3. Bijlage 2 bij brief: Voortgangsnotitie Warmteprogramma.docx
Tekst van het document
Voortgangsnotitie Warmteprogramma Concept, versie 5 (28 okt 2025)
Samenvatting De gemeente Amsterdam werkt aan een nieuw warmteprogramma. Het warmteprogramma wordt een uitvoeringsgerichte en richtinggevende aanpak voor de warmtetransitie voor de komende tien jaar. Gemeenten moeten het warmteprogramma in 2026 vaststellen. Voor het kiezen van de voorkeurstechniek per buurt is in eerste instantie gekeken welke warmteoplossing de laagste totale kosten heeft. Als het kostenverschil tussen meerdere warmteoplossingen kleiner is dan 20%, wordt een afweging gemaakt op basis van Amsterdamse uitgangspunten, zoals betaalbaarheid. Dit is nieuw ten opzichte van de TVW en geeft de mogelijkheid meer te sturen op Amsterdamse uitgangspunten. De eerste uitkomsten laten zien dat collectieve warmtenetten voor een groot deel van de buurten naar voren komen als preferente oplossing. We zien verder een relatief grote toename ten opzichte van de TVW in het aantal buurten op individuele all-electric warmtepompen en lagetemperatuur buurtwarmtenetten. Naast de keuze voor welke warmtetechniek de voorkeur krijgt, wordt er in het warmteprogramma ook gekeken naar welke buurten de komende tien jaar aardgasvrij kunnen worden. Er is gekeken of de betaalbaarheid voor de eindgebruiker en praktische zaken op orde zijn voor de uitvoering. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan netcongestie of graafluwte.
Dat hiernaar is gekeken is ook nieuw ten opzichte van de TVW en moet ervoor zorgen dat het warmteprogramma een richtinggevend en uitvoerbaar plan wordt. Een van de belangrijkste bevindingen is dat de warmtetransitie zonder extra middelen in slechts 5 buurten van start kan in de komende tien jaar. Met extra middelen van het Rijk kan dit in 64 buurten (82.000 woningequivalenten (WEQ)). Een groot deel van deze WEQ zou dan overgaan op een warmtenet (waarvoor €18.000 extra nodig is) en een deel op warmtepompen (waarvoor €6.000 extra nodig is). De modelberekeningen worden komende periode gevalideerd met praktijkkennis in een uitvoeringstoets. Dit kan nog tot wezenlijke wijzigingen leiden in de uitkomsten per buurt. Het warmtenet is een verplicht document via de nieuwe Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Het geeft gemeente de mogelijkheid om de opgenomen buurten in de toekomst van het aardgas af te sluiten. De stad is en wordt betrokken bij het uitwerken van het warmteprogramma. Er wordt een bewonersadviesgroep opgericht om ideeën en ervaringen van bewoners te verzamelen. Daarnaast blijven we de bestaande expertgroep met betrokken organisaties en partijen consulteren, zodat hun kennis en praktijkervaring ook wordt meegenomen.
1
1 Inleiding De gemeente Amsterdam werkt aan een nieuw warmteprogramma: een vanuit het Rijk verplicht programma onder de Omgevingswet dat elke 5 jaar geactualiseerd moet worden. Het warmteprogramma dat we nu voorbereiden is de opvolger van de Transitievisie Warmte (TVW) die in 2020 is vastgesteld. Gemeenten moeten het warmteprogramma in 2026 vaststellen. Waar de TVW vooral beleidsmatig van aard was, biedt het warmteprogramma een uitvoeringsgerichte aanpak voor de komende 10 jaar. Het beschrijft per buurt welke duurzame warmtetechniek het meest geschikt is. Om te bepalen welke warmtetechniek het meest geschikt is per buurt zijn modelberekeningen uitgevoerd. De berekeningen tonen op buurtniveau de haalbaarheid en effecten van duurzame warmtetechnieken. We zijn bij deze modelberekeningen ondersteund door onderzoeksbureau Ecorys. Op basis van de bevindingen ontstond zowel bij de expertgroep als binnen de gemeente zelf de behoefte om de resultaten verder te laden met praktijkervaringen en inzichten over de uitvoerbaarheid. Met deze voortgangsnotitie wordt u tussentijds geïnformeerd over de totstandkoming van het warmteprogramma. Enerzijds om u mee te nemen in het proces en anderzijds omdat de resultaten van de modelberekeningen laten zien dat er vooral op het gebied van het haalbaar en betaalbaar maken van de warmtetransitie additionele maatregelen nodig zijn.
Leeswijzer Deze notitie is als volgt opgebouwd: • in hoofdstuk 2 wordt het proces van totstandkoming van het warmteprogramma en het wettelijk kader toegelicht, • in hoofdstuk 3 bespreken we kort de uitgangspunten, • in hoofdstuk 4 lichten we u in over de werkwijze van de verkenning naar verschillende warmtestrategieën, • in hoofdstuk 5 lichten we toe hoe we tot een fasering van de verschillende buurten komen, • in hoofdstuk 6 lichten we u in over de uitvoeringstoets, • in hoofdstuk 7 geven we aan welke onderdelen in de uitvoeringsstrategie komen, • in hoofdstuk 7 gaan we in op de 3e fase van het participatieplan en • in hoofdstuk 8 is een verdieping opgenomen over de afsluitbevoegdheid vanuit de WGIW.
2
2 Proces en wettelijk kader 2.1 Proces om te komen tot een definitief warmteprogramma Om te komen tot een definitief warmteprogramma werken we in drie fases. In iedere fase worden bewoners en stakeholders betrokken bij de totstandkoming van de plannen. Hiervoor worden participatieplannen opgesteld. Het participatieplan voor de derde fase vindt u in hoofdstuk 7. Fase 1 In fase 1 stelden we samen met bewoners en stakeholders de uitgangspunten vast voor de warmtetransitie: de overgang van aardgas naar duurzame alternatieven voor verwarming en koken. Deze worden gebruikt voor de techniekkeuze per buurt in fase 2. De uitgangspunten vindt u in hoofdstuk 3 van deze notitie Fase 2 We bevinden ons nu in fase 2. Hierin hebben we samen met een expertgroep een analyse uitgevoerd naar verschillende warmtestrategieën. Daarnaast begonnen we met het opstellen van een milieueffectrapportage (plan-MER) om de impact van de keuzes op mens, natuur en leefomgeving te analyseren. Om fase 2 af te ronden willen we de modeluitkomsten toetsen aan de praktijk door haalbaarheid, draagvlak en uitvoeringscapaciteit mee te nemen. Zo kan de planning of techniekkeuze per buurt worden aangepast, bijvoorbeeld vanwege bronbeschikbaarheid, ruimte in de ondergrond, benodigde schaalgrootte of bestaande projecten en afspraken.
