of vernietiging van een essentieel foerageergebied als gevolg van de werkzaamheden is niet aan de orde. Wel kan bij de uitvoering van de werkzaamheden tijdelijk sprake zijn van verstoring van actief foeragerende dieren aanwezig in dit (niet-essentieel) foerageergebied door geluid en lichtverstrooiing. Deze vorm van verstoring kan echter makkelijk worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode van vleermuizen. Dat wil zeggen de werkzaamheden uitvoeren overdag (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang). Wanneer toch tijdens de schemering wordt gewerkt, dient vleermuisvriendelijk lichtbeheer te worden toegepast. Dit kan op verschillende manieren, namelijk door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amber kleurig licht van golflengte tussen de 580 en 600 nm);

1

De tweekleurige vleermuis is ook een gebouwbewonende soort. Tot nu toe zijn echter enkel in de wijk Maarssenbroek in Utrecht en in de buurt van Groningen (kraam)kolonies van de soort aangetroffen. De Tweekleurige vleermuizen die in het najaar en winter sporadisch in vooral de steden in kustgebieden in Nederland worden gevonden zijn waarschijnlijk dieren die op doortrek zijn [lit. 8].

20 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

-

het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied (het open water, oeverzone en nabijgelegen park) schijnt; gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant en weg van het foerageergebied, op richten; gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties.

Voor wat betreft de gebruiksfase kan gesteld worden door verondieping van het binnenwater en de hieraan gebonden toename van onderwaterbeplating, het gebied meer insecten kan aantrekken en daarmee aantrekkelijker wordt als foerageergebied voor vleermuizen. De situatie in de gebruiksfase is daarmee voor vleermuizen voordelig. Er is geen sprake van een overtreding van de verboden Wnb. Effecten op vliegroutes In het plangebied zelf is de aanwezigheid van (essentiële) vliegroutes voor vleermuizen op voorhand uitgesloten. Wel zijn in de omgeving van het plangebied een aantal potentiële routes aanwezig, zoals langs de IJburglaan en de buitenoevers van het eiland. Het voornemen laat deze onderdelen ongemoeid. Van een vernietiging of aantasting van vliegroutes is zodoende geen sprake. Door het nemen van de mitigerende maatregelen ten aan zien van foeragerende vleermuizen (buiten actieve periode werken én vleermuisvriendelijk lichtbeheer toepassen, zie ook vorige paragraaf) wordt ook verstoring van de hier overvliegende dieren voorkomen. Een overtreding van de Wnb verboden is hier dan ook niet aan de orde. Effecten op verblijfplaatsen Op het binnenwater zelf zijn geen voor vleermuizen geschikte verblijfplaatsen aanwezig.

Wel zijn mogelijk verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (in ieder geval één van ruige dwergvleermuis) aanwezig in de gebouwen langs de Brigantijnkade, direct ten noorden van het plangebied (het binnenwater). De werkzaamheden laten deze gebouwen echter ongemoeid. Een aantasting of vernietiging van verblijfplaatsen is daarmee uitgesloten. Ook van een verstoring van de hierin verblijvende vleermuizen gedurende de uitvoeringsfase is geen sprake. De werkzaamheden vinden plaats op het water en daarmee op voldoende afstand van de invliegopeningen van de verblijfplaatsen (geen lichtverstrooiing of optische verstoring tot in/aan verblijfplaats). In de verblijfplaatsen zijn vleermuizen tevens relatief goed beschermd tegen geluidverstoring van buitenaf. Voor vleermuizen wordt voor verstoring door geluid doorgaans een grens van 80 dB(A) gehanteerd [lit. 9]. Dergelijke hoge geluidbelasting (te verwachten bij bv. heiwerkzaamheden) treedt bij het uitvoeren van verondieping werkzaamheden niet op. Negatieve effecten op vleermuisverblijfplaatsen zijn op basis van het bovenstaande op voorhand uit te sluiten. Vervolgstappen zijn niet nodig.

