20241001_Rapport use case gestolen voertuigen DEF (v2.0).pdf
Tekst van het document
In dit register worden sinds 1993 door het VbV de door de eigenaar/houder gemelde vermiste en gestolen voertuigen geregistreerd. VAR-registratie vindt plaats ten behoeve van de private dimensie van de bestrijding van voertuigcriminaliteit, te weten het terugvinden en -bezorgen van het voertuig.
overtreding van artikel 36, eerste tot en met vijfde lid, WVW staat een hechtenis van ten hoogste twee maanden en een geldboete van de tweede categorie (zie art. 177, tweede lid, aanhef en onder a, WVW). De vaststelling dat een gestolen auto geparkeerd staat op de openbare weg leidt (naast een vermoeden van een strafbaar feit ex art. 36, eerste en derde lid, WVW) óók tot een vermoeden van (gekwalificeerde) diefstal als bedoeld in art. 311, eerste lid, onder 5, Wetboek van Strafrecht (‘Sr’) en/of heling.22 7.3
Het ligt wat ons betreft het meest voor de hand dat de RDW de politie informeert over het feit dat een gestolen voertuig staat geparkeerd en in welke gemeente, waarna de OvJ vervolgens de precieze locatie van het voertuig vordert van de gemeentelijke heffingsambtenaar (zie de vorderingsbevoegdheden als omschreven in randnrs. 7.16 e.v.). De heffingsambtenaar is in een dergelijk geval verplicht om uitvoering te geven aan een dergelijke vordering van de OvJ. Op deze wijze kan geborgd worden dat het voertuig zo snel mogelijk van de weg wordt gehaald. Met deze werkwijze wordt ook voorkomen dat de RDW de locatiegegevens e.d. moet opvragen bij de gemeentelijke heffingsambtenaar (stap 6), terwijl de gemeentelijke heffingsambtenaar deze gegevens, zoals hiervoor is toegelicht, mogelijk niet mag verstrekken.
7.4
Wij hebben in aanvulling op alternatief I nog bezien of wij nog andere scenario’s denkbaar zijn om de gegevenstuitwisseling te verbeteren. Volledigheidshalve hebben wij twee alternatieve scenario’s onderzocht. Alternatief II – De RDW vraagt eerst nog de locatie van het voertuig, het tijdstip van de waarneming en de scanfoto op, alvorens zij de politie informeert als beschreven in alternatief I
7.5
Een variant op alternatief I zou zijn dat de RDW voorafgaand aan het informeren van de politie, eerst nog de locatie van het voertuig, het tijdstip van waarneming en de scanfoto op bij de gemeentelijke heffingsambtenaar opvraagt (zie stap 6). De RDW verstrekt vervolgens in één keer alle informatie over het aangetroffen voertuig aan de politie. Het is binnen dit scenario dus niet nodig om aanvullende informatie op te halen bij de gemeentelijke heffingsambtenaar. De politie beschikt direct over voldoende informatie om het gestolen voertuig te onderzoeken. Hoewel dit een efficiënter scenario zou zijn dan alternatief I, moet de RDW binnen dit alternatief als gezegd wel kunnen motiveren dat de verstrekking door de gemeentelijke heffingsambtenaar van de locatie, het tijdstip en de scanfoto aan de RDW noodzakelijk is voor de doeleinden als omschreven in art. 43c of 43f WVW (zie randnr. 6.7 e.v.). Wij zien vooralsnog niet zonder meer in dat de RDW daarin kan slagen.
7.6
Ten aanzien van de andere belemmerende statussen zou een soortgelijke motivering vereist zijn. De uitkomst van die motivering kan per belemmerende status verschillen. Wij raden de RDW dan ook aan per belemmerende status te bezien of kan worden gemotiveerd dat de verstrekking door de gemeentelijke heffingsambtenaar van de locatie, het tijdstip en de scanfoto aan de RDW noodzakelijk is voor de doeleinden als omschreven in art. 43c of 43f WVW. Alternatief III – De RDW levert bij stap 4 de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ mee met de tenaamstelling van het voertuig, zodat de gemeentelijke heffingsambtenaar de politie kan informeren.
7.7
Zoals toegelicht in randnr. 5.18 e.v. verstrekt de RDW, in geval van een gestolen voertuig, bij stap 4 geen tenaamstelling (en ook geen andere informatie, zoals de belemmerende status ‘gestolen voertuig’) uit het kentekenregister aan de gemeentelijke heffingsambtenaar. De redenering daarbij is dat de gemeentelijke 22
Er zijn drie soorten heling: 1. Schuldheling: iemand kan bij de aankoop, bezit of verkoop van een artikel vermoeden dat het om een gestolen goed gaat. Hier staat een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar op en/of een geldboete (art. 417bis Sr); 2. Opzetheling: iemand koopt, bezit of verkoopt een product en weet dat het om een gestolen artikel gaat. Hier staat een gevangenisstraf van maximaal vier jaar op en/of een hoge geldboete (art. 416 Sr.) en 3. Gewoonteheling: iemand koopt of verkoopt vaker producten waarvan hij of zij weet dat ze zijn gestolen. Kortom, zij maken een gewoonte van opzetheling. Hier staat een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar op en/of een hoge geldboete (art. 417 Sr.).
heffingsambtenaar slechts de tenaamstelling nodig heeft voor de uitvoering van de naheffingstaak. In de oorspronkelijke en nieuwe werkwijze is klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ géén strikt noodzakelijk (persoons)gegeven betreft voor de naheffing. Wij onderschrijven deze keuze (zie randnr. 5.19) en zien onvoldoende grondslag om (ook) de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ mee te leveren aan de gemeentelijke heffingsambtenaar. Het meeleveren van de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ aan de gemeentelijke heffingsambtenaar is niet strikt noodzakelijk voor de belastingheffing. Wij zien daarom geen grondslag of noodzaak om deze belemmerende status aan de gemeentelijke heffingsambtenaar te verstrekken. Dat de RDW de belemmerende status ‘gestolen voertuig’ in het kentekenregister mag verwerken volgt uit artikel 42a WVW jo. artikel 7 van het Kentekenreglement. Aan overheidsorganen mogen gevoelige gegevens worden verstrekt, waaronder persoonsgegevens23 en zogenoemde ‘gegevens waarvan de verstrekking het risico van handelen in strijd met het wettelijk voorschrift met zich meebrengt” (art. 43 lid 1 WVW). Onder die laatste categorie valt onder meer: “1. identificatie en registratie van een voertuig, 2. diefstal van een voertuig, 3. Aansprakelijkheden met betrekking tot het voertuig, 4.