Fase 3 We zijn nu aanbeland bij de 3e en laatste fase: samen met bewoners en stakeholders bereiden we de uitvoering van de warmtetransitie voor, op een manier die technisch haalbaar, sociaal acceptabel en financieel draagbaar is. Deze fase loopt van het laatste kwartaal van 2025 tot en met eind 2026 en zal resulteren in een definitief warmteprogramma inclusief plan-MER en uitvoeringsstrategie. De uitvoeringsstrategie is een verzameling van producten die gezamenlijk de randvoorwaarden scheppen voor de uitvoering van het warmteprogramma. Na vaststellen warmteprogramma (2026-2035) Na het vaststellen van het warmteprogramma worden per buurt uitvoeringsplannen (BUP’s) opgesteld. In deze plannen werken we per buurt uit hoe de overstap naar duurzame warmte vorm krijgt, inclusief planning, techniekkeuze, bewonersparticipatie en juridische instrumenten zoals de afsluitbevoegdheid. Ook zal na 5 jaar het warmteprogramma worden geactualiseerd.
3
2.2 Het wettelijk kader De nieuwe Wet Collectieve Warmte (Wcw) vervangt de huidige Warmtewet en ligt op dit moment voor in de Eerste Kamer. Het doel van de nieuwe wet is om de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten te vergemakkelijken en zo de energietransitie te bevorderen. Maar ook om betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid van collectieve warmtelevering te waarborgen. Dat gebeurt onder andere door gemeenten meer regie over de warmtetransitie te geven. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) is aangenomen in beide Kamers. Deze wet is erop gericht om gemeenten de bevoegdheden te geven die nodig zijn om regie te voeren in de buurt- of gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie. Als eerste stap naar aardgasvrij hebben gemeenten een transitievisie warmte opgesteld. Daarin geven ze aan in welke gebieden zij de komende jaren aan de slag gaan met verduurzaming of het aardgasvrij maken van gebouwen. En wanneer zij verwachten dat het gebruik van aardgas in specifieke gebieden ook daadwerkelijk wordt beëindigd. Deze visie moet in 2026 worden geactualiseerd als verplicht warmteprogramma onder de Omgevingswet. Het warmteprogramma omschrijft de opgave van de komende tien jaar en moet iedere vijf jaar worden geactualiseerd. Een belangrijk instrument uit de Wgiw is daarnaast de afsluitbevoegdheid om buurten van het gas af te sluiten.
Die biedt gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan binnen hun grondgebied gebieden aan te wijzen die overgaan op een duurzame warmtevoorziening en waar het aardgastransport dus op termijn eindigt. Een gemeente mag een buurt van het gas afsluiten wanneer de betaalbaarheid voor 70% van de woningen in het aangewezen gebied is gewaarborgd. Voor een verdere toelichting over de afsluitbevoegdheid wordt verwezen naar hoofdstuk 8. Beide wetten en hun onderliggende regelgeving moeten nog in werking treden en de verwachting is dat dit halverwege 2026 of begin 2027 gebeurt.
4
3 Uitgangspunten Warmteprogramma Als bijlage bij de raadsinformatiebrief Uitwerking nieuwe koers warmtetransitie van 3 juli 2025 ontving u de Uitgangspuntennotitie Warmteprogramma 2026 – 2035. Deze uitgangspunten geven richting aan het warmteprogramma. Ze zijn tot stand gekomen na een uitgebreide participatieronde onder Amsterdammers, gesprekken met professionele belanghebbenden en betrokken medewerkers van de gemeente. Betaalbaarheid is voor bewoners, professionals en de gemeente het belangrijkste uitgangspunt. Hierbij staat rechtvaardigheid voorop; dat betekent de laagste kosten voor de stad als geheel en ongelijk investeren waar dat nodig is om gelijke kansen te creëren. Vanzelfsprekend is duurzaamheid het tweede uitgangspunt; klimaatverandering vraagt om een snelle vermindering van de CO2-uitstoot. De overige uitgangspunten zijn bron – en netcapaciteit, ruimtegebruik, koeling en ‘werk met werk’. Hieronder de uitgangspunten zoals opgenomen in de Uitgangspuntennotitie: Betaalbaarheid: • We starten met duurzame warmtetechnieken waarbij zicht is op een betaalbare energierekening voor de eindgebruiker. • Om de betaalbaarheid voor de eindgebruiker op de lange termijn te borgen, sturen we bij de keuze voor duurzame alternatieven voor aardgas op de laagste totale kosten.
• De laagste eindgebruikerskosten zijn een doorslaggevende factor als de laagste totale kosten van verschillende duurzame warmtetechnieken dicht bij elkaar liggen. Duurzaamheid: • Bij de fasering (wanneer we met welke buurt aan de slag gaan) starten we in buurten waar we op korte termijn de meeste CO2-reductie kunnen realiseren. • Waar verschillende technieken vergelijkbaar presteren op totale kosten, zetten we in op een duurzame warmtetechniek met de grootste CO2-reductie op korte termijn. Overige uitgangspunten: • Buurten waar voldoende bron- en netcapaciteit beschikbaar is voor de voorkeurstechniek, komen eerder aan de beurt. • We nemen ruimtegebruik en koeling mee als factoren bij de techniekkeuze als de laagste totale kosten dichtbij elkaar liggen. • Werk met werk: waar mogelijk combineren we werkzaamheden om de duur en overlast te beperken voor de omgeving.
5
4 Warmtestrategie per buurt Om te bepalen welke warmtestrategie het meest passend is voor de verschillende buurten in Amsterdam, is een modelanalyse uitgevoerd met het landelijke Vesta MAIS-model van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Dit open source rekenmodel berekent op buurtniveau welke duurzame warmtestrategieën technisch toepasbaar zijn en wat de bijbehorende kosten, baten en CO₂-effecten zijn. Ook kijkt het model naar de mogelijkheden om het schillabel van gebouwen te verbeteren, wat de isolatiewaarde van gevel, dak, vloer en glas aangeeft (in tegenstelling tot het energielabel, dat de totale energiezuinigheid van een gebouw weergeeft). De uitgangspunten in het model zijn gebaseerd op landelijke databronnen en aannames over de lokale context. Omdat de Amsterdamse situatie op enkele punten afwijkt van deze aannames, is het model aangevuld met lokale gegevens om een nauwkeuriger beeld te krijgen van de mogelijkheden, kosten en bronnen in de stad. In het vervolg van deze notitie wordt beschreven hoe de analyse is uitgevoerd, welke aanpassingen zijn gedaan om het model aan te laten sluiten op de Amsterdamse context, wat de belangrijkste resultaten zijn en hoe deze in de volgende fase worden getoetst op uitvoerbaarheid en haalbaarheid.
