3_bijlage bij antwoord_zienswijze per artikel.pdf
Tekst van het document
ZIENSWIJZE per artikel Algemeen Veel bepalingen in de verordening hebben betrekking op ruimtelijke ontwikkelingen zonder dat deze nader zijn gedefinieerd. Hierdoor krijgen die artikelen een zeer brede toepassing. Vanwege de vele procedurele verplichtingen en andere vereisten in de verordening kan dat bezwarend uitpakken, zeker voor ontwikkelingen die met een reguliere procedure vergund kunnen worden (de zogenaamde kruimelafwijkingen). Dit bezwaar wordt in de toekomst verergerd doordat de reguliere procedure het uitgangspunt wordt onder de Omgevingswet. Graag willen we u verzoeken om de bepalingen van de Verordening opnieuw tegen het licht te houden en indien mogelijk, duidelijker aan te geven welke ontwikkelingen aan welke vereisten dienen te voldoen.
P8
Hoofdstuk 2 Toedeling taken en bevoegdheden Specifiek (incl. verwijzing artikel, lid) Artikel 2.4 Artikel 2.4 omvat bepalingen waarmee vaarwegbeheer wordt toebedeeld aan provincie, gemeentes, waterschappen en recreatie/plassenschap. Wij constateren dat de zowel de viewer als Bijlage 1 bij de Toelichting onvolledig is in het toedelen van vaarwegbeheer, in ieder geval voor wat Amsterdam betreft. Zo zijn het Entrepotdok, Oosterdok en Realengracht niet toebedeeld. Dit zou tot gevolg hebben dat AGV op die plekken vaarwegbeheerder zou worden en dat is echt onwenselijk: midden in het centrum zou de gemeente ineens geen bevoegdheden meer hebben. We constateren dat het vaarwegbeheer van de vaarwegen en werken, aangeduid met de nummers 41 tot en met 49 van de Vaarwegenlijst A, zouden moeten worden uitgevoerd door het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Dit is geen huidig beleid. Daarnaast lijken er meer fouten op de kaart te staan. Graag willen we voorstellen om voorafgaand aan de definitieve vaststelling van de Omgevingsverordening samen de kaart door te nemen. Het is ons tevens onduidelijk waarom de Grote Die en Kleine Die aangewezen zijn als provinciaal beheer. De toelichting op het vaarwegbeheer (pag44-45) lijkt op verschillende punten niet in overeenstemming te zijn met het overzicht van vaarwegen in de Vaarweglijsten A, B en C.
Het gaat hierbij om de volgende onduidelijkheden. - Vaarwegenlijst A: In de toelichting wordt gesteld dat de zorg voor het vaarwegbeheer van de vaarwegen op Vaarwegenlijst A bij de provincie ligt. Het is dan onduidelijk waarom vaarwegenlijst A in Bijlage 1 bij de toelichting ook vaarwegen omvat die zijn toegewezen aan de DB’s van waterschappen. - Op grond van de artikelsgewijze toelichting wordt verwacht dat alle staande mastroutes en alle Cemt II en hoger moeten vallen onder Vaarweglijst A. In Lijst B staat echter de staande mastroute via de Kostverlorenvaart en de vaarweg voor de beroepsvaart tussen Amstel en afgesloten IJ opgenomen. Daarbij komt ook de Onderstaande BRTN routes niet overeen met de indeling van de vaarwegenlijsten. Artikel 2.8 Omdat de waterschappen worden aangewezen als nautisch beheerder voor vaarwegen die openstaan voor scheepvaart waar geen vaarwegbeheerder voor is aangewezen zou dit tot gevolg hebben dat AGV op een aantal “snippers” zoals Entrepotdok, Oosterdok en Realengracht nautisch beheerder is. Dat is onwenselijk voor zowel het waterschap als voor de gemeente.
1
In de vorige provinciale verordening was het vaarweg- en nautisch beheer Amstel aan de gemeente toebedeeld vanuit de stad gezien tot “ter hoogte van de Omval”. Op de voorgestelde kaart is nu de grens bij de Berlagebrug. Dat betekent dat de grens duidelijker is, dat is positief. De grensverlegging heeft waarschijnlijk wel impact op bijvoorbeeld de ligplekvergunningen en de privaatrechtelijke overeenkomsten daartoe. Wij willen graag in overleg met u om deze implicaties af te stemmen.
p13
Hoofdstuk 3 Toedeling van functies aan locaties Algemeen Blijft de Verlegregeling voor (grote) infrastructuur gelden? Zo niet, dan zou deze regeling mogelijk in deze verordening een plek moeten hebben
P14
Hoofdstuk 4 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Specifiek (incl. verwijzing artikel, lid) Artikel 4.11 De formulering van het artikel wekt de indruk dat de regels gelden voor alle houtopstanden, niet alleen voor houtopstanden Wnb. Artikel 4.19 Vaststelling stiltegebieden Van de genoemde gebieden is de locatie en begrenzing is niet duidelijk. Graag een kaart bijvoegen en/of verwijzen naar een kaart. Onder 38. Loenderveensche Plas: het gaat hier om een gedeelte van de Loenderveensche Plas Oost, de Waterleidingplas en Terra Nova. Artikel 4.30 lid 1: Is hier een kaart van? Graag naar verwijzen. Artikelen 4.33 en verder Daar wordt aangegeven van wat er verboden is in een grondwaterbeschermingsgebied. Geldt dit ook over waterwingebieden? Afdeling 4.3 Bodemsanering (art. 4.41 e.v.) Grondsanering en Bodemsanering worden door elkaar gebruikt in de tekst. Dit is inconsistent en daardoor onduidelijk Artikel 4.54-4.58 In de regels is geen koppeling aanwezig met het werkingsgebied provinciaal erfgoed. Wat is de betekenis en doel van dit werkingsgebied? Is deze maatgevend of is de aanwijzing tot provinciaal monument maatgevend? Artikel 4.77 Waarom zijn rijkswegen (A10) aangeduid als werkingsgebied provinciale wegen? Dat zou inhouden dat het Rijk bij de provincie een omgevingsvergunning moet aanvragen voor werkzaamheden of reclame (art.
