2. Toelichting, regels, verbeelding bestemmingsplan August Allebéplein blok 6.pdf
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam
blz. 34
Voldoende water Doel voor 2021 is een robuust watersysteem dat de functies van gebieden faciliteert, en wateroverlast en watertekort voorkomt. In tijden van (extreme) neerslag en droogte zorgt het waterschap ervoor dat het watersysteem dit goed kan opvangen en dat het water aan- en afgevoerd wordt. Er is voldoende water beschikbaar voor vitale functies, nu en in de toekomst. Schoon water Het waterschap wil ervoor zorgen dat al het water in het beheergebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie: voor veeteelt en akkerbouw, als grondstof voor drinkwater, voor recreatie en visserij, als proceswater en voor de natuur. Doel is dat inwoners en bezoekers het water in het gebied ervaren als een verrijking van de omgeving. Van geen van de wateren mag de toestand achteruitgaan. Keur AGV De Waterschapswet zegt in artikel 78 dat het waterschap verordeningen mag opstellen voor de "behartiging van aan het waterschap opgedragen taken". In december 2019 is de Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) vastgesteld. De Keur van het AGV is gericht op het beschermen van de water aan- en -afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem.
In de toelichting bij de Keur is aangegeven dat de aanleg van verhard oppervlak in beginsel leidt tot een grotere belasting van het oppervlaktewatersysteem en/of rioleringssysteem, omdat pieken in de regenafvoer minder worden afgevlakt door infiltratie. Bij nieuwbouw in stedelijk gebied, verdichting in bestaand stedelijk gebied of de aanleg van wegen is sprake van verharding van gebieden waar voorheen water in de bodem kon worden geborgen. De toename van de belasting van het oppervlaktewatersysteem moet daarom worden gecompenseerd door de initiatiefnemer. Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien. Op grond van artikel 2.3 van de Keur is het verboden om in stedelijk gebied meer dan 1.000 vierkante meter verharding aan te brengen of het verhard oppervlak met 1.000 vierkante meter te laten toenemen. Het Dagelijks Bestuur van het waterschap kan ontheffing verlenen van deze verbodsbepaling. Gemeentelijk rioleringsplan 2016-2021 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater; de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater; het nemen van grondwatermaatregelen. In het gemeentelijke rioleringsplan 2016 - 2021 staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld.
Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Dit plan is hiermee een zogenaamd verbreed gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Met dit plan voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer is opgenomen. 4.5.3
Watertoets
Waterkeringen Binnen het plangebied ligt geen waterkering. Oppervlaktewater
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 35
Binnen het plangebied wordt geen nieuw oppervlaktewater gegraven. Er is ook geen oppervlaktewater binnen het plangebied aanwezig. Oppervlakteverharding Bij plannen met een toename aan verhard oppervlak, verharding plus bebouwing, van meer dan 1000 m2, moet die toename worden gecompenseerd met extra oppervlaktewater ter grootte van minimaal 10% van de toename van het verhard oppervlak. De compensatie moet zijn uitgevoerd voor de start van de bouw en of herinrichting van het maaiveld. In de bestaande situatie is 7146 m2 binnen het plangebied verhard en 2506 m2 groen.
In de nieuwe situatie wordt 7978 m2 van het gebied verhard en blijft er 1647 m2 groen in de vorm van een groene binnentuin over. De totale extra verharding na realisatie van de plannen bedraagt daarmee 832 m2 (7978 m2 - 7146 m2). De toename van de verharding bedraagt minder dan 1000 m2 en daarmee is dus geen watercompensatieverplichting. Om te verzekeren dat de binnentuin groen blijft en niet wordt verhard, is een regel in het bestemmingsplan opgenomen die dit borgt.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
Grondwater Bij het vaststellen van de gewenste ontwatering in nieuw in te richten gebieden wordt het bouwpeil als uitgangspunt genomen. Sinds 1996 is een inrichtingsnorm voor grondwater in nieuw in te richten gebieden van kracht. Een ontwateringdiepte van 0,50 meter beneden maaiveld mag met een herhalingskans van ½ keer per jaar (1x per 2 jaar) worden overschreden. Deze norm gaat uit van het bouwen zonder kruipruimten. Wanneer bij de inrichting van het gebied wordt gebouwd met kruipruimten, mag een ontwateringdiepte van 0,90 meter beneden maaiveld met een herhalingskans van ½ keer per jaar (1x per 2 jaar) worden overschreden. Hierbij wordt als richtlijn een verhoogde grondwaterstand over een periode van vijf dagen achtereen als overschrijdingsduur gehanteerd. Het bovenstaand houdt in dat in de planvorming voldaan moet worden aan de grondwaternorm. Het reguleren van grondwater door middel van drainage is in principe niet toegestaan. Omdat in het plangebied een ondergrondse parkeergarage wordt gerealiseerd, is onderzoek gedaan naar de gevolgen van deze parkeergarage voor de waterhuishouding. Dit onderzoek is bijgevoegd (bijlage 4). Uit het onderzoek blijkt dat nieuwbouw in de eindsituatie met klimaatverandering niet aan de grondwaternorm voor bouwen met kruipruimte (0,9 meter onder maaiveld) voldoet.