5.4

Vogels

5.4.1

Gegevens

Bureaustudie In de afgelopen 5 jaar zijn op basis van de NDFF-database [lit. 6] in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende algemene vogelsoorten waargenomen zoals fuut, putter, zwartkop en witte kwikstaart. In en rond het plangebied zijn op basis van de NDFF [lit. 6] en de broedplaatsenkaart van de gemeente Amsterdam [lit. 5] tevens waarnemingen bekend van twee soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het gaat enerzijds om een nest van slechtvalk bovenop de elektriciteitsmast, in het midden van het binnenwater (waarneming uit 2016). Anderzijds zijn verschillende nest-indicerende waarnemingen bekend van huismus rond de gebouwen langs de Brigantijnkade, ten noorden van het plangebied (binnenwater). Een overzicht van de biotoopeisen van beide soorten met jaarrond beschermde nesten is opgenomen in bijlage III van deze quickscan.

21 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

Veldbezoek De oevers van het plangebied, met name langs de zuidoostzijde van het binnenwater, bieden geschikt rusten broedbiotoop aan verschillende algemene vogelsoorten zoals meerkoet en fuut. Ook het nabijgelegen proefeilandpark, biedt geschikt leef- en broedbiotoop aan algemene broedvogelsoorten. Tijdens het veldbezoek is zo in één van de populieren van het park een verwaaid nest waargenomen, vermoedelijk van ekster. Jaarrond beschermde nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Gezien de hoogte van de elektriciteitsmast en de periode van het jaar (buiten broedperiode slechtvalk), was het niet mogelijk vast te stellen of het nest vastgesteld in 2016 (NDFF) nog steeds in gebruik is door deze soort. Het voorkomen van een slechtvalknest op de mast is niet uit te sluiten. Verder zijn verschillende huismussen waargenomen op de vensterbanken van de woningen langs de Galjootstraat (straat achter de Brigantijnkade). Het is aannemelijk dat de mussen nesten in dit of één of meerdere van de gebouwen in deze omgeving.

5.4.2

Effecten en conclusie

Effecten op algemene broedvogels Het voorkomen van broedende vogels in het plangebied, voornamelijk in rietoever aan de zuidoostelijke zijde van het binnenwater, is aannemelijk. Voor hier aanwezige vogels geldt dat werkzaamheden voor verstoring kunnen zorgen door geluid en optische verstoring (aanwezigheid mensen en materiaal). Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren van broedparen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verstoren van broedvogels is echter makkelijk te voorkomen te weten door: - de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van maart t/m juli) uit te voeren. Bij de voorziene opstart in september 2022 (zie paragraaf 2.2) betekent dit dat de werkzaamheden voor maart 2023 dienen te zijn voltooid; - of de werkzaamheden vooraf het broedseizoen in te zetten en vervolgens continu door te werken. Dit betekent dat bij opstart in september 2022 een uitloop tot in het broedseizoen (vanaf maart 2023) mogelijk is zolang de werkzaamheden vanaf grofweg half februari niet langer dan enkele dagen stilliggen. Als werkzaamheden toch starten of heropstarten in het broedseizoen, bv. door een wijziging/uitlopende planning, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied.

Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de (herop)start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden. Effecten op jaarrond beschermde nesten In het plangebied is het voorkomen van een jaarrond beschermd nest van slechtvalk, namelijk op de elektriciteitsmast te midden van het binnenwater, niet op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden laten de mast en zo ook het mogelijk aanwezige nesten ongemoeid. Van een vernietiging van het nest is zodoende geen sprake. Wel kan sprake zijn van een indirecte aantasting van het nest door verstoring (geluid, licht en optische verstoring) in de directe omgeving van het nest. Dit is te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode van deze soort, dat wil zeggen buiten de periode februari tot en met april. Bij een opstart in september 2022, conform de huidige planning (zie paragraaf 2.2), dienen de werkzaamheden aldus voor februari 2023 te zijn afgerond.