4.80/4.81) naast vergunningplichten die gelden op grond van de Wabo. Art. 4.80 Anders dan in art. 4.81 ontbreekt hier wie bevoegd gezag voor deze vergunning is. Verzoek
2
om dit aan te vullen. Artikel 4.99, Opschaling (in de zin van verhoging) is niet mogelijk vanwege artikel 4.99 lid 1a omdat de ashoogte hetzelfde moet blijven. Kans is groot dat er hierdoor geen nieuwe windturbines op de plek van de huidige kleine turbines kunnen worden gerealiseerd (zie figuur 2, met rood omcirkeld). Verzoek: in lid 1, onder a: toevoegen in de zin “…of hogere ashoogte”. Figuur 2: locatie windturbines in zomer 2019 (groene turbines zijn verwijderd).
P37
Hoofdstuk 5 Omgevingswaarden Specifiek (incl. verwijzing artikel, lid) Artikel 5.3 Waarom zijn de Landsmeerderdijk, Buiksloterdijk, Nieuwendammerdijk en Schellingwouderdijk regionale waterkering? HHNK geeft aan dat het primaire keringen zijn https://hhnk.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Digitale-ontsluiting-legger-primairewaterkeringen
p39
Hoofdstuk 6 Instructieregels Algemeen Begrip bestaand stedelijk gebied In de Omgevingsverordening wordt regelmatig de term ‘bestaand stedelijk gebied (BSG)’ gehanteerd. Voorheen was dit begrip gedefinieerd in de begripsomschrijving van de PRV (artikel 2 sub j), waarin een koppeling werd gemaakt met de omschrijving van bestaand stedelijk gebied in artikel 1.1.1 lid 1 sub h van het Bro. In de Omgevingsverordening ontbreekt een dergelijke begripsomschrijving, terwijl het begrip regelmatig gebezigd wordt. Ook in de toelichting is geen uitleg opgenomen, bijvoorbeeld een verwijzing naar het Bro. Verzocht wordt te verduidelijken wat onder ‘bestaand stedelijk gebied’ moet worden verstaan Versnippering en leesbaarheid De regels over landelijke gebieden zijn versnipperd opgenomen in de Verordening. In par. 6.1.1 zijn regels gesteld welke ontwikkelingen al dan niet mogen. In par. 6.1.2 zijn de voorwaarden voor functiewijziging naar wonen geregeld, zonder dat de samenhang met art. 6.4 helder is (is het een uitzondering erop?). In Afd. 6.5 zijn regels gesteld over de ruimtelijke inpassing.
3
Specifiek (incl. verwijzing artikel, lid) Paragraaf 6.1.1. nieuwe stedelijke ontwikkelingen en kleinschalige ontwikkelingen Artikel 6.3 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen De invoering van dit artikel in 2016 heeft destijds veel zienswijze van gemeenten opgeroepen. Het opstellen van de Omgevingsverordening is een mooi moment om de toevoegde waarde van dit artikel te herzien. Ziet de provincie dit nog steeds als een nuttig instrument gezien, waarom? Met name het vereiste van schriftelijke instemming is onevenredig bezwarend. Binnen de reguliere procedure is het inwinnen van schriftelijke instemming niet mogelijk. Nu de reguliere procedure onder de Omgevingswet het uitgangspunt wordt voor omgevingsvergunningen, wordt dit probleem des te meer knellend. Verder vinden wij bezwarend om de regionale afspraken ook verplicht te stellen bij stedelijke ontwikkelingen die met een zogenaamde kruimelafwijking vergund kunnen worden. Wij willen graag voorstellen om aan te sluiten bij de toepassingsbereik van de laddertoets op nationaal niveau. O.g.v. artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht is de laddertoets niet van toepassing op de kruimelafwijkingen. Bij de invoering van deze bepaling is reeds geconstateerd dat de afbakening van regiogrenzen een ingewikkelde materie is.
Zo wordt aan de ene kant in de Nota van Toelichting naar de begrippen ‘marktgebied’ en ‘verzorgingsgebied’ verwezen maar tegelijkertijd wordt ook aangesloten bij de bestaande bestuurlijke samenwerkingsplatformen. Sinds 2016 (de invoering van deze bepaling in de PRV) heeft de samenwerking binnen MRA steeds meer body gekregen. Bovendien zullen de RAP’s overgaan naar woonakkoorden binnen de provinciale Woonagenda. Graag vragen wij u om aan te geven welke invloed deze ontwikkelingen hebben op het begrip regio en welke rol de provincie wenst in te nemen in de afstemming tussen gemeenten. Artikel 6.4. Kleinschalige woningbouwontwikkelingen Amsterdam wil graag dat de gemeenten in de regio ook een bijdrage kunnen leveren in het huisvesten van de groeiende bevolking. Voor kleine gemeenten of gemeenten met kleine kernen is dit lastig, als deze gebieden in het landelijk gebeid zijn opgenomen. Stedelijke ontwikkeling in het landelijk gebied van de MRA, ook kleinschalige (minder dan 11 woningen) zijn immers uitgesloten. De kleine kernen verliezen hun beperkte rol t.a.v. de huisvestingsopgave steeds verder als zij niet meer in staat zijn om de primaire voorzieningen te blijven dragen, door uitdunning en vergrijzing van de bestaande bevolking. Een kleine ontwikkeling voor een paar extra gezinnen kan dan het verschil maken.
