CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

- 21 Bouwen en Wonen (25) De financiële positie van huurders in Amsterdam d

RAAD 10 februari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het Nibudrapport "De financiële positie van huurders in Amsterdam". Nr. VN2021-00091618.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De zeer kwetsbare groep heeft voor het grootste deel een huur tussen de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrenzen.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 31

Huur naar financiële positie (%) 100% 80% 60%

17

20

62

58

21

22

voorbeeld

norm

40% 20% 0%

8

13

15

71

64

25

16

21

basis

<basis

totaal

67

tussen aftoppingsgrenzen en liberalisatiegrens tussen kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrenzen tot kwaliteitskortingsgrens

Figuur 18: Huur naar financiële positie (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud 2018.

Figuur 19 laat duidelijk zien dat de kwetsbare groepen vrijwel geheel bestaan uit huishoudens met een laag inkomen.

Inkomen naar financiële positie (%) 100%

0 1 20

15

80% 60% 40%

0 1

0 1

7 16

33

18 99

98

79

32

59

20% 0%

20 voorbeeld

norm

basis

<basis

tot grens huurtoeslag

tussen grens huurtoeslag en modaal

tussen modaal en 1,5x modaal

vanaf 1,5x modaal

totaal

Figuur 19: Inkomen naar financiële positie (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud 2018.

In figuur 20 is af te lezen, dat de meest kwetsbare groep voor ongeveer de helft (49 procent) bestaat uit huishoudens met een bijstandsuitkering als voornaamste inkomensbron. Ook relatief veel zelfstandig ondernemers vallen in deze groep. Het percentage ouderen in de meest kwetsbare groep is relatief beperkt, maar die zijn wel relatief veel vertegenwoordigd in de een-na-kwetsbaarste groep.

32 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

Belangrijkste inkomstenbron naar financiële positie (%) 100% 90%

14 24

80% 70% 60%

29 46

41

9 7

6 1 3

8

1 7

3 10 2 5

40% 30%

18

8

50%

6

49 1 6

1 7

58

29

20%

2 31

10%

1 2

8

11

11

basis

<basis

35

0% voorbeeld

norm

loon

winst zelfst. ondernemer

werkloosheidsuitkering

bijstandsuitkering

overige uitkering

uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid

totaal

pensioen

Figuur 20: Belangrijkste inkomstenbron naar financiële positie (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud 2018.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 33

Bij een lage huur zijn het relatief vaak alleenstaanden binnen de meest kwetsbare groep die de basisbedragen niet kunnen betalen (zie figuur 21). Bij een hogere huur gaat het vaker om grotere huishoudens.

huur naar huishoudsamenstelling (<basis) (%) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

6 6 9

10 12 9

14

69

63

tussen kortingsgrens en aftoppingsgrens

tussen aftoppingsgrens en liberalisatiegrens

79

tot kortingsgrens alleenstaand

stel zonder kinderen

eenoudergezin

11 12

stel met kinderen

Figuur 21: Huur naar huishoudsamenstelling van huurders die de basisbedragen niet kunnen betalen (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud 2018.

4.6.2 Afwijking van de Nibudbedragen De gehanteerde afbakening in betaalbaarheidsklassen is vrij grof. Iemand die slechts 1 euro onder de basisbedragen uitkomt zit in een vergelijkbare positie als iemand die er 1 euro boven blijft. Daarom is het wenselijk om inzicht te hebben in de spreiding binnen en tussen de categorieën. Die spreiding staat weergegeven in figuur 22. Helemaal links in de figuur staat dat de kwetsbaarste 10 procent van de huurders van woningcorporaties met een sociale huur gemiddeld bijna 80 euro onder de basisbedragen uitkomt. Helemaal rechts staat dat de 10 procent van de huurders van woningcorporaties met een sociale huur met de beste financiële positie gemiddeld 850 euro boven de voorbeeldbedragen uitkomen.

34 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

Verschil met Nibudbedragen in percentielen bedrag per maand (€) 2000 1500 1000 500 0 -500 -1000

10%

20%

30%

40%

50%

voorbeeld

norm

60%

70%

80%

90%

basis

Figuur 22: Verschil met Nibudbedragen (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud 2018.

4.7 Conclusies De analyses in dit hoofdstuk laten zien dat een vrije grote groep huurders van Amsterdamse woningcorporaties met een sociale huur onvoldoende bestedingsruimte heeft om de normbedragen te kunnen betalen (42 procent). 18 procent kan zelfs de basisbedragen niet betalen. Meer dan de helft (58 procent) kan de normbedragen wel betalen en 48 procent ook de voorbeeldbedragen. Met name de 18 procent die de basisbedragen niet kan betalen vormt een zeer kwetsbare groep. Dat de basisbedragen niet betaalbaar zijn, betekent niet dat de huur niet wordt betaald. Het betekent wel dat huishoudens in meer of mindere mate overlevingstechnieken moeten toepassen. Dat varieert van geen geld opzij zetten voor vervanging van noodzakelijke goederen tot het aangaan van schulden. De belangrijkste factor die de betaalbaarheid beïnvloedt is het inkomen. Alleenstaanden en uitkeringsgerechtigden hebben vaak een lager inkomen dan stellen. Vandaar dat het relatief vaak alleenstaanden zijn die het slechtste scoren qua betaalbaarheid. Ook als gekeken wordt naar inkomstenbron, zijn het vaak inactieven die het moeilijk hebben.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 35

5. Beleidsmatige aspecten 5.1 Inleiding In de vorige hoofdstukken hebben we laten zien hoe de financiële positie van groepen huurders was in 2018. In dit hoofdstuk kijken we naar een aantal beleidsmatige aspecten. In paragraaf 5.2 kijken we wat het effect is van het minimabeleid van de gemeente Amsterdam. Het jaar 2018 was het meest actuele jaar, waarvoor alle benodigde gegevens beschikbaar waren. In paragraaf 5.3 gaan we in op een aantal aspecten van het Woonlastenakkoord en de Samenwerkingsafspraken 2020-2023. Eén daarvan gaat over huurstijgingen die voor sommige groepen boven de inflatie ligt. In paragraaf 5.3 bekijken we hoe de betaalbaarheid voor die groepen hierdoor verandert. Daarvoor simuleren we voor de huishoudens uit 2018 de koopkrachtontwikkelingen voor 2019 en 2020, en bekijken daarna het effect van de extra huurverhogingen voor 2021 tot en met 2023 op deze huishoudens. In paragraaf 5.4 bekijken we het effect van de huurverlaging voor de groep huishoudens met een langdurig laag inkomen en een huur boven de aftoppingsgrenzen, conform afspraken in het Woonlastenakkoord. 5.2 Effect van het minimabeleid Amsterdam In hoofdstuk vier hebben we steeds rekening gehouden met vergoedingen uit het minimabeleid van de gemeente Amsterdam.

Uit analyses op de Microdata van het CBS valt op te maken dat 40 procent van de huishoudens met een sociale huur die huren van een woningcorporatie in Amsterdam op basis van inkomen en vermogen in aanmerking komt voor vergoedingen uit het minimabeleid. Dat wil zeggen dat het inkomen lager is dan 120 procent van het wettelijk sociaal minimum en dat het vermogen laag is. Huishoudens met een uitkering als belangrijkste inkomstenbron vallen het vaakst onder de doelgroep. Opvallend is dat niet alle huishoudens met een bijstandsuitkering onder de doelgroep vallen. Dat wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat er toch aanvullende inkomsten in het huishouden aanwezig zijn. In het vervolg kijken we vooral naar de hoogte van het inkomen in relatie tot de betaalbaarheid en niet zozeer naar de belangrijkste inkomstenbron. Tabel 10: Aandeel huishoudens recht op minimabeleid (sociale huur, woningcorporaties) % Totaal huurders

40

Huishoudsamenstelling Alleenstaand

45

Paar zonder kinderen

27

Eenoudergezin

48

Paar met kinderen

23

Belangrijkste inkomstenbron Loon

14

Inkomsten als zelfstandige

29

Werkloosheidsuitkering

36

Bijstandsuitkering

92

Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid

42

Overige uitkering

72

Pensioen/AOW

39

Bron: CBS/Nibud 2018

36 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

We hebben gekeken wat het effect is voor de betaalbaarheid van dat minimabeleid. Als geen rekening wordt gehouden met het minimabeleid van de gemeente Amsterdam, ziet de betaalbaarheid er slechter uit. Zonder het minimabeleid zou 26 procent van alle huurders bij woningcorporaties met een sociale huur de basisbedragen niet kunnen betalen. Dit percentage is vergelijkbaar met het landelijke percentage van 25, zoals uit eerder Nibud-onderzoek7 bleek. Toegespitst op de huishoudens met een inkomen tot 120 procent van het wettelijk sociaal minimum, zou ruim de helft (55 procent) zonder minimabeleid de basisbedragen niet kunnen betalen. Door het minimabeleid daalt dat percentage naar 36 procent. Ook kan 9 procent van de huishoudens met een laag inkomen die de voorbeeld- of normbedragen niet kunnen betalen, dat door het minimabeleid wel.