Een alternatief, indien men toch in de broedperiode van deze soort aan het werk wil, is om een soortgericht onderzoek uit te voeren om na te gaan of het nest in de huidige situatie nog in gebruik is door slechtvalk. Aan de hand van een aantal nestencontroles in de broedperiode kan dit worden bepaald. In het geval er wordt vastgesteld dat het nest nog wel actief in gebruik is door de soort, geldt alsnog de voorwaarde dat er buiten het broedseizoen van de soort moet worden gewerkt. Indien echter hieruit blijkt dat het nest niet in gebruik is, zijn maatregelen

22 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

ten aanzien van slechtvalk niet nodig (er kan dan ook in de broedperiode van slechtvalk worden gewerkt mits rekening wordt gehouden met de maatregelen aangaande de algemeen voorkomende broedvogels, zie hierboven). In de directe omgeving van het plangebied zijn ook een aantal jaarrond beschermde nesten van huismus te verwachten, namelijk in de gebouwen langs de Brigantijnkade (ten noorden van binnenwater). De werkzaamheden laten deze gebouwen (en zodoende nesten) ongemoeid. Vernietiging is daarmee niet aan de orde. Ook indirecte aantasting door verstoring kan op voorhand worden uitgesloten. De werkzaamheden vinden plaats op het binnenwater en zodoende niet direct voor de invliegopeningen van eventuele huismusnestplekken. Tevens is in de omgeving van de huismusnesten in de huidige situatie al verstoring aanwezig door de aanwezigheid van mensen (bewoners) en verkeer langs de kades en wegen rondom de gebouwen. Eventuele bijkomende verstoring door werkzaamheden op het water is hiernaast verwaarloosbaar. Specifieke maatregelen ten aanzien van huismus zijn daarom niet nodig.

5.5

Amfibieën

5.5.1

Gegevens

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 6] zijn ter hoogte van het Diemerpark, vanaf circa 300 m ten zuiden van het plangebied (aan overzijde water), waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende doch beschermde amfibiesoorten. Het gaat om bruine kikker, meerkikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze algemene soorten, van ‘bijlage A’ van de Wnb (‘Andere soorten’), geldt binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling voor de Wnb verboden in het kader van ruimtelijke ingrepen. Wat betreft niet-vrijgestelde soorten zijn in het Diemerpark ook waarnemingen bekend van de habitatrichtlijnsoort rugstreeppad. Een overzicht van de biotoopeisen van deze soort is opgenomen in bijlage III van deze quickscan. In dit park wordt het voorkomen van de rugstreeppad gestimuleerd. Zo zijn hier drie betonnen paddenpoelen ingericht, om goede voorwaarden te scheppen voor de voortplanting van de rugstreeppad [lit. 10]. Veldbezoek Binnen het plangebied is lokaal geschikt leefgebied aanwezig voor algemeen voorkomende amfibieën, namelijk ter hoogte van de natuurlijke rietoever aan de zuidoostzijde van het binnenwater. Het voorkomen van soorten als bruine kikker, meerkikker, gewone pad en kleine watersalamander is hier niet uit te sluiten.

Het binnenwater is te groot, open en diep en vol met vis, waardoor dit niet geschikt is als voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad. Het voorkomen van de soort is hier dan ook uit te sluiten.

5.5.2

Effecten en conclusie

Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende amfibiesoorten van beschermingsregime ‘Andere soorten’ (Wnb) zoals bruine kikker, meerkikker, gewone pad en kleine watersalamander niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt een algemene vrijstelling. Het voorkomen van niet-vrijgestelde soorten is op basis van het aanwezige biotoop uit te sluiten. Vervolgstappen in kader van het Wnb zijn aldus niet nodig. Wel is een eenmalige melding van het gebruik van deze vrijstelling vereist (meldingsplicht provincie Noord-Holland).

23 | 35

Witteveen+Bos | 128348/22-000.573 | Concept 01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14805666/1