20251118 1029 Anders behandeld en nu
Tekst van het document
Colofon Kinderombudsman Metropool Amsterdam Jacob Bontiusplaats 9 1018 LL, Amsterdam www.ombudsmanmetropool.nl/kinderombudsman 2
Inhoudsopgave WAT GING ER AAN DEZE PUBLICATIE VOORAF? KINDERSAMENVATTING 1. WAAROM DEZE PUBLICATIE? ................................................................................................................ 9 1.1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 10 1.3. WAAROM EEN VERVOLG OP ANDERS BEHANDELD? .......................................................................................... 11 1.4. WAT HEBBEN WE GEDAAN? ........................................................................................................................ 11 1.5. LEESWIJZER .......................................................................................................................................... 12 2. NORMEREN ....................................................................................................................................... 13 2.1. INLEIDING ............................................................................................................................................. 14 2.2. WAT KINDEREN BELANGRIJK VINDEN ............................................................................................................. 14 2.3.
HOE PROFESSIONALS DAAROP REAGEREN ....................................................................................................... 14 2.5. RESUMEREND ........................................................................................................................................ 18 3. KINDVRIENDELIJK EN LAAGDREMPELIG MELDEN .................................................................................. 20 3.1. INLEIDING ............................................................................................................................................. 21 3.2. WAT KINDEREN BELANGRIJK VINDEN ............................................................................................................. 21 3.3. HOE PROFESSIONALS DAAROP REAGEREN ....................................................................................................... 21 3.4. UITKOMSTEN DIALOOGSESSIES MET KINDEREN/JONGEREN ................................................................................... 23 3.5. RESUMEREND ........................................................................................................................................ 25 4. BEVORDEREN VAN EEN INCLUSIEVE SAMENLEVING .............................................................................. 27 4.1.
INLEIDING ............................................................................................................................................. 28 4.2. WAT DE KINDEREN BELANGRIJK VINDEN ......................................................................................................... 28 4.3. HOE PROFESSIONALS DAAROP REAGEREN ....................................................................................................... 28 4.4. UITKOMSTEN DIALOOGSESSIES MET KINDEREN ................................................................................................. 30 4.5. RESUMEREND ........................................................................................................................................ 32 5. VAN INTENTIE NAAR ACTIE .................................................................................................................. 34 5.1. INLEIDING ............................................................................................................................................. 35 5.2. CONCLUSIE .......................................................................................................................................... 35 5.3. WAT IS ER NODIG IN DE BESTRIJDING VAN RACISME EN DISCRIMINATIE? ..................................................................... 36 5.3.1.
EEN STEVIGE SOCIALE NORM TEGEN DISCRIMINATIE ......................................................................................... 37 5.3.2. VAN MELDEN NAAR VERTROUWEN ............................................................................................................. 37 5.3.3. HET BEVORDEREN VAN EEN INCLUSIEVE SAMENLEVING..................................................................................... 38 BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN GERAADPLEEGDE BRONNEN ........................................................................................... 39 Bijlage 2. Verslag van bijeenkomst 29 oktober 2025
3
4
Wat ging er aan deze publicatie vooraf? Op 20 november 2024 publiceerde de Kinderombudsman Metropool Amsterdam (hierna: de Kinderombudsman) het rapport Anders behandeld, een onderzoek naar ervaringen van Amsterdamse kinderen en jongeren met discriminatie en racisme. Uit dat rapport komt naar voren dat discriminatie en racisme helaas voor veel Amsterdamse kinderen dagelijkse realiteit is. Om hoeveel kinderen het precies gaat is niet bekend omdat concrete cijfers ontbreken. Tot op heden is geen grootschalig landelijk kwantitatief onderzoek gedaan naar discriminatie-ervaringen van kinderen en jongeren in Nederland. Wel bleek eind 2023 uit een peiling van Unicef dat de helft van alle kinderen in Nederland ziet dat andere kinderen gediscrimineerd worden op basis van huidskleur of afkomst. Voor de Kinderombudsman was dit mede de aanleiding1 om te onderzoeken wat de ervaringen van Amsterdamse kinderen zijn. Tijdens het onderzoek is met bijna 80 kinderen en jongeren tussen 8 en 18 jaar uit verschillende stadsdelen gesproken. Er is aan hen gevraagd wat onder de termen discriminatie en racisme moet worden verstaan, welke ervaringen zij hiermee hebben én hoe zij daarmee omgaan. En nog belangrijker, welke oplossingsrichtingen er volgens hen zijn om het probleem aan te pakken. Uit het onderzoek kwam een aantal duidelijke inzichten naar voren.
Discriminatie en racisme zijn structurele problemen die overal voorkomen Een daarvan is dat discriminatie en racisme structurele problemen zijn. De ervaringen met discriminatie en racisme komen niet alleen op school voor, maar óók op de sportclub, op straat, in de winkel of op sociale media. Kinderen met een migratieachtergrond, een andere huidskleur of religie worden regelmatig anders behandeld dan hun leeftijdsgenoten. Het gaat hier niet om incidenten, maar om structurele uitsluiting en ongelijke behandeling. Kinderen vertelden dat zij worden uitgescholden, niet alleen door andere kinderen, maar ook door volwassenen. De voorbeelden die zij deelden waren schokkend en schrijnend en maakten duidelijk dat het gaat om meer dan alleen individuele ervaringen. Bij sollicitaties en stages voelen zij eveneens dat ze anders behandeld worden. Jongeren worden buitengesloten of onterecht ergens van beschuldigd, slechts op basis van hun uiterlijk. Omdat het niet om losse incidenten gaat, wordt met elke ervaring het effect en de impact op de kinderen groter. Het is een risico voor de mentale gezondheid van de jongeren. Niet praten als overlevingsstrategie Ook werd duidelijk dat de kinderen en jongeren nauwelijks over hun ervaringen praten. Niet thuis en niet op school. Ze schamen zich, of ze zijn bang dat hun ouders boos worden en naar school komen.
Of ze willen hun ouders niet met problemen opzadelen. En vaak denken ze dat melden geen zin heeft. Die gelatenheid bij kinderen is verontrustend. Vooral jongens in de leeftijd 12-15 jaar wilden niet over hun ervaringen vertellen, of bagatelliseerden ze. Dat is vooral opmerkelijk omdat professionals die met deze jongens werken vertellen dat juist zij te maken hebben met discriminatie en racisme. Ze worden eerder staande gehouden of ergens ‘uitgepikt’ door politie. Het rapport maakte pijnlijk duidelijk dat deze jongens het lijken te accepteren dat het toch niet beter wordt. Zij zien geen heil in het praten over hun ervaringen. Een overlevingsstrategie. Dat is zorgelijk. In gesprekken die de Kinderombudsman met deze jongeren had - en nog steeds heeft - komt veel frustratie en moedeloosheid naar boven. De groep voelt zich niet gehoord en wordt buitengesloten of gewantrouwd. De polariserende taal van sommige politici - die vinden dat met name deze jongeren een integratieprobleem vormen - draagt hier direct aan bij. Het zorgt ervoor dat jongeren zich in de steek gelaten voelen door de politiek en zich afkeren van de samenleving. En dat werkt door in hun volwassen jaren. Ervaringen delen kan alleen bij als er vertrouwen is Het onderzoek toonde verder aan dat de kinderen pas over hun ervaringen willen vertellen als er een basis van vertrouwen is.
Ze moeten ergens aan de bel kunnen trekken waar ze zich veilig voelen en waar serieus naar hen wordt geluisterd. Als kinderen en jongeren geen ruimte hebben om te praten over de ervaringen die hen bezighouden, dan wordt het naarmate de tijd verstrijkt steeds moeilijker om erover te praten. Terwijl die ervaringen wel gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop zij – nu of later - naar de wereld kijken.
