22168-risicos-betaalbaarheid-gezonde-voeding-def-071022-wt22a (1).pdf
Tekst van het document
Betaalbaarheid gezonde voeding Verkenning naar de risico’s op financiële kwetsbaarheid en betaalbaarheid van gezonde voeding onder Amsterdammers Onderzoek, Informatie en Statistiek
1
In opdracht van: GGD Amsterdam Projectnummer: 22168 Auteurs: Soufyan Ahamiane, Ellen Lindeman, Laure Michon, Idske de Jong E-mailadres: l.michon@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, oktober 2022 Foto voorzijde: groente- en fruitwinkel in de Pijp, fotograaf Edwin van Eis (2005)
2
Inhoud
Samenvatting en conclusie
4
Inleiding
6
1 Financieel kwetsbare Amsterdammers
8
1.1 Kwetsbare Amsterdammers 1.1.1 Ouderen zijn het vaakst kwetsbaar 1.1.2 Eenoudergezinnen het vaakst kwetsbaar 1.1.3 Meer kwetsbaarheid bij gezinnen met oudere kinderen en bij grotere gezinnen 1.1.4 Relatief veel kwetsbare inwoners van Zuidoost, Noord en Nieuw-West 1.2 Amsterdammers met hoge woonlasten 1.2.1 Hoge woonlasten voor eenoudergezinnen en alleenwonenden 1.2.2 Grote verschillen naar inkomen 1.2.3 Veruit hoogste woonlasten voor jongeren met laag inkomen 1.2.4 Lage inkomens hebben hoge woonlasten in Oud-Oost en Osdorp 1.3 Amsterdammers met problematische schulden 1.3.1 Eenoudergezinnen hebben vaker problematische schulden 1.3.2 Bij lage inkomens twee keer zo vaak problematische schulden 1.4 Samenvattend: risico’s betaalbaarheid gezonde voeding
2 Keuzes van Amsterdammers bij het kopen van voeding
8 9 9 10 10 12 12 12 13 14 15 16 17 18
20
2.1 Respondenten met een laag inkomen eten relatief minder vaak gezond 20 2.2 Betaalbaarheid van voedselproducten heel belangrijk 22 2.3 Acht op de tien respondenten met een laag inkomen zouden gezonder eten bij meer financiële middelen 23 2.4 Bij laag inkomen slaat ruim 40% weleens een maaltijd over of eet minder 24 2.5 Bijna helft respondenten met laag inkomen heeft (zeer) lage voedselzekerheid 24 2.6 Kleine groep ontvangt voedselhulp 25 2.7 Respondenten willen dat gezonde voeding betaalbaarder wordt 25
Literatuur
27
Bijlage 1: vragenlijst
28
Bijlage 2: open antwoorden
33
3
Samenvatting en conclusie
Om de kansen op een goede gezondheid te vergroten is het belangrijk dat Amsterdammers gezond eten. In opdracht van de GGD heeft O&S een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de aard en omvang van de groep die problemen heeft met de betaalbaarheid van gezonde voeding in Amsterdam. Hoeveel Amsterdammers geen gezonde voeding kunnen betalen kunnen we niet aangeven: dit hangt niet alleen samen met inkomen en schulden, maar vooral met vaste lasten en keuzes die mensen maken met hun schaarse middelen. Wel kunnen we inzicht geven in de groep die risico heeft op problemen met de betaalbaarheid van gezonde voeding. We verkennen dit op twee manieren: (1) door middel van data-analyses, om inzicht te geven in de omvang en kenmerken van de groep die waarschijnlijk moeite heeft om gezonde voeding te bekostigen; (2) met een enquête, waarmee we ons richten op de afwegingen van Amsterdammers met betrekking tot het kopen van voeding. Een op negen Amsterdammers in financieel kwetsbare positie: 100.000 inwoners Aan de hand van gegevens over kwetsbaarheid, hoge woonlasten en problematische schulden hebben we in kaart gebracht welke groepen Amsterdammers te maken hebben met een financieel kwetsbare positie, en daarmee waarschijnlijk moeite hebben om gezonde voeding te betalen. Met de data over kwetsbaarheid en over problematische schulden kunnen we de omvang van de groep bij benadering aangeven.
In Amsterdam zijn er bijna 100.000 inwoners in een (meest) kwetsbare positie en ruim 50.000 huishoudens met problematische schulden. Deze groepen overlappen, maar we weten niet in welke mate. Verder geven de verschillende bronnen inzicht in de belangrijkste risicogroepen. Zo komen eenoudergezinnen steeds naar voren als een zeer kwetsbare groep: 19% van de personen in eenoudergezinnen behoort tot de (meest) kwetsbaren; zij besteden gemiddeld 37% van het inkomen aan woonlasten; 24% heeft problematische schulden. Ook paren met kinderen zijn vaker dan gemiddeld financieel kwetsbaar, al is dat in mindere mate het geval. Maar we kunnen wel concluderen dat huishoudens met kinderen relatief vaak financieel kwetsbaar zijn en daarmee waarschijnlijk vaker moeilijk gezonde voeding kunnen betalen. Daarnaast zien we vooral dat de hoogte van het inkomen een grote rol speelt. Huishoudens met lage inkomens hebben vaker dan gemiddeld problematische schulden, relatief hoge woonlasten en personen in deze huishoudens hebben te maken met een stapeling van problemen zoals de kwetsbaarheidsscore laat zien. Hoewel het Nibud in 2019 concludeerde dat alle Amsterdamse minimahuishoudens in principe gezond voedsel zouden moeten kunnen betalen – mits ze geen schulden hebben en goed kunnen omgaan met geld.
Dit was bovendien voordat de energieprijzen stegen en de inflatie, met name van voedselproducten, bleef oplopen. De voorwaarden voor betaalbaarheid van gezonde voeding zijn met andere woorden niet meer en niet voor iedereen aanwezig. 4
Amsterdammers met laag inkomen eten minder vaak gezond vanwege de kosten De betaalbaarheid en consumptie van gezonde voeding hangt behalve met inkomen, schulden en vaste lasten af van keuzes en persoonlijke omstandigheden (kennis, tijd, boekhouding en stress). Deze onderwerpen stonden centraal in de enquête onder Amsterdammers. Deze enquête laat zien dat inkomen de belangrijkste factor is waarmee de betaalbaarheid en consumptie van gezonde voeding samenhangt. Andere achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd, huishoudsamenstelling of leeftijd van de kinderen leiden tot minder grote verschillen in de reacties op de vragen. Van de respondenten ervaart 18% een (zeer) lage voedselzekerheid, dat wil zeggen dat zij in financiële en materiële zin onvoldoende toegang hebben tot het eten dat nodig is. Onder de respondenten met een laag inkomen heeft 47% daarmee te maken. Dat blijkt onder anderen uit het feit dat een derde van deze respondenten soms, en 23% zelfs vaak heeft meegemaakt dat er niet genoeg geld was om een gezonde maaltijd te eten. Dat is veel meer dan onder de totale groep (14% soms en 8% vaak). Alarmerend is daarnaast dat 40% aangeeft minder te eten of een maaltijd over te slaan omdat er niet genoeg geld voor eten is (onder de totale groep is dit 13%). Voor de meerderheid van de respondenten met een laag inkomen gebeurt dit bijna elke maand (55%), bij 38% vaker.
Verder zien we dat respondenten met een laag inkomen relatief minder vaak gezond eten: ze eten minder groente en drinken vaker drankjes met suiker dan andere respondenten. De reden hiervoor is voornamelijk financieel, want respondenten met een laag inkomen geven aan dat zij gezonder zouden eten als ze meer financiële middelen zouden hebben. Respondenten met een laag inkomen geven twee keer minder geld uit aan boodschappen elke week dan andere respondenten, ook als we rekening houden met de aanwezigheid van kinderen. De afwegingen bij het kiezen en kopen van voedselproducten verschillen op enkele onderdelen tussen de respondenten met een laag inkomen en de totale groep. Voor alle respondenten is betaalbaarheid een van de belangrijkste kenmerken bij het kiezen en kopen van voedselproducten. Ook dat het goed is voor de gezondheid wordt vaak genoemd. Maar we zien dat respondenten met een laag inkomen dit iets minder vaak belangrijk vinden, en het veel minder vaak belangrijk dat zij of hun partner het eten lekker vinden dan de totale groep respondenten. Verder noemen zij het milieu minder vaak als een van de belangrijkste kenmerken bij het kiezen en kopen van voedselproducten. Veel respondenten hebben gereageerd op de vraag hoe de gemeente kan helpen om gezonder te eten.
Hun reacties maken duidelijk dat de behoefte om gezond te eten er is, maar dat de kosten ervan de belangrijkste belemmering vormen. Kosten van gezonde voeding verlagen (door de btw te verlagen) of (financiële) steun om gezonde voeding te kopen worden veel genoemd. Ook aan de aanbodkant worden tips gegeven, al geven velen aan dat de bevoegdheden van de gemeente op dit terrein beperkt zijn.
