2023_GGD_ jaarrapport_luchtkwaliteit_Amsterdam.pdf
Tekst van het document
Gemeten componenten per meetstation Naam Station
Type Station
NO
NO2
CO
O3
SO2 Benzeen PM10 PM2,5
Roet
UFP
2 Haarlemmerweg Straat 3 Nieuwendammerdijk Stadsachtergrond 7 Einsteinweg A-10 West Straat / Rijksweg 12 van Diemenstraat Straat 14 Vondelpark Stadsachtergrond 16 Westerpark Stadsachtergrond 17 Stadhouderskade Straat 19 Oude Schans Stadsachtergrond 20 Jan van Galenstraat Straat 21 Kantershof Z.O. Stadsachtergrond 22 Sportpark Ookmeer Stadsachtergrond Opgenomen in meetnet:
Toelichting componenten Hieronder volgt een nadere beschrijving van de componenten. Fijn stof (PM10 en PM2.5) Fijn stof is een verzamelnaam voor kleine, met het blote oog niet zichtbare, deeltjes die in de lucht zweven. Bijvoorbeeld roetdeeltjes of kleine stukjes autoband (slijtage). Deze deeltjes verschillen in oorsprong, grootte en samenstelling. Fijn stof is het onderdeel van luchtverontreiniging dat voor de meeste gezondheidseffecten zorgt. Hoe kleiner de deeltjes zijn hoe dieper ze in de longen terecht komen en hoe meer schade ze kunnen aanrichten. Fijn stof (PM staat voor Particulate Matter) kan gedefinieerd worden als:
PM10: Dit zijn deeltjes met een diameter kleiner dan 10 micrometer (0,01 millimeter). PM2.5: Dit zijn deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer.
Fijn stof is voor het grootste deel afkomstig van menselijke activiteiten zoals verkeer, houtstook, industrie, intensieve veehouderij maar kan ook een natuurlijke oorsprong hebben (bodemstof, zeezout). Voor een deel worden fijn stof deeltjes rechtstreeks uitgestoten (primair fijn stof), voor een deel worden ze in de atmosfeer gevormd door chemische reacties van gasvormige verbindingen (secundair fijn stof). De fijn stof deeltjes kunnen over een grote afstand, tot wel duizenden kilometers, getransporteerd worden. In het algemeen geldt dat fijn stof dat als gevolg van verbrandingsprocessen wordt uitgestoten een (veel) kleinere diameter heeft dan stofdeeltjes die als gevolg van mechanische processen (slijtage, verwaaiing) in de lucht komen. Dit heeft tot gevolg dat het bronaandeel van verbrandingsprocessen in de PM2.5 fractie groter is dan in de PM10 fractie. De PM10 en PM2.5 concentratie wordt uitgedrukt als het gewicht van de deeltjes per kubieke meter (microgram/m3). Uit onderzoek is bekend dat fijn stof ook bij hele lage concentraties schadelijk is voor de gezondheid. Tot op heden is het niet mogelijk gebleken om een ‘veilige grenswaarde’ vast te stellen waar beneden er geen schade optreedt aan de gezondheid. Roet Roetdeeltjes komen vooral vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen en maken deel uit van het PM10 en PM2.5 stof.
Het wegverkeer (met name dieselmotoren) is een belangrijke bron van roet. Uit onderzoek blijkt dat dieselroet schadelijke effecten op de gezondheid heeft. Mede hierom is in het luchtkwaliteitsbeleid van de gemeente Amsterdam sterk ingezet op het terugdringen van de uitstoot van dieselmotoren. 30
Roetdeeltjes hebben een kern van koolstof en zitten voor het grootste deel in de ultrafijne fractie van het fijn stof (kleiner dan 0,1 micrometer). Na inademing kunnen deze deeltjes in de longblaasjes (alveoli) terecht komen en uiteindelijk ook in de bloedbaan waarna ze in het hele lichaam schade kunnen aanrichten. Roet is een algemene term, het gehalte roet kan op verschillende manieren worden vastgesteld. De GGD Amsterdam meet het roetgehalte sinds 2012 als ‘Black Carbon’ in navolging van de DCMR. Inmiddels is ook het RIVM overgegaan op het meten van roet als Black Carbon in het landelijk meetnet. Houtstook Houtstook is een belangrijke bron van fijn stof en schadelijk voor de gezondheid. Bij het verbranden van hout komen verschillende schadelijke stoffen vrij, zoals fijn stof, dioxinen, PAK’s, koolmonoxide en vluchtige organische stoffen. Verschillende van deze stoffen zijn kankerverwekkend. Sinds 2020 is de GGD Amsterdam gestart met het meten van roet (Black Carbon) concentraties met een Magee AE33. De AE33 meet de lichtabsorptie van op een filter verzamelde deeltjes bij 7 verschillende golflengtes variërend van 370 nm tot 950 nm. De AE33 methode is gebaseerd op het feit dat houtrook (‘brown carbon’) beter licht absorbeert bij lagere golflengten dan bij hogere golflengten.