Het advies is het maaiveld op blok 6 met 0,2 meter omhoog te brengen naar NAP -0,6 meter om wel te voldoen. Het vloerpeil dient afgestemd te worden op de aangepaste maaiveldhoogte. De verplichting om het maaiveld met 0,2 meter omhoog te brengen wordt meegenomen in de tender. Ook is in het hydrologisch onderzoek beoordeeld of de parkeerkelder grondwaterneutraal uitgevoerd moet worden. Het blijkt dat de ondergrondse parkeerkelder gevolgen heeft voor de grondwaterstroming, wat op termijn een risico oplevert voor een te hoog grondwater. Het advies is dan ook de parkeerkelder grondwaterneutraal te laten uitvoeren. De noodzakelijke maatregelen om dat te borgen zijn beschreven in hydrologisch onderzoek. In de tender wordt de verplichting om de kelder grondwaterneutraal uit te voeren opgenomen. Voor de halfverdiepte parkeerkelder, die ook mogelijk is op grond van het bestemmingsplan, wordt in de tender een verplichting om hydrologisch onderzoek te doen opgenomen en zo nodig om deze ook grondwaterneutraal uit te voeren. bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 37
Riolering Binnen het plangebied is een gescheiden rioolstelsel aanwezig Materiaalkeuze Op basis van de Keur is het niet toegestaan om initiatieven te ontplooien die leiden tot een verslechtering van de (grond)waterkwaliteit. Het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink en koper beïnvloedt de kwaliteit van regen- en oppervlaktewater negatief en is daarom niet toegestaan. Hemelwater / Rainproof Er wordt een nieuw rioolstelsel aangelegd waarbij het hemelwater gescheiden van het vuilwater wordt afgevoerd. Men spreekt van afkoppelen van hemelwater als de hemelwaterlozingen die samen met vuilwater op een gemengd rioolstelsel zitten, er afgehaald worden. Schoon hemelwater afkomstig van schone dakoppervlakken wordt zoveel mogelijk hergebruikt, geïnfiltreerd in de bodem of vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het aanleggen van nieuwe gemengde rioolstelsels is in principe niet toegestaan. Binnen de gemeente worden alle ontwikkelingen Rainproof ingericht. Dat houdt in dat het hemelwater door het nemen van maatregelen als daktuinen, polderdaken, intern gebruik van hemelwater e.d. vastgehouden moet worden en geborgen. Binnen het project wordt maatregelen genomen die passen bij de Rainproof gedachte. Onder meer wordt voorgeschreven dat van 50% van de dakoppervlakte moet worden ingericht als groen dak.
Die voorwaarde wordt niet in het bestemmingsplan opgenomen, maar zal in de tender worden opgenomen.
4.6
Ecologie
4.5.1
Wet natuurbescherming
Inleiding Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 , de Flora- en faunawet en de Boswet. Met de Wet natuurbescherming wordt gepoogd om een eind te maken aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. De wet beoogt één integraal en vereenvoudigd kader voor Natuurbescherming te introduceren. Het nieuwe stelsel neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt en beoogt qua systematiek dicht tegen de formuleringen uit de richtlijnen aan te kruipen. De wet valt, als het gaat om beschermingsregimes, uiteen in een regime voor gebiedbescherming en een voor soortenbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedbescherming binnen de Wnb ziet alleen op de bescherming van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en niet meer voor op de op grond van de oude wet aangewezen beschermde Natuurmonumenten, voor zover deze niet deels dan wel geheel vallen binnen een Natura 2000-gebied. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt op grond van de Wet een vergunningplicht.
Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan moet al duidelijk zijn of de ontwikkelingsmogelijkheden die in het plan worden opgenomen niet leiden tot een aantasting van de
Gemeente Amsterdam
blz. 38
natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Het in de wet opgenomen beschermingsregime voor soorten valt uiteen in drie afzonderlijke regimes, die elkaar deels overlappen. Het gaat om de volgende regimes: 1. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten zijn verschillende verbodsbepalingen opgenomen onder meer een verbod om dieren opzettelijk te verstoren, een verbod nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen en een verbod om planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ontheffing van deze verboden is mogelijk mits wordt vastgesteld dat er een er geen andere bevredigende oplossing is en met zekerheid geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding . Bovendien dient sprake te zijn van een van de ontheffingsgronden die zijn opgenomen in de Hrl.
De belangrijkste ontheffingsgronden zijn: het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 2. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels die beschermd zijn op grond van de Vogelrichtlijn. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het verboden is vogels opzettelijk te storen. Ontheffing van de verbodsbepaling is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn niet als ontheffingsgrond genoemd en kunnen niet ten grondslag worden gelegd aan een ontheffing te verlenen. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is.
Dit betekent overigens niet dat het vernielen, verplaatsen of het beschadigen van nesten is toegestaan, hiervoor gelden aanvullend de eerder genoemde verbodsbepalingen. 3. Het beschermingsregime voor nationale soorten, dat van toepassing is op soorten die vermeld zijn op de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er wordt vanuit gegaan dat jurisprudentie van de afdeling die onder de Flora- en faunawet bestond, ook van toepassing is op het nieuwe wettelijke stelsel. Dit betekent dat een bestemmingsplan alleen kan worden vastgesteld, als is aangetoond dat de verbodsbepalingen uit de Wnb ter bescherming van bepaalde soorten niet aan de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Voorgaande kan door middel van ecologisch onderzoek worden aangetoond. Onderzoek Er is door het ecologisch bureau Blom Ecologie B.V. onderzoek gedaan naar mogelijke beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Beschermde natuurgebieden en Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op grote afstand van beschermde natuurgebieden, de zogenaamde natura 2000 gebieden en op grote afstand van Natuurnetwerk Nederland.
