20241001_Rapport use case gestolen voertuigen DEF (v2.0).pdf
Tekst van het document
Rapport use case – gestolen voertuigen Pels Rijcken en Highberg 1 oktober 2024
1
Inleiding
1.1
Op 17 januari 2017 hebben de gemeente Amsterdam (directies Parkeren en Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte (‘THOR’)), Politie Eenheid Amsterdam en de RDW een convenant gesloten met daarin afspraken over de opsporing van voertuigen met een ‘belemmerende status’ met behulp van parkeerdata. De uitvoering van die afspraken heeft zich tot nu toe geconcentreerd op gestolen voertuigen. De laatste opgave van THOR leert dat THOR in de periode 2021/2022 ca. 45 voertuigen per jaar van de weg heeft gehaald. De politie heeft ook nog enkele voertuigen binnengehaald (exacte aantal onbekend).
1.2
In 2020 is voor het eerst melding gemaakt van een mogelijk privacy-issue rond de aanpak op basis van het convenant. Deze melding kwam van de Korpsstaf Nationale Politie. Het kernpunt van de kritiek is dat de parkeerdata (persoonsgegevens) voor een ander doel worden gebruikt dan waarvoor ze oorspronkelijk zijn verzameld. Inmiddels zijn alle convenantpartners van mening dat de aanpak in ieder geval op gespannen voet staat met de AVG. Voorts is iedereen ervan doordrongen dat er geen eenvoudige oplossingen voorhanden zijn om de werkwijze zo aan te passen dat deze voldoet aan de AVG. De afgelopen periode is er veel discussie geweest over mogelijke alternatieve aanpakken om het privacy-issue op te lossen, maar dit heeft vooralsnog niet geleid tot een voorstel voor een nieuwe werkwijze.
1.3
De Amsterdamse wethouder heeft inmiddels besloten om de tot dan toe gevolgde, op voornoemd convenant gebaseerde, werkwijze te stoppen. Er zal pas een nieuwe aanpak worden ingevoerd op het moment dat duidelijk is dat die nieuwe aanpak ‘AVGproof’ is. De convenantpartners kunnen zich hierin vinden. Direct gevolg van deze beslissing is dat er op dit moment geen voertuigen met een belemmerende status van de weg worden gehaald die met Amsterdamse parkeerdata mogelijk hadden kunnen worden opgespoord.
1.4
Er zijn tot nu toe 3 oplossingsrichtingen gesuggereerd: 1.
2.
3.
Beperking van de aanpak tot gestolen voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald, in plaats van tot alle eventuele gestolen voertuigen, zoals gebeurde in de oorspronkelijke werkwijze die inmiddels is stopgezet. Technisch medegebruik. In dat geval geeft de politie zelf aan het scanbedrijf opdracht om kentekens te scannen. De gescande kentekens komen in een apart bestand terecht, zodat de politie zelf haar opsporingstaak ter zake gestolen voertuigen kan uitoefenen.1 Aanpassing regelgeving door de rijksoverheid die het mogelijk maakt om parkeerdata voor opsporing van gestolen voertuigen te gebruiken.
1.5
U heeft ons gevraagd om een juridische en ethische analyse te verrichten van de oorspronkelijke werkwijze en de voorgestelde oplossingsrichtingen 1 en 2, zodat ook kan worden vastgesteld of een noodzaak bestaat tot vaststelling van nieuwe wet- en regelgeving (oplossing 3). In dit rapport treft u onze bevindingen aan.
2
Vraagstelling & reikwijdte rapport
2.1
In dit rapport worden de volgende vragen van de gemeente Amsterdam, de politie en de RDW beantwoord: 1. 2. 3. 1
Is de conclusie dat de oorspronkelijke werkwijze niet privacy-proof is, juist? In hoeverre zijn de oplossingsrichtingen ‘beperking tot voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald’ (nieuwe werkwijze) en technisch medegebruik privacy-proof? Zijn er nog andere oplossingsrichtingen denkbaar die privacy-proof zijn? Op de vraag naar de rechtmatigheid van eventueel verder gebruik van de bedoelde kentekens door de politie wordt in dit advies niet ingegaan.
4.
Kan de adviesfunctie iets zeggen over de ethische aspecten van (eventuele) oplossingen?
2.2
Wij hebben ons, mede omwille van de leesbaarheid van dit rapport, bij de beantwoording van de vragen beperkt tot de belemmerende status ‘gestolen voertuig’. Voor zover wij in dit rapport evenwel inschatten dat er voor één of meerdere van de andere belemmerende statussen wél ruimte bestaat voor de gegevensuitwisseling, hebben wij dat in dit rapport benoemd. Daarbij past de kanttekening dat wij in dit verband geen grondige analyse hebben verricht. Een uitgebreide analyse van de gegevensuitwisseling van andere belemmerende statussen valt zoals vooraf besproken buiten de reikwijdte van dit rapport.
3
Procesbeschrijving Oorspronkelijke werkwijze
3.1
Binnen de oorspronkelijke werkwijze werden de volgende processtappen doorlopen: Stap 1: De gemeente controleert door middel van scanauto’s de kentekens van geparkeerde auto’s binnen de gemeente Amsterdam. De gemeente heeft daartoe een private partij (Egis Parking Services B.V., hierna ‘EPS’) gecontracteerd.2 Per geparkeerde auto worden het kenteken, de locatie van het voertuig en het tijdstip van de waarneming verwerkt (hierna: ‘de scaninformatie’). Daarnaast wordt ook de scanfoto van de gescande auto’s bewaard. Stap 2: Of al dan niet parkeerbelasting is betaald voor de gescande kentekens, wordt gecontroleerd aan de hand van het Nationaal Parkeer Register (‘NPR’). Het NPR is de landelijke database van het Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten (‘SHPV’) en wordt beheerd door de RDW. Het SHPV is een coöperatie van gemeenten. In het NPR staat geregistreerd voor welke kentekens parkeerbelasting is betaald, op welke locatie en voor hoe lang. Het NPR is niet verbonden met het kentekenregister. Stap 3: De RDW koppelt via het NPR in opdracht van het SHPV aan de heffingsambtenaar terug of de parkeerbelasting is voldaan. Stap 4: De heffingsambtenaar heeft de tenaamstelling van een kenteken nodig om een naheffing op te leggen als geen parkeerbelasting is betaald.
Als in het NPR is geconstateerd dat er geen parkeerbelasting is betaald, vraagt de heffingsambtenaar bij de RDW de tenaamstelling op. Hiertoe verstrekt de heffingsambtenaar het betreffende kenteken aan de RDW. De RDW controleert vervolgens aan de hand van het kentekenregister de tenaamstelling. Als sprake is van een belemmerende status ‘gestolen voertuig’, is er geen tenaamstelling (meer)3 en kan deze ook niet aan de heffingsambtenaar worden verstrekt. Stap 5: Als onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente, de RDW en het Landelijk Intelligence- en expertisecentrum Voertuigcriminaliteit (‘LIV’), verstrekt EPS gelijktijdig met de controle in het NPR (zie stap 1) de kentekens van alle gescande auto’s (dus ook de auto’s waarvoor wel parkeerbelasting is betaald) aan de RDW. De RDW signaleert vervolgens of sprake is van een belemmerende status ‘gestolen voertuig’. Stap 6: Als sprake is van een belemmerende status ‘gestolen voertuig’, vraagt de RDW de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto op bij de gemeentelijke heffingsambtenaar. 2
3
Wij gaan er in onze analyse vanuit dat Egis Parking Services B.V. optreedt als verwerker ten aanzien van de gescande gegevens en dat met Egis Parking Services B.V. een verwerkersovereenkomst is gesloten. In dit advies wordt verder tot uitgangspunt genomen dat er geen tenaamstelling is als sprake is van de belemmerende status ‘gestolen voertuig’.
