20. Waterhuishouding Amsterdamse Bos 20240828.PDF
Tekst van het document
Waterhuishouding Amsterdamse Bos Definitief 327101152.r01 28 augustus 2024
WATERHUISHOUDINGMEETRONDE 1
VERANTWOORDING
Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van: Gemeente Amsterdam, Ingenieursbureau. Opgesteld door: Evelien Brand Projectnummer Stantec: 327101152 Documentnaam: 327101152.r01 Datum: 28 augustus 2024 2001
Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600
Bezoekadres Poortweg 4D 2612 PA DELFT www.stantec.com/nl
KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA** gecertificeerd
Versie
Vrijgegeven door
Vrijgegeven op
327101152.r01
Monique Los
19-07-2024
Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen.
Samenvatting Algemeen Opdrachtgever
Gemeente Amsterdam, Ingenieursbureau
Onderzoekslocatie
Amsterdamse Bos
Aanleiding onderzoek
Inzicht krijgen in de waterhuishouding van het Amsterdamse Bos middels een grondwatermonitoringsnetwerk
Conclusie grond
In de grond zijn plaatselijk licht verhoogde zware metalen en minerale olie aangetoond en sterk verhoogde gehalten PAK.
Conclusie grondwater
In het grondwater overschrijden ammonium, totaal-stikstof, ijzer en arseen (lokaal) de betreffende drempelwaarden voor brak grondwater. De parameters nitraat en totaal-fosfor overschrijden de drempelwaarden niet. Het grondwater is beoordeeld op basis van drempelwaardemethodiek. De uiteindelijke beoordeling van de grondwaterkwaliteit in het Amsterdamse is afhankelijk van het gewenste beschermdoel van het ecosysteem. Het is belangrijk om te benadrukken dat de resultaten van de volgende bemonsteringsronde ook van belang zullen zijn voor de interpretatie. Pas na meerdere metingen kunnen we een volledig en nauwkeurig beeld krijgen van de grondwaterkwaliteit in het Amsterdamse Bos.
Indicatieve toetsing Bbk
De baksteenhoudende en de zintuiglijk schone kleigrond van boring 10 voldoet indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Sterk verontreinigd’. De aardewerkhoudende veengrond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’. De overige zintuiglijk schone kleigrond, alsmede de zintuiglijk schone zand- en veengrond, voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/ natuur’.
Veiligheidsklasse CROW 400
Basishygiëne
Conclusie asfaltlaag boring 6
Op basis van de GC/MS analyses is de PAK concentratie in de asfaltlaag kleiner dan 75 mg/kg d.s. Hiermee wordt de hergebruiknorm van 75 mg/kg d.s. niet overschreden.
Onze aanpak Dit onderzoek verrichten we volgens de daarvoor geldende normen en richtlijnen. Hierbij hanteren wij de volgende aanpak:
1
2
3
4
5
6
Inleiding
Vooronderzoek
Hypothese & strategie
Veldwerk resultaten
Laboratorium onderzoek
Bespreking onderzoeksresultaten
Aanleiding & Doelstelling
Beschrijving historische gegevens
Onderzoeksstrategie op basis van vooronderzoek
Veldwerkstrategie & resultaten
Analysestrategie & resultaten
Toetsing hypothese Conclusies & aanbevelingen
Dit is een interactief document, klik op de titels om naar het hoofdstuk te springen.
Bijlagen Bijlage 1: Overzichtskaart Bijlage 2: Situatietekening Bijlage 3: Onafhankelijkheid, normering, betrouwbaarheid en kwaliteitsborging Bijlage 4: Boorbeschrijvingen Bijlage 5: Zintuiglijke waarnemingen en monsterselectie Bijlage 6: Analysecertificaten en gaschromatogrammen Bijlage 7: Toetsingen analyseresultaten Bijlage 8: Indicatieve toetsing hergebruik/ toepassingsmogelijkheden (Bbk) Bijlage 9: Relevante informatie vooronderzoek Bijlage 10: Foto’s onderzoekslocatie
1.0 INLEIDING 1.1 AANLEIDING Het Amsterdamse Bos moet een klimaatbestendig bos worden in de komende jaren. Vanwege de geringe beschikbare informatie over de waterhuishouding van het bos is de eerste stap het inwinnen van gegevens. De gemeente Amsterdam heeft Stantec B.V. gevraagd om een opzet te maken voor een grondwater monitoringsnetwerk in het Amsterdamse Bos en deze voor minimaal één jaar te monitoren. Het doel van de monitoring is inzicht krijgen in de waterhuishouding van het bos. Dat wil zeggen, hoe reageert het systeem op neerslag en droogte en wat is hierbij de impact op de waterkwaliteit en met name saliniteit. Om de hoeveelheid peilbuizen in het Amsterdamse Bos zo laag mogelijk te houden, heeft de opdrachtgever ervoor gekozen 27 peilbuizen te laten plaatsen. De locaties zijn zo uitgekozen dat ze representatief zijn voor een groter gebied in het Bos. Naast de grondwaterhuishouding is er ook de wens om de kwaliteit van de bodem in het Amsterdamse Bos beter in beeld te brengen. Dit onder andere met het oog op mogelijke verontreinigingen. Daarvoor is elf peilbuislocaties ook grondonderzoek uitgevoerd.
1.2 DOELSTELLING De doelstelling van het onderzoek is: • Monitoring van de saliniteit van het grondwater op 27 onderzoekslocaties. • Monitoring van de nutriënten in het grondwater op 9 onderzoekslocaties. • Vaststellen of het voormalig/huidig gebruik van de locatie tot bodemverontreiniging heeft geleid op 11 onderzoekslocaties.
Tabel 1: locatiegegevens te plaatsen monitoringspeilbuizen Peilbuis Peilbuis BodemExtra nr. onderzoek onderzoek nutriënten 1 Ja Ja Ja 2 Ja Ja Nee 3 Ja Ja Ja 4 Ja Ja Ja 5 Ja Nee Ja 6 Ja Ja Nee 7 Ja Nee Nee 8 Ja Nee Nee 9 Ja Ja Ja 10 Ja Ja Nee 11 Ja Ja Nee 12 Ja Nee Nee 13 Ja Nee Nee 14 Ja Ja Ja 15 Ja Nee Nee 16 Ja Nee Nee 17 Ja Ja Nee 18 Ja Ja Nee 19 Ja Nee Nee 20 Ja Nee Ja 21 Ja Nee Ja 22 Ja Nee Nee 23 Ja Nee Ja 24 Ja Nee Nee 25 Ja Nee Nee 26 Ja Nee Nee 27 Ja Nee Nee
De doelstelling van het onderzoek staat per onderzoekslocatie aangegeven in Tabel 1.
Stantec | 327101152.r01 4
X
Y
117155,84 117149,99 117197,69 117147,07 117709,70 118178,94 117707,36 117402,50 116356,50 116295,95 118157,57 117381,67 117071,14 117340,72 117584,77 116255,90 117721,40 117601,53 117790,59 117697,93 116170,50 116111,07 115473,70 115608,93 117406,63 115349,26 117344,87
479844,81 479681,16 479100,27 479537,97 481407,77 482444,55 482052,56 481695,61 481790,37 481769,00 482545,46 481128,02 480395,11 480279,81 481521,50 480795,58 480400,88 480410,39 481679,50 482116,34 480763,98 480723,93 479278,93 479058,49 481345,99 479528,77 479669,72
1.3 NORMEN EN KADERS
2.2 BESCHIKBARE GEGEVENS
Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht in overeenstemming met de daarvoor geldende normen en richtlijnen. Voor meer informatie hierover verwijzen wij naar Bijlage 3: Onafhankelijkheid, normering, betrouwbaarheid en kwaliteitsborging.
In het kader van het vooronderzoek zijn de onderstaande bronnen geraadpleegd: • Historisch kaartmateriaal/luchtfoto’s (Toporijdreis.nl). • Het bodemarchief van de gemeente Amsterdam. • Het bodeminformatiesysteem (Nazca) van de ODNZKG. • De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam. • De bodemkaart ‘dempingen en ophogingen in Amsterdam’. • Duizendknoopkaart. • Terreinverkenning.
2.0 VOORONDERZOEK Het vooronderzoek is erop gericht om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie. Het resultaat van dit vooronderzoek is enerzijds een beoordeling van de bodemkwaliteit als er voldoende informatie beschikbaar is of anderzijds een hypothese over de te verwachten bodemkwaliteit als er onvoldoende informatie beschikbaar is. Hiervoor verzamelen, analyseren en interpreteren we informatie over de onderzoekslocatie en eventuele beïnvloeding vanuit de directe omgeving. Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725. De aanleiding voor het vooronderzoek is ‘A: Uitvoeren van bodemonderzoek, de milieubelastende activiteit saneren en/of het realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie’.