inschrijving- of tenaamstellingstatus, en 5. Voertuigstatus.” Zie Stb. 2008, 196, p. 11: “De diefstalgegevens betreffen meer dan alleen het feit dat het voertuig als gestolen geregistreerd staat (dat enkele feit valt onder voertuigstatus), maar ook wanneer het als gestolen is gemeld en de inhoudelijke gegevens ten aanzien van de aangifte. De subcategorie kentekenstatus betreft informatie omtrent de kentekenbewijsstatus als het gaat om schorsing en buiten registratie staan van een voertuig of in onderzoek zijn van gegevens zoals deze zijn opgenomen op het kentekenbewijs en bij de subcategorie voertuigstatus betreft het gegevens ten aanzien van het voertuig zoals: total loss, vermist of gestolen zijn van een voertuig en kilometerstand bij keuring.” Alternatief IV – De politie vordert met toepassing van art. 126nd (en eventueel 126ne Sv) gericht de scaninformatie van het NPR die betrekking heeft op gestolen voertuigen. 7.8
Een ander alternatief betreft het (strafvorderlijk) vorderen van scaninformatie van het NPR door de officier van justitie, zodat aan de hand van een vergelijking van de scaninformatie met een (actuele) lijst van kentekens van gestolen voertuigen kan worden vastgesteld of een gestolen auto geparkeerd staat, dan wel heeft gestaan.
7.9
Binnen dit scenario vinden de volgende gegevensverwerkingen plaats: 1. 2. 3.
4.
23
De politie stelt een (in omvang beperkte) lijst met kentekens van gestolen voertuigen op; De officier van justitie vordert, met toepassing van art. 126nd (en eventueel 126ne Sv), gericht alle scaninformatie van het NPR die van toepassing is op de kentekens van gestolen auto’s; De RDW verstrekt, in zijn rol als beheerder van het NPR, de locatie en het tijdstip van parkeren van de eventuele hits (oftewel voertuigen met gestolen kentekens die ook geparkeerd staan of in ieder geval recentelijk geparkeerd stonden) aan de officier van justitie; De officier van justitie en de politie gebruikt deze informatie in haar verdere opsporingsonderzoek naar de gestolen voertuigen die een hit hebben opgeleverd.
Zie artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, Kentekenreglement.
7.10
Wij zien met name in art. 126nd Sv een potentiële grondslag voor het vorderen van de scaninformatie uit het NPR. Toekomstige vorderingen zouden bovendien mogelijk gebaseerd kunnen worden op art. 126ne Sv.24
7.11
Wij lichten dit scenario nader toe. Stap 1– Het genereren van de lijst met kentekens van gestolen voertuigen door de politie
7.12
De Wet politiegegevens (‘Wpg’) is van toepassing op het genereren van de lijst met kentekens van gestolen voertuigen door de politie. De Wpg is immers van toepassing op de verwerking25 van politiegegevens door een bevoegde autoriteit (waaronder de politie) die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn daarin te worden opgenomen.26 Een politiegegeven is elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikelen 3 en 4 Politiewet.27 Een persoonsgegeven is: “Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”.28 De definitie van het begrip persoonsgegeven in de Wpg – althans in de Richtlijn die met de Wpg is geïmplementeerd29 – is dus identiek aan de definitie daarvan in de AVG.
7.13
Onze inschatting is dat een kenteken van een gestolen voertuig een persoonsgegeven betreft. Zodra iemand aangifte heeft gedaan van de diefstal van zijn voertuig, wordt de tenaamstelling van de betreffende auto ontkoppeld. Direct gevolg daarvan is dat (anders dan een ‘actief’ kenteken dat is gekoppeld aan auto) het kenteken minder snel te herleiden is tot een natuurlijk persoon (te weten de eigenaar of houder van de auto). Het (oude) kenteken duidt in beginsel enkel nog een gestolen voertuig aan. Daarmee is echter niet gezegd dat het kenteken geen persoonsgegeven kan vormen. Als uitgangspunt geldt dat een kenteken van een gestolen voertuig voor de politie (respectievelijk de RDW) een persoonsgegeven vormt voor eenieder die toegang heeft tot het kentekenregister van de RDW, of anderszins redelijkerwijs over middelen beschikt om het kenteken tot een individueel persoon te herleiden. De politie heeft toegang tot de aangiftes van de gestolen voertuigen en tot het kentekenregister. Dit maakt dat de kentekens van gestolen voertuigen voor de politie persoonsgegevens vormen over de personen die aangifte hebben gedaan van het verlies van hun voertuig.
7.14
De vervolgvraag is op grond van welke wettelijke grondslag de politie de lijst met kentekens van gestolen voertuigen kan genereren. 24
25
26 27
28 29
Andere vergaringsbevoegdheden die zijn opgenomen in dezelfde (negende) afdeling “vorderen van gegevens” zijn ongeschikt om te dienen als grondslag. Art. 126nda Sv ziet op camerabeelden voor beveiliging van goederen, gebouwen of personen; art. 126ne Sv ziet op toekomstige gegevens, art. 126nf Sv ziet op bijzondere persoonsgegevens (zoals godsdienst, ras, politieke gezindheid), art. 126ng ziet op communicatiediensten, art. 126nh Sv ziet op ontsleutelen en art. 126ni Sv ziet op het bewaren van gegevens. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, Wpg wordt in de Wpg onder verwerken van politiegegevens verstaan: elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot politiegegevens of een geheel van politiegegevens, al dan niet uitgevoerd op geautomatiseerde wijze, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, afschermen of vernietigen van politiegegevens. Zie artikel 2, eerste lid, Wpg.
Met uitzondering van de uitvoering van wettelijke voorschriften anders dan de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 1° en artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de Politiewet 2012. Zie artikel 1, aanhef en onder a, Wpg. Artikel 1 aanhef en onder b Wpg. Zie artikel 3 lid 1, van de Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (”Richtlijn”): 1) “„persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatiemiddel zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificatiemiddel of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of
sociale identiteit van die natuurlijke persoon”.