Stap 7: De scaninformatie en de scanfoto’s van alle auto’s waarvan de RDW heeft geconstateerd dat zij een belemmerende status ‘gestolen voertuig’ hebben (dus ook auto’s waar wel parkeerbelasting voor is betaald), worden door de RDW aan het LIV verstrekt. Het LIV is een samenwerkingsverband tussen de RDW / Politie / Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (‘VbV’). Stap 8: Het LIV controleert de informatie op actualiteit en maakt een melding aan de RDW als de informatie niet actueel blijkt te zijn. Er vindt ook een controle plaats op zogenoemde ‘misreads’ van kentekens door de scanauto. Stap 9: Als de auto inderdaad gestolen blijkt, maakt het LIV hier melding van bij de politie. Het LIV verschaft de politie dan het kenteken, de locatie van het voertuig, het tijdstip van de waarneming en de scanfoto. Stap 10: Het LIV informeert daarnaast het VbV dat de gestolen auto is aangetroffen en dat de politie is geïnformeerd.4 Het VbV beheert het Vermiste Auto Register (‘VAR’). In dit register wordt met instemming van auto-eigenaren de registratie van vermiste auto’s opgenomen. Stap 11: Indien een gestolen voertuig niet ‘interessant’ is voor de politie, dan volgt een melding door de politie aan de sleepdienst van de gemeente. Deze sleept het voertuig af in opdracht en op kosten van de verzekeraars. 4
Managementsamenvatting
4.1
In dit rapport komen wij tot de volgende bevindingen. Is de conclusie dat de oorspronkelijke werkwijze niet privacy-proof is, juist?
4.2
De oorspronkelijke werkwijze is in de eerdere analyses van de politie en de gemeente onrechtmatig bevonden, omdat er voor de gemeentelijke heffingsambtenaar géén wettelijke grondslag respectievelijk noodzaak bestaat om alle kentekens en de nadere scaninformatie te verstrekken aan de RDW. Wij onderschrijven deze conclusie. Binnen de oorspronkelijke werkwijze ontvangt RDW bij stap 5 alle kentekens, waaronder de kentekens van voertuigen waarbij wél parkeerbelasting is betaald. RDW controleert vervolgens alle kentekens op de status ‘gestolen voertuig’. Wij zien geen duidelijke wettelijk grondslag voor de gemeentelijke heffingsambtenaar om de kentekens van de geparkeerde voertuigen waarvoor parkeerbelasting is betaald te verstrekken aan de RDW. Er is in dit geval immers geen noodzaak om de tenaamstelling bij de RDW te controleren. Wij achten een dergelijke (standaard)verstrekking bovendien bovenmatig. De gegevens zijn in eerste instantie verzameld met als doel om te controleren of de benodigde parkeerbelasting is betaald. Het (door)verstrekken van de kentekengegevens van voertuigen waarvoor parkeerbelasting is betaald aan de RDW is niet noodzakelijk voor de publieke taak van de gemeente om parkeerbelasting te heffen. Wij zien evenmin een andere grondslag voor de verstrekking van die kentekengegevens door de gemeentelijke heffingsambtenaar aan de RDW.
Deze vaststelling maakt dat aan een beoordeling van de overige stappen binnen de oorspronkelijke werkwijze niet wordt toegekomen.
4.3
Wel geven wij volledigheidshalve mee dat wij vooralsnog evenmin een grondslag zien voor de RDW om bij stap 6 de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto op te vragen bij de gemeentelijke heffingsambtenaar. Dat zou slechts anders zijn als de RDW kan motiveren dat de verstrekking door de gemeentelijke heffingsambtenaar van de locatie, het tijdstip en de scanfoto aan de RDW noodzakelijk is voor de doeleinden als omschreven in art. 43c of 43f WVW.
4.4
In hoofdstuk 5 van dit rapport treft u onze nadere bevindingen ten aanzien van de oorspronkelijke werkwijze aan. 4
Daarbij wordt de onderliggende scaninformatie (locatie van het voertuig, het tijdstip van de waarneming en de scanfoto) niet verstrekt.
In hoeverre zijn de oplossingsrichtingen ‘beperking tot gestolen voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald’ (nieuwe werkwijze) en technisch medegebruik, privacy-proof? Nieuwe werkwijze (beperking tot gestolen voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald) 4.5
Voor zover wij kunnen vaststellen zijn de gegevensuitwisselingen die plaatsvinden binnen de nieuwe werkwijze grotendeels in lijn met de regels van de AVG. Wij zien vooralsnog geen grondslag voor de RDW om bij stap 6 de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto op te vragen bij de gemeentelijke heffingsambtenaar. Dat zou alleen anders zijn als de RDW kan motiveren dat de verstrekking door de gemeentelijke heffingsambtenaar van de locatie, het tijdstip en de scanfoto aan de RDW noodzakelijk is voor de doeleinden als omschreven in art. 43c of 43f WVW. Mocht de RDW niet slagen in deze nadere onderbouwing, dan zou een alternatieve werkwijze kunnen worden gehanteerd. Die hebben wij in hoofdstuk 6 toegelicht. Technisch medegebruik
4.6
Wij raden de oplossing van ‘technisch medegebruik’ in beginsel af. Wij stellen voorop dat het technisch en juridisch mogelijk is om gelijktijdig, als twee sperate bestuursorganen, gebruik te maken van dezelfde camera, mits onderling heldere afspraken zijn gemaakt over de gescheiden opslag van de camerabeelden en de (gezamenlijke) verantwoordelijkheid voor de camera. Een juridische voorwaarde is dat de politie het verzamelen van de camerabeelden van meet af aan moet kunnen baseren op een toereikende wettelijke grondslag. Artikel 3 Politiewet 2012 vormt naar onze inschatting een risicovolle wettelijk grondslag voor het technisch medegebruik, aangezien de inzet van de scanauto naar verwachting niet voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zoals volgt uit hoofdstuk 8 van dit rapport zijn er minder ingrijpende methoden denkbaar, namelijk alternatief I (RDW doet aangifte bij de politie) respectievelijk alternatief IV waarbij de officier van justitie gericht scaninformatie vordert van het NPR die betrekking heeft op kentekens van gestolen voertuigen. Doordat er juridische haalbare en minder ingrijpende werkwijzen voorhanden zijn, lijkt op voorhand het beginsel van subsidiariteit eraan in de weg te staan dat de politie kiest voor de optie van technisch medegebruik. Gezien dit risico, raden wij de keuze voor technisch medegebruik in beginsel af.
4.7
Wij sluiten tegelijkertijd de keuze voor technisch medegebruik niet volledig uit. Daartoe is evenwel vereist dat de noodzaak en meerwaarde van technisch medegebruik (in plaats van of in aanvulling op alternatief I en/of IV) dragend gemotiveerd kan worden. Om tot een dragende motivering te komen, zal moeten worden aangetoond dat technisch medegebruik de politie in staat stelt om gestolen voertuigen sneller of effectiever op te sporen dan in de situatie dat wordt volstaan met alternatief I en/of IV (bijvoorbeeld omdat technisch medegebruik bruikbaardere en actuelere informatie oplevert). Zijn er nog andere oplossingsrichtingen denkbaar die privacy-proof zijn?
