CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Advies expertgroep Energie en Natuur Amsterdam defintief - 5 april 2022.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 19 mei 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de adviezen van de expertgroepen gezondheid en natuur, onderdeel van de reflectiefase van de Regionale Energiestrategie (RES) over windenergie. (VN2022-010685)7.323 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies Expertgroep Windturbines en Natuur a.

Expertgroep Windturbines en Natuur Advies over de wijze waarop effecten op natuur en (beschermd) landschap te betrekken bij besluitvorming over nieuwe windturbines in Amsterdam

5 april 2022

Advies Expertgroep Windturbines en Natuur Advies over de wijze waarop effecten op natuur en (beschermd) landschap te betrekken bij besluitvorming over nieuwe windturbines in Amsterdam.

Expertgroep Windturbines en Natuur: Ralph Kohlmann (Voorzitter) Ruud Foppen (SOVON) Roland van der Vliet (Bureau Waardenburg) Berto van Dam (Tauw / gemeente Amsterdam) Yolande Koot (Provincie Noord-Holland) Yente Bregman (Secretaris) 5 april 2022

1

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

3

2.

Kaders en proces

6

2.1

RES 1.0 en vervolgproces

6

2.2

Wetgeving en beleidskaders

7

3.

4.

5.

Aandachtspunten natuur en landschap

9

3.1

Locaties

9

3.2

Aandachtspunten natuur en landschap

10

Criteria voor beoordeling effecten natuur en landschap

12

4.1

Inleiding

12

4.2

Toetsingscriteria en normering

12

Specifieke aandachtspunten

16

5.1

Inleiding

16

5.2

Ondersteuning voornemen om PlanMER op te stellen

16

5.3

Cumulatie van effecten in beeld brengen

16

5.4

Mogelijkheden voor het mitigeren van effecten

17

5.5

Is er sprake van reële alternatieven en een groot openbaar belang?

17

5.6

Kunnen effecten worden gecompenseerd?

18

5.7

Monitoring

19

2

1. Inleiding Context en voorgeschiedenis Energieregio Noord-Holland zuid heeft in de Regionale Energiestrategie de ambitie opgenomen om in 2030 2.7 TWh duurzame energie op te wekken via zon- en windenergie. Hiervoor zijn 32 zoekgebieden vastgelegd in de energieregio Noord-Holland Zuid. In deze zoekgebieden wordt nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor het opwekken van elektriciteit door zonne- en windenergie. Gemeente Amsterdam is een deelregio van energieregio Noord-Holland Zuid. De gemeente Amsterdam heeft de ambitie om voor 2030 ten minste 127 MW vermogen aan windenergie te realiseren binnen de stadsgrenzen van Amsterdam (waarvan op dit moment al 75 MW is gerealiseerd). Het gaat om circa 17 extra windturbines van 3 MW per stuk maar dit kunnen er ook meer zijn van bijvoorbeeld 2 MW of minder van 5,6 MW per stuk. In de RES 1.0 zijn hiervoor voorkeursgebieden aangewezen. Het afgelopen jaar is in Amsterdam een levendige discussie ontstaan over de energietransitie en de negatieve kanten van windenergie op land. Er zijn o.a. veel zorgen geuit over mogelijke effecten op de natuur en het landschap. Er is namelijk niet alleen sprake van een energiecrisis maar ook van een biodiversiteitscrisis.

De natuurkwaliteit en biodiversiteit staat overal onder druk en gaat achteruit, zoals recentelijk opnieuw aangetoond in het RLI-advies “Natuurinclusief Nederland.1 De uitdaging voor de nabije toekomst is daarmee om een oplossing te vinden voor het duurzame energie-vraagstuk zonder dat dit ten koste gaat van de biodiversiteit en leefbaarheid in ons land. Nu de RES 1.0 voor energieregio Noord-Holland zuid (per mei 2021) is vastgesteld, heeft Amsterdam een “reflectiefase” ingelast, waarin versterkt aandacht is voor input en zorgen van belanghebbenden. De reflectiefase bestaat uit verschillende activiteiten: een online raadpleging, een onderzoek naar de leefomgeving, adviezen van expertgroepen Windturbines en Natuur en expertgroep gezondheidseffecten windturbines en meerdere klankbordgroepen. Dit document bevat het advies van de expertgroep Windturbines en Natuur.

Figuur 1 – Onderdelen reflectiefase

1

Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, Natuurinclusief Nederland, 23 maart 2022. 3

Advies expertgroep Windturbines en Natuur De expertgroep Windturbines en Natuur is tot stand gekomen op initiatief van de gemeente Amsterdam, maar heeft een onafhankelijke positie. De gemeente vraagt aan de expertgroep Windturbines en Natuur een advies, vastgelegd in een openbare notitie, over de effecten op natuur en (beschermd) landschap die betrokken moeten worden bij de afweging / het besluit over plaatsing van windturbines: •

Welke mogelijke effecten en indicatoren, welke diepgang en detailniveau?

•

Hoe werkt de wet- en regelgeving door?

•

Hoe te monitoren?

Doel van het advies is om te schetsen hoe de zorgen en aandachtspunten op het gebied van (beschermde) natuurwaarden en beschermd landschap op een goede manier kunnen worden geborgd in het vervolgproces van uitwerking, afweging en besluitvorming. Een belangrijke stap in dat vervolgproces is het in kaart brengen van de effecten in milieueffectrapportages. Dat gebeurt voor de meeste individuele windparken (in een zogenaamd project-MER), maar inmiddels heeft het gemeentebestuur ook aangekondigd een plan-MER op te stellen waarin de effecten van windturbines in de verschillende zoekgebieden in samenhang in kaart worden gebracht. De expertgroep beschouwt dit advies als een belangrijke bouwsteen voor de notities Reikwijdte en Detailniveau (NRD) die worden opgesteld als basis voor uitwerking van zowel de plan-MER als de project-MER’en. Scope en reikwijdte van het advies De expertgroep heeft gekozen voor een gericht advies dat nauw aansluit bij de vraag vanuit de gemeente Amsterdam. Hoewel de experts de zorgen van bewoners en belangenorganisaties (zie onderstaand kader) over de achteruitgang van natuur en biodiversiteit in algemene zin onderschrijven, beschouwen zij hun rol in dit traject primair als deskundigen op het gebied van beleid en regelgeving voor natuur en landschap.

Kernvraag voor het advies is dan ook op welke wijze de Amsterdamse ambities voor windenergie op een goede en zorgvuldige manier gecombineerd kunnen worden met de vigerende wet- en regelgeving en beleid op het gebied van natuur en landschap. Daarnaast kunnen er aanvullende (deels bovenwettelijke) randvoorwaarden in het Amsterdamse afwegingskader worden benoemd. Op enkele onderdelen adviseren de experts aanvullingen op de wettelijke randvoorwaarden. Hiervoor verwijzen we bovendien naar de adviezen van de klankbordgroep (zie kader).