Effecten in de vorm van trillingen, geluid, optische verstoring, etc trede niet op, omdat de afstand tot omliggende gebieden te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland wordt nog opgemerkt dat externe werking geen bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 39
toetsingskader vormt. In het ecologische onderzoek is mogelijk extra stikstofdepositie op natura-2000 gebieden wel nader beschouwd. Het extra verkeer dat de ontwikkeling genereert kan namelijk extra stikstofdepositie opleveren. Van de Natura2000-gebieden in de omgeving van het plangebied is het gebied de Polder Westzaan(op 8,4km afstand) het dichtstbij gelegen gebied met kwetsbare en gevoelige habitattypen (pas.natura2000.nl). Uit een door het bureau uitgevoerde berekening met het programma Aerius blijkt dat de verkeersbewegingen niet leiden tot stikstofdepositie een Natura 2000-gebied. De door het bureau uitgevoerde berekening is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd (Bijlage 5). Beschermde Flora- en fauna Binnen het plangebied en/of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor (Bijlage 6). Het plangebied heeft blijkens het ecologisch onderzoek geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of bijzondere nationaal beschermde soorten. De locatie en omgeving ervan worden incidenteel betreden door algemene amfibieën en zoogdieren. Op de planlocatie zijn geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels aanwezig.
Conclusie Vanwege het ontbreken van strikt beschermde soorten binnen het plangebied is met zekerheid geen effect op deze soorten te verwachten. Een effect op beschermde natuurgebieden en Natuurnetwerk Nederland is vanwege de afstand tussen plangebied en deze gebieden, uitgesloten. De Wet natuurbescherming levert geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling van het plangebied.
4.7
Cultuurhistorie en archeologie
4.7.1
Algemeen
Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van onze stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Door de invoering van de nieuwe Monumentenwet 1988 in september 2007 is archeologische zorg formeel geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de nieuwe wet is dat het erfgoed in de bodem beter wordt beschermd. Dit betekent dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dichtbebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie. 4.7.2
Beleid en regelgeving
Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten. Archeologiebeleid Amsterdam In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De nieuwe wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen.
Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht.
Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Bureau Monumentenzorg en Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. Nota cultuurhistorie Nieuw - West De Nota Cultuurhistorie Nieuw - West is op 26 juni 2013 door de stadsdeelraad vastgesteld. De doelstelling van de Nota Cultuurhistorie is om de hooggewaardeerde architectonische objecten en stedenbouwkundige structuren van de Westelijke Tuinsteden te beschermen zonder daarbij de stedelijke ontwikkeling en de stedelijke vernieuwing in het bijzonder op slot te zetten. De nota bevat richtlijnen hoe om te gaan met cultuurhistorische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 41
4.7.3
Waardering
Archeologie Door Bureau Monumenten & Archeologie is in oktober 2007 een archeologisch bureauonderzoek voor het hele Overtoomse Veld uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 opgenomen bij het bestemmingsplan. Voor het plangebied geldt volgens dit onderzoek een lage archeologische waarde. Dit komt mede doordat eventuele archeologische waarden een lage concentratie en een wijde verspreiding hebben. Mogelijke waarden zijn bewoningssporen, erven, terpen, verkavelingsporen, sloten en kades uit de ontginningsperiode (12de/13de eeuw) en latere tijd tot de verstedelijking na 1950. Vanwege de lage archeologische verwachting is nader onderzoek niet noodzakelijk. Mocht tijdens de werkzaamheden archeologische indicatoren worden aangetroffen, dan geldt hiervoor de vondstmeldplicht op grond van de Erfgoedwet. Cultuurhistorie Bureau Monumenten en Archeologie heeft onderzoek gedaan naar de cultuurhistorische waarden van het naoorlogs erfgoed binnen het plangebied. In de AUP-gebieden zijn de architectuur van de bebouwing en de stedenbouwkundige opzet niet los van elkaar te zien. In de Waarderingskaarten AUP-gebieden wordt de oorspronkelijke planopzet en uitvoering gewaardeerd. Dat betekent dat bij de beoordeling zoveel mogelijk is uitgegaan van de huidige situatie in het perspectief van de oorspronkelijke bedoelingen van het stedenbouwkundig- en architectonische ontwerp.
Bij de waardering is zowel naar de architectonische als stedenbouwkundige kant van de bebouwing gekeken. De waardering van de bebouwing is gebaseerd op vier aspecten: Kaart A: de interne organisatie van het object (typologie en plattegrond); Kaart B: de ruimtelijke vormgeving van objecten (architectuur); Kaart C: de groepering van objecten (verkaveling); Kaart D: de bijdrage van objecten aan de kwaliteit van tuinstedelijke ensembles als geheel (bijdrage aan tuinstadkarakter). Alle objecten en groepen van objecten zijn op deze vier aspecten kort getypeerd en gewaardeerd met 1-5 punten. Het totaal komt uit op een schaal van 0-20 punten. De totaalwaardering leidt tot de volgende ordewaarderingen: 0-10 basiskwaliteit (Basisorde); 11-14 middel kwaliteit (Orde 3); 15-17 hoge kwaliteit (Orde 2); 18-20 topkwaliteit (Orde 1). Hieronder is een uitsnede van de waarderingskaart ter hoogte van het plangebied opgenomen.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
Uitsnede waarderingskaart Het blijkt dat de Postjeswegflat, de winkels met bovenwoningen langs de Jan Tooropstraat orde 3 panden betreffen. Binnen het plangebied blijven deze gebouwen staan. Ook het gebouw waar nu VLLA is gevestigd betreft een orde 3 pand. De Postjeswegflat en de winkels met bovenwoningen langs de Jan Tooropstraat worden binnen het plan behouden. Alleen het gebouw aar nu VLLA is gevestigd wordt gesloopt. Het beleid, zijnde Nota cultuurhistorie Nieuw - West, verzet zich niet tegen sloop van orde 3 panden.