Effect minimabeleid op betaalbaarheid (tot 120% WSM) (%)

zonder minimabeleid 2 6

met minimabeleid

9

0%

37

8

55

47

20% voorbeeld

36

40% norm

60% basis

80%

100%

<basis

Figuur 23: Effect minimabeleid op betaalbaarheid (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud 2018.

Het Nibud heeft vorig jaar een Minima Effectrapportage 8 (MER) opgesteld voor Amsterdam. Daaruit bleek dat het minimabeleid van de gemeente Amsterdam een positieve impact heeft op de financiële positie van huurders in Amsterdam met een laag inkomen. Uit die Minima-effectrapportage bleek dat alleenstaanden zonder kinderen met een inkomen rond het sociaal minimum erg weinig bestedingsruimte hebben. De financiële positie van alleenstaanden met kinderen met een laag inkomen bleek relatief goed. Verder bleek dat stellen, zowel met als zonder kinderen, met een laag inkomen weinig bestedingsruimte hebben. Met name voor stellen met meerdere oudere kinderen met een laag inkomen bleken de basisbedragen maar moeilijk op te brengen, ondanks de vergoedingen uit het minimabeleid. _______________ 7 8

Hoe gaan mensen om met hoge woonlasten?, 2019, Nibud Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2019, Nibud, 2019

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 37

De uitkomsten van de MER gaven een ander beeld van de financiële positie van de minima in Amsterdam, dan uit dit onderzoek blijkt. Dit heeft te maken met het feit dat er in de MER gerekend is met een beperkt aantal voorbeeldhuishoudens met een minimaal inkomen op bijstandsniveau, en een relatief laag voorbeeldbedrag aan huur (525 euro huur voor een alleenstaande). Het huidige onderzoek werkt met daadwerkelijke inkomsten van alle onderzochte 151.000 huishoudens, en met de feitelijke huurprijs en energielasten per huishouden. Uit dit onderzoek komt naar voren dat met name alleenstaanden slecht scoren qua betaalbaarheid. Dat komt vooral doordat alleenstaanden vaak een laag inkomen hebben (zie tabel 10). Dat veel alleenstaanden het moeilijk hebben komt overeen met de bevindingen uit de Minima-effectrapportage. De betaalbaarheid van stellen, zonder en met kinderen, ziet er weliswaar beter uit dan van alleenstaanden zonder kinderen, maar toch kan 23 procent van de stellen met kinderen de normbedragen niet betalen (zie figuur 4). Stellen met meerdere oudere kinderen hebben over het algemeen minder vaak een laag inkomen dan alleenstaanden, maar uit de Minima-effectrapportage bleek, dat als zij vanwege een laag inkomen slecht scoren qua betaalbaarheid de problematiek groter is dan bij alleenstaanden.

Uit de regressie analyse in paragraaf 4.5 bleek dat het aantal personen in het huishouden een negatief effect heeft op de betaalbaarheid.

5.3

Financiële positie huurders tot 2023

5.3.1 Huurverhoging We willen inzicht verschaffen in de gevolgen van huurverhoging zoals afgesproken in de Samenwerkingsafspraken. Daarin staat: De corporaties passen in Amsterdam in 2020 een huursomstijging toe van 0,50% boven inflatie. In de jaren 2021, 2022 en 2023 passen de corporaties in Amsterdam een huursomstijging van 1,0% boven inflatie toe. De meeste corporaties hanteren het principe: hoe lager de huur, hoe hoger de huurverhoging en vice versa. Dit is uitgevoerd door de volgende rekenregels te hanteren: Scenario 1 Huur tot de kwaliteitskortingsgrens: 2,5 procent boven inflatie; Huur tussen de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrenzen: 1 procent boven inflatie; Huur vanaf de aftoppingsgrenzen: alleen inflatie. Daarnaast hebben we in een minder grote huurverhoging doorgerekend, namelijk: Scenario 2 Huur tot de kwaliteitskortingsgrens: 1,25 procent boven inflatie; Huur tussen de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrenzen: 0,5 procent boven inflatie; Huur vanaf de aftoppingsgrenzen: alleen inflatie. Dit komt dus neer op een huursomstijging van 0,5%.

38 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

5.3.2 Werkwijze Omdat naast de huur ook het inkomen en de andere uitgaven veranderen, hebben we daar rekening mee gehouden door te kijken naar de koopkrachtontwikkeling. We hebben de inkomens- en uitgavensituatie van de huurders gesimuleerd voor 2020 op basis van hun gegevens uit 2018. Op basis van huishoudsituatie, inkomensbron en hoogte van inkomen is de bijbehorende koopkrachtverandering voor 2019 en 2020 voor de huurders berekend. De berekening ziet er als volgt uit: 2018 t/m 2020 Betaalbaarheid[t] = koopkrachtstijging * inkomen[t-1] + (inkomen[t] – huur[t] – huurstijging boven inflatie[t+1] + stijging huurtoeslag[t+1]– overige uitgaven[t]) Zowel in 2019 als in 2020 hebben de meeste huishoudens een koopkrachtvooruitgang gehad. Dat wil zeggen dat hun besteedbare inkomen sterker is gestegen dan de prijsstijging van huur en overige uitgaven samen. De betaalbaarheid zoals in de vorige hoofdstukken is beschreven voor 2018, is dan ook in 2020 verbeterd. Deze simulatie geeft geen perfect beeld van de situatie in 2020. Huurders kunnen verhuisd zijn, kunnen een baan hebben gekregen of verloren of een andere huishoudsamenstelling hebben gekregen. Deze effecten hebben we niet meegenomen in de simulatie. De Covid-19 crisis heeft zeker gezorgd voor een verslechtering van de betaalbaarheid van bepaalde huurders, maar we hebben nu niet de gegevens om dat te achterhalen.

2021 t/m 2023 Vervolgens hebben we gesimuleerd wat het voor de betaalbaarheid zou betekenen als de huurders te maken hebben met een huurstijging boven de inflatie. We kijken daarbij naar de situatie zoals die in 2023 zou zijn. Betaalbaarheid[t+1] = inkomen[t] – huur[t] – huurstijging boven inflatie[t+1] + stijging huurtoeslag[t+1] – overige uitgaven[t] Hierbij gaan we dus impliciet er van uit dat er vanaf 2020 geen koopkrachtstijging of -daling is. Dat wil zeggen dat in de komende jaren de inflatie net zo hoog zal zijn als de netto inkomensstijging. Het enige effect op de betaalbaarheid is dan de huurstijging boven de inflatie. In werkelijkheid zal de koopkracht niet nul zijn. Hoe de koopkracht zich zal ontwikkelen valt echter niet in te schatten en is daarom buiten de analyse gelaten. Dit hebben we voor de jaren 2021, 2022 en 2023 gedaan, zodat we de totale situatie in 2023 in kaart kunnen brengen. Voor elke huurverhoging is tevens de bijbehorende huurtoeslag berekend. Ten slotte hebben we de berekende betaalbaarheid in 2023 vergeleken met de voorbeeld-, norm- en basisbedragen.