4.1 De verschillende warmtestrategieën Op dit moment wordt het merendeel van de Amsterdamse woningen, bedrijven en maatschappelijke gebouwen nog verwarmd met aardgas, via een collectief gasnet dat is ingericht op centrale aanvoer en decentrale verbranding in cv-ketels of blokverwarming. De overgang naar duurzame warmte betekent dat deze keten opnieuw moet worden ontworpen: van bron tot gebouw. Hiervoor zijn verschillende routes denkbaar, die in de modelanalyse zijn ondergebracht in 4 hoofdstrategieën. Elke strategie vraagt een andere inrichting van de warmteketen: het behoud en geschikt maken van het huidige gasnet voor klimaatneutraal gas, of juist afbouwen van het gasnet: de aanleg van warmtenetten, het verzwaren van de elektriciteitsinfrastructuur en aanvullende gebouwmaatregelen, zoals isolatie en eventuele aanpassingen aan installaties in de woning. Een belangrijk uitgangspunt is dat de warmtevraag en het warmteaanbod lokaal in balans moeten worden gebracht. Lokale bronnen moeten voldoende capaciteit hebben om in de warmtevraag te voorzien. De beschikbare bronnen, hun temperatuur en capaciteit bepalen mede welke strategie per buurt het meest realistisch en kostenefficiënt is. Daarbij gelden ook beperkingen. Lagetemperatuurbronnen zijn vaak beperkt in omvang en vragen om goed geïsoleerde gebouwen. Midden- en hogetemperatuurbronnen zijn schaars.
6
Het model verkent hierbij 4 hoofdstrategieën1: Strategie 1 (S1): Individuele elektrische warmtepomp Alle gebouwen worden in deze strategie verwarmd met een individuele elektrische warmtepomp voorzien van een buffervat. Schillabel B+. Strategie 2 (S2): Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbronnen Bij strategie 2 worden alle gebouwen in een buurt aangesloten op een warmtenet met een afgiftetemperatuur op het middenniveau (70 ˚ C). Het warmtenet wordt gevoed door warmtebronnen met een temperatuur van 70 ˚ C of hoger; we gaan hierbij uit van restwarmte of geothermie. We gaan ervan uit dat de piekketels in deze strategie met klimaatneutraal gas gestookt worden. Schillabel D+. Strategie 3 (S3): Combinatie (Z)LT-warmtenet met individuele elektrische warmtepompen Bij strategie 3 worden de gebouwen in een buurt aangesloten op een warmtenet met (zeer)-lagetemperatuurbron (15-30 ˚C) of op een individuele elektrische warmtepomp, waarbij voor elk gebouw afgewogen wordt welke optie het meest financieel rendabel is. De temperatuur van de lagetemperatuurbronnen wordt opgewaardeerd met een collectieve of individuele warmtepomp voor voldoende warm tapwater en ruimteverwarming. Varianten met schillabel B+ gaan uit van goed geïsoleerde gebouwen met beperkte opwaardering van de bron, terwijl varianten met schillabel D+ hogere temperaturen of collectieve opwaardering vereisen.
Omdat de capaciteit van (zeer) lage temperatuur-bronnen beperkt is, wordt slechts een deel van de buurt aangesloten op het warmtenet; overige gebouwen maken gebruik van individuele warmtepompen. Strategie 4 (S4): Hybride warmtepomp met klimaatneutraal gas Bij strategie 4 wordt gebruik gemaakt van een hybride warmtepomp met klimaatneutraal gas. Het klimaatneutraal gas kan groengas of waterstof zijn. Schillabel D+.
4.2 Amsterdamse context Het Vesta MAIS-model werkt met landelijke kengetallen en databronnen om de technischeconomische potentie van duurzame warmtetechnieken per buurt te berekenen. De situatie in Amsterdam wijkt op enkele punten af van landelijk bekende informatie. Om dit te ondervangen, verrijken we het model op een aantal vlakken met de specifieke Amsterdamse context. •
•
•
Isolatiekosten: Amsterdam heeft veel monumentale panden, vooral in de stadsdelen Centrum, Zuid en West. Van alle woningen met een isolatieopgave, gaat het in circa 40% van de gevallen om woningen in gebouwen met een erfgoedwaarde. Dit maakt isoleren lastiger en duurder dan in andere delen van Nederland. Het AMS Institute stelt bovendien dat bij circa 10% van alle adressen in het centrum opwaardering naar schillabel B een grote uitdaging wordt als je de esthetische en historische waarde wilt behouden. Om beter aan te sluiten bij de lokale situatie, passen we de isolatiekosten aan naar de hoge kant van de bandbreedte die het PBL hanteert. Kosten collectieve warmtenetten: de aanleg van warmtenetten in Amsterdam is complex en kostbaar vanwege de dichtbebouwde stedelijke omgeving en beperkte ruimte boven- en ondergronds. Daarom scherpen we de investeringskengetallen voor warmtenetten aan naar de bovenzijde van de bandbreedte die het PBL hanteert. Kosten elektriciteitsinfrastructuur: de druk op de elektriciteitsinfrastructuur is in Amsterdam extra groot door netcongestie. Dit bemoeilijkt de overstap naar elektrische oplossingen zoals warmtepompen. De aanleg en uitbreiding van het elektriciteitsnet is
1 Bron: startanalyse PBL
7
•
complex en kostbaar. Liander bevestigt dat de uitvoering van netverzwaring in Amsterdam duurder is dan in andere delen van Nederland. Om aan te sluiten bij de lokale context passen we de kosten voor netverzwaring aan naar de hoge kant van de bandbreedte die het PBL hanteert. Potentie van (rest)warmtebronnen: Het model houdt rekening met verschillende typen (rest)warmtebronnen die kunnen bijdragen aan grootschalige collectieve stadswarmtenetten of aan kleinschalige collectieve buurtwarmtenetten, zoals geothermie, restwarmte uit datacenters, rioolwaterzuiveringsinstallaties, industrieën, warmte- en koudeopslag (WKO), thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), thermische energie uit afvalwater (TEA) en thermische energie uit drinkwater (TED). Daarnaast houdt het model rekening met een beperkte beschikbaarheid van klimaatneutraal gas. Voor de Amsterdamse situatie nemen we uitsluitend restwarmtebronnen binnen de gemeentegrenzen mee, om overlap of conflicten met warmteprogramma’s van buurgemeenten te voorkomen. Het gaat hierbij om bronnen die warmte kunnen leveren aan midden- en hogetemperatuurnetten . Daarnaast is rekening gehouden met de beschikbare restcapaciteit in bestaande warmtenetwerken, zoals het WPW/Vattenfall-net en het Diemernet.