1
De Kinderombudsman heeft na haar benoeming met kinderen gesproken en gevraagd welk onderwerp zij volgens de kinderen als eerste zou moeten oppakken. Discriminatie, racisme, buitengesloten worden en pesten werden in deze gesprekken veelvuldig genoemd. De peiling van Unicef en de uitkomst van gesprekken met kinderen vormden tezamen aanleiding voor het onderzoek naar ervaringen van Amsterdamse kinderen en jongeren met discriminatie en racisme. 5
Werken aan preventieve gezondheidszorg Dat discriminatie en racisme diepe sporen achterlaten, is inmiddels wel bekend. Het maakt kinderen onzeker, het tast hun zelfvertrouwen aan en het kan leiden tot vertrouwensproblemen of een laag zelfbeeld. In ernstige gevallen kan het zelfs uitmonden in depressie of trauma. Door een structureel ‘andere behandeling’ krijgen kinderen bovendien minder kansen. Het probleem moet daarom bij de wortel worden aangepakt, als een vorm van preventieve gezondheidszorg. Door openheid te stimuleren en sámen met kinderen naar oplossingen te zoeken, kan worden gewerkt aan een inclusievere samenleving. Het is niet voor niets dat het Kinderrechtenverdrag voorschrijft dat kinderen hun mening moeten kunnen geven over álle zaken die hen aangaan. De Kinderombudsman ziet het dan ook als haar taak om met kinderen in gesprek te gaan over de bevindingen en conclusies uit het rapport. Om te horen welke oplossingsrichtingen zij voor zich zien. De kinderen vertelden dat zij het belangrijk vinden dat er een laagdrempelig, toegankelijk meldpunt komt waar zij hun ervaringen kunnen delen en melden. Het liefst bij een vertrouwenspersoon of ervaringsdeskundige. Ook willen kinderen dat meer wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Door voorlichting te geven over, en aandacht te schenken aan, inclusiviteit.
Én door het ‘goede’ gesprek aan te gaan, niet eenmalig maar structureel. Maar het állerbelangrijkst vinden kinderen dat volwassenen het goede voorbeeld geven. Dat er wordt genormeerd, zodat het voor iedereen duidelijk is wat wél en wat niet mag. Kinderen hebben dus zelf aangegeven wat zij graag willen veranderen. Dat is fijn, want het geeft aanknopingspunten om discriminatie en racisme concreet aan pakken. Na publicatie van Anders behandeld Op 27 januari 2025 reageerde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) schriftelijk op het rapport Anders behandeld. Dit, naar aanleiding van vragen van de vaste commissie Binnenlandse Zaken. De minister liet onder meer weten dat het ministerie in gesprek is met Discriminatie.nl over het kindvriendelijk maken van de lokale anti-discriminatievoorzieningen, waarmee opvolging wordt gegeven aan de aanbeveling van VN-Kinderrechtencomité. Ook werd aangegeven dat er vanuit het ministerie ‘voor de gemeenten vanaf 2024 jaarlijks een financiële bijdrage’ beschikbaar is om ‘extra in te zetten op preventie van discriminatie’.
Vervolgens stelde de gemeente Amsterdam in haar bestuurlijke reactie van 25 februari 2025 op het rapport dat zij zich met de vaststelling van het Beleidskader Inclusie en Antidiscriminatiebeleid 2023-2026 heeft gecommitteerd bij te dragen aan een inclusievere stad door normstelling, agendering en het ondersteunen van verschillende initiatieven. Uitgebreid werd ingegaan op de zeven door de kinderen bedachte oplossingsrichtingen. De Kinderombudsman heeft na publicatie van het rapport de zeven oplossingsrichtingen geconsolideerd tot drie thema’s, te weten: (1) normeren, (2) laagdrempelig melden van discriminatie en racisme om uiteindelijk te komen tot (3) een inclusieve samenleving. Samen met de stadsdelen Centrum, Noord, Zuid en Zuidoost heeft de Kinderombudsman deze thema’s vervolgens nader uitgewerkt. Het resultaat staat in deze (vervolg)rapportage beschreven. De Kinderombudsman is de stadsdelen bijzonder erkentelijk voor hun inzet.
6
7
Kindersamenvatting In Amsterdam maken veel kinderen nog steeds mee dat ze anders worden behandeld vanwege hun huidskleur, herkomst (waar ze vandaan komen), geloof of hoe ze eruitzien. De Kinderombudsman heeft hierover vorig jaar met kinderen gepraat. Die vertelden dat racisme en discriminatie niet alleen op school voorkomen maar ook op straat, bij de sportclub en online. De meeste kinderen praten er niet over, omdat ze bang zijn dat het toch niets oplost of omdat ze zich schamen. Daardoor blijven ze vaak met hun verdriet en boosheid zitten. Drie stappen om discriminatie en racisme effectief aan te pakken De Kinderombudsman wilde weten wat kinderen zelf zouden doen om dit te veranderen. Dit jaar praatte zij met kinderen én met volwassenen die veel met kinderen en jongeren werken over drie stappen om discriminatie en racisme te stoppen. Het gaat om: (a.) duidelijk zijn over wat wel en niet kan (normeren) en er iets van zeggen als iemand wordt gediscrimineerd; (b.) het makkelijker maken om te melden als het misgaat; en (c.) zorgen voor een ‘inclusieve’ samenleving, waarin niemand wordt buitengesloten of anders wordt behandeld. a. Ingrijpen en aanspreken als er discriminatie plaatsvindt De eerste stap gaat over normeren: laten zien wat de regels zijn en dat racisme niet geaccepteerd wordt. Volwassenen moeten meteen ingrijpen als iemand wordt uitgescholden of buitengesloten.
Niet alleen straffen, maar vooral uitleggen waarom iets kwetsend is en hoe het beter kan. Kinderen willen dat er duidelijke afspraken komen op school en in de stad, zodat iedereen weet wat wel en niet kan. b. Herstellen als het is misgegaan De tweede stap is (laagdrempelig) melden. Als een kind gediscrimineerd wordt, moet het weten waar het terecht kan. Dat kan bij een vertrouwenspersoon op school, bij de Kindertelefoon of bij een meldpunt tegen discriminatie (een anti- discriminatiemeldpunt). Zo’n meldpunt moet veilig en kindvriendelijk zijn: met mensen die goed luisteren, niets doorvertellen en uitleggen wat er met een melding gebeurt. Alleen dán durven kinderen hun verhaal te vertellen. En op die manier kan aan verbeteringen worden gewerkt. c. Werken aan het voorkomen en bestrijden van discriminatie en racisme De laatste stap, ervoor zorgen dat er een inclusieve samenleving komt, betekent dat iedereen mee mag doen en gewaardeerd wordt om wie diegene is. Kinderen vinden dat er al vroeg over verschillen moet worden gepraat, op school maar ook thuis, in de sport en online. Ouders en leraren moeten het goede voorbeeld geven en kinderen leren respect te hebben voor anderen. Zo voorkom je discriminatie en racisme en kan het probleem worden aangepakt. Kinderen serieus nemen Volwassen moeten het goede voorbeeld geven. Maar kinderen willen niet dat volwassenen vóór hen praten.
Zij willen zelf ook meedenken en meehelpen. Hun ideeën moeten serieus worden genomen omdat zij beter weten wat wél en wat niet voor hen werkt. De Kinderombudsman vindt dat ook. Daarom roept ze scholen, sportclubs, gemeenten én de landelijke overheid op om samen met kinderen te werken aan verandering. De boodschap is helder: racisme en discriminatie gebeuren niet één keer maar vaker. Door discriminatie en racisme kunnen kinderen onzeker en ziek worden. Om dat te veranderen moeten volwassenen luisteren naar kinderen, hun stem serieus nemen en zorgen dat ze zich veilig voelen om te praten, te leren en te groeien. Wat kan de gemeente doen om te helpen? De Kinderombudsman vraagt de gemeente: ->
ervoor te zorgen dat er bij het maken van regels en beleid, als het gaat om zaken die kinderen raken, de kinderrechtentoets
->
wordt gebruikt en kinderen hierbij te betrekken. samen met de kinderen verder aan de slag te gaan met de oplossingen die zij hebben bedacht.