Samenhang met Klankbordgroep Natuur Parallel aan de expertgroep werkte ook een klankbordgroep van natuur- en bewonersorganisaties aan een advies over natuur en landschap. In een gezamenlijke bijeenkomst van de expert- en klankbordgroep op 21 maart 2022 zijn beide conceptadviezen gezamenlijk besproken. De klankbordgroep wees tijdens de bijeenkomst op de grote urgentie van de afname van de natuurkwaliteit en biodiversiteit. Daarnaast werd geconstateerd dat de scope van het advies van de klankbordgroep ruimer is dan die van de expertgroep: zij doet een voorstel voor randvoorwaarden met betrekking tot natuur en landschap, maar ook met betrekking tot recreatie en ketenbeheer. Het advies van de klankbordgroep is te vinden via de website van de gemeente Amsterdam.

4

Samenstelling expertgroep De expertgroep Windturbines en Natuur heeft de volgende samenstelling: •

Berto van Dam, vertegenwoordiger gemeente Amsterdam als stadsecoloog (via TAUW)

•

Roland van der Vliet, voorgedragen door Amsterdam Energie, werkzaam bij Bureau Waardenburg

•

Ruud Foppen, voorgedragen door Windalarm, werkzaam bij Sovon vogelonderzoek en Radboud Universiteit

•

Annemieke Bergsma – Eijsackers, vertegenwoordiger provincie Noord-Holland, strategisch beleidsadviseur landschap voor de provincie Noord-Holland, gedurende het proces vervangen door Rachel van Weissenbruch en uiteindelijk Yolande Koot

Ralph Kohlmann, adviseur bij Berenschot, is onafhankelijk voorzitter van de expertgroep en penvoerder van het advies. De expertgroep wordt ondersteund door Yente Bregman, secretaris.

5

2. Kaders en proces 2.1 RES 1.0 en vervolgproces In mei 2021 is door de gemeenteraad van Amsterdam de Regionale Energie Strategie 1.0 voor Energieregio Noord-Holland zuid vastgesteld. De totale ambitie voor de gehele energieregio is om 2,7 TWh zonne- en windenergie te realiseren. Om deze doelstelling te bereiken zijn in totaal 32 zoekgebieden aangewezen voor het grootschalig opwekken van zonne- en windenergie. Als onderdeel van deze ambitie heeft de gemeenteraad van Amsterdam vastgesteld een substantiële bijdrage te willen leveren door in 2030 minstens 127 MW wil realiseren door windenergie en 550 MW door zonnepanelen op de helft van alle geschikte daken. Voor de windturbines is een aantal voorkeursgebieden geselecteerd (zie hoofdstuk 3). Deze voorkeursgebieden worden op dit moment nader onderzocht.2 Na afronding van de reflectiefase en de plan-MER kunnen initiatiefnemers kenbaar maken dat zij voornemens zijn om een vergunning aan te vragen voor plaatsing en exploitatie van één of meer windturbines. Daarbij worden de volgende stappen doorlopen: Stap 1

Initiatiefnemer dient een verzoek tot medewerking in bij een bevoegd orgaan. Bij initiatieven onder 5 MW is de gemeente bevoegd gezag, bij 5-100 MW is dat de provincie en bij meer dan 100 MW is het Rijk het bevoegd gezag.

Stap 2

De initiatiefnemer maakt een projectplan waarin het aantal, type, de locatie en configuratie windturbines van het werkterrein wordt beschreven. Daarnaast vraagt gemeente Amsterdam aan de initiatiefnemer om een participatieplan op te stellen.

Stap 3

Kennisgeving van een m.e.r.-plichtig project door het bevoegd gezag.

Stap 4

Bevoegd gezag raadpleegt adviseurs en andere bestuursorganen over de reikwijdte en detailniveau van het op te stellen milieueffectrapport (MER).

Stap 5

In geval van een besluit adviseert het bevoegd gezag de initiatiefnemer over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER.

Stap 6

Er wordt een milieueffectrapport (MER) gemaakt waarin de milieueffecten van het project in beeld worden gebracht.3

Stap 7

Kennisgeving van het MER en de mogelijkheid tot het inleveren van zienswijzen. Commissie m.e.r. geeft advies.

Stap 8

Het plan of besluit wordt vastgesteld door het bevoegd orgaan. Motivering, bekendmaking en mededeling omtrent de vergunning komt openbaar.

Stap 9

Mogelijkheid tot bezwaar en beroep volgt uit de Wro (bestemmingsplan) of Wabo (omgevingsvergunning).

Stap 10

Indien het project voldoet aan de wettelijke normen en regels, dan krijgt het project alle benodigde vergunningen en/of ontheffingen. Zodra deze onherroepelijk zijn kan de bouw van het project beginnen.

Het overstappen naar duurzame energie kost tijd. De RES is daarom een meerjarig traject. Iedere twee jaar wordt de RES geactualiseerd. De komende twee jaar worden de voorkeursgebieden voor windenergie verder onderzocht en uitgewerkt naar specifieke opweklocaties en vervolgens naar concrete energieprojecten. In dat proces kunnen Het Noorder IJplas en het Cornelis Douwes terrein zijn ook opgenomen in de RES, maar deze gebieden zijn al in een volgende fase; deze locaties zitten al in een MER-traject. 3 Er geldt altijd een m.e.r.-plicht voor windturbineparken met meer dan 20 windturbines. In gemeente Amsterdam is afgesproken dat voor elk windturbineproject (dus ook voor kleinere windparken) een project-MER wordt opgesteld. Bovendien geldt voor alle (bestemmings)plannen en structuurvisies die windturbineparken mogelijk maken de plicht om een plan-MER op te stellen. 2

6

zoekgebieden afvallen of worden aangepast. Nieuwe zoekgebieden voor zonne- en windenergie kunnen in de RES 2.0 en daarna in de Omgevingsverordening Noord-Holland worden toegevoegd.

2.2 Wetgeving en beleidskaders De wettelijke kaders om natuurgebieden en soorten te beschermen, komen voor uit natuurwetgeving, structuurvisies en het ruimtelijk ordeningsrecht. De kaders voor deze gebieden geven aan dat projecten alleen doorgang mogen hebben als er geen nadelige gevolgen zijn voor het beschermde natuurgebied of de staat van instandhouding van beschermde soorten. Hierna volgt een beknopte opsomming van de wettelijke en beleidskaders die van toepassing zijn op het exploiteren van een windturbine en de effecten op natuur en landschap. In hoofdstuk 4 wordt hier meer in detail op ingezoomd. Wet natuurbescherming •

De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn belangrijke instrumenten van de Europese Unie om de Europese natuur te beschermen. De Europese richtlijnen schrijven voor dat alle Europese landen deze omzetten naar nationale wetgeving. In Nederland is dat de Wnb. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en bescherming van houtopstanden.