Voor al deze bronnen hebben we in samenwerking met onze lokale partners gebruikgemaakt van meer gedetailleerde en actuele data dan landelijk beschikbaar zijn.
4.3 Bepalen voorkeurstechniek per buurt Om te komen tot een bepaalde voorkeurstechniek doorlopen we verschillende stappen. Allereerst kijken we naar de totale kosten /maatschappelijke kosten. Dit zijn de directe financiële kosten, besparingen en opbrengsten van een warmtestrategie voor de maatschappij als geheel, ongeacht welke belanghebbende deze kosten betaalt of profijt heeft van de besparingen en opbrengsten. Denk hierbij aan de optelsom voor aanpassingen aan het netwerk, isolatiemaatregelen en de kosten van inpandige installaties. In de totale kosten zijn nog geen belastingen, subsidies en andere verdelingsmechanismen verrekend. In veel buurten liggen de totale kosten van verschillende warmtetechnieken dicht bij elkaar; wanneer het kostenverschil tussen strategieën kleiner is dan 20%, wordt de keuze gemaakt op basis van de Amsterdamse uitgangspunten. Op die manier wegen we de eerder genoemde criteria mee (eindgebruikerskosten voor bewoners, reductie CO2-uitstoot, koelpotentie en ruimtegebruik) en wordt er voorkomen dat kosten de enige bepalende factor zijn. Deze aanpak sluit aan bij het Klimaatakkoord, waarin wordt uitgegaan van de laagste totale kosten, maar waarin ook ruimte is om lokaal af te wijken wanneer dat nodig is om lokale belangen of omstandigheden mee te wegen.
De grens van 20% sluit aan bij de werkwijze van het PBL en andere gemeenten en is gekozen omdat deze ruim boven de geschatte modelonzekerheid (ongeveer 10–15%) ligt. Zo voorkomen we dat kleine, modelmatige verschillen in kosten doorslaggevend worden.
4.4 Eerste beeld warmtestrategie per buurt Op basis van modelberekeningen heeft de gemeente samen met onderzoeksbureau Ecorys bepaald welke warmtestrategie voorlopig per buurt als voorkeursvariant uit de bus komt. De analyses worden nog verder doorgerekend en aan uitvoeringstoetsen onderworpen. Daardoor kan de warmtestrategie per buurt nog wijzigen. Daarom kiezen we er op dit moment voor om nog geen kaart te presenteren van de voorkeurstechniek per buurt en de fasering daarvan. Deze zal wel onderdeel zijn van het in 2026 vast te stellen warmteprogramma. We informeren u in dit stadium over het globale beeld. 8
De doorrekeningen leveren een ander beeld op dan de transitievisie warmte (TVW). In onderstaande tabel is per warmtestrategie weergegeven in hoeveel buurten en bij hoeveel huishoudens het de preferente oplossing is. In de tabel zijn alleen buurten en WEQ opgenomen die nog niet aardgasvrij zijn. Warmtestrategie
Aantal buurten in de TVW
Aantal buurten in voorlopige resultaten van het WP*
Individuele elektrische warmtepomp (eWP) 18
118
Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbronnen
200
239
Combi (Z)LT-Warmtenet met eWP
38
108
Hybride warmtepomp (hWP) klimaatneutraal gas
121
45
* Er zijn meer buurten bij het WP dan de TVW omdat Weesp onderdeel van de gemeente Amsterdam is geworden en door een overgang van CBS buurtgrenzen.
Wat opvalt is een verschuiving naar elektrische warmtepompen en lage-temperatuur warmtenetten als voorkeursvariant. Hier zijn drie redenen voor: deze varianten hebben lagere eindgebruikerskosten (m.n. warmtepompen), kunnen op korte termijn CO2 besparen en kunnen een bijdrage leveren aan koeling. De verschuiving komt ook doordat we in de TVW nog uitgingen van klimaatneutraal gas als oplossing voor de binnenstad, vanwege de lastige uitvoerbaarheid van andere oplossingen in dat gebied. In lijn met de inschattingen van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het PBL gaan we nu uit van een veel lagere beschikbaarheid van klimaatneutraal gas. We benadrukken dat er nog verschuivingen kunnen plaatsvinden op basis van aanvullende analyses en de uitvoeringstoets.
9
5 Fasering per buurt Nadat de strategie per buurt vast is komen te staan, nemen we in het warmteprogramma op in welke buurten we in de komende 10 jaar aan de slag gaan met de warmtetransitie. Dit is belangrijk omdat alleen in buurten die zijn opgenomen in het warmteprogramma de afsluitbevoegdheid kan worden ingezet door de gemeenteraad.
5.1 Uitgangspunten fasering Om dit te doen, dienen de financiële en technische randvoorwaarden op orde te zijn. Hiervoor hanteren we de volgende uitgangspunten: 1. 2.
3. 4.
5.
Betaalbaarheid eindgebruiker: We starten met duurzame warmtetechnieken waarvan de kosten voor de eindgebruiker al betaalbaar zijn. (zie toelichting in kader hieronder) Robuustheid van techniek: Buurten die niet betaalbaar zijn en waar de preferente warmtetechniek gevoelig is voor veranderingen in infrastructuurkosten, bronbeschikbaarheid of energieprijzen, worden opgeschoven naar het laatste deel van de transitie, zodat eerst duidelijkheid ontstaat over de robuustheid van de gekozen techniek op de lange termijn. CO2 reductie: Bij de fasering starten we eerder in buurten waar we op korte termijn de meeste CO2-reductie kunnen realiseren. Werk met werk: Waar mogelijk combineren we werkzaamheden om de duur en overlast te beperken. We vermijden buurten waar de 10 jaar voorafgaand aan de start van de warmtetransitie grote werkzaamheden zijn geweest. Bron- en netcapaciteit: Buurten waar voldoende bron- en netcapaciteit beschikbaar is voor de voorkeurstechniek, komen eerder aan de beurt.