Een beperkte mogelijkheid om binnen de grens van het dorp via verdichting extra woningen mogelijk te maken, is wenselijk en tast het landschap niet aan. Wij pleiten dan ook voor aanpassing van de regels dan wel aanpassing van definitie van een kern, waardoor meer dorpen als stedelijk gebied aangemerkt worden. Binnen het landelijk gebied is de regel dat uitbreiding van het bebouwd oppervlak niet is toegestaan. De grens van het landelijke gebied lijkt echter willekeurig te zijn getrokken en loopt soms diep in het stedelijke gebied door. Het is logischer om de grens van het landelijk gebied te leggen daar waar de stad ophoudt en het landelijk gebied begint en daar waar dat landelijk gebied duidelijke ruimtelijke grenzen heeft. De regel in combinatie met de grens raken in en om Amsterdam de ambitie om het gebruik van de stedelijke groengebieden te intensiveren, als onderdeel van de verdichtingsambitie van de stad, regio en provincie. Het lijkt dan ook logisch alle hier onder genoemde stedelijke
4
groengebieden uit de begrenzing van het landelijk gebied te halen. Stadsdeel Oost Een deel van de bebouwde kom van Stadsdeel Oost ligt is binnen het in de ontwerpverordening aangewezen landelijk gebied, waaronder het Flevopark/ Het Nieuwe Diep, Diemerpark, de noord- en oostzijde van het Science Park en de Groene Staart / Amstelscheg. De begrenzing van het werkingsgebied landelijk gebied bij Flevopark / Het Nieuwe Diep, Diemerpark en Science Park lijkt willekeurig getrokken. Dit is een nieuwe aanduiding voor in ieder geval het Flevopark en het Diemerpark, die voorheen deel uitmaakten van het bestaand stedelijke gebied. Amsterdam werkt aan sportvelden in het Diemerpark en extra voorzieningen in het Flevopark, waaronder de uitbreiding/vernieuwing van het Flevoparkbad. Ten opzichte van de vigerende PRV is sprake van een verdere beperking van ontwikkelmogelijkheden, waarbij het onduidelijk is wat de overwegingen daarvoor zijn. e Verder zouden op prijs stellen indien u kunt bevestigen dat IJburg 2 fase onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied (BSG). Stadsdeel Nieuw-West De lintbebouwing aan de Osdorperweg in Nieuw-West is een wezenlijk onderdeel van het binnenstedelijk gebied en behelst een grote concentratie aan woningen. Ook Sportcentrum Ookmeer, volkstuinpark Lutkemeer en Sportpark De Eendracht zijn stedelijke voorzieningen.
De begrenzing van het Landelijk Gebied en hier ook het Bijzonder Provinciaal Landschap komt niet overeen met het huidige gebruik en de aanwezige waarden. Grote delen van de Tuinen van West, waaronder de sportvelden zijn belangrijke uitloopgebieden met functies voor die volle stad. Het is van groot belang dat we hier ook in de toekomst gebouwen kunnen wijzigen, toevoegen of verwijderen al naar gelang de maatschappelijke behoefte. Stadsdeel Noord Onduidelijk is of bij de begrenzingen van Kinselmeer tot gemeentegrens/Uitdam al rekening is gehouden met toekomstig profiel van de dijk na de dijkversterking Markermeerdijken. Deze vraag betreft niet alleen de grens van het landelijk gebied, maar ook die van het BPL en het Natura2000 gebied Markermeer. De dorpskernen van Durgerdam, Holysloot, Ransdorp en (gedeeltelijk) Zunderdorp zijn in onze optiek bestaand bebouwd (stedelijk) gebied en worden ten onrechte aangeduid als landelijk gebied, BPL en agrarisch gebied. De sportvelden en volkstuincomplexen in de strook ten noorden van de A-10 zijn in onze optiek bij de stad behorende groengebieden en zouden daarom geen deel van het landelijke gebied (en evenmin van het BPL) horen uit te maken. Stadsdeel Amsterdam Zuidoost Grote delen van Amsterdam Zuidoost liggen in het ontwerp binnen het werkingsgebied landelijk gebied. Veel van deze gronden liggen binnen het stedelijk gebied.
Ons inziens maken de volgende drie soorten gebied geen deel uit van het landelijke gebied: 1. gronden bij de Gaasperplas waar nu al stedelijke bebouwing is: het gaat om de hotels bij de Gaasperplas en om het waterleidingterrein. 2. gronden waar in de gemeentelijke structuurvisie nieuwe stedelijke functies zijn toegestaan: het gaat om de bouwvelden langs de A9. 3. een deel van het openbaar groen Zuidoost: -Gaasperplas, Gaasperpark en centraal park Gaasperdam: geheel uit het landelijk gebied halen, óf de grens leggen op de Driemondweg en uitsluitend het gedeelte ten oosten daarvan in het landelijk gebied houden; -De in het bestemmingsplan ‘Gemeenschapspolder’ vastgelegde bestemming ‘Recreatie’. Deze bestemming ligt op twee volkstuinparken, die direct aan het stedelijk gebied liggen. - Bijlmerweide
5
Artikel 6.4a In de toelichting op dit artikel wordt opgemerkt dat ‘een schuilstal voor hobbymatig/recreatief gehouden dieren een stedelijke voorziening is’. Heeft dit artikel betrekking op een schuilstal voor alle soorten gebruik of alleen ten behoeve van agrarisch gebruik? Paragraaf 6.1.2. Functiewijziging naar wonen in landelijk gebied Artikel 6.5 Verwijst ‘Landelijk gebied’ naar het werkingsgebied Landelijk Gebied? Artikel 6.7 Niet geregeld is dat dit artikel een uitzondering is op artikel 6.4, lid 1 en 2. Anders dan in de PRV is er geen mogelijkheid meer tot de functiewijziging van agrarische bouwpercelen naar ‘kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgfuncties’. Dergelijke functies kunnen ook van belang zijn voor de leefbaarheid van het landelijk gebied, soms meer dan burgerwoningen. De eis van 1.500 m2 sloop houdt te weinig rekening met verschillen tussen bestaande agrarische bouwpercelen in oppervlakte en aanwezige bebouwing. Hierdoor kunnen er gevallen ontstaan waarbij na beëindiging van een agrarische of stedelijke functie transformatie niet tot stand komt. Vooral bij locaties met 1.000-1.500 m2 aan bebouwing werkt dit niet stimulerend, terwijl ook daar vaak een kwaliteitsverbetering te behalen is.