2.1 LOCATIE-AFBAKENING Voor de afbakening van de onderzoekslocatie is gekozen voor een afbakening voor het deel van het perceel waarop de voorgenomen werkzaamheden (inclusief aangrenzend terrein) betrekking hebben. Het geografisch gebied waarop het vooronderzoek betrekking heeft, richt zich op de onderzoekslocaties tot een maximale afstand van 25 meter per peilbuis.
Voormalig, huidig en toekomstig gebruik In Figuur 1 zijn een aantal historische topografische kaarten opgenomen. Het Amsterdamse Bos is tussen 1934 en 1970 aangelegd. Tot circa de jaren ’30 van de vorige eeuw waren op de locatie weilanden gesitueerd, doorkruist met sloten. De eerste ontwikkelingen naar de huidige situatie van het zuidelijke deel van Het Amsterdamse Bos zijn vanaf de jaren ’50 zichtbaar op de topografische kaarten, waarbij de sloten zijn gedempt en het bos is aangelegd met nieuwe watergangen en paden. In 1970 is de laatste boom op de Heuvel gepland, waarmee het originele uitvoering Boschplan gereed is. Eind vorige eeuw is het Bos nog eenmaal uitgebreid (met het Schinkelbos). Het Amsterdamse Bos bestaat tegenwoordig uit bos, speelweiden, polders, vijvers en watergangen.
Duizendknoopkaart Uit de Duizendknoopkaart van de gemeente Amsterdam blijkt dat op diverse locaties in het Amsterdamse Bos actieve bestrijding van de Japanse Duizendknoop plaats vindt. Deze bevinden zich echter niet in de nabijheid van de onderzoekslocaties.
Bodembelastende activiteiten Het Amsterdamse Bos is het grootste stadsbos van Amsterdam met een totale grootte van ongeveer 1.000 hectare. Momenteel is de locatie in gebruik als natuur- en recreatiegebied. De toekomstige bestemming van de locatie blijft ongewijzigd. Een overzichtskaart en situatietekening zijn opgenomen Bijlage 1: Overzichtskaart en Bijlage 2: Situatietekening.
Binnen de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn in het bodeminformatiesysteem geen gegevens beschikbaar over bodembelastende activiteiten. Er zijn geen ophogingen of dempingen geregistreerd. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven dat bij de aanleg van het Amsterdamse Bos vermoedelijk materiaal uit de vooroorlogse binnenstad is gebruikt om het bos op te hogen en de aanwezige sloten te dempen. Dit materiaal is mogelijk verontreinigd met zware metalen, PAK en/ of minerale olie.
Stantec | 327101152.r01 5
1930
1960
1980
2010
Figuur 1: Historische topografische kaarten van de onderzoekslocatie (zwart contour) uit de periode 1930, 1960, 1980 en 2010.
Stantec | 327101152.r01 6
Eerder bodemonderzoek
Asbestverdachtheid
In het verleden zijn er enkele bodemonderzoeken op de locatie en in de omgeving uitgevoerd. Een overzicht daarvan wordt in Bijlage 9: Relevante informatie vooronderzoek weergeven. Hieronder geven we een samenvatting van de meest relevante gegevens.
Het Amsterdamse Bos is deels vooroorlogs en deels naoorlogs opgehoogd. In de naoorlogse ophoogperiode werd mogelijk gebruikt gemaakt van asbest. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven dat bij de aanleg van het Amsterdamse Bos vermoedelijk materiaal uit de binnenstad (bagger uit de grachten), uit het vooroorlogs stadsdeel, is gebruikt om het bos op te hogen en de aanwezige sloten te dempen. Het opgebrachte materiaal is daarom onverdacht op asbest. Dit wordt analytisch bevestigd in de voorgaande onderzoeken.
Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de bodemopbouw zeer heterogeen van aard is en bestaat uit een afwisseling van zand, klei – en veen. In de bodem komen plaatselijk zwakke puinbijmengingen voor. Analytisch zijn in de bodem licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, EOX, PCB en/ of minerale olie aangetoond. Analytisch is geen asbest aangetoond in de bodem. Het grondwater is niet in de omgeving van de onderzoekslocaties onderzocht.
Ernstige bodemverontreiniging (wettelijk kader) Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het van belang om vast te stellen welk wettelijk kader van toepassing is of geldt voor de locatie. Bij lopende bodemsaneringen geldt namelijk het overgangsrecht waardoor de Wet bodembescherming (gedeeltelijk) van toepassing blijft. Voor zover bekend is er geen geval van ernstige bodemverontreiniging bekend op de locatie. Op de te verrichten handelingen en/of activiteiten die op de locatie in de toekomst plaatsvinden is daarom de Omgevingswet van toepassing.
PFAS Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen specifieke bronlocaties (bedrijven waar gebruik werd gemaakt van PFAS en/of branden geblust met PFAS-houdend blusschuim) voor verontreinigingen met PFAS en GenX bekend. De gehele locatie kan echter wel door atmosferische depositie belast zijn met PFAS. Het Amsterdamse Bos is gelegen nabij Schiphol. Onderzoek in de omgeving heeft uitgewezen dat in de (water)bodem sprake is van verhoogde gehalten PFAS mogelijk als gevolg van lozingen van Schiphol. De locatie is gelegen in een niet gezoneerd gebied van de PFAS verwachtingenkaart van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Dit betekend dat er geen achtergrondwaarden bekend zijn. Op basis van deze PFAS-kaart kan daarom geen grondverzet plaatvinden.
Bodemkwaliteitskaart Voor de regio Amstelland en Meerlanden is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar (incl. PFAS tot 1,0 m-mv). Op basis van deze bodemkwaliteitskaart is het Amsterdamse Bos gelegen in zone 1 (0-2,0 m-mv) en wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie een gemiddelde bodemkwaliteit verwacht conform de bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (Landbouw/natuur)’. De diepere ondergrond (>2,0 m-mv) valt in de zone OND1 en heeft een verwachte bodemkwaliteitsklasse van ‘Achtergrondwaarde (Landbouw/natuur)’. Op de bodemfunctieklassenkaart is de onderzoekslocatie gelegen in de zone ‘Landbouw/natuur’ . In de bovengrond worden, op basis van de statistische kentallen (P80), bij het ontgraven in de bovengrond maximaal licht verhoogde gehalten aan kwik en PCB verwacht. In de ondergrond wordt vanaf 0,5 m-mv maximaal een licht verhoogd gehalte aan PCB verwacht. Het voorkomen van de licht verhoogde gehalten zware metalen en PCB hangt samen met diffuse bodemverontreiniging door antropogeen gebruik van de bodem.
2.3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Het maaiveld bevindt zich op ongeveer 5 m-NAP (op basis van AHN4). De originele bodem van het Amsterdamse Bos is over het algemeen antropogeen opgehoogd. De samenstelling van deze ophooglaag blijkt op basis van het voorgaande onderzoek zeer heterogeen van aard. Onder de antropogene ophooglaag wordt de originele holocene bodem aangetroffen, die is afgezet toen de omgeving van Amsterdam nog een getijdegebied was. De holocene bodem bestaat uit een uit een afwisseling van watervoerende lagen (zand, grind) en waterscheidende lagen (klei, leem, veen). De stromingsrichting van het eerste watervoerende pakket stroomt globaal zuidwestelijk. De toplaag van deze holocene bodem bestaat in Amsterdam over het algemeen uit een laag veen. Daaronder bevindt zich een dikke laag oude zeeklei en een compacte laag basisveen.
Stantec | 327101152.r01 7
Diepere lagen betreffen Pleistocene afzettingen. Zandlagen hierbinnen vormen het eerste en diepere watervoerende pakketten. Deze lagen worden in Amsterdam vanaf circa 10,0 à 12,0 meter -NAP aangetroffen. In de Nederlandse kustprovincies liggen gebieden waar natuurlijke (fysische en chemische) processen hebben geleid tot verhoogde arseenconcentraties in het grondwater. In Amsterdam worden in het diepe en ondiepe grondwater regelmatig verhoogde concentraties arseen aangetroffen, die frequent de streefwaarde en plaatselijk zelfs de signaalwaarde overschrijden. Het Amsterdamse Bos bestaat uit een verzameling van gebieden met verschillende grondwaterstanden. Het waterpeil in het Bos wordt op peil gehouden door pompen. Dit wordt uitgevoerd door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Alle watergangen en vijvers staan met elkaar in verbinding, en al het oppervlaktewater stroomt in de richting van het gemaal in de omgeving van parkeerplaats Groot Kinderbad. De lokale freatische grondwaterstroming kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van watergangen, kabel-, leiding en/ of rioolsleuven en grondwateronttrekkingen in de directe omgeving. Er is daarom hier geen eenduidige stromingsrichting voor vast te stellen.