•

Als een project of ruimtelijke ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op de in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermde natuur en soorten, is toestemming op grond van de Wnb nodig. Een integraal onderdeel van de Wnb is de nationale wetgeving die de bescherming van ‘overige soorten’ regelt. Tenslotte heeft de provincie Noord-Holland een aanvulling op het nationale beschermingsregime opgenomen in de Regeling Natuurbescherming. Zo zijn aanvullend de bunzing, hermelijn en wezel beschermd.

•

Natura 2000-gebieden kennen een beschermingsregime met een externe werking. Dit betekent dat naast windturbines binnen deze gebieden, ook windturbines buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de natuurlijke waarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen.

Natuurnetwerk Nederland •

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van op elkaar aangesloten natuurgebieden in ons land. Hiervoor geldt dat de vastgelegde wezenlijke kenmerken en waarden niet aangetast mogen worden. Bovendien mag de oppervlakte en de onderlinge samenhang van de NNN-gebieden niet verminderen.

•

Plannen in deze gebieden moeten voldoen aan regels van de geldende provinciale omgevingsverordening, waarin de wezenlijke kenmerken en waarden zijn uitgewerkt.

•

Een gemeente moet, vanuit een goede ruimtelijke ordening, ook de effecten van plannen buiten het werkingsgebied op het NNN beoordelen.

Bijzonder provinciaal landschap •

Noord-Holland kent 32 bijzondere provinciale landschappen (BPL). Vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde worden deze landschappen beschermd. De vastgelegde kernkwaliteiten van deze landschappen mogen in principe niet worden aangetast.

•

Er moet voldaan worden aan de regels van de geldende provinciale omgevingsverordening en er dient rekening gehouden te worden met de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

•

Een gemeente moet ook voor de BPL gebieden de effecten van plannen buiten het werkingsgebied op het BPL beoordelen.

UNESCO werelderfgoed •

Bij plannen moet er worden gekeken of deze binnen of buiten het werkingsgebied werelderfgoederen vallen. De provinciale verordening ziet alleen op plannen binnen het werkingsgebied. Een gemeente moet, vanuit

7

een goede ruimtelijke ordening, ook de effecten van plannen buiten het werkingsgebied op het werelderfgoed beoordelen. •

Bij plannen binnen het werkingsgebied moet worden aangetoond dat de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet worden aangetast. Het afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies geeft aan waar ruimte is voor energiewinning zonder een negatief effect op de kernkwaliteiten van het werelderfgoed en waar energiewinning niet verenigbaar is met de Werelderfgoedwaarden.

Gemeentelijk groenbeleid •

De Hoofdgroenstructuur beschrijft de minimaal benodigde hoeveelheid groen die de gemeente wil behouden ten behoeve van biodiversiteit, milieu en leefbaarheid. In de Hoofdgroenstructuur zijn de gebieden opgenomen waar de functies groen en groene recreatie voorop staan. Verwacht wordt dat de gemeenteraad de nieuwe Hoofdgroenstructuur medio 2022 vaststelt. Tot die tijd gelden de beleidsregels voor de Hoofdgroenstructuur uit de Structuurvisie 2040.

8

3. Aandachtspunten natuur en landschap 3.1 Locaties De energieregio Noord-Holland zuid is onderverdeeld in zes deelregio’s. Binnen of direct grenzend aan deelregio Amsterdam vallen de volgende zoekgebieden (de cijfers corresponderen met de nummers in figuur 2): Omgeving

Zoekgebieden4

Oost/Diemen

•

Sciencepark (1)

•

Diemerscheg (2)

•

Waternetlocatie Weesperkarspel/Gein (3)

•

Diemen A t/m G (gemeente Diemen) (4)

•

Knooppunt Holendrecht (5)

•

A2/A9 Ouderkerkerplas (gemeente Ouder-Amstel) (6)

Noord / IJburg

•

Ring A10 Noord (7)

IJburg

•

Strand/Buiten-eiland (8)

Havens

•

Noorder IJplas (9)

•

Cornelis Douwes terrein (10)

•

Havengebied (11)

•

Haven Zuid (12)

Zuidoost

Figuur 2 - Windzoekgebieden binnen of direct grenzend aan gemeente Amsterdam5

Binnen de voorkeursgebieden (groen op de kaart) wil de gemeente Amsterdam samen met initiatiefnemers, bewoners en andere belanghebbenden starten met het maken van plannen om (eventuele) windturbines neer te zetten. Als het niet lukt om in deze gebieden het benodigde aantal windturbines te plaatsen dan zal er worden gekeken in de gele reservezoekgebieden. Die komen pas in beeld als het niet lukt om in de voorkeursgebieden het benodigde aantal windturbines te plaatsen. De extra reservegebieden (rood) komen pas in beeld als er in de bovenstaande gebieden niet genoeg elektriciteit kan worden opgewerkt. De reservezoekgebieden en de extra reservegebieden blijven in dit hoofdstuk buiten beschouwing, omdat op dit moment alleen in de voorkeursgebieden wordt verkend of het plaatsen van windturbines mogelijk is. De (extra) reserve zoekgebieden hebben juridisch geen status in de nog vast te stellen partiele herziening Omgevingsverordening NH 2020; dat is pas aan de orde nadat ze in de RES 2.0 of later als zoekgebied worden opgenomen. De voorkeursgebieden verschillen sterk in omvang, omgeving en status. In of bij sommige gebieden staan al winturbines, en voor enkele locaties is al een initiatiefnemer bekend. Andere gebieden zijn meer prematuur, bieden in theorie potentie, maar moeten nog de nodige stappen doorlopen voordat eventueel sprake is van concreet plan.