8
9
1. Waarom deze publicatie? 1.1. Inleiding Op 20 november 2024,2 publiceerde de Kinderombudsman Metropool Amsterdam (hierna: de Kinderombudsman) het rapport Anders behandeld, een onderzoek naar ervaringen van Amsterdamse kinderen en jongeren met discriminatie en racisme. Tijdens dat onderzoek vroeg de Kinderombudsman kinderen niet alleen naar ervaringen en coping-strategieën. Zij wilde vooral weten welke oplossingsrichtingen de kinderen voor zich zagen om discriminatie en racisme effectief aan te pakken. In Anders behandeld staan zeven oplossingsrichtingen beschreven, waaronder het instellen van een laagdrempelig en veilig meldpunt waar kinderen hun verhaal kwijt kunnen bij een ervaringsdeskundige of advies kunnen krijgen. Andere oplossingsrichtingen waren: het geven van goede voorlichting, straffen en belonen, toezicht houden en ‘daders’ aanspreken. Kinderen benadrukten dat volwassenen het goede voorbeeld moeten geven. Zij moeten normeren én zich inzetten om een inclusievere samenleving te bevorderen. Helaas ervaren kinderen nog te vaak dat er wordt weggekeken en niet wordt ingegrepen als dat - in hun ogen - nodig is. 1.2. Verbod discriminatie en racisme Het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) verplicht de overheid op grond van artikel 2 dat zij er alles aan doet om de rechten van alle kinderen te realiseren. Dit geldt echter niet alleen voor de Rijksoverheid.
Ook gemeenten moeten ervoor zorgen dat kinderen beschermd worden tegen en ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen. Niet op basis van geslacht, herkomst, geloofsovertuiging, culturele achtergrond of andere kenmerken. Dit geldt onverkort voor kinderen die in Nederland wonen, maar (nog) geen verblijfsvergunning hebben. Artikel 2 van het Kinderrechtenverdrag moet overigens in samenhang met drie andere (kern)artikelen worden bezien, te weten de artikelen 3 (belang van kind); 6 (leven en ontwikkeling); en12 (mening van het kind).3 Zo stelt artikel 3 dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Wanneer er beslissingen worden genomen over een kind, vormt het belang van het kind een eerste overweging. Het maakt daarbij niet uit wie de beslissing neemt. De overheid heeft de plicht om het welzijn van alle kinderen te bevorderen en dient erop toe te zien dat er voorzieningen zijn om deze taak te vervullen. Daarnaast hebben kinderen het recht om op grond van artikel 12 hun mening te geven over zaken die hen aangaan en dat hun mening serieus wordt genomen. Kinderen hebben inspraak en invloed. Zij kunnen meepraten, meedenken en meedoen. Thuis, op school, in de wijk en in eventuele juridische procedures.
Bovendien verplichten de artikelen 19 en 29 de overheid om kinderen te beschermen tegen schadelijke invloeden en respect, gelijkheid en verdraagzaamheid te bevorderen. Niet alleen in het IVRK (en andere internationale verdragen) maar ook in onze Grondwet (artikel 1); de Algemene wet gelijke behandeling; en in het Wetboek van Strafrecht staat het verbod op discriminatie expliciet vermeld. Discriminatie tegengaan is niet verblijvend en moet worden gezien ‘als een belangrijke sociale norm en verplichting die hoort bij onze samenleving.’4 In Nederland wordt op verschillende manieren gewerkt aan het voorkomen en verminderen van discriminatie en racisme. Zo is in 2021 de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme ingesteld en in 2022 de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme. Ook is dit jaar ingezet op kindvriendelijke antidiscriminatievoorzieningen. Desondanks zijn de meeste programma’s, beleid- en bewustzijnsmaatregelen (nog) te weinig gericht op kinderen en jongeren, terwijl deze wel vaak relevant zijn voor hen.5 Daarnaast
2
20 november is de internationale dag voor de rechten van het kind. Nationale Kinderombudsman, Kinderrechtentoets. 4 Movisie, Waarom een gemeente een inclusie- én antidiscriminatiebeleid moet hebben, 5 april 2024. 5 Kinderrechten in beweging, Kinderrechten in Nederland ‘25, hoe staat het ervoor? 3
10
worden kinderrechten te vaak ondergeschikt gemaakt aan politieke sentimenten. Het gevolg is dat de naleving van de verdragsverplichtingen achterblijft ook al zijn deze wettelijk bindend. 1.3. Waarom een vervolg op Anders behandeld? Het rapport Anders behandeld maakte veel los. Kinderen lieten daarin niet alleen zien hoe pijnlijk en ingrijpend discriminatie en racisme in hun leven zijn, maar vooral ook hoe scherp zij zien wat er nodig is om dit te veranderen. Hun boodschap was duidelijk: het probleem ligt niet alleen bij hen, maar juist ook bij volwassenen, de overheid en de samenleving als geheel. De Kinderombudsman wil voorkomen dat hun stem slechts eenmalig wordt gehoord en daarna verstomt. Een vervolg op het rapport is daarom noodzakelijk: om te laten zien dat de signalen van kinderen en jongeren serieus worden genomen, om hun oplossingsrichtingen verder uit te werken, én om samen met professionals, bestuurders en beleidsmakers te onderzoeken hoe woorden kunnen worden omgezet in daden. Dit vervolg is een verdiepingsslag. Waar Anders behandeld de urgentie en ideeën zichtbaar maakte, gaat deze publicatie over de vraag: hoe nu verder? Welke keuzes zijn nodig, welke acties hebben prioriteit en hoe kunnen kinderen zelf betrokken blijven bij het bestrijden van racisme en discriminatie? 1.4.
Wat hebben we gedaan? Ten behoeve van de vervolgacties bracht de Kinderombudsman de door de kinderen bedachte oplossingsrichtingen terug tot drie (overkoepelende) thema’s, te weten: (1) normeren; (2) het kindvriendelijk en laagdrempelig melden; en (3) het bevorderen van een inclusieve samenleving. In overleg met een viertal stadsdeelbesturen6 werden de thema’s verder verkend. In samenwerking met de stadsdelen organiseerde de Kinderombudsman bijeenkomsten met professionals over één thema. Vanuit de stadsdelen werden diverse professionals benaderd en uitgenodigd. Stadsdeel Zuidoost organiseerde eind maart 2025 de eerste bijeenkomst over het thema ‘normeren’. In stadsdeel Noord werd medio april 2025 met professionals gesproken over het thema ‘bevorderen van een inclusieve samenleving’.7 En tot slot vond begin juni 2025 in stadsdeel Zuid een bijeenkomst plaats over ‘laagdrempelig melden.’ De input uit deze bijeenkomsten werd vervolgens in een slotbijeenkomst op 7 juli 2025 in de Uilenburgersjoel, georganiseerd door stadsdeel Centrum, aan ruim twintig kinderen voorgelegd. Zij konden reflecteren, meepraten en meebeslissen over de vraag welke acties zij vooral willen uitwerken en op welke wijze dat zou moeten gebeuren. Voorts is de Kinderombudsman - in verschillende sessies met groepen kinderen en jongeren – in gesprek gegaan om ook van hen te horen wat zij vinden.
Jongerenambassadeurs van het stadsdeel Noord hebben op basis van door de Kinderombudsman aangeleverde stellingen op thema’s gereageerd en een advies geformuleerd. Deze input is in de rapportage verwerkt. In totaal heeft de Kinderombudsman tijdens dit vervolgonderzoek met ongeveer 90 professionals en 70 kinderen en jongeren8 gesproken. Op 29 oktober 2025 organiseerde de Kinderombudsman een rondetafelgesprek met de betrokken stadsdelen. Voorafgaand aan de bijeenkomst ontvingen de stadsdelen de conceptrapportage. Zij werden in de gelegenheid gesteld hierop te reflecteren. Ook werden de (concept)aanbevelingen besproken. Een verslag van dit gesprek is opgenomen in bijlage 2.