2.4 TERREINVERKENNING Direct voorafgaand aan het veldwerk is door de veldmedewerker(s) een terreinverkenning uitgevoerd. In Bijlage 10: Foto’s onderzoekslocatie zijn locatiefoto’s opgenomen. Tijdens de terreinverkenning zijn geen bijzonderheden waargenomen die aanleiding geven de onderzoeksstrategie te wijzigen.
3.0 HYPOTHESE & STRATEGIE Op basis van het vooronderzoek formuleren we onderzoekshypothese(n). We geven aan welke (potentiële) verdenking van verontreiniging van de bodem er bestaat. Elke hypothese over de aan- of afwezigheid van bepaalde verontreinigende stoffen en de wijze van verspreiding toetsen we met een locatiespecifieke onderzoeksstrategie. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn in Tabel 2 de antwoorden op de onderzoeksvragen geformuleerd. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens de ARVO 2024, waarbij is gekozen voor een maatwerkstrategie. Gezien de scope van het onderzoek wordt alleen de bodem van elf locaties analytisch onderzocht tot 1,0 m-mv (zie Tabel 1). Naast de parameters uit het standaard analysepakket vanuit de ARVO 2024 worden geen andere kritische parameters verwacht. Het grondwater wordt op verzoek van de opdrachtgever in plaats van het standaard ARVO-grondwaterpakket geanalyseerd op chloride. Daarnaast wordt het grondwater van negen peilbuizen onderzocht op de volgende parameters: • Stikstofcomponenten: ammonium, nitraat en totaal-stikstof; • Fosforcomponenten: Ortho-fosfaat en totaal-fosfor; • Elementen: ijzer en arseen. Van niet elke stof die wordt gemeten in het grondwater zijn eenduidige grondwaterkwaliteitsnormen beschikbaar.
Voor de interpretatie van de grondwaterkwaliteit is zo aansluiting gezocht bij het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). De toelichting hierop is te vinden in Bijlage 3.1: Normering, kwaliteit, onafhankelijkheid.
Stantec | 327101152.r01 8
Tabel 2: Onderzoeksvragen en beantwoording Onderzoeksvraag Zijn er potentiële bronnen van bodembelasting?
Antwoord Bij de aanleg van het Amsterdamse Bos is waarschijnlijk materiaal uit de binnenstad, uit het vooroorlogs stadsdeel, gebruikt. Dit materiaal is mogelijk verontreinigd met zware metalen, PAK en/ of minerale olie.
Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden?
Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt over de gehele onderzoeksdiepte de bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (Landbouw/natuur)’ verwacht. Op basis van de bodemkwaliteitskaart zijn geen lagen te onderscheiden.
Is de bodem asbestverdacht?
De gemeente Amsterdam heeft aangegeven dat bij de aanleg van het Amsterdamse Bos vermoedelijk materiaal uit de binnenstad (bagger uit de grachten), uit het vooroorlogs stadsdeel, is gebruikt om het bos op te hogen en de aanwezige sloten te dempen. Het opgebrachte materiaal is daarom onverdacht op asbest. Dit wordt analytisch bevestigd in de voorgaande onderzoeken.
Wat is de bodemopbouw en geohydrologie, en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/ of bodemvreemde lagen?
De bodemopbouw van de antropogene ophooglaag is zeer heterogeen van aard en bestaat uit een afwisseling van zand, klei – en veen. Deze opgebrachte laag is mogelijk verontreinigd met zware metalen, PAK en/ of minerale olie. In de originele bodem worden geen verontreinigingen verwacht. De lokale freatische grondwaterstroming kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van watergangen, kabel-, leiding- en/ of rioolsleuven en grondwateronttrekkingen in de directe omgeving. Er is daarom hier geen eenduidige stromingsrichting voor vast te stellen.
Wordt de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater op de locatie beïnvloed door de omgeving?
Er zijn geen lokale puntbronnen bekent die de kwaliteit van de grond of het grondwater kunnen beïnvloeden. Wel is zoals eerder vermeld waarschijnlijk een antropogeen opgebrachte bodemlaag aanwezig. Het Amsterdamse Bos is gelegen nabij Schiphol. Schiphol zou een potentiële bron kunnen zijn voor eventuele verontreinigingen binnen het Amsterdamse Bos.
Is er een vermoeden dat op basis van beschikbare informatie werkzaamheden plaatsvinden binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging of een sterke verontreiniging (boven de interventiewaarde)?
Op basis van de eerder uitgevoerde onderzoeken in de omgeving is er geen vermoeden dat er sprake is sterke verontreiniging.
Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk?
Een verkennend bodemonderzoek is noodzakelijk om de grond- en grondwaterkwaliteit met zekerheid vast te stellen. Omdat er waarschijnlijk gebruik is gemaakt van materiaal uit het vooroorlogs staddeel moet rekening worden gehouden met een heterogeen belaste bodem. De grondwaterkwaliteit is onbekend.
Stantec | 327101152.r01 9
4.0 VELDWERK RESULTATEN 4.1 ONDERZOEKSOPZET In Tabel 3 is een overzicht opgenomen van de onderzoeksopzet en hierbij behorende veldwerkzaamheden en analyses. Tabel 3: Opzet veld- en laboratoriumonderzoek Aanleiding Veldwerk Diepte boringen Aantal boringen met peilbuis Vaststelling bodemkwaliteit (27 puntlocaties) 0,0-2,0 m-mv 1 0,0-2,5 m-mv 4 0,0-3,0 m-mv 7 0,0-3,5 m-mv 8 5 0,0-4,0 m-mv 2 0,0-4,5 m-mv Totaal* 1 ARVO-grond: 2 GC/MS: 3 Nutriënten:
Analyses Grond/ verhardingen
Grondwater
22x ARVO-grond1 1x GC/MS2
27x Chloride 9x Nutrienten3
27 Lutum- en organische stofpercentage, negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie, som PAK (10), som PCB (7) en chloride. Aanvullende kwantitatieve analyse op PAK (Geaccrediteerd volgens AP04/CROW210/NCOB). Ammonium, nitraat, totaal-stikstof, ortho-fosfaat, totaal-fosfor, ijzer en arseen.
Stantec | 327101152.r01 10
4.2 VELDONDERZOEK Uitgevoerde veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op: • Protocol 2001 (plaatsen boringen en peilbuizen): op 29 mei t/m 12 juni 2024. • Protocol 2002 (grondwaterbemonstering): op 24 en 25 juni 2024. Het veldonderzoek heeft uit de volgende werkzaamheden bestaan: • Het uitvoeren van een terreinverkenning. • Het plaatsen van de boringen en peilbuizen zoals opgenomen in Tabel 3. • Het inmeten van de boorpunten middels GPS. • De peilbuizen zijn voorzien van een filter met een lengte van 1,0 meter en afgewerkt met filtergrind en een bentonietafsluiting. In overeenstemming met de NEN 5740 is de bovenzijde van het peilfilter tenminste 0,5 m beneden de grondwaterstand geplaatst. Vanwege de periodiek geplande bemonstering en de mogelijk fluctuerende grondwaterstand zijn de peilfilters 0,8 m beneden de huidige grondwaterstand geplaatst. • Het classificeren van de vrijgekomen grond uit de boringen (vaststellen bodemopbouw) en het beoordelen op de aanwezigheid van verontreinigingen. • Het bemonsteren van de grond. Een grondmonster heeft betrekking op een maximaal bodemtraject van 0,5 meter. Afwijkende bodemlagen (zoals de aanwezigheid van bodemvreemde materialen als bijvoorbeeld puin, verkleuringen van de grond en geurwaarnemingen) zijn apart bemonsterd.
Als bij een boring meerdere grondmonsters zijn genomen, is met een toenemende diepte de codering -1, -2, -3 enz. aan het monsternummer toegevoegd. • Het bemonsteren van het grondwater uit de peilbuizen na een wachttijd van minimaal één week. Bij de codering van een grondwatermonster is het nummer van de peilbuis aangehouden met toegevoegd - nummer filter - nummer watermonster (bijvoorbeeld: 1-1-1). Door de bosrijke omgeving konden de boorpunten tijdens de veldwerkzaamheden uiteindelijk niet juist worden ingemeten. In overleg met de opdrachtgever zullen de boorpunten daarom op een later moment worden ingemeten. De in Bijlage 4: Boorbeschrijvingen genoteerde coördinaten zijn daarom op dit moment indicatief. De daadwerkelijke locatie van de boringen bevindt zich wel binnen 1 à 5 meter va de aangegeven locatie.