5.3.3 Uitkomsten De effecten van de huurverhoging staan weergegeven in figuur 24. De koopkrachtveranderingen tussen 2018 en 2020 zijn relatief fors. En hebben een positief effect op de betaalbaarheid, ondanks de huurstijgingen voor bepaalde groepen huurders. Ondanks dat we niet beschikken over de inkomensgegevens van het huidige jaar, is

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 39

daarmee de inschatting dat de betaalbaarheid er inmiddels iets beter voorstaat dan blijkt uit de analyses uit hoofdstuk 4. Scenario 1 - huurverhoging De effecten van de huurverhoging boven de inflatie zijn beperkt. Het gaat hierbij om maximaal 30 euro per maand, waarbij ook nog een deel verzacht wordt via een hogere huurtoeslag. Als voorbeeld: iemand met een huur van 400 euro, heeft in dit scenario te maken met een huurverhoging boven inflatie van 2,5 procent, oftewel 10 euro per maand. Als hij dat 3 jaar achtereen heeft, wordt zijn huurprijs dus 30 euro per maand hoger. De huurtoeslag vergoedt 65 procent hiervan, oftewel bijna 20 euro. Daarmee is zijn daadwerkelijke betaling aan huur ongeveer 10 euro hoger dan voorheen. Deze beperkte effecten hebben dan ook weinig invloed op de verdeling van de betaalbaarheid zoals figuur 24 laat zien (2023-1 voor scenario 1). Degenen die al kwetsbaar waren, zijn dat nog steeds. De groep met een sterke financiële positie wordt vrijwel niet geraakt door deze stijgingen. Het is juist de meest kwetsbare groep, die wordt geraakt door de huurstijgingen.

Effect huurverhoging op betaalbaarheid (%) 2018

48,6

9,9

2020

50,6

10,5

24,8

14,1

2023-1

50,1

10,1

23,8

16,0

2023-2

50,4

10,3

24,3

15,0

0%

20%

40% voorbeeld

23,7

60% norm

basis

17,8

80%

100%

<basis

Figuur 24: Effect huurverhoging op betaalbaarheid (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud.

Als we specifiek kijken naar de groep waarbij de voorgenomen huurverhoging tot een verschuiving in betaalbaarheidscategorie leidt, dan geldt dat voor 3 procent (4.300 huishoudens) van de totale groep. Van deze 4.300 huishoudens kon 16 procent eerst wel, maar straks niet meer de voorbeeldbedragen betalen, 25 procent kon eerst wel, maar straks niet meer de normbedragen betalen en 59 procent van deze 4.300 huishoudens komt straks onder de basisbedragen terecht. Een vergelijkbaar beeld is zichtbaar als gekeken wordt naar het effect van de huurverhoging bij huishoudens met een inkomen tot 120 procent van het WSM (zie figuur

40 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

25). De koopkrachtstijging van de afgelopen twee jaar heeft een positief effect op de betaalbaarheid en de huurverhogingen dempen dit effect.

Effect huurverhoging op betaalbaarheid (tot 120% WSM) (%) 2018

6,8

2020

7,8

9,0

2023-1

7,6

8,1

51,0

33,3

2023-2

7,7

8,5

52,7

31,1

0%

6,8

49,1

37,3

54,3

20%

40% voorbeeld

28,9

60% norm

basis

80%

100%

<basis

Figuur 25: Effect huurverhoging op betaalbaarheid, doelgroep minimabeleid (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud

Van de gehele groep met een inkomen tot 120 procent WSM is bij 5 procent (3.050 huishoudens) een verschuiving in betaalbaarheidscategorie te zien. Van deze specifieke groep kon 5 procent eerst wel, maar straks niet meer de voorbeeldbedragen betalen, 18 procent kon eerst wel, maar straks niet meer de normbedragen betalen en 77 procent komt straks onder de basisbedragen terecht. Dit zijn hoofdzakelijk alleenstaanden (76 procent) en huishoudens met een huur tussen de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrenzen (72 procent). En huishoudens met een inkomen tot de inkomensgrens voor de huurtoeslag (93 procent). Dus zal de huurstijging boven inflatie het hardst aankomen bij de allerlaagste inkomens, waar de marges al zeer klein zijn.

Scenario 2 – beperktere huurverhoging In scenario 2 hebben we een minder grote huurverhoging doorgerekend dan in scenario 1, namelijk 1,25 procent boven inflatie tot de kwaliteitskortingsgrens, 0,5 procent tussen de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrenzen en 0 procent vanaf de aftoppingsgrenzen. De effecten van het eerste scenario waren al beperkt en een lagere huurverhoging in scenario 2 heeft vanzelfsprekend nog kleinere effecten (2023-2 in de figuren 24 en 25). Dit brengt voor 2.150 huishoudens een overgang in betaalbaarheidscategorie met zich mee. Als alleen gekeken wordt naar huishoudens met een inkomen tot 120 procent van het WSM, dan betekent dit een overgang voor 1.500 huishoudens.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 41

5.3.4 Conclusies Huurverhoging boven de inflatie door deze vooral toe te passen op lage huren is mogelijk voor de huishoudens met hogere inkomens. Zeker voor inkomens boven modaal zien we dat de betaalbaarheid daardoor niet in het gedrang komt. Hoewel de op deze manier toegepaste huurverhogingen boven de inflatie een beperkte impact hebben op de verdeling van de betaalbaarheid, betekent het wel een verslechtering van de financiële situatie van huishoudens met een laag inkomen. Veel huishoudens die minder inkomen hebben dan de inkomensgrens van de huurtoeslag, hebben grote moeite om rond te komen. Elke huurverhoging, hoe beperkt ook, maakt deze huishoudens kwetsbaarder. Huurverhogingen boven de inflatie worden nu onderverdeeld naar de hoogte van de huur, waarbij lagere huren procentueel meer stijgen dan hogere huren. Dat is op zich een logische keuze, omdat daarmee de betaalbaarheid in euro’s het minst geraakt wordt. Daarbij kan de huurtoeslag op deze manier een verzachtende rol spelen. Bij lage huren wordt immers een groter deel van de huurstijging door de huurtoeslag opgevangen dan bij hogere huren. Voor de betaalbaarheid zou het beter zijn om de huurverhoging inkomensafhankelijk te maken, waarbij de laagste inkomens minder of geen huurverhoging krijgen.

5.4 Huurverlaging In het Woonlastenakkoord is tevens het volgende afgesproken: Corporaties verlagen de huur [van huurders die drie jaar een inkomen hebben van 120% van het Wettelijk Sociaal Minimum (WSM) of lager en die woonachtig zijn in een corporatiewoning] naar de voor de huurders geldende aftoppingsgrens. Corporaties verlagen ook de huur van huurders die in het voorgaande jaar een inkomen hebben waarbij ze recht hebben op huurtoeslag, maar een huur boven de huurtoeslaggrens. De huur wordt voor hen teruggezet op de huurtoeslaggrens. Het effect van de tweede afspraak kunnen we niet inzichtelijk maken, omdat we alleen kijken naar de financiële positie van huurders van woningcorporaties met een huur tot de huurtoeslaggrens. Het effect van de eerste afspraak kunnen we deels laten zien. In hoofdstuk 4 zagen we dat 10 procent van de huurders met een inkomen tot 120 procent van het wettelijk sociaal minimum een huur had tussen de aftoppingsgrenzen en de liberalisatiegrens. Omdat de huurverlaging uit het Woonlastenakkoord al in de huren zijn verwerkt waarmee gerekend is, zal deze 10 procent nog niet langdurig een laag inkomen hebben. Uit de Microdata van het CBS valt niet op te maken hoeveel huurders 3 jaar lang een laag inkomen hebben ter hoogte van de Amsterdamse inkomensgrens van 120 procent van het WSM.