De tabel bevat de zoekgebieden binnen de gemeente Amsterdam en (cursief gedrukt) de zoekgebieden direct grenzend aan Amsterdam in Diemen en Ouder-Amstel. Deze aangrenzende zoekgebieden worden bij dit advies betrokken omdat de zoekgebieden in samenhang bekeken moeten worden. 5 De benamingen en nummering van zoekgebieden zijn in diverse onderliggende documenten wisselend. In deze kaart volgen we de indeling zoals opgenomen in de RES Amsterdam. Bron: Kaart windzoekgebieden, gemeente Amsterdam. 23 februari 2022. 4

9

3.2 Aandachtspunten natuur en landschap Zowel provincie Noord-Holland (Addendum Plan-mer Wind op land6) als gemeente Amsterdam (Verkenning wetgeving en beleid voor natuur en landschap, TAUW) hebben op hoofdlijnen onderzocht welke potentiële effecten op natuur en landschap er zijn wanneer binnen de zoekgebieden windturbines worden ontwikkeld. Voor een gedetailleerde beschrijving verwijzen we naar deze documenten. Hieronder beschrijven we de op voorhand belangrijkste risico’s en aandachtspunten die uit deze verkenningen naar voren komen. De experts benadrukken dat de concrete locaties voor windturbines nog niet bekend zijn en er op dit moment daardoor nog veel informatie ontbreekt. Daardoor zijn de risico’s en aandachtspunten uit de verkenning en uit het addendum planMER indicatief. Nadere toetsing aan alle beschermingsregimes is nodig. Voor alle zoekgebieden geldt: •

In het kader van soortenbescherming moet in het veld worden beoordeeld of er daadwerkelijk geschikt habitat voor beschermde soorten aanwezig is. Indien nodig moet nader (veld)onderzoek worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van soorten vast te stellen. Nader onderzoek naar (vliegbewegingen van) vogels en vleermuizen is ook nodig om aanvaringsrisico’s te bepalen om zo, na toetsing, te bepalen voor welke soorten een ontheffing in het kader van de soortenbescherming moet worden aangevraagd, of mitigerende maatregelen nodig en mogelijk zijn of dat plaatsing van windturbines als onwenselijk moet worden beschouwd.

•

De zoekgebieden liggen in de nabijheid van Natura 2000-gebieden. Daar kunnen (met name) beschermde vogel- en habitatsoorten met een instandhoudingsdoelstelling voorkomen die negatieve effecten kunnen ondervinden, bijvoorbeeld via externe werking. Aantasting van leefgebied en/of aanvaringslachtoffers zijn op voorhand niet uitgesloten. In een natuurtoets moet worden bepaald of significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Zo ja, dan is een passende beoordeling niet nodig. Zo niet, dan is een passende beoordeling nodig, waarbij wordt gekeken in hoeverre kwalificerende soorten in omliggende Natura 2000gebieden binding hebben met een zoekgebied en welke effecten te verwachten zijn die afbreuk doen aan de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

Specifieke aandachtspunten zoekgebieden Oost/Diemen •

In het zoekgebied Diemen is fort Diemerdam onderdeel van UNESCO werelderfgoed. Bescherming van de landschappelijke waarde van deze locatie is een belangrijk aandachtspunt.

•

Het zoekgebied Diemen maakt voor een deel onderdeel uit van BPL (Vechtstreek Noord), met als één van de kernkwaliteiten weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk maken op de door de provincie gewenste planologische bescherming van weidevogelgebieden, bijvoorbeeld omdat leefgebied ongeschikt wordt door bijvoorbeeld verstoring tijdens de aanleg- en gebruiksfase.

•

Zoekgebied Waternet locatie Weesperkarspel/Gein heeft geen specifieke aandachtspunten.

•

Zoekgebieden Diemen A t/m G overlappen met NNN. Wanneer hier windturbines worden ontwikkeld, is sprake van een compensatieopgave van het beheertype dat fysiek of kwalitatief wordt aangetast. Nadere toetsing is nodig.

Specifieke aandachtspunten zoekgebieden Zuidoost •

Het zoekgebied Ouderkerkerplas maakt deel uit van BPL (Amstelscheg), met weidevogels als één van de kernkwaliteiten (naast de Noordse woelmuis). Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen

Dit betreft een Addendum bij het planMER Herstructureringsbeleid Wind op Land uit 2014. Het Addendum heeft tot doel de milieugevolgen van de aanpassing van het windbeleid zoals opgenomen in de doorontwikkeling Wind op Land en in de 1e concept partiële herziening van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 (OVNH2020) inzichtelijk te maken. 6

10

inbreuk maken op de door de provincie gewenste planologische bescherming van weidevogelgebieden, bijvoorbeeld omdat leefgebied ongeschikt wordt door bijvoorbeeld verstoring in de aanleg- en gebruiksfase. •

Zoekgebieden Knooppunt Holendrecht en Ouderkerkerplas hebben overlap met NNN. Wanneer hier windturbines worden ontwikkeld is sprake van een compensatieopgave van het beheertype dat fysiek of kwalitatief wordt aangetast. Nadere toetsing is nodig.

Specifieke aandachtspunten zoekgebied Strand/Buiten-eiland •

Zoekgebied Strand/Buiten-eiland grenst aan het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer (met een kleine overlap). Significant negatieve effecten op de relevante soorten binnen het Natura 2000-gebied zijn niet uitgesloten. Een passende beoordeling is nodig (alleen al vanwege de directe vernietiging van het leefgebied).

•

Met name zoekgebied Strand/Buiten-eiland brengt risico’s met zich mee voor trekvogels en in het gebied aanwezige vogels.

•

Strand/Buiten-eiland heeft mogelijk invloed op het vrije uitzicht vanuit vuurtoreneiland op forteiland Pampus, dat van hoge waarde is in het kader van de UNESCO status van de Stelling van Amsterdam.

Specifieke aandachtspunten zoekgebied A10-noord •

Zoekgebied Ring A10-noord overlapt ten dele met BPL Waterland. Een van de aandachtspunten daarbij is de waarde van het gebied voor weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk maken op de door de provincie gewenste planologische bescherming van weidevogelgebieden, bijvoorbeeld omdat leefgebied ongeschikt wordt door bijvoorbeeld verstoring tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Vochtig weidevogelgrasland is nagenoeg niet vervangbaar. Compensatie is dus niet eenvoudig. Overlap van het zoekgebied met dit onderdeel van het NNN kan echter waarschijnlijk worden voorkomen. Nadere toetsing is nodig.

Specifieke aandachtspunten zoekgebieden Havens •

Geen specifieke aandachtspunten.

11

4. Criteria voor beoordeling effecten natuur en landschap 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft welke toetsingscriteria naar mening van de leden van de expertgroep gehanteerd zouden moeten worden bij nadere beoordeling van de effecten op de natuur en het landschap en hoe deze toegepast zouden moeten worden. In zijn algemeenheid geldt daarbij dat de uitwerking van het nadere onderzoek naar effecten op natuur en landschap maatwerk is en zal van geval tot geval verschillen. Vertrekpunt voor de expertgroep is het juridische en beleidskader dat is gericht op bescherming van de in Nederland aanwezige natuurwaarden. Deze kaders moeten zorgvuldig worden toegepast. Op enkele onderdelen adviseren de experts aanvullingen op de wettelijke randvoorwaarden. In eventuele toekomstige juridische procedures zal de rechter hierop toetsen.