Een regeling met een koppeling tussen vierkante meters te slopen agrarische bebouwing en vierkante meters terug te bouwen woonfunctie zou meer recht kunnen doen aan verschillen tussen agrarische bouwpercelen, desnoods gekoppeld aan een maximaal aantal woningen. 6.7, lid 1. Met deze bepaling zal het niet altijd mogelijk zijn om bouwpercelen op te heffen waar twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. Met de huidige redactie kan een tweede bedrijfswoning alleen een woonbestemming krijgen als 1.500 m2 aan bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Een dergelijk oppervlak zal niet altijd aanwezig zijn. Aan de andere kant biedt deze bepaling wel de mogelijkheid om een woning te introduceren bij het opheffen van bouwpercelen waarbinnen nu geen bedrijfswoning aanwezig is. Dit geldt dus ook voor een bouwvlak/agrarisch perceel waar nu een schuilstal of opslag aanwezig is. Voorgesteld wordt om de bepaling zo te formuleren dat de aanwezige bedrijfswoning een woonbestemming krijgt en dat voor een extra woning 1.500 m² aan overtollige bedrijfsgebouwen gesloopt moet worden. Ten opzichte van de PRV en concept omgevingsverordening is de eis vervallen om een deel van het agrarisch bouwperceel om te zetten naar agrarische gronden of natuur. Er is een eis opgenomen dat geen bouwmogelijkheden mogen worden toegekend.
Houdt dit in dat een voormalig agrarisch bouwperceel kan worden omgevormd tot tuin? 6.7, lid 3. Er wordt gesproken over ‘meerdere woningen’. Houdt dit in dat 3 of meer woningen mogelijk zijn? De toelichting zou op dit punt verduidelijkt kunnen worden. Paragraaf 6.1.3. Detailhandel Artikel 6.10, lid 1, onder d: Het expliciet benoemen van het verplichte advies t.a.v. volumineuze detailhandel wekt de indruk alsof advies alleen bij deze vorm van detailhandel benodigd is. Bovendien is advisering (ook bij volumineuze detailhandel) al verplicht op basis van artikel 2.5.4 van de
6
Omgevingsregeling. Hiermee ontstaat verwarring. Wij verzoeken u om graag een duidelijke regeling te treffen waarbij alle adviesplicht of in de verordening of in de regeling zelf worden benoemd. Hierbij willen we graag opmerken dat de ondergrens van 1.500 m2 winkelvloeroppervlak voor het aanvragen van een advies bij de adviescommissie zou in geval van volumineuze detailhandel lager moeten zijn en moeten gelden voor alle vormen van detailhandel. De reden is dat een winkel van bijvoorbeeld 1.000 m2 ook een structuur verstorende werking (al dan niet in de regio)kan genereren. Bijvoorbeeld in een bouwmarkt of supermarkt in een kleine plaats. In de toelichting is een 10% regeling benoemd, maar die zien we in de regeling niet terug. Waar en wanneer wordt deze 10% regeling uitgewerkt? Artikel 6.10, lid 2 Wij vragen ons af hoe toetsing hierop plaats vindt. Is een advies van de adviescommissie (ADZ) hier ook vereist? Amsterdam steunt het uitgangspunt om (in principe) geen detailhandel toe te staan op bedrijventerreinen en/of kantoorlocaties, met een aantal uitzonderingen, met als belangrijkste reden geen uitholling van de bestaande detailhandel in de bestaande stedelijke structuren. We zouden graag een verduidelijking willen zien dat deze bepaling niet geldt in transformatiegebieden.
De stad wil immers een deel van de uitbreiding van de woningvoorraad realiseren in de transformatie, bijv. door het gebied Amstel III te transformeren van allen een kantorenlocatie naar een meer gemengde locatie (o.a. toevoegen wonen). Om hier tot leefbare buurten te komen is de aanwezigheid van (enige) detailhandel wel gewenst en noodzakelijk. In de artikelsgewijze toelichting op dit artikel wordt gesproken over een ontheffingsmogelijkheid op basis van artikel 14.4 (zie kopje Dienstenrichtlijn op p. 75). Het is ons niet duidelijk in welke wet of verordening dit artikel staat. Paragraaf 6.1.4 Verblijfsrecreatie Dit lijkt een nieuwe regeling omdat het substantieel afwijkt van de huidige regeling voor Recreatiewoningen (art. 18 PRV). Helaas is de artikelsgewijze toelichting op deze paragraaf zeer beknopt. In de bijlage bij de bestuurlijke toelichting (was-wordt tabel) is slechts benoemd dat het artikel uit PRV herschreven zonder vermelding van de redenen. Graag verzoeken u om de toelichting op dit punt uit te breiden. De regels roepen de volgende vragen bij ons op: - de PRV bevat op dit moment regels voor recreatiewoningen. Door de verbreding van de definitie naar verblijfsrecreatie wordt dit artikel niet alleen van toepassing op recreatiewoningen op parken, maar op alle vormen van verblijfsrecreatie dus ook bijvoorbeeld hotels en bed&breakfast.
Zo ja, kunt u de toelichting hierop uitbreiden? - Artikel 6.11 en 6.12: openheid van het provinciale landschap wordt in beide artikelen benoemd. Dit wekt de indruk alsof de regeling alleen ter plaatse van landelijk gebied zou gelden maar we zien geen afbakening in het werkingsgebied. Geldt deze paragraaf overal in de provincie? - Artikel 6.13 lid 1: Wat is de toegevoegde waarde van dit artikel t.o.v. art. 6.3? - Artikel 6.13 lid 2: Wat wordt verstaan onder kort verblijf? Amsterdam en omgeving is en blijft aantrekkelijk voor expats. Zij verblijven soms in hotelappartementen. In Amsterdam vallen verblijfsaccommodaties voor extended stay ook onder het
7
-
overnachtingsbeleid. ( 1 nacht t/m 12 maanden). De zinsnede ‘waarbij de eigenaar / huurder elders hoofdverblijf heeft’ lijkt (air)b&b en kamperen bij de boer uit te sluiten. Is dat de bedoeling?