Wel valt op te maken hoeveel huurders 4 jaar lang een laag inkomen heeft uitgedrukt als percentage van het beleidsmatig minimum 9. Deze afbakening komt dus niet _______________ Het CBS kijkt naar het beleidsmatig minimum dat gelijk is aan de hoogte van de netto bijstandsuitkering, terwijl de inkomensgrenzen van het minimabeleid in de gemeente Amsterdam zijn gebaseerd op het bruto sociaal minimum (minimumloon). 9

42 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

helemaal overeen met de afbakening van de regeling. Het is aannemelijk dat er een grote mate van overlap bestaat tussen beide afbakeningen. Van de huurders van woningcorporaties in Amsterdam met een sociale huur heeft 26 procent de afgelopen 4 jaar een inkomen tot 120 procent van het beleidsmatig minimum. Het effect van verlaagde huur op basis van het Woonlastenakkoord maken we als volgt inzichtelijk: Voor de groep huurders met een sociale huur die in 2018 vier jaar lang een inkomen had tot 120 procent van het beleidsmatig minimum, verlagen we een huur boven de voor hen geldende aftoppingsgrens naar de aftoppingsgrens. Dit zijn ongeveer 2.500 huishoudens. Het effect van de huurverlaging is dus grotendeels een theoretisch effect. De groep die daadwerkelijk een huurverlaging heeft gekregen is veel groter. Dit is echter niet inzichtelijk te maken, omdat de huurverlaging reeds in de huren is verwerkt. Daarnaast wijkt de afbakening van de huishoudens met een langdurig laag inkomen op basis van definitie van het CBS af van de afbakening uit het Woonlastenakkoord. Het resultaat van deze verlaagde huur op basis van het Woonlastenakkoord staat in figuur 25.

Af te lezen valt dat voor de huishoudens die in 2018 en de vier voorafgaande jaren een inkomen hadden tot 120 procent van het beleidsmatig minimum en een huur boven de aftoppingsgrens, de helft (49 procent) de basisbedragen niet kon betalen. Door de huurverlaging naar de aftoppingsgrens kan 6 procent dat wel. Ook kan 4 procent van de huishoudens door de huurverlaging de norm- en de voorbeeldbedragen betalen wat zij eerder niet konden. Deze afspraak heeft daarmee een licht positief effect, maar lost de kwetsbare positie voor het overgrote deel van deze huishoudens niet op.

Effect huurverlaging op betaalbaarheid (langdurig laag inkomen) (%)

zonder huurverlaging (n=2.476)

5 4

met huurverlaging (n=2.476)

8

42

5

0% voorbeeld

49

44

20% norm

40% basis

43

60%

80%

100%

<basis

Figuur 26: Effect huurverlaging op betaalbaarheid, doelgroep langdurig laag inkomen (sociale huur, woningcorporaties). Bron CBS/Nibud.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 43

Opvallend is dat een klein deel van deze doelgroep de voorbeeldbedragen kan betalen. Deze groep bestaat vooral uit stellen zonder kinderen met een inkomen van 120 procent van het beleidsmatig minimum.

5.5 Onzekerheid vanwege crisis De Covid-19-crisis heeft grote gevolgen voor de financiële positie van sommige huishoudens. Huishoudens met flexibele of tijdelijke contracten zien hun inkomen dalen, evenals zelfstandigen in sectoren die zwaar getroffen worden door de maatregelen. Verlies van werk leidt vaak tot forse inkomensachteruitgangen. Waar de financiële situatie met werk in het gele of groene gebied zit, kan deze door het verlies aan werk overgaan naar oranje of rood. Wanneer de recessie doorzet, kunnen meer werknemers inkomen verliezen. Ongeveer de helft van de huurders van woningcorporaties heeft inkomen uit arbeid. De andere helft heeft inkomen uit een uitkering of pensioen. Zij zullen veel minder op korte termijn geconfronteerd worden met een forse inkomensdaling. De uitkeringen zullen naar verwachting redelijk op peil blijven. Een eventuele korting op aanvullende pensioenen zal minder drastisch zijn dan een inkomstendaling als gevolg van het verlies van werk. Omdat huishoudens met hogere inkomens over het algemeen een hogere huur betalen, zal een forse inkomensterugval er toe leiden, dat zij in een zwakkere financiële positie terechtkomen. Hun huur is immers hoger, waardoor hun ruimte in het budget om te bezuinigen kleiner is.

Het is daarom belangrijk om de huishoudens met een wat hoger inkomen die te maken krijgen met een forse inkomensterugval in het oog te houden en deze groep te ondersteunen in het omgaan met minder inkomen en het weer terugleiden naar inkomen uit arbeid.

44 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

6. Samenvatting en conclusies In dit onderzoek hebben we de financiële positie van huurders in Amsterdam onderzocht. We hebben specifiek gekeken naar huurders van woningcorporaties met een sociale huur. De financiële positie van een huishouden is in vier klassen onder te verdelen: 1. De betaalbaarheid van de basisbedragen is niet mogelijk Er is niet voldoende inkomen om de huur en alle noodzakelijke uitgaven (de basisbedragen) te kunnen doen. Huishoudens kunnen dit tijdelijk opvangen door overlevingstechnieken toe te passen. Dit zijn echter situaties, die niet structureel kunnen voortduren zonder uiteindelijk tot problemen te leiden. Als de betaalbaarheid van de basisbedragen in het gedrang is, is dat een sterk signaal op het risico van financiële problemen. Deze situatie geven we aan met de kleur rood. 2. De basisbedragen zijn wel betaalbaar, maar de normbedragen niet In dit geval is er in principe voldoende ruimte om de noodzakelijke uitgaven te kunnen doen. Toch zijn deze huishoudens nog kwetsbaar. De marges zijn smal. Het nietaanvragen van inkomensondersteuning waar recht op is, de aanwezigheid van mogelijke individuele onvermijdbare kosten (bijvoorbeeld als gevolg van ziekte), onverwachte tegenvallers, of het niet perfect met geld omgaan, kunnen alsnog voor financiële problemen zorgen.

In deze situatie is er bovendien nauwelijks ruimte om iets extra’s te kunnen boven het strikt noodzakelijke. Deze situatie geven we aan met de kleur oranje. 3. De normbedragen zijn wel betaalbaar, maar de voorbeeldbedragen niet. In dit geval dienen huishoudens te bezuinigen ten opzichte van datgene wat bij hun inkomen gebruikelijk is. De bezuinigingen zijn echter niet zo groot, dat dit tot een kwetsbare positie leidt. Deze situatie geven we aan met de kleur geel. 4. De voorbeeldbedragen zijn betaalbaar In dit geval hebben huishoudens voldoende inkomen om zowel de huur als de bij hun inkomen gebruikelijke uitgaven te kunnen doen. Deze situatie geven we aan met de kleur groen. Met behulp van gegevens van de gemeente Amsterdam, het CBS en de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AWFC) en de referentiebudgetten van het Nibud hebben we van de huurders van woningcorporaties met een sociale huur kunnen vaststellen in welke klasse zij zich bevinden. Het resultaat wordt weergegeven in onderstaande grafiek.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 45

Financiële positie huurders woningcorporaties sociale huur (%)

sociale huur (n=141.237)

48

0%

10

20% voorbeeld

40% norm

basis

24

60%

18

80%

100%

<basis

Figuur 27: Financiële positie huurders van woningcorporaties, sociale huur. Bron CBS/Nibud 2018.

Van alle huurders van woningcorporaties met een sociale huur heeft 18 procent niet voldoende inkomen om zowel de huur als de voor hen noodzakelijke uitgaven te kunnen betalen. Bij 24 procent is er niet voldoende inkomen om huur en normbedragen te kunnen betalen. De grootste problemen met de betaalbaarheid worden veroorzaakt door het hebben van een laag inkomen. Met een inkomen op of onder het sociaal minimum is de bestedingsruimte zeer beperkt. Dit komt het sterkst tot uiting bij de ruim 23 duizend huurders met een bijstandsuitkering. Van hen kan 50 procent de basisbedragen niet betalen, en nog eens 40 procent kan wel de basisbedragen, maar niet de normbedragen betalen. Van de ruim 64 duizend huurders met een inkomen tot 120 procent van het wettelijk sociaal minimum (WSM), kan 36 procent de basisbedragen niet betalen. Nog eens 47 procent kan wel de basisbedragen, maar niet de normbedragen betalen. Naarmate het inkomen hoger is, wordt de financiële positie beter. De financiële positie van huishoudens hangt vooral samen met het inkomen van het huishouden. Hoe de betaalbaarheid verschilt tussen huishoudens, wordt dus met name verklaard door verschillen in inkomen tussen huishoudens. Alleenstaanden hebben gemiddeld een lager inkomen dan meerpersoonshuishoudens. Ook gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben over het algemeen een lager inkomen dan werkenden.