4.2 Toetsingscriteria en normering 4.2.1 Beschermde houtopstanden Bospercelen en bomenrijen van een bepaalde omvang worden beschermd door de Wet natuurbescherming indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Die voorwaarden zien onder meer toe op de oppervlakte en de vorm van een dergelijke houtopstand en op de plaats waar deze zich bevindt. Houtopstanden die zich bijvoorbeeld binnen de bebouwde kom Boswet bevinden, vallen niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Dat geldt ook voor houtopstanden in erven en tuinen en voor fruitbomen en windschermen om boomgaarden. Voor houtopstanden die wel onder de bescherming van de wet vallen, geldt dat het verboden is deze houtopstanden te vellen zonder voorafgaande melding van die velling. De voorgenomen velling kan na een dergelijke melding worden verboden, of er kunnen specifieke eisen worden gesteld aan de wettelijk geldende herplantplicht. De provincie Noord-Holland heeft in de 'Verordening houtopstanden Noord-Holland' specifieke regels gesteld voor het behoud van de zogenaamde historische bosgroeiplaatsen.

4.2.2 Soortenbescherming Het doel van soortenbescherming is het bescherming van de gunstige staat van instandhouding van plant- en diersoorten die in het wild voorkomen. Het is onder andere verboden om beschermde soorten in de aanleg en gebruiksfase te doden of te verwonden, rust- en verblijfplaatsen aan te tasten en/of te verstoren. Als een overtreding niet kan worden voorkomen, is een ontheffing nodig. Ook bezette vogelnesten en de functionele leefomgeving rond bezette nesten zijn beschermd. Van sommige soorten zijn nesten en nestlocaties jaarrond beschermd. De bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren is geregeld in de Wnb mede op basis van de Europese Vogelrichtlijn, Europese Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De expertgroep adviseert in dat licht om de toetsing uit te breiden met alle soorten op de rode lijst waarvoor geldt dat de soortgroepen ook via de Wnb worden beschermd: hogere planten, gewervelde diersoorten (vis, amfibie, reptiel, vogel en zoogdier) alsmede vlinders en libellen (en eventueel kevers).

Dit zijn niet allemaal wettelijk beschermde diersoorten, maar de effecten kunnen wel van dusdanige omvang zijn dat deze van invloed zijn op de staat van instandhouding van de totale populatie. Onderstaande tabel geeft inzicht in de toetsingscriteria die de expertgroep adviseert om toe te passen in komende m.e.r.-procedures in zoekgebieden in Amsterdam (zowel plan-MER als project-MER’en).

12

Criterium

Toelichting

Normering

Effecten in de aanlegfase

Zoals vermijding of verstoring van voedselrustgebieden of nesten. Dit betreft veelal effecten van tijdelijke aard.

Verlies aan habitat of vermijding door verstorende werking uitgedrukt als verlies aan kwaliteit van habitat in de gebruiksfase

•

Vastgesteld moet worden of significante negatieve effecten op de staat van instandhouding kunnen worden uitgesloten voor in ieder geval de volgende soortgroepen (zowel in de aanlegfase en/of gebruiksfase en door barrièrevorming):

Barrièrewerking

Hiervan is sprake wanneer vogels door een windparkopstelling hun voedsel- of rustgebied niet of moeilijk kunnen bereiken.

•

Aanvaringsslachtoffers in de gebruiksfase

Sterfte van individuen door botsing met windturbines; dit is van toepassing op vogels en vleermuizen.

Bij de berekening van aanvaringsslachtoffers wordt de 1% mortaliteitsnorm gehanteerd.7

•

Habitatverlies door ruimte-inname door de turbine zelf en eventueel habitatverlies in onmiddellijke omgeving Achteruitgang van kwaliteit van leefgebieden door verdrijving, vernietiging, aantasting, trillingen, geluid. Met name groot potentieel effect bij vogels die in open landschap leven.

•

Alle vogelsoorten die in relevante aantallen/populaties in het gebied voor komen(zowel broed, trek als overwinterende soorten) en die gevoelig kunnen zijn voor de effecten van windturbines. Overige soorten die beschermd zijn krachtens de Habitatrichtlijn zoals vleermuizen, een aantal plantensoorten, amfibieën en reptielen.

Daarbij moet rekening worden gehouden met cumulatie door andere projecten die een vergelijkbaar effect kunnen hebben op dezelfde populatie.

4.2.3 Gebiedsbescherming De bescherming van natuur en landschapswaarden in gebieden is onder meer geregeld in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de Wnb, NNN, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de provinciale Omgevingsvisie en -verordening (partiële herziening provinciale omgevingsverordening NH2020 en Omgevingsverordening NH20228) en in UNESCO werelderfgoed. Er mogen geen significant negatieve effecten optreden op de beschermde natuurwaarden in de beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN). •

Gebiedsbescherming is maatwerk. Gekeken dient te worden naar de gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en de verwachte effecten dienen hieraan gespiegeld te worden. Hiervoor is gebiedsspecifieke informatie nodig onder meer over het voorkomen van soorten, indien niet beschikbaar dan dient dit middels aanvullend veldonderzoek te worden verzameld. Dit kan een onderzoek zijn naar vleermuizen maar ook naar vogelvliegbewegingen (en deze laatste kunnen met een radar worden vastgesteld maar dat hoeft niet).

•

Onderstaande tabel geeft inzicht in de toetsingscriteria die de expertgroep adviseert om toe te passen in de komende m.e.r.-procedures (zowel relevant voor het plan-MER als voor daaropvolgende project-MER’en).

De additionele sterfte door het windturbinepark mag niet hoger zijn dan 1% van de natuurlijke sterfte van de relevante populatie. 8 De partiële herziening van de omgevingsverordening NH2020 en de omgevingsverordening moeten nog in provinciale staten worden vastgesteld, naar verwachting worden vindt de behandeling hiervan in mei 2022 plaats. 7

13

Gebiedsbescherming natuur

Criterium

Toelichting

Effect op Natura 2000gebieden

•

In het milieueffectrapport (MER) wordt bepaald of een plan of project significante gevolgen heeft voor Natura2000-gebieden. Er is sprake van significante gevolgen als het plan of project het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen bemoeilijkt. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000gebieden. Er zijn instandhoudingsdoelen voor habitattypen en soorten, vogels via de vogelrichtlijn en andere soorten via de habitatrichtlijn.

•

Er mag geen sprake zijn van verstoring of vermijding (met een effect op populatieniveau) van vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en habitattypen. Effecten kunnen worden verwacht op grond van habitatverlies door aanleg, habitatmijding als gevolg van een verstorende uitstraling, versnippering, (tijdelijke) verstoring en verlies habitat als gevolg van de aanleg en toegenomen sterfte door aanvaringen.