5
Inleiding
Door de hoge energiekosten en de huidige inflatie komen steeds meer mensen financieel onder druk te staan. Bij de geldende prijzen begin 2022 hadden 500.000 Nederlandse huishoudens al moeite om hun vaste en noodzakelijke lasten te betalen. Blijft de inflatie hoog, dan lopen daarnaast tussen de 670.000 en 1,2 miljoen huishoudens daar risico op, blijkt uit een recente CPB-studie (CPB, 2022, Stresstest kosten van levensonderhoud). Het betreft vooral huishoudens met een laag huishoudinkomen en uitkeringsgerechtigden die nu al betalingsproblemen hebben, van beide groepen telt Amsterdam er relatief veel. Dat betekent dat er nu al relatief veel huishoudens zijn in Amsterdam die hun vaste en noodzakelijke lasten moeilijk kunnen betalen. Daar komen risico’s bij als de inflatie aanhoudt: in twee scenario’s hiervan laat het CPB zien dat nog meer huishoudens met een laag inkomen betalingsproblemen kunnen krijgen, maar ook een relatief grote groep met een inkomen net boven de armoedegrens (tot modaal). Een van de noodzakelijke kosten die steeds moeilijker te betalen worden betreffen voedsel. Sinds september 2021 zijn de prijzen van voedsel elke maand gestegen (CBS, 2022, Inflatie 8,6 procent in juni). Voor de GGD Amsterdam is het belangrijk dat Amsterdammers gezond eten.
Om belemmeringen daartoe in kaart te brengen heeft de GGD aan O&S gevraagd om onderzoek te doen naar de risico’s voor de betaalbaarheid van gezonde voeding in Amsterdam. We kunnen met de beschikbare gegevens niet aangeven hoeveel Amsterdammers geen gezonde voeding kunnen betalen. Dit hangt niet alleen samen met inkomen en schulden van mensen, maar vooral met de omvang van vaste lasten en de keuzes die mensen maken voor hun schaarse middelen. Wel kunnen we inzicht geven in de risico’s voor de betaalbaarheid van gezonde voeding. We verkennen dit op twee manieren. Ten eerste door middel van data-analyses, om inzicht te geven in de omvang en kenmerken van de groep die waarschijnlijk moeite heeft om gezonde voeding te bekostigen. Ten tweede met een enquête, waarmee we ons richten op de afwegingen van Amsterdammers met betrekking tot het kopen van voeding. Data-analyse Het eerste deel van het onderzoek, waarover gerapporteerd wordt in hoofdstuk 1, is gebaseerd op data-analyse. Hiervoor zijn drie bronnen gebruikt: de kwetsbaarheidsscore, de enquête Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (om woonlasten in kaart te brengen) en geregistreerde problematische schulden. In hoofdstuk 1 worden de bronnen nader toegelicht. Voor elk van de bronnen is gekeken hoe groot de groep is die financieel kwetsbaar is, en van de kenmerken zijn van deze groep.
Ook is gekeken naar de geografische spreiding over de stad. We kunnen de bronnen niet koppelen, maar zetten de uitkomsten naast elkaar om een algemeen beeld te schetsen van de groep Amsterdammers die waarschijnlijk moeite heeft om gezonde voeding te bekostigen.
6
Enquête In aanvulling op een analyse van bestaande bronnen is een enquête onder Amsterdammers uitgevoerd. Daarover gaat hoofdstuk 2. Tussen 19 mei en 14 juni zijn ruim 1.100 panelleden benaderd om een enquête in te vullen. In deze enquête is onder andere gevraagd naar hoe vaak Amsterdammers verschillende etenswaren eten, hoe vaak zij bepaalde voedingsmiddelen en maaltijden kopen en wat men belangrijk vindt bij het kiezen en kopen van voedselproduct (zie bijlage voor de enquête). Er zijn 700 leden van het Stadspanel uitgenodigd en 403 leden van het Stadspaspanel. In dit laatste panel zitten Amsterdammers met een laag inkomen en vult het Stadspanel aan om te kunnen kijken naar verschillen tussen groepen naar inkomen. Beide panels worden beheerd door O&S. Halverwege de veldwerkperiode is er eenmalig een herinneringsmail gestuurd. Uiteindelijk hebben 528 respondenten de vragenlijst ingevuld; een respons van 48%. Het gaat om 350 Stadspanelleden (respons=50%) en 178 Stadspaspanelleden (respons=44%). De uitkomsten van de enquête komen aan de orde in hoofdstuk 2. Bij de uitkomsten wordt er specifiek gekeken naar de groep met een laag inkomen (tot € 1.350 netto per maand). Van tevoren was de verwachting dat deze groep meer moeite zou hebben met het kopen van gezonde voeding.
In lijn hiermee laat de enquête zien dat 71% van de respondenten met een laag inkomen moeite heeft met rondkomen (28% grote moeite en 43% enige moeite). Onder de totale groep is dit 21%. De samenstelling van beide panels wordt weergegeven in de tabel hieronder. Figuur 1 Respondenten Stadspanel en Stadspaspanel naar achtergrondkenmerken (procenten) Stadspanel
Stadspaspanel
totaal
n=350
n=178
n=528
man
56%
26%
46%
vrouw
44%
72%
54%
tot en met 35 jaar
3%
9%
5%
35-64 jaar
50%
59%
53%
65+
47%
32%
42%
alleenstaand
45%
63%
51%
huishouden met kind
17%
30%
21%
huishouden zonder kind
38%
7%
28%
laag inkomen (tot € 1.350 per maand)
8%
71%
29%
geen laag inkomen
92%
29%
71%
aantal respondenten geslacht
leeftijd
huishoudsamenstelling
inkomen
7
1 Financieel kwetsbare Amsterdammers
Op basis van beschikbare gegevens van het CBS en van O&S brengen we in dit hoofdstuk risicogroepen in kaart: huishoudens die naar alle waarschijnlijkheid moeite hebben met het bekostigen van gezonde voeding. We doen dit op basis van gegevens over kwetsbaarheid, woonlasten en schulden. We gaan ervan uit dat (financiële) kwetsbaarheid leidt tot een hoog risico om gezonde voeding niet te kunnen betalen. Op basis van deze drie afzonderlijke bronnen schetsen we een beeld van: financieel kwetsbare Amsterdammers en hun kenmerken; waaronder huishoudens met kinderen; geografische spreiding in de stad: in welke gebieden wonen relatief veel (financieel) kwetsbare Amsterdammers.
1.1 Kwetsbare Amsterdammers Een natuurlijk aanknopingspunt om financiële kwetsbaarheid in kaart te brengen is het inkomen van Amsterdammers en hun huishoudens. Deze beschrijft O&S uitvoerig in de Armoedemonitor (O&S, 2022, Minima in Amsterdam, Kerncijfers 2020). Toch heeft het Nibud in 2019 geconcludeerd dat Amsterdamse minima in principe moeten kunnen rondkomen, dat wil zeggen hun vaste en noodzakelijke lasten – inclusief gezond voedsel – zouden moeten bekostigen van hun inkomsten (Nibud, 2019, Minima-effectenrapportage gemeente Amsterdam). Het Nibud verbindt wel een voorwaarden aan deze conclusie: men moet zeer goed met geld kunnen omgaan, alle inkomensondersteuning aanvragen waar men recht op heeft, en geen hoge onvermijdbare kosten hebben. In 2019 was bovendien nog geen sprake van de huidige inflatie en hoge energiekosten (zie CBS, 2022, Inflatie 8,6 procent in juni). Om in te zoomen op Amsterdammers die door de stapeling van problemen meer risico’s lopen om gezonde voeding niet te kunnen bekostigen gebruiken we de kwetsbaarheidsscore. Deze is ontwikkeld door O&S en combineert de vier belangrijkste voorspellers voor een lagere kwaliteit van leven in één getal, die voor elke Amsterdammer berekend kan worden.