6
Het gaat om de stadsdelen Centrum, Noord, Zuid en Zuidoost. Daarnaast verzorgde de Kinderombudsman op verzoek van Vreedzaam West een inspiratiesessie over kansengelijkheid met ruim 25 professionals. Tijdens deze sessie is uitvoerig ingegaan op met name het thema ‘bevorderen van een inclusieve samenleving’. 8 Tijdens bijeenkomsten in verschillende stadsdelen en bij een andere bijeenkomst in West waren naar schatting 90 professionals aanwezig. De circa 70 kinderen en jongeren zijn gesproken tijdens een bezoek van de (voormalige) minister van BZK aan het Pieter Nieuwland College; tijdens een bijeenkomst in de Uilerburgersjoel in juni; én tijdens een bezoek aan een buurthuis in West en een zomerschool in Zuid. Negen jongerenambassadeurs van het stadsdeel Noord hebben schriftelijk input geleverd op basis van stellingen die de Kinderombudsman heeft opgesteld. 11 7
1.5. Leeswijzer Deze rapportage is opgebouwd rond drie thema’s die kinderen belangrijk vinden in de aanpak van discriminatie en racisme: 1. Normeren. 2. Laagdrempelig melden. 3. Bevorderen van een inclusieve samenleving. Per thema wordt steeds dezelfde opbouw gevolgd: • Wat kinderen belangrijk vinden: hun ervaringen, zorgen en ideeën voor oplossingen.9 • Hoe professionals daarop reageren: inzichten en dilemma’s van leerkrachten, jeugdwerkers, beleidsmakers en andere betrokkenen. • Dialoogsessies met kinderen en jongeren: wat zij zelf hebben ingebracht tijdens (verschillende) gesprekken die door de Kinderombudsman zijn georganiseerd. • Beknopte samenvattende conclusie. 1.6. Tot slot De Kinderombudsman wil de kinderen die een bijdrage hebben geleverd aan deze rapportage bedanken. Zij heeft veel respect voor hun inzichten en de manier waarop zij hun ervaringen hebben gedeeld. De kinderen hebben volop meegepraat en meegedacht. Ondanks dat discriminatie en racisme beladen begrippen zijn en veel emoties oproepen, hebben kinderen duidelijk laten zien waarom participatie, zeker bij dit thema, zo belangrijk is. Deze rapportage is vooral dankzij de kinderen tot stand gekomen en kan een eerste stap richting een inclusieve samenleving zijn. Een samenleving waarin discriminatie en racisme geen plaats hebben.
9
Deze bevindingen zijn gebaseerd op wat kinderen in het rapport Anders behandeld naar voren hebben gebracht.
12
13
2. Normeren 2.1. Inleiding “Leerkrachten doen er niet heel veel aan. Ze nemen het allemaal voor elkaar op.”
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het thema normeren. Normeren is de eerste stap als het gaat om het verminderen van discriminatie en racisme en betreft het ingrijpen op het moment zelf. Door in te zetten op normeren kunnen kinderen op het moment zelf tegen discriminerende uitingen worden beschermd. Als niet actief wordt gereageerd op discriminerend en racistisch gedrag en het niet wordt genormeerd, dan wordt impliciet de boodschap gegeven dat ‘het acceptabel’ is. Normeren is een uitdaging in een tijd waarin politici herhaaldelijk op dit gebied laten zien geen voorbeeldfunctie te vervullen. Maar juist dán is het van belang dat aan kinderen ruimte wordt geboden zodat zij over hun ervaringen durven en kunnen praten. 2.2. Wat kinderen belangrijk vinden In het rapport Anders behandeld geven kinderen aan dat zij het belangrijk vinden dat mensen die zich discriminerend en racistisch gedragen gestraft worden, bijvoorbeeld door geldboetes te betalen of een social media time-out. Door straffen in te voeren hopen kinderen dat dergelijke gedragingen ontmoedigd worden. En dat er een duidelijke boodschap wordt afgegeven dat discriminatie en racisme onacceptabel zijn. Ze willen hiermee een afschrikwekkend effect creëren en rechtvaardigheid bevorderen. Of iemand belonen als diegene zich langere tijd ‘goed gedraagt’.
Kinderen stellen voor om een toezichthouder in het leven te roepen, bijvoorbeeld iemand ‘die rondloopt’ en ‘alles in de gaten houdt’ of door cameratoezicht. Door meer toezicht verwachten kinderen dat discriminerende gedragingen sneller worden opgemerkt en aangepakt. Ze willen dat mensen zich meer ‘naar de regels gedragen’ en dat er een veilige omgeving wordt gecreëerd. Als mensen op discriminerend en racistisch gedrag worden aangesproken dan zullen zij zich hier eerder bewust van worden, hopen kinderen. Zij zouden het fijn vinden als dit gedrag in de toekomst niet meer voorkomt. Kinderen willen voorts dat volwassenen hun verantwoordelijkheid nemen en dat er een cultuur van respect ontstaat. 2.3. Hoe professionals daarop reageren “Aan mijn collega vroeg ik: waarom kaart je het niet aan? Dat heeft toch geen zin, antwoordde ze. Super pijnlijk om mee te maken. We hebben in onze organisatie een ‘omstanderstraining’ gehad en dat zou ik iedereen willen aanraden. Want als jij je uitspreekt, dan verschuift de norm niet.”
Op de vraag wat verstaan moet worden onder ‘normeren’ laat een aantal professionals weten dat aan deze vraag ‘meerdere stappen voorafgaan’ voordat hierop een passend antwoord kan worden gegeven. Ondanks dat hier al behoorlijk wat onderzoek naar is gedaan10 is een aantal professionals van mening dat (nog) meer onderzoek nodig is. Vooral naar de vraag wat normeren precies inhoudt en wat we hier wel en niet over weten. Daarnaast is onderzoek nodig om gedrag te kunnen verklaren en inzichten te verkrijgen in mechanismen achter discriminatie en racisme. Volgens de professionals zijn racisme en discriminatie intergenerationele problemen, die van generatie op generatie worden doorgegeven en daardoor diep verankerd zitten in de samenleving. Dit besef leidt bij sommige professionals tot een gevoel van moedeloosheid. Sommige professionals benoemen het belang om te normeren en open gesprekken te voeren om structurele patronen te doorbreken. Anderen richten zich vooral op de emotionele impact van discriminatie en de vraag
Wat werkt bij het verminderen van discriminatie? | Movisie. Zie review: Álvarez-Benjumea, A. (2025). Social norms and the expression of prejudice: How the norm changes. Current Opinion in Psychology, 62, 101974. Uit deze review komt naar voren dat de norm ongeloofwaardig wordt als deze steeds wordt geschonden. Om de norm in stand te houden, is het belangrijk dat iemand wordt aangesproken bij overtreding ervan (Álvarez-Benjumea, 2025). 14 10
wie waarvoor verantwoordelijkheid draagt. Er wordt gepleit voor meldpunten11 en het creëren van een veilig klimaat. Een professional: “Veel gebeurt aan de hand van tijdelijke pilots waarbij oplossingen worden bedacht die symptomen bestrijden. Maar onderliggende oorzaken worden niet aangepakt.”
En juist dát is nodig, zeggen professionals. Geen pleisterwerk maar structurele oplossingen. Helaas is daar (nog) te weinig oog. Ook is besproken dat leeftijdsgenoten een belangrijke rol spelen in hoe situaties zich ontwikkelen en dat een gebrek aan zelfkennis en weten wie je bent binnen de maatschappij invloed heeft op hoe je behandeld wordt. Dat onderstreept volgens een aantal deelnemers de noodzaak van een bredere maatschappelijke dialoog over inclusie en structurele verandering, boven het louter nemen van repressieve maatregelen. Op welke wijze deze verandering in gang moet worden gezet, is ingewikkeld. Er moet gedegen onderzoek naar worden gedaan, vinden sommige professionals. “Er is een diepgaande analyse nodig om effectieve en duurzame verandering te realiseren.”