4.8
U heeft ons gevraagd of wij, in aanvulling op de door u voorgestelde oplossingen, nog andere werkbare alternatieven zien. Wij geven de betrokken partijen mee dat de nieuwe werkwijze op aspecten zou kunnen worden aangepast, zodat meer recht wordt gedaan aan het beginsel van dataminimalisatie respectievelijk het beginsel van privacy by design & default. In hoofdstuk 7 van dit rapport bespreken wij dit alternatief in detail. Alternatief I: RDW informeert de politie reeds bij stap 4
4.9
Pas bij stap 9 wordt er melding gemaakt bij de politie door het LIV. Dit terwijl voor de RDW feitelijk al bij stap 4 duidelijk is dat er een voertuig staat geparkeerd dat in het kentekenregister als ‘gestolen voertuig’ staat geregistreerd. Doordat eerst een check
wordt uitgevoerd via het LIV, bestaat het risico dat het gestolen voertuig alweer weg is op het moment dat door het LIV is gevalideerd dat de status ‘gestolen voertuig’ inderdaad klopt. Wij zien juridische ruimte om reeds bij stap 4 de politie te informeren dat er een auto met de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ is aangetroffen. De politie zou in onze optiek geïnformeerd kunnen worden door de RDW. De aangiftebevoegdheid van artikel 161 Sv biedt daarvoor naar ons oordeel een toereikende wettelijke grondslag. Het ligt wat ons betreft het meest voor de hand dat de RDW de politie informeert over het feit dat een gestolen voertuig staat geparkeerd en in welke gemeente, waarna de politie vervolgens de precieze locatie van het voertuig opvraagt bij de gemeentelijke heffingsambtenaar. Op deze wijze kan geborgd worden dat het voertuig zo snel mogelijk van de weg wordt gehaald. Met deze werkwijze wordt ook voorkomen dat de RDW de locatiegegevens e.d. moet opvragen bij de gemeentelijke heffingsambtenaar, terwijl de gemeentelijke heffingsambtenaar deze gegevens, zoals hierna nog zal worden toegelicht, mogelijk niet mag verstrekken (stap 6). 4.10
Wij hebben in aanvulling op alternatief I bezien of wij nog andere scenario’s zien om de gegevensuitwisseling te verbeteren. Volledigheidshalve hebben wij twee alternatieve scenario’s onderzocht. Alternatief II:
Een variant op alternatief I zou zijn dat de RDW voorafgaand aan het informeren van de politie, eerst nog de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto opvraagt bij de gemeentelijke heffingsambtenaar (zie stap 6). De RDW verstrekt vervolgens in één keer alle informatie over het aangetroffen voertuig aan de politie. Het is binnen dit scenario dus niet nodig dat de politie aanvullende informatie opvraagt bij de gemeentelijke heffingsambtenaar. De politie beschikt direct over voldoende informatie om het gestolen voertuig te onderzoeken. Hoewel dit een efficiënter scenario zou zijn dan alternatief I, moet de RDW binnen dit alternatief als gezegd wel kunnen motiveren dat de verstrekking door de gemeentelijke heffingsambtenaar van de locatie, het tijdstip en de scanfoto aan de RDW noodzakelijk is voor de doeleinden als omschreven in art. 43c of 43f WVW (zie randnr. 6.7 e.v.). Wij kunnen niet goed overzien of deze motivering haalbaar is. Ten aanzien van de andere belemmerende statussen zou een soortgelijke motivering vereist zijn. De uitkomst van die motivering kan per belemmerende status verschillen. Wij raden de RDW dan ook aan per belemmerende status te bezien of kan worden gemotiveerd dat de verstrekking door de gemeentelijke heffingsambtenaar van de locatie, het tijdstip en de scanfoto aan de RDW noodzakelijk is voor de doeleinden als omschreven in art.
43c of 43f WVW.
Alternatief III: Tot slot hebben wij onderzocht of de RDW bij stap 4 de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ aan de gemeentelijke heffingsambtenaar zou kunnen verstrekken c.q. mededelen, zodat de gemeentelijke heffingsambtenaar de politie zou kunnen informeren. Zoals toegelicht in randnr. 5.18 e.v. verstrekt de RDW, in geval van een gestolen voertuig, bij stap 4 geen tenaamstelling (en ook geen andere informatie, zoals de belemmerende status ‘gestolen voertuig’) uit het kentekenregister aan de gemeentelijke heffingsambtenaar. De redenering daarbij is dat de gemeentelijke heffingsambtenaar slechts de tenaamstelling nodig heeft voor de uitvoering van haar heffingstaak. In de oorspronkelijke en nieuwe werkwijze is klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ géén strikt noodzakelijk (persoons)gegeven betreft voor de naheffing. Wij onderschrijven deze keuze en zien onvoldoende grondslag om (ook) de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ mee te leveren aan de gemeentelijke heffingsambtenaar. Het meeleveren van de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ aan de gemeentelijke heffingsambtenaar is niet strikt noodzakelijk voor de belastingheffing.
Wij zien daarom geen grondslag of noodzaak om deze belemmerende status aan de gemeentelijke heffingsambtenaar te verstrekken. 4.11
Al met al geldt ten aanzien van alternatief II dat er meer juridische risico’s bestaan dan ten opzichte van alternatief I.Met name omdat de RDW, in geval van een gestolen voertuig, de locatie, het tijdstip en de scanfoto niet nodig lijkt te hebben voor de doeleinden als omschreven in art. 43c of 43f WVW. Alternatief III lijkt ons juridisch in ieder geval niet houdbaar, nu de terugkoppeling van de belemmerende status van het voertuig niet noodzakelijk is voor de (na)heffing of enig andere taak van de gemeentelijke heffingsambtenaar. Mede om diezelfde reden zien wij overigens ook niet goed in dat de gemeentelijke heffingsambtenaar zelf zou mogen opzoeken5 of aan een bepaald kenteken een gestolen status is gekoppeld om vervolgens, als dat zo is, over de band van de aangiftebevoegdheid de scaninformatie en de scanfoto aan de politie te verstrekken. Alternatief IV: De politie vordert met toepassing van art. 126nd of art. 126ne Sv gericht de scaninformatie van het NPR die betrekking heeft op kentekens van gestolen voertuigen
4.12
Wij achten alternatief IV (het periodiek vorderen van scaninformatie door de officier van justitie) een juridisch haalbaar alternatief, mits de vordering voldoende is afgebakend en daadwerkelijk in het belang is van concrete (lopende) opsporingsonderzoeken. Dat zal vergen dat per gestolen kenteken/voertuig in verband waarmee de vordering wordt gedaan) wordt beoordeeld of de gevorderde gegevens zullen bijdragen aan het opsporingsonderzoek – de materiële waarheidsvinding – naar het strafbare feit (diefstal en/of heling). Alternatief V: De politie verstrekt op grond van de Wpg een overzicht van kentekens van gestolen voertuigen aan het NPR, waarna de RDW (in zijn rol als beheerder van het NPR) aan de politie terugkoppelt of gestolen voertuigen geparkeerd staan
4.13
Wij zien diverse risico’s bij alternatief V (het periodiek verstrekken van een lijst met kentekens van gestolen voertuigen aan het NPR over de band van artikel 20 Wpg in combinatie met de aangiftebevoegdheid). Twijfelachtig is met name of er nog wel ruimte bestaat om terug te vallen op de algemene verstrekkingsgrondslagen van de Wpg. Feitelijk verzoekt de politie aan de RDW (in zijn rol als beheerder van het NPR) om aan de hand van een lijst met gestolen kentekens een analyse uit te voeren die primair strekt tot het opsporingsbelang van de politie. Er bestaat daardoor een wezenlijk risico dat de verstrekking, verzochte analyse en daarop volgende aangiftes worden aangemerkt als een omzeiling van de strafvorderlijke waarborgen als opgenomen in de artikelen 126nd en 126ne Sv (titel IVA, negende afdeling, Wetboek van Strafvordering). Wij raden reeds om deze reden dit alternatief af. Kan de adviesfunctie (Highberg) iets zeggen over de ethische aspecten van (eventuele) oplossingen?
4.14
Op basis van de Aanpak Begeleidingsethiek heeft Highberg, in samenspraak met de bij deze use case betrokken bestuursorganen, gezamenlijk waarden vertaald naar handelingsopties. Bij deze sessie is ingegaan op de inzet van camerabeelden van scanauto’s ten behoeve van het opsporen van gestolen voertuigen in brede zin, dus zonder beperkingen met betrekking tot de technische uitvoering. Doel van deze sessie was om op voorhand geen varianten uit te sluiten, zodat een zo compleet mogelijk beeld van voor- en nadelen kon worden verkregen. De handelingsopties die uit de sessie zijn gekomen, bieden beslissers en beleidsmedewerkers de mogelijkheid om met maatregelen te komen ter bescherming van de genoemde waarden en een effectieve uitvoering.
4.15
Uit de analyse zijn geen zwaarwegende ethische bewaren naar voren gekomen. Wel is een aantal aandachtspunten geformuleerd. We noemen hier de belangrijkste.
5
Via https://ovi.rdw.nl/default.aspx.
