20240619 SED schriftelijke bijdrage H Verbeek participatieverordening
Tekst van het document
Aan de leden van de commissie SED Stadhuis per sitemail in cc aan commissie RO 17-6-2024 Betreft: participatieverordening, bijdrage aan agendapunt 7, commissie SED 19-6-2024
Geachte Commissieleden, Om de bewonersparticipatie in goede banen te leiden is in de verordening in samenhang met het sleutel-begrip beleidsruimte een prima instrument ingevoerd, het participatieplan, zodat ieder vooraf weet hoe het participatietraject in een concreet geval in beginsel gaat verlopen. Veel inspraak is ook op details overgenomen maar we zijn er nog niet, voor een goede werking van de verordening is op fundamentele punten verdere verduidelijking, aanscherping en correctie nodig. Participatie is ook bij uw aanstaande besluitvorming over het Omgevingsplan een belangrijk thema maar gezien de intensieve monitoring en evaluaties van de participatieverordening hoeft de vaststelling van de verordening voor zo ver ik overzie niet te wachten op de behandeling van het Omgevingsplan en het initiatiefvoorstel De buurt telt mee . Graag geef ik u overweging om de Wethouder te vragen om reactie op 1 t/m 8 onderstaand en afhankelijk daarvan amendering van de participatie verordening voor te stellen. Nadere toelichting geef ik desgewenst graag. Met vriendelijke groet, Hans Verbeek
1. Wettelijk kader, considerans In de raadsvoordracht ( wettelijke grondslag ) en in de considerans van de verordening zijn Gemeentewet artikel 149 en 150 opgenomen maar niet artikel 170 lid 1-c. Hierin heeft de wetgever bepaald dat de Burgemeester toeziet op de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie. https://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/2024-01-31/0#TiteldeelIII_HoofdstukXI_Artikel170
Nu heeft de Burgemeester ongetwijfeld toegezien op de kwaliteit van zowel het proces om tot een participatieverordening te komen als van de voorliggende gewijzigde verordening maar te meer mag artikel 170 niet ontbreken. Bovendien liggen wijzigingen van artikel 150 en 170 voor bij de Eerste Kamer. Oplossing: a. artikel 170 lid 1-c toevoegen in de considerans van de verordening en in grondslag van de raadsvoordracht; b. in de considerans van de verordening en in grondslag van de raadsvoordracht toevoegen: met de in wetsontwerp voorliggende wijzigingen van artikel 150 en 170 is rekening gehouden.
2. Vormen van participatie, toelichting Mede via doen & proberen zijn de afgelopen jaren verschillende innovatieve vormen van participatie ontwikkeld, de verordening speelt daar natuurlijk op in met nieuwe terminologie, systematiek en spelregels, deels nog veranderd na de inspraak. Nu is wellicht niet alles op begrijpelijke wijze in de definities van artikel 1 te vatten maar ook de toelichting van de verordening maakt niet duidelijk hoe participatie-vormen zoals bijvoorbeeld burgerparticipatie, overheidsparticipatie, netwerkparticipatie, uitdaagrecht, biedingsrecht, buurtplanrecht, co-creatie en buurtplatformen zich onderling onderscheiden en in welk van de hoofdstukken van de verordening de desbetreffende spelregels zijn te vinden. Bovendien zijn voor de meeste bewoners verordeningen sowieso niet goed leesbaar terwijl het in dit geval nu juist gaat om zoveel mogelijk deelname aan participatie. Naast de specifieke Participatie-Handreiking van de directie VTH voor vergunning-aanvragen in het fysiek domein ligt ontwikkeling van een generieke publieks-brochure voor de hand. https://openresearch.amsterdam/nl/page/89299/participatie-handreiking---betrek-de-buurt-bij-uw-initiatieven
Oplossing: a. aan het begin van de toelichting van de verordening een schema opnemen dat de verschillende vormen van participatie in trefwoorden aanduidt en de vindplaatsen van de desbetreffende spelregels in beeld brengt; b. over de terminologie en spelregels van de participatieverordening een generieke publieks-brochure participatie ontwikkelen die tevens duidelijk maakt hoe deze zich verhoudt tot het initiatiefvoorstel De buurt telt mee en de Participatie-Handreiking van de directie VTH.