7.15
Het generen van de lijst met kentekens van gestolen voertuigen kan gebaseerd worden op artikel 8 Wpg jo. artikel 3 Politiewet, dat bepaalt dat politiegegevens verwerkt kunnen worden met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Het genereren van de lijst vormt een onderdeel van het basispolitiewerk, meer concreet het verrichten van eenvoudige recherchewerkzaamheden. In de parlementaire geschiedenis van de Wpg is expliciet onderkend dat het verrichten van onderzoek naar diefstallen onderdeel vormt van ‘eenvoudig recherchewerk’.30 Stap 2 - Het gericht vorderen van de scaninformatie van het NPR door de officier van justitie
7.16
De artikelen 126nc-126ni (titel IVA, negende afdeling) Wetboek van Strafvordering (‘Sv’) verlenen de officier van justitie de bevoegdheid om gegevens te vorderen. Het gaat er in dit geval om dat door de inzet van de vorderingsbevoegdheid door het NPR de locatie en het tijdstip van scannen van specifieke, in de vordering genoemde, kentekens van gestolen voertuigen worden verstrekt. Op de verkrijging van dergelijke gegevens lijken de bevoegdheden ex art. 126nd en art. 126ne het meest toegesneden. Dat werken wij hieronder kort uit.31 Wij hebben ook gekeken naar art. 126nc Sv (vorderen identificerende gegevens). Deze bepaling geeft de bevoegdheid om identificerende gegevens te vorderen. Onder identificerende gegevens worden gegevens verstaan waarmee de opsporingsambtenaar kan vaststellen met welke personen hij van doen heeft. Naast onder meer naam, adres, geboortedatum en geslacht vallen ook administratieve kenmerken hieronder. Deze kenmerken zijn alle nummers of andere kenmerken waaronder een persoon bij een instelling bekend is, zoals rekeningnummers. Het kenmerk dient iets te zeggen over de relatie tussen de persoon en de instelling.32 Een kenteken kan in beginsel inzicht verschaffen in de relatie tussen voertuig en kentekenhouder, waarom een kenteken een administratief kenmerk betreft en zodoende een identificerend gegeven.
De vordering is in dit geval echter niet gericht op de identificatie van een persoon (de kentekenhouder), maar op het lokaliseren van een gestolen voertuig, terwijl juist informatie over kentekenhouder geen inzicht zal verschaffen ten behoeve van de identificatie van een verdachte. Wij gaan er daarom vanuit dat art. 126nc Sv hier geen passende grondslag voor de bedoelde vordering kan vormen.
7.17
Op grond van art. 126nd Sv is de officier van justitie bevoegd om in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67, eerste lid Sv, opgeslagen of vastgelegde gegevens te vorderen in het belang van het onderzoek.
7.18
Ingevolge het derde lid van deze bepaling dient de vordering, indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon of de personen over wie gegevens worden gevorderd te bevatten. Dat sluit evenwel niet uit dat de vordering ook kan worden gedaan indien de vordering betrekking heeft op een (nog) onbekende persoon of personen. In een dergelijk geval dient op andere wijze te worden gepreciseerd en zodoende begrensd om welk gegevens het gaat, bijvoorbeeld doordat wordt vermeld over welke (zo kort mogelijke) periode de gegevens worden gevorderd. De vordering dient in een dergelijk geval gerechtvaardigd te zijn door een
30
31
32
Zie: Kamerstukken II 2005/06, 30327, nr. 3, p. 38: “Het basispolitiewerk bestaat uit surveillance, afhandeling van de verkeersproblematiek, eenvoudig recherchewerk, verlenen van hulp en handhaven van wetten en regels. De afhandeling van de verkeersproblematiek bestaat bijvoorbeeld uit het afhandelen van eenvoudige verkeersovertredingen, het onderzoeken van verkeersongevallen en het adviseren van gemeenten over verkeersmaatregelen. Onder eenvoudige recherchewerkzaamheden wordt verstaan het onderzoeken van diefstallen en inbraken, het veilig stellen van sporen en het opnemen van een aangifte van een inbraak.” De overige vergaringsbevoegdheden die zijn opgenomen in dezelfde afdeling zijn ongeschikt om te dienen als grondslag. Art. 126nda Sv ziet op camerabeelden voor beveiliging van goederen, gebouwen of personen; art. 126nf Sv ziet op bijzondere persoonsgegevens (zoals godsdienst, ras, politieke gezindheid); art. 126ng ziet op communicatiediensten; art. 126nh Sv ziet op ontsleutelen; en art. 126ni Sv ziet op het bewaren van gegevens. Kamerstukken II 2001/02, 28353, nr. 3, p. 10-11.
aanknopingspunt voor een opsporingsonderzoek. De gegevens zullen (uiteindelijk) wel te herleiden moeten zijn tot personen.33 Het zevende lid van art. 126nd Sv biedt een grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels over de (geautomatiseerde) wijze waarop de gegevens door de officier van justitie worden gevorderd of de wijze waarop de gegevens door de derde worden verstrekt.34 Een hierop gebaseerde AMvB betreft het Besluit verwijzingsportaal bankgegevens.35 Dat betreft een geautomatiseerde wijze van vordering en aanlevering van bankgegevens. Een dergelijke werkwijze zou ook voor de onderhavige (geautomatiseerde) vordering en verstrekking denkbaar kunnen zijn. Dat zou in dat geval wel in een AMvB moeten worden uitgewerkt. 7.19
Voorts is de officier van justitie op grond van artikel 126ne Sv bevoegd om een vordering als bedoeld in artikel 126nd Sv te doen ten aanzien van toekomstige gegevens, dat wil zeggen, betrekking hebbende op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. Deze vordering kan worden gedaan aan degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd.
7.20
Het doel van art. 126ne Sv is dat de vordering niet telkens herhaald hoeven te worden.36 In de vordering vermeldt de officier van justitie de termijn waarbinnen de gegevens moeten worden verstrekt.37 Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie bepalen dat de gegevens direct na de verwerking worden verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking worden verstrekt. Daarvoor is een machtiging van een rechter-commissaris vereist (derde lid).
