CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting NL.IMRO.0363.M2304BPGST-VG01_Toelichting.pdf

RAAD 13 november 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan IJburg 1e fase – kavel 124 II, reparatieplan (VN2024-011956)16.653 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan IJburg 1e Fase Kavel 124 II Reparatieplan

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.M2304BPGST-VG01

Datum print

29 Augustus 2024

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

Aanleiding Bevoegdheden Leeswijzer

7 7 7

Plankader

9

Ligging en begrenzing Doelstelling Geldend planologisch kader Historie Beschrijving huidige situatie Ontwikkelingen

9 9 9 10 11 11

Beleidskader

13

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 15 20

Milieu- en omgevingsaspecten

29

Milieueffect Geluidhinder Externe veiligheid Archeologie Water Stikstof

29 30 34 38 39 40

Juridische planbeschrijving

41

Algemeen De bestemmingen

41 41

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

45

Hoofdstuk 7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro) Participatie Ontwerpbestemmingsplan

47 47 47

1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2

7.1 7.2 7.3

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Reeds bij de ontwikkeling van IJburg eerste fase zijn er diverse waterwoningen voorzien. Een aantal van deze woningen zijn reeds opgeleverd. Voor wat betreft het kavel dat bekend staat als kavel 124 II is al bij het opstellen van het bestemmingsplan IJburg eerste fase rekening gehouden met de komst van waterwoningen. Een technische ommissie in een deel van de regels bij dit plan zorgen ervoor dat de waterwoningen niet adequaat gerealiseerd kunnen worden. Om die reden is er in 2022 een bestemmingsplan IJburg 1e fase, kavel 124 II vastgesteld door de gemeenteraad. Vanwege een motivatiegebrek heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van de state dit plan vernietigd. Vanuit het geldende beleid en de grote woningnood die Amsterdam kent bestaat er vanuit het stadsbestuur nog steeds een grote wens om de waterwoningen van kavel 124 II te realiseren. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet dan ook (wederom) in een bouwtitel voor de waterwoningen ter plaatse van kavel 124 II. 1.1.1

Crisis- en herstelwet

De Crisis- en herstelwet beoogt een versnelling in de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke projecten te bewerkstelligen, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis. Hiertoe zijn tijdelijke wijzigingen in de ruimtelijke procedures (bijvoorbeeld het bestemmingsplan) van toepassing verklaard op verschillende soorten projecten. Zo zijn bijvoorbeeld de behandelingstermijnen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verkort. De projecten waarvoor dit geldt zijn opgenomen in bijlage I en II van de Crisis- en herstelwet. In bijlage I van de Crisis- en herstelwet is als categorie van gevallen onder andere genoemd de 'ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden'. Voorliggend bestemmingsplan moet worden gezien als een onderdeel van deze categorie.

1.2

Bevoegdheden

IJburg valt binnen de begrenzing van het grootstedelijk gebied. De bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening zijn bij de Centrale Stad blijven liggen. Dat betekent dat het college van B&W het bestemmingsplan voorbereid en de gemeenteraad het plan zal vaststellen. Het stadsdeelbestuur van stadsdeel Oost wordt wel in een vroeg stadium betrokken bij de voorbereiding van dit plan in de vorm van advies dat aan de stadsdeelcommissie wordt gevraagd.

1.3

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling.

Gemeente Amsterdam

blz. 8

De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Hier wordt in het kort de inhoud van deze hoofdstukken beschreven. Na dit eerste inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder andere ingegaan op de ontstaansgeschiedenis, beschrijving van het plangebied als ook de beschrijving van de bestaande functies. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid afkomstig van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en tot slot behandelt hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid (het overleg ex artikel 3.1.1 Bro). Tot slot zijn de relevante rapporten als bijlage bij de toelichting gevoegd.

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 2 2.1

Plankader

Ligging en begrenzing

Het plangebied van het bestemmingsplan 'IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan' wordt globaal als volgt