•

Het optreden van significant negatieve effecten door een voornemen moet worden uitgesloten. De eerste stap is het uitvoeren van een natuurtoets. Per gebied worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen getoetst.

•

Verstoring kan met name optreden door geluid, optische verstoring en trillingen. Over het algemeen kunnen effecten van veel van deze storende factoren van een voornemen worden uitgesloten.

•

Als daaruit blijkt dat significante negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Een plan mag dan uitsluitend worden vastgesteld wanneer uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat er geen sprake is van significant negatieve gevolgen.

•

Natura 2000-gebieden kennen een externe werking, waardoor ook rekening moet worden met effecten als zoekgebieden in de nabijheid van Natura 2000-gebieden liggen.

•

Er mag geen significant verstorende aantasting optreden van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

•

De provincie Noord-Holland heeft voor deze gebieden wezenlijke waarden en kenmerken beschreven.

•

De oppervlakte en de samenhang van het NNN mag niet afnemen.

•

Deze wezenlijke waarden en kenmerken mogen niet worden aangetast door:

•

Een plan dat een negatief effect heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN is alleen toegestaan als het voornemen van groot openbaar belang is, als er geen reële alternatieve locaties voorhanden zijn en als negatieve effecten worden gecompenseerd en overblijvende effecten worden gemitigeerd.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Beschermde houtopstanden

•

Voor houtopstanden die vallen onder de Wnb, geldt dat het verboden is deze houtopstanden te vellen zonder voorafgaande melding van die velling.

•

De voorgenomen velling kan na een dergelijke melding worden verboden, of er kunnen specifieke eisen worden gesteld aan de wettelijk geldende herplantplicht.

Normering

-

Oppervlakteverlies

-

Verlies van kwaliteit door verstoring in de gebruiksfase

-

Verlies van kwaliteit op plekken waar tijdelijke werkterreinen en bouwwegen worden gerealiseerd

•

NNN-gebieden kennen formeel geen externe werking maar vanuit een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk om ontwikkelingen direct nabij NNN op effecten te onderzoeken (zoals overdraai).

•

In beeld brengen of beschermde houtopstanden worden verwacht en of vervolgstappen nodig zijn.

•

Vervolgonderzoek bestaat uit een veldbezoek waarbij wordt gecontroleerd of daadwerkelijk groenstructuren aanwezig zijn die als beschermde houtopstand kwalificeren.

•

Als deze aanwezig zijn en worden aangetast, is een boominventarisatie nodig en moet een melding bij bevoegd gezag worden gedaan. In de meeste gevallen geldt een herplantplicht.

•

Bij aantasting van een boskern is ook een ontheffing nodig als de herplanting elders plaatsvindt.

14

Gebiedsbescherming landschap

Criterium

Toelichting

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL)

•

Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) omvat in Noord-Holland gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Deze kernkwaliteiten mogen niet worden aangetast.

•

Belangrijkste potentiële effecten betreffen de openheid en ruimtebeleving van het landschap. Daarnaast is habitat voor weidevogels van belang. Binnen BPL zijn specifieke delen aangewezen die open ruimte en vergezichten dienen te behouden.

•

Zoekgebieden voor wind- of zonne-energie hebben mogelijk invloed op het BPL. Om die reden is een toets nodig aan de kernkwaliteiten van een BPL-gebied.

•

•

Daarnaast dient te worden onderbouwd dat de ontwikkeling van groot openbaar belang is.

Visualisaties van mogelijke opstellingen zijn nodig voor beoordeling in hoeverre kernkwaliteiten van het landschap worden aangetast en hoe nieuwe windturbines zich ruimtelijk verhouden tot het omliggende, bestaande landschap.

•

De UNESCO werelderfgoedlijst bevat gebieden, structuren en objecten die vanwege hun betekenis op het vlak van archeologie of cultuurhistorie extra bescherming nodig hebben.

•

De provincie hanteert een afwegingskader Hollandse Waterlinies met eenduidige regels voor energiewinning. Daarin is een zonering opgenomen met randvoorwaarden voor ontwikkeling van windenergie.

•

De landschappelijke waarde van UNESCO werelderfgoed mag niet worden aangetast.

UNESCO werelderfgoed

Hoofdgroenstructuur

De Hoofdgroenstructuur omvat de minimaal benodigde hoeveelheid groen die de gemeente wil behouden ten behoeve van biodiversiteit, milieu en leefbaarheid.

Normering

Ingrepen in de Hoofdgroenstructuur moeten op inpasbaarheid worden getoetst. In de structuurvisie staat dat hierbij van belang is dat er geen wezenlijke aantasting van het landschap plaatsvindt.9

Specifieke richtlijnen van de Technische Advies Commissie (TAC) van de gemeente Amsterdam zijn online beschikbaar: https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/organisatie/ruimte-economie/ruimte-duurzaamheid/tac/adviesaanvraag/ 9

15

5. Specifieke aandachtspunten 5.1 Inleiding Het vorige hoofdstuk schetst welke potentiële effecten op soorten, natuurgebieden en landschappen in beeld moeten worden gebracht bij de komende m.e.r.-procedures. Deze procedures moeten eerst doorlopen worden voordat een eventuele ontheffing kan worden afgegeven inzake soortbescherming en een vergunning inzake gebiedsbescherming voor mogelijke windprojecten. In dit hoofdstuk adresseren we nog enkele specifieke aandachtpunten waarmee rekening moet worden gehouden.

5.2 Ondersteuning voornemen om PlanMER op te stellen In algemene zin onderschrijft de expertgroep van harte het voornemen van het Amsterdamse stadsbestuur om een Plan m.e.r. voor alle zoekgebieden uit te voeren. Dat voornemen biedt de kans om met zorg en in samenhang te kijken naar potentiële effecten op natuur en landschap, en hoe deze zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen. Een Plan m.e.r. is van meerwaarde omdat de zoekgebieden en de potentiële effecten van ontwikkeling van windturbines in de zoekgebieden niet los van elkaar kunnen worden gezien. Door de effecten in samenhang in beeld te brengen, worden de effecten in alle zoekgebieden op dezelfde manier in kaart gebracht. Dit maakt het bovendien mogelijk om zoekgebieden met elkaar te vergelijken. In de ogen van de expertgroep kan op basis van het PlanMER de afweging aan de orde zijn om potentiële zoekgebieden uit de RES anders te begrenzen, van stevige randvoorwaarden te voorzien of alsnog te laten vervallen, indien blijkt dat deze tot onoverkomelijke negatieve effecten leiden. Bovendien heeft een PlanMER diverse inhoudelijke en praktische voordelen: •

Het biedt een kader en proces voor het in beeld brengen van cumulatieve effecten van ontwikkelingen binnen de verschillende zoekgebieden.