4.16
Een van de handelingsopties is om in te zetten op een eenduidig juridisch kader, specifiek gericht op de inzet van camera’s ten behoeve van gestolen voertuigen. Hierdoor zou het voor alle betrokken partijen inzichtelijk moeten worden welke gegevens er verzameld mogen worden, zonder dat voor elk afzonderlijk geval opnieuw een juridische afweging nodig is. Dit resulteert ook in uniformiteit over de uitvoering van processen en in het delen van gegevens. Dit maakt de uitvoering door landelijke overheden zoals de politie en RDW en de beheerders van landelijke parkeersystemen, een stuk eenvoudiger. Bovendien kunnen in deze opzet de pilotkosten over meerdere partijen verdeeld worden.Daarnaast kan op deze manier de communicatie naar burgers beter worden ingericht.
4.17
Ongeacht of de casus op landelijk of lokaal niveau plaatsvindt, is het in ieder geval belangrijk dat zaken als privacy en security goed geregeld worden. Dus zorgen dat de rechten van betrokkenen op basis van de AVG goed zijn ingeregeld (inzage, verwijdering etc.) en aansluiten op de reeds bestaande processen. Werk met een beveiligde omgeving, richt goede autorisatiemaatregelen in, voldoe aan de eisen uit de BIO (Baseline Informatiebeveiliging Overheid). Andere maatregelen zijn het blurren van mensen op de beelden, geofencing, dataminimalisatie en het anonimiseren en pseudonimiseren van gegevens.
4.18
Afsluitend, het dilemma is hier of wij een handelende of niet-handelende overheid willen. Willen wij een overheid die er zo veel mogelijk aan doet om onze gestolen auto terug te vinden en / of de georganiseerde misdaad bestrijdt? Of willen wij een overheid die zich zo min mogelijk met ons bemoeit? Er is hier een duidelijke keuze aan de orde tussen innovatie, samenwerking in ketens en veiligheid enerzijds versus privacy en vertrouwen in de overheid anderzijds. Een dialoog met burgers en een goede afweging van de in te zetten werkwijze kan bijdragen aan een goede keuze in dit dilemma.
5
Juridische analyse – oorspronkelijke werkwijze
5.1
In dit hoofdstuk zullen wij analyseren of wij de eerdere conclusies ten aanzien van de oorspronkelijke werkwijze onderschrijven. Wij zullen daartoe de in hoofdstuk 3 van dit rapport beschreven processtappen van de oorspronkelijke werkwijze nalopen. Stappen 1 tot en met 4 – De inzet van de scanauto en het raadplegen van het NPR en het kentekenregister
5.2
Wij stellen voorop dat stappen 1 tot en met 4 het reguliere proces van kentekenparkeren binnen de gemeente Amsterdam omvatten. Wij nemen in dit rapport tot uitgangspunt dat deze stappen (en de daarin beschreven gegevensuitwisseling tussen de gemeentelijke heffingsambtenaar, EPS, het NPR en de RDW) in overeenstemming zijn met de regels van de AVG. In dit verband wijzen wij erop dat de Hoge Raad bij uitspraak van 10 april 2020 heeft geoordeeld dat het kenteken parkeersysteem van Amsterdam in overeenstemming is met artikel 8 EVRM.6 Een uitgebreide analyse van de wettelijke grondslagen per partij laten wij aldus achterwege. Aangezien de onderlinge publieke taken en verwerkingsgrondslagen wel een beslissende rol spelen bij de beoordeling van de overige stappen, gaan wij hieronder per partij kort in op de relevante grondslagen. Gemeentelijke heffingsambtenaar
5.3
Het genereren van de scanfoto’s, en het controleren van het NPR en het kentekenregister door de gemeentelijke heffingsambtenaar is noodzakelijk voor zijn taken, waaronder het vaststellen en het (na)heffen van de gemeentelijke parkeerbelasting. De wettelijke grondslag voor de daarmee gepaarde gegevensverwerking kan worden gevonden in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, AVG jo. artikel 231, tweede lid, onder b en c, Gemeentewet jo. artikel 225, eerste lid, onder a en b, Gemeentewet.
6
Zie HR 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:639.
Van belang voor de verdere analyse is dat de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen (mede) worden beheerst door de regels van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (‘AWR’), de Invorderingswet 1990 (‘IW’) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren de belastingen rijksbelastingen.7 Voor zover er in deze wetten bevoegdheden staan beschreven van de minister van Financiën respectievelijk de inspecteur, wordt daarmee in gemeentelijke context bedoeld: ‘het college’ respectievelijk ‘de gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen’. De gemeentelijke heffingsambtenaar heeft in zoverre dus dezelfde bevoegdheden als een inspecteur op Rijksniveau. Let op: de Gemeentewet kent ook diverse uitzonderingen op de Rijskbelastingwetten. Artikel 236 Gemeentewet sluit diverse bepalingen uit de Rijksbelastingwetten uit. 5.4
De directeur Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte van de gemeente is in het Benoemings- en aanwijzingsbesluit heffing en invordering Gemeente Amsterdam 2022 aangewezen als heffingsambtenaar bedoeld in artikel 21 onderdeel b van de Gemeentewet voor de heffing en invordering van parkeerbelastingen.
5.5
Wij zien twee toereikende wettelijke grondslagen die een basis kunnen bieden voor het bevragen van het kentekenregister door de gemeentelijke heffingsambtenaar. Het verzoek om nadere informatie uit het kentekenregister zou allereerst gestoeld kunnen worden op artikel 236, eerste lid, Gemeentewet jo. artikel 47, eerste lid AWR. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat eenieder gehouden is om desgevraagd aan de inspecteur (in gemeentelijk context, de gemeentelijke heffingsambtenaar)8 de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing van belang kunnen zijn.
5.6
Wij zien ook een andere toereikende wettelijke grondslag voor het opvragen van de tenaamstelling in het kentekenregister. Artikel 43 van de Wegenverkeerswet (‘WVW’) bepaalt dat overheidsorganen van de RDW (strafrechtelijke) persoonsgegevens kunnen ontvangen, voor zover het verzoekende overheidsorgaan die gegevens nodig heeft voor de uitoefening van zijn publieke taak. Ook deze bepaling biedt een grondslag voor de bevraging van het kentekenregister.
5.7
Ongeacht de keuze in wettelijke grondslag, zal de bevraging zich steeds moeten beperken tot de strikt noodzakelijke gegevens voor de beoogde (na)heffing. Artikel 47, eerst lid, AWR spreekt van ‘de gegevens welke voor de belastingheffing van belang kunnen zijn’. De heffingsambtenaar is verplicht tot het raadplegen van het kentekenregister voor het vaststellen van de tenaamstelling van het voertuig (art. 43b jo. 42a WVW). De RDW mag de gegevens enkel op grond van artikel 43 WVW verstrekken indien het overheidsorgaan die gegevens nodig heeft voor de uitoefening van zijn publieke taak. De vraag rijst welke gegevens ‘van belang’ of ‘nodig’ zijn voor de parkeerbelasting. In de werkwijze beperkt de bevraging zich tot de tenaamstelling. Wij achten dit gegeven zonder meer een gegeven dat strikt noodzakelijk is voor de (na)heffing. In zoverre is de uitvraag in lijn met de relevante wet- en regelgeving. De tenaamstelling is bovendien een authentiek gegeven dat de gemeentelijke heffingsambtenaar moet gebruiken bij zijn taken.9 Gemeenteraad
5.8
De gemeenteraad is op grond van artikel 149 jo. artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a en b, Gemeentewet bevoegd om, in het kader van de parkeerregulering door middel van een gemeentelijke verordening, regels te stellen met als doel het heffen van parkeerbelasting. De gemeenteraad heeft bovengenoemde regels omtrent kentekenparkeren nader vastgesteld in de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam. 7 8
9
Zie artikel 231, eerste lid, Gemeentewet. Zie artikel 231, tweede lid, aanhef en onder b, Gemeentewet dat bepaalt dat de ‘inspecteur’ in gemeentelijke context de gemeenteambtenaar is, belast met de heffing van de gemeentelijke belastingen. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Kentekenreglement.