Ook de lichtabsorptie van BC (Black Carbon) afkomstig van fossiele brandstoffen varieert met de golflengte, maar minder sterk dan voor Brown Carbon. Met de AE33 kan de bijdrage van houtrook aan de black carbon concentratie worden berekend. Tevens kan de bijdrage van fossiele brandstoffen aan de roetconcentratie worden berekend. De metingen met de AE33 vallen niet onder scope van de NEN EN ISO/IEC 17025 accreditatie. Ultrafijn stof Ultrafijn stof deeltjes (UFP) komen vrij als gevolg van verbrandingsprocessen en zijn zo klein (kleiner dan 0,1 micrometer) dat ze nauwelijks bijdragen aan de massaconcentratie fijn stof. UFP wordt daarom uitgedrukt als het aantal deeltjes per kubieke centimeter (cm3). Belangrijke bronnen van UFP zijn vliegverkeer en wegverkeer. In de buurt van drukke wegen hangt het UFP-gehalte sterk samen met het roetgehalte (zie ‘roet’ hierboven). In de buurt van de luchthaven is dat niet het geval: ultrafijn stof dat door het vliegverkeer wordt uitgestoten bevat vooral zwavel. Het meten van ultrafijn stof is technisch lastig uitvoerbaar en arbeidsintensief en maakte t/m 2018 geen deel uit van het automatisch meetnet van de GGD Amsterdam. In het kader van een onderzoek naar ultrafijn stof afkomstig van vliegverkeer heeft de GGD Amsterdam in 2018 ultrafijn stof gemeten op 1 meetstation (sportpark Ookmeer in Osdorp) in opdracht van het RIVM.
De UFP-metingen op dit meetstation worden in de periode 2019 t/m 2022 in opdracht van de gemeente Amsterdam voortgezet. De UFP-metingen vallen niet onder scope van de NEN EN ISO/IEC 17025 accreditatie. Stikstofoxiden (NO en NO2) Stikstofoxiden (NO en NO2) komen vrij bij verbrandingsprocessen en ontstaan door oxidatie van stikstof uit de lucht. Het grootste deel van de stikstofoxiden komt vrij als stikstofmonoxide (NO) maar dit molecuul heeft een korte levensduur en wordt snel omgezet in NO2. Overigens is NO in tegenstelling tot NO2 niet schadelijk voor de gezondheid. Het verkeer is de belangrijkste bron van NO2. Ozon (O3) Ozon (O3) wordt niet rechtstreeks door bronnen uitgestoten maar wordt in de atmosfeer gevormd onder invloed van zonlicht, door reacties van stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen. Vanwege de invloed van zonlicht zijn de ozonconcentraties in de winter veel lager dan in de zomer. Tijdens smogepisoden in de zomer kunnen kortdurende perioden met hoge ozonconcentraties optreden. In Amsterdam komt dat relatief weinig voor, dit heeft paradoxaal genoeg te maken met de intensiteit van het wegverkeer. Tijdens smogepisoden wordt het reeds gevormde ozon, dat van grote afstand wordt aangevoerd, ‘opgegeten’ door stikstofmonoxide. Koolmonoxide (CO)
31
Koolmonoxide (CO) komt vrij bij onvolledige verbranding van fossiele brandstoffen. Het verkeer vormt de belangrijkste bron van CO-emissie. In de atmosfeer oxideert CO tot CO2 maar dit proces verloopt vrij langzaam. CO is bij concentraties zoals deze in de buitenlucht voorkomen niet schadelijk, maar is een goede en stabiele indicator voor de uitstoot van het wegverkeer. Benzinemotoren hebben een hogere CO-emissie dan dieselmotoren, terwijl dieselmotoren juist meer fijn stof en NOx emitteren. Zwaveldioxide (SO2) Zwaveldioxide (SO2) komt vrij bij de verbranding van zwavelhoudende brandstoffen. De SO2 concentraties zijn in de afgelopen decennia sterk gedaald. Dat was in eerste instantie te danken aan de overschakeling van fossiele brandstoffen op aardgas en vervolgens aan de toepassing van emissiebeperkende maatregelen in de industrie en scheepvaart. Benzeen Benzeen is een bestanddeel van benzine. Ook de benzeenconcentraties zijn in de afgelopen decennia sterk gedaald, als gevolg van de invoering van de geregelde driewegkatalysator in begin van de jaren negentig, technische verbeteringen aan personenwagens en de verlaging van het benzeengehalte in benzine. Benzeen is echter een kankerverwekkende stof (ZZS), waarvoor geen ‘veilige’ grenswaarde bestaat.