3. Definities, artikel 1 In de inspraak-versie van de verordening stonden tal van definities die niet geheel kloppend en begrijpelijk zijn, in antwoord op de inspraak zijn definities voor de duidelijkheid gewijzigd of geschrapt ( Antwoordnota, reactie op inspreker 04 ). Echter, een verordening is niet goed te begrijpen en toe te passen als de begrippen in onderlinge samenhang niet klip & klaar zijn. Dit geldt in ieder geval voor het begrip inspraak ; ook al wordt de inspraak- verordening ingetrokken, in de participatieverordening + toelichting komt inspraak nog 21x voor maar zonder duidelijk te maken hoe inspraak en participatie zich tot elkaar verhouden. Dit wekt verwarring, te meer omdat participatie géén wettelijk begrip is. In de toelichting op art 6 van de verordening staat bijvoorbeeld ( blz 14 bovenaan ): Inspraak gaat over een concept besluit en vindt dus plaats aan het eind van een participatieproces. Echter, deze inperking van de inspraak geldt uitsluitend in het kader van Omgevingswet artikel 16.23, dan omvat de inspraak alleen het indienen van zienswijzen op een voorgelegd ontwerp-besluit. https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2024-01-01/0#Hoofdstuk16_Afdeling16.3_Paragraaf16.3.1_Artikel16.23
In Awb afdeling 3.4 komt het begrip inspraak eenvoudig niet voor. https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2024-05-01/0#Hoofdstuk3_Afdeling3.4_Artikel3:10
Maar gelukkig, de Gemeentewet waaraan de participatieverordening uitvoering geeft biedt duidelijkheid, artikel 150 luidt: 1. De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van
gemeentelijk beleid worden betrokken.
2 De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover in de verordening niet anders is bepaald. https://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/2024-01-31/0#TiteldeelIII_HoofdstukIX_Artikel150
Kortom, de toelichting op de verordening is niet alleen verwarrend, ook in strijd met de wet; het wettelijke inspraak-begrip is al-omvattend , de inperking in de toelichting van de verordening tot alleen een laatste fase van de participatie klopt alleen in situaties dat alleen een zienswijze kan worden ingediend. Oplossing: a. in de definities van artikel 1 toevoegen: Inspraak: dit is het wettelijke woord voor participatie, de wijze waarop bewoners en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid en gemeentelijke projecten; b. de toelichting van de verordening navenant aanpassen.
4. Doel van de verordening, artikel 2 Artikel 2 formuleert als doel van de verordening: 1. De verordening regelt de betrokkenheid van inwoners en andere belanghebbenden bij de ontwikkeling van gemeentelijk beleid of gemeentelijke projecten, van voorbereiding tot en met uitvoering en evaluatie. Echter, dit klopt niet, veel betrokkenheid van bewoners bij beleid en projecten van de gemeente wordt niet in de participatieverordening geregeld maar in andere regelgeving. Denk aan de Omgevingswet. En ja, een referendum zoals deze maand over de Hoofd Groen Structuur HGS is - indien goed georganiseerd - een ultieme vorm van bewonersbetrokkenheid maar wordt niet in de participatieverordening geregeld, alleen in de referendumverordening. Wel kunnen de spelregels van de participatieverordening via het participatieplan toepassing krijgen in aanvulling op andere regels van de wetgever of de gemeenteraad. De toelichting noemt daar een voorbeeld van ( blz 10 midden, blz 14 bovenaan ): de verordening biedt ruimte om naast de wettelijk voorgeschreven activiteiten van de Omgevingswet ( terinzagelegging met zienswijzen ) eerder in het traject ook een andere passende vorm van participatie toe te passen.
In gelijke strekking paragraaf 3 van de algemene reactie in de Antwoordnota en de Raadsvoordracht op blz 5 bovenaan, waaruit te meer blijkt dat de participatieverordening mede werkzaam is in een deel van de processen in het kader van de Omgevingswet. Oplossing: aan artikel 2 lid 1 va de verordening de inperking toevoegen: . . . . . voor zover deze niet reeds is geregeld door de wetgever of de gemeenteraad en aanvullende regels wettelijk zijn toegestaan. .