Egis Parking Services B.V. (‘EPS’) 5.9
EPS verwerkt de scangegevens in opdracht van de gemeentelijke heffingsambtenaar en treedt in zoverre op als ‘verwerker’ van de gemeente. De verwerker is degene die ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt.10 De verwerker ontleent zijn bevoegdheid om persoonsgegevens te verwerken aan de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke die hem inschakelt. De bevoegdheden van een verwerker moeten zijn vastgelegd in een verwerkersovereenkomst.11 Aangezien EPS namens de gemeentelijke heffingsambtenaar gegevens verwerkt, en in zoverre handelt als verwerker van de gemeentelijke heffingsambtenaar, maakt EPS aanspraak op de hiervoor beschreven grondslagen van de gemeentelijke heffingsambtenaar (zie randnr 5.3 e.v. hiervoor). Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten (‘SHPV’)
5.10
Het SHPV is een coöperatie van gemeenten met als doel het stimuleren van vernieuwing in de parkeerketen en het faciliteren van gemeenten bij het digitaliseren van hun parkeerdiensten. Het SHPV heeft aan de minister van Verkeer en Waterstaat gevraagd of de RDW een centrale registratie van parkeerrechten en verblijfsrechten kan ontwikkelen en beheren.12 Dit heeft geresulteerd in het NPR.
5.11
In het NPR worden op kenteken de parkeer- en verblijfsrechten geregistreerd. Van geparkeerde voertuigen wordt per kenteken de locatie en de parkeerduur (start- en stoptijd) geregistreerd. Op basis van de gegevens in de database wordt het parkeertarief berekend dat de automobilist moet betalen. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de juistheid, volledigheid en actualiteit van de gegevens in het NPR. De database bevat per gemeente de gegevens die nodig zijn om het parkeerbeleid te kunnen uitvoeren. Bijvoorbeeld: de parkeerregelingen, parkeertarieven, parkeervergunningen, gehandicaptenparkeerkaarten, laden en lossen-ontheffingen en hulpverlener-vergunningen.13 Het SHPV beschikt niet over kentekengegevens in onversleutelde vorm. De deelnemende gemeenten zijn op macroniveau, voor het NPR als zodanig, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken voor het beheer en de (door)ontwikkeling van het NPR. Daarnaast is iedere gemeente zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die ten behoeve van de parkeercontrole in het NPR worden geregistreerd.
5.12
Voor het raadplegen van het NPR door de gemeentelijke heffingsambtenaar gelden de grondslagen als beschreven in randnr. 5.3. De RDW (in rol als beheerder NPR)
5.13
De RDW treedt op als beheerder van het NPR. Deze taak van de RDW volgt uit artikel 2, aanhef en onder r, van de Regeling taken Dienst Wegverkeer. “Aan de dienst worden de volgende taken opgedragen: (…) r. het beheren van en het verstrekken van informatie aan daartoe gerechtigde partijen uit een register van: 1°.parkeer- en verblijfsrechten gekoppeld aan individuele kentekens ten behoeve van gemeenten, en 2°.statische parkeergegevens ten behoeve van een ieder.”
5.14
Aangezien de RDW voor wat betreft het beheer en de ontwikkeling van het NPR een eigen wettelijke taak uitvoert, treedt de RDW in zoverre op als verwerkingsverantwoordelijke. Het NPR is evenwel niet verbonden met het kentekenregister, dus de aldaar opgenomen persoonsgegevens zijn niet via het NPR te raadplegen. Aangezien er niet voorzien is in een directe koppeling met het 10 11 12 13
Artikel 4, aanhef en onder 8, AVG. Artikel 28, derde lid, AVG. Zie Stb. 2010, 8917, p. 2. De privacyverklaring van het NPR verwijst door naar de (algemene) privacyverklaringen van de RDW.
kentekenregister, kan de RDW in zijn rol als beheerder niet zelfstandig bepalen om de gegevens uit het NPR aan te vullen met gegevens uit het kentekenregister. Voor zover de gemeentelijk heffingsambtenaar ten behoeve van de naheffing de gegevens uit het kentekenregister nodig heeft, dient hij aldus het kentekenregister te bevragen. De RDW (in rol als beheerder kentekenregister) 5.15
De RDW is beheerder en verwerkingsverantwoordelijke van het kentekenregister op grond van artikel 42, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 (‘WVW’). Wij zien twee grondslagen voor het op verzoek verstrekken van de tenaamstelling van het voertuig aan de gemeentelijke heffingsambtenaar.
5.16
Indien de vordering van de gemeentelijke heffingsambtenaar is gebaseerd op artikel 231, tweede lid, Gemeentewet jo. artikel 47, eerste lid, AWR rust er op de RDW een wettelijke plicht om aan de informatievordering van de gemeentelijk heffingsambtenaar te voldoen (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, AVG).
5.17
Voor zover de gemeentelijke heffingsambtenaar zijn verzoek baseert op de grondslagen van de WVW, vormt artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, AVG jo. artikel 43, eerste lid, WVW een wettelijke grondslag voor verstrekking door de RDW. Artikel 43, eerste lid, WVW biedt een grondslag voor het verstrekken van gegevens uit het kentekenregister aan overheidsorganen, waaronder aldus de gemeentelijke heffingsambtenaar, voor zover zij aangeven die gegevens nodig te hebben voor de uitoefening van hun publieke taak.
5.18
Naar wij begrijpen, verstrekt de RDW, in geval van een gestolen voertuig, bij stap 4 geen tenaamstelling (en dus geen andere informatie, zoals de belemmerende status ‘gestolen voertuig’) uit het kentekenregister aan de gemeentelijke heffingsambtenaar. De redenering daarbij is dat de gemeentelijke heffingsambtenaar in dat geval niet tot heffing kan overgaan, omdat het gestolen voertuig geen tenaamstelling heeft. In de oorspronkelijke werkwijze is klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ géén strikt noodzakelijk (persoons)gegeven betreft voor de (na)heffing.
5.19
Voor zover de RDW vaststelt dat de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ rust op het kenteken, volstaat de RDW met de geautomatiseerde terugkoppeling aan de gemeentelijke heffingsambtenaar dat geen tenaamstelling geleverd kan worden. Een dergelijke terugkoppeling kan weliswaar impliceren dat het gecontroleerde kenteken mogelijk gekoppeld is aan een gestolen voertuig, maar zekerheid daarover verkrijgt de gemeentelijke heffingsambtenaar niet.
5.20
Wij kunnen ons vinden in de keuze om, in geval van een gestolen voertuig, de tenaamstelling, noch de belemmerende status te verstrekken. In feite leidt de werkwijze van de RDW ertoe dat de gemeentelijke heffingsambtenaar überhaupt niet in de gelegenheid komt om de belasting te heffen bij de (voormalig) houder van het voertuig. Stap 5 – Verstrekking van de kentekens door gemeentelijke heffingsambtenaar aan de RDW van voertuigen waarvoor wel parkeerbelasting is betaald
5.21
In aanvulling op het bevragen van het kentekenregister ten behoeve van het opleggen van de parkeerbelasting (stap 4), worden separaat de kentekengegevens van alle gescande auto’s verstrekt aan de RDW (stap 5). Nieuw ten opzichte van stap 4 is aldus dat bij stap 5 kentekengegevens worden verstrekt aan de RDW van voertuigen die wél parkeerbelasting hebben betaald, buiten het reguliere proces van kentekenparkeren om (zie stappen 1 tot en met 4), ter controle van de status ‘gestolen voertuig’.