Wat moet onder ‘normeren’ worden verstaan? Volgens een aantal professionals is normeren mogelijk door vrijuit verhalen te delen en door persoonlijk leiderschap te tonen. Iemand stelde de vraag: welke verantwoordelijkheid neem je zelf in dergelijke situaties? Ook moet nagedacht worden over vragen als: hoe spreek ik mij uit naar een ander en welke verantwoordelijkheden draag ik? Moet er alleen door volwassenen worden genormeerd of moeten kinderen hier zelf ook ruimte in krijgen? Of wat als het normeren leidt tot incidenten waardoor het probleem blijft voortduren? Hoe zorg je ervoor dat ‘daders’ zich bewust worden van de gevolgen van hun acties? De discussie gaat niet alleen over regels en handhaving maar ook om hoe een bredere maatschappelijke dialoog gevoerd kan worden over identiteit, inclusie en structurele verandering. Want als je mensen alleen aanspreekt op hun gedrag, dan leidt dat niet vanzelfsprekend tot meer bewustzijn. Een professional zegt hierover: “De grootste uitdaging ligt in de vraag wie verantwoordelijk wordt gehouden, zeker in een samenleving met diverse groepen. Daarom is het belangrijk om op verschillende niveaus te bepalen wie waarvoor verantwoordelijkheid draagt en wie eventueel bestraft moet worden. Een verplichte cursus tot bewustwording zou hieraan kunnen bijdragen.”
Uit onderzoek blijkt echter dat verplichte cursussen niet altijd het gewenste effect sorteren.12 Een professional benadrukt het belang om voortdurend ‘het goede gesprek’ te blijven voeren en actief te werken aan verandering. Om ‘onderling contact te bevorderen’ en op ‘zoek te gaan naar verbinding’.13 Racisme, uitsluiting en discontinuïteit zijn diepgewortelde problemen die te maken hebben met hardnekkige structuren die moeten worden doorbroken. Een bestuurder: “Er is stevig beleid nodig, waarbij een balans tussen ‘law and love’ wordt gehanteerd. Dus enerzijds handhaving en toezicht en anderzijds het voeren van open gesprekken en het zoeken naar verbinding.”
Inzetten op gedragsverandering Het maken van beleid vereist echter niet alleen sociale en politieke inzet. Ook financiële steun, mede vanuit de rijksoverheid, is onontbeerlijk. Dat beleid moet niet alleen in Amsterdam, maar ook in Den Haag worden ontwikkeld. En vervolgens landelijk worden geïmplementeerd en geëvalueerd. Daarbij kan het uitwisselen van 11
Helaas blijkt uit de dagelijkse praktijk dat slachtoffers niet melden, onder andere omdat discriminatie de ‘dagelijkse realiteit’ is. Zie ook Een ‘Gouden Standaard’ voor werkgevers om discriminatie tegen te gaan | Nieuwsbericht | Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. 12 Zie: Antidiscriminatiebeleid: wanneer zijn bewustwordingscursussen effectief? | Movisie. 13 Hierbij moet worden opgemerkt dat ‘open gesprekken’ in de zin van dat ‘alles gezegd kan worden’ juist kan leiden tot discriminatie. Dit, omdat het de norm tegen discriminatie kan verzwakken. 15
‘best practices’ vanuit het hele land helpend zijn. Wat opvalt is dat professionals ook worstelen met vragen als: wie bepaalt wat de norm is en wie grijpt in? Wanneer kan iemand het zich permitteren om een ander ‘aan te spreken’ en wanneer ‘sorteert dat aanspreken effect’? Leidt ‘normeren’ eigenlijk niet tot uitsluiting? Het is cruciaal om niet ‘top-down’ beleidstaal in te zetten op normeren, maar dit ‘via gedeelde verantwoordelijkheid’ in de vorm van dialoog te doen. Een ander dilemma zit in de vraag hoe je bepaalt dat iedereen dezelfde normen deelt. Is er – om dat te kunnen bepalen – niet meer dialoog nodig? Een belangrijke randvoorwaarde voor normeren is dat een dader ‘zich laat aanspreken’. Echte winst zit immers in gedragsverandering bij daders én de normerende kracht van omstanders.
2.4. Uitkomsten dialoogsessies met kinderen Wat opvalt tijdens de dialoogsessies is dat kinderen ‘strenger’ en ‘radicaler’ zijn dan volwassenen. Daar waar volwassenen ook kijken naar haalbaarheid, kijken kinderen meer naar wat in hun ogen ‘nodig’ is. Zij bepalen als het ware de normen van de toekomst. Hoe spreek je iemand aan? Kinderen vinden het belangrijk dat er wordt genormeerd want ‘discriminatie is geen fijn gevoel’. Zij hebben behoefte aan een voorbeeldrol van docenten in de klas.14 Daarnaast moeten mensen zich aan afspraken houden en zich fatsoenlijk gedragen, zeggen kinderen. Een aantal kinderen denkt dat andere kinderen of volwassenen er misschien niet zo goed over nadenken of niet begrijpen hoe het voelt om gediscrimineerd te worden: je zou dan kunnen ‘terug pesten’ of ‘terug discrimineren’. Je moet het hoe dan ook benoemen ‘anders blijven ze het doen’, aldus een aantal kinderen. Soms helpt het om dit in aanwezigheid te doen van volwassenen. “Het is makkelijker om iemand aan te spreken als er oudere mensen bij aanwezig zijn.”
Kinderen vertellen wat er gezegd wordt, op straat, op school of op sociale media: het n-woord wordt veelvuldig genoemd, maar kinderen worden ook uitgescholden voor ‘zwarte kanker-aap’ of ‘IS- terrorist’. Een kind vertelt over een mop waarin wordt gevraagd: ‘wat is de favoriete dierentuin van Wilders? Eentje zonder apen.’ “Ik let op mijzelf. Er zijn grenzen en die moeten worden gerespecteerd.”
Hoe spreek je iemand op een normale manier aan als hij of zij zich discriminerend uitlaat of racistische grapjes maakt? Sommige kinderen worden fysiek, maar dat is niet de oplossing. “Soms als ik boos ben roept de juf me uit de klas en dan praten we het uit met elkaar. Dan koel ik af. Ze zegt dat als er weer ruzie is, ik moet weglopen.”
Op de vraag of je altijd zelf iemand moet aanspreken of dat het ook kan helpen om naar een bepaalde plek gaan voor advies of hulp, antwoordt een kind dat zij – als het gaat om een klein incident – dit liever zelf wil doen. ‘Maar als het vaker voorkomt of als het om iets groots gaat dan is extra hulp wel nodig’, zegt een kind. Een aantal kinderen vindt het lastig om anderen aan te spreken. Deze kinderen kiezen ervoor om niks te zeggen en vervelend gedrag te negeren.
14
Dat blijkt overigens ook uit onderzoek: Geerlings, J., Thijs, J., & Verkuyten, M. (2019). Preaching and practicing multicultural education: Predicting students' outgroup attitudes from perceived teacher norms and perceived teacher–classmate relations. Journal of School Psychology, 75, 89-103. 16
“Het is niet altijd makkelijk om iets te zeggen als er wordt gediscrimineerd. Misschien is het een ‘prank’? Of misschien is het niet voor jou bedoeld? Soms kun je beter je mond houden want anders kom je zelf nog in de problemen. Je weet nooit wanneer je die persoon weer tegenkomt.”
Regels opstellen Volgens kinderen wordt gedrag vaak ‘gekopieerd.’ Maar het kan ook zijn dat mensen ‘koppig zijn’ en gewoon niet willen luisteren. Dan is het belangrijk dat zij worden aangesproken omdat zij misschien dan ‘er een beter mens van worden.’ Daarnaast heeft het effect als kinderen al jong bewust worden gemaakt van ongewenst gedrag (en hier op worden aangesproken) zodat ‘ze ervan kunnen leren.15 Kinderen vertellen dat er in de klas afspraken worden gemaakt over hoe zij zich moeten gedragen. “Kan de gemeente ook niet zulke afspraken maken? Dat er regels zijn en dat er wordt uitgelegd en gedeeld wat er wel en wat er niet mag.”