7.21
Een vordering aan het NPR gericht op de verkrijging van de locatie en het tijdstip van scannen van specifieke, in de vordering genoemde, kentekens van gestolen voertuigen, op grond van art. 126nd en/of art. 126ne, zal alleen kunnen worden gedaan als die vordering ‘in het belang van het onderzoek’ is. Dat betekent dat sprake zal moeten zijn van (lopende) strafrechtelijke opsporingsonderzoeken naar de betreffende diefstal en/of heling. De beoordeling of sprake is van een vordering ‘in het belang van het onderzoek’ vereist een toetsing aan proportionaliteit en subsidiariteit. In dat verband zal het erom gaan dat de vordering voldoende is afgebakend en daadwerkelijk in het belang is van concrete opsporingsonderzoeken. Dat vergt dat per gestolen kenteken (in verband waarmee de vordering wordt gedaan) wordt beoordeeld of de gevorderde gegevens zullen bijdragen aan het opsporingsonderzoek – de materiële waarheidsvinding – naar het strafbare feit (diefstal en/of heling). Stap 3 – Het verstrekken van de ‘hits’ door de RDW als beheerder van het NPR
7.22
Voor zover de vordering kan worden gebaseerd op één van de hierboven beschreven vorderingsbevoegdheden van de officier van justitie, rust op RDW een wettelijke plicht ex artikel 6, eerst lid, aanhef en onder c, AVG om de gevorderde scaninformatie te verstrekken. Stap 4 – Het verdere gebruik van de hits c.q. de scaninformatie ten behoeve van opsporing.
7.23
Na ontvangst van de ‘hits’ kan de politie de hits (die wederom kwalificeren als politiegegevens) verwerken voor haar opsporingstaak op grond van artikel 8 van de Wpg (zie randnrs. 7.13 e.v. hiervoor).
33 34 35 36 37
Kamerstukken II 2003/04, 29441, nr. 3, p. 8, 23-24. Kamerstukken II 2003/04, 29441, nr. 3, p. 24. Stb. 2020, 264. Kamerstukken II 2001/02, 28353, nr. 3, p. 13. Kamerstukken II 2003/04, 29441, nr. 3, p. 25.
Alternatief V - De politie verstrekt een overzicht van kentekens van gestolen voertuigen aan het NPR, waarna de RDW (als beheerder van het NPR) aan de politie terugkoppelt of gestolen voertuigen geparkeerd staan 7.24
Wij hebben in overleg met de gemeente, de RDW en de politie nog bezien in hoeverre het juridisch haalbaar zou zijn voor de politie om over de band van de Wpg (art. 2038) een overzicht of lijst van kentekens van gestolen voertuigen te verstrekken aan het NPR (oftewel aan de RDW als beheerder), zodat de RDW zelfstandig vaststelt of deze gestolen voertuigen staan geparkeerd. De RDW koppelt dergelijke hits terug aan de politie via de aangiftebevoegdheid, waarna de politie deze informatie kan gebruiken voor haar opsporingsonderzoeken.
7.25
Binnen dit scenario vinden de volgende gegevensverwerkingen plaats: 1. 2. 3. 4. 5.
De politie stelt een lijst met kentekens van gestolen voertuigen op; De politie verstrekt deze lijst aan het NPR; De RDW maakt, in zijn rol als beheerder van het NPR, een vergelijking van de kentekens van gestolen voertuigen met de (huidige en recente) geparkeerde voertuigen; De locatie en het tijdstip van parkeren van de eventuele hits (oftewel voertuigen met gestolen kentekens die ook geparkeerd staan of in ieder geval recentelijk geparkeerd stonden) worden verstrekt aan de politie; De politie gebruikt deze informatie in haar verdere opsporingsonderzoek naar de gestolen voertuigen die een hit hebben opgeleverd.
7.26
Wij achten het hierboven in randnr. 7.22 en 7.23 beschreven scenario juridisch niet goed houdbaar. Zeker in vergelijking tot alternatief IV (een gerichte vordering van de scaninformatie door de officier van justitie) zien wij wezenlijke juridische risico’s in het licht van (met name) de Wpg en het beginsel van dataminimalisatie (art. 3, eerste lid, Wpg). Meer concreet zien wij de volgende juridische risico’s.
7.27
Wij stellen voorop dat het in randnr. 7.23 beschreven scenario naar zijn aard neerkomt op het vorderen van scaninformatie van het NPR (zie alternatief IV hiervoor), met als inhoudelijk verschil dat niet de politie, maar het NPR de vergelijking verricht en de voor de politie noodzakelijke informatie niet op grond van een vordering, maar op grond van de aangiftebevoegdheid wordt teruggeleverd.
7.28
Zoals wij reeds bij alternatief IV hebben vastgesteld, kan de officier van justitie met toepassing van zijn vorderingsbevoegdheden gericht relevante scaninformatie van de RDW (als beheerder van het NPR) vorderen. Nu de wetgever in het Wetboek van Strafvordering expliciete vorderingsbevoegdheden heeft opgenomen met strafvorderlijke waarborgen (die zowel bescherming bieden aan de verdachte als aan de beheerder van de gegevens), menen wij dat er geen juridische ruimte bestaat om terug te vallen op de algemene verstrekkingsgrondslagen van de Wpg op de wijze zoals hiervoor beschreven. Feitelijk verzoekt de politie aan de RDW (in zijn rol als beheerder van het NPR) om aan de hand van de lijst met gestolen kentekens een analyse uit te voeren die primair strekt tot het opsporingsbelang van de politie. Er bestaat daardoor een wezenlijk risico dat de verstrekking, verzochte analyse en daarop volgende aangiftes worden aangemerkt als een omzeiling van de strafvorderlijke waarborgen als opgenomen in de artikelen 126nd en 126ne Sv (titel IVA, negende afdeling, Wetboek van Strafvordering). Wij raden om deze reden dit alternatief af. Concluderend
7.29
Al met al geldt ten aanzien van alternatief II dat er meer juridische risico’s bestaan dan ten opzichte van alternatief I, met name omdat de RDW, in geval van een gestolen voertuig, de locatie, het tijdstip en de scanfoto niet nodig heeft voor het kunnen vaststellen van de juistheid en kwaliteit van het kentekenregister. Alternatief III lijkt ons in ieder geval niet haalbaar, nu de terugkoppeling van de belemmerende 38
Artikel 20, omdat het om een structurele uitwisseling zou gaan.