4.8
Luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Regelgeving In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland namelijk concentraties voor die in de buurt van de grenswaarden liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarden.
Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 43
Besluit en regeling 'niet in betekenende mate' De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdrage kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de negatieve effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen ter verbetering van luchtkwaliteit die ook in het NSL zijn opgenomen. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol.
Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen Toetsing ontwikkelingen aan regelgeving In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' is voor een aantal specifieke projecten een berekening gemaakt bij welk bouwprogramma nog sprake is van 'niet in betekenende mate'. Dit is als het project betrekking heeft op maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beide. Bij het onderhavige project gaat het om het realiseren van maximaal 300 woningen en maximaal 800 m2 voorzieningen. Het merendeel van deze ontwikkeling is al in het huidige bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Het betreft hier op grond van de Regeling een project dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Huidige luchtkwaliteit Naast bovenstaande beoordeling is ook gekeken of in de huidige situatie de luchtkwaliteit voldoende is. Hiertoe is de NSL-monitoringstool geraadpleegd.
Resultaten NSL-monitoringstool Uit deze tool blijkt dat de concentraties stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijnstof in 2020 langs de Postjesweg ter hoogte van het plangebied afgerond 21, 21 en 12 microgram per m3 bedragen. Hiermee bevinden de concentraties stikstofdioxide en fijnstof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3. Ook voor zeer fijnstof wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide wordt vanaf concentraties boven de 60 microgram per m3 overschreden. De concentratie in het plangebied bedraagt 21 microgram per m3, wat betekent dat ook aan de uurgemiddelde grenswaarde wordt voldaan. Naast een jaargemiddelde grenswaarde voor fijnstof is er ook een daggemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m3 van kracht, die per jaar 35 keer mag worden overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dat de daggemiddelde grenswaarde circa 8 keer paar jaar wordt overschreden. Er wordt dus ook voldaan aan de daggemiddelde grenswaarde. Conclusie Het project draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regelgeving. Ook is in het plangebied de luchtkwaliteit in Gemeente Amsterdam
blz. 44
orde en levert dat ook geen belemmering op voor de voorgestane ontwikkeling.
4.9
Luchthavenindelingsbesluit
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is een Algemene Maatregel van Bestuur, die gebaseerd is op de Wet luchtvaart. In de Wet luchtvaart is bepaald dat onder andere bij de vaststelling van een bestemmingsplan het LIB in acht moet worden genomen. In het LIB is o.a. een beperkingengebied vastgesteld waar in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond. Het beperkingengebied is aangegeven op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het LIB. Het LIB bevat regels over: de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. Toetsing plan Het voorliggende plan valt binnen dit beperkingengebied. Voor het plangebied geldt op grond van het LIB een hoogtebeperking. De maatgevende toetshoogte in het plangebied voor radar bedraagt 48 meter.
Omdat de woontoren, die binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt, hoger is dan 48 meter, namelijk 65 meter, is een verklaring van geen bezwaar bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu aangevraagd. Het Ministerie heeft op 9 maart 2018 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Die verklaring is bijgevoegd (bijlage 8). Het plangebied valt hiernaast binnen het vogelbeperkingengebied. Omdat in het plangebied geen vogelaantrekkende functies, zoals grote waterpartijen, zijn voorzien voldoet dit bestemmingsplan op dit punt aan het LIB.
4.10
Hoogbouweffectrapportage
4.10.1 Algemeen De Structuurvisie Amsterdam 2040, die in februari 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld, staat de visie van de gemeente Amsterdam ten aanzien van hoogbouw. De visie is nader uitgewerkt in het door B&W in mei 2011 vastgestelde beleidstuk: Hoogbouw in Amsterdam. Amsterdam streeft naar een economisch sterke en duurzaam ingerichte stad. Daarbij vormt het intensiever gebruik van de stad en tegelijk het openhouden van het landschap één van de doelen. Hoogbouw kan een belangrijk middel zijn bij de verdichting van de stad, maar is niet in alle gevallen even wenselijk. De structuurvisie geeft aan in welke gebieden hoogbouw wordt gestimuleerd en in welke gebieden hoogbouw zeer terughoudend wordt toegepast wanneer de impact van een hoogbouwplan op het stedelijk landschap onderzocht moet worden.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 45
4.10.2 Windhinderonderzoek Door DPA Caubergen Huygens is in 2016 een oriënterende theoretisch beoordeling van het windklimaat in het plangebied na realisatie van de verschillende gebouwen gedaan (bijlage 9). Uit de notitie blijkt dat naar verwachting het windklimaat rondom het bouwblok voor het overgrote deel goed zijn voor doorlopen (klasse C of beter). Langs de oostgevel van het blok zal het windklimaat luw zijn, met klasse B geschikt voor slenteren of als entreegebied voor winkels. Het binnenhof ligt beschut achter hoge volumes, het windklimaat zal hier luw zijn (klasse A tot B: goed voor slenteren, matig tot goed voor langdurig zitten). In de onderdoorgang aan de noordzijde van het blok, waar het 25 meter hoge volume over de Jan Tooropstraat heen loopt, is de kans op een minder gunstig windklimaat aanwezig. Deze doorgang is in de huidige situatie echter ook aanwezig. Er worden hier geen ingrijpende wijzigingen (verslechteringen) verwacht door het toevoegen van de nieuwe volumes. Rondom de woontoren aan de Postjesweg wordt een minder gunstig windklimaat verwacht. Nabij de gebouwhoek mogelijk klasse D: matig voor doorlopen, slecht voor slenteren.