Alhoewel sommige kinderen vinden dat er na bijvoorbeeld drie overtredingen of waarschuwingen een straf of boete moet volgen, omdat hiermee bewustwording wordt gecreëerd, vinden andere kinderen juist dat straffen geen goede manier is om discriminatie en racisme te bestrijden. Uitleggen en goede gesprekken voeren zijn volgens deze kinderen effectiever. Gedrag verandert niet vanzelf en daarom is educatie belangrijk. Straffen of beboeten is een schijnoplossing die alleen op de korte termijn werkt. Zij vinden ook dat ouders hun kinderen moeten leren dat zij niet mogen discrimineren. Volwassenen moeten het goede voorbeeld geven, ‘maar die luisteren vaak niet’. “Ik vind het belangrijk dat die persoon een luisterend oor heeft. Dat gevoel mis ik soms. De juf en mijn ouders luisteren wel. De voetbaltrainer niet. Hij luistert sowieso niet naar kinderen, zijn ego is te groot.”
Plegers van discriminatie en racisme moeten een verplichte cursus volgen over bewustwording, vinden veel kinderen. De vraag is alleen hoe ervoor kan worden gezorgd dat zij daadwerkelijk veranderen? Daarnaast is het niet altijd duidelijk wanneer het gaat om discriminatie en racisme en wanneer niet. “Daders moeten leren dat het niet okay is en als zij al een cursus hebben gevolgd en het nog steeds blijven doen, dan moeten ze maar een flinke boete krijgen.”
Volgens sommige kinderen is dat het geval ‘als het verder gaat dan alleen pesten en het bedreigend wordt.’ Maar deze vraag is lastig te beantwoorden. Het hangt af van de omstandigheden van het geval. Naast dat er geleerd moet worden ‘is het nodig dat er strengere regels komen’. “Als de juf niet weet wat ze moet doen omdat ze er geen ervaring mee heeft, dan moet ze dat ook leren. En ze moet weten hoe de kinderen zich voelen.”
Hoe te handhaven? Een aantal kinderen vraagt zich af hoe er wordt gehandhaafd. Zij vinden het geven van een boete niet realistisch. Bovendien, zo brengt één van de kinderen naar voren, kunnen ‘rijke mensen een boete makkelijk
15
Onderzoek toont aan dat sociale normen stellen onder kinderen zeker effectief is. Zie Opgroeien zonder vooroordelen: wat kan je doen als basisschool? | KIS. Zie een voorbeeld van een interventie: Cocco, V. M., Bisagno, E., Visintin, E. P., Cadamuro, A., Di Bernardo, G. A., Trifiletti, E., & Vezzali, L. (2022). Fighting stigma‐based bullying in primary school children: An experimental intervention using vicarious intergroup contact and social norms. Social Development, 31(3), 782-796.
17
betalen. Die leren er niet van’. Daarom is een cursus echt beter én er moet veel meer worden ingezet op bewustwording. Bijvoorbeeld door jaarlijks een speciale dag te organiseren. “Discriminatie moet gewoon worden gestopt. Het kan niet zo zijn dat jij gewoon een leuke dag hebt en dat iemand anders jouw dag verpest door een rotopmerking. Ze moeten wat strenger worden.”
Een kind stelt voor dat áls er een boete wordt uitgeschreven en deze wordt betaald, het geldbedrag naar ‘de Stadspas’ moet gaan. Andere kinderen willen dat er wel ‘een straf komt’ als iemand heeft gediscrimineerd, ‘maar niet een hele zware.’ “Een taakstraf voor bejaarden. Of een cursus zodat ze leren waarom het fout is en het de volgende keer anders moeten doen.”
Tot slot wordt naar voren gebracht dat kinderen waar mogelijk volwassenen moeten betrekken (‘ouders en leerkrachten’). De meeste kinderen willen dat docenten gesprekken organiseren met een dader, óók als dat een andere volwassene is. Normeren moet je leren De stelling ‘discriminerende ouders maken discriminerende kinderen en daarom moeten juist ouders ook worden aangesproken’ vinden de jongeren ambassadeurs deels terecht. Het klopt dat kinderen het gedrag van hun ouders kopiëren. Aan het aanspreken van ouders zitten echter nogal wat haken en ogen en het is niet duidelijk hoe het precies zit met de AVG.16 En wat als de aangesprokene zich beroept op de vrijheid van meningsuiting? Volgens de jongeren heeft het aanspreken binnen een schoolomgeving meer effect. Wel vinden zij het belangrijk dat er gevolgen worden verbonden aan discriminerend gedrag als dit wordt vastgesteld. Naast aanspreken kan een waarschuwing of boete zinvol zijn. Evenals educatie over discriminatie en het uitwisselen van ervaringen. Wie discriminatie ziet en zwijgt, is ook schuldig, vinden de jongerenambassadeurs. Zwijgen staat in feite gelijk aan accepteren. Maar, zo erkennen deze jongeren, in sommige gevallen voelt het niet altijd veilig om in te grijpen. Met andere woorden: schuld is een zwaar begrip.
Daarom moet er meer aandacht komen voor veiligheid en ondersteuning van omstanders binnen de openbare ruimtes. 2.5. Resumerend Hoewel de gemeente in haar reactie op Anders Behandeld benadrukt dat er binnen scholen, sportclubs en het jongerenwerk stevig wordt ingezet op sociale veiligheid en het stellen van normen, ontbreekt een duidelijke en gedeelde definitie van wat normeren precies inhoudt en hoe dit in de praktijk vorm krijgt: wie bepaalt de norm, wie grijpt in, wanneer en hoe? Daardoor blijft het risico bestaan dat professionals handelingsverlegen blijven en dat discriminerend gedrag niet op het moment zelf wordt gecorrigeerd. Ook kinderen zelf worden nog te weinig erkend als actieve normstellers; hun roep om duidelijke regels krijgt nog geen vaste plek in beleid. In gesprekken met de Kinderombudsman vragen kinderen en professionals om (meer) aandacht voor gedragsverandering van ouders en andere volwassenen. En dat is hard nodig: kinderen voelen zich onveilig wanneer niet wordt ingegrepen bij discriminerende uitingen. Zelf normen stellen Buiten het wettelijk kader om racisme en discriminatie aan te pakken, is het nodig kinderen (zelf) normen te laten stellen. Dit zou bijvoorbeeld op elke school en sportclub kunnen gebeuren om de noodzaak overal voelbaar te maken. Hun ervaringen en ideeën helpen om grenzen te stellen en om de nieuwe sociale norm
16
Algemene Verordening Gegevensbescherming.
18
geloofwaardig te maken. Kinderen zijn vaak strenger in hun wens tot normeren dan volwassenen, het is belangrijk dat zij die strengere normen terugzien. Het goede voorbeeld geven Normeren betekent dat niet-discrimineren vanzelfsprekend onderdeel wordt van wat als ‘normaal’ en wenselijk gedrag geldt.17 Kinderen leren wat goed en fout is door wat zij om zich heen zien. Daarom is het cruciaal dat volwassenen consequent het goede voorbeeld geven en discriminatie actief afkeuren. Goed voorbeeld doet volgen, slecht voorbeeld ook.18 De juiste tools Om die norm te versterken, moeten professionals leren om racisme en discriminatie te herkennen, te benoemen en er gepast op te reageren. Zonder de juiste kennis en kunde slagen zij daar niet in. Het vraagt om structurele trainingen, duidelijke afspraken binnen scholen en organisaties, volwassenen die zichtbaar stelling nemen tegen discriminatie. Een veilig klimaat blijft essentieel: kinderen moeten weten dat zij gesteund worden als ze discriminatie ervaren of zien gebeuren. Dat kan door gesprekken te voeren tussen betrokkenen, door omstanderstrainingen en door mensen consequent aan te spreken op ongewenst gedrag en daar indien noodzakelijk waarschuwingen of sancties aan te verbinden. Leren goed te normeren vraagt om een lange adem.