Een hoge huur knelt vooral voor huishoudens met een laag inkomen. Bij hogere inkomens verbetert de betaalbaarheid, ook al is hun huur over het algemeen hoger dan voor huishoudens met een lager inkomen. De uitkomsten van dit onderzoek sluiten aan bij het onderzoek dat het Nibud in 2019 heeft gedaan naar de financiële positie van huishoudens met hoge woonlasten in heel Nederland. Uit dat onderzoek bleek dat 25 procent van alle huurders in Nederland de basisbedragen niet kan betalen. In dat onderzoek is echter geen rekening gehouden met de lokale situatie en met gemeentelijk minimabeleid. In dit onderzoek is het Amsterdamse minimabeleid wel meegerekend. Dit verklaart grotendeels de betere betaalbaarheid in Amsterdam vergeleken met de uitkomsten uit het landelijke onderzoek. Wanneer we het Amsterdamse minimabeleid niet zouden meerekenen, komt de betaalbaarheid redelijk overeen met het landelijke beeld.

46 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

De financiële positie van de kwetsbare groepen kan verbeterd worden door inkomensondersteuning, zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau. De afgelopen twee jaar hebben de meeste huishoudens een koopkrachtstijging meegemaakt, onder andere door landelijke lastenverlichting. Deze koopkrachtstijging heeft een positief effect op de betaalbaarheid, ondanks de huurstijgingen voor bepaalde groepen huurders. De betaalbaarheid staat er in 2020 daarmee iets beter voor dan in 2018. De gemeentelijke ondersteuning voor de huidige doelgroep (tot 120 procent WSM) heeft een duidelijk positief effect op de financiële positie. 19 procent van de doelgroep kan door het minimabeleid nu wel de basisbedragen betalen, en zonder minimabeleid niet. Uitbreiding van de doelgroep tot 130 procent WSM kan de betaalbaarheid van deze groep ook een impuls geven, al ziet de betaalbaarheid van de groep met een inkomen tussen 120 en 130 procent er nu ook al beter uit dan de groep tot 120 procent. De afspraak uit het Woonlastenakkoord om huurders van woningcorporaties met een langdurig laag inkomen en een huur boven de aftoppingsgrens, een aangepaste huur te geven tot op het niveau van de aftoppingsgrens heeft een licht positief effect in de verdeling van de betaalbaarheidsklassen. Het lost echter de kwetsbare positie van het overgrote deel van deze huishoudens niet op.

We hebben gekeken naar de effecten op de betaalbaarheid van mogelijke huurverhogingen boven inflatie. De huurverhogingen boven inflatie zijn meegenomen, zoals de meeste woningcorporaties dat doen: door deze vooral toe te passen op lage huren, en minder op hoge huren. Op deze manier wordt een groot deel van deze huurverhoging verzacht door een hogere huurtoeslag. Huurverhoging boven de inflatie door deze vooral toe te passen op lage huren is mogelijk voor de huishoudens met hogere inkomens. Zeker voor inkomens boven modaal zien we dat de betaalbaarheid daardoor niet in het gedrang komt. Hoewel de op deze manier toegepaste huurverhogingen boven de inflatie een beperkte impact hebben op de verdeling van de betaalbaarheid, betekent het wel een verslechtering van de financiële situatie van huishoudens met een laag inkomen. Veel huishoudens die minder inkomen hebben dan de inkomensgrens van de huurtoeslag, hebben grote moeite om rond te komen. Elke huurverhoging, hoe beperkt ook, maakt deze huishoudens kwetsbaarder. Huurverhogingen boven de inflatie worden nu onderverdeeld naar de hoogte van de huur, waarbij lagere huren procentueel meer stijgen dan hogere huren. Dat is op zich een logische keuze, omdat daarmee de betaalbaarheid in euro’s het minst geraakt wordt. Daarbij kan de huurtoeslag op deze manier een verzachtende rol spelen.

Bij lage huren wordt immers een groter deel van de huurstijging door de huurtoeslag opgevangen dan bij hogere huren. Voor de betaalbaarheid zou het beter zijn om de huurverhoging inkomensafhankelijk te maken, waarbij de laagste inkomens minder of geen huurverhoging krijgen.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 47

De Covid-19-crisis kan grote gevolgen hebben voor de financiële positie van sommige huishoudens. Huishoudens met flexibele of tijdelijke contracten zien hun inkomen dalen, evenals zelfstandigen in sectoren die zwaar getroffen worden door de maatregelen. Omdat huishoudens met hogere inkomens over het algemeen een hogere huur betalen, zal een forse inkomensterugval er toe leiden, dat zij in een zwakkere financiële positie terechtkomen. Hun huur is immers hoger, waardoor hun ruimte in het budget om te bezuinigen kleiner is. Het is daarom belangrijk om de huishoudens met een wat hoger inkomen die te maken krijgen met een forse inkomensterugval in het oog te houden en deze groep te ondersteunen in het omgaan met minder inkomen en het weer terugleiden naar inkomen uit arbeid.

48 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

Bijlage 1 | Gebruikte data Voor de berekening van de betaalbaarheid van Amsterdamse huurders in de sociale huur bij woningcorporaties zijn verschillende CBS bestanden aan elkaar gekoppeld. Het gaat om de volgende bestanden: Informatie over huishoudens, zoals huishoudsamenstelling en aantal kinderen Inkomensgegevens voor zowel personen als huishoudens BRP informatie van personen om de leeftijd te kunnen bepalen Adresinformatie Gegevens over het energieverbruik van alle woningen in Nederland Voor al deze bestanden is geselecteerd op peildatum 1 januari 2018. De koppeling heeft in verschillende stappen plaatsgevonden. Het databestand van AFWC vormt de basis. Uit dit bestand zijn de huren uit 2018 gebruikt. Daarna zijn de volgende stappen doorlopen: 1. Aankoppelen van de adressen in Nederland waardoor de koppelsleutel voor zowel huishoudens als personen is toegevoegd aan het bestand 2. Aankoppelen van informatie over alle personen in het huishouden en informatie van de huishoudens. Hierdoor wordt het adresbestand van AFWC uitgebreid met informatie over de leeftijd van de huishoudleden, de samenstelling van het huishouden, het aantal kinderen, etc. 3. Aankoppelen van de inkomensgegevens van de personen in het huishouden. Deze inkomensgegevens zijn vervolgens omgezet naar de Nibud definitie van het besteedbaar inkomen omdat de CBS definitie hiervan afwijkt.

Zo maakt bijvoorbeeld de zorgpremie (min de zorgtoeslag) deel uit van het besteedbaar inkomen volgens de CBS definitie. In de Nibud definitie is zorgtoeslag onderdeel van het besteedbaar inkomen en de zorgpremie een uitgavenpost. Hierdoor liggen de besteedbare inkomens volgens de Nibud definitie iets hoger. 4. Aankoppelen van inkomensgegevens van het huishouden. Door deze gegevens aan te koppelen hebben we kunnen controleren of de omzetting naar de Nibud definitie juist verlopen is. Dit was in 96 procent van de gevallen correct omgezet. In de gevallen waar het niet klopte ging het vaak om inkomens vanuit het buitenland. 5. Aankoppelen van de verbruikscijfers van gas en elektra. Het CBS beschikt over een registerbestand met deze informatie waardoor voor vrijwel alle huishoudens in Nederland het energie verbruik bekend is. In een zeer klein aantal gevallen werd in dit bestand geen energieverbruik gevonden. In die gevallen werden de Nibud referentiecijfers uit 2018 gebruikt.