Elk van de volgende kenmerken leidt tot een score 1: een laag inkomen (gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen in de laagste 20% van Nederland), een maximaal mbo1-opleidingsniveau, geen werk en hogere ziektekosten dan de gemiddelde Amsterdammer. We gaan ervan uit dat deze vier domeinen van invloed zijn op financiële kwetsbaarheid, vanwege de financiële positie (laag inkomen, geen werk), hogere kosten (hoge gezondheidskosten), en/of vanwege het risico op niet-gebruik van regelingen en/of op niet kunnen omgaan met geld (opleidingsniveau tot mbo1, geen werk, hoge gezondheidskosten). De totaalscore komt uit op een getal tussen 0 (niet kwetsbaar) en 4 (meest kwetsbaar), waarmee wordt aangegeven op hoeveel van deze voorspellers een persoon kwetsbaar is. Om de kwetsbaarheidsscore te berekenen gebruikt O&S data afkomstig van CBS. De meest recente beschikbare data is van 2020. 8
Voor deze analyses kijken we naar Amsterdammers met een score 3 en 4, oftewel de groep (meest) kwetsbare Amsterdammers. We verwachten dat zij nu al problemen ondervinden bij het bekostigen van gezonde voeding. Daarnaast kijken we ook naar Amsterdammers met de score 2 (enigszins kwetsbaar): zij riskeren het niet kunnen betalen van gezonde voeding. Op deze manier bekeken is 26% van de Amsterdammers in 2020 (enigszins) kwetsbaar: 11% is (meest) kwetsbaar en 15% enigszins kwetsbaar. In aantal gaat om bijna 100.000 Amsterdammers die (meest) kwetsbaar zijn, en bijna 135.000 Amsterdammers die enigszins kwetsbaar zijn.
1.1.1 Ouderen zijn het vaakst kwetsbaar Ruim de helft van de Amsterdammers van 66 jaar en ouder is (enigszins) kwetsbaar (55%, zie figuur 1.1). In het algemeen geldt dat naarmate de leeftijd hoger ligt, het aandeel kwetsbare personen hoger is. De groep van 25- t/m 34-jarigen vormt hier echter een uitzondering op; personen van deze leeftijd zijn minder vaak kwetsbaar dan personen onder de 25 jaar (resp. 14% versus 18%). Het verband tussen leeftijd en kwetsbaarheidsscore heeft waarschijnlijk te maken met de hogere zorgkosten van ouderen, maar niet alleen. In Amsterdam zijn er relatief veel ouderen met een laag inkomen. Figuur 1.1 Aandeel (enigszins) kwetsbare Amsterdammers per leeftijdsgroep, 2020 (procenten) 24 en jonger
5
13
25 t/m 34
5
9
kwetsbaar enigszins kwetsbaar
35 t/m 44
10
45 t/m 54
13
55 t/m 65
nauwelijks kwetsbaar niet kwetsbaaar
13
onbekend 16
20
66 en ouder
19
25
totaal
11 0
30 15 20
40
60
80
100
%
Bron: CBS/ bewerking O&S
1.1.2 Eenoudergezinnen het vaakst kwetsbaar Ook de samenstelling van het huishouden doet ertoe voor waar kwetsbaarheid. Het vaakst komt het voor in eenoudergezinnen: vier op de tien personen in eenoudergezinnen zijn (enigszins) kwetsbaar (41%, zie figuur 1.2). Van de personen in huishoudens met kinderen is een kwart (enigszins) kwetsbaar; van de paren zonder kinderen 21%. Onder alleenstaanden komt kwetsbaarheid relatief veel voor, een derde deel van hen is (enigszins) kwetsbaar (33%).
9
Figuur 1.2 Aandeel (enigszins) kwetsbare Amsterdammers per huishoudentype, 2020 (procenten) eenoudergezin
19
kwetsbaar
22
enigszins kwetsbaar paar met kind(eren)
10
nauwelijks kwetsbaar
15
niet kwetsbaaar thuiswonend kind
5
paar zonder kinderen
8
onbekend
14
13
alleenstaand
14
totaal
11
19 15
% 0
20
40
60
80
100
Bron: CBS/ bewerking O&S
1.1.3 Meer kwetsbaarheid bij gezinnen met oudere kinderen en bij grotere gezinnen Bij huishoudens met kinderen is er verschil in kwetsbaarheid naar de leeftijd van de minderjarige kinderen: kwetsbaarheid komt vaker voor in huishoudens waarvan de leeftijd van het oudste kind hoger ligt. Zo is 27% van de huishoudens met een oudste kind in de leeftijdsgroep 13 t/m 17 jaar (enigszins) kwetsbaar, versus 16% bij de leeftijdsgroep onder de 4 jaar en 20% bij de groep 4 t/m 12 jaar. Dit zou kunnen samenhangen met de leeftijd van de ouders: oudere kinderen hebben over het algemeen ook oudere ouders. Zoals we eerder zagen neemt de kwetsbaarheid met de leeftijd toe. Huishoudens met drie of meer minderjarige kinderen zijn vaker kwetsbaar dan huishoudens met minder kinderen. Drie op de tien huishoudens met drie of meer kinderen is (enigszins) kwetsbaar (30%) versus twee op de tien bij minder kinderen (bij 2 kinderen 18% en bij 1 kind 20%). Het vaakst komt kwetsbaarheid voor in eenoudergezinnen met drie of meer minderjarige kinderen (61% (enigszins) kwetsbaar) en daarna in eenoudergezinnen met twee kinderen waarvan de oudste jonger is dan vier jaar (51%).
1.1.4 Relatief veel kwetsbare inwoners van Zuidoost, Noord en Nieuw-West De hoogste aandelen (enigszins) kwetsbare bewoners zijn te vinden in de stadsdelen Zuidoost, Noord en Nieuw-West (zie figuur 1.3).
10
Figuur 1.3 Aandeel (enigszins) kwetsbare Amsterdammers per stadsdeel, 2020 (procenten) Centrum
8
kwetsbaar
15
West
12
Nieuw-West
13
enigszins kwetsbaar
14
nauwelijks kwetsbaar
18
niet kwetsbaaar onbekend
Zuid
8
14
Oost
10
13
Noord
13
18
Zuidoost
13
18
totaal
11
15 %
0
20
40
60
80
100
Bron: CBS/ bewerking O&S
In figuur 1.4 is het percentage (meest) kwetsbare bewoners per wijk afgebeeld. Het gaat hier alleen om de groep met een kwetsbaarheidsscore van 3 of 4. Zoals eerder opgemerkt geldt dat voor 11% van alle Amsterdammers, maar in de van Galenbuurt (28%) in West en in Lutkemeer/Ookmeer (26%) in Nieuw-West is dit percentage veel hoger. Ook in Volewijck, Tuindorp Buiksloot (beiden in Noord) en Indische Buurt-Oost (Oost) is het relatief heel hoog (allen 18%). De kaart laat zien dat er vooral veel kwetsbare bewoners zijn in veel wijken van Noord, Nieuw-West en Zuidoost, en delen van Oost. Figuur 1.4 Aandeel (meest) kwetsbare Amsterdammers per wijk, 2020 (procenten)
Bron: CBS/ bewerking O&S
11
1.2 Amsterdammers met hoge woonlasten Met de enquête Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (WiMRA) 2021 van O&S kunnen de woonkosten van Amsterdamse huishoudens in beeld worden gebracht. De laatste WiMRAenquête is in 2021 afgenomen, onder 20.176 Amsterdammers (O&S, 2022, Factsheet Wonen in Amsterdam 2021). De woonlasten worden uitgedrukt in een woonquote: het percentage van het inkomen dat naar vaste woonlasten gaat. Gemiddeld besteden Amsterdamse huishoudens 31% van hun inkomen aan deze woonlasten. Achter dit gemiddelde schuilen grote verschillen.
1.2.1 Hoge woonlasten voor eenoudergezinnen en alleenwonenden Zo zijn de woonlasten het hoogst voor eenoudergezinnen met minderjarige kinderen (37%, zie figuur 1.5). Ook alleenwonenden hebben een hogere woonquote dan gemiddeld (35% versus 31%). Daarentegen hebben stellen een relatief lage woonquote. Alleenstaanden en alleenstaande ouders hebben per definitie één inkomen terwijl stellen vaker twee inkomens hebben. De verschillen naar huishoudtype laten zien dat de woonquote samenhangt met het aantal inkomens in het huishouden. Figuur 1.5 Gemiddelde woonquote naar huishoudtype, 2021 (procenten) alleenwonend
35
stel zonder kinderen
26
eenoudergezin, oudste (minderjarige) kind < 18 jaar
37
eenoudergezin, alleen meerderjarige kinderen
32
stel met kind(eren), oudste (minderjarige) kind < 18 jaar
27
stel met kind(eren), alleen meerderjarige kinderen
25
totaal
31 0
10
20
30
40
% 50
bron: O&S/ WIMRA 2021
Bij eenoudergezinnen met minderjarige kinderen ligt de woonquote het hoogst wanneer het oudste kind onder de 13 jaar is (rond de 39% versus 35% bij oudere kinderen). Bij stellen met kinderen maken de leeftijden van de kinderen geen verschil voor de gemiddelde woonquote. Verder blijkt dat huishoudens met drie of meer minderjarige kinderen gemiddeld een hogere woonquote hebben dan huishoudens met minder kinderen. Bij stellen met drie of meer kinderen is dat respectievelijk 30% versus 26% en bij eenoudergezinnen 40% versus 37%.