Artikel 6.13 lid 3: Op welke manier stelt een ruimtelijk plan regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie? Hoe verhoudt zich deze instructieregel tot de Dienstenrichtlijn? Die stelt dat slechts ruimtelijke motivering is geoorloofd; financiële haalbaarheid of andere economische afweging niet. Paragraaf 6.1.5. Industrieterreinen van provinciaal belang Vanwege het restrictieve karakter van artikel 6.16 lid 2 is het van cruciaal belang dat de begrenzing van het “industrieterrein van provinciaal belang” in Amsterdam beperkt blijft tot een deel van het beheergebied van het havenbedrijf en niet de Sloterdijken omvat. Sloterdijk 2 Zeer dichtbij station Sloterdijk ligt het kleinste bedrijventerrein van het gebied, Sloterdijk 2. In dit gebied is op sommige kavels weliswaar nog bedrijvigheid tot en met 4.1 mogelijk, maar in de praktijk is het een gebied voor lichte bedrijven, kantoren, horeca en groothandels. Dat dit gebied al meerdere jaren van karakter verandert is goed te begrijpen nu rondom station Sloterdijk een gemengd stedelijk gebied ontstaat. De eerste twee blokken van Sloterdijk 2 liggen op korte afstand van het station (< 800m) en zijn daarom uitermate geschikt om bedrijven en kantoren te combineren. Dit leidt tot een optimale benutting van de zeer goede bereikbaarheid van deze locatie en leidt ook tot een netto toename van ruimte voor bedrijven.
Deze ontwikkeling wordt met deze verordening onmogelijk gemaakt, waardoor bedrijven zich dus elders op een stedelijk bedrijventerrein moeten vestigen. Daar zal het juist ten koste gaan van de reeds schaarse ruimte voor bedrijven. Sloterdijk 3(Zuid) In het zuidelijke deel van Sloterdijk 3 is een cluster van woon- en meubelwinkels gevestigd. Daarnaast is het gebied vooral ontwikkeld voor kleine stadsverzorgende bedrijven. In dit gebied is de vestiging van zware bedrijven dus niet enkel ongewenst, maar vanuit het perspectief van de eigenaren en gebruikers in het gebied ook ronduit onwaarschijnlijk. De verordening lijkt te suggereren dat bedrijfsverzamelgebouwen met aannemer gesloopt zullen worden ten faveure van de realisatie van zware industrie. Sloterdijk 4 (de Heining) Dit stedelijke bedrijventerrein is bestemd voor bedrijven tot categorie 3.2 en in het gebied is daarnaast een broedplaats met ateliers bestemd, alsook een aantal woonwagens. Ook dit deelgebied is dus niet geschikt voor zware industrie, met wellicht als uitzondering de locatie van het gronddepot. Omdat in dit deelgebied nu (nog) niet wordt ingezet op intensivering zal de regeling nu nog niet als beperkend worden ervaren. De regeling in de verordening dwingt de gemeente om bij élke aanpassing van het planologisch kader het gebied enkel te bestemmen voor zware industrie.
Daarmee komt het gebied feitelijk op slot te zitten en worden initiatieven die noodzakelijk zijn voor de intensivering en verlevendiging van het gebied gefrustreerd en onmogelijk gemaakt. Dit zal zeker niet leiden tot vestigingsruimte voor zware industrie en vergroot de kans dat het gebied afglijdt naar een stagnerend, disfunctioneel bedrijventerrein. Met de gebiedsvisie voor Sloterdijk West is een wenkend perspectief gecreëerd dat het gehele gebied intensiever gebruikt, de kwaliteit en de toegankelijkheid verbetert én ruimte reserveert voor een groot circulair cluster. Met de regeling in de verordening worden deze ontwikkelingen grotendeels onmogelijk gemaakt, zodat de kavels die nu gereserveerd zijn
8
voor het circulair cluster straks moeten worden ingezet om de grote tekorten aan ruimte voor stadsverzorgende bedrijven op te lossen. Dat mag al van de huidige bestemming en bij gebrek aan positieve ontwikkeling van het gebied zal dat de meest economische invulling zijn. Milieuruimte moet beschermd worden maar innovatie ook gestimuleerd In de regeling is ook de milieuruimte van het gebied als expliciet kader voor ontwikkelingen in en rondom het industrieterrein benoemd. Daarmee voegt de verordening niets toe aan de dagelijkse praktijk, want bij alle ontwikkelingen voor gevoelige functie is het reeds wettelijk verplicht om daarbij de veiligheid en leefbaarheid voor de nieuwe gebruikers in af te wegen. Helaas maakt de regeling in de verordening de milieuruimte tot een statisch geheel. In de praktijk zullen bedrijven ook uitstoot verminderen, bijvoorbeeld door innovatie in het bedrijf of wanneer milieuregels strenger worden. Vanuit dat perspectief is het niet logisch om de milieuruimte van het gebied als een zelfstandige grootheid te zien die onaantastbaar is. De milieuruimte van een industriegebied moet kunnen meebewegen met de ontwikkeling van de economie, de stand der techniek en de ontwikkeling van de stad. Aanpassen aanwijzing en milieuruimte en ruimtebehoefte afhankelijk maken van monitoring Het is daarom nodig de aanwijzing aan te passen.
Stedelijke bedrijventerreinen zoals die van Sloterdijk 2 en 3 (vooral ten zuiden van de A5) horen niet thuis in een dergelijk aanwijzing. De regeling is onnodig beperkend voor de gebiedsontwikkeling en is zowel contraproductief als buitenproportioneel voor het dienen doel: ruimte voor zware industrie. De bescherming van de milieuruimte van Westpoort is belangrijk. Het kan en mag echter geen statisch gegeven worden. Het is daarom logischer om zowel de behoefte aan terreinen als de bijbehorende milieuruimte te koppelen aan een programma met heldere doelen en een systematische (jaarlijkse) monitoring zodat de regels aan de hand van de laatste stand van de techniek en ervaring uit de praktijk kunnen worden bijgestuurd. Door de behoefte aan (milieu)ruimte nu arbitrair te bepalen werkt het beoogde doel tegen en leidt onnodig tot beperkingen die het optimaal benutten van terreinen en bereikbaarheid in de weg staan. Paragraaf 6.1.6. wonen in de LIB-5 zone Schiphol Wat wordt onder nieuwe woningen verstaan in art. 6.19? We gaan ervan uit dat het splitsen van woningen niet onder de reikwijdte van dit artikel valt. Wij verzoeken u graag om de toelichting op dit punt te verduidelijken om discussies in uitvoering te voorkomen. Verzoek om art.
