CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Aanvulling OER actualisatie Omgevingsvisie 2050 (2).pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 30 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de ‘Omgevingsvisie Amsterdam 2050 – actualisatie 2025’ (VN2025-012737)54.215 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 7 van 7

Effecten Weesp Op het gebied van circulariteit zijn geen specifieke cijfers bekend voor Weesp. Wel hebben in de afgelopen jaren verschillende projecten plaatsgevonden om de circulariteit van Weesp te bevorderen, zoals het circulair slopen van de waterzuivering van Weesp en het gebruik van circulaire materialen bij de bouw van de Fortbrug. In de geactualiseerde Omgevingsvisie zijn voor Weesp geen aparte maatregelen genomen op het gebied van circulariteit. Er worden daarom geen noemenswaardige verschillen verwacht tussen de effecten voor Weesp en de effecten voor de rest van de gemeente Amsterdam zoals beschreven in het OER.

blad 94 van 111

Aanvulling OER Omgevingsvisie Amsterdam In het kader van actualisatie OVA 2050 projectnummer 0502331.100 23 september 2025 Gemeente Amsterdam

6.

Aanvulling passende beoordeling

6.1

Toelichting De Omgevingsvisie Amsterdam bevatte nieuwe richtinggevende keuzes, waarvan het niet op voorhand is uit te sluiten dat deze afzonderlijk of in samenhang kunnen leiden tot significante effecten op Natura 2000-gebieden. Ook in de actualisatie van de Omgevingsvisie zijn dergelijke richtinggevende keuzes opgenomen. Daarom dient op grond van de Omgevingswet (Natura 2000-gebiedsbescherming) een passende beoordeling te worden opgesteld. De passende beoordeling is de wettelijke plantoets die hoort bij kaderstellende plannen (zoals een Omgevingsvisie) waarvan een significant negatief effect op voorhand niet uitgesloten kan worden. Het doel van de passende beoordeling is: Het in beeld brengen van de risico’s op significant negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-netwerk als gevolg van de keuzes en ontwikkelingen in de visie. Het betreft hier de effecten van activiteiten die toegevoegd worden aan de bestaande activiteiten. Het beschrijven van mogelijke mitigerende maatregelen en/of (beleids)aanpassingen die nodig zijn om significante effecten te voorkomen. Het gaat hier met name om aanbevelingen voor de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten. Bij de Omgevingsvisie is reeds een passende beoordeling opgesteld, waaruit blijkt dat op het niveau van de omgevingsvisie geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden verwacht worden.

In het kader van deze aanvulling is deze conclusie nogmaals tegen het licht gehouden. In paragraaf 6.2 zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. De volledige aanvulling op de passende beoordeling is in de bijlage van deze aanvulling opgenomen.

6.2

Beoordeling effecten actualisatie OVA 2050 De wijzigingen vanuit de actualisatie OVA 2050, alsmede het meenemen van de ontwikkelingen vanuit Weesp leiden niet tot andere effecten dan in de eerdere Passende Beoordeling. Weesp ligt dichter bij het Natura 2000-gebied Naardermeer, maar dit leidt naar verwachting niet tot meer verstoring door ontwikkelingen in dit onderdeel van de gemeente. Wel kunnen individuele stikstofeffecten daar vanwege de geringe afstand sneller optreden. Daarentegen zijn de opgaven, ook kleiner dan bijvoorbeeld in Zuidoost of rondom het IJ/Noordzeekanaal. Ten aanzien van stikstofdepositie gelden dezelfde conclusies als bij de vorige Passende Beoordeling. Per saldo is een afname te verwachten door de ontwikkelingen in Amsterdam tot 2050. Voor individuele projecten kan soms sprake zijn van een (tijdelijke) toename. Dit is echter buiten de scope van deze beoordeling. Wel zijn in de volgende passages enkele oplossingen hiervoor gepresenteerd, waarbij in de praktijk blijkt dat deze goed uitvoerbaar zijn.

blad 95 van 111

Aanvulling OER Omgevingsvisie Amsterdam In het kader van actualisatie OVA 2050 projectnummer 0502331.100 23 september 2025 Gemeente Amsterdam

7.