Bij een meer westelijke wind bestaat daarnaast de kans dat langs een deel van de westgevel ook een ongunstig windklimaat aanwezig zal zijn, doordat langs het hoge gebouw wind met hogere snelheden naar maaiveld zal verplaatsen en langs de westgevel zal afstromen. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder op een situatieschets weergegeven.
Inmiddels zijn de uitgangspunten van de plannen iets gewijzigd ten opzichte van de in de notitie beschouwde situatie. De wijziging zijn echter niet van dien aard dat de resultaten niet gebruikt kunnen worden voor de beoordeling of nader onderzoek noodzakelijk is. Langs de woontoren komt een wandelroute naar de binnentuin en aangrenzend aan het plangebied komt
Gemeente Amsterdam
blz. 46
een park met speelgelegenheden voor kinderen. Dit noopt tot nader windonderzoek, omdat het windklimaat in de directe omgeving zich niet leent voor slenteren en langdurige zitten, terwijl dit wel de bedoeling is. Er is dan ook nader onderzoek gedaan naar mogelijke windhinder. Uit dit onderzoek gedaan door Actiflow (bijlage 10) blijkt het volgende. Geconcludeerd kan worden dat het windklimaat in beide situaties als goed tot matig kan worden omschreven. In de nieuwe situatie wordt de zone met windhinderklasse C en D groter nabij de nieuwbouw. Dergelijke zones op de Postjesweg worden echter kleiner. Hierdoor kan dan ook gesteld worden dat door toevoeging van de nieuwbouw het windklimaat nabij bestaande bebouwing beter wordt. Nabij de nieuwbouw dient echter rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van hogere windhinderklassen. Die hoger windhinderklassen zijn aanwezig bij de onderdoorgang en de noordwestelijke hoek van de toren. Die leveren verder geen probleem op, omdat deze gebied alleen gebruikt wordt voor het passeren van personen. Comfortabel verblijf is op deze plekken niet noodzakelijk. Ook wordt in het ontwerp van het gebouw rekening gehouden met de positie van de entree tot het gebouw. Die kan niet in het gebied met de hoger windhinderklassen komen. Er is echter voldoende ruimte om die entree te situeren in een gebied met een beter windklimaat.
In grote delen van het park dat aangrenzend aan het plangebied wordt gerealiseerd, gelden windklasse A en B. Die windklassen zijn geschikt voor verblijfsgebieden. 4.10.3 Bezonningstudie In verband met de hoogbouw van 65 meter binnen het plangebied is een bezonningstudie gedaan (bijlage 13). Bij die studie is gekeken naar de schaduw van de verschillende gebouwen op 21 maart, 21 juni, 23 september, 21 december. Dit betreft de maatgevende dagen. Uit de bezonningstudie blijkt dat de hoogbouw langs de Postjesweg veel schaduw oplevert. Die schaduw valt echter, in de ochtenduren, niet op gebouwen of tuinen, maar over het spoortracé en daar aangrenzende groenstroken ten westen van de hoogbouw. In de middaguren valt in maart de schaduw over de gebouwen aan de overzijde van de Postjesweg. Voor deze gebouwen levert dit een beperkte verslechtering van de bezonning op. In de maand juni komt de schaduw in de ochtend te liggen over het aan te leggen park ten westen van het plangebied en in de middag over de Postjesweg en de bestaande flat binnen plangebied. In het najaar en de winter is de situatie grotendeels gelijk aan als in maart, waarbij de schaduw van de hoogbouw in de middaguren over de gebouwen aan de overkant van de Postjesweg komt te liggen. Ook hiervoor geldt dat geen sprake is van een ernstig beperking van dag- en/of zonlicht.
Voor het overige blijkt uit de bezonningstudie dat een groene invulling van de binnentuin goed mogelijk is. Het binnenterrein ontvangt voldoende zon en komt vanwege de bebouwing niet volledig in de schaduw te liggen.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 47
4.11
Externe veiligheid
4.11.1 Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.
Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens. In en rondom het plangebied bevinden zich twee transportroutes, namelijk de A10 en de Spoorlijn Amsterdam – Schiphol. Hieronder worden de risico's van deze activiteiten voor de omgeving omschreven. Over de spoorlijn Amsterdam - Schiphol die in de nabijheid van het plangebied is gelegen, gaan geen transporten met gevaarlijke stoffen. Over de A10 gaan wel gevaarlijke stoffen, de afstand tot de A10 ten opzichte van het plangebied is zodanig groot dat een eventueel ongewoon voorval met een gevaarlijke stof op de A10 geen gevolgen heeft binnen het plangebied. Conclusie Gezien bovenstaande is een verdere beschouwing van de extern veiligheidssituatie binnen het plangebied niet noodzakelijk.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
4.12
Parkeren en ontsluiting
Autoparkeren Er wordt bij wordt er vanuit gegaan dat alle parkeerplaatsen voor de nieuwe woningen en voor de nieuwe voorzieningen worden ondergebracht in de binnen het plangebied nieuwe parkeergarage. De noodzakelijke aantallen parkeerplaatsen worden bepaald aan de hand van de parkeernormen zoals opgenomen in de in 2017 vastgesteld Nota Parkeernormen Auto. De op grond van deze Nota geldende parkeernormen zijn: Vrije sectorwoningen: 0,6 - 1 pp/w (voor woningen > 60 m² bvo) Vrije sectorwoningen: 0,3 – 1 pp/w (voor woningen < 60 m² bvo) Middensegment: 0-1 pp/w Sociale huurwoningen en middensegment woningen: 0 -1 pp/w Voorzieningen, actuele kencijfers van de CROW, zo nodig aangepast aan Amsterdamse situatie. Om te borgen dat voor de nieuwe functies in het plangebied in voldoende mate in parkeerplaatsen wordt voorzien is in de regels van dit bestemmingsplan een verplichting opgenomen om in voldoende parkeerplaatsen te voorzien. Het gaat daarbij alleen om parkeren ten behoeve van de bewoners en gebruikers van de nieuwe voorzieningen. Parkeren voor bezoekers wordt op straat opgelost, met een norm van 0,1 autoparkeerplaats per woning. Met het huidige programma zijn er naar schatting 30 autoparkeerplekken noodzakelijk. Die parkeerplekken passen in de parkeergarage die onder het gebouw aan de Marius Bauerstraat gerealiseerd kan worden.
Opheffen parkeerplaatsen De plannen betekenen dat de 110 parkeerplaatsen, die nu langs de Willem Roelofstraat zijn gelegen, verdwijnen. Er is nader onderzoek gedaan naar de effect van dit verlies aan parkeerplaatsen op de parkeerdruk in de Wijk Overtoomse Veld Zuid. Uit het verkregen parkeeradvies (zie bijlage 12) blijkt dat de parkeerdruk ten gevolge van dit verlies aan parkeerplaatsen stijgt naar 85 procent. Hierbij is zowel rekening gehouden met de ontwikkelingen die binnen plangebied plaatsvinden als de ontwikkeling die in de buurt plaatsvinden of gaan plaatsvinden. Een parkeerdruk van 85% is weliswaar een stevige parkeerdruk, maar nog wel acceptabel blijkens het advies. Daarbij wordt nog gewezen op het feit dat in de aangrenzende buurt, de Jacob Geelbuurt, de parkeerdruk laag is. In bijvoorbeeld de nabij gelegen Hemsterhuistraat zijn nog voldoende vrije parkeerplekken. Van de 300 plekken langs deze straat zijn er op het maatgevende moment maar 36% bezet. Ook wordt nog gewezen op de goede bereikbaarheid van het plangebied via het openbare vervoer. Tot slot wordt erop gewezen dat door herinrichting van de openbare ruimte aangrezend aan het plangebied naar verwachting 28 parkeerplaatsen bijkomen ten opzichte van de nu bestaande situatie. De nieuwe inrichting voor de Marius Bauerstraat (tussen Tooropstraat en watergang langs het spoor) levert 15 nieuwe parkeerplaatsen op.
Doo herinrichting van de parallelweg aan de zuidzijde van de Postjesweg (tussen Tooropstraat en spoor) komen 13 parkeerplaatsen bij. Fietspark eren In de onlangs vastgestelde 'Nota parkeernormen-Fiets en Scooters' is het beleidskader opgenomen op basis waarvan de gemeente bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stelt aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen. Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet-bindende richtlijnen. Uitgangspunt voor zowel fiets- als scooterparkeren is dat dit op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig. De beleidsregels gelden alleen voor fietsparkeren bij niet-woonfuncties, zoals kantoren, horeca en bedrijven. In de regels van dit bestemmingsplan is verplichting opgenomen om bij vestiging van nieuwe
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 49
niet-woonfuncties in het plangebied op eigen terrein in voldoende mate ruimte te realiseren voor het stallen van fietsen. Daarmee wordt voldaan aan het beleid uit de nota. Ontsluiting Het nieuwe plan betekent een andere wijze van ontsluiten. De doorgaande route die De Willem Roeloefstraat vormt verdwijnt. Verkeer van en naar de bestaande functies binnen plangebied en de nieuwe functies zal nu plaatsvinden via de ontsluiting op de Marius Bauerstraat. Gezien deze verkeerskundige wijzigingen in het plangebied is beoordeeld welke gevolgen dit heeft voor het kruispunt van de Marius Bauerstraat met de Jan Tooropstraat. Dit kruispunt krijgt het meeste verkeer te verwerken en is direct naast de nieuwe ontsluiting gelegen. In het onderzoek (bijlage 13) is gekeken naar het verkeer in 2020 en in 2030. Vervolgens is beoordeeld hoe de huidige kruising (gelijkwaardig) scoort op doorstroming, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid. Daarnaast is ook gekeken naar andere kruispuntvormen (rotonde en voorrangskruising) en hoe deze scoren op eerdergenoemde punten. Uit het onderzoek blijkt dat bij dit type weg, erftoegangsweg, alleen een gelijkwaardig kruispunt of voorrangskruispunt of een enkelstrooksrotonde passen. De capaciteit van deze drie kruispuntvormen is ruim voldoende voor de berekende kruispuntstromen.