1.2.2 Grote verschillen naar inkomen Huishoudens met een laag inkomen (tot de huurtoeslaggrens) geven gemiddeld 40% van hun inkomen aan woonlasten uit. Ook de woonquote voor huishouden met inkomens tot € 40.024 ligt nog iets bovengemiddeld (34% versus 31%). De woonquote neemt gestaag af naarmate het 12
inkomen hoger is (zie figuur 1.6). Zo geven huishoudens met een inkomen vanaf twee keer modaal 22% van hun inkomen uit aan woonlasten. Figuur 1.6 Gemiddelde woonquote naar huishoudinkomen, 2021 (procenten) lage inkomens tot huurtoeslaggrens
40
inkomens vanaf pot.hts-groep tot €40.024 (EU-grens)
34
lage middeninkomens EU-grens - €50.030
31
middeninkomens (€50.030 -1,5x modaal)
29
hogere middeninkomens (1,5x modaal - 2x modaal)
27
hogere inkomens (vanaf 2x modaal)
22
totaal
31 0
10
20
30
40
% 50
bron: O&S/ WIMRA 2021
1.2.3 Veruit hoogste woonlasten voor jongeren met laag inkomen Jongeren hebben veruit de hoogste woonlasten. Jongeren van 18 t/m 24 jaar besteden gemiddeld 44% van hun inkomen aan woonlasten. De groep van 25 t/m 34 jaar heeft een iets hogere woonquote dan gemiddeld, namelijk 33%. De overige leeftijdsgroepen zitten net op of onder het Amsterdamse gemiddelde (zie figuur 1.7). Kijken we naar zowel leeftijd als inkomen, dan zien we dat alle leeftijdsgroepen te maken hebben met een hoge woonquote als ze een laag inkomen hebben. Zo hebben jongeren (18 t/m 24 jaar) in de laagste inkomensgroep een woonquote van 46% en 66-plussers in dezelfde inkomensgroep 37%. Met andere woorden: bij een laag inkomen zijn de verschillen in woonquote naar leeftijd kleiner dan wanneer we het inkomen niet meenemen.
13
Figuur 1.7 Gemiddelde woonquote naar leeftijd, 2021 (procenten) 44
18 t/m 24
ongeacht inkomen 46 lage inkomens tot huurtoeslaggrens
33
25 t/m 34
43 30
35 t/m 44
42 30
45 t/m 54
40 31
55 t/m 65
41 30
66 en ouder
37
0
10
20
30
%
40
50
1.2.4 Lage inkomens hebben hoge woonlasten in Oud-Oost en Osdorp De gemiddelde woonquota verschillen nauwelijks tussen de stadsdelen; het varieert van 30 tot en met 32%. Ook zien we geen grote verschillen tussen leeftijdsgroepen in verschillende stadsdelen. Voor de groep jongeren (18 t/m 24 jaar) kunnen we niet uitsplitsen naar stadsdeel omdat de aantallen respondenten te klein zijn. Wat wel opvalt is de hoge gemiddelde woonquote van 25- t/m 34-jarigen die wonen in stadsdeel Centrum (37% t.o.v. 33% gemiddeld voor die leeftijdsgroep). De gemiddelde woonquote in de 22 gebieden varieert van 26%, in De Aker/Nieuw Sloten, tot en met 35% in Bijlmer-Centrum. Ook in Osdorp is het woonquote met 34% bovengemiddeld, vooral in Osdorp-Midden (37%). In de gebieden Buitenveldert/Zuidas en in De Pijp/Rivierenbuurt is de woonquote 33%. Zoomen we in op huishoudens in de laagste inkomenscategorie dan zien we dat de woonquote in alle gebieden boven het stedelijk gemiddelde ligt. De laagste woonquote voor deze groep op gebiedsniveau is 37%. Amsterdammers met de laagste inkomens hebben in Buitenveldert/Zuidas (42%) en in Osdorp (41%) de hoogste woonlasten.
14
Figuur 1.8 Woonquote van huishoudens met een inkomen tot € 40.024 (EU-grens), 2021
bron: O&S/ WIMRA 2021
Tot slot hebben we ook gekeken naar de relatie tussen woningkenmerken en de gemiddelde woonquote. We zien weinig verschillen als we rekening houden met de bouwperiode van de woning, maar wel naar oppervlakte van de woning. Bij grotere woningen hebben Amsterdammers gemiddeld een lagere woonquote. Dat geldt echter niet voor alleenstaanden: ook in grote woningen hebben zij een relatief hoge woonquote (voor eenoudergezinnen zijn de aantallen te klein om hier uitspraken over te doen).
1.3 Amsterdammers met problematische schulden Het CBS heeft bestaande registerdata gecombineerd om in beeld te brengen hoeveel Nederlandse huishoudens tussen 1 januari 2015 en 1 oktober 2020 te maken hadden met geregistreerde problematische schulden. Het gaat hierbij om registraties over betalingsachterstanden bij de Belastingdienst, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), bij BKR geregistreerde betalingsachterstanden en schuldregelingen, wanbetalers van de zorgverzekering, de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en het Centraal Curatele en Bewind Register (CCBR). De gegevens over huishoudens met problematische schulden zijn beschikbaar voor heel Nederland naar verschillende huishoudkenmerken en voor sommige indicatoren ook op stedelijk niveau (zie CBS, Schuldenproblematiek in beeld). Op basis van registraties van problematische schulden had 10,6% van de Amsterdamse huishoudens in oktober 2021 problematische schulden, in aantal ruim 50.000 huishoudens. Het percentage huishoudens met problematische schulden daalt de afgelopen jaren: in januari 2015 was dit 12,4%. Amsterdam telt relatief veel huishoudens met problematische schulden vergeleken met het landelijk gemiddelde (7,6% in oktober 2021).
15
Figuur 1.9 Percentage huishoudens met problematische schulden in Nederland en in Amsterdam, januari 2015 – oktober 2021 (procenten) 20
%
15 12,4
12,2 10,6
10 8,6
8,6
7,8
11,2
11,3
8,3
8,1
10,6
10,2
10,6
7,9
7,4
7,6
Amsterdam
Nederland 5
0
Bron: CBS/ bewerking O&S
1.3.1 Eenoudergezinnen hebben vaker problematische schulden Huishoudens met kinderen hebben vaker schulden dan huishoudens zonder kinderen. Dat geldt vooral voor eenoudergezinnen: een kwart heeft problematische schulden, ruim twee keer zoveel als gemiddeld. Figuur 1.10 Amsterdamse huishoudens met en zonder problematische schulden, naar huishoudtype, oktober 2021 (procenten) eenoudergezin
24
paar met kind(eren)
76
15
85
paar zonder kinderen
7
93
alleenstaand
8
92
overig
18
82
% 0
20
40
met geregistreerde problematische schulden
60
80
100
zonder geregistreerde problematische schulden
Bron: CBS/ bewerking O&S
Daarnaast zien we dat hoe meer kinderen er in het huishouden zijn, hoe vaker huishoudens schulden hebben. Bij drie kinderen of meer heeft 24% van de huishoudens schulden, bij een kind
16
is dit 17%. Dat is alsnog twee keer zoveel als het percentage huishoudens zonder kinderen dat problematische schulden heeft. Figuur 1.11 Amsterdamse huishoudens met en zonder problematische schulden, naar aantal kinderen in het huishouden, oktober 2021 (procenten) 3 of meer kinderen
24
76
2 kinderen
16
84
1 kind
17
83
geen kinderen
8 0
92 20
40
met geregistreerde problematische schulden
60
80
100
%
zonder geregistreerde problematische schulden
Bron: CBS/ bewerking O&S
1.3.2 Bij lage inkomens twee keer zo vaak problematische schulden Van de huishoudens met een laag inkomen heeft 19% problematische schulden – onder overige huishoudens is dit 10%. Dat betekent dat huishoudens met een laag inkomen twee keer zo vaak problematische schulden hebben dan huishoudens die geen laag inkomen hebben. Het verschil zit vooral onder de groep met een jaarinkomen tussen € 10.000 en € 20.000. Vanaf een jaarinkomen van € 40.000 daalt het percentage huishoudens met problematische schulden sterk. Het gaat bij het jaarinkomen om het gestandaardiseerd besteedbaar jaarinkomen, oftewel het besteedbaar huishoudinkomen (het bruto-inkomen minus belastingen), gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Kijken we ook naar bron van het inkomen, dan blijkt dat vooral huishoudens met een bijstandsuitkering vaak problematische schulden hebben: 23%, vs. 8% in huishoudens zonder bijstandsuitkering.