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 49

Bijlage 2 | Toelichting uitgavencijfers Het Nibud gebruikt diverse bronnen voor de referentiecijfers. Hieronder volgt een korte verantwoording van keuzes en bronnen van de basisbedragen. De uitgavenpakketten worden in overleg met andere organisaties regelmatig aangepast. De prijzen van de pakketten worden elk jaar herijkt en zo nodig aangepast. Voor dit onderzoek zijn de uitgavencijfers uit 2018 gebruikt. Energie Dit is 90 procent van de kosten bij gemiddeld verbruik naar huishoudtype met een opslag voor huishoudens vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd (gasverbruik). Daarbij hanteert het Nibud de kosten van het gemiddelde verbruik. Voor de meeste huishoudens is het individuele energieverbruik meegenomen. Waar dat niet mogelijk was, is deze schatting gebruikt. Lokale lasten Dit zijn de gemeentelijke- en waterschapsheffingen verminderd met de eventuele kwijtschelding. Telefoon, televisie en internet Deze bedragen zijn gebaseerd op het bellen met een mobiele telefoon met een sim-only abonnement voor 100 tot 150 belminuten per maand met een databundel tot maximaal 500 MB, een basisabonnement voor internet en een basis digitaal televisie abonnement. We gaan er van uit dat iedereen in het huishouden van 12 jaar en ouder een eigen mobiele telefoon heeft. Zorgverzekeringen Dit betreft de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering.

Voor de basisverzekering wordt uitgegaan van een naturaverzekering. Voor huishoudens die voldoen aan de voorwaarden zijn de tarieven voor de collectieve basisverzekering en de aanvullende verzekering (incl. tand) gehanteerd. Overige verzekeringen Dit betreft een aansprakelijkheidsverzekering, een inboedelverzekering en voor volwassenen in huishoudens onder de pensioengerechtigde leeftijd een uitvaartverzekering. Onderwijs Deze bedragen zijn gebaseerd op onderzoek van SEO, zoals gepubliceerd in de Schoolkostenmonitor. Het betreffen onder andere de vrijwillige schoolbijdrage, leermiddelen en gereedschappen, ICT-benodigdheden en kosten voor extra schoolactiviteiten. Vervoerskosten Voor dit onderzoek kijken we naar de situatie van huurders. Huurders hebben over het algemeen een lager inkomen en de vervoerskosten zijn grotendeels afhankelijk van de hoogte van het inkomen. In Amsterdam heeft maximaal 5% van de huishoudens met een inkomen tot 150% van het wettelijk sociaal minimum een auto. Bij dit inkomen hoort een gemiddeld bedrag voor vervoer volgens de Nibud referentiebedragen van ongeveer € 125 voor een alleenstaande.

50 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

Omdat het aannemelijk is dat huishoudens zonder auto hogere kosten hebben voor andere vormen van vervoer, is het niet eenvoudig om in te schatten of en in hoeverre de totale vervoerskosten voor huishoudens in Amsterdam afwijken van gemiddeld in Nederland. In het basisbedrag houden we voor een alleenstaande al rekening met ongeveer € 25 voor een fiets en beperkt gebruik van het openbaar vervoer. Statistieken over het autobezit in Amsterdam bieden mogelijk aanknopingspunten. Hieruit blijkt 57% van de huishoudens in Amsterdam geen auto heeft en 35% heeft één auto. 10 Landelijk had 29% van de huishoudens in Nederland in 2015 geen auto, 48% één auto en 19% twee auto’s.11 Ook in andere sterk verstedelijkte gebieden hebben huishoudens minder vaak een auto dan in minder verstedelijkte gebieden. Landelijk had in 2015 52,6% van de huishoudens in Nederland in zeer sterk stedelijke gebieden minstens één auto, tegenover 84,4% in niet stedelijke gebieden. We zouden het gemiddelde vervoersbedrag als volgt bij kunnen stellen om te compenseren voor het lagere autobezit: Vervoerkosten * (% zeer sterk stedelijk / % totaal) Bij een inkomen van 1750 euro per maand komt dat voor een alleenstaande neer op: 125 * 52,6 / 71,3 = 92 Van die 92 euro kunnen dan de kosten voor het reizen met het openbaar vervoer gedaan worden. Het goedkoopste abonnement van het GVB kost 50 euro per maand.

Hiermee kun je onbeperkt reizen binnen één zone. Daarnaast is er dan nog ruimte voor hogere kosten voor de fiets, incidenteel reizen buiten die ene zone en buiten de stad. Kleding en schoenen Deze bedragen zijn gebaseerd op het Nibud-basispakket voor kleding. Het gaat hierbij net als bij alle andere uitgavenposten om een goedkoop pakket met nieuwe artikelen. Inventaris en onderhoud Bedragen zijn gebaseerd op het Nibud-basispakket voor inventaris en onderhoud. Niet-vergoede ziektekosten In het basispakket zitten kosten die elk huishouden heeft. De kosten betreffen de huisapotheek met pleisters, aspirines e.d. plus het bedrag dat een huishouden maximaal kwijt kan zijn aan het eigen risico van de zorgverzekering. Voeding De bedragen zijn gebaseerd op de aanbevolen hoeveelheden voor een gezonde voeding van het Voedingscentrum en de prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Was- en schoonmaakmiddelen Dit is een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon op basis van Nibudonderzoek. _______________ 10 11

Statistiek autobezit 2018 [precieze bron? CBS, 2015: …

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 51

Persoonlijke verzorging Er is uitgegaan van een bedrag per persoon op basis van Nibud-onderzoek. Diversen Dit is een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon voor diverse uitgaven. Pakket voor sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. De uitgavenposten waar rekening mee is gehouden staan hieronder weergegeven evenals de richtbedragen voor deze uitgavenposten. Het gaat hierbij om een voorbeeld van een invulling van activiteiten. Bij vakanties/uitgaan kan ook gedacht worden aan andere activiteiten zoals het bezoeken van een museum of zwembad. Uitgaven aan sociale participatie, bedrag per maand € Contributies en abonnementen per kind 4 tot 12 jaar per persoon vanaf 12 jaar per huishouden Bezoek ontvangen per persoon per huishouden Op bezoek gaan per persoon Vakantie/uitgaan per persoon per huishouden Vervoer per kind 4 tot 12 jaar per persoon vanaf 12 jaar

12,00 18,00 2,50 9,00 12,00 6,00 18,00 24,00 2,50 8,00

Bron: Hoff et al, SCP/Nibud, 2009, berekeningen Nibud, 2018

52 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

Bijlage 3 | Minimabeleid gemeente Amsterdam In de Samenwerkingsafspraken staat: De gemeente zet zich op meerdere manieren in om inkomensproblemen bij Amsterdammers aan te pakken en betaalproblemen bij het betalen van de huur te voorkomen of op te lossen. Dit is opgenomen in de Amsterdamse Agenda Armoede en Schulden 2019-2022. Voor huurders die vallen onder de doelgroep van het Woonlastenakkoord betreft dat onder meer: (gedeeltelijke) kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, regelingen voor meerkosten van chronisch zieken en gehandicapten diverse regelingen voor gezinnen met kinderen, regelingen voor openbaar vervoer en reiskosten Hieronder staat een beschrijving van deze inkomensondersteuning en hoe deze in de berekeningen zijn opgenomen. Inkomensondersteuning gemeente Amsterdam Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Amsterdam voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Het gaat om de volgende regelingen waarbij een “(*)” betekent dat die regelingen niet specifiek zijn opgenomen in de berekeningen.