Daarbij scoort de enkelstrooksrotonde het beste op de punten van verkeersveiligheid en oversteekbaarheid voor fietsers. Aangezien fietsers voorrang krijgen bij de rotonde scoort de oversteekbaarheid en veiligheid voor fietsers hoog. Bij een voorrangskruispunt is het voor de fietsers vanaf de zijweg moeilijk om over te steken, door de hogere intensiteiten op de hoofdweg (Jan Tooropstraat). De verkeersveiligheid voor gemotoriseerd verkeer en fietsers scoort voldoende. De huidige kruispuntvorm, een gelijkwaardig kruispunt, scoort voldoende op verkeersveiligheid en oversteekbaarheid. De verkeersveiligheid voor fietsers scoort echter wel matig. Er is echter geen sprake van een situatie die geen goede ruimtelijke ordening oplevert.
4.13
Milieueffectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Besluit m.e.r. is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Ook kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor activiteiten die wel worden genoemd in het Besluit m.e.r., maar vanwege de omvang van de activiteit(onder de drempelwaarde) geen m.e.r.(beoordelings)plicht kent. Voorliggend bestemmingsplan project voorziet in nieuwe woningbouw met enkele voorzieningen.
Deze (her)ontwikkeling is geen aangewezen geen project waarvoor vanwege de activiteit en/of omvang daarvan op grond van de C-lijst een m.e.r.-plicht geldt. Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State Gemeente Amsterdam
blz. 50
(ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit de Nota van Toelichting (Stb. 2011, 102) bij het besluit m.e.r. blijkt dat bij een stedelijke ontwikkelingsproject het gaat om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. (..) Wat 'stedelijke ontwikkeling' inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Wat van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Uit de nota van toelichting blijkt dat ook de locatie van het plan een rol speelt bij het bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een groot appartementencomplex in een landelijk gebied of een dorp heeft heel andere gevolgen dan hetzelfde appartementencomplex in sterk verstedelijkt gebied. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan in vergelijking tot de bestaande (planologische) situatie beperkt toe.
De realisatie van maximaal 310 woningen en 800 m2 aan voorzieningen betreft een wijziging die, gezien het planologisch toegestane gebruik, naar aard en omvang zeer beperkt is. Op de locatie is bovendien sprake van een sterk verstedelijkt gebied. In de directe omgeving zijn gelijke gebouwen met eenzelfde gebruik als binnen het plangebied aanwezig. Er is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Een (vormvrije) m.e.r. beoordeling is voor onderhavig plan dus niet noodzakelijk.
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 51
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.
Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.
5.2
Planvorm
Dit bestemmingsplan heeft deels een ontwikkelingsgerichte karakter en deels een conserverend karakter. De gebouwen langs de Postjesweg en de Jan Toroopstraat blijven staan. Binnen dit bestemmingsplan is het bestaande gebruik van deze gebouwen bestemd en het plan kent in zoverre dus een conserverend karakter. Voor de overige delen van het plangebied wordt voorzien in ontwikkelingen. Er is gekozen voor een gedetailleerd bestemmingsplan.
5.3
Artikelgewijze toelichting
5.3.1
Toelichting op de planregels
Algemeen In de standaarden voor vergelijkbaarheid, de SVBP 2012, is voorgeschreven hoe de regels van het bestemmingsplan dienen te worden opgebouwd. Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient een vaste volgorde te worden aangehouden. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk worden de begrippen en wijze van meten behandeld. Deze hebben als doel begrippen in de regels te verklaren en eenduidige richtlijnen te geven op basis waarvan de bouwmaten die zijn opgenomen in de regels dienen te worden gemeten. In het tweede hoofdstuk zijn de regels opgenomen, die betrekking hebben op alle bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Het derde en vierde hoofdstuk omvat een aantal regels, die niet op een bepaalde bestemming betrekking hebben, maar voor het gehele bestemmingsplan gelden.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
Het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel zijn opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. In een bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – zo nodig – hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Ter bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid is hierbij een vaste volgorde aangehouden. In de bestemmingsomschrijving is beschreven welke functies binnen de betreffende bestemming zijn toegestaan. In de bouwregels is weergegeven of en hoe gebouwd mag worden. Daarin wordt in algemene zin geregeld in alle bestemmingen dat er slechts gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming. In de navolgende (sub)leden zijn maten zoals oppervlakten en bouwhoogten opgenomen, die betrekking hebben op de toegestane gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. In een aantal gevallen is een afwijking van bepalingen in de eerder genoemde leden als direct recht mogelijk, in andere gevallen moet het dagelijks bestuur een besluit nemen om af te wijken van de regels uit het bestemmingsplan. In de specifieke gebruiksregels zijn nadere bepalingen gegeven over de functies die zijn vermeld in de doeleindenomschrijving. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van bepaalde functies beperkt worden, of de situering van functies worden aangewezen.
Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven. 5.3.2
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Het beleid wordt niet toegelicht, maar de wijze van regelen. Artikel 3 - Gemengd De bestemming 'Gemengd' is gegeven aan de bebouwing die binnen plangebied blijft staan. Het betreft de Postjeswegflat en de winkels met bovenwoningen langs de Jan Tooropstraat. Binnen de bestemming zijn nog de aanduidingen 'supermarkt' en 'parkeergarage' opgenomen. Deze aanduidingen zijn overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan. Ook de binnenstraat aan de achterzijde van de bestaande bebouwing heeft de bestemming 'Gemengd' gekregen, omdat deze binnenstraat niet alleen bedoeld is voor ontsluiting van de woningen, maar ook als laad- en loszone voor aangrenzende winkels en andere niet - woonfuncties. Artikel 4 - Verkeer - 1 De gronden die hoofdzakelijk een verkeersfunctie hebben de bestemming 'Verkeer - 1' gekregen.