status van het voertuig niet noodzakelijk is voor de (na)heffing of enig andere taak van de gemeentelijke heffingsambtenaar. Mede om diezelfde reden zien wij overigens ook niet goed in dat de gemeentelijke heffingsambtenaar zelf zou mogen opzoeken39 of aan een bepaald kenteken een gestolen status is gekoppeld om vervolgens, als dat zo is, over de band van de aangiftebevoegdheid de scaninformatie en de scanfoto aan de politie te verstrekken. 7.30
Wij achten alternatief IV (het periodiek vorderen van scaninformatie door de officier van justitie) een juridisch haalbaar alternatief, mits de vordering voldoende is afgebakend en daadwerkelijk in het belang is van concrete opsporingsonderzoeken. Dat zal vergen dat per gestolen kenteken (in verband waarmee de vordering wordt gedaan) wordt beoordeeld of de gevorderde gegevens zullen bijdragen aan het opsporingsonderzoek – de materiële waarheidsvinding – naar het strafbare feit (diefstal en/of heling). Wij zien diverse risico’s bij alternatief V (het periodiek verstrekken van een lijst met kentekens van gestolen voertuigen aan het NPR over de band van artikel 20 Wpg). Twijfelachtig is met name of er aan de zijde van het NPR/de RDW een noodzaak en grondslag bestaat om de lijst in ontvangst te nemen en vervolgens te vergelijken met de parkeergegevens in het NPR.
8
Analyse technisch medegebruik
8.1
U heeft ons gevraagd in hoeverre wij het jurdisch haalbaar achten om bij de inzet van de scanauto een vorm van technisch medegebruik toe te passen, waarbij de beelden van de scanauto enerzijds door de gemeentelijke heffingsambtenaar worden verwerkt met als doel (na)heffing en anderzijds door de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde respectievelijk opsporing van voertuigdiefstal. Hoewel wij niet volledig uitsluiten dat een grondslag en noodzaak aanwezig kan zijn voor technisch medegebruik, is onze inschatting dat de voorgestelde oplossing juridische risico’s met zich mee brengt. Daarbij wegen wij mee dat alternatieven I en IV nuttige alternatieve methoden vormen die een relatief beperktere inbreuk tot gevolg hebben voor de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Slechts voor zover gemotiveerd zou kunnen worden dat technisch medegebruik, in aanvulling op alternatieven I en IV, aantoonbaar meerwaarde oplevert voor de opsoring van gestolen voertuigen, kan er enige noodzaak worden aangenomen voor technisch medegebruik. Wij wijzen in dit verband op het volgende.
8.2
Wij stellen voorop dat het in beginsel technisch en juridisch mogelijk is om gelijktijdig, als twee separate bestuursorganen, gebruik te maken van dezelfde camera, mits onderling heldere afspraken zijn gemaakt over de gescheiden opslag van de camerabeelden en de (gezamenlijke) verantwoordelijkheid voor de camera.
8.3
Een juridische voorwaarde is evenwel dat de politie het verzamelen van de camerabeelden van meet af aan kan baseren op een toereikende wettelijke grondslag. De taak om gestolen voertuigen van de weg te halen en de taak om diefstal van voertuigen op te sporen, maken onderdeel uit van de politietaak te weten de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde als bedoeld in artikel 3 Politiewet 2012 (hierna Pw 2012). gaat daarbij, zo volgt uit artikel 1 lid 2 Politiewet 2012, om de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
8.4
Voor de vraag of artikel 3 Pw 2012 voldoende grondslag biedt voor de inzet van een scanauto, kan een vergelijking worden gemaakt met de rechtspraak over artikel 3 Pw 2012 als grondslag voor de inzet van opsporingsmethoden. In algemene zin houdt die rechtspraak in dat methoden die niet meer dan een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene maken, kunnen worden gebaseerd op artikel 3 Pw 2012
39
Via https://ovi.rdw.nl/default.aspx.
(jo. art. 141 en 142 Sv40). Van een meer dan geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is sprake als een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van iemands persoonlijk leven wordt verkregen. In dat geval is een specifieke grondslag in de wet vereist. In de beoordeling spelen factoren als de duur, de plaats, de intensiteit en de frequentie van de methode, alsook de vraag of van een technisch hulpmiddel gebruik is gemaakt, een rol. Zie bijvoorbeeld HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338 (over het observeren op bepaalde locaties van ‘veelplegers’ door het Tilburgse veelplegersteam): “Observaties als de onderhavige, waarvoor geen machtiging als bedoeld in art. 126g Sv is gegeven, kunnen jegens de geobserveerde onrechtmatig zijn indien zij in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, intensiteit en frequentie ervan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. Indien dat niet het geval is, kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 2 Politiewet 1993 en art. 141 Sv, daarvoor voldoende legitimatie biedt.
Dit zal in het bijzonder het geval zijn indien de observaties slechts in een bepaald gebied en kortstondig worden uitgevoerd, naar aanleiding van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kan worden afgeleid. Uit de verslaglegging van de observaties zal mede in verband met de vereiste subsidiariteit en proportionaliteit van de uitgevoerde observaties - in voorkomend geval moeten kunnen blijken of zij in deze zin beperkt en kortstondig zijn gebleven.” Deze overweging is ook terug te vinden in het arrest van de HR van 19 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:80 (rov. 2.4), over de inzet van ‘Hotspot Interventie Team’ (HIT-team). De HR achtte de volgende factoren van belang om te oordelen dat met de surveillance geen observatie had plaatsgevonden waarmee een min of meer volledig beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het privéleven van de verdachte en dat daarom artikel 3 Pw 2012 en art. 141 Sv een toereikende grondslag vormen voor die surveillance (rov.