•

Het kan voor alle zoekgebieden een onderbouwing bieden voor de vraag of er sprake is van een groot openbaar belang en of er reële alternatieven zijn.

•

Het kan in kaart brengen welke mogelijkheden er zijn voor een gezamenlijke inspanning voor compensatie en monitoring, onder regie van de gemeente en/of de provincie.

5.3 Cumulatie van effecten in beeld brengen Amsterdam is voornemens om vóór 2030 circa 17 windturbines te ontwikkelen in meerdere, verspreid liggende zoekgebieden. De effecten van deze parallelle ontwikkelingen hangen samen en kunnen cumulatief tot knelpunten leiden, bijvoorbeeld voor soorten die samenhangende populaties hebben of die een grote actieradius hebben zoals vogels en vleermuizen. De vergunningen worden verleend voor afzonderlijke projecten. Het risico bestaat daarbij dat de effecten van deze projecten individueel beperkt lijken, terwijl het opgetelde effect wel significant is. Dit maakt het belangrijk om in de m.e.r.-procedures op cumulatieve effecten te toetsen. De experts vinden dit van groot belang, maar erkennen ook dat het lastig is om cumulatieve effecten te kwantificeren. Het is bovendien lastig om vast te stellen welk initiatief om een windturbine te plaatsen verantwoordelijk is voor overschrijding van de gestelde norm. Het voornemen om een PlanMER op te stellen voor de Amsterdamse zoekgebieden maakt het beter mogelijk om cumulatieve effecten te onderzoeken. De expertgroep adviseert om dit instrument daarvoor in te zetten. Daarbij is het van belang om ook de effecten van de locaties die al verder in procedure zijn (Cornelis Douwesterrein en Noorder IJplas) en van de direct aangrenzende locaties in gemeenten Diemen en Ouder-Amstel te betrekken.

Voor populaties met een groter bereik (bijvoorbeeld ganzen) dienen ook effecten van verder gelegen initiatieven te worden betrokken. 16

5.4 Mogelijkheden voor het mitigeren van effecten Mitigatie is het voorkomen of verminderen van (nadelige) effecten. Bij windturbines zijn er meerdere mogelijkheden voor mitigatie die kunnen worden toegepast: •

Voor vleermuizen kan periodiek stilzetten van de wieken goed werken en wordt ook steeds vaker toegepast. Op basis van modellen worden randvoorwaarden vastgelegd onder welke omstandigheden (seizoen, windkracht, temperatuur, tijdstip) de windturbine wordt stilgezet.

•

Met behulp van cameradetectiesystemen kunnen turbines tijdelijk worden stilgezet in geval van nabijheid van specifieke soorten, zoals de zeearend.

•

Voor lokaal aanwezige vogels is mitigatie lastig toepasbaar. Bewegingen van deze vogels zijn deels onvoorspelbaar waardoor anticiperen op aanvaringen zeer moeilijk is.

•

Voor trekvogels wordt geëxperimenteerd met een ‘waarschuwingssysteem’ via bijvoorbeeld een trekvogelvoorspellingsmodel en/of radarwaarnemingen. Hierdoor zou het mogelijk moeten zijn om nauwkeuriger te voorspellen wanneer grote aantallen trekvogels langs vliegen. Op basis daarvan kunnen windturbines worden stilgezet. Dat dient alleen te gebeuren wanneer er significante aantallen slachtoffers verwacht worden. De locaties waar dergelijke aantallen slachtoffers voorkomen moet nader worden bepaald.

•

Op dit moment wordt onderzocht in hoeverre toepassing van één zwarte wiek een effectieve mitigatiemaatregel kan zijn. Naar aanleiding van positieve ervaringen in het buitenland wordt in Groningen een onderzoek opgezet naar het effect in de Nederlandse context. De expertgroep adviseert om deze ontwikkeling goed in de gaten te houden. Er kunnen belemmeringen zijn voor deze maatregel vanuit de Luchtvaartwet.

5.5 Is er sprake van reële alternatieven en een groot openbaar belang? Wanneer wordt vastgesteld dat een voorgenomen ontwikkeling significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden of de kernkwaliteiten van BPLgebieden aantast, moet in kaart worden gebracht in hoeverre er alternatieven zijn voor de ontwikkeling. Bij effecten op Natura 2000-gebieden komt deze vraag pas aan de orde nadat een passende beoordeling is uitgevoerd. Als in dat stadium significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten volgt een zogenaamde ADC-toets, waarin moet worden onderbouwd dat er geen alternatieven zijn, dat er sprake is van een dwingend openbaar belang en dat de effecten worden gecompenseerd. Dit moet worden beoordeeld door de Europese Commissie. Het betreft een complexe en tijdrovende procedure waarvan het de vraag is of het vóór 2030 een reële optie is. Ook bij negatieve effecten op NNN en BPL moet worden aangetoond dat er geen reële alternatieven zijn, dat er een groot maatschappelijk belang is en dat effecten worden gecompenseerd. Het is ook mogelijk om een ontwikkeling in NNN te onderbouwen door aan te tonen dat het een duidelijke meerwaarde heeft voor de kwaliteit en samenhang van natuur in het gebied, de zogenaamde ‘’meerwaardebepaling”.

Toetsing hiervan ligt bij het bevoegd gezag.10 De vraag of er reële alternatieven zijn kan op meerdere schaalniveaus worden beschouwd. •

Op het (boven)regionale schaalniveau is reeds een uitvoerig proces doorlopen. In het klimaatakkoord is vastgesteld welk aandeel van de benodigde duurzame energieopwekking voor 2030 op land moet worden gerealiseerd en welke mogelijkheden er zijn voor wind op zee.

Toetsing ligt in eerste instantie bij het bevoegd gezag dat de vergunning/toestemming verleent. Voor toepassing van de meerwaardebepaling is medewerking van de provincie wel noodzakelijk in het kader van de compensatieovereenkomst die met de provincie moet worden gesloten. 10

17

•

In de Regionale Energiestrategie (RES) is vervolgens regionaal verkend welke reële zoekgebieden er zijn. Voor Amsterdam is daar bovendien in geprioriteerd, door vaststelling van reserve- en extrareservezoekgebieden. In de uit te voeren Plan m.e.r. kan in beeld worden gebracht hoe de verschillende zoekgebieden ten opzichte van elkaar scoren, zodat dit een afweging tussen zoekgebieden mogelijk maakt.

•

De locaties binnen de zoekgebieden zijn (in de meeste gevallen) nog niet bekend. In de project-MER dient aandacht besteed te worden aan verschillende alternatieve opstellingen voor optimalisatie van de exacte locatiekeuze.