5.22
Wij zien geen duidelijke wettelijk grondslag voor de gemeentelijke heffingsambtenaar om de kentekens van de geparkeerde voertuigen waarvoor parkeerbelasting is betaald te verstrekken aan de RDW. Er is in dit geval immers geen noodzaak om de tenaamstelling bij de RDW te controleren. Wij achten een dergelijke (standaard)verstrekking bovendien bovenmatig. De gegevens zijn in eerste instantie
verzameld met als doel om te controleren of de benodigde parkeerbelasting is betaald. Het (door)verstrekken van de kentekengegevens van voertuigen waarvoor parkeerbelasting is betaald aan de RDW is niet noodzakelijk voor de publieke taak van de gemeente om parkeerbelasting te heffen. Wij zien evenmin een andere grondslag voor de verstrekking van die kentekengegevens door de gemeentelijke heffingsambtenaar aan de RDW. Deze vaststelling maakt dat aan een beoordeling van de overige processtappen (5 tot en met 11) binnen de oorspronkelijke werkwijze niet wordt toegekomen. Conclusie 5.23
Wij komen ten aanzien van de oorspronkelijke werkwijze tot de volgende conclusie. De oorspronkelijke werkwijze is in de eerdere analyses van de politie en de gemeente onrechtmatig bevonden, omdat er voor de gemeentelijke heffingsambtenaar géén wettelijke grondslag respectievelijk noodzaak bestaat om alle kentekens te verstrekken aan de RDW. Wij onderschrijven deze conclusie. Doordat de RDW geen kentekengegevens kan ontvangen van auto’s die wél parkeerbelasting hebben (stap 5), wordt niet meer toegekomen aan een beoordeling van de overige stappen.
6
Analyse voorgestelde nieuwe werkwijze (beperking tot gestolen voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald)
6.1
Een potentiële alternatieve werkwijze die door partijen wordt overwogen is om de verstrekking van de kentekengegevens door de gemeentelijke heffingsambtenaar aan de RDW in de stappen 5 en verder te beperken tot enkel die gegevens die betrekking hebben op voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald.
6.2
Hiervoor is al toegelicht dat wij de gegevensuitwisselingen binnen de stappen 1 t/m 4 rechtmatig achten. Stap 5 - Verstrekking van de kentekens door gemeentelijke heffingsambtenaar aan de RDW
6.3
Binnen deze voorgestelde nieuwe werkwijze achten wij ook de gegevensverstrekking in stap 5 rechtmatig. Die houdt immers in dat de heffingsambtenaar alleen de kentekens aan de RDW verstrekt van voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald. In feite zal bij de nieuwe werkwijze stap 5 overbodig worden, omdat de controle van de voertuigstatus ‘gestolen’ reeds bij stap 4 heeft plaatsgevonden.14
6.4
Stap 5, de controle door de RDW of sprake is van de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ is daarmee ook beperkt tot de voertuigen waarvoor geen parkeerbelasting is betaald. Ook die controle achten wij rechtmatig. Stap 6 – Opvragen nadere scaninformatie door de RDW
6.5
Als sprake is van een belemmerende status ‘gestolen voertuig’, vraagt de RDW de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto op bij de gemeentelijke heffingsambtenaar.
6.6
Naar onze inschatting brengt het opvragen van deze gegevens enkele juridische risico’s met zich mee. Achtergrond daarvan is dat niet geheel duidelijk is met welk doel de RDW deze gegevens opvraagt. Voor zover het opvragen van deze gegevens plaatsvindt met als enkel doel het opsporen van voertuigdiefstal, dan beschikt de RDW niet over een eigen publieke taak. De RDW komt in dat geval geen beroep toe op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, AVG. De RDW zal de nadere scaninformatie enkel kunnen opvragen voor zover deze informatie relevant is voor een ‘eigen’ taak. De RDW zou een en ander nader moeten motiveren.
14
Gemakshalve houden wij de nummering van de oorspronkelijke werkwijze aan.
6.7
Voor de nadere motivering van de verstrekking aan de RDW zijn er twee wettelijke grondslagen relevant: de terugmeldplicht (artikel 43c, eerste lid, WVW) en de algemene informatieplicht van overheidsorganen aan de RDW (artikel 43f WVW). Zie artikel 43c, eerste lid, WVW: “Een overheidsorgaan dat gerede twijfel heeft over de juistheid van een in het kentekenregister opgenomen authentiek gegeven, meldt die twijfel, onder opgave van redenen, aan de Dienst Wegverkeer.” Zie artikel 43f WVW: “Onverminderd artikel 43c zijn overheidsorganen gehouden om aan de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze mededeling te doen van de hen in de uitoefening van hun functie ter kennis gekomen feiten, ingeval deze feiten aanleiding kunnen zijn om tot wijziging of aanvulling van de in het kentekenregister opgenomen gegevens over te gaan, dan wel anderszins van belang kunnen zijn voor de juistheid van deze gegevens.”
6.8
Naar onze inschatting staat niet zonder meer vast dat de gemeentelijke heffingsambtenaar in het specifieke geval van een ‘gestolen voertuig’ een wettelijke grondslag heeft om de locatie, het tijdstip en de scanfoto met de RDW te delen. Achtergrond daarvan is dat wij betwijfelen of de RDW een eigen belang heeft bij het ontvangen van de locatie van het voertuig, het tijdstip van de waarneming en de foto van het geparkeerde voertuig met de belemmerende status ‘gestolen voertuig’. De verstrekking noopt niet tot ‘de controle van de juistheid van een authentiek gegeven’ (art. 39c WVW) of ‘het wijzigen of aanvullen van het kentekenregister’ (art. 39f WVW). Meer concreet geldt daarbij het volgende. Wij stellen voorop dat het aantreffen van een gestolen voertuig, niet zonder meer twijfels oproept over de juistheid van de tenaamstelling van het voertuig (hetgeen een authentiek gegeven is). Dit maakt dat de gemeentelijke heffingsambtenaar de verstrekking naar verwachting niet kan baseren op artikel 43c WVW dat bepaalt dat overheidsorganen verplicht zijn om bij twijfel over een authentiek gegeven de RDW, onder opgave van redenen, te informeren. Wij zien evenmin ruimte om terug te vallen op de algemene grondslag van artikel 43f WVW.
Op grond van deze bepaling zijn overheidsorganen gehouden om aan de RDW “mededeling te doen van de hen in de uitoefening van hun functie ter kennis gekomen feiten, ingeval deze feiten aanleiding kunnen zijn om tot wijziging of aanvulling van de in het kentekenregister opgenomen gegevens over te gaan, dan wel anderszins van belang kunnen zijn voor de juistheid van deze gegevens”. Navraag bij de RDW leert namelijk dat het gegeven dat het gestolen voertuig staat geparkeerd in de gemeente, niet leidt tot enige wijziging of aanvulling van de gegevens in het kentekenregister. Artikel 43f WVW lijkt op het eerste oog, in geval van een gestolen voertuig, geen soelaas te kunnen bieden.
6.9
Een nadere motivering aan de zijde van de RDW is aldus vereist. Mocht de RDW niet slagen in de nadere onderbouwing, dan wordt niet meer toegekomen aan stap 7 e.v. Wij hebben in randnr. 7.2 e.v. een alternatieve werkwijze beschreven (zie alternatief I), waarbij de politie in een eerder stadium door de RDW wordt geïnformeerd over het feit dat er een gestolen voertuig geparkeerd staat in de gemeente, waarna de politie de informatie over waar het voertuig precies geparkeerd staat bij de gemeentelijke heffingsambtenaar vordert. NB Indien bovengenoemde grondslagen volgens de RDW niet kunnen worden ingeroepen, wijzen wij nog op de mogelijkheid van de minister van Infrastructuur en Waterstaat om de RDW te belasten met het (in samenwerking met de politie) verwijderen van gestolen voertuigen op de openbare weg. De minister heeft namelijk op grond van artikel 4b, tweede lid, aanhef en onder b, WVW de mogelijkheid om taken aan de RDW op te dragen. Indien de minister een dergelijke taak zou opdragen aan de RDW, achten wij het opvragen van gegevens in ieder geval eerder gerechtvaardigd.
6.10
Nog daargelaten dat er geen toereikende wettelijke grondslag voor de verstrekking lijkt te bestaan door de gemeentelijke heffingsambtenaar aan de RDW, vormt ook de fiscale geheimhoudingsplicht een belemmering voor de (door)verstrekking van de gegevens. De fiscale geheimhoudingsplicht staat beschreven in artikel 67 AWR en artikel 67 IW. Uit artikel 231, eerste lid Gemeentewet volgt dat de fiscale geheimhoudingsplicht ook van toepassing is bij de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. Daarbij bestaat evenwel de juridische mogelijkheid om middels een ontheffingsbesluit een uitzondering te maken op de fiscale geheimhoudingsplicht (zie randnr. 6.12 hierna).