Kwijtscheldingsbeleid Collectieve zorgverzekering AV Amsterdam Stadspas Scholierenvergoeding Kindbonnen Gratis laptop Gratis OV voor ouderen Gratis identiteitskaart Bijdrage kinderopvang Jeugdsportfonds en Jongerencultuurfonds Bijdrage werk gerelateerde kosten Individuele inkomenstoeslag Individuele bijzondere bijstand (*) Verlaagde huur Financiële voorlichting (*) OV-vergoeding voor mantelzorgers (*) Reiskostenvergoeding scholieren (*) Scholingsregeling (*) Woonkostentoeslag (*) Energieadvies en gratis energie-boxen (*) Gratis bezoek dierenarts (*) Hieronder worden deze maatregelen verder toegelicht. Kwijtscheldingsbeleid De gemeente Amsterdam kent een kwijtscheldingsregeling voor de gemeentelijke heffingen en de heffingen van het waterschap. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum in principe geen gemeentelijke

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 53

heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt wel betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en voor AOW’ers om uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Amsterdam maakt geen gebruik van de mogelijkheid om de kosten voor kinderopvang mee te nemen in de bepaling van de betalingscapaciteit. Voor de waterschapsbelasting kan kwijtschelding worden verleend mits het inkomen niet boven het sociaal minimum ligt. Als huishoudens in aanmerking komen voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen, dan krijgen ze ook automatisch kwijtschelding van de waterschapsbelasting. De betalingscapaciteit voor de kwijtschelding wordt dus maar één keer berekend door de gemeente en het waterschap neemt dit over. Collectieve zorgverzekering De gemeente Amsterdam biedt inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan via Zilveren Kruis. Het aanbod bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering (AV Amsterdam). Bij de AV Amsterdam zijn er drie varianten. In het rapport gaan we er vanuit dat de voorbeeldhuishoudens, die er op basis van hun inkomen voor in aanmerking komen, gebruik maken van de aanvullende zorgverzekering.

We kiezen voor de voorbeeldhuishoudens zonder kinderen onder de AOW-leeftijd de minst uitgebreide variant AV Amsterdam 1 en voor de voorbeeldhuishoudens met kinderen en vanaf de AOW-leeftijd voor de uitgebreidere variant AV Amsterdam 2. Voor het voorbeeldhuishouden met een zorgvraag kiezen we voor de meest uitgebreide variant AV Amsterdam 3. Tabel 11: premie en bijdrage collectieve zorgverzekering gemeente Amsterdam 2019

AV Amsterdam 1 AV Amsterdam 2 AV Amsterdam 3

Premie 138,65 153,45 171,95

Voordeel 16,14 19,65 18,13

U betaalt 122,51 133,80 153,82

Huishouden Zonder kinderen Met kinderen Met zorgvraag

Om voor deelname aan de collectieve zorgverkering in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Amsterdam een inkomensgrens van 120 procent. In 2019 geldt een verplicht eigen risico van 385 euro per jaar. Inwoners die gebruik maken van de AV Amsterdam betalen automatisch het eigen risico in twaalf termijnen. Als blijkt dat er geen of weinig gebruik is gemaakt van zorg, dan krijgt men het eigen risico (gedeeltelijk) terug in het laatste kwartaal van 2019. In de berekeningen houden we er rekening mee dat het volledige verplichte eigen risico gereserveerd moet worden. We houden geen rekening met een teruggaaf. Stadspas Met de Stadspas krijgen inwoners van de gemeente Amsterdam korting op activiteiten op het gebied van sport, cultuur en recreatie. Met de pas krijgt men korting bij zwembaden, bibliotheken, bioscopen, sportcentra, musea en theaters. Ook voor kinderen is er een Stadspas. Hiermee zijn veel gratis uitjes of uitjes met korting mogelijk naar onder andere Artis en korte sport- en cultuuractiviteiten.

54 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

In de begrotingen hebben we de vergoedingen verrekend met het pakket voor sociale participatie. Omdat we ervan uitgaan dat een groot deel van deze uitgaven worden vergoed, hebben we de bedragen voor de twee uitgavenposten contributies/abonnementen en vakantie/uitgaan gehalveerd. Scholierenvergoeding De gemeente Amsterdam kent een tegemoetkoming voor schoolkosten en de kosten voor cultuur- en sportactiviteiten van schoolgaande kinderen van ouders met een laag inkomen. Vanaf het schooljaar 2018-2019 bedraagt de vergoeding voor kinderen op het basisonderwijs 244 euro per jaar en voor scholieren op het voortgezet onderwijs bedraagt de vergoeding 325 euro per jaar. De regeling geldt voor huishoudens met een inkomen tot en met 120 procent van het sociaal minimum. In de berekeningen hebben we de tegemoetkoming verrekend met de schoolkosten en de kosten voor contributies en abonnementen in het pakket voor sociale participatie. Het basisbedrag voor schoolkosten voor kinderen op het basisonderwijs vermeerderd met het basisbedrag voor contributies en abonnementen in het pakket voor sociale participatie bedraagt 190 euro per jaar. Daarmee is de vergoeding hoger dan het basisbedrag. De vergoeding wordt verrekend met andere uitgaven in het pakket voor sociale participatie, zoals bijvoorbeeld recreatie/vakantie.

Hierbij hebben we er op gelet dat de vergoedingen via de stadspas ook al verrekend zijn met deze uitgavenposten. Bij het basisbedrag voor schoolkosten op het basisonderwijs gaat het om een vrij laag bedrag, waarbij geen rekening wordt gehouden met hoge uitgaven voor bijvoorbeeld een schoolkamp of bijzondere lesmaterialen. Als er in werkelijkheid hogere uitgaven zijn dan het basisbedrag waarmee we gerekend hebben, dan biedt de regeling hier dus nog enige extra ruimte voor. De schoolkosten voor kinderen op het voortgezet onderwijs zijn hoger, waardoor deze vergoeding geheel op gaat aan deze schoolkosten. Kindbonnen Stadspashouders komen in aanmerking voor tegoedbonnen, waarmee speelgoed of kleding kan worden gekocht bij een aantal winkels. Er zijn de volgende bonnen: Een babybon voor kinderen tot 2 jaar met een waarde van 27 euro; Een speelgoedbon voor kinderen van 3 tot en met 9 jaar met een waarde van 27,50 euro; Een kledingbon voor kinderen van 10 tot en met 14 jaar met een waarde van 122 euro. De babybon en de speelgoedbon worden automatisch thuisgestuurd. De kledingbon kan opgehaald worden. De speelgoedbon en de kledingbon hebben we in mindering gebracht op de uitgaven voor inventaris en kleding. Gratis laptop Per gezin kan er eens in de vier schooljaren een gratis laptop worden aangevraagd voor kinderen op het voortgezet onderwijs.

Daarnaast is er eenmalig recht op een vergoeding van 200 euro voor de kosten van internet. We hebben dit zodanig in de begroting opgenomen dat de vergoeding wordt uitgesmeerd over een periode van 4 jaar. De

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 55

vergoeding is in de begroting opgenomen bij de post onderwijs, waarin kosten zijn verwerkt in verband met ICT-benodigdheden. We zijn uitgegaan van een laptop met een nieuwwaarde van 429 euro12. Voor oudere kinderen op het basisonderwijs is ook een vergoeding mogelijk. Gratis OV voor ouderen Ouderen met een AOW-uitkering en een inkomen tot en met 120 procent van het minimum kunnen gratis gebruik maken van het openbaar vervoer in Amsterdam. In de begrotingen hebben we hier rekening mee gehouden door tot en met 120 procent geen kosten op te nemen voor ouderen voor de vervoerskosten in het basispakket. Gratis identiteitskaart Inwoners van de gemeente Amsterdam met een inkomen tot en met 120 procent van het minimum krijgen een gratis identiteitskaart. In het basispakket hebben we de maximum kosten van een paspoort opgenomen. Die kosten hebben we verminderd met een vergoeding voor een identiteitskaart. Bijdrage kinderopvang De gemeente betaalt 4 procent van de kosten van kinderopvang direct aan de kinderopvang organisatie. Dat geldt voor inwoners van de gemeente Amsterdam met een bijstandsinkomen in een integratie- of inburgeringstraject of werkenden met aanvullende bijstand. In de begrotingen houden we rekening met de kosten voor kinderopvang voor ouders van jonge kinderen.