17
Figuur 1.12 Percentage Amsterdamse huishoudens met problematische schulden onder huishoudens met een laag huishoudinkomen of niet, en met een bijstandsuitkering in het huishouden of niet, oktober 2021 (procenten) laag huishoudinkomen
19
geen laag huishoudinkomen
81
10
bijstandsuitkering in huishouden
90
23
geen bijstandsuitkering in huishouden
77
8 0
92 20
met geregistreerde problematische schulden
40
60
80
100
%
zonder geregistreerde problematische schulden
Bron: CBS/ bewerking O&S
1.4 Samenvattend: risico’s betaalbaarheid gezonde voeding Aan de hand van gegevens over kwetsbaarheid, hoge woonlasten en problematische schulden hebben we in kaart gebracht welke groepen Amsterdammers financieel kwetsbaar zijn, voor wie het betalen van gezonde voeding waarschijnlijk lastig is. Met de data over kwetsbaarheid en over problematische schulden kunnen we de omvang van de groep bij benadering aangeven. In Amsterdam zijn er bijna 100.000 (meest) kwetsbare inwoners en ruim 50.000 huishoudens met problematische schulden. We weten niet wat de overlap precies is tussen deze groepen, maar beide bronnen geven een grove indicatie van hoeveel Amsterdammers waarschijnlijk moeite hebben om gezonde voeding te betalen. Verder geven de verschillende bronnen inzicht in de belangrijkste risicogroepen. Zo komen eenoudergezinnen steeds naar voren als een zeer kwetsbare groep: 19% van de personen in eenoudergezinnen behoort tot de (meest) kwetsbaren, eenoudergezinnen besteden gemiddeld 37% van het inkomen aan woonlasten en 24% heeft problematische schulden. Ook paren met kinderen zijn vaker dan gemiddeld financieel kwetsbaar, al is dat in mindere mate het geval. Maar we kunnen wel concluderen dat huishoudens met kinderen relatief vaak financieel kwetsbaar zijn en daarmee waarschijnlijk vaker moeilijk gezonde voeding kunnen betalen.
Daarnaast zien we vooral dat de hoogte van het inkomen een grote rol speelt. Huishoudens met lage inkomens hebben vaker dan gemiddeld problematische schulden, relatief hoge woonlasten en personen in deze huishoudens hebben te maken met een stapeling van problemen zoals de kwetsbaarheidsscore laat zien. Het is van belang deze inzichten naast de conclusies van het Nibud (2019, Minima-effectenrapportage voor Amsterdam) te zetten. Daarin rekent het Nibud met aanbevolen hoeveelheden voor een gezonde voeding van het Voedingscentrum en de prijzen van het CBS, en concludeert dat alle Amsterdamse minimahuishoudens in principe gezond voedsel zouden moeten kunnen betalen. De kanttekeningen die het Nibud hierbij plaatst 18
verdienen door de resultaten in ons onderzoek nog meer aandacht: in de berekeningen zijn schulden niet meegenomen. Verder geldt voor de berekeningen van het Nibud dat deze enkel gelden voor huishoudens die goed met geld kunnen omgaan, alle inkomensondersteuning aanvragen waar recht op is en geen hoge onvermijdbare kosten hebben. Ons onderzoek maakt duidelijk dat aan deze voorwaarden niet door iedereen kan worden voldaan. Bovendien was van de huidige inflatie en hoge energieprijzen in 2019 nog geen sprake. Of iemand voldoende middelen heeft om gezonde voeding te kunnen betalen hangt daarnaast niet alleen af van inkomen, schulden en vaste lasten, maar ook van de financiële keuzes die mensen maken (bijvoorbeeld voor een duurdere ziektekostenverzekering). Ook hangt de consumptie van gezonde voeding af van een verscheidenheid aan factoren zoals kennis, tijd, kunnen omgaan met geld en stress. Deze factoren staan een gezond voedingspatroon doorgaans in de weg; ook wanneer dit in financieel opzicht wel haalbaar zou moeten zijn. Deze onderwerpen kwamen aan de orde in de enquête onder Amsterdammers, onderwerp van hoofdstuk 2.
19
2 Keuzes van Amsterdammers bij het kopen van voeding
In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van de enquête besproken. Aan bod komt onder andere hoe vaak Amsterdammers verschillende etenswaren eten, hoe vaak zij bepaalde voedingsmiddelen en maaltijden kopen en wat men belangrijk vindt bij het kiezen en kopen van voedselproducten. Ook wordt er besproken hoeveel geld en tijd Amsterdammers gemiddeld besteden aan het kopen van voeding. Verder wordt er gekeken in hoe verre men het eens is met een aantal stellingen en hoe vaak bepaalde situatie de afgelopen 12 maanden voorkwamen. Tot slot komen tips van respondenten aan de orde, over hoe de gemeente zou kunnen helpen om gezonder te eten. Bij de uitkomsten wordt er specifiek gekeken naar de groep met een laag inkomen (tot € 1.350 netto per maand). Inkomen blijkt een cruciale factor te zijn waarmee de betaalbaarheid en consumptie van gezonde voeding samenhangt.
2.1 Respondenten met een laag inkomen eten relatief minder vaak gezond Er is aan de respondenten gevraagd hoeveel dagen in een gewone week zij verschillende soorten etenswaren eten. De meeste respondenten eten bijna dagelijks ontbijt en groenten (onder de totale groep respondenten 79%, onder respondenten met een laag inkomen 70%). Daarnaast eet de meerderheid dagelijks fruit of een zelfgemaakte warme maaltijd (beiden 59%). Figuur 2.1 Hoeveel dagen in een gewone week eet u…? totale steekproef (n=528; procenten) een maaltijd van een restaurant of café
89
7 4
een maaltijd van een fastfood restaurant of snackbar
91
3 5
een maaltijd van het bedrijfsrestaurant
87
4
9
een kant-en-klaar maaltijd of diepvriesmaaltijd
83
13
1
53
koeken, cake of taart
40 66
hartige snacks (bv. chips, gefrituurde snack of shoarma)
31
59
drankjes met suiker
17
zelfgemaakte warme maaltijd 4
37
59
8
33
59
fruit groente 2
0 1 dag of minder
26 10
ontbijt
8 3 23
1
72
12
79 20
2 tot 5 dagen
40 6 tot 7 dagen
60
% 80
100
weet niet/ geen antwoord
Er zijn wel verschillen tussen groepen. Respondenten met een laag inkomen eten bovengenoemde etenswaren minder vaak dagelijks dan gemiddeld. Vooral groente wordt minder vaak bijna dagelijks gegeten door mensen met een laag inkomen (55% tegenover 72% 20
gemiddeld). Drankjes met suiker worden juist relatief vaker gedronken door mensen met een laag inkomen; 46% geeft aan dit slechts één dag in de week te doen of minder (tegenover 59% gemiddeld). Figuur 2.2 Hoeveel dagen in een gewone week eet u…? respondenten met een laag inkomen (n=154; procenten) 90
een maaltijd van een restaurant of café
41 6
een maaltijd van een fastfood restaurant of snackbar
88
51 7
een maaltijd van het bedrijfsrestaurant
87
20 11
77
een kant-en-klaar maaltijd of diepvriesmaaltijd
54
koeken, cake of taart
36 34
46
drankjes met suiker
6
zelfgemaakte warme maaltijd
23
14
fruit
0
2 1
47
41 15
31
47 40
groente 4 ontbijt
29
46
26 9 1
63
hartige snacks (bv. chips, gefrituurde snack of shoarma)
1 dag of minder
17
55
14
70
20
40
2 tot 5 dagen
1%
60
6 tot 7 dagen
80
100
weet niet/ geen antwoord
Er is ook gevraagd naar hoe vaak respondenten bepaalde voedingsmiddelen en maaltijden kopen. De meeste mensen doen het vaakst boodschappen bij hun in de buurt in een supermarkt, winkel of op de markt (72% doet dit vaker dan één keer per week). Ook doen zij relatief vaak boodschappen buiten hun buurt. De grote meerderheid doet nooit online boodschappen bij een flitsbezorger (92%) of online boodschappen bij een supermarkt (72%). We zien nauwelijks verschillen als we kijken naar de groep met een laag inkomen. Figuur 2.3 Hoe vaak koopt u voedingsmiddelen en maaltijden op de onderstaande manier? (n=498; procenten) 92
Online boodschappen bij een flitsbezorger
6 1
72
Online boodschappen bij een supermarkt
15
63
Online maaltijden Boodschappen kopen buiten mijn buurt in een supermarkt, winkel of op de markt
18
Boodschappen kopen in de buurt in een supermarkt, 13 winkel of op de markt
37 24
nooit
0 20 40 1 keer per maand of minder
bijna dagelijks
weet ik niet/ geen antwoord
72
11 1
26
9 2
37
7
%
60 80 100 1 keer per week of minder
21
2.2 Betaalbaarheid van voedselproducten heel belangrijk De respondenten konden (maximaal) vijf kenmerken kiezen die ze het belangrijkst vinden bij het kiezen en kopen van voedselproducten. Het belangrijkste kenmerk vinden de respondenten de betaalbaarheid van de voedselproducten (92%). Ook dat het goed is voor de gezondheid wordt vaak genoemd. Respondenten met een laag inkomen vinden dit iets minder vaak belangrijk (75% tegenover 82% gemiddeld). Daarnaast vinden respondenten met een laag inkomen het veel minder vaak belangrijk dat zij of hun partner het eten lekker vinden (31% tegenover 75% gemiddeld). Verder noemen ze het milieu minder vaak als een van de belangrijkste kenmerken bij het kiezen en kopen van voedselproducten (17% tegenover 30% gemiddeld). Figuur 2.4 Belangrijkste kenmerken bij het kiezen en kopen van voedselproducten (procenten) is betaalbaar
is goed voor de gezondheid vind ik en/of mijn partner lekker
75 75
31
is gemakkelijk klaar te maken is diervriendelijk
28
voel ik me goed bij
27
is veilig
27
voldoet aan mijn dieetwensen
is goed voor het milieu
17
is bekend voor me ziet er aantrekkelijk uit vinden de kinderen lekker 5 5
anders
0
12 11 12
35
82
92 90
45 43
33 33
33 35 30
22 19 17
20
40 totaal (n=528)
60
80
% 100
laag inkomen (n=154)
Er is ook aan de respondenten gevraagd hoeveel geld en tijd zij gemiddeld in een week besteden aan het kopen van voedingsmiddelen. Gemiddeld geven de respondenten €116 uit aan boodschappen per week. De respondenten met een laag inkomen geven minder uit per week; gemiddeld €69. Deze groep besteedt ook iets meer tijd aan het doen van boodschappen; 4,4 uur tegenover 4,1 uur gemiddeld. Eenpersoonshuishoudens geven gemiddeld minder uit per week, namelijk €76. Daarnaast hebben de eenpersoonshuishoudens ook vaker een laag inkomen (43% tegenover 28% onder huishoudens met kinderen en 4% onder huishoudens zonder kinderen). Hoewel huishoudens met kinderen relatief gemiddeld het meeste uitgeven, zien we een groot verschil in inkomen binnen deze groep huishoudens. Huishoudens met kinderen zonder een laag inkomen geven bijna twee keer zoveel geld uit dan huishoudens met kinderen en een laag inkomen. Het gaat vooral om alleenstaande ouders in deze tweede groep.