Gemeenten kunnen hierin een verbindende rol spelen door scholen, sportverenigingen en jeugdwerk te ondersteunen met opleidingen, middelen en kennisuitwisseling. Landelijke of regionale coördinatie en structurele financiering zijn noodzakelijk. Losse pilots volstaan niet. Het is echter cruciaal dat er wordt gekozen voor interventies die in lijn zijn met de wetenschappelijke kennis over wat werkt op dit gebied en dat er na kleinschalige (proef)implementatie een evaluatie plaatsvindt op effect. Toetsen op effect is belangrijk want baat het niet dan schaadt het soms wel.19
17
https://www.movisie.nl/sites/default/files/2022-12/wat-werkt-bij-het-verminderen-van-discriminatie-dec-2022.pdf. Kennisplatform Inclusief Samenleven. Https://www.movisie.nl/sites/default/files/2022-12/wat-werkt-bij-het-verminderen-vandiscriminatie-dec-2022.pdf. 18
19
Zie: https://www.movisie.nl/artikel/burgerschapslessen-baat-niet-dan-schaadt-soms-wel.
19
20
3. Kindvriendelijk en laagdrempelig melden 3.1. Inleiding “Het is slim die meldpunten, omdat als je bijvoorbeeld je niet veilig voelt om met een juf of een meester of je ouders erover te praten, dan is het wel slim om naar die meldplek te gaan en hen te laten weten hoe je je voelt. Dan kunnen ze je tips geven, of hoe je er beter mee om kan gaan.”
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan het thema laagdrempelig melden. Melden doet recht aan de pijnlijke ervaringen van kinderen en zorgt er (hopelijk) voor dat ervan geleerd kan worden. Zonder meldingen blijft discriminatie voor beleidsmakers onzichtbaar en maakt het de eerdere stappen van de aanpak minder effectief. In de praktijk blijkt echter dat er relatief weinig wordt gemeld. Hiervoor zijn verschillende verklaringen te vinden.20 Kinderen vinden het vooral moeilijk om hun ervaringen te delen. Hebben zij eenmaal besloten om te melden dan doen zij dat het liefst met familie, vertrouwenspersonen, ervaringsdeskundigen, de Kindertelefoon, óf bij een onafhankelijk meldpunt. Een belangrijke voorwaarde voor het melden bij een speciaal daarvoor ingericht meldpunt is dan ook dat dit laagdrempelig en toegankelijk voor kinderen moet zijn en dat er een basis van vertrouwen is. Op grond van de wet Gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen (adv) zijn gemeenten verplicht hun inwoners toegang te bieden tot een adv (ook wel een anti-discriminatiemeldpunt genoemd). Vanuit het VN-Kinderrechtencomité is erop gewezen dat de adv’s laagdrempelig voor kinderen moeten zijn. Begin 2025 werd vanuit het ministerie van BZK aangekondigd dat er gesprekken plaatsvinden met Discriminatie.nl over het kindvriendelijk maken van de adv’s.
Inmiddels zijn de adv’s klaar om discriminatiemeldingen van kinderen op een toegankelijke en laagdrempelige manier mogelijk te maken.
3.2. Wat kinderen belangrijk vinden Kinderen willen de mogelijkheid hebben om hun ervaringen met discriminatie en racisme te uiten, bijvoorbeeld via (anonieme) meldpunten of door in gesprek te gaan met een aangewezen persoon die zij vertrouwen.21 Voor veel kinderen is het belangrijk hiervoor een volwassen persoon te hebben (‘a trusted adult’) die op hen lijkt en een voorbeeldfunctie vervult of ervaringsdeskundige is. Door hun ervaringen te delen voelen kinderen zich gehoord en gesteund. Ze willen dat er iets gedaan wordt met hun meldingen én dat er concrete stappen worden ondernomen om de situatie te verbeteren. 3.3. Hoe professionals daarop reageren “Hoe kan een veilige omgeving gecreëerd worden waarin kinderen en jongeren hun ervaringen kunnen delen, zich optimaal kunnen ontwikkelen zonder zich geïsoleerd te voelen?”
Allereerst wordt ingegaan op de vraag wat onder ‘laagdrempelig’ moet wordt verstaan. Hoe zorg je ervoor dat kinderen zich veilig genoeg voelen om een melding te doen? In ieder geval is het belangrijk om scholen te betrekken én jongerenwerkers, omdat deze laatste groep vaak ‘dichter op jongeren zit’.
20
Er zijn diverse redenen bekend waarom mensen hun discriminatie-ervaringen doorgaans niet melden (Kros, et al, 2022). Zo is er onder meer sprake van onbekendheid met instanties en mogelijkheden om te melden; melders gaan er soms vanuit dat melden geen zin heeft; er is onduidelijkheid of er sprake is van discriminatie; het is te pijnlijk en/of kost te veel energie om te melden; angst voor de gevolgen en om niet geloofd te worden; wantrouwen; schuld- en schaamtegevoelens of het melden past niet bij de coping-strategie. Daarnaast is discriminatie voor veel groepen in Nederland geen incident maar een dagelijkse ervaring. Deze constatering sluit aan bij het rapport Keer op keer. Inzichten in gestapelde discriminatie-ervaringen in Nederland en Europa, de derde voortgangsrapportage van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme (2025). Hierin komt naar voren dat mensen discriminatie op meerdere (levens)terreinen ervaren én op meerdere gronden. 21 Zie ook rapport Anders Behandeld (2024). 21
Waar kun je terecht met je melding? Professionals vragen zich af in hoeverre kinderen weten waar zij terecht kunnen met hun ervaringen. En of zij weten dat er speciale plekken zijn waar meldingen van discriminatie kunnen worden neergelegd. Met andere woorden, weten kinderen hun weg te vinden naar een laagdrempelig, kindvriendelijk meldpunt? Omdat dit niet het geval lijkt te zijn, is het raadzaam hier (extra) aandacht voor te vragen, vindt een aantal professionals. Dat kan door gebruik te maken van verschillende publicitaire mogelijkheden zoals een item in het Jeugdjournaal; informatie op Instagram (eventueel met behulp van een populaire influencer); een samenwerking met de Kindertelefoon; of het verlenen van medewerking aan een bekend kinderprogramma op tv als ‘Taarten van Abel.’22 Het is echter onvoldoende helder wat er met meldingen gebeurt als kinderen deze hebben neergelegd bij een anti-discriminatie meldpunt. Vragen die regelmatig terugkomen zijn: ‘wordt er na een melding aangifte bij de politie gedaan? Gaat het meldpunt na de melding met de ‘dader’ in gesprek? Kunnen kinderen er anoniem melden? Krijgen melders een terugkoppeling van de gesprekken met ‘daders’? Omdat er nog onduidelijkheden zijn wijzen professionals erop dat het verkrijgen van adequate informatie belangrijk is. Het winnen van vertrouwen is van doorslaggevende betekenis.
Daarom moet er aan de voorkant worden geïnvesteerd en voorlichting worden gegeven. Medewerkers van de Ouder- en Kindteams (OKT) én de onderwijsinstellingen zouden extra trainingen moeten krijgen. Trainingen in het praten met kinderen over het onderwerp discriminatie en trainingen in het herkennen daarvan. Een professional: “Het gaat er niet alleen om dat je als professional zelf weet wat een meldpunt kan betekenen, maar óók wat jij kunt doen om een kind zo goed mogelijk bij te staan als het een melding wil doen.”
Volgens een onderwijsprofessional zou bij wijkgericht passend onderwijs nagedacht kunnen worden over ‘wijkgerichte’ vertrouwenspersonen, denk aan het project de Vreedzame Wijk in stadsdeel West. Vanuit dat perspectief zou meer ingezet kunnen worden op ‘pedagogische allianties in de wijk’. Het voordeel is dat in die allianties mensen werken die contact met elkaar onderhouden en dezelfde taal spreken. Bovendien heeft het kinder- en jongerenwerk het vertrouwen van kinderen om wie het gaat. Goede contacten tussen vertrouwenspersonen en meldpunten essentieel Korte lijnen tussen de vertrouwenspersonen op scholen en de meldpunten zijn eveneens noodzakelijk. Want sommige kinderen voelen er niets voor om naar een afzonderlijk meldpunt te gaan om een melding te doen over discriminatie en racisme. Zij willen hun verhaal liever doen bij een vertrouwenspersoon op school of sportclub. Maar dan moet het contact tussen vertrouwenspersonen en meldpunten ‘warm’ zijn. “Het probleem is systemisch. Dat los je niet op met meldingen. Er moet sprake zijn van een vertrouwensband en die krijg je niet door een (eenmalige) melding.”