We gaan er vanuit dat alleenstaande ouders die werken gebruik maken van kinderopvang en dat alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering proberen aan het werk te gaan. In de begrotingen hebben we voor het oudergezin met jonge kinderen op bijstandsniveau de kosten voor kinderopvang verlaagd met 4 procent. Jeugdsportfonds en Jongerencultuurfonds Via het Jeugdsportfonds (JSF) en het Jongerencultuurfonds (JCF) kunnen kinderen van 4 tot 18 jaar uit gezinnen met een laag inkomen een bijdrage voor sporten en culturele activiteiten krijgen. De bijdrage is bedoeld voor contributies van sport- en muziekverenigingen en voor de benodigde (sport)kleding en materialen. Ook de kosten voor het volgen van zwemlessen voor diploma A, komen voor vergoeding in aanmerking. Een aanvraag wordt niet bij de gemeente gedaan, maar bij het fonds zelf. Deze aanvraag kan niet door de ouders zelf worden gedaan, maar door een intermediair die professioneel betrokken is bij de opvoeding van het kind (bijvoorbeeld een leerkracht, maatschappelijk werker, huisarts of jeugdhulpverlener). In de berekeningen hebben we rekening gehouden met een bijdrage via het JSF en het JCF. Het deel van de kosten uit het pakket voor sociale participatie voor contributies en abonnementen is op nul gezet, voor zover dat nog niet vergoed wordt door de Stadspas en de scholierenvergoeding.

Individuele inkomenstoeslag Inwoners van de gemeente Amsterdam die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen hebben recht op de individuele inkomenstoeslag. Voorwaarde hiervoor is dat het inkomen drie jaar lang lager is dan 120 procent van het wettelijk sociaal minimum. _______________ 12

Nibud, Prijzengids 2018-2019

56 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

Daarnaast is er geen perspectief op inkomensverbetering. De toeslag bedraagt (1 keer per jaar) 85 euro per persoon. Individuele bijzondere bijstand (*) Voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden kan individuele bijzondere bijstand worden verstrekt. Bij een inkomen boven bijstandsniveau wordt afhankelijk van de situatie volgens enkele vaste regels een draagkrachtberekening gemaakt. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Verlaagde huur In het Woonlastenakkoord is het volgende afgesproken: Corporaties verlagen de huur [van huurders die drie jaar een inkomen hebben van 120% van het Wettelijk Sociaal Minimum (WSM) of lager en die woonachtig zijn in een corporatiewoning] naar de voor de huurders geldende aftoppingsgrens. De verlaagde huur zit verwerkt in de huren uit de databank van AFWC. In paragraaf 5.4 wordt kort ingegaan op de effecten van deze afspraak. Financiële voorlichting (*) De gemeente Amsterdam biedt een breed spectrum van maatregelen gericht op financiële voorlichting.

Een aantal maatregelen zijn: Op Eigen Kracht budgettrainingen voor cliënten van de voedselbank en kwetsbare burgers, bijvoorbeeld cliënten van de maatschappelijke opvang of met psychische problematiek; Budgettrainingen voor cliënten van de schuldhulpverlening; Inloopspreekuren van budgetcoaches bij de sociale werkvoorziening (Pantar), afdeling Werk en Re-integratie van WPI, op alle ROC vestigingen; Inloopspreekuren van de jongeren schuldhulpverlening in ieder stadsdeel; Inloopspreekuren Grip op je Geld en overige inloopspreekuren van de instellingen voor maatschappelijke dienstverlening; Voorlichtingsbijeenkomsten door sociaal raadslieden van de madi’s; Naast inzet van budgetcoaches op MBO scholen worden er ook budgetlessen gegeven op VO-scholen. Op VMBO praktijk- en speciaal voortgezet onderwijs wordt de lessenreeks ‘Hoe word je rijk’ ingezet voor leerlingen van 16 tot en met 18 jaar. OV-vergoeding voor mantelzorgers (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met een laag inkomen die mantelzorg verlenen kunnen een vergoeding aanvragen voor de kosten van het openbaar vervoer. We hebben in de berekeningen geen rekening gehouden met deze regeling. Reiskostenvergoeding scholieren (*) Kinderen van ouders met een laag inkomen op het voortgezet onderwijs die 3 of meer zones met het openbaar vervoer moeten reizen kunnen een reiskostenvergoeding krijgen.

De vergoeding bedraagt 250 euro per schooljaar. In de berekeningen gaan we er vanuit dat de kinderen geen reiskosten maken. Scholingslening (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met een laag inkomen kunnen geld lenen bij de Kredietbank Amsterdam om de kosten van een opleiding mee te betalen. Soms hoeft niet

De financiële positie van huurders in Amsterdam| 57

de hele lening worden terugbetaald. Bij het behalen van een diploma, is er kans op kwijtschelding van maximaal 50 procent van het kredietbedrag. We gaan ervan uit dat de meeste mensen geen opleiding volgen en dat de kosten verschillen per opleiding zodat er moeilijk een bedrag gegeven kan worden. We hebben daarom geen rekening gehouden met kosten in verband met scholing en deze regeling. Woonkostentoeslag (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam die de huur of hypotheeklasten niet meer kunnen betalen, kunnen mogelijk een toeslag krijgen. Met deze tijdelijke regeling kunnen mensen die op zoek zijn naar een goedkopere woning deze periode overbruggen. Bij een inkomen boven bijstandsniveau wordt afhankelijk van de situatie volgens enkele vaste regels een draagkrachtberekening gemaakt. We hebben geen rekening gehouden met deze toeslag in de berekeningen. Energieadvies en gratis energie-boxen (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met betalingsachterstanden krijgen tijdens financiële adviesgesprekken ook energieadvies. Daarnaast ontvangen zij een gratis box met besparingsmiddelen zoals ledlampen, een besparende douchekop en radiatorfolie. Verder leidt de gemeente Amsterdam “Energiecoaches” en Step 2 Saveenergieadviseurs op, die een advies geven over energiebesparing en bieden zij gratis of tegen gereduceerde tarieven bespaarproducten aan.

Deze initiatieven leiden naar schatting een gemiddelde besparing op van tot 137 euro per jaar. In de begrotingen houden we rekening met een vrij kleine en daardoor relatief energiezuinige woning (een flatwoning voor huishoudens zonder kinderen en een tussenwoning voor huishoudens met kinderen). Daarnaast gaan we voor huishoudens tot de AOW-leeftijd uit van een iets lager verbruik dan gemiddeld (90 procent van het gemiddelde verbruik). Daarom nemen we deze mogelijke besparing niet mee. Als er in werkelijkheid sprake is van een relatief grote woning in combinatie met een relatief onzuinige woning (bijvoorbeeld energielabel E/F/G), dan heeft dat huishouden zogenaamde persoonlijk onvermijdbare kosten. Deze regeling vormt in dat geval een compensatie voor deze meerkosten. Gratis bezoek dierenarts (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met een laag inkomen kunnen via de Stadspas één keer per jaar gratis met een ziek huisdier naar de dierenarts. Daarnaast wordt een deel van de behandelkosten vergoed. In de berekeningen houden we geen rekening met de kosten van een huisdier. Daarom houden we geen rekening met deze regeling.

58 | De financiële positie van huurders in Amsterdam

Bijlage 4 | Huur- en inkomensgrenzen Hieronder staan de huur- en inkomensgrenzen die zijn gehanteerd in dit onderzoek. Het gaat om het belastbare jaarinkomen. In 2020 zijn de inkomensgrenzen voor de huurtoeslag vervallen. Huur- en inkomensgrenzen 2018 t/m 2020

Huurgrenzen Kwaliteitskortingsgrens Lage aftoppingsgrens Hoge aftoppingsgrens Liberalisatiegrens Inkomensgrenzen Inkomensgrens huurtoeslag eenpersoonshuishouden Inkomensgrens huurtoeslag eenpersoonshuishouden AOW Inkomensgrens huurtoeslag meerpersoonshuishouden Inkomensgrens huurtoeslag meerpersoonshuishouden AOW Modaal inkomen* 1,5x modaal* 2x modaal*

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9707888/1