Tijdens de bemonstering van peilbuis 09 liep de peilbuis slecht waardoor deze, in afwijking op de BRL 2000, protocol 2002, onvoldoende kon worden voorgepompt. De peilbuis is niet belucht geraakt. Tijdens de bemonstering zijn aan het grondwater uit de betreffende peilbuis geen afwijkingen waargenomen. Het onvoldoende voorpompen van de peilbuis kan leiden tot een verhoogde NTU als het resultaat van zwevende deeltjes. Een te hoge NTU kan vervolgens leiden tot het rapporteren van hogere concentraties organische stoffen dan werkelijk aanwezig. Hiermee wordt rekening gehouden tijdens de interpretatie van de resultaten. De concentratie zware metalen wordt niet beïnvloed door de zwevende deeltjes aangezien deze in het veld door filtratie verwijderd worden. Omdat de afwijking een kritieke afwijking omvat mag ten behoeve van het protocol 2002 het keurmerk niet in de rapportage opgenomen worden. Tijdens het veldwerk is aandacht besteed aan de aanwezigheid van groeiplaatsen van de duizendknoopfamilie. Deze zijn niet waargenomen binnen of nabij de onderzoekslocaties. De locatietekening met situering van de monsternemingspunten is opgenomen in Bijlage 2: Situatietekening. In Bijlage 4: Boorbeschrijvingen zijn de resultaten van de boorbeschrijvingen in de vorm van boorprofielen weergegeven.
4.3 GRONDONDERZOEK Bodemopbouw De bodem op de onderzoekslocatie is heterogeen van aard en bestaat uit een afwisseling van klei, veen en zand. Het merendeel van de boringen (boringen 1, 2, 4 t/m 10, 12 t/m 21, 23, 24, 25, 26 en 27) bestaan tot de maximale boordiepte van 4,2 m-mv uit klei, plaatselijk afgewisseld met een veen of zandlaag van maximaal een halve meter dik. De toplaag van boringen 1, 2, 4, 13 17, 18, 20 bestaat uit veen. Bij boring 6 is een volledig bodemvreemde laag waargenomen (zie ‘zintuiglijke verontreinigingen’). Boring 3 bestaat tot de maximale boordiepte van 2,3 m-mv volledig uit veen. Boring 11 heeft een gevarieerde opbouw, bestaande uit een kleipakket van circa 0,6 m dik, gevolgd door een halve meter zand en veen tot de maximale boordiepte van 3,1 m-mv. Boring 22 bestaat tot circa 1,7 m-mv uit klei, gevolgd door veen tot de maximale boordiepte van 2,7 m-mv. Van het bodemmateriaal is maximaal per halve meter en/of per bodemlaag een monster genomen.
Stantec | 327101152.r01 11
Zintuiglijke verontreinigingen In Bijlage 5: Zintuiglijke waarnemingen en monsterselectie wordt een overzicht van de zintuigelijk waargenomen bijzonderheden weergegeven. Opgemerkt wordt dat er tijdens het veldwerk in boring 6 een bodemvreemde laag is aangetroffen van 0,15 tot 0,6 m-mv. In overleg met de opdrachtgever is besloten om de asfaltlaag (0,15-0,25 m-mv) aanvullend te analyseren. De baksteenlaag (0,25-0,6 m-mv) wordt als niet asbestverdacht beschouwd en niet aanvullend geanalyseerd.
Vanwege het ontbreken van de NAP hoogte kunnen wij op basis van het veldwerk op dit moment geen eenduidige stromingsrichting van het freatische grondwater vaststellen. Bij de rapportage van een monitoringsronde zal dit worden meegenomen. Wij merken op dat de stromingsrichting van het freatisch grondwater beïnvloed kan zijn door bijvoorbeeld getijden, drainage, kabels en leidingen e.d.
Verder word opgemerkt dat bij boringen 12, 21, 22 en 25 zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn, maar dat deze boringen in het onderhavige onderzoek niet analytisch worden onderzocht.
4.4 GRONDWATER Voor de bemonstering van het grondwater zijn alle boringen afgewerkt met een peilbuis. Tijdens de plaatsing van de peilbuizen is het grondwater waargenomen op een diepte van 0,5 à 2,4 m-mv. Omdat er nog geen juiste NAP hoogte metingen zijn gedaan is de grondwaterstand niet omgerekend naar m NAP. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (Ec) en de aanwezigheid van nietopgeloste deeltjes (troebelheid) van het grondwater zijn tijdens de monstername in het veld bepaald en weergegeven in Tabel 4. Tijdens de bemonstering zijn aan het grondwater geen afwijkingen waargenomen. Op basis van de gemeten Ec is sprake van brak (400 mS/cm <Ec <2.800 mS/cm) tot plaatselijk zout (Ec >2.800mS/cm) grondwater. Tijdens de monstername van het grondwater is in alle peilbuizen (afgerond) een NTU van >10 gemeten. Wij zien dit niet als een afwijking, mede omdat een verhoogde troebelheid geen invloed heeft op de betreffende analyses De troebelheid van grondwater heeft een natuurlijke waarde in een zandpakket van 0-10 NTU. Deze kan afwijken wanneer er sprake is van een meer siltig samengestelde bodem. Vooral in klei- en veengronden (zoals het Amsterdamse Bos) komt het in de praktijk veelvuldig voor ondanks dat de gestelde vereisten voor plaatsing van peilbuizen en bemonstering van grondwater zijn gevolgd, de NTU-waarden afwijken.
Stantec | 327101152.r01 12
Tabel 4: Veldmetingen grondwater WaterFilterdiepte Grondwaterstand monster (m -mv) (m -mv)
Temp. (°C)
pH (-)
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
1-1-1
2,50 - 3,50
1,13
13,8
7,2
2.910
63
2-1-1
2,50 - 3,50
0,97
15,1
7,0
2.430
9,9
3-1-1
1,30 - 2,30
0,08
17,7
7,3
910
21,2
4-1-1
3,10 - 4,10
1,12
13,9
7,1
1.470
12,7
5-1-1
2,00 - 3,00
0,76
12,8
7,0
1.672
36,4
6-1-1
1,80 - 2,80
1,10
12,4
7,1
909
92
7-1-1
1,00 - 2,00
0,56
12,9
7,0
1.354
33
8-1-1
1,20 - 2,20
0,80
12,7
6,9
1.742
42
9-1-1
1,30 - 2,30
0,84
14
7,5
1.233
70,6
10-1-1
1,60 - 2,60
1,17
16,3
7,2
2.270
196
11-1-1
2,10 - 3,10
1,42
12,8
7,0
1.084
107
12-1-1
2,10 - 3,10
1,18
13,2
7,2
1.028
26,6
13-1-1
2,30 - 3,30
1,19
17,5
7,3
1.080
14,9
14-1-1
1,60 - 2,60
0,98
17,1
7,4
1.760
9,9
15-1-1
2,20 - 3,20
0,70
12,9
6,9
1.350
165,3
16-1-1
1,40 - 2,40
0,47
15,1
7,5
1.520
92,9
17-1-1
2,60 - 3,60
1,36
16,2
7,3
3.240
48,2
18-1-1
2,10 - 3,10
1,06
19,4
7,4
1.060
9,9
19-1-1
2,10 - 3,10
0,72
13,5
6,8
1.775
41,2
20-1-1
1,80 - 2,80
1,13
14,1
7,1
1.808
50,2
21-1-1
1,80 - 2,80
1,51
15,1
7,4
2.580
39,8
22-1-1
1,70 - 2,70
1,52
16,6
7,1
3.280
127
23-1-1
2,60 - 3,60
0,60
14,6
7,0
2.810
49,9
24-1-1
2,60 - 3,60
0,49
16,7
7,1
2.620
121
25-1-1
3,00 - 4,00
2,37
15,5
7,0
2.200
47,6
26-1-1
3,20 - 4,20
1,27
13,3
7,0
3.210
19,2
27-1-1
2,60 - 3,60
0,73
16,2
6,9
1.650
9,9
5.0 LABORATORIUM ONDERZOEK Het tijdens het veldwerk genomen monstermateriaal is in het laboratorium geanalyseerd volgens de onderzoeksstrategie uit hoofdstuk 3. In het analysecertificaten zijn diverse opmerkingen opgenomen. Opgemerkt is dat: • Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting van benzo(ghi)peryleen en/ of indeno(1,2,3-cd)pyreen (PAK’s) bij monsters 2-M01, 3M01, 3-M02, 6-M02, 9-MM-01 en 9-MM03. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot. • De rapportagegrens van PCB 28 tot 180 is verhoogd i.v.m. noodzakelijke verdunning bij monster 10-MM01. • In verband met een storende matrix is de onzekerheid in het resultaat vergroot van het percentage lutum in monsters 3-M01 en 3M02. • De rapportagegrens van naftaleen, fenantreen, antraceen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(k)fluoranteen en/ of benzo(a)pyreen (PAK’s) en PCB 28 tot 180 is verhoogd i.v.m. het lage gehalte aan droge stof bij monsters 3-M01 en 3-M02. • De periode tussen monsterneming en het in behandeling nemen in het laboratorium was groter dan de conserveringstermijn van nitriet en nitraat. Dit heeft mogelijk de representativiteit van de monsters 20-1-1 en 23-1-1 beïnvloed. De bovengenoemde opmerkingen zijn van invloed op maximaal licht verhoogde parameters, daarom is aangenomen dat de opmerkingen geen effect hebben op de (eind) interpretatie en de conclusie.