2.5.2): “- de waarnemingen door de leden van het HIT beperkten zich tot wat zich afspeelde op de openbare weg op en om specifieke locaties in de wijk (de “hotspots”), zonder dat daarbij een technisch hulpmiddel – zoals een op een woning of een hangplek gerichte camera – is gebruikt; - deze locaties vielen deels samen met de leefomgeving van de verdachte en de tot dezelfde groep jeugdigen behorende medeverdachten, maar niet met de plaats van school, werk en/of opleiding, en sport; - het doel van de surveillance was niet om een min of meer compleet beeld van het leven van de verdachte en de medeverdachten te krijgen maar om informatie te verzamelen over zaken zoals met wie de verdachte en de medeverdachten zich daar bevonden, in welke voertuigen zij reden en welke kleding zij droegen en om overlast in de wijk terug te dringen door het in contact komen met de jeugd volgens het principe ‘kennen en gekend worden’; - de surveillance werd kenbaar uitgevoerd door vier doorgaans in uniform geklede HIT-leden; 40
Volledigheidshalve merken wij op dat hier een vergelijking wordt gemaakt met de rechtspraak die betrekking heeft op artikel 3 Pw 2012 in het kader van de opsporing. De grondslag voor bevoegdheidsuitoefening in het kader van de opsporing wordt daarom mede gestoeld op de artikelen 141 en 142 Sv. Dat betekent ook dat buiten het kader van de opsporing het uitoefenen van de politietaak ook kan worden gedaan door ambtenaren van de politie die niet zijn aangewezen als opsporingsambtenaar (vergelijk artikel 2 en artikel 4 Pw 2012). Voorts geldt dat de hier bedoelde inzet van ANPR-camera’s de vergaring van die data betreft, waarvoor de grondslag ligt in de algemene politietaak als bedoeld in artikel 3 Pw 2012. De verdere verwerking van die data heeft (mede) een grondslag in de bepalingen van de Wpg. Ook uit artikel 1 onder a en k Wpg kan worden afgeleid dat voor de taken in het kader van de verwerking geen opsporingsbevoegdheid is vereist.
- de verdachte en de medeverdachten kenden de HIT-leden, gebruikten bijnamen voor hen en waarschuwden elkaar onderling voor hun komst.” Zie voorts (onder meer): -
-
8.5
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563 (toesturen stille sms waarmee, gelet op duur en frequentie toezending slechts een beperkt beeld van de bewegingen van de gebruiker werd verkregen); HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:725 (maken van een foto op de openbare weg van man die voldoet aan signalement enkele minuten na babbeltruc); HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2050 (peilbaken onder auto verdachte met toestemming OvJ, die vijf dagen in gebruik is geweest en waarmee alleen reisbewegingen buiten de woonplaats van de verdachte zijn gevolgd, en geen van de plaatsen een voor de verdachte intieme persoonlijke plek betrof); HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:34 (plaatsen van een niet gelogd peilbaken aan voertuig die minder dan één dag in gebruik is geweest en waarbij de verdachte een half uur na de eerste melding dat het peilbaken bewoog, werd aangehouden.
Ook de vraag of op grond van artikel 3 Pw 2012, ANPR als opsporingsmethode kan worden ingezet, is aan bod gekomen in de rechtspraak. In een arrest van 24 februari 2017 oordeelde HR dat het voor een fiscale controle gebruiken van ANPR-gegevens door de Belastingdienst, waarvoor die gegevens op systematische wijze zijn verzameld, vastgelegd, bewerkt, bewaard en gebruikt, een specifieke grondslag in de wet is vereist. “Verder wordt vooropgesteld dat terecht niet in geschil is dat door de wijze van verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren, en door het gebruik van de met ANPR‑camera’s verkregen gegevens, het privéleven van de betrokkenen wordt geraakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het hier niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland, op een zodanige wijze dat die gegevens aan de hand van het kenteken tot een bepaald voertuig en daarmee (in beginsel) tot een bepaalde persoon kunnen worden herleid, en waarbij het doel (mede) is om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar (vgl. EHRM 2 september 2010, Uzun vs. Germany, nr. 35623/05, par. 44 e.v.).”41 Vgl.
voorts het onderzoeksrapport van de AP van december 2022 in verband met de verwerking van politiegegevens door de inzet van mobiele camera’s in gemeente Rotterdam (zie: https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/uploads/imported/onderzoeksrap port_mobiele_camera-autos_rotterdam.pdf), p. 28: “Aangezien artikel 3 Politiewet, anders dan artikel 151c Gemeentewet, geen expliciete bevoegdheid bevat voor het maken van camerabeelden, maar een algemeen taakstellend artikel betreft, kan dit artikel uitsluitend een toereikende wettelijke grondslag bieden voor de inzet van cameratoezicht, wanneer sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.” De AP oordeelde in dit geval dat de inzet van de mobiele camera’s (die beelden maakten ten behoeve van de openbare orde handhaving van de coronamaatregelen) een stelselmatig karakter had, niet noodzakelijk was voor het uitvoeren van de politietaak en het handhaven van de openbare orde en het bewaren van de beelden voor de duur van zeven dagen disproportioneel moest worden geacht in relatie tot de doelen van de inzet. 41
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, rov. 2.3.3.
De inzet ging daarmee de grondslag van artikel 3 Pw 2012 te buiten, aldus de AP (p. 28-29). Wij merken daarbij wel op dat de registraties van de mobiele camera’s een ingrijpender karakter lijken te hebben dan registraties door scanauto’s. Ook oordeelde AP dat de politie een Data Protection Impact Assessment (‘DPIA’) had moeten uitvoeren (p. 30-33). Een belangrijk onderdeel van zo’n DPIA is dat wordt bezien of er minder ingrijpende middelen of methodes dan een scanauto voorhanden zijn om dezelfde doeleinden (het opsporen van gestolen voertuigen) te behalen. 8.6
Op grond van deze rechtspraak kan al met al worden geconcludeerd dat de inzet van een scanauto voor de (politie)taak kan worden gestoeld op artikel 3 Pw 2012, mits dat gebruik een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen oplevert. Daarbij is van belang, ook bij een dergelijk systeem, dat de periode van opslag in dagen is beperkt en de inzet geen systematisch karakter krijgt. In algemene zin zal op basis van factoren als de duur, de plaats, de intensiteit en de frequentie van de toepassing van de camera moeten worden beoordeeld of de inzet van de scanauto leidt tot een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven.42 Die beoordeling wordt verricht op basis van het totaalbeeld dat ontstaat in het licht van de genoemde factoren. Het gebruik van het technische middel – de scanauto – is daarbij een factor op basis waarvan de ingreep in de persoonlijke levenssfeer reeds zwaarder wordt geacht. Voorts zal de inzet de toets aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit moeten kunnen doorstaan, wat betekent dat er geen minder ingrijpende middelen zijn om dezelfde (noodzakelijke) doelen te realiseren.