10
Betaalbaarheid voor de eindgebruiker Voor betaalbaarheid is gekeken naar alle kosten die een eindgebruiker moet maken voor de overstap naar een duurzame warmteoplossing, afgezet tegen de kosten voor het behouden van gas. Daarbij wordt niet alleen de energierekening bedoeld, maar ook alle directe en indirecte investeringen die nodig zijn en die een woningeigenaar moet doen. Zoals onderhouds- en installatiekosten en kosten voor isolatie die benodigd zijn voor dat warmtealternatief. De data die zijn gebruikt om de kosten te voorspellen zijn afkomstig van projecten in de stad die zijn uitgevoerd of in voorbereiding zijn of waren. Alle bestaande subsidies zijn meegenomen in de berekening. Dit zijn de Warmte-investeringssubsidie (WIS), de Stimuleringsregeling verduurzaming verenigingen van eigenaars (SVVE), de Subsidieregeling verduurzaming voor zakelijke gebruikers (SVOH), de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE). De Subsidieregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) is niet meegenomen omdat het Rijk hier nu geen middelen voor heeft gereserveerd. Als uitgangspunt voor betaalbaar is zo veel mogelijk aangesloten bij wat het Rijk nu heeft gepubliceerd over het benaderen van betaalbaarheid in het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw). Dit Besluit is een uitwerking van de aangenomen Wgiw en vult de kaders van de Wgiw verder in.
Het uitgangspunt bij betaalbaarheid is dat de kosten voor de nieuwe warmteoplossing niet hoger mogen zijn dan de baten berekend over een periode van 30 jaar. Dit sluit aan bij het Amsterdamse uitgangspunt, namelijk dat de kosten voor gas nu en in de toekomst niet hoger mogen zijn dan de kosten voor de nieuwe warmteoplossing. In de Amsterdamse berekening is gekozen om de betaalbaarheid te berekenen voor het jaar 2030. De reden hiervoor is dat het zichtjaar 2030 een goed voorbeeldjaar is voor de komende 30 jaar. Hiernaast is het rekenkundig te intensief is gebleken om voor alle woningen in de stad voor 30 jaar de eindgebruikerskosten uit te rekenen. Volgens het Bgiw is een buurt betaalbaar als voor 70% van de woningen de kosten voor het warmteoplossing minder of gelijk zijn aan die van gas.
5.2 Stappenplan om fasering te bepalen (de beslisboom) We volgen een beslisboom om te bepalen in welk tijdvak een buurt terechtkomt. Hierbij doorloopt iedere buurt stapsgewijs 5 hoofdcriteria: betaalbaarheid, robuustheid , CO2-reductie, werk met werk en broncapaciteit & netcongestie. Primaire criteria zijn betaalbaarheid en robuustheid. De eerste sortering van buurten vindt dus plaats op basis van deze 2 criteria. Vervolgens worden de secundaire criteria gebruikt enerzijds om buurten eerder of juist later in de tijd plaatsen. Primaire criteria • Betaalbaarheid: Eerst wordt bepaald of de warmtetechniek voor minimaal 70% van de woningen in een buurt betaalbaar is. Dat betekent dat de eindgebruikerskosten voor de nieuwe warmtetechniek gelijk of lager zijn dan die van aardgas: o Als een buurt nu al betaalbaar is, wordt deze voorlopig ingedeeld in de periode 2026-2035 o Als een buurt nog niet betaalbaar is, toetsen we op de robuustheid van de warmteoplossing • Robuustheid van de warmtetechniek: Voor buurten die nog niet betaalbaar zijn wordt bepaald of de warmtetechniek robuust is o Als de warmtetechniek robuust is, wordt de buurt voorlopig ingedeeld op de lange termijn (na 2035) o Als de warmtetechniek niet robuust, wordt de buurt geplaats in het laatste deel van de transitie (richting 2050) Secundaire criteria: Vervroegen of verlaten 11
De secundaire criteria worden toegepast om te beoordelen of buurten eerder of juist later in de planning komen. • CO₂-reductie: Buurten waar meer dan gemiddeld CO₂ kan worden gereduceerd, kunnen naar voren schuiven in de planning; • Werk met werk: Wanneer in een buurt werkzaamheden in de openbare ruimte gepland zijn (zoals herinrichting of vervanging van riolering), kan dit aanleiding zijn om de uitvoering van de warmtetransitie te combineren en de buurt eerder in te plannen; • Overbrugbare betaalbaarheid: Als een buurt niet betaalbaar is, maar er mogelijkheden zijn om het kostenverschil te overbruggen (bijvoorbeeld via subsidies), kan de buurt alsnog worden meegenomen in de beoordeling voor de periode 2026–2035. Randvoorwaarden voor uitvoering (laatste toetsing) Voor de buurten die op basis van bovenstaande stappen in aanmerking komen voor uitvoering in de periode 2026–2035, wordt ten slotte gekeken naar drie randvoorwaarden die kunnen leiden tot uitstel: • Netcongestie: Voor oplossingen die veel stroom vragen moet voldoende vermogen beschikbaar zijn op het elektriciteitsnet. Bij te weinig capaciteit kan een buurt pas later starten. • Broncapaciteit: Voor buurten met een warmtenet moet voldoende duurzame broncapaciteit (zoals aquathermie, restwarmte of datacenterwarmte) tijdig beschikbaar en ontsluitbaar zijn.
• Werkzaamheden in de afgelopen 10 jaar: Buurten waar recent al grote werkzaamheden in de openbare ruimte zijn uitgevoerd, worden later ingepland om overlast te beperken.
Resultaat Door deze stapsgewijze beoordeling wordt elke buurt ingedeeld in één van drie tijdvakken: • Middellange termijn (2026-2035): In deze fase van de warmtetransitie willen we aan de slag met buurten waar de eindgebruikerskosten betaalbaar zijn (met een aanvullende inzet van middelen) en de randvoorwaarden op orde. Buurten waar de transitie nu nog niet betaalbaar is, komen aan de beurt in een latere fase. • Lange termijn (na 2035): In deze fase richten we ons op buurten waar de warmteoplossing robuust is, waar veel CO2 reductie mogelijk is of kansen gezien worden om werk met werk te maken. Maar de betaalbaarheid nog niet op orde is. • Laatste deel van de transitie (voor 2050): Buurten vallen in dit tijdvak als de warmteoplossing nu niet betaalbaar is (en ook niet te overbruggen), nog niet robuust en er ook relatief weinig CO2 kan worden gereduceerd door het toepassen van andere warmteoplossingen. We plaatsen deze buurten in een latere fase omdat we in de tussentijd dan kunnen werken aan het verbeteren van de randvoorwaarden voor die buurten.