Tabel 5 en Tabel 6 op de volgende pagina’s geven een totaaloverzicht van de voor analyse geselecteerde (meng)monsters, uitgevoerde analyses en toetsingsresultaten. Op basis van de gemeten waarden zijn ook de voorlopige veiligheidsklassen overeenkomstig de CROW 400 bepaald.
Stantec | 327101152.r01 13
5.1 GROND Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is een selectie gemaakt in de te analyseren grondmonsters waarbij een aantal grondmonsters is samengesteld tot mengmonsters. In Tabel 5 zijn de geselecteerde (meng)monsters en resultaten van het grondonderzoek weergegeven. Tabel 5: Onderzoeks- en toetsingsresultaten grond Analyse- Betrokken Type Zintuiglijke monster boorpunten en materiaal waarnemingen traject (m-mv) 1-M01 1 (0,00 - 0,40) Veen 1-MM02
Analysepakket
Toetsing resultaten Rbk*
ARVO-pakket
-
Indicatief toetsingsToetsingsoordeel Iw oordeel Bbk** < Iw LN
Bodemindex*
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400) Basishygiëne
1 (0,40 - 0,90) 1 (0,90 - 1,40) 2 (0,00 - 0,10)
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
Veen
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
3-M01
2 (0,10 - 0,60) 2 (0,60 - 0,70) 2 (0,70 - 1,10) 3 (0,00 - 0,50)
Veen
Brokken aardewerk
ARVO-pakket
Kwik (0,01), Lood (0,14)
< Iw
WO
Basishygiëne
3-M02
3 (0,50 - 1,00)
Veen
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
4-M01
4 (0,00 - 0,40)
Veen
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
4-MM02
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
6-M01
4 (0,40 - 0,80) 4 (0,80 - 1,30) 6 (0,60 - 0,80)
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
6-M02
6 (0,80 - 0,90)
Veen
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
9-MM01
9 (0,00 - 0,20) 9 (0,20 - 0,60) 9 (0,60 - 1,10) 10 (0,00 - 0,40) 10 (0,40 - 0,60) 10 (0,60 - 0,80) 10 (0,80 - 1,20) 11 (0,60 - 1,10)
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
Klei
Resten baksteen, sterk baksteenhoudend
ARVO-pakket
Zink (0,26), Cadmium (0,02), Lood (0,47), PAK 10 VROM (3,58)
> Iw (o.b.v. PAK)
SV
Basishygiëne
Klei
-
ARVO-pakket
Minerale olie C10 - C40 (0,01), Zink (0,03), Lood (0,09), PAK 10 VROM (1,99)
> Iw (o.b.v. PAK)
SV
Basishygiëne
Zand
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
14-M02
11 (0,00 - 0,20) 11 (0,20 - 0,60) 14 (0,70 - 0,80)
Zand
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
14-M03
14 (0,80 - 1,30)
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
14-MM01
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
17-M01
14 (0,00 - 0,50) 14 (0,50 - 0,70) 17 (0,00 - 0,30)
Veen
-
ARVO-pakket
Kwik (-)
< Iw
LN
Basishygiëne
17-MM02
17 (0,30 - 0,70)
Klei
-
ARVO-pakket
-
< Iw
LN
Basishygiëne
2-M01 2-MM02
10-MM01 10-MM02 11-M02 11-MM01
Stantec | 327101152.r01 14
Analysemonster
Betrokken boorpunten en traject (m-mv) 17 (0,70 - 1,20)
Type materiaal
Zintuiglijke waarnemingen
Analysepakket
18-M01
18 (0,00 - 0,20)
Veen
-
ARVO-pakket
18-MM02
Klei ARVO-pakket < Iw LN 18 (0,20 - 0,50) 18 (0,50 - 1,00) De bodemindex wordt gerapporteerd als fractie van de interventiewaarde. Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse is in veel gevallen een partijkeuring volgens AP04 vereist als aanvulling op het onderhavige onderzoek. Geen zintuiglijke waarnemingen of geen verhoogde gehalten gemeten
* ** -
Toetsing resultaten Rbk* Bodemindex*
Toetsingsoordeel Iw
Kwik (-), Lood (0,01)
< Iw
Indicatief toetsingsoordeel Bbk**
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)
LN
Basishygiëne Basishygiëne
De toetsing Rbk is als volgt geclassificeerd: < Iw Het gehalte ligt boven de voormalige achtergrondwaarde, maar het gehalte is kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde. > Iw Het gehalte is groter dan de interventiewaarde. De toetsing Bbk is als volgt geclassificeerd LN Bodemkwaliteitsklasse Landbouw en Natuur WO Bodemkwaliteitsklasse Wonen. IND Bodemkwaliteitsklasse Industrie. MV Matig verontreinigd SV Sterk verontreinigd
5.2 GRONDWATER In Tabel 6 zijn de resultaten van het grondwateronderzoek weergegeven. Opgemerkt wordt dat alle analyses aan signaleringswaarde uit het Bkl voldoen. Het toetsingsresultaat hiervan is opgenomen in Bijlage 7: Toetsingen analyseresultaten grond (Rbk) en grondwater (Bkl) Tabel 6: onderzoeks- en toetsingsresultaten grondwater AnalyseFilterinstelling Analysepakket monster (m-mv)
Toetsing normwaarden* >normwaarden zoetwater
>normwaarden brakwater
1-1-1
2,50 - 3,50
Chloride, nutriënten
Ammonium, ijzer
Ammonium, ijzer
2-1-1
2,50 - 3,50
Chloride
-
-
3-1-1
1,30 - 2,30
Chloride, nutriënten
Ammonium
Ammonium
4-1-1
3,10 - 4,10
Chloride, nutriënten
Ammonium
Ammonium
5-1-1
2,00 - 3,00
Chloride, nutriënten
Totaal-fosfor, ammonium, ijzer
Ammonium, ijzer
6-1-1
1,80 - 2,80
Chloride
-
-
7-1-1
1,00 - 2,00
Chloride
Chloride
-
Stantec | 327101152.r01 15
Analysemonster
Filterinstelling (m-mv)
Analysepakket
8-1-1
1,20 - 2,20
9-1-1
1,30 - 2,30
10-1-1 11-1-1
Toetsing normwaarden* >normwaarden zoetwater
>normwaarden brakwater
Chloride
-
-
Chloride, nutriënten
Ammonium, ijzer
Ammonium, ijzer
1,60 - 2,60
Chloride
Chloride
-
2,10 - 3,10
Chloride
-
-
12-1-1
2,10 - 3,10
Chloride
-
-
13-1-1
2,30 - 3,30
Chloride
-
-
14-1-1
1,60 - 2,60
Chloride, nutriënten
Ammonium, ijzer
Ammonium, ijzer
15-1-1
2,20 - 3,20
Chloride
-
-
16-1-1
1,40 - 2,40
Chloride
-
-
17-1-1
2,60 - 3,60
Chloride
Chloride
-
18-1-1
2,10 - 3,10
Chloride
-
-
19-1-1
2,10 - 3,10
Chloride
-
-
20-1-1
1,80 - 2,80
Chloride, nutriënten
Chloride, ammonium, ijzer
Ammonium, ijzer
21-1-1
1,80 - 2,80
Chloride, nutriënten
Ammonium, totaal-stikstof, ijzer, arseen
Ammonium, ijzer, totaal-stikstof, arseen
22-1-1
1,70 - 2,70
Chloride
-
-
23-1-1
2,60 - 3,60
Chloride, nutriënten
Ammonium, ijzer
Ammonium, ijzer
24-1-1
2,60 - 3,60
Chloride
-
-
25-1-1
3,00 - 4,00
Chloride
-
-
26-1-1
3,20 - 4,20
Chloride
-
-
27-1-1
2,60 - 3,60
Chloride
-
-
* -
Voor de toelichting op de toetsing wordt verwezen naar Bijlage 3.1: Normering, kwaliteit, onafhankelijkheid. Niet onderzocht of geen verhoogde concentraties gemeten
5.3 ASFALT De asfaltlaag in boring 6 is 10 cm dik. Voor de asfaltlaag is geen analyse uitgevoerd om inzicht te krijgen in de laagopbouw. Op basis van de GC/MS analyses is er geen PAK aanwezig in de kern, en voldoet de PAK concentratie in de geanalyseerde laag daarom aan de hergebruiksnorm (kleiner dan 75 mg/kg d.s).