6.19 aan te passen: Voor zover een ruimtelijk plan nieuwe woningen toestaat op gronden die liggen ter plaatse van het werkingsgebied LIB 5 zone wordt in de toelichting op dat plan rekenschap gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen. Ook wordt aangegeven op welke wijze toekomstige bewoners actief worden geïnformeerd over het geluid en de risico’s van vliegverkeer. Paragraaf 6.1.2. Windenergie Bij het opstellen van dit onderdeel van de zienswijze is Amsterdam uitgegaan van de concept RES-Amsterdam, die zeven zoekgebieden voor windenergie bevat. We behandelen paragraaf 6.1.2 dn ook in combinatie met de paragrafen (regels) over stedelijke ontwikkeling, BPL en NNN. U biedt met deze regels meer ruimte voor wind, maar de kans dat de gemeente Amsterdam en Havenbedrijf Amsterdam de windambitie (50 MW in 2030) uit de deel RES Amsterdam/Routekaart Klimaatneutraal gaan halen is klein.
9
Kaart zoekgebieden wind Amsterdam in de RES:
Twee zoekgebieden voor wind liggen geheel in het BPL en één ligt in een NNN gebied met een klein deel BPL. Voor deze beschermde landschappen gelden stringente restricties. Dit zijn: * Gaasperplas/Driemond (NNN, deels BPL): met potentie van 10 turbines van 2,3 tot 3 MW. * Ten noorden van ring A10 (BPL): met potentie van 6 turbines van 2,3 tot 3 MW. * Amsterdam Zuid (BPL): met potentie van 1 turbine van 2,3 MW. De totale potentie in de 7 RES-zoekgebieden is 35 windturbines/105 MW. In de ontwerp OV staat dat m.b.t. het BPL: “Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast”. In de toelichting bij de ontwerp OV staat: “Zijn ….overige ruimtelijke ontwikkelingen (zoals windmolens en opstellingen voor zonne-energie) alleen toegestaan als de kernkwaliteiten niet worden aangetast. De gemeente weegt dit af op basis van de in de omgevingsverordening beschreven kernkwaliteiten.” Ons beeld is dat windturbines de voorkomende kernkwaliteiten kunnen aantasten. Het lijkt Amsterdam daarnaast zeer moeilijk om lid 8 voor windturbines te gebruiken.
10
In de ontwerp OV staat dat m.b.t. het NNN: “Het ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden”. Op grond van de stukken is ons beeld dat windturbines in strijdt zijn met de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN gebieden. En dat de samenhang tussen gebieden door windturbines (bv voor trekvogels) wordt geschaad. Artikel 6.22, 2. Herstructureringsgebied/Havengebied Van de zeven RES-zoekgebieden ligt er één in een wind-herstructureringsgebied, waar wind weliswaar mogelijk is, maar restricties gelden met betrekking tot de ashoogte en onderlinge afstand. Wij verzoeken u om de restrictie mbt ashoogte te schtrappen, omdat die de doelmatigheid van realisatie van wind in dit gebied verminderen. Juist in dit gebied passen windturbines ruimtelijk goed. Door het schrappen van deze eis wordt het in potentie mogelijk om hier acht extra turbines van 2,3 tot 3 MW te realiseren. Amsterdam is afhankelijk van de provincie voor het aanwijzen van windenergiegebieden, waarbij de criteria waarop wordt beoordeeld nog onbekend zijn.
PM: WORDT AANGEVULD NAV BESTUURLIJK OVERLEG WH VAN DOORNINCK MET GEDEPUTEERDE STIGTER Afdeling 6.3 Land-en tuinbouw Hier zouden regels met betrekking tot het sluiten van de kringlopen gesteld kunnen worden, bijvoorbeeld gericht op korte voedselketens, gezonde en duurzame voedselconsumptie en hoogwaardige verwerking van organische reststromen. Artikel 6.28 6.28 lid 1. Amsterdam steunt de doelstelling om bodemdaling en CO2 uitstoot tegen te gaan. Wij hechten daarbij ook aan behoud dan wel herstel van de biodiversiteit, die bijvoorbeeld met kruidenrijk oud grasland samenhangt. In de toelichting ontbreekt het argument van biodiversiteitsbehoud. Bestaat de mogelijkheid om van deze regel te kunnen afwijken, mits aan de voorwaarden van voorkomen CO2 uitstoot en -bodemdaling en behoud van biodiversiteit wordt voldaan? 6.28 lid 2 Met dit artikel worden kleinschalige stedelijke functies mogelijk als onderdeel van een agrarisch bedrijf. Kan worden toegelicht wat wordt bedoeld met ‘kleinschalig’? Wat is de verhouding van dit artikel tot artikel 6.4a? 6.28 lid 2 In de toelichting wordt gesproken over een kwaliteitskader landelijk gebied om andere nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf toe te staan. In de regels wordt niet aangegeven hoe dit tot stand komt. Is dit vormvrij? Paragraaf 6.4.1.
Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen De Volgermeerpolder is aangewezen als deel van het Bijzonder Provinciaal Landschap. Ons inziens verdient deze polder, die immers als natuurgebied is ingericht, veeleer de status van Natuurnetwerk Nederland.
11
Ook voor het Geuzenbos, dat geen status als BPL heeft en onderdeel vormt van het landelijk gebied nabij het NNN gebied Spaarnwoude, zou begrenzing als NNN voor wat betreft Amsterdam een logische keuze zijn. Paragraaf 6.4.2. Bijzonder provinciaal landschap Het BPL komt in de plaats van bufferzones en weidevogelleefgebieden. De kernkwaliteiten zijn omschreven en voor Amsterdam herkenbaar. De aanwijzing van grote delen van het landschap tot BPL is in onze optiek terecht, met uitzondering van enkele grensgebieden. Voor de zone ten noorden van de A-10 (met sportvelden en volkstuincomplexen) is het twijfelachtig of deze als bijzonder provinciaal landschap zou moeten worden beschouwd. Al bij paragraaf 6.1.1. gaf Amsterdam aan dat diverse gebieden in de stad en aan de stadsrand beschouwd zouden moeten worden als stedelijk gebied. Een aanwijzing tot BPL van deze gebieden acht Amsterdam in het verlengde daarvan eveneens onwenselijk en niet uitlegbaar. Artikel 6.41 lid 7 Zie de opmerking artikel 6.28. In het kwetsbare en kleinschalige landschap van het BPL Waterland is het van belang dat vergroting of de inpassing van nieuwe agrarische percelen zorgvuldig plaatsvindt.