12
13
5.3 Het overbruggen van betaalbaarheid: extra middelen noodzakelijk Na een eerste toepassing van de beslisboom bleek dat voor slechts 18 buurten de betaalbaarheid op orde is. Van deze 18 buurten hebben er 13 te maken met netcongestie terwijl een elektrische warmtepomp de voorkeurstechniek is. Zo voldoen er op dit moment dus slechts 5 buurten aan álle randvoorwaarden om tussen 2026 en 2035 te starten met de warmtetransitie. Omdat betaalbaarheid een grote impact heeft op de uitkomst is er ook gekeken wat er nodig is om de betaalbaarheid te overbruggen. Hiervoor hebben we twee scenario’s uitgewerkt: een basisscenario, waarin geen extra middelen worden ingezet, en een EXTRA-scenario, waarin we aannemen dat er extra middelen beschikbaar komen om warmtetechnieken in buurten betaalbaar te maken. Om te bepalen welke meerkosten er in het EXTRA-scenario moeten worden opgenomen is eerst bepaald wat de meerkosten per woning zijn voor de verschillende warmtetechnieken. De eerste resultaten laten zien dat er voor een elektrische warmtepomp tussen de €0 en €30.000 extra kosten gemaakt moeten worden ten opzichte van een woning die op gas blijft. Voor de meeste woningen die over zouden gaan op een warmtepomp zitten de extra kosten tussen de €0 en €12.000. Een beperkt deel van de woningen kan zonder extra kosten overstappen.
Een belangrijke verklaring voor de extra kosten van elektrische warmtepomp zijn de investeringskosten en de isolatiekosten die hoger zijn dan de besparingen op de energierekening. Voor middentemperatuur warmtenetten moet er tussen de €7.500 en €37.500 aan extra kosten worden gemaakt ten opzichte van een woning die op gas blijft. Voor de meeste woningen zitten de extra kosten tussen de €14.000 en €23.000. Een belangrijke verklaring voor de extra kosten van middentemperatuur warmtenetten zijn zowel de hogere energierekening per jaar als de hoge investeringskosten. Voor het scenario EXTRA is uitgegaan van een hypothetische subsidie die de extra kosten ten opzichte van gas kan dekken. Er is onderzocht vanaf welk bedrag veel buurten de omslag naar betaalbaar maken. In deze buurten is vanaf dat bedrag de overstap naar duurzame warmte voor minimaal 70% van de woningen betaalbaar. Dit is bij €6.000 voor woningen die op een warmtepomp gaan en €18.000 voor woningen die op een warmtenet gaan. Dit resulteert in 216 buurten waarbij de betaalbaarheid bij het toepassen van deze subsidies te overbruggen is. In onderstaand overzicht is dit per warmteoplossing aangegeven. BASIS
EXTRA
Totaal buurten
Individuele elektrische warmtepomp (eWP)
15
44
118
Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbronnen
0
134
239
Combinatie (Z)LT-warmtenet & eWP
3
15
108
Hybride warmtepomp met klimaatneutraal gas
0
23
45
Buurten betaalbaar
18
216
510
Aantal buurten betaalbaar per warmteoplossing. Met onderscheid in het basisscenario (BASIS) en scenario met extra inzet van middelen (EXTRA)
14
5.4 Eerste beeld fasering Deze buurten zijn vervolgens getoetst op de andere randvoorwaarden (netcongestie, thermische broncapaciteit en geen grote werkzaamheden in de openbare ruimte in de afgelopen 10 jaar). Uiteindelijk resulteert dit in onderstaand overzicht: Warmteprogramma (komende 10 jaar)
Lange termijn
Laatste deel van de transitie
BASIS
EXTRA
BASIS
EXTRA
BASIS
EXTRA
All electric Warmtepomp
5
6
109
108
4
4
MT warmtenet
-
58
221
163
18
18
Combi LT warmtenet & eWP
-
-
99
99
9
9
hWP met Kl.neutr. gas
-
-
34
34
11
11
Totaal
5
64
463
404
42
42
Aantal buurten per warmteoplossing en fase. Met onderscheid in het basisscenario (BASIS) en scenario met extra inzet van middelen (EXTRA)
In het scenario EXTRA worden 64 buurten betaalbaar en uitvoerbaar, met in totaal 82.000 WEQ. Als de hypothetische subsidies voor deze woningen worden opgeteld dan komt het totaal uit op zo’n €1 miljard die nodig is tot en met 2035. Als dit gelijkmatig wordt verdeeld over de jaren is er voor de komende vier jaar zo’n €400 miljoen extra middelen nodig In beide scenario’s komt het zwaartepunt op de fase na 2035 te liggen. De oorzaken hiervan lijken de volgende: • Collectieve warmteoplossingen vragen om aanvullende middelen om de betaalbaarheid op orde te brengen. • Vanwege netcongestie zijn all-electric oplossingen de komende jaren beperkt mogelijk. • Hetzelfde geldt voor hybride warmtepompen op klimaatneutraal gas, vanwege de zeer beperkte beschikbaarheid van groen gas en waterstof voor de gebouwde omgeving. Hybride warmtepompen op aardgas zou wel mogelijk zijn als transitiemaatregel om betaalbare CO2-reductie te realiseren. Daar wordt voor de korte termijn, waar mogelijk, dan ook op ingezet.