Stantec | 327101152.r01 16
Besluit bodemkwaliteit (indicatief)
6.0 BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk beschrijven we de verontreinigingssituatie op basis van de onderzoeksresultaten en toetsen we de in hoofdstuk 3 gestelde hypothese.
6.1 GROND
Op basis van de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat zowel de baksteenhoudende als de zintuiglijk schone kleigrond van boring 10 voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Sterk verontreinigd’. De aardewerkhoudende veengrond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’. De overige zintuiglijk schone kleigrond, alsmede de zintuiglijk schone zand- en veengrond, voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Opgemerkt wordt dat niet bij elke peilbuis de grond analytisch is onderzocht. De interpretatie is daarom alleen gemaakt op basis van de geanalyseerde boringen.
Milieuhygiënische bodemkwaliteit In de zintuiglijk schone zandgrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In de aardewerkhoudende veengrond van boring 3 (0,0-0,5 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten kwik en lood aangetoond. In de zintuiglijk schone veengrond van boringen 17 en 18 (0,2 à 0,3 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten kwik en/of lood aangetoond. In de kleigrond zijn over het algemeen geen verhoogde gehalten aangetoond. Enkel in boring 10 zijn (sterk) verhoogde gehalten aangetoond. In het mengmonster van de baksteenhoudende grond (0,0-0,6 m-mv) zijn sterk verhoogde gehalten PAK, en licht verhoogde gehalten zink, cadmium en lood aangetoond. In het mengmonster van de zintuiglijk schone ondergrond zijn eveneens sterk verhoogde gehalten PAK aangetoond, met daarnaast licht verhoogde gehalten zink, lood en minerale olie. Omdat zowel in de baksteenhoudende grond als in de zintuiglijk schone ondergrond sterk verhoogde gehalten PAK zijn aangetoond, is de sterke verontreiniging niet eenduidig aan de bijmenging te relateren. Daarom zijn beide mengmonsters niet uitgesplitst. Rondom boring 10 moet rekening gehouden worden met sterk verhoogde gehalten in de grond (boven de interventiewaarde). De omvang van de verontreiniging is onbekend.
Gezien de scope van het onderhavige onderzoek is in overleg met de opdrachtgever besloten om op dit moment geen aanvullend onderzoek uit te voeren. Opgemerkt wordt dat, in overleg met de opdrachtgever, niet bij elke peilbuis de grond analytisch is onderzocht. De interpretatie is daarom alleen gemaakt op basis van de geanalyseerde boringen. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden en/of detectiegrenzen gemeten.
6.2 GRONDWATER Op basis van de gemeten Ec is sprake van brak (400 mS/cm <Ec <2.800 mS/cm) tot plaatselijk zout (Ec >2.800mS/cm) grondwater. Omdat er sprake is van brak tot zout grondwater worden de resultaten geïnterpreteerd op basis van de criteria voor brak grondwater. De criteria voor zoet en brak grondwater zijn vrijwel gelijk, op de waarden voor totaal-fosfor en arseen. Daarnaast heeft chloride geen vastgestelde drempelwaarde in brak grondwater. De parameters nitraat en totaal-fosfor en overschrijden de drempelwaarden voor brak grondwater niet (resp. 50 en 6,9 mg/l). Als we dit echter zouden vergelijken het criterium voor zoet grondwater, dan wordt de drempelwaarde voor totaal fosfor (2 mg/l) overschreden bij het grondwater van peilbuis 5. Als het grondwater voor chloride getoetst zou worden aan het criterium van zoet grondwater (160 mg/l), dan overschrijdt het grondwater van peilbuizen 7, 10, 17 en 20 de betreffende drempelwaarde. Uit het LMG blijkt dat de afgelopen jaren stijgende trends te zien zijn in van de chlorideconcentraties in het ondiepe grondwater van veengebieden. Dit wijst op een mogelijke verzilting, mogelijk gerelateerd aan de bemaling van de omliggende polders. In andere gebieden zijn geen duidelijke trends zichtbaar omtrent de chlorideconcentratie. Voor ortho-fosfaat is geen drempelwaarde bekend voor zowel zoet als brak grondwater.
Fosfor komt in bodem- en grondwater voor als vrij fosfaat (ortho-fosfaat) en organisch gebonden fosfaat. De hoeveelheid totaal fosfaat wordt dikwijls uitgedrukt als totaal fosfor. Als het hoeveelheid ortho-fosfaat in het grondwater indicatief wordt getoetst aan de drempelwaarde van totaal fosfor, dan zijn er eveneens geen overschrijdingen in het grondwater.
Stantec | 327101152.r01 17
De parameters ammonium, totaal-stikstof, ijzer en arseen overschrijden (lokaal) de betreffende drempelwaarden. Deze stoffen worden in de onderstaande alinea’s per stofgroep besproken. Ammonium In alle peilbuizen die aanvullend op nutriënten zijn geanalyseerd wordt de drempelwaarde voor ammonium (0,2 mg/l) overschreden. Ammonium kan zowel van nature in het grondwater aanwezig zijn als in het grondwater terecht komen door een antropogene bron, zoals door meststoffen of afvalwater. Natuurlijk komt ammonium in grondwater vooral vrij bij de afbraak van organisch materiaal onder anaerobe omstandigheden. De concentratie van ammonium in grondwater kan lokaal sterk variëren, afhankelijk van lokale omstandigheden zoals de aanwezigheid van organisch materiaal en de totale stikstofbelasting. Gebieden met klei- en veenbodems, zoals het Amsterdamse Bos, die grote hoeveelheden organisch materiaal bevatten hebben vaak hogere natuurlijke concentraties van ammonium in het grondwater. Daarnaast kunnen hoge concentraties ammonium ook voorkomen in zeekleigebieden en natte antropogene bebouwde gebieden. Dit zou de overschrijding van de drempelwaarde kunnen verklaren. Ammonium kan onder bepaalde omstandigheden worden omgezet naar nitraat (nitrificatie).
Ondanks dat ammonium van nature aanwezig kan zijn in het grondwater, zijn hoge concentraties ammonium schadelijk voor de aquatische ecologie van het oppervlaktewater. Bij kwel kan het ammonium houdende grondwater terecht komen in het oppervlaktewater. Door oxidatie verdwijnt het echter vaak weer relatief snel uit het water. Verzuring van de bodem kan tevens de nitrificatie remmen, waarbij ammonium wordt omgezet naar nitraat, waardoor ammonium uiteindelijk de dominante vorm van stikstof wordt. Totaal-stikstof In peilbuis 21 is een lichte overschrijding van de drempelwaarde voor totaal-stikstof (11,3 mg/l) in het grondwater waargenomen. In het grondwater worden hoofdzakelijk drie verschijningsvormen van stikstof, namelijk ammonium, nitraat, nitriet en organische componenten. De hoeveelheid ammonium in het grondwater van peilbuis 21 is de belangrijkste bijdrager voor de overschrijding.
Landbouwactiviteiten zijn een belangrijke bron van stikstof in grondwater. In regio’s met intensieve landbouw is de stikstofconcentratie in het grondwater vaak hoger. Dit komt door het stikstofoverschot dat niet door planten wordt opgenomen en uitspoelt naar het grondwater. Uit het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) blijkt dat vooral in zand- en löss-/leemgebieden de grondwaterkwaliteit onder druk staat door hoge stikstofbelasting, voornamelijk afkomstig van de landbouw. Stikstof komt voornamelijk in het grondwater terecht door uitspoeling. Hoge concentraties stikstof hebben verschillende negatieve effecten op de natuur en kunnen bijvoorbeeld leiden tot een overvloed van voedingstoffen in de bodem, waardoor bepaalde plantsoorten, zoals bijvoorbeeld brandnetels en bramen, snel kunnen groeien. Op termijn kan verzuring van de bodem optreden en kan het bos op den duur gevoeliger worden voor droogte en ziekteverwekkers. Verzuring kan er voor zorgen dat de nitrificatie van ammonium wordt geremd, waardoor ammonium uiteindelijk de dominante vorm van stikstof wordt. De aanwezigheid van ammonium in het grondwater is in voorgaande tekst reeds behandeld. De concentraties nitraat en nitriet zijn in alle grondwatermonsters kleiner dan de detectielimiet. Nitraat en nitriet komen van nature slechts in geringe mate voor in het grondwater.