22
Figuur 2.5 Hoeveel geld geeft uw huishouden gemiddeld aan voeding uit per week? (in € ).
huishoudsamenstelling inkomen
gemiddeld (n=412)
115,7
laag inkomen (n=129)
69,2
overig inkomen (n=283)
136,9
alleenstaand (n=212)
75,6
huishouden zonder kinderen (n=112)
152,1
huishouden met kinderen (n=87)
165,3 0
25
50
75
100
125
150
€
175
200
2.3 Acht op de tien respondenten met een laag inkomen zouden gezonder eten bij meer financiële middelen Aan de respondenten zijn ook een aantal stellingen voorgelegd over de mogelijke belemmeringen om gezond te eten. De meeste respondenten zijn het (helemaal) eens met de stelling “mijn huishouden heeft voldoende tijd om gezonde voeding te kopen” en “mijn huishouden heeft voldoende tijd om een gezonde maaltijd klaar te maken” (respectievelijk 90% en 88%). Respondenten met een laag inkomen zijn het minder vaak helemaal eens met deze stellingen (38% en 31% tegenover 50% en 45% gemiddeld). Deze groep respondenten is het ook minder vaak helemaal eens met de stelling dat er voldoende winkels zijn in de buurt die gezonde voeding verkopen (25% tegenover 38% gemiddeld). Daarnaast zijn ze het juist veel vaker (helemaal) eens met de stelling dat zij gezonder zouden eten als ze meer financiële middelen zouden hebben (81% tegenover 39% gemiddeld). We zien nauwelijks verschillen tussen de twee groepen op de laatste stelling over het aanbod van ongezonde voeding in de buurt.
laag inkomen (n=154)
totaal (n=528)
Figuur 2.6 Kunt u aangeven in hoe verre u het eens bent met de volgende stellingen? (procenten) Mijn huishouden heeft voldoende tijd om gezonde voeding te kopen. Mijn huishouden heeft voldoende tijd om een gezonde maaltijd klaar te maken In de buurt waarin ik woon zijn voldoende winkels waar ik gezonde voeding kan kopen
50
40
45
43
38
In de buurt waarin ik woon is teveel aanbod van ongezonde voeding Mijn huishouden heeft voldoende tijd om gezonde voeding te kopen. Mijn huishouden heeft voldoende tijd om een gezonde maaltijd klaar te maken In de buurt waarin ik woon zijn voldoende winkels waar ik gezonde voeding kan kopen
16
17
24
14
19 28
38
46
25
44
21 0
22
5 5 8
10
7 13
11
6 33
25 23
20
6 41
13
57
In de buurt waarin ik woon is teveel aanbod van ongezonde voeding
12
17
40
32
Ik zou gezonder eten als ik meer financiële middelen zou hebben
7 4 11
39
24
Ik zou gezonder eten als ik meer financiële middelen zou hebben
6 311
40
11
61
10 3 3 3
25
15
60
80
4
12
% 100
helemaal mee eens
mee eens
niet mee eens/ niet mee oneens
mee oneens
helemaal mee oneens
weet ik niet/ geen antwoord
23
2.4 Bij laag inkomen slaat ruim 40% weleens een maaltijd over of eet minder Vervolgens is er gevraagd naar hoe vaak twee situaties zich hebben voorgedaan de afgelopen 12 maanden. De eerste situatie is dat het eten dat gekocht werd niet genoeg was en er geen geld meer was om eten te kopen. In totaal kwam dit bij 10% van de respondenten soms voor en bij vijf procent kwam dit zelfs vaak voor. Deze aandelen zijn flink hoger onder respondenten met een laag inkomen (respectievelijk 26% en 15%). De tweede situatie is dat er niet genoeg geld was om een gezonde maaltijd te eten. Ook dit komt vaker voor onder respondenten met een laag inkomen (bij een derde kwam dit soms voor tegenover 14% gemiddeld en bij 23% kwam dit vaak voor tegenover 8% gemiddeld).
totaal (n=528)
Het eten dat ik of andere gezinsleden kochten was niet genoeg, en we hadden geen geld om meer eten te kopen.
laag inkomen (n=154)
Figuur 2.7 Kunt u aangeven in hoe verre u het eens bent met de volgende stellingen? (procenten).
Het eten dat ik of andere gezinsleden kochten was niet genoeg, en we hadden geen geld om meer eten te kopen.
81
Ik of andere gezinsleden hadden niet genoeg geld om een gezonde maaltijd te eten.
Ik of andere gezinsleden hadden niet genoeg geld om een gezonde maaltijd te eten.
dit kwam nooit voor
dit kwam soms voor
10 5 4
73
14
52 36
26 33
8 4 15
23
7 7
% 0 20 40 60 80 100 dit kwam vaak voor weet ik niet/ geen antwoord
Daarnaast is er ook gevraagd of de respondenten (of hun gezinsleden) in de laatste 12 maanden wel eens minder gegeten of een maaltijd overgeslagen hebben omdat er niet genoeg geld voor eten was. In totaal gaat het om 13% bij wie dit inderdaad het geval was. Dit aandeel is echter aanzienlijk hoger onder respondenten met een laag inkomen; ruim 40% heeft wel eens minder gegeten of een maaltijd overgeslagen. Voor de meerderheid gebeurt dit bijna elke maand (55%). Bij 28% kwam dit sommige maanden voor, maar niet elke maand en bij 10% gaat het om 1 of 2 maanden. Onder respondenten met een laag inkomen komt het ook vaker voor dat zij (of andere gezinsleden) de afgelopen 12 maanden wel eens te weinig gegeten hebben omdat er niet genoeg geld was (37% tegenover 12% gemiddeld). En heeft deze groep in de laatste 12 maanden vaker wel eens honger gehad, maar niet gegeten omdat ze niet meer eten konden kopen (18% tegenover 6% gemiddeld).