Het loslaten van de kernwaarden voor het BPL voor vergroting van agrarische bouwpercelen kan ervoor zorgen dat deze kernwaarden worden aangetast, omdat agrarische bedrijven beeldbepalend zijn in het landschap en doordat bijvoorbeeld verkaveling en slotenpatronen niet in acht hoeven te worden genomen. Paragraaf 6.4.5 Stiltegebieden Artikel 6.50, lid 3. Bij het gebruiken van bevoegdheden op grond van de Wro moet rekening worden gehouden met de stiltegebieden. Bij de omgevingsvergunningen op grond van de Wabo is dat beperkt tot omgevingsvergunningen voor mijnbouw en voor bij met AMvB aangewezen activiteiten. Is het inderdaad de bedoeling dat voor bestemmingsplannen dus een strikter regime geldt dan voor omgevingsvergunningen om af te wijken van het bestemmingsplan? Art 6.51 dit artikel ontbreekt? Afdeling 6.6 Klimaatadaptatie Wat wordt verstaan onder nieuwe ruimtelijke ontwikkeling? Zonder een duidelijke beschrijving is deze afdeling ook van toepassing op ruimtelijke besluit waarbij slechts een kleine afwijking van de bouw- of gebruiksregels van een bestemmingsplan wordt toegestaan. Dat lijkt ons niet wenselijk. Wij vragen ons af of dit onderwerp zich goed leent voor koppeling aan ruimtelijke besluiten.
We onderschrijven uiteraard het belang dat gemeenten klimaatadaptie serieus oppakken, maar een motiveringsplicht gekoppeld aan ruimtelijke ontwikkeling is niet per se het beste middel. De voorgestelde regeling focust immers op de gevolgen van individuele besluiten terwijl klimaatadaptatie een integraal aanpak vergt in plaats van losse acties. Afdeling 6.7 Provinciale wegen Artikel 6.60, lid 2 & 6.61. De regel sluit uit om een uitweg op een stroomweg aan te leggen. Wel is het mogelijk met
12
een omgevingsvergunning om op een gebiedsontsluitingsweg een uitweg aan te leggen. De toelichting hierop ontbreekt. Artikel 6.60/ 6.61/6.62 Waarom is een vergunningstelsel opgenomen in een hoofdstuk met instructieregels voor gemeenten? Artikel 6.72 Ruimtelijke ontwikkeling in de beschermingszone is uitsluitend toegestaan als hierover overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie. Ruimtelijke ontwikkeling is echter niet gedefinieerd, waardoor dit artikel een heel breed toepassingsbereik kent. Wij zouden graag zien dat hiervoor in de plaats een verbod, als bedoeld in lid 2, wordt gehanteerd voor nieuwe ontwikkeling met invloed op de werking van de waterkering. Een dergelijke doelbepaling past ons inziens beter in de sturingsfilosofie van de verordening. De beschermingszones zijn vrij breed en sommige ontwikkelingen (een kleine uitbouw bij bestaande bebouwing of functiewijziging) heeft geen invloed op de waterkering. Het is dan onredelijk bezwarend om voor dergelijk besluit ‘akkoord’ van de waterbeheerder en provincie te eisen. Zoals als algemeen al opgemerkt, wordt dit probleem in de toekomst verergerd omdat de reguliere procedure het uitgangspunt wordt onder de Omgevingswet. Afdeling 6.11 Faunabeheer (art. 6.79 ev) Een faunabeheereenheid is geen bestuursorgaan.
Daarom vragen ons af of een instructieregel hier een geschikt instrument is gelet op art. 2.22 Omgevingswet.
p63
Hoofdstuk 8 Adviseurs en adviesorganen Algemeen Artikel. 8.1 Voor de regionale adviescommissie detailhandel is aangegeven in de omgevingsverordening wanneer zij adviseert. Dat geldt niet voor de ARO (art. 8.1). In welke gevallen is ARO-advies nodig?
P71
Hoofdstuk 11 Monitoring en informatie Algemeen In dit hoofdstuk ontbreekt een artikel voor de monitoring van BPL, NNN en industrieterreinen van provinciaal belang. Dit is een essentieel onderdeel, omdat het belang dat met de aanwijzing van deze terreinen wordt gediend afhankelijk is van actuele kennis over het aanbod van en vraag naar terreinen met een hoge milieucategorie en faciliteiten voor overslag over water, weg en spoor. Aangezien de regels voor deze industrieterreinen buitengewoon (en onnodig) beperkend zijn is jaarlijkse monitoring en informatievoorziening voor dit provinciale belang absoluut noodzakelijk. Op basis van de monitoring kan de hoeveelheid fysieke en milieuruimte die met de aanwijzing wordt gereserveerd worden bijgesteld zodat de ontwikkeling van stedelijke bedrijventerreinen niet nodeloos wordt gehinderd.
p74
Hoofdstuk 12 Overgangsrecht Specifiek (incl. verwijzing artikel, lid) Artikel. 12.2 In het omgevingsrecht is het gebruikelijk om het oud recht van toepassing te laten zijn voor ingediende aanvragen, ongeacht van wanneer het besluit daarop wordt genomen. De keuze van de provincie dat binnen één jaar een besluit op de aanvraag moet genomen worden levert voor de aanvrager een rechts onzekere situatie op. Dat is onredelijk voor de aanvrager omdat hij immers geen invloed heeft op de behandeling van zijn aanvraag.