6.11
Indien de RDW slaagt in de motivering dat de verstrekking zou kunnen plaatsvinden op grond van artikel 43c of 43f WVW, dan zou betoogd kunnen worden dat sprake is van een plicht tot verstrekking van de scangegevens (waaronder de foto) van het gestolen voertuig (artikel 231, tweed lid, Gemeentewet jo. artikel 67 AWR, tweede lid, aanhef en onder a, AWR). Wij geven de gemeentelijke heffingsambtenaar evenwel mee dat er juridische discussie kan bestaan of er daadwerkelijk een wettelijke plicht bestaat om specifiek de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming én de scanfoto te verstrekken aan de RDW. Het risico bestaat dat een rechter bijvoorbeeld oordeelt dat ook volstaan kan worden met enkel de locatie en het tijdstip.
6.12
Een dergelijk risico zou kunnen worden gemitigeerd door in een zogenoemd ontheffingsbesluit te expliciteren dat de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto door de gemeentelijke heffingsambtenaar moet worden verstrekt. Het is mogelijk om van de fiscale geheimhoudingsplicht ontheven te worden door een besluit van het college (artikel 231, derde lid jo. artikel 231, tweede lid Gemeentewet jo. artikel 67, derde lid, AWR/IW). Een dergelijk ontheffingsbesluit dient te vermelden aan welke bestuursorganen welke informatie voor welk doel wordt verstrekt. Hierbij moet de gegevensverstrekking voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook in de oorspronkelijke werkwijze was gekozen voor een dergelijk ontheffingsbesluit.15
6.13
Voor zover wordt gekozen voor de route van een ontheffingsbesluit, geven wij het college mee dat het ontheffingsbesluit dat ten aanzien van de oorspronkelijke werkwijze is genomen, om diverse redenen ontoereikend is voor de nieuwe werkwijze. Daargelaten dat het ontheffingsbesluit uiteraard ziet op de oorspronkelijke werkwijze, biedt de formulering van het ontheffingsbesluit in onze optiek onvoldoende basis voor de doorbreking van de fiscale geheimhoudingsplicht. De voornaamste reden is dat het besluit slechts voorziet in de ontheffing van de geheimhoudingsplicht met betrekking tot de kentekengegevens, terwijl de werkwijze tevens een ontheffing van de overige scaninformatie (locatie en tijdsbepaling en scanfoto) vereist. Deze gegevens moeten duidelijker beschreven staan in het ontheffingsbesluit. Ook voor zover het ontheffingsbesluit op dit punt zou worden uitgebreid, zien wij ten tweede het risico dat het ontheffingsbesluit niet in lijn is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu er geen noodzaak bestaat voor de RDW om deze nadere informatie over het gestolen voertuig op te vragen. Er is ook een alternatieve route denkbaar waarbij de RDW reeds bij stap 4 de politie informeert, zonder eerst nog de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto op te vragen.
Doordat er aantoonbaar een alternatief scenario bestaat, waarbij de RDW niet de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto ontvangt, is onze inschatting dat het ontheffingsbesluit onrechtmatig zal worden geacht, wegens strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.16
6.14
Kort en goed zal ten aanzien van stap 6 nog een nadere motivering van de noodzaak door de RDW moeten worden gegeven. Het is hierdoor aldus onzeker of wordt toegekomen aan de daaropvolgende stappen. Volledigheidshalve treft u hieronder onze toetsing van de rechtmatigheid van vervolgstappen 7 e.v. Wij gaan er bij de toetsing
15 16
Zie Ontheffingsbesluit Amsterdam ten behoeve van convenant gestolen voertuigen. Kamerstukken II 2005/2006, 30 322, nr. 3, p. 19.
van stappen 7 e.v. vooralsnog vanuit dat het opvragen van de nadere scaninformatie in stap 6 noodzakelijk is voor de eigen taak van de RDW. NB Wij sluiten niet uit dat de RDW bij andere belemmerende statussen dan de status ‘gestolen voertuig’ wél een aantoonbare wettelijke taak heeft. Wij raden de RDW aan om per belemmerende status te bezien of mogelijk wél een grondslag bestaat. Een dergelijke toets valt als gezegd buiten de reikwijdte van dit rapport. Stap 7 – Verstrekking scaninformatie voertuigen met belemmerende status ‘gestolen voertuig’ door de RDW aan het LIV 6.15
Het LIV is een samenwerkingsverband tussen de RDW, de Politie en het VbV. Het LIV heeft tot doel het ondersteunen van de opsporingsinstantie bij het maken van rapportages over trends en statistieken inzake voertuigcriminaliteit en voertuiggerelateerde criminaliteit. Daarnaast ondersteunt het LIV de Politie en opsporingsdiensten in de opsporing van deze vormen van criminaliteit.
6.16
De controle via het LIV heeft met name tot doel om de juistheid van de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ te (laten) valideren. Daartoe verstrekt de RDW aan het LIV het kenteken, de tenaamstelling uit het kentekenregister van de RDW en de scanfoto’s van alle auto’s waarvan de RDW heeft geconstateerd dat zij een belemmerende status ‘gestolen voertuig’ hebben. Wij achten de (door)verstrekking van de scaninformatie van voertuigen met belemmerende status ‘gestolen voertuig’ door de RDW aan de ketenpartners van het LIV rechtmatig.
6.17
Voor zover de controle strekt tot het borgen van de zuiverheid en kwaliteit van het kentekenregister, vormen artikel 4b, eerste lid, aanhef en onder c en h WVW jo. artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, AVG een potentiële wettelijke grondslag voor de RDW.
6.18
Voor zover de controle zuiver strekt tot het opsporen van gestolen voertuigen, zonder dat daarbij de kwaliteit of de juistheid van het kentekenregister in het geding is, kan de doorverstrekking aan de ketenpartners door de RDW aan het LIV worden aangemerkt als een verenigbare verdere verwerking in de zin van artikel 6, vierde lid, AVG. De doorverstrekking achten wij verenigbaar, nu de doelstelling van de verstrekking (het ondersteunen van de opsporing van gestolen voertuigen en het handhaven van de openbare orde op de weg) in het verlengde ligt van de doelstelling van de taken van de RDW (het registreren van kentekengegevens met als doel het borgen van de zuivere registratie van kentekens). Daarbij wegen wij mee dat de wetgever middels artikel 7 van het Kentekenreglement de RDW de opdracht heeft gegeven om (onder meer) diefstalgegevens te registreren, zodat overheidsinstanties (waaronder de politie) hun taken goed kunnen uitvoeren. Kort en goed zien wij dus voldoende verband tussen de doeleinden van het registreren van diefstal van voortuigen in het kentekenregister en het in staat stellen van de politie en het VbV om daarmee verband houdende taken te verrichten. NB De status ‘gestolen voertuig’, betreft de zogenoemde voertuigstatus en betreft dus op zichzelf geen inhoudelijk gegeven over de aard of achtergrond van de diefstal.
Dit gegeven vormt niet zonder meer een persoonsgegeven. Deze status gaat over het voertuig, niet over de persoon die het voertuig gestolen heeft. Het voorgaande neemt niet weg dat deze status in combinatie met andere gegevens (bijv. camerabeelden of betalingsgegevens van degene die de auto geparkeerd heeft), een persoonsgegevens kan opleveren voor degene die het voertuig gestolen heeft of op dit moment de houder is van het voertuig. In dit rapport nemen wij tot uitgangspunt dat de verstrekking van de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ door de RDW niet leidt tot de verwerking van een ‘persoonsgegeven betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen’, oftewel strafrechtelijke persoonsgegevens (zie artikel 10 AVG).
Stap 8 – Controle juistheid en actualiteit belemmerende status ‘gestolen voertuig’ en terugkoppeling daarvan aan de RDW Stap 9 – Melding gestolen voertuig politie 6.19
Het verwerken van de juistheid van de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ en een controle op ‘misreads’ van kentekens, achten wij maatregelen die ten goede komen aan het juistheidsbeginsel van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, AVG. Wij zien geen juridische belemmering voor de partners van het LIV om met dit doeleinde (persoons)gegevens te verwerken.