15
6 Afronding fase 2: De uitvoeringstoets Op basis van de eerste bevindingen ontstond zowel bij de expertgroep als binnen de gemeente zelf de behoefte om de resultaten verder te laden met praktijkervaringen en inzichten ten aanzien van de uitvoerbaarheid. Om fase 2 af te ronden willen we de uitkomsten toetsen aan de praktijk door haalbaarheid, draagvlak en uitvoeringscapaciteit mee te nemen. Zo kan de planning of techniekkeuze per buurt worden aangepast, bijvoorbeeld vanwege bronbeschikbaarheid, ruimte in de ondergrond, benodigde schaalgrootte of bestaande projecten en afspraken. De uitvoeringstoets vindt plaats in het najaar van 2025. In deze periode onderzoeken we technisch en ruimtelijk of de voorgestelde warmtetechnieken haalbaar zijn. Daarbij betrekken we externe partners, zoals netbeheerders, woningcorporaties en projectontwikkelaars, en brengen we aandachtspunten in beeld. De toets kan bijvoorbeeld uitwijzen dat een aansluiting op een bestaand warmtenet eerder kan plaatsvinden dan gepland, wat aanleiding kan zijn om de fasering aan te passen. Ook kan blijken dat de beschikbare ruimte in de straat onvoldoende is voor de aanleg van een warmtenet, of dat er al projecten lopen die inzetten op een andere techniek. In zulke gevallen wordt de warmtetechniek bijgesteld.
Op basis van deze inzichten worden de keuzes en de fasering per buurt waar nodig aangepast voordat het warmteprogramma definitief wordt vastgesteld. Hierna komen we tot een wat- en wanneerkaart waarin per buurt de preferente techniek zichtbaar wordt en of in de periode 2026-2035 de warmtetransitie zal starten.
7 Fase 3: De uitvoeringsstrategie De uitvoeringsstrategie is een verzameling van producten die gezamenlijk de randvoorwaarden scheppen voor de uitvoering van het warmteprogramma. In de uitvoeringsstrategie zijn 2 onderdelen opgenomen: • Verplichte onderdelen van het warmteprogramma. Die worden aangeduid met ‘WP’ • Onderdelen die horen bij de Uitvoeringsstrategie van de gehele warmtetransitie van Amsterdam Er is gekozen om dit samen te voegen omdat op deze wijze de participatie plaatsvindt op de warmtetransitie in zijn geheel. In fase 3 bepalen we welke onderdelen van deze uitvoeringsstrategie integraal opgenomen gaan worden in het warmteprogramma en welke onderdelen in andere beleidsproducten zullen landen. Stakeholders en inwoners worden zo integraal meegenomen in de wijze waarop de warmtetransitie gaat worden uitgevoerd én we voldoen hiermee aan de vereisten voor het warmteprogramma. Beleid aanwijsbevoegdheid WGIW (WP): De randvoorwaarden voor inzetten afsluitbevoegdheid zijn onderdeel van het warmteprogramma. Om daadwerkelijk gebruik te maken van de bevoegdheid is verdere uitwerking nodig. Betaalbaarheid (WP): Eerste analyse betaalbaarheid is onderdeel van het warmteprogramma.
Beleid en instrumenten om betaalbaarheid voor verschillende groepen te organiseren (subsidies, leningen, etc) Inzicht in hoe de transitie gefinancierd kan worden: beschikbare subsidies, fondsen, cofinanciering etc.
16
Draaiboeken (WP): We ontwikkelen zes draaiboeken voor verschillende buurttypes en warmtetechnieken. Ze beschrijven alle acties die interne én externe stakeholders in samenhang nemen om van het warmteprogramma te komen tot het in gebruik nemen de warmteoplossingen. Participatievisie (WP): In de participatievisie wordt omschreven op welke wijze bewoners en andere stakeholders betrokken worden bij de uitvoering van de warmtetransitie in hun buurt. Bronnenstrategie en beleid bodemenergie: Het doel is een robuust en toekomstbestendig systeem van warmtebronnen. Het beschrijft de beschikbare warmtebronnen, nu en in de toekomst. En wat er nodig is om deze bronnen te gebruiken en uit te breiden. Inzicht in keuzes, risico’s en terugvalopties. Kavelstrategie: De kavelstrategie beschrijft het proces voor het verdelen van kavels voor collectieve warmteoplossingen. Er wordt onderzocht hoeveel en hoe groot de kavels moeten worden. Eerste stap is het formuleren van uitgangspunten om in gesprek te kunnen gaan met stakeholders. Ruimtelijke planvorming warmtesystemen: Dit product beschrijft hoe de benodigde ruimte voor warmte-infrastructuur kan worden geborgd, zowel procesmatig als juridisch. Het omvat een afwegingskader voor ruimtelijke claims en instrumenten om deze claims te onderbouwen.
Doenvermogen: Doenvermogen gaat over wat bewoners nodig hebben om de overstap naar duurzame warmte te kunnen maken en hoe de gemeente daarbij kan ondersteunen. Het is geen wettelijke eis, maar wel belangrijk voor draagvlak en te zorgen dat iedereen mee kan doen.
8 Participatie Het participatietraject is net als het warmteprogramma opgeknipt in drie fasen: • In fase 1 stelden we samen met bewoners en stakeholders de uitgangspunten vast voor de warmtetransitie: de overgang van aardgas naar duurzame alternatieven voor verwarming en koken. • In fase 2 hebben we samen met een expertgroep een analyse uitgevoerd naar verschillende warmtestrategieën. Daarnaast begonnen we met het opstellen van een milieueffectrapportage (plan-MER) om de impact van de keuzes op mens, natuur en leefomgeving te analyseren. Bewoners en stakeholders konden hierin participeren door een reactie te geven op de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), waarin staat wat er in het plan-MER onderzocht wordt. • We zijn nu aanbeland bij de 3e en laatste fase: samen met bewoners en stakeholders bereiden we de uitvoering van de warmtetransitie voor, op een manier die technisch haalbaar, sociaal acceptabel en financieel draagbaar is. Deze fase loopt van het laatste kwartaal van 2025 tot en met eind 2026. Bewonersadviesgroep en expertgroep We richten in de derde fase onder andere een bewonersadviesgroep in. Bewoners kennen hun buurt en hun woning immers als geen ander. Hun kennis helpt ons om te bepalen hoe plannen en maatregelen het beste kunnen worden uitgevoerd in de praktijk.