8.7
Wij zien met name in de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit een wezenlijk juridisch risico dat de inzet van een scanauto door politie onrechtmatig zal worden geacht. Hoewel de inzet van de scanauto beperkt is tot het verzamelen van kentekengegevens, komt de inzet van de scanauto neer op het (in potentie) fotograferen van alle geparkeerde auto’s binnen de gemeente Amsterdam, zonder dat in deze fase enig vermoeden bestaat dat één van de gefilmde auto’s gestolen is. Ook rijst de vraag hoe de politie vervolgens vaststelt of de kentekens horen bij gestolen auto’s. Feitelijk zal de politie daarvoor in bulk het kentekenregister moeten bevragen, hetgeen op zichzelf ook een omvangrijke uitvraag betreft. Zoals volgt uit hoofdstuk 7 van dit rapport zijn er minder ingrijpende methoden denkbaar, namelijk alternatief I (de RDW doet aangifte bij de politie) respectievelijk alternatief IV waarbij de officier van justitie gericht scaninformatie vordert van het NPR die betrekking heeft op kentekens van gestolen voertuigen. Doordat er juridische haalbare en minder ingrijpende werkwijze voorhanden zijn, lijkt op voorhand het beginsel van subsidiariteit eraan in de weg te staan dat de politie kiest voor de optie van technisch medegebruik. Gezien dit risico, raden wij de keuze voor technisch medegebruik in beginsel af.
8.8
Wij sluiten tegelijkertijd de keuze voor technisch medegebruik niet volledig uit. Voor het kunnen aannemen van een wettelijke grondslag voor technisch medegebruik is evenwel vereist dat de noodzaak en meerwaarde voor van technisch medegebruik (in plaats van of in aanvulling op alternatief I en/of IV) dragend gemotiveerd kan worden. Om tot een dragende motivering te komen, zal moet kunnen worden aangetoond dat technisch medegebruik de politie in staat stelt om gestolen voertuigen sneller of effectiever op te sporen dan in de situatie dat wordt volstaan met alternatief I en/of IV (bijv. omdat technisch medegebruik actuelere informatie oplevert). Wij kunnen niet goed inschatten of tot een dergelijke motivering gekomen kan worden.
42
Vgl. ook de door de Commissie-Koops, die onderzoek heeft gedaan naar de regulering van onderzoeksbevoegdheden in het digitale tijdperk, geformuleerde 17 factoren die van invloed kunnen zijn op de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. In de kern genomen gaat het om: 1) de omvang en type van de (over te nemen) gegevens; 2) aard van de bron; 3) wijze van zoeken; en 4) het gebruik van de gegevens en de mogelijk impact op de persoon. Zie: Commissie modernisering opsporingsonderzoek in het digitale tijdperk (Commissie-Koops), Regulering van opsporingsbevoegdheden in een digitale omgeving, juni 2018, p. 163 en 164.
9
Ethische en technische analyse
9.1
Op 8 februari 2024 organiseerde de gemeente Amsterdam in het kader van de Adviesfunctie Verantwoord Datagebruik van het programma IBDS een sessie Begeleidingsethiek over de casus ‘Opsporen gestolen voertuigen door de inzet van scanauto’s. Aan de workshop namen 16 deelnemers deel van de volgende organisaties: gemeente Amsterdam, Politie, RDW, Ombudsman Amsterdam, gemeente Den Haag, P1, VNG, gemeente Utrecht, SVBV, SHPV en Highberg. Bij deze sessie is ingegaan op de inzet van camerabeelden van scanauto’s ten behoeve van het opsporen van gestolen voertuigen in brede zin, dus zonder beperkingen met betrekking tot de technische uitvoering. Doel hiervan was om op voorhand geen varianten uit te sluiten, zodat een compleet mogelijk beeld van voor- en nadelen kon worden verkregen.
9.2
Uit de analyse zijn geen zwaarwegende ethische bewaren naar voren gekomen. Wel is een aantal aandachtspunten geformuleerd. Deze komen later in deze paragraaf aan de orde.
9.3
De Aanpak Begeleidingsethiek biedt een concreet kader waarin stakeholders, zoals gebruikers, ontwikkelaars en beleidsmakers, in dialoog treden over de impact van nieuwe technologieën en de waarden die hierbij spelen. Verankerd in techniekfilosofie, faciliteert deze aanpak het genereren van ethische handelingsopties, waarvan vele direct toepasbaar zijn. Het doel is om cruciale waarden in het digitale domein, zoals autonomie en privacy, te identificeren en te waarborgen, met het oog op voortdurende digitalisering en het behoud van vertrouwen in de samenleving. De aanpak bestaat uit drie fasen.
9.4
De eerste fase van de aanpak behelst het helder krijgen van de technologie en de context. Omwille van de overzichtelijkheid zullen we de resultaten van deze fase hier niet herhalen maar verwijzen wij naar de beschrijving elders in dit rapport.
9.5
In deze tweede fase gaan de deelnemers in gesprek over wie er betrokken zijn bij de opsporing van gestolen voertuigen met behulp van beelden van scanauto’s. Ook buigen zij zich over de positieve en negatieve effecten van deze inzet en benoemen zij belangrijke waarden waar rekening mee gehouden moet worden bij de inzet van een dergelijke toepassing.
9.6
Als eerste kijken we naar de vraag welke actoren bij de casus betrokken zijn. De deelnemers aan tafel vertegenwoordigen een deel van die actoren. Ze noemen de volgende betrokkenen:
Gemeente (vanuit verschillende onderdelen namelijk Raad, Beleid, Directie Parkeren, Toezicht en handhaving, Juridische zaken, Sociaal domein, Buurtpreventie, HRM, Privacy-commissie (CPA); Politie (vanuit verschillende onderdelen namelijk Basisteams, Opsporing, Intelligence organisatie, ICT, Beslaghuizen); Rechtspraak, OM en andere opsporingsinstanties; Lokale driehoek; Autobezitters (uit binnen- en buitenland), -eigenaren en -gebruikers, waaronder dus de gedupeerden van de diefstal; Bewoners, ondernemers, bezoekers (BOB); Burgers in de rol van passanten, belastingbetaler, burgers in niet-scangebieden, principiële tegenstanders; RDW (parkeren, informatieverstrekking, ICT); Uitvoerders, denk aan de bestuurder van de scanauto, SHPV, leveranciers van systemen, databeheerders; Landelijke politiek en EU; Verzekeraars (aansprakelijkheid en rechtsbijstand); En verder de media, de Autoriteit Persoonsgegevens en belangenorganisaties (Privacy First e.a.).