6.20
Voor wat betreft de terugkoppeling van het LIV aan de RDW dat de informatie niet actueel of juist blijkt te zijn, zien wij de volgende wettelijke grondslagen. De wettelijke grondslag voor het verstrekken van de informatie over de actualiteit van de belemmerende status door de politie, als onderdeel van het LIV aan de RDW, kan gevonden worden in artikel 43f WVW. De verstrekking door het VbV, als onderdeel van het LIV, over de actualiteit van de belemmerende status kan gevonden worden in artikel 6, vierde lid, AVG (verenigbare verdere verwerking). De verstrekking aan de RDW bevordert immers de controle van de juistheid van de belemmerende status van het voertuig en bevordert gelijktijdig ook dat het gestolen voertuig door de politie van de weg kan worden gehaald. Daarmee sluit de verstrekking van de informatie aan de RDW aan bij de taak van het VbV, namelijk het ondersteunen van schadeverzekeraars, verzekerden, leasemaatschappijen en verhuurbedrijven bij het terugvinden van vermiste en gestolen voertuigen, opdat de schadelast kan worden beperkt.
6.21
De melding door het LIV aan de politie van het gegeven dat sprake is van een gestolen voertuig, inclusief het kenteken, de locatie van het voertuig, het tijdstip van de waarneming en de scanfoto, kan in onze optiek gebaseerd worden op de aangiftebevoegdheid van artikel 161 Sv. De aangiftebevoegdheid van artikel 161 Sv bepaalt dat eenieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit bevoegd is daarvan aangifte te doen bij de politie of de bevoegde opsporingsambtenaren. Een voorwaarde voor het doen van aangifte is dat de aangever een redelijk vermoeden heeft dat een strafbaar feit is gepleegd.17 Daarvoor geldt dat sprake moet zijn van de redelijke veronderstelling dat een strafbaar feit is begaan. De aangifte dient een aantal concrete feitelijke gegevens te bevatten over (onder meer) de tijd en de plaats van het vermeende strafbare feit.18 Van belang is dat in het kader van de aangifte ook stafrechtelijke persoonsgegevens verstrekt mogen worden aan de politie. Uit het advies van de AP in het kader van het ontwerpwetsvoorstel voor de Verzamelwet gegevensbescherming kan worden afgeleid dat volgens de AP strafrechtelijke persoonsgegevens in het kader van aangifte aan de opsporingsautoriteiten mogen worden verstrekt.19 Stap 10 – Informeren van het VbV door het LIV ten behoeve van het VAR
6.22
Het informeren van het VbV dat het gestolen voertuig van de weg is gehaald achten wij eveneens juridisch mogelijk. Wij benadrukken dat het VbV onderdeel vormt van het LIV en daardoor reeds op de hoogte is van het aangetroffen, gestolen voertuig. De terugkoppeling door het LIV aan het VbV past binnen de missie van het VbV, te weten het voorkomen en beperken van schade veroorzaakt door voertuigcriminaliteit. Hierbij stelt zij zich onder meer ten doel het verrijken en verstrekken van informatie van publieke en private partijen, het ondersteunen van diensten ter ondersteuning van onderzoeken op strafrechtelijk en civielrechtelijk terrein en het behartigen van de belangen van partijen die schade lijden of hebben geleden als gevolg van voertuigcriminaliteit.20
6.23
Wij gaan ervan uit dat de terugkoppeling in feite een verdere verwerking is van de informatie die het VbV reeds in het kader van het LIV heeft ontvangen. Het doel van 17 18 19
20
Zie T&C Wetboek van Strafvordering, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 161 Sv, aant. 3 Zie onder meer Gerechtshof Leeuwaarden 18 mei 1975, ECLI:NL:GHLEE:1972:AB5192. Te raadplegen op: https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/sites/default/files/atoms/files/advies_verzamelwet_gegevensbescher ming.pdf Zie privacyverklaring VbV: https://stichtingvbv.nl/privacy/.
deze verdere verwerking is om, aan de hand van het Vermiste Auto Register21, de rechtmatige eigenaar van het voertuig te informeren dat diens voertuig is gevonden. Wij achten deze doelstelling verenigbaar met de oorspronkelijke taak waarvoor deze gegevens door het LIV zijn verwerkt (namelijk het bijdragen aan de effectieve signalering en opspring van voertuigcriminaliteit). De verdere verwerking door het LIV kan gebaseerd worden op artikel 6, vierde lid, AVG. Stap 11 – Informeren van de gemeentelijke wegsleepdienst 6.24
Het wegslepen van het geparkeerde voertuig betreft een taak van het college van burgemeester en wethouders (zie artikel 170, eerste lid, WVW) en betreft een vorm van bestuursdwang in de zin van artikel 125 van de Gemeentewet. Bij het informeren van de gemeente, worden in beginsel geen persoonsgegevens verstrekt, slechts het gegeven dat het voertuig moet worden weggesleept. Doordat geen sprake is van een verstrekking van een politiegegeven, is de politie bij het informeren van de gemeente niet gebonden aan de Wpg. Conclusies & Aanbevelingen
6.25
Voor zover wij kunnen vaststellen zijn de gegevensuitwisselingen die plaatsvinden binnen de nieuwe werkwijze grotendeels in lijn met de privacyrechtelijke regels. Wij zien vooralsnog geen grondslag voor de RDW om bij stap 6 de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto op te vragen bij de gemeentelijke heffingsambtenaar. Dat zou alleen anders zijn als de RDW kan motiveren dat de verstrekking door de gemeentelijke heffingsambtenaar van de locatie, het tijdstip en de scanfoto aan de RDW noodzakelijk is voor de doeleinden als omschreven in art. 43c of 43f WVW. Mocht de RDW niet slagen in deze nadere onderbouwing, dan zou een alternatieve werkwijze kunnen worden gehanteerd. Die hebben wij in hoofdstuk 7 toegelicht.
7
Alternatieve werkwijze?
7.1
U heeft ons gevraagd of wij in aanvulling op de door u voorgestelde oplossingen, nog andere werkbare alternatieven zien. Wij geven partijen mee dat de in hoofdstuk 6 beschreven nieuwe werkwijze op aspecten zou kunnen worden aangepast, zodat meer recht wordt gedaan aan het beginsel van dataminimalisatie respectievelijk het beginsel van privacy by design & default. Wij zien in ieder geval één haalbaar alternatief dat weinig tot geen juridische risico’s oplevert (alternatief I). Volledigheidshalve hebben wij twee andere alternatieven onderzocht. Aangezien beide scenario’s echter aanzienlijke juridische risico’s opleveren, hebben deze alternatieven niet de voorkeur (alternatieven II en III). Volledigheidshalve noemen wij de alternatieven II en III ook. Alternatief I – De RDW informeert de politie reeds bij stap 4
7.2
Pas bij stap 9 wordt er melding gemaakt bij de politie, dit terwijl feitelijk al bij stap 4 voor de RDW duidelijk is dat een voertuig staat geparkeerd binnen de gemeente dat in het kentekenregister een belemmerende status ‘gestolen voertuig’ heeft. Doordat eerst een check wordt uitgevoerd via de gemeente en het LIV, bestaat het risico dat het gestolen voertuig alweer weg is op het moment dat is gevalideerd dat de status ‘gestolen voertuig’ inderdaad klopt. Wij zien juridische ruimte voor de RDW om reeds bij stap 4 de politie (volledig geautomatiseerd) te informeren dat er een auto met de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ is aangetroffen. De aangiftebevoegdheid van artikel 161 Sv biedt daarvoor naar ons oordeel een toereikende wettelijke grondslag. Op grond van deze bepaling kan eenieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit aangifte of klacht indienen bij de politie. Een ‘hit’ levert per direct een vermoeden van een strafbaar feit op. Het rijden op de openbare weg met een voertuig met een kenteken (gestolen voertuig) betreft een overtreding van art. 36, eerst en derde lid, aanhef en onder b, WVW, omdat het kenteken zijn geldigheid heeft verloren. Op een 21