Sommige professionals vragen zich af ‘hoe deze verschillende instanties met elkaar communiceren nu het delen van privacygevoelige informatie vanwege de AVG aan strikte voorwaarden is gebonden’. Een vertrouwenspersoon kan ervoor kiezen om samen met een slachtoffer melding te doen bij een meldpunt. Doorverwijzen naar een meldpunt is ook een optie. Aan de andere kant kan het meldpunt wijzen op de rol van de vertrouwenspersoon op school. Op die manier kunnen vertrouwenspersonen en meldpunten elkaar versterken en wordt het melden makkelijker gemaakt. En dat is belangrijk omdat er dan, zo hopen professionals, vaker gemeld wordt. Een professional: “Als er niet wordt gemeld dan wordt het probleem ook niet zichtbaar.” 22
Een kinderprogramma waarin een veilige setting wordt gecreëerd en aan kinderen wordt gevraagd wat er in hun leven speelt.
22
Het staat vast dat er tot nu toe nauwelijks wordt gemeld. 94% van de kinderen die discriminatie hebben ervaren, maakt daar geen melding van bij een instantie, bleek in 2018 uit een enquête van het Kennisplatform Inclusief Samenleven.23 Heeft melden zin? Kinderen willen niet ‘snitchen’ of zijn niet bekend met het (anti-discriminatie)meldpunt.24 Sommigen vinden de term ‘meldpunt’ verwarrend omdat hiermee gesuggereerd wordt dat je alleen ‘kunt melden’ en dat is zeker niet het geval. Discriminatie.nl Regio Amsterdam (hierna: Discriminatie.nl) licht toe dat melders bijvoorbeeld ook ondersteuning kunnen krijgen. Na een melding bij Discriminatie.nl gaan medewerkers in gesprek met het kind of de jongere die de melding heeft gedaan (en eventueel ook de ouders). Vervolgens worden de verschillende opties besproken om de situatie aan te pakken of te verbeteren. Daarbij wordt niet, zoals vaak wordt gedacht, automatisch doorverwezen naar de politie. Bovendien, zo benadrukt Discriminatie.nl, is privacy voor de antidiscriminatiemeldpunten erg belangrijk. Er worden nóóit stappen ondernomen als een kind dat niet wil. Na een melding worden de opties gezamenlijk besproken en wordt er een plan van aanpak gemaakt. Helaas wordt nog (te) vaak gedacht dat melden geen zin heeft. Professionals worstelen hier mee: “Vooral bij kinderen die dit vaker meemaken is het gevoel: laat maar zitten.
Ik word toch niet geloofd.”
Dat is jammer, want juist door het melden kan beter in kaart worden gebracht wat er gebeurt in Amsterdam. En op die manier worden patronen en trends zichtbaar en bespreekbaar gemaakt. Veel professionals benadrukken dat een terugkoppeling, bijvoorbeeld over eventuele vervolgstappen ten aanzien van de dader, cruciaal is voor het vertrouwen in het meldpunt. Een professional: “Maak een gewoonte van in gesprek gaan. Voor jezelf opkomen en goede voorbeelden geven zijn een inspiratie voor anderen. Zorg dat melden te allen tijde ‘veilig’ is. En houdt contact met de melder.”
Als kinderen het gevoel krijgen dat er niets gebeurt met hun melding is dat extra schadelijk. Hetzelfde geldt voor het bespreken van ervaringen met discriminatie en racisme in een groep die als onveilig wordt ervaren, omdat kinderen het gevoel hebben dat het melden ‘tegen ze kan worden gebruikt.’ Iemand brengt naar voren dat het vertrouwen bij sportclubs ‘helemaal weg’ is en dat er daarom niet wordt gemeld. Ook omdat de ervaring is ‘dat er niks mee gebeurt’. Naar aanleiding van de vraag in hoeverre rekening wordt gehouden met het feit dat kinderen de gevolgen van een melding niet altijd goed kunnen overzien laat Discriminatie.nl weten dat bij de meldpunten inmiddels consulenten speciaal zijn opgeleid om met kinderen te praten over discriminatie en het doen van een melding. Ook is er de mogelijkheid om een melding online te doen. Dat spreekt vooral jongeren aan vanwege de laagdrempeligheid. 3.4. Uitkomsten dialoogsessies met kinderen/jongeren Op de vraag hoe je het beste een meldpunt kunt inrichten waar zij laagdrempelig kunnen melden, antwoorden kinderen dat een goede website een eerste randvoorwaarde is. Het liefst met leuke kleuren. De informatieve tekst op die website moet niet te lang of saai zijn. Er moet wel duidelijk worden vermeld waar je terecht kunt en hoe je contact kunt opnemen.
Een meldpunt moet op verschillende plekken beschikbaar zijn en je moet er ook gewoon naar toe kunnen ‘om even je hart te luchten’. Kinderen willen kunnen bellen, chatten of mailen. Is mijn melding veilig? Opvallend vaak geven kinderen aan dat zij het belangrijk vinden dat een meldpunt betrouwbaar is: 23
Jongeren melden discriminatie niet: ‘Heeft toch geen zin’ | KIS "Snitchen" betekent in straattaal iemand verraden. (Anti-discriminatie)meldpunt wordt ook wel anti-discriminatievoorziening (adv) genoemd, zie kader onder 3.1. van dit hoofdstuk. 24
23
“Degene die geluisterd heeft naar de melding moet dit niet doorvertellen aan andere mensen. Ik ben voor geheimhouding.”
Kinderen willen niet ‘dat te veel mensen het weten’ als zij een melding doen en bij het meldpunt ‘moeten ze geheimen kunnen bewaren’. En op de vraag wat kinderen verwachten als zij een melding hebben gedaan geeft een aantal aan dat ‘iemand die je echt vertrouwt ook de tijd neemt om met je te praten en dat je verder geholpen wordt. Dus dat er ‘echt iets’ met de melding wordt gedaan: “Het is niet fijn als mensen je discrimineren. Als iemand het bij jou doet vind je het ook niet leuk. Een melding doen maakt dat je een veilig, prettig gevoel hebt en dat je er niet zelf mee hoeft rond te lopen.”
Wat kinderen zou tegenhouden om te melden is dat ze bang zijn dat melden negatieve gevolgen voor hen zou kunnen hebben. Of dat meldingen worden ‘doorverteld’. Eén kind vindt echter dat er altijd moet worden gemeld ‘want erover praten lucht op en dan voelt het niet meer als een geheim’. Wat moet een meldpunt doen? Op de vraag wat er met meldingen ‘gedaan moet worden’ antwoordt een aantal kinderen dat er onderzocht moet worden wat er precies is gebeurd. Sommige kinderen stellen voor dat de melder gaat praten met een supportgroep. Weer anderen vinden dat de gemeente ‘het moet oplossen’. Op de vraag of de kinderen alleen of juist met hun ouders willen melden, antwoorden de meeste kinderen dat zij dit het liefst met (een van) hun ouders zouden willen doen. Een kind stelt voor dat er bij het maken van een melding ‘gebruik moet worden gemaakt van camera’s’. Een ander kind is bang dat er ook ‘nepmeldingen’ worden gedaan. Hoe voorkom je dat? Sommige kinderen vinden dat je alleen mag melden ‘als je bewijs’ hebt. Bijvoorbeeld met filmpjes of getuigen die verklaren. Anderen vinden dat lastig, want er is niet altijd bewijs. Zou dat dan betekenen dat je geen melding zou kunnen doen? Dat kan niet de bedoeling zijn en deze kinderen vinden daarom dat je ook zonder bewijs mag melden. Niet alleen bij een meldpunt willen kinderen terecht kunnen.