Conclusie

7.1

Beantwoording van de hoofdvraag De hoofdvraag van het milieuonderzoek bij de actualisatie is als volgt. Deze is in hoofdstuk 3 geformuleerd: “In hoeverre is sprake van aanvullende of significant andere effecten door de actualisatie van de OVA (2021) en de gemeentelijke fusie met Weesp ten opzichte van het OER bij de OVA (2021)? ” Er is sprake van aanvullende effecten ten opzichte van het OER bij de OVA. Deze worden voornamelijk veroorzaakt door de aanscherpingen die in de Omgevingsvisie plaatsgevonden hebben. De toevoeging van Weesp heeft over het algemeen geen grote, aanvullende milieueffecten, hetgeen betekent dat de effectscores uit het OER op hoofdlijnen overeind blijven. In onderstaand samenvattend overzicht is weergegeven voor welke aspecten aanvullende risico’s bestaan. In alle gevallen geldt dat deze niet ver buiten de bandbreedte van de effectscores die in het OER opgenomen waren vallen.

7.2

Samenvattend overzicht Uit de analyse van de actualisatie van de omgevingsvisie komt naar voren dat voor diverse kernwaarden de kwaliteit (licht) vergroot of verkleind wordt door de beleidsvoornemens uit de geactualiseerde Omgevingsvisie ten opzichte van de beoordeling die in het OER uit 2021 was opgenomen, zie ook in de volgende tekstblokken:

Milieukwaliteit Geluid en luchtkwaliteit Veilig Risico’s Natuurlijk

Milieukwaliteit Bodem en water

Bereikbaar Milieukwaliteit Geur en stof Ruimtelijke kwaliteit Economisch vitaal

Kernwaarden die licht kunnen verslechteren Vooral door het uitstellen van beleid voor luchtkwaliteit en het mogelijk maken van woningen op kortere afstand van (auto)snelwegen kunnen deze aspecten mogelijk enigszins verslechteren. Ten opzichte van de referentiesituatie gaat het nog altijd om verbeteringen van de kwaliteit Vanwege het toestaan van woningbouw op kortere afstand van het hoofdwegennet is enige verslechtering mogelijk. Als gevolg van het afwijzen van de nieuwe Hoofdgroenstructuur worden géén nieuwe te beschermen groengebieden aangewezen, wordt watergebieden niet toegevoegd aan de HGS én wordt het principe “er wordt niet gebouwd in groengebieden, tenzij de groenfunctie wordt versterkt” niet beleidsmatig verankerd. Dit is een risico voor de kwaliteit en kwantiteit van het groen in de gemeente. De aanleg van warmtenetten kan negatief doorwerken voor de waarden in de bodem

Kernwaarden waar de beoordeling gelijk blijft aan de beoordeling uit 2021 Het voorkeursalternatief uit de OVA (2021) scoorde al zeer positief. De actualisatie verandert hier weinig in positieve of negatieve zin aan. De actualisatie geeft geen kader voor geur emitterende functies of gevoelige functies op korte afstand van deze functies. Er zijn meerdere ontwikkelingen in de actualisatie die de ruimtelijke kwaliteit kunnen verbeteren. Risico’s zijn gekoppeld aan de inzet op warmtenetten en hoogbouw. Geen wezenlijke veranderingen door de actualisatie

Kernwaarden waar een lichte verbetering optreedt ten opzichte van de beoordeling in OER en OVA uit 2021 Inclusief en Op alle drie de criteria van deze kernwaarde treedt een lichte verbetering op ten opzichte van de oude betaalbaar beoordeling. Dit heeft te maken met de investeringen in de openbare ruimte die in de actualisatie vastgelegd. Deze vergroten de mate waarin de openbare ruimte uitnodigt tot ontmoeten. Leefbaar Door kwaliteitsverbeteringen in de openbare ruimte kan de leefbaarheid licht verbeteren. Gezond hiervoor geldt dezelfde redeneerlijn als bij ‘leefbaar’, maar dan gaat het om kansen op vergroening en stimuleren van bewegen (sport & spel) Veilig Het herprofileren van wegen kan leiden tot situaties met grotere verkeersveiligheid Verkeer Klimaatbestendig De beoordeling voor klimaatbestendigheid is aan dezelfde ambities gekoppeld als leefbaar en gezond, namelijk dat de omzetting van verharde oppervlakken en het creëren van ruimte voor waterberging en -afvloei de mate van klimaatbestendigheid kan verbeteren. Dit leidt mogelijk wel tot knelpunten met andere ruimtevragers.