5. Participatieplan, artikel 3, 4 en 5 Het participatieplan is een nieuw instrument, te samen met de daarvoor in artikel 4 en 5 voorgeschreven inhoud en het sleutel-begrip beleidsruimte een ware verrijking van het inspraakproces. Óók in de gevallen dat er bijvoorbeeld wegens gebrek aan beleidsruimte weinig of geen participatie mogelijk is, dan maakt het participatieplan voor de bewoners en voor uw Raad vooraf duidelijk waarom participatie uitblijft. Echter, in artikel 3 gaat het mis: in lid 1 staat keurig dat het plan moet behandelen of participatie wordt toegepast maar in lid 3 en lid 4 staan ineens allerlei situaties waarin het participatieplan niet nodig zou zijn. Ongetwijfeld onbedoeld is dit lijnrecht in strijd met artikel 3 lid 1 en met artikel 5 lid 2: daarin staat dat als geen participatie wordt georganiseerd dit nu juist moet blijken uit het participatieplan. Oplossing: a. artikel 3 lid 3 en 4 wijzigen in: 3. Participatie kan deels of geheel niet worden toegepast in de volgende in het participatieplan te behandelen gevallen: . . . .. . . . . ( a t/m h ); 4. Als het bevoegde bestuursorgaan voor een onderwerp participatie-regels heeft vastgesteld in een andere gemeentelijke verordening of regeling kan daarvan in het participatieplan niet worden afgeweken, alleen aanvulling conform hoofdstuk 2 van deze verordening is mogelijk. b.
de toelichting van de verordening navenant aanpassen.
6. Adviesraden, artikel 3 lid 4 Volgens de toelichting van artikel 3 lid 4 ( blz 10 onderaan ) komt de inbreng van “structurele “ adviesraden in de plaats van inbreng door bewoners. Echter, voor zo ver ik overzie hebben de meeste adviesraden een dergelijke representatieve taak & bevoegdheid in eigen kring al niet, laat staan voor bewoners in het algemeen. Denk aan de Technische Advies Commissie TAC en de Commissie Beschermwaardige Houtopstanden CBH op groengebied, de Commissie Omgevingskwaliteit, de Kunstraad, . . . . , allemaal geen enkele representatieve taak & bevoegdheid. https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/organisatie/overige/adviesraden/
Voor zo ver een adviesraad wel een representatieve taak & bevoegdheid heeft spreekt deze namens de achterban. In die gevallen wordt de participatie natuurlijk volgens de systematiek van die taak & bevoegdheid in het participatieplan opgenomen zodat het woordje “ wel “ op blz 11 bovenaan een tegenstelling formuleert die er nu juist niet is. Oplossing: a. de toelichting blz 10 onderaan wijzigen in: Denk bijvoorbeeld aan structurele adviesraden of platforms in het sociaal domein voor zo ver die representatieve taak & bevoegdheid hebben. b. de toelichting op blz 11 bovenaan wijzigen in: Wel Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van verdere de ervaringskennis en –deskundigheid van de adviesraad.
7. Beleidsruimte, artikel 4 en 5 Participatie staat of valt met duidelijkheid vooraf waar het over gaat en in hoeverre de bewoners invloed kunnen hebben. In artikel 4 lid d dan ook het sleutel-begrip beleidsruimte . Echter, dit ontbreekt in art 5 lid 1-a. Oplossing: aan art 5 lid 1-a toevoegen: iii. in inhoudelijk geformuleerde termen de beleidsruimte wordt omschreven waarbinnen de bewoners invloed kunnen uitoefenen;
8. Uniforme voorbereidingsprocedure, artikel 6 Dit artikel gaat over de wettelijke uniforme voorbereidingsprocedure. Echter, over deze procedure kan de gemeente slechts in beperkte mate regels geven: de wet, bijvoorbeeld de Omgevingswet, schrijft namelijk voor veel situaties voor wanneer de gemeente deze procedure moet volgen. Wel kan de gemeente deze procedure van toepassing verklaren, maar dit kan alleen waar de wet het wel of niet van toepassing zijn van deze procedure niet heeft geregeld ( Awb art 3:10 lid 1 ). Dus in de participatieverordening zouden regels opgenomen kunnen worden om de uniforme voorbereidings-procedure in bepaalde gevallen van toepassing te verklaren. Maar gelukkig, regels die bepalen wanneer de uniforme procedure moet worden gevolgd terwijl de wet die procedure niet voorschrijft staan niet in de ontwerp-verordening; het wel of niet toepassen van de uniforme procedure hangt af van het concrete geval en de spelregels voor wel of niet toepassen van participatie staan reeds in artikel 4 en 5. Artikel 6 lid 3 en 4 geven regels wanneer wel en niet voor inspraak / participatie wordt gekozen. Echter, ook de regels daarvoor staan reeds in artikel 4 en 5. Kortom, artikel 6 is overbodig en verwarrend. Oplossing: a. artikel 6 schrappen; b.
in de toelichting op artikel 5 toevoegen dat in het participatieplan kan worden gekozen de uniforme voorbereidingsprocedure toe te passen.