In de bodem en het grondwater kan nitraat worden afgebroken (denitrificatie). Voor denitrificatie is een zuurstofarme omgeving en een reductor nodig, zoals organische stof. In klei- en veengronden, zoals in het Amsterdamse Bos, is het grondwater op geringere dieptes vaak zuurstofarm. In combinatie met de organisch stofrijke bodems vindt hierdoor denitrificatie plaats, waardoor de nitraatconcentraties in ondiep grondwater in deze gebieden relatief laag blijven. Dit is ook zichtbaar in de resultaten. Nitraatrijk kwelwater kan gevolgen hebben voor de biodiversiteit, omdat slechts een beperkt aantal soorten planten en dieren profiteert van de grotere beschikbaarheid van voedingsstoffen IJzer Het grondwater van peilbuizen 1, 5, 9, 14, 20, 21 en 23 overschrijden de drempelwaarde voor ijzer. IJzer komt van nature voor in het grondwater doordat mineralen onder gereduceerde condities oplossen in het grondwater. In het LMG worden de hoogste concentraties ijzer gevonden in het middeldiepte grondwater van zandgebieden met akkerbouw. De laagste concentraties worden gevonden in ondiep grondwater in zandgebieden en löss- leemgebied. Op basis hiervan is de hogere ijzerconcentratie niet eenduidig te verklaren.
Stantec | 327101152.r01 18
Arseen In peilbuis 21 is een overschrijding van de drempelwaarde voor arseen aangetoond (20 µg/l). De aanwezigheid van arseen in het grondwater is gerelateerd aan het voorkomen van pyriet of ijzeroer in de bodem. Wanneer pyriet oxideert of ijzeroer reduceert, komt arseen vrij. In de Nederlandse kustprovincies liggen gebieden waar natuurlijke (fysische en chemische) processen hebben geleid tot verhoogde arseenconcentraties in het grondwater. Belasting van de bodem met arseen gebeurt ook door atmosferische depositie en door meststoffen. In Amsterdam worden in het diepe en ondiepe grondwater regelmatig natuurlijk verhoogde concentraties arseen aangetroffen, die frequent de streefwaarde en plaatselijk zelfs de signaalwaarde overschrijden. In het LMG zijn stijgende trends gedetecteerd in het middeldiepe grondwater van meerdere gebieden. In het ondiepe grondwater van zandgronden komen juist dalende trends voor. Voor de overige gebieden zijn geen duidelijke trends voor het ondiepe grondwater. Bovengenoemde interpretaties hebben plaatsgevonden op basis van de drempelwaardemethodiek en zijn individueel beoordeeld. De uiteindelijke beoordeling van de grondwaterkwaliteit in het Amsterdamse is afhankelijk van het gewenste beschermdoel van het ecosysteem.
Het is belangrijk om te benadrukken dat de resultaten van de volgende bemonsteringsronde ook van belang zullen zijn voor de interpretatie. Pas na meerdere metingen kunnen we een volledig en nauwkeurig beeld krijgen van de grondwaterkwaliteit in het Amsterdamse Bos.
Bij de toetsing is gebruik gemaakt van de nieuwste toetsmodule 4.0, waarbij voor nietvluchtige stoffen de bodemtypecorrectie is vervallen. Hieruit volgt dat op basis van de CROW 400 gewerkt kan worden volgens veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’. Op basis van deze veiligheidsklasse dienen de juiste aanvullende maatregelen genomen te worden gedurende werkzaamheden in de grond. Voor de bijbehorende veiligheidsvoorzieningen, metingen en maatregelen wordt verwezen naar de betreffende publicaties van het CROW.
6.5 TOETSING HYPOTHESE(N) De op basis van het vooronderzoek gestelde hypothese ‘heterogeen belaste bodem’ (zie hoofdstuk Hypothese & strategie) is op basis van de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek juist gebleken. In de grond zijn plaatselijk licht verhoogde zware metalen en minerale olie aangetoond en sterk verhoogde gehalten PAK. In het grondwater overschrijden ammonium, totaal-stikstof, ijzer en arseen (lokaal) de betreffende drempelwaarden voor brak grondwater. De parameters nitraat en totaalfosfor overschrijden de drempelwaarden niet.
6.6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.3 ASFALT Op basis van de aanvullende GC/MS analyses is de PAK concentratie in de asfaltlaag ter plaatse van boring 6 kleiner dan 75 mg/kg d.s. Hiermee wordt de hergebruiknorm van 75 mg/kg (CROW 210) niet overschreden.
6.4 VEILIGHEIDSKUNDIGE ASPECTEN (VOORLOPIGE ARBO VEILIGHEIDSKLASSEN) Met de berekeningsmodule van CROW-publicatie 400 zijn de gehalten van de monsters getoetst aan de betreffende veiligheidseisen.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken:
Conclusies •
•
Met het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld op basis van de scope van het onderzoek. De nulsituatie van het grondwater is in voldoende mate vastgesteld. Daarnaast is er een indicatie verkregen van de milieuhygiënische grondkwaliteit. In het grondwater overschrijden ammonium, totaal-stikstof, ijzer en arseen (lokaal) de betreffende drempelwaarden voor brak grondwater. De parameters nitraat en totaal-fosfor overschrijden de drempelwaarden niet. Het grondwater is beoordeeld op basis van drempelwaardemethodiek. De uiteindelijke beoordeling van de grondwaterkwaliteit in het Amsterdamse is afhankelijk van het gewenste beschermdoel van het ecosysteem.
Stantec | 327101152.r01 19
•
•
Het is belangrijk om te benadrukken dat de resultaten van de volgende bemonsteringsronde ook van belang zullen zijn voor de interpretatie. Pas na meerdere metingen kunnen we een volledig en nauwkeurig beeld krijgen van de grondwaterkwaliteit in het Amsterdamse Bos. In de grond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten zware metalen en minerale olie aangetoond en sterk verhoogde gehalten PAK. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven op dit moment gezien de scope van het onderzoek geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. Als er in de toekomst grondroerende werkzaamheden plaatsvinden of er stappen worden gezet om de kwaliteit van de grond uit het Amsterdamse Bos verder in kaart te brengen kan overwogen om aanvullend onderzoek uit te voeren (zie ‘aanbevelingen’).
Aanbevelingen •
•
•
Aanbevolen wordt om het grondwater te blijven monitoren voor langere tijd, om een beter beeld te krijgen van de waterhuishouding van het Amsterdamse Bos. Het aankomende jaar staan er in ieder geval nog 3 meetronden gepland. Als er in de toekomst werkzaamheden zijn gepland in het bos rondom boring 10 plaatsvinden of er stappen worden gemaakt om de kwaliteit van de grond in het Amsterdamse Bos verder in kaart te brengen wordt aanbevolen om een vervolgonderzoek uit te voeren en dit te richten op de aangetoonde verontreiniging met PAK in de kleigrond van boring 10. Opgemerkt wordt dat niet bij elke peilbuis de grond analytisch is onderzocht. Daarom wordt aanbevolen om in dat geval ook de grond analytisch te onderzoeken bij de sterk baksteenhoudende kleigrond van boring 22. Daarnaast kan overwogen worden om aanvullend analytisch onderzoek te doen bij boringen 12, 21 en 25. Bij deze boringen zijn resten baksteen/ beton aangetoond. De benodigde onderzoeksinspanning is afhankelijk van de aard van het betreffende werkzaamheden of scope van het vervolgonderzoek. Bij toekomstige werkzaamheden moet er rekening gehouden worden dat onder de Omgevingswet de graafwerkzaamheden gelden als milieubelastende activiteit als er meer dan 25 m3 wordt ontgraven. Ter plaatse van boring 10 is bij graafwerkzaamheden de Mba graven met een kwaliteit groter dan de interventiewaarde van toepassing.
Deze Mba moet 4 weken (of 1 week bij tijdelijke uitname) voorafgaand een de werkzaamheden worden gemeld bij het Omgevingsloket/ DSO. Daarnaast moet voldaan worden aan kwaliteitsboringen en de standaard bodemvoorschriften.
•
Voor het overige deel geldt dat sprake van de Mba Graven met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde. Op het verrichten van deze Mba’s geldt een informatieplicht (tenzij de grond tijdelijk wordt uitgenomen). Er geldt geen kwaliteitsborging, maar er moet wel voldaan worden aan de standaard bodemvoorschriften. Opgemerkt wordt dat als er minder dan 25 m3 wordt ontgraven er algemene regels gelden, op de bruidsschat voor kleinschalig graven bij boring 10 na. • Eventueel vrijkomende grond kan waarschijnlijk op of buiten de locatie worden hergebruikt, uitgezonderd de sterk verontreinigde grond van boring 10. Deze grond moet waarschijnlijk worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Als vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen. • Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem.