Deze bewonersadviesgroep bestaat uit particuliere huurders, huurders van woningcorporaties, eigenaren van grondgebonden 17
woningen en woningeigenaren die lid zijn van een VvE en vormt zoveel mogelijk een afspiegeling van de stad. De groep komt samen tot aan de vaststelling van het warmteprogramma en kan afwisselend advies geven of reageren. In het participatieplan voor fase 3 van het warmteprogramma staat nader toegelicht over welke (andere) onderdelen we participeren en hoe we dit gaan doen. Naast bewoners betrekken we ook andere stakeholders. Hiervoor hebben we in fase 2 een expertgroep opgericht met vertegenwoordigers van onder meer woningcorporaties, netbeheerders, energiebedrijven en belangenorganisaties (zie de voetnoot eerder in deze notitie voor een complete opsomming). Deze groep komt ook in fase 3 bijeen en wordt gevraagd om technische, juridische en maatschappelijke expertise in te brengen. De samenstelling is gericht op continuïteit en een brede dekking van kennisvelden. De bijeenkomsten worden geleid door een onafhankelijke voorzitter en de gemeente bepaalt hoe het advies wordt verwerkt in het warmteprogramma. Eén van de onderdelen waarop we advies vragen aan bewoners en experts is de inzet van de aanwijsbevoegdheid. We begrijpen dat dit gevoelig ligt. Hoe we dit als gemeente doen, werken we de komende periode uit in beleid. We vragen hierbij de bewonersadviesgroep advies over welke randvoorwaarden er zouden moeten zijn bij de inzet van die bevoegdheid.
Informeren Amsterdammers en inspraak Het gaat hier om informatie die bijna alle Amsterdammers aangaat, als bewoner, als woningeigenaar of als ondernemer. Daarom maken we een publieksversie van het warmteprogramma om de plannen begrijpelijk en toegankelijk te maken. Het warmteprogramma bevat complexe informatie over de warmtetransitie, zoals technische keuzes en uitvoeringsstrategieën. Een publieksversie vertaalt deze informatie naar heldere taal, zodat bewoners en andere betrokkenen goed geïnformeerd zijn over wat de plannen betekenen voor hun buurt en woning. Na het opleveren van het plan-MER en het warmteprogramma kunnen bewoners en stakeholders medio 2026 gedurende een periode van 6 weken een zienswijze indienen. Het plan-MER en het warmteprogramma zullen dan online zijn in te zien, onder andere via denkmee.amsterdam/warmteprogramma.
9 Inzet Wgiw (de aanwijsbevoegdheid) Alleen in buurten die opgenomen zijn in het warmteprogramma kan een gemeente via het omgevingsplan zijn aanwijsbevoegdheid inzetten die is vastgelegd in de Wgiw: de bevoegdheid om buurten van het gas af te sluiten. Om deze bevoegdheid te kunnen inzetten, moeten de randvoorwaarden op orde zijn. Met de aanwijsbevoegdheid kunnen gemeenten vanuit hun regierol gebieden aanwijzen die binnen een bepaalde termijn aardgasvrij moeten worden en overgaan op een duurzame warmtevoorziening. Door per gebied of buurt aan de slag te gaan, kunnen gemeenten samen met bewoners, gebouweigenaren en partners een zorgvuldig proces doorlopen. Een gemeente mag een buurt aanwijzen wanneer de betaalbaarheid voor 70% van de woningen is geborgd. Voor de uitwerking van betaalbaarheid in de Amsterdamse context is ervoor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de definities uit het Bgiw. Zo blijft het mogelijk om de buurten die in het 18
warmteprogramma zijn opgenomen, in een volgende fase van het gas af te sluiten. Volgens de wet mogen alleen buurten worden aangewezen in het omgevingsplan voor afsluiting van gas, als deze zijn opgenomen in het warmteprogramma. Het college is bevoegd om te besluiten over het warmteprogramma, de raad is bevoegd om te besluiten over het omgevingsplan. De afsluitbevoegdheid is belangrijk voor het slagen van de warmtetransitie. Voor de gemeente is de inzet hiervan afhankelijk van meerdere factoren. Betaalbaarheid is een randvoorwaarde voor het inzetten van deze bevoegdheid. Hiernaast zal er gekeken worden naar het doenvermogen, kwetsbare bewoners, utiliteit en andere zaken. Dit wordt in een latere fase verder uitgewerkt, onder andere door in gesprek te gaan met een bewonersadviesgroep over de randvoorwaarden over de inzet van de afsluitbevoegdheid (zie vorige paragraaf). De afsluitbevoegdheid is een ingrijpende bevoegdheid waarmee er iets gaat veranderen voor inwoners en gebouweigenaren. Inzet hiervan vergt een zorgvuldige aanpak en draagvlak in de betreffende buurt. Tegelijkertijd biedt deze bevoegdheid de gemeente de mogelijkheid om de doelstelling van een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050 concreet te maken. Het is belangrijk te onderkennen dat deze bevoegdheid vragen en zorgen kan oproepen bij bewoners en gebouweigenaren.
Thema’s zoals keuzevrijheid, betaalbaarheid, leveringszekerheid en de beschikbaarheid van volwaardige alternatieven spelen hierbij een grote rol. Heldere communicatie, transparante besluitvorming en vroegtijdige participatie zijn cruciaal om draagvlak te behouden en recht te doen aan het belang van burgers. De Wgiw stelt dan ook expliciet voorwaarden aan het gebruik van de afsluitbevoegdheid: afsluiting kan pas plaatsvinden als een betrouwbaar en betaalbaar alternatief beschikbaar is en de leveringszekerheid is gegarandeerd. Daarbij is samenwerking met netbeheerders, warmtebedrijven, woningcorporaties en andere lokale partners essentieel. We maken een zorgvuldige afweging tussen tempo en rechtvaardigheid, waarbij oog is voor kwetsbare groepen, lokale verschillen in woningtypologie en de fasering van infrastructuurinvesteringen. De afsluitbevoegdheid is daarmee meer dan een juridisch instrument: het is een bestuurlijk en maatschappelijke instrument om de warmtetransitie rechtvaardig, betaalbaar en uitvoerbaar te maken. In de vervolgstappen van het warmteprogramma werken we het beleid ten aanzien van de inzet van dit instrument verder uit. Het inzetten van de afsluitbevoegdheid kan aanzienlijke maatschappelijke kosten voorkomen.
Wanneer slechts een beperkt aantal aansluitingen op gas in stand moet blijven in een verder aardgasvrije buurt, leidt dit tot hoge onderhouds- en beheerkosten voor de netbeheerder en daarmee indirect voor de samenleving als geheel. Daarnaast is het voor de businesscase van publieke of collectieve warmtenetten essentieel dat een groot deel van de gebouweigenaren aansluit. Een restgroep die op aardgas blijft, kan de financiële haalbaarheid en betaalbaarheid van het collectieve alternatief onder druk zetten. Daarmee is de afsluitbevoegdheid niet alleen een instrument om klimaatdoelen te behalen, maar ook om de economische uitvoerbaarheid en rechtvaardigheid binnen de warmtetransitie te waarborgen.
19