32
Bijlage 1 Accreditatie Op 25 augustus 2005 heeft de Raad voor Accreditatie vastgesteld dat de toenmalige afdeling Luchtonderzoek van de GGD Amsterdam voldoet aan accreditatiecriteria voor testlaboratoria zoals vastgelegd in NEN EN ISO/IEC 17025. De accreditatie omvat het kwaliteitssysteem van het laboratorium evenals de specifieke verrichtingen en onderzoeksgebieden. De actuele scope is in te zien via www.RvA.nl onder certificaatnummer L426. Naast de resultaten van het geautomatiseerde luchtmeetnet zijn in deze rapportage de resultaten opgenomen van de locaties waarop met behulp van Palmes diffusiebuizen de stikstofdioxideconcentratie wordt gemeten. Vanaf 2017 is GGD Leefomgeving geaccrediteerd conform NEN-EN ISO/IEC17025:20 (scope L426) voor het bemonsteren van Palmes diffusiebuisjes gelijkwaardig aan NEN EN 16339:2013. Vanaf april 2022 wordt de Palmes analyse door de GGD in eigen beheer uitgevoerd onder de eigen scope L426. De gerapporteerde gegevens over ultrafijne stofdeeltjes, houtstook en duiding van de meetresultaten, waaronder de trendanalyses en de interpretaties vallen niet onder de accreditatie van de afdeling Leefomgeving. Hetzelfde geldt voor de trendanalyse en interpretatie van de NO2 metingen met Palmes diffusiebuizen .
Meetmethoden Alle meetresultaten zijn tot stand gekomen onder de scope L426 van de NEN EN ISO/IEC 17025) accreditatie van de GGD Amsterdam. Deze accreditatie is afgegeven door de Raad voor Accreditatie.. Interpretaties waaronder trendanalyses en windrozen vallen niet onder de accreditatie. De automatische metingen van PM10 en PM2.5 met de Met-one BAM 1020a monitoren zijn op basis van referentiemetingen gecorrigeerd en getoetst op equivalentie met de referentiemethode (GGD rapport 24-1101). Net als in voorgaande jaren is er voor 2021 gezamenlijk met (o.a.) het RIVM voor de Met-one Bam 1020a een correctie bepaald. In 2023 is voor PM10 gecorrigeerd met een formule 1,01*BAM voor PM10. De correctiefactor voor PM2.5 was 1, wat inhoudt dat er voor PM2.5 geen correctiefactor nodig was. Op alle locaties wordt er vanaf januari 2015 gebruik gemaakt van een EU PM10 afscheider.
Alle hier genoemde verrichtingen worden conform de aangegeven normvoorschriften uitgevoerd. Als nauwkeurigheidseisen zijn de geldende Europese criteria overgenomen, alleen voor de meting van zwaveldioxide kon hieraan niet worden voldaan. De hoogte van de gemeten concentraties zwaveldioxide liggen echter ver onder de geldende grenswaarden, waarmee de grotere meetfout (>15% van de meetwaarde uitgedrukt als 95%BI) voor de toetsing aan normen geen specifiek probleem levert. Nadere informatie over de meetonzekerheid van de verrichtingen die onder accreditatie zijn gebracht kan op verzoek worden verkregen bij GGD Amsterdam, Cluster leefomgeving, afdeling luchtkwaliteit.
33
Meetnauwkeurigheid en toegepaste apparatuur Tabel B1. Meetnauwkeurigheid en toegepaste apparatuur op de meetstations in het automatisch luchtmeetnet Amsterdam.
component
apparatuur
Meetprincipe
Meetfrequentie
GGD Document
uurlijks
nauwkeurigheid bij de jaarlimiet (95%BI) ± 11,5%
PM2.5
Met One BAM 1020
Beta verzwakking Controle met gravimetrie NEN EN 16450
PM10
Met One BAM 1020
Beta verzwakking Controle met gravimetrie NEN EN 16450
uurlijks
± 16,3%
24-1101
PM10
Palas Fidas 200
Optische lichtverstrooiing Controle met gravimetrie NEN EN 16450
10 seconden
± 17,6%
24-1101
Benzeen, Tolueen en Xyleen
Syntec 955 Envea
Gas Chromatografie NEN EN 14662-3
20 minuten
± 13 % ± 6%
17-1135 18-1179
BC
MAAP
Transmissie MMK-W-018 (eigen methode)
10 seconden**
± 12 %
15-1156
NO/NO2
API 200e AC32e
Chemiluminescentie NEN-EN 14211
10 seconden**
± 11,1% ± 9,3%
18-1159
O3
Thermo 49i
U.V. absorptie NEN_EN 14625
10 seconden**
± 10.0%
20-1121
CO
API T300
NDIR. Conform NEN-EN 14626
10 seconden**
± 12,2%
14-1134
SO2
Thermo 43
U.V-fluorescentie NEN-EN 14212
10 seconden**
± 16,4 % *
21-1145
24-1101
* Voor SO2 wordt net niet voldaan aan de Europese eis van 15%, echter, dit is met het oog op de doorgaans zeer lage jaargemiddelde concentraties zwaveldioxide verder niet relevant. ** de meetfrequentie van 10 s is feitelijk de frequentie waarmee het signaal van de monitor wordt opgeslagen in het data-acquisitie systeem en is daarmee geen maat voor de werkelijke responsietijd van het monitorsysteem.
In rapport 24-1117, “Prestatiekenmerken Palmes diffusiebuizen meetjaar 2023” is vastgesteld dat de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie gemeten in 2023 met een enkelvoudige Palmes diffusiebuis ter hoogte van de wettelijke limietwaarde een meetfout heeft van ±11,6 % (als 95BI). 34