2026-04-15 Schriftelijke bijdrage mw. Van Opheusden inzake agendapunt 7
Tekst van het document
De Koloniale Geschiedenis van de Lutkemeerpolder Schriftelijke bijdrage bij de Tijdelijke Algemene raadscommissie 15/04/2026 Agendapunt 7: Vaststellen 1e partiële herziening bestemmingsplan Lutkemeerpolder Marlies van Opheusden Een polder wordt door allerlei relaties, interacties en definities vormgegeven. Mijn masterscriptie Stads- en Architectuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam ging dan ook in op de vraag welke relaties, interacties en definities de Lutkemeerpolder hebben vormgegeven vanaf haar drooglegging in 1863 tot 1970. Een van de belangrijkste bevindingen, met doorwerkingen in het heden, is de koloniale geschiedenis van de Lutkemeerpolder. De polder is in 1863 aangekocht door de familie Rutgers van Rozenburg, toentertijd woonachtig aan de Herengracht en mede vanwege aandelen in Surinaamse plantages zeer welvarend. De schadevergoeding van 1200 gulden die Louis Rutgers van Rozenburg van de nationale overheid kreeg voor zijn aandelen in het W.G. Deutzfonds na de afschaffing van de slavernij in 1863, heeft bijgedragen aan zijn vermogen en aan de mogelijkheid om de Lutkemeer voor 1400 gulden te kopen en vervolgens droog te leggen. Met koloniaal geld komt koloniaal denken.
Hierbij denkt men vaak, en terecht, aan de menselijke dimensie: de valse overtuiging van witte Europeanen dat zij vanuit superioriteit het recht hadden anderen te bestempelen tot ‘de ander’, om hen vervolgens te overheersen en op onmenselijke wijze te exploiteren. Niet-menselijke anderen (alles dat leeft maar niet mens is) werden vaak ook tot ‘de ander’ gemaakt, en het overheersen en exploiteren van hen werd als normaal geacht. Dit wordt ook wel de imperiale natuurtraditie genoemd. Een manier van denken die de heren Rutgers van Rozenburg zeer eigen was, zoals te zien is in hoe zij spraken over gras en water op de Lutkemeerpolder en dit op de polder in praktijk brachten. Het idee dat men de natuur moet controleren en beheersen voor allerlei functies, zoals landbouw, recreatie en een gezonde wijk, blijft gedurende de hele geschiedenis van de polder op de voorgrond. Mijn scriptie onderbouwt dit natuurlijk in veel meer detail, en ik kan er nog van alles over vertellen, maar voor nu wil ik de Tijdelijke Algemene Raadscommissie vragen om stil te staan bij hoe dit verleden doorwerkt in het heden.
Op welke manier is een dergelijke koloniale kijk op natuur nog aanwezig binnen de bespreking en planning van de partiële herziening van het bestemmingsplan van de Lutkemeerpolder? Tot welke aanpassingen in beleid vraagt de koloniale geschiedenis van de Lutkemeerpolder, en hoe kan dit concreet worden gemaakt binnen de partiële herziening? Wie betrekt de gemeente bij de partiële herziening? Wat voor effect heeft deze kennisneming van de koloniale geschiedenis van de Lutkemeerpolder op stedelijk groenbeleid in het algemeen? Hoe kunnen we op een duurzame en dekoloniale wijze in relatie staan tot natuur? Initiatieven als Voedselpark en het Inheems Kenniscentrum laten zien dat andere benaderingen mogelijk zijn. Zij bieden concrete voorstellen voor een alternatieve omgang met de omgeving, waarin ruimte is voor zowel ecologische rechtvaardigheid als historische erkenning. In het beslissen over de toekomst van de Lutkemeerpolder, is het belangrijk kritisch te reflecteren op de denkbeelden die haar in het verleden hebben gevormd, en die bewust of onbewust nog altijd doorwerken in haar beleid vandaag.