Voor de vraag of er sprake is van een groot openbaar belang voor het plaatsen van windturbines, kijkt de rechter naar het belang van de ingreep in relatie tot de grootte van de negatieve effecten op bijvoorbeeld natuurwaarden. Het groot openbaar belang van plaatsing van windturbines doet daarmee geen uitspraak over de urgentie van andere belangen, zoals de kwaliteit van de natuur en de biodiversiteitscrisis.

5.6 Kunnen effecten worden gecompenseerd? Indien negatieve effecten op soorten niet worden uitgesloten en het project doorgang vindt dan dient door het bevoegd gezag te worden bepaald hoe deze effecten dienen te worden gecompenseerd. Het hoe, hoeveel en waar is erg soortafhankelijk. Het kan variëren van het aanreiken van alternatieve verblijfplaatsen (vleermuiskasten) tot het ontwikkelen van geschikte habitatplekken of het creëren van rustplaatsen. Ook bij gebiedsbescherming is compensatie pas aan de orde is als er sprake is van een zwaarwegend belang, alternatieven ontbreken (ADC toets) en na mitigatie nog effecten resteren. Wanneer een ontwikkeling binnen Natura 2000-gebieden, NNN of BPL (significant) negatieve effecten heeft op soorten of gebieden moeten deze effecten gecompenseerd worden. Voor NNN moet er worden gekeken of er sprake is van verstorende aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Voor Natura 2000 en NNN geldt dat de compensatiemaatregelen moeten borgen dat het oppervlak, de samenhang en kwaliteit behouden blijven. Bij NNN kan compensatie bovendien aan de orde zijn bij het toepassen van de Meerwaardebepaling. De compensatieopgave kan op dit moment nog niet worden vastgesteld.

Daarvoor moeten onder meer eerst de exacte locaties van windturbines bekend moeten zijn zodat de effecten door kunnen worden gerekend evenals de eventuele mitigatiemogelijkheden. Wanneer meer zicht is op de compensatieopgave dient in een compensatieplan worden onderzocht of de omvang en de actuele en potentiële kwaliteit van compensatiegebieden voldoen en of gronden verwerfbaar zijn. Een potentieel knelpunt is de beschikbaarheid van gebieden waar de compensatie kan worden uitgevoerd. Compensatie vindt bij voorkeur plaats op niet al te grote afstand van de ingreep. In Amsterdam is de grond echter schaars en de grondprijs is hoog. De expertgroep is op voorhand van mening dat de mogelijkheden voor compensatie in de omgeving erg beperkt zijn. Tegen deze achtergrond adviseert de expertgroep om in de PlanMER op ‘Groot-Amsterdams’ schaalniveau (dus inclusief zoekgebieden in buurgemeenten) uit te werken hoe de compensatieopgave het best ingevuld kan worden. Door de compensatie collectief in te vullen kan effectiever worden geïnvesteerd in robuuste ontwikkelingen. Bovendien is het efficiënter om niet per individuele ontwikkeling de compensatieopgave en mogelijkheden te onderzoeken. Gemeente Amsterdam kan hierin een regisserende rol nemen, in samenwerking met ontwikkelende partijen. Aandachtspunten daarbij zijn: •

Tijdig te starten met een onderzoek naar de haalbaarheid van compensatiemaatregelen: geschikte gebieden, mogelijkheden om de vereiste kwaliteitsversterking te realiseren en kosten.

•

In overleg te treden met natuurbeheerders en het regiebureau NNN van de provincie Noord-Holland, die een goed beeld hebben van geschikte opties voor het NNN.

18

5.7 Monitoring Monitoring is relevant om in de praktijk te valideren of de aannames juist zijn die ten grondslag hebben gelegen aan de ontheffing. Daarin wordt rekening gehouden met een bepaald aantal aanvaringsslachtoffers of ander effect op een populatie. Monitoring kan worden opgelegd door het bevoegd gezag. In de praktijk gebeurt dit vaak niet omdat het bevoegd gezag zich beroept op de onderbouwing van effecten en dat voldoende vindt. De expertgroep is van mening dat goede monitoring (inclusief het in kaart vangen van de nul-situatie) essentieel is gezien de behoorlijke mate aan onzekerheden bij het inschatten van effecten zodat in de toekomst beter voorspeld kan worden in gelijksoortige ontwikkelingen. Monitoring is niet altijd eenvoudig uit te voeren. Dit geldt in het bijzonder voor monitoring van aanvaringsslachtoffers. Bij een methodisch goede opzet ervan is dit zeer arbeidsintensief waarbij men al snel op praktische obstakels kan stuiten, zoals een lastig zoekbare ondergrond (open water, bosschages, bebouwing). De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van monitoring (aanvaringsslachtoffers) ligt in principe bij de initiatiefnemers. Gelet op de beperkte omvang van de potentiële windparken (maximaal enkele turbines) adviseert de expertgroep dat de gemeente Amsterdam hierin een regisserende rol neemt.

Het collectief organiseren van de monitoring biedt meerdere voordelen: •

Om goed te kunnen monitoren is het belangrijk dat de nul-situatie wordt vastgesteld. Dit kan veel beter collectief worden opgepakt, zodat gelijke uitgangspunten worden gehanteerd en bovendien dubbel werk wordt voorkomen.

•

Op overkoepeld schaalniveau kan worden bepaald welke turbines vooral relevant zijn voor monitoring, bijvoorbeeld omdat daar meer dan bij andere plekken sprake is van onzekerheden.

•

De gezamenlijke monitoring biedt kansen om de aannames voor verlening van vergunningen en ontheffingen te valideren.

•

Bij een stabiel beeld kan het bevoegd gezag besluiten de monitoring te stoppen of te verlichten.

De expertgroep adviseert om in het PlanMER uit te werken hoe deze gezamenlijke inzet op monitoring het best vorm kan krijgen.

19

Berenschot is een onafhankelijk organisatieadviesbureau met 350 medewerkers wereldwijd. Al 80 jaar verrassen wij onze opdrachtgevers in de publieke sector en het bedrijfsleven met slimme en nieuwe inzichten. We verwerven ze en maken ze toepasbaar. Dit door innovatie te koppelen aan creativiteit. Steeds opnieuw. Klanten kiezen voor Berenschot omdat onze adviezen hen op een voorsprong zetten. Ons bureau zit vol inspirerende en eigenwijze individuen die allen dezelfde passie delen: organiseren. Ingewikkelde vraagstukken omzetten in werkbare constructies. Door ons brede werkterrein en onze brede expertise kunnen opdrachtgevers ons inschakelen voor uiteenlopende opdrachten. En zijn we in staat om met multidisciplinaire teams alle aspecten van een vraagstuk aan te pakken.

Berenschot B.V. Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG Utrecht Postbus 8039, 3503 RA Utrecht 030 2 916 916 www.berenschot.nl /berenschot

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11466789/1