13
Verder willen we graag erop wijzen dat de aanvraag ook een verzoek kan zijn Dat kunnen ook aanvragen zijn om een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien. Welk bepaling is in dergelijk geval van toepassing; lid a of lid b? Graag zouden we een verduidelijking willen zien of in de regels of in ieder geval in de toelichting. Ons verzoek is om het 1 jaar termijn te schrappen uit lid a. art. 12.7 In artikel 12.7 is niet geregeld of en hoe deze bepaling voorrang heeft ten opzichte van het algemene overgangsrecht. Nu kan er een situatie optreden dat het niet lukt om tijdig een ontwerpplan ter inzage te leggen en na 1 januari 2021 nog beslist moet worden op een aanvraag die gebaseerd is op het huidige artikel 16 PRV. Die aanvraag moet worden behandeld op basis van de huidige PRV, terwijl voor het ruimtelijke plan de einddatums uit artikel 12.7 gelden? Zou het niet beter zijn als aan het overgangsrecht voor artikel 16 een voorwaarde wordt toegevoegd dat uiterlijk twee maanden na inwerkingtreding een aanvraag moet zijn ingediend?
p76
Hoofdstuk 13 Overige en slotbepalingen In eerdere contacten is vanuit de provincie aangegeven dat de ontwikkeling van Sloterdijk 2, 3 en 4, gelegen binnen het industrieterrein van provinciaal belang, ook doorgang kan vinden middels de experimenteerbepaling. Om hiervan gebruik te kunnen maken kunnen Gedeputeerde Staten (GS) deze gebieden aanwijzen (art. 13.3) en in dit aanwijzingsbesluit de kaders meegeven om van de regels van de verordening af te wijken. Technisch gezien biedt dit inderdaad ruimte om de onnodig beperkende regels van het industrieterrein van provinciaal belang te kunnen passeren. De procedure hiervoor is echter zeer onzeker en het is ook maar de vraag of GS op dit moment al bereid is het instrument te gebruiken Daarnaast is ook verwezen naar de ontheffingsbevoegdheid op basis van art. 4.1a Wro. Deze ontheffingsbevoegdheid biedt weliswaar de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van de regels van de verordening, maar is qua toepassing zeer beperkt. In de wet is als voorwaarde gesteld dat het moet gaan om ‘bijzondere omstandigheden’ en ‘onevenredig wordt belemmerd’. Dat is in het geval van Sloterdijk 2 en 3 niet aan de orde. Het verdichten van bestaande stedelijke bedrijventerreinen is juist een gangbare activiteit die niet alleen te voorzien, maar vanuit ruimtelijk oogpunt zelfs onvermijdelijk is.
De in de verordening opgenomen ontheffings- en experimenteerbepalingen bieden derhalve grote onzekerheid over het werkbaar maken van ons inziens onnodig beperkende regels voor de gebieden Sloterdijk 2 en 3. Indien de gebieden Sloterdijk 2 en 3, voor zover gelegen ten zuiden van de A5/westrandweg, onderdeel blijven van het industrieterrein van Provinciaal belang verzoeken wij daarom GS om de aanwijzing van deze gebieden als experimenteergebieden zo snel mogelijk in gang te zetten en deze gelijktijdig met de omgevingsverordening vast te stellen. Als kader voor de ontwikkeling kan de gebiedsvisie Sloterdijk West worden gehanteerd. Deze visie is in nauw overleg met de provincie Noord-Holland en andere stakeholders opgesteld en is in december 2019 vastgesteld door B&W van Amsterdam.
P2-16
Bijlagen 1 t/m 7 Bijlage 6: afbeelding ‘Aardkundige en landschappelijke karakteristiek’ (p.1) https://noord-holland-extern.terceraro.nl/SiteData/8002/Publiek/BV00019/b_NL.IMRO.8002.POVPNH-ON01_979.pdf
14
Het is onduidelijk of de Burkmeerpolder is aangeduid als landschapstype. Zo ja, welke?
Kaart viewer: In de viewer kunnen werkingsgebieden niet los van elkaar worden geraadpleegd. Nu zijn ze op elkaar gestapeld. En dien je ook per sé een locatie aan te klikken. Het is handig om in één oogopslag te kunnen zien wat de exacte begrenzing is van bijvoorbeeld het werkingsgebied Noord-Holland Noord (waarnaar wordt verwezen in artikel 6.4 lid 2) of BPL. De kaarten voor vaarweg- en nautisch beheer zijn via de viewer niet goed weergegeven, onderscheidende kenmerken ontbreken. Daardoor is het nautisch- en vaarwegbeheer niet op juridisch sluitende wijze goed toebedeeld. In de kaart over monumenten en cultuurhistorisch aardevolle gebieden is de Markermeerdijk ter hoogte van Durgerdam ten onrechte niet ingetekend, terwijl deze wel deel uitmaakt van het provinciaal monument. De werkingsgebieden landelijk gebied en MRA landelijk gebied vallen soms niet samen aan de randen (bijvoorbeeld bij het IJmeer). De begrenzing loopt soms in het water van het IJmeer en soms worden delen land/dijk niet meegenomen. De begrenzing werkingsgebied landelijk gebied sluit niet goed aan op de begrenzing werkingsgebied Natura 2000. De kaart agrarisch gebied is niet doorzichtig, waardoor de ondergrond niet zichtbaar is. De weergave van ecologische verbindingen op de NNN-kaart geeft verwarring.
Ons voorstel is om deze verbinding daar waar (i) die gerealiseerd is en in bestemmingsplannen is vastgelegd als vlakken in te tekenen in plaats van als lijnen en (ii) daar waar dat nog niet is gebeurd i.s.m. provincie lijnen om te zetten naar vlakken (gebieden). De beschrijving bij de NNN-verbindingen wijkt af van eerder gebruikte terminologie. De verbinding aan de zuidoostkant wordt nu Groene as genoemd (dit was Natuurboog). De verbinding aan de westkant van Amsterdam staat bekend als de Groene AS (AS staat hier voor verbinding tussen Amstelland en Spaarnwoude). Deze naam is hier niet meer terug te vinden.
15