2026-04-15 Schriftelijke bijdrage Abdou Menehbi inzake agendapunt 22
Tekst van het document
Amsterdam, 15 april. Agendapunt 22: Amsterdam Samen tegen moslimdiscriminatie
Geachte raadsleden, Graag wil ik het met u hebben over de bestuurlijke reactie op het waardevolle initiatiefvoorstel Amsterdam Samen tegen moslimdiscriminatie.
Ik zal me eerst even voorstellen. Mijn naam is Abdou Menebhi. Sinds de jaren zeventig zet ik mij, als Amsterdammer, in tegen racisme en discriminatie. Ik was begin jaren ‘80 mede-organisator van de eerste Prinsenhofconferentie, de eerste keer dat racisme in Nederland op de agenda werd gezet. In de jaren negentig richtte ik het Comité 21 Maart op, dat de jaarlijkse demonstraties tegen racisme in Amsterdam organiseert. Met EMCEMO hebben we in 2012, samen met onderzoeker Ineke van der Valk, het eerste wetenschappelijke onderzoek naar islamofobie in Nederland mogelijk gemaakt. In 2013 richtten we het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie op. Sindsdien organiseren we jaarlijks meerdere bijeenkomsten over islamofobie, begeleiden we slachtoffers en hebben we een meldpunt islamofobie opgericht. Van de gemeente moesten we daarmee stoppen omdat het te specifiek zou zijn. We hebben meerdere onderzoeken naar
moslimdiscriminatie uitgevoerd. Vier jaar geleden voerden we nog een actieonderzoek uit op verzoek van de gemeente Amsterdam. Uit alle onderzoeken wordt duidelijk dat moslimdiscriminatie door meer dan de helft van Nederlandse moslims wordt ervaren. Moslimdiscriminatie komt in bijna alle domeinen voor: op school, op het werk, in de zorg en bij de overheid. Daarnaast is er sprake van institutionele discriminatie: regels en procedures die – soms onbedoeld – systematisch nadelig uitpakken voor moslims. Moslimdiscriminatie is genormaliseerd. In Amsterdam gaat het om meer dan 100.000 inwoners met islamitische roots die hiermee te maken kunnen krijgen. Voor een deel van hen is moslimdiscriminatie geen papieren werkelijkheid, maar een dagelijkse realiteit. Ze hebben dagelijkse te maken met verschillende vormen van discriminatie. Ook door vertegenwoordigers van de overheid. Toch zien we dat er nog amper specifiek beleid is. In de Tweede Kamer wordt het onderwerp keer op keer weggeschoven. Zelfs landelijke onderzoeken worden niet eens serieus besproken. Steeds horen we: “We vinden het belangrijk, maar het valt onder ons algemene beleid, we doen al genoeg.” Dat is precies de manier waarop je een urgent probleem onzichtbaar houdt. Nederlandse moslims voelen zich hierdoor niet gezien door de overheid. Ze verliezen het vertrouwen in de overheid.
De reactie van het college op het waardevolle initiatiefvoorstel Amsterdam samen tegen moslimdiscriminatie past helaas in deze traditie. Er wordt veel verwezen naar bestaand beleid, maar er worden te weinig nieuwe, concrete stappen gezet. Terwijl dit voorstel juist vraagt om gerichte actie: een heldere structuur, duidelijke normstelling en specifieke maatregelen tegen moslimdiscriminatie.
Ik zou lang kunnen praten, maar ik wil drie punten benadrukken. Eén: moslimdiscriminatie moet beter worden geregistreerd, en slachtoffers moeten beter worden beschermd. Veel mensen melden niet, omdat ze denken dat het toch geen zin heeft. Daarom steun ik van harte een apart meldpunt of steunpunt voor moslimdiscriminatie in Amsterdam. Daar is behoefte aan. Twee: betrek de organisaties die hier al jaren mee bezig zijn. Burgerorganisaties, moskeeorganisaties en mensenrechtenorganisaties zoals EMCEMO en het CTID beschikken over kennis, ervaring en vertrouwen in de gemeenschap. Toch worden we niet structureel betrokken bij de ontwikkeling van beleid. We krijgen soms wel subsidie voor losse projecten, maar we zitten vreemd genoeg niet aan tafel als het gaat om visie, aanpak en uitvoering. Dat is niet logisch. Als je moslimdiscriminatie echt wilt aanpakken, moet je de mensen betrekken die de expertise hebben en dagelijks met de gevolgen te maken hebben. Drie: laat Amsterdam niet wegkomen met het argument: “We doen al genoeg binnen ons reguliere beleid.” Dit initiatiefvoorstel is een kans om wél een duidelijke, specifieke en gezamenlijke aanpak van moslimdiscriminatie neer te zetten. Met een beter meld- en steunpunt, met zichtbare normstelling, en met structurele inbreng van de gemeenschappen die het aangaat.
Tot slot nodig ik u graag uit om aanstaande zaterdag te komen naar onze bijeenkomst “Hoe kunnen we de stilte verbreken?” te komen, in Perdu. Daar gaan we met onderzoekers, moskeeën, jongeren en organisaties in gesprek over hoe we de politieke en maatschappelijke stilte rond islamofobie kunnen doorbreken, en welke concrete stappen nodig zijn richting overheid en politiek. Ik hoop u daar te zien. Dank u wel.
-----
Meer informatie: https://collectieftegenislamofobie.nl/