blad 96 van 111

Aanvulling OER Omgevingsvisie Amsterdam In het kader van actualisatie OVA 2050 projectnummer 0502331.100 23 september 2025 Gemeente Amsterdam

Klimaatneutraal Circulariteit

In de actualisatie is veel aandacht voor het verminderen van CO2-emissies door energieopwek. Dit geeft aanleiding om deze kernwaarde positiever te scoren. Door de vergrote inzet op circulariteit komen de ambities meer in beeld dan in 2021 verondersteld.

Deze beoordelingen leiden tot volgende bijstellingen van de figuur. In de figuur is rekening gehouden met de ontwikkeling van de referentiesituatie. “De referentiesituatie” is in deze figuur de beoordeling die in 2021 is toegekend aan de verschillende kernwaarden. In rood is vervolgens geduid waar wijzigingen ten opzichte van deze situatie optreden.

blad 97 van 111

Aanvulling OER Omgevingsvisie Amsterdam In het kader van actualisatie OVA 2050 projectnummer 0502331.100 23 september 2025 Gemeente Amsterdam

BIJLAGE: Aanvulling op de Passende Beoordeling Wat is een Passende Beoordeling? De Omgevingsvisie Amsterdam bevatte nieuwe richtinggevende keuzes, waarvan het niet op voorhand is uit te sluiten dat deze afzonderlijk of in samenhang kunnen leiden tot significante effecten op Natura 2000-gebieden. Ook in de actualisatie van de Omgevingsvisie zijn dergelijke richtinggevende keuzes opgenomen. Daarom dient op grond van de Omgevingswet (Natura 2000-gebiedsbescherming) een passende beoordeling te worden opgesteld. De passende beoordeling is de wettelijke plantoets die hoort bij kaderstellende plannen (zoals een Omgevingsvisie) waarvan een significant negatief effect op voorhand niet uitgesloten kan worden. Het doel van de passende beoordeling is: Het in beeld brengen van de risico’s op significant negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-netwerk als gevolg van de keuzes en ontwikkelingen in de visie. Het betreft hier de effecten van activiteiten die toegevoegd worden aan de bestaande activiteiten. Het beschrijven van mogelijke mitigerende maatregelen en/of (beleids)aanpassingen die nodig zijn om significante effecten te voorkomen. Het gaat hier met name om aanbevelingen voor de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten. Het detailniveau van de passende beoordeling sluit aan bij het huidige detailniveau van de Omgevingsvisie.

Gezien het huidig abstracte karakter van de keuzes is deze op hoofdlijnen. Natura 2000-gebieden rondom Amsterdam Binnen Amsterdam is geen Natura 2000-gebied aanwezig. In de nabije omgeving zijn er wel diverse Natura 2000gebied aanwezig, zie ook de volgende figuur. Hier is in de volgende passages nader op ingegaan.

blad 98 van 111

Aanvulling OER Omgevingsvisie Amsterdam In het kader van actualisatie OVA 2050 projectnummer 0502331.100 23 september 2025 Gemeente Amsterdam

Afbakening niet-relevante storingsfactoren De plannen, activiteiten en maatregelen uit de Omgevingsvisie liggen allemaal ruim buiten Natura 2000-gebied en worden ook niet in de directe omgeving omringd door Natura 2000-gebied waardoor van oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging en verdroging geen sprake is. De projecten leiden niet tot een verandering in chloridegehaltes in water waardoor effecten van verzoeting of verzilting in de aanleg- of gebruiksfase zijn uitgesloten. De projecten leiden evenmin tot hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel veroorzaakt door menselijk handelen waardoor vernatting uit te sluiten is. De projecten leiden niet tot verandering van stroomsnelheid, niet tot verandering in de overstromingsfrequentie of verandering in bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen omdat de projecten niet leiden tot aanslibbing of verstuiving. Ook is geen sprake van mechanische effecten. Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding (door recreanten) of golfslag en dergelijke, die optreden ten gevolge van menselijke activiteit. Om dit soort effecten te krijgen, moeten activiteiten in de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Dit is niet aan de orde bij de plannen vanuit de Omgevingsvisie. De ontwikkelingen zouden ook kunnen leiden tot een toename van bezoekers aan de Natura 2000-gebieden.