Artikel 5 - Verkeer - 2 De gronden die straks in gebruik zijn als voetgangers- en/of verblijfsgebied hebben de bestemming 'Verkeer - 2' gekregen. Hier is gebruik ten behoeve van het parkeren van auto's en ten behoeve van gemotoriseerd verkeer niet mogelijk gemaakt. bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 53
Artikel 6 - Wonen De woongebouwen binnen het plangebied hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. Op de verbeelding zijn de bouwhoogtes aangebracht. In de regels is geregeld dat de op de verbeelding aangebrachte bouwhoogtes de maximale hoogtes zijn. De woontoren van 60 meter die binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt, mag nog worden opgetopt met een dakopbouw van 5 meter hoog. Die dakopbouw dient ondergeschikt te zijn aan het hoofdvolume, zijnde de woontoren. Om dat te bewerkstellingen is in de regels opgenomen dat de dakopbouw zodanig gesitueerd moet worden dat een inspring van 3 meter bestaat ten opzichte van alle zijdes van de woontoren. Ter plaatse van de op de verbeelding aangebrachte aanduiding "onderdoorgang" dient op grond van de regels een onderdoorgang gemaakt te worden. In delen van het plangebied wordt een beperkte mate van functiemenging voorgestaan. In de regels worden dan ook binnen de aanduiding 'specifieke vorm van wonen -1 ' verschillende functies, onder meer bedrijven, detailhandel en dienstverlening, mogelijk gemaakt. Hiernaast is op de verbeelding aangeduid waar een parkeergarage gerealiseerd mag worden. Deze parkeergarage moet half verdiept of volledig ondergronds uitgevoerd worden. Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd.
Algemene bouwregels In deze regel wordt geregeld dat bepaalde overschrijdingen van de bouwregels zijn toegestaan. Algemene gebruiksregels In deze regel worden de algemene regels omtrent gebruik vastgelegd. Naast het algemene gebruiksverbod om de gronden en opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken, is een aantal activiteiten uitgezonderd. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden algemene afwijkingsregels opgesomd. Er kan voor gebouwen van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken en dergelijke worden afgeweken van de regels. Ook kan van de regels worden afgeweken voor geringe afwijkingen en tevens mag de in de regels toegestane maximale bouwhoogte worden overschreden in bepaalde gevallen. Hetzelfde geldt voor de op de verbeelding aangegeven bestemmings- of bouwgrenzen. Overgangsrecht De overgangsregel is evenals de anti-dubbeltelregel overgenomen uit de standaardregels uit het Bro. Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 55
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de grond waarop het bestemmingsplan van toepassing is op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie, zoals bedoeld in de Wro, is daarom anderszins verzekerd via het erfpachtstelsel. Het toepassen van het erfpachtstelsel ten behoeve van kostenverhaal past goed binnen het uitgangspunt van de Wro dat het privaatrechtelijke spoor voorop staat. Erfpacht is immers een privaatrechtelijk instrument waarbij de gemeente als eigenaar bepaalt tegen welke vergoeding haar gronden in gebruik mogen worden genomen door derden. Naar zijn aard biedt dit systeem de gemeente de mogelijkheid om kosten die de gemeente maakt ten behoeve van de grondexploitatie van gronden te verhalen op derden die gebruik maken van die gronden. Opgemerkt zij nog dat de gemeente telkens eigenaar is en blijft van de gronden Planschade Het planschaderisico is geanalyseerd. Planschaderisico's worden niet standaard gedekt in de begroting. Het is een risico waarvan onvoldoende zeker is of het zich manifesteert of materialiseert.
Als het planschaderisico zich in de praktijk voordoet, heeft het in het betreffende jaar een nadelig effect op de hoogte van het rekeningresultaat. De gemeente kan het eventuele risico dragen.
Gemeente Amsterdam
blz. 56
bestemmingsplan_August Allebéplein blok 6 (vastgesteld)
blz. 57
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro)
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerppbestemmingsplan verzonden aan: 1. 2. 3. 4.
Monumenten & Archeologie Provincie Noord-Holland; Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (Waternet); ProRail
Momumenten & Archeologie (M&A), Waternet en Prorail hebben gereageerd op het bestemmingsplan. De provincie heeft niet gereageerd. M&A verzoekt om tekstuele aanpassingen en om het opnemen van het beleidsstuk Erfgoed voor de stad uit 2016. Deze tekstuele aanpassingen zijn doorgevoerd in de toelichting. Omdat er minder dat 1000 m2 verhard wordt, bevestigt Waternet dat er geen watercompensatie noodzakelijk. Als het gaat om hemelwaterproof adviseert Waternet goed in de tender op te nemen aan welke voorwaarden de ontwikkelaar moet voldoen. In de tender wordt voldoende aandacht besteed aan de hemelwaterproof gedachte. ProRail geeft aan dat de beoogde nieuwe woningen dichtbij het spoor zijn gepland en het treinverkeer op het spoor trillinghinder voor de toekomstige bewoners kan veroorzaken. Om aan te tonen dat sprake is van goede ruimtelijke ordening dient volgens ProRail indicatief trillingsonderzoek gedaan te worden op grond van de SBR-richtlijn. Naar aanleiding van reactie van Prorail is trillingsonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in paragraaf 4.3 van dit bestemmingsplan.