De vraag aan de deelnemers was om in het vervolg van de sessie ook te proberen vanuit deze perspectieven hun inbreng te geven. Als tweede kijken we naar de effecten. De vraag is hier welke positieve en negatieve effecten de inzet van scanauto’s voor de opsporing van gestolen voertuigen kan hebben. Positieve effecten
Negatieve effecten
•
•
• • • • • • • • • • • • • • • • • •
Vertrouwen in de overheid omhoog (“probleem wordt aangepakt”) Vergroten veiligheid (feitelijk en gevoelsmatig) Vergroten rechtvaardigheidsgevoel (misdaad loont niet) Beperken schade Preventie criminele activiteit Kansen vergroten in wijken door aanpak criminaliteit Minder mogelijkheden voor criminelen Kosten efficiency Meer data beschikbaar, inzichten in patronen Voertuigen sneller terug Gezamenlijke vuist, mogelijkheid van landelijke uitrol Beter en sneller onderzoek Herbruikbaarheid van intel Meer parkeerplaatsen beschikbaar Parkeeropbrengsten omhoog Vergroten werkgelegenheid Verzekeringspremies omlaag Benutten mogelijkheden tot innovatie Benutten mogelijkheden tot samenwerking (tussen instanties en tussen regio’s)
• • • • • • • • • • • • • • • • • •
Vertrouwen in de overheid omlaag (“wat gebeurt hier?”) Risico van misbruik van gegevens Big-brother-gevoel Risico van hacking / datalekken Optie tot stelselmatig volgen Glijdende schaal (function creep) Verplaatsen probleem (waterbedeffect), meer betaald parkeren Werkdruk omhoog Risico van false positives, hogere administratieve lasten Chilling effect Verantwoordingsdruk Capaciteitstekort Veiligheid medewerkers onder druk Kosten Druk om alle gegevens te gebruiken Rechtsongelijkheid, ongelijkheid tussen wijken / regio’s Menselijke maat / maatwerk onder druk Recht op anonimiteit onder druk Kwetsbaarheid techniek
9.7
Als derde kijken we naar de achterliggende waarden. De belangrijkste geïnventariseerde waarden zijn: vertrouwen in de overheid, veiligheid en bescherming, rechtvaardigheid, transparantie en verantwoording, privacy, proportionaliteit en subsidiariteit, efficiency en snelheid, doelmatige inzet van middelen, innovatie en samenwerking. Er zijn meer waarden geïnventariseerd, maar omwille van de overzichtelijkheid beperken we ons tot de belangrijkste.
9.8
De derde fase van de Aanpak Begeleidingsethiek heeft tot doel de waarden te vertalen naar handelingsopties. Deze handelingsopties bieden beslissers en beleidsmedewerkers de mogelijkheid om met maatregelen te komen ter bescherming van de genoemde waarden en een effectieve uitvoering. Gekeken is naar opties die betrekking hebben op de techniek, op de omgeving en op de mens. We vervolgen hieronder met een aantal clusters van handelingsopties die uit de workshop naar voren zijn gekomen.
9.9
Een van de handelingsopties is om in te zetten op een eenduidig juridisch kader, specifiek gericht op de inzet van camera’s ten behoeve van gestolen voertuigen. Hierdoor zou het voor alle betrokken partijen inzichtelijk moeten worden welke gegevens er verzameld mogen worden, zonder dat voor elk afzonderlijk geval opnieuw een juridische afweging nodig is. Dit resulteert ook in uniformiteit over de uitvoering van processen en in het delen van gegevens. Dit maakt de uitvoering door landelijke overheden zoals de politie en de RDW, maar ook door de uitvoerders van landelijke parkeersystemen, een stuk eenvoudiger. Ook kunnen in deze opzet de pilotkosten over meerdere partijen gedeeld worden.
9.10
Ongeacht of de casus op landelijk of lokaal niveau plaatsvindt, is het in ieder geval belangrijk dat zaken als privacy en security goed geregeld worden. Dus zorgen dat de rechten van betrokkenen o.b.v. de AVG goed zijn ingeregeld (inzage, verwijdering etc.) en aansluiten aan op de reeds bestaande processen hiervoor. Werk met een beveiligde omgeving, richt goede autorisatiemaatregelen in en voldoe aan de eisen uit de BIO (Baseline Informatiebeveiliging Overheid). Andere maatregelen in dit cluster zijn blurren van mensen op de beelden, geofencing, dataminimalisatie en het anonimiseren en pseudonimiseren van gegevens.
9.11
Een volgend cluster maatregelen richt zich op de communicatie om te zorgen voor transparantie, vertrouwen en een goede uitvoering. Maak duidelijk via de bestaande kanalen wat het doel en is van de werkwijze, evenals de impact die daarmee gepaard gaat. Maak ook duidelijk waar burgers met vragen terecht kunnen, zowel voor algemene vragen als voor zaken waarin de burger denkt dat een beslissing onterecht was. Zorg ook voor voldoende capaciteit voor dit soort loketten. Faciliteer eventueel een publiek debat om zo de dialoog aan te gaan met burgers en belangenorganisaties.
9.12
Als laatste is er nog een aantal praktische zaken. Bepaal op voorhand of er wel voldoende capaciteit is voor de uitvoering van alle taken. Het bewaken van de menselijke maat in dit soort hoge volume oplossingen kan door te allen tijde een ‘human in the loop’ te houden bij de uiteindelijke besluitvorming. Start lokaal en schaal langzaam op om voldoende bij te kunnen sturen of zelfs af te kunnen schalen met beperkte impact. Zorg voor goede verantwoording achteraf en evalueer periodiek de resultaten. Deel deze met burgers.
9.13
Afsluitend, het dilemma is hier of wij een handelende of niet-handelende overheid willen. Willen wij een overheid die er zo veel mogelijk aan doet om onze gestolen auto terug te vinden en / of de georganiseerde misdaad bestrijdt? Of willen wij een overheid die zich zo min mogelijk met ons bemoeit? Er is hier een duidelijke keuze aan de orde tussen innovatie, samenwerking in ketens en veiligheid enerzijds versus privacy en vertrouwen in de overheid anderzijds. Een dialoog met burgers en een goede afweging van de in te zetten handelingsopties kan bijdragen aan een goede keuze in dit dilemma.
10
Afsluitend
10.1
Tot zover onze analyse. Voor een overzicht van onze conclusies, verwijzen wij u naar de managementsamenvatting in hoofdstuk 3 van dit rapport. *********