Stantec | 327101152.r01 20
Arbo Bron 18
BRONVERMELDINGEN Bron 1 Bron 2
Bron 3 Bron 4
Bron 5
Bron 6 Bron 7 Bron 8
Bron 9 Bron 10 Bron 11 Bron 12 Bron 13 Bron 14 Bron 15 Bron 16 Bron 17
NEN 5725:2023 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 oktober 2023. NEN 5740:2023 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 oktober 2023. ARVO 2024 Amsterdamse richtlijn voor bodemonderzoek 2024, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, 10 oktober 2023. BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemen waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 7, 7 maart 2022. Protocol 2001, ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 7, 7 maart 2022. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 7, 7 maart 2022. Besluit kwaliteit leefomgeving, Informatiepunt Leefomgeving, 1 januari 2024. Regeling bodemkwaliteit 2022, regeling van 18 november 2022, houdende vaststelling van de Regeling bodemkwaliteit 2022, Staatscourant nr. 1338, 19 januari 2023 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. Besluit bodemkwaliteit, Informatiepunt Leefomgeving, 15 september 2023.
Besluit Activiteiten Leefomgeving, Informatiepunt Leefomgeving, 1 januari 2024. Bruidsschat Omgevingsplan Artikelen, Informatiepunt Leefomgeving, 22 december 2023. Omgevingsplan Amsterdam basisregeling (definitieve participatieregeling 14 september 2022), Gemeente Amsterdam. Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, 1 januari 2024. Bodemkaart ‘dempingen en ophogingen in Amsterdam’, Dienst Milieu en Bouwtoezicht, 25 februari 2005. Bodemkwaliteitskaart gemeente Amsterdam (https://maps.amsterdam.nl/bodemkwaliteit/?LANG=nl). Bodemkaart ‘dempingen en ophogingen in Amsterdam’, Dienst Milieu en Bouwtoezicht, 25 februari 2005. PFAS bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (https://gisviewer.odnzkg.nl/index.php?@PFAS).
Stantec | 327101152.r01 21
CROW 400 ‘Werken in en met verontreinigde grond. Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risicogestuurd werken’, versie 4, 6 november 2023.
BIJLAGEN Bijlage 1: Overzichtskaart Bijlage 2: Situatietekening Bijlage 3: Onafhankelijkheid, normering, betrouwbaarheid en kwaliteitsborging Bijlage 4: Boorbeschrijvingen Bijlage 5: Zintuiglijke waarnemingen en monsterselectie Bijlage 6: Analysecertificaten en gaschromatogrammen Bijlage 7: Toetsingen analyseresultaten Bijlage 8: Indicatieve toetsing hergebruik/ toepassingsmogelijkheden (Bbk) Bijlage 9: Relevante informatie vooronderzoek Bijlage 10: Foto’s onderzoekslocatie
Bijlage 1: Overzichtskaart
Waterhuishouding Amsterdamse Bos
Overzichtstekening Legenda
J )
Projectlocatie
0
500
1.000
1.500
Opdrachtgever: Gemeente Amsterdam Datum: Schaal: Status:
±
15-7-2024 1:50.000 Definitief
Projectnummer: 327101152 Formaat: A4 landscape Tekenaar: EJHO
2.000 m
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M24\327101152\327101152_Waterhuishouding_Amsterdamse_Bos
J )
Bijlage 2: Situatietekening
Waterhuishouding Amsterdamse Bos Situatietekening 11
<
úú88úú ?
Legenda
6
Projectgebied
20
? ?
10
8
<
ú8ú
19
<
<
8ú ú úú 8úú8ú ú8 ú8ú 15
<
25
?
?
5
Peilbuis tot 2,0 m-mv Peilbuis tot 2,5 m-mv
?
Peilbuis tot 3,0 m-mv Peilbuis tot 3,5 m-mv
?
Peilbuis tot 4,0 m-mv
<
? 9
?
<
úú88ú ú
7
ú8úú ú8ú ú8ú ú8ú ú8ú ú8 <
úú88úú
Peilbuis tot 4,5 m-mv
0
200
12
<
16
21
22
<
ú ú 8 ú ú8ú8 ?
?
18
13 14
17
úú ú ú ú 8 8?
<
<
ú8ú
ú8 ?
1
<
ú8úú ú ú8ú ú8 ú8
2
27
<
26
4
?
23
400
600
800
1.000 m
?
3
ú8ú ?
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
16-7-2024 1:18.000 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
327101152 A3 landscape EJHO
ú8ú <
24
±
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M24\327101152\327101152_Waterhuishouding_Amsterdamse_Bos
<
<
ú8ú ú8ú
Wa te rhuisho ud ing A m ste rd a m se Bo s
Situa tie te ke ning (1 va n 7)
Le g e nd a
Projectgebied
?
Peilbuis tot 2,0 m-mv
?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
<
ú8úú ú8ú ú8
Peilbuis tot 3,5 m-mv
11
<
ú8ú 6
ú8ú ?
0
50
100
150
200
250 m
1 2 3 4 5 6
ú8ú ?
7
ú8ú
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
16-7-2024 1:4.000 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
327101152 A3 landscape EJHO
?
±
N:\ G IS\0 6_p ro je c te n\Bo o rp la nne n e n Vo p a k\M24 \3271 0115 2\327 101 152_Wa te rhuisho ud ing _Am ste rd a m se _Bo s
7
20
Wa te rhuisho ud ing A m ste rd a m se Bo s
Situa tie te ke ning (2 va n 7)
Le g e nd a
Projectgebied
<
ú8úú ú8
Peilbuis tot 2,5 m-mv
?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
9
ú 8 ú ú8ú <
10
?
0
50
100
150
200
250 m
1 2 3 4 5 6
±
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
16-7-2024 1:4.000 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
327101152 A3 landscape EJHO
N:\ G IS\0 6_p ro je c te n\Bo o rp la nne n e n Vo p a k\M24 \3271 0115 2\327 101 152_Wa te rhuisho ud ing _Am ste rd a m se _Bo s
7
Wa te rhuisho ud ing A m ste rd a m se Bo s
Situa tie te ke ning (3 va n 7)
Le g e nd a
Projectgebied
19
<
ú8ú
<
ú8ú
Peilbuis tot 2,5 m-mv
?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
<
8
<
ú8úú ú8ú ú8ú ú8
Peilbuis tot 3,5 m-mv
?
Peilbuis tot 4,0 m-mv
15
<
ú8ú 0
5
50
100
150
200
250 m
ú8ú ?
25
1
ú8ú ?
2 3 4 5 6
12
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
16-7-2024 1:4.000 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
327101152 A3 landscape EJHO
<
ú8ú
±
N:\ G IS\0 6_p ro je c te n\Bo o rp la nne n e n Vo p a k\M24 \3271 0115 2\327 101 152_Wa te rhuisho ud ing _Am ste rd a m se _Bo s
7
Wa te rhuisho ud ing A m ste rd a m se Bo s
Situa tie te ke ning (4 va n 7)
Le g e nd a
Projectgebied
<
ú8úú ú8
Peilbuis tot 2,5 m-mv
?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
16
<
21
8ú ú ú ?
22
ú8ú 0
50
100
150
200
250 m
ú8
1 2 3 4 5 6 7
±
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
16-7-2024 1:4.000 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
327101152 A3 landscape EJHO
N:\ G IS\0 6_p ro je c te n\Bo o rp la nne n e n Vo p a k\M24 \3271 0115 2\327 101 152_Wa te rhuisho ud ing _Am ste rd a m se _Bo s
?
Wa te rhuisho ud ing A m ste rd a m se Bo s
Situa tie te ke ning (5 va n 7)
18 13
<
ú8ú
<
ú8ú
Le g e nd a
17
ú8ú ?
Projectgebied
ú8úú ú8ú ú8ú ú8
Peilbuis tot 3,5 m-mv
?
Peilbuis tot 4,0 m-mv
<
ú8ú ?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
<
14
?
Peilbuis tot 4,5 m-mv
0
50
100
150
200
250 m
1 2 3 1
4
<
ú8ú
5 6
2
<
ú8ú
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
16-7-2024 1:4.000 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
327101152 A3 landscape EJHO
27
ú8ú ?
4
<
ú8ú
±
N:\ G IS\0 6_p ro je c te n\Bo o rp la nne n e n Vo p a k\M24 \3271 0115 2\327 101 152_Wa te rhuisho ud ing _Am ste rd a m se _Bo s
7
Wa te rhuisho ud ing A m ste rd a m se Bo s
Situa tie te ke ning (6 va n 7)
Le g e nd a
Projectgebied
?
Peilbuis tot 4,0 m-mv
<
ú8úú ú8
Peilbuis tot 4,5 m-mv
26
<
ú8ú
23
ú8ú ?
0
50
100
150
200
250 m
1 2 3 4 5
24
ú8ú ?
6
±
Opdrachtgever:
Gemeente Amsterdam
Datum: Schaal: Status:
16-7-2024 1:4.000 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
327101152 A3 landscape EJHO
N:\ G IS\0 6_p ro je c te n\Bo o rp la nne n e n Vo p a k\M24 \3271 0115 2\327 101 152_Wa te rhuisho ud ing _Am ste rd a m se _Bo s
7
Wa te rhuisho ud ing A m ste rd a m se Bo s