Echter, deze zullen gebruik gaan maken van de bestaande paden, zodat mechanische effecten ook door extra bezoekers uit te sluiten zijn. Verderop in de Passende Beoordeling blijkt ook dat juist door de maatregelen uit de Omgevinsgvisie deze recreatiedruk tegengegaan wordt en dus waarschijnlijk leidt tot positieve effecten. Wettelijk kader In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is de gebiedsbescherming geregeld. Specifieke gebieden, Natura 2000-gebieden, zijn beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. blad 99 van 111

Aanvulling OER Omgevingsvisie Amsterdam In het kader van actualisatie OVA 2050 projectnummer 0502331.100 23 september 2025 Gemeente Amsterdam

In zogenoemde aanwijzingsbesluiten is deze bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd. Centraal in de aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden en natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen vormen de specifieke doelstellingen die in een gebied gelden en die de basis vormen voor een toetsing aan Natura 2000-gebiedsbescherming. Instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. In de beheerplannen die voor elk Natura 2000-gebied worden opgesteld, wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen realiseren. De overheid mag geen activiteiten toestaan die nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden veroorzaken. Dit is vastgelegd in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl). In dat artikel 6 wordt er een onderscheid gemaakt tussen plannen en projecten. Voor een Omgevingsvisie wordt – conform de lopende plan-mer-procedure – aangesloten bij de plantoets.

Voor plannen bepaalt artikel 10.24 van het Bkl het volgende; “Een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn wordt alleen vastgesteld, als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de wet, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.” Dit wordt ook wel de plantoets genoemd. Artikel 16.53c, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt het volgende. “Voor een plan [..] als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn maakt het bestuursorgaan dat het plan vaststelt, […] een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van die richtlijn, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied.” Uit het toetsingskader volgt dat eerst moet worden vastgesteld of een activiteit significante gevolgen kan veroorzaken voor een Natura 2000-gebied. Zo nee, dan hoeft er geen verdere toets te worden uitgevoerd. Zo ja, dan is een plantoets vereist. Als sprake is van (kans op) significante gevolgen is een zogenaamde passende beoordeling nodig. Die passende beoordeling moet de zekerheid geven dat het plan de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Als de passende beoordeling die zekerheid geeft, kan het omgevingsplan worden vastgesteld.

Als negatieve effecten niet passend beoordeeld kunnen worden, dient een zogenaamde ADC-toets doorlopen te worden waarin dient te worden gemotiveerd dat het effect onvermijdelijk is omdat er geen alternatieven bestaan (A), de activiteit van dwingend openbaar belang is (D) en het effect volledig gecompenseerd wordt (C). Staat van instandhouding en trend Om te kunnen bepalen welke invloed de actualisatie van de Omgevingsvisie heeft voor de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden is gestart met een beschrijving van de huidige situatie, knelpunten en autonome ontwikkeling. Het detailniveau van deze beschrijvingen sluit aan bij het detailniveau van de Omgevingsvisie. Gezien het abstracte karakter van de beleidskeuzes is deze op hoofdlijnen. In dat kader worden de Natura 2000-gebieden niet afzonderlijk beschouwd, maar per “landschap”.

Alle Natura 2000-gebieden in Nederland zijn onderverdeeld in acht verschillende landschappen: • Noordzee, Waddenzee en Delta • Duinen • Rivierengebied • Meren en moerassen • Beekdalen • Hogere zandgronden • Hoogvenen • Heuvelland Voor Amsterdam gaat het om twee landschappen ten aanzien van Natura 2000-gebieden, te weten: Duinen: Noordhollands Duinreservaat & Kennemerland-Zuid Meren en moerassen: Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Markermeer en IJmeer, Botshol, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, Polder Westzaan, Naardermeer, Oostelijke Vechtplassen

blad 100 van 111

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16101214/1