2.5 Bijna helft respondenten met laag inkomen heeft (zeer) lage voedselzekerheid De zes bovengenoemde stellingen zijn afkomstig uit een internationaal gevalideerd meetinstrument (6‑item USDA Household Food Security Survey Module), dat kan worden omgezet tot een schaal om voedselzekerheid te meten. Daarmee krijgen we inzicht in de vraag of mensen voldoende toegang hebben (zowel in financiële als in materiële zin) tot het eten dat 24
nodig is (zie van der Velde cs., 2021, Veranderingen in ervaren voedselzekerheid en eetgedrag in Nederland sinds de COVID-19-uitbraak). In totaal heeft 83% van de respondenten te maken met marginale voedselzekerheid, de rest is gelijk verdeeld tussen een groep met lage en een groep met zeer lage voedselzekerheid. De groep met een zeer lage voedselzekerheid heeft op vijf of meer stellingen instemmend geantwoord. Respondenten met een laag inkomen hebben aanzienlijk vaker te maken met een lage en zeer lage voedselzekerheid (respectievelijk 20% en 27%). Figuur 2.8 Voedselzekerheid voor de totale groep en de groep met een laag inkomen (procenten) totaal (n=528)
83
laag inkomen (n=154)
9
53 0
20
marginale voedselzekerheid
20 40
60
lage voedselzekerheid
9
27 80
100
%
zeer lage voedselzekerheid
2.6 Kleine groep ontvangt voedselhulp Hoewel veel mensen aangeven problemen te hebben met de betaalbaarheid van eten, geeft slechts drie procent (n=15) van de respondenten aan dat zij zich de afgelopen 12 maanden hebben aangemeld voor de Voedselbank (acht procent onder respondenten met een laag inkomen). Hiervan geeft ongeveer de helft aan dat de aanvraag is goedgekeurd (acht respondenten). Voor vier respondenten is de aanvraag afgewezen en voor twee is de aanvraag nog in behandeling (en één respondent gaf geen antwoord op de vraag). Weinig respondenten hebben dus daadwerkelijk gebruik gemaakt van de Voedselbank de afgelopen 12 maanden (13). En ook weinig respondenten hebben de afgelopen 12 maanden gebruik gemaakt van maaltijdvoorzieningen in de buurt, bijvoorbeeld een maaltijd in een buurthuis/Huis van de Wijk, bij een buurttafel (Resto van Harte) of in een wijkrestaurant. Het gaat om 29 respondenten, 6% van het totaal, en voornamelijk mensen met een laag inkomen.
2.7 Respondenten willen dat gezonde voeding betaalbaarder wordt Tot slot is er nog gevraagd hoe de gemeente zou kunnen helpen om gezonder te eten. Deze vraag is door ongeveer twee derde van de respondenten (n=334) ingevuld. Een aanzienlijk deel van de respondenten geeft aan dat gezond eten goedkoper moet worden aangeboden, door bijvoorbeeld de btw te verlagen. Sommige respondenten geven wel aan dat de rol van de gemeente hierin beperkt is, maar hopen bijvoorbeeld dat in gesprek gaan met de overheid hierover uitkomst kan bieden. Een ander deel vindt dat de gemeente zich meer moet inzetten om het aanbod van ongezonde voeding/aanbieders terug te dringen. Er wordt bijvoorbeeld voorgesteld om het aantal winkels dat ongezond eten/fastfood verkopen te reguleren. Tevens wordt er ook voorgesteld om ongezond eten/fastfood juist duurder te maken. Hieronder een paar voorbeelden van citaten.
25
Verder is er een groep respondenten die vindt dat mensen met een laag inkomen (financieel) meer moeten worden gesteund om gezonde voeding betaalbaarder te maken. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over vouchers of een tegoed op de Stadspas. Maar ook wordt er gepleit voor meer bekendheid of uitbreiding van bestaande regelingen (bijvoorbeeld Boeren voor buren en het uitdelen van voedselpakketten) en andere alternatieven (bijvoorbeeld Too good to Go). Als laatst geeft een deel aan dat de gemeente hier geen rol in heeft en het ook niet de taak van de gemeente is om mensen te helpen om gezonder te eten. Ook hiervan geven we hierboven een voorbeeld.
26
Literatuur
CBS. 07-07-2022. Inflatie 8,6 procent in juni. Den Haag: CBS. https://www.cbs.nl/nlnl/nieuws/2022/27/inflatie-8-6-procent-in-juni Nibud. 2019. Minima-effectenrapportage gemeente Amsterdam, De invloed van landelijke en gemeentelijke ondersteuning op de financiële positie van inwoners met een laag inkomen. Utrecht: Nibud. https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/8667841/1/03__Bijlage_2__Nibud_Minimaeffectrapportage_gemeente_Amsterdam_2019 O&S. 2022. Factsheet Wonen in Amsterdam 2021. Amsterdam: Onderzoek & Statistiek. https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/factsheet-wonen-in-amsterdam-2021-wimra O&S. 2022. Minima in Amsterdam, Kerncijfers 2020. Amsterdam: Onderzoek & Statistiek. https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/minima-in-amsterdam-kerncijfers-2020 Schulenberg, R. & M. Vlekke. 2022. Stresstest kosten van levensonderhoud. Den Haag: CPB. https://www.cpb.nl/stresstest-kosten-van-levensonderhoud van der Velde, L., M. Numans & J. Kiefte-de Jong. 2021. ‘Veranderingen in ervaren voedselzekerheid en eetgedrag in Nederland sinds de COVID-19-uitbraak’. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, 99 (83–94). https://doi.org/10.1007/s12508-021-00311-0
27
Bijlage 1: vragenlijst
O&S doet voor de GGD Amsterdam onderzoek naar de betaalbaarheid van gezonde voeding. We stellen u daarom graag een paar vragen over welk voedsel u koopt, waar, en wat uw keuzes zijn bij het kopen van voedsel. Dank voor uw medewerking. 1. Hoeveel dagen in een gewone week eet u: minder dan 1 ontbijt
1
2
3
4
5
6
7
Geen antwoord
groente fruit zelfgemaakte warme maaltijd drankjes met suiker (bv. frisdrank, vruchtensap, thee of koffie met suiker) hartige snacks (bv. chips, gefrituurde snack of shoarma) koeken, cake of taart een kant-en-klaar maaltijd of diepvriesmaaltijd een maaltijd van het bedrijfsrestaurant een maaltijd van een fastfood restaurant of snackbar een maaltijd van een restaurant of café 2. Kunt u aangeven welk van de onderstaande kenmerken u het belangrijkst vindt bij het kiezen en kopen van voedselproducten? Kruis maximaal 5 kenmerken aan. □ Is goed voor de gezondheid □ Is diervriendelijk □ Is veilig □ Is gemakkelijk klaar te maken □ Is betaalbaar □ vind ik en/of mijn partner lekker □ Is bekend voor me □ Is goed voor het milieu □ Ziet er aantrekkelijk uit □ Voel ik me goed bij □ vinden de kinderen lekker □ Voldoet aan mijn dieetwensen of voedselvoorschriften □ anders
28
□ Weet ik niet / Geen antwoord 3. Hoe vaak koopt u voedingsmiddelen en maaltijden op de onderstaande manier? nooit minder 1 keer 2-3 keer 1 keer 2-6 elke dan 1 per per per keer dag keer per maand maand week week maand Online maaltijden Online boodschappen bij een supermarkt Online boodschappen bij een flitsbezorger Boodschappen kopen in de buurt in een supermarkt, winkel of op de markt Boodschappen kopen buiten mijn buurt in een supermarkt, winkel of op de markt
Weet ik niet/ Geen antwoord
4. Hoeveel geld geeft uw huishouden gemiddeld aan voeding uit per week? We bedoelen het bedrag dat u besteedt aan het kopen van voedingsmiddelen in de winkel, maar ook aan buitenshuis eten of drinken. …….. euro per week □ Weet ik niet / geen antwoord 5. Hoeveel tijd besteedt uw huishouden gemiddeld per week aan het kopen van voedingsmiddelen? ………. uur per week □ Weet ik niet / geen antwoord 6. Kunt u aangeven in hoe verre u het eens bent met de volgende stellingen? Helemaal Mee eens Niet mee Mee Helemaal mee eens eens/ niet oneens mee mee oneens oneens
Weet ik niet/ geen antwoord
29
Mijn huishouden heeft voldoende tijd om gezonde voeding te kopen. Mijn huishouden heeft voldoende tijd om een gezonde maaltijd klaar te maken In de buurt waarin ik woon zijn voldoende winkels waar ik gezonde voeding kan kopen In de buurt waarin ik woon is teveel aanbod van ongezonde voeding Ik zou gezonder eten als ik meer financiële middelen zou hebben 7. De volgende stellingen gaan over de voedselinname in uw huishouden van de afgelopen 12 maanden en of u het eten dat u nodig had kon betalen. Kunt u aangeven hoe vaak het volgende voorkwam in de afgelopen 12 maanden? Het eten dat ik of andere gezinsleden kochten was niet genoeg, en we hadden geen geld om meer eten te kopen. □ Dit kwam vaak voor □ Dit kwam soms voor □ Dit kwam nooit voor □ Weet ik niet/ geen antwoord 8. Ik of andere gezinsleden hadden niet genoeg geld om een gezonde maaltijd te eten. □ Dit kwam vaak voor □ Dit kwam soms voor □ Dit kwam nooit voor □ Weet ik niet/ geen antwoord 9. In de laatste 12 maanden heb ik of andere gezinsleden wel eens minder gegeten of een maaltijd overgeslagen omdat er niet genoeg geld voor eten was. □ Ja □ Nee ⇾ ga door naar 11 □ Weet ik niet/ geen antwoord ⇾ ga door naar 11 10.Hoe vaak kwam dit de afgelopen 12 maanden voor? □ Bijna elke maand □ Sommige maanden maar niet elke maand □ 1 of 2 maanden □ Weet ik niet/ geen antwoord
30
11.In de laatste 12 maanden heb ik of andere gezinsleden wel eens te weinig gegeten omdat er niet genoeg geld voor eten was. □ Ja □ Nee □ Weet ik niet/ geen antwoord 12.In de laatste 12 maanden heb ik of andere gezinsleden wel eens honger gehad, maar niet gegeten omdat ik of andere gezinsleden niet meer eten konden kopen. □ Ja □ Nee □ Weet ik niet/ geen antwoord 13.Hoe zou de gemeente u kunnen helpen om gezonder te eten? <open tekstvak> □ Weet ik niet / geen antwoord Tot slot hebben we nog een paar vragen voor de statistiek. 14.Hoe is uw huishouden samengesteld? □ één persoon, alleenstaande -> ga door naar 16 □ (echt)paar zonder thuiswonende kind(eren) -> ga door naar 16 □ (echt)paar met thuiswonend(e) kind(eren) □ één-ouder met thuiswonend(e) kind(eren) □ anders, zonder thuiswonend(e) kind(eren) -> ga door naar 16 □ anders, met thuiswonend(e) kind(eren) □ weet niet, geen antwoord-> ga door naar 16 15.Wat is de leeftijd van uw kind(eren)? Meer antwoorden mogelijk. □ Jonger dan 12 jaar □ van 12 t/m 17 jaar □ 18 jaar of ouder □ weet niet, geen antwoord 16.Wat is uw belangrijkste bezigheid? Eén antwoord mogelijk.
□ werkzaam in loondienst, gesalarieerd □ zelfstandig werkzaam, freelance □ werkloos, werkzoekend, wachtgeld □ onderwijs volgend, studerend □ huisvrouw/huisman □ arbeidsongeschikt, invalide, langdurig ziek □ AOW, gepensioneerd, rentenierend, VUT □ vrijwilligerswerk □ anders, namelijk _____________________________________________ □ weet niet, geen antwoord
31
17.Wat is het netto inkomen per maand waarover uw huishouden beschikt? Dit is exclusief inkomen van kinderen jonger dan 18 jaar, vakantiegeld, kinderbijslag en neveninkomsten. □ netto 1000 euro per maand of minder □ netto tussen de 1001 euro en 1350 euro per maand □ netto tussen de 1351 euro en 2050 euro per maand □ netto tussen de 2051 euro en 3200 euro per maand □ netto tussen de 3201 euro en 4500 euro per maand □ netto tussen de 4501 euro en 6000 euro per maand □ netto boven de 6001 euro per maand □ weet ik niet/ geen antwoord 18.Heeft u de afgelopen 12 maanden moeite gehad om van het inkomen van uw huishouden rond te komen? □ nee, geen enkele moeite □ nee, geen moeite, maar ik moet wel opletten met mijn uitgaven □ ja, enige moeite □ ja, grote moeite □ weet ik niet/ geen antwoord 19.Heeft u zich in de afgelopen 12 maanden aangemeld bij de Voedselbank? □ ja □ nee -> ga door naar 22 □ weet ik niet/ geen antwoord -> door naar 22 20.Is uw aanvraag goedgekeurd? □ ja □ nee, de aanvraag is afgewezen □ nee, de aanvraag is nog in behandeling □ weet ik niet/ geen antwoord 21.Heeft u in de afgelopen 12 maanden gebruik gemaakt van de Voedselbank? □ ja □ nee □ weet ik niet/ geen antwoord 22.Heeft u in de afgelopen 12 maanden gebruik gemaakt van maaltijdvoorzieningen in de buurt, zoals een maaltijd in een buurthuis/Huis van de Wijk, bij een buurttafel (Resto van Harte) of in een
wijkrestaurant? □ ja □ nee □ weet ik niet/ geen antwoord Hartelijk dank voor uw deelname aan het onderzoek!
32
Bijlage 2: open antwoorden
Hoe zou de gemeente u kunnen helpen om gezonder te eten? Aanbod gezonde voeding versterken in combinatie met (lagere) prijs. Aansprekende voorlichting. Laagdrempelig en gericht op de multiculturele wijken. Aanbod ongezonde voeding verkooppunten afremmen. Meer voorlichtingscampagnes gezonde voeding. Subsidie scholen aankoop gezonde voeding. Aandringen bij de centrale overheid de belastingen op vet en suiker drastisch te verhogen en de prijs van gezonde alternatieven zoals groenten evt. te subsidiëren. Lokaal: minder aanbod van snackbars en andere ongezonde alternatieven, of regels stellen aan assortiment. aantal fastfood- en ijswinkels in het centrum terugdringen. Afgeven van vergunningen voor fast food ketens beperken, hogere belasting op 'slechte voeding' Alle uitbaters (foodtrucks, fast foodketens) van ongezond eten uit woonwijken weren en zeker uit de buurt van scholen houden. Alle winkels die zoetigheid of ongezonde fastfood verkopen te verbieden. Alleen nieuwe winkels toestaan die gezond eten verkopen Als vegetariër let ik al op wat ik koop en wat wij thuis eten. Denk dat het belangrijker is om scholen de optie te bieden om bij boerderijen langs te gaan om te laten zien waar het eten vandaan komt. Niet alle scholen hebben een schooltuin om al een deel van de voedselketen te kunnen laten zien. Kennis is belangrijk.
Basisinkomen voor iedereen! Maar dat is voor de landelijke politiek. Dus ik weet het niet, stel zelf prioriteiten en verkies goede voeding (=gezondheid) boven alles. Daardoor eet ik zo goed mogelijk, maar ga ik amper uit, niet met vakantie en heb ik geen huisdieren meer. Ik vind het een ontroerende vraag van de gemeente en hoop dat gezinnen met kinderen door de gemeente geholpen kunnen worden. Door samenwerking met bedrijven die gezond voedsel weg moeten gooien, bijvoorbeeld. Belasting op gezond eten omlaag, goedkopere huisvesting, gratis kinderopvang Belasting op groente en fruit omlaag! Groente en fruitpakket met stadspas zijn goed idee, maar ik kan het vanwege gezondheidsproblemen niet ophalen. Een oplossing voor mindermobiele mensen zou fijn zijn. Belasting tegen ongezonde producten en geen belasting voor fruit, groenten en gezonde voeding Belastingen verlagen op gezonde producten. Maar dat kan helaas niet. Is aan het kabinet. Belonen, belonen, belonen. Natuurlijk voedsel moet goedkoper en makkelijker verkrijgbaar zijn, bewerkt voedsel minder makkelijk. Het hoeft niet duurder te zijn, want dan lijden de goeden onder de kwaden. Ben wat autist dus vraag geen hulp beperken van hoeveelheid horeca en fastfood in de wijken. In de Pijp verdwijnen steeds meer normale winkels en er komt alleen maar horeca en fastfood voor terug.
Betere info Betere spreiding goedkope supermarkten en/of minder dure supermarkten 33
Bij de overheid aankaarten dat BTW op groenten en fruit en volkorenbrood afgeschaft worden Bijv. 1x per week 'buurtkoken' met een kok in ruil voor 3 maaltijden. Met elkaar, voor mekaar. Samenwerken met bedrijven tegen de verspilling, zoals Too good to go. Guerilla kitchen is een mooi initiatief en voorbeeld waar ik zelf gebruik van maak en waar iedereen welkom is (ongeacht inkomen). De initiatieven niet beperken tot mensen met een laag bruto-inkomen. Denk ook aan mensen die hard werken, met een hoog brutoloon, duur huis, zonder huursubsidie en een laag netto-inkomen. Ik ken mensen die niet meer uren willen werken omdat ze dan te veel gaan verdienen en alle 'extra's' verliezen. Armoede mag geen levensstijl zijn/ worden. Als je te veel wordt gepamperd dan wil niet anders meer en dat is fout. Dat schaadt het arbeidsethos. Aansporen tot actie, dat mensen moeten aangeven hoe ze (samen) denken uit deze situatie te komen. Of bijv. punten verdienen met vrijwilligers werk (burennetwerk) met als beloning een gezonde maaltijd etc. Geld geven heeft geen zin. Biologisch eten goedkoper maken. Biologisch eten goedkoper maken. Minder aanbod van snoep en snacks. Lokale ondernemers steunen die gezonde voeding aanbieden Biologische voeding zou goedkoper moeten zijn dan ongezonde voeding. Ketens als McDonald's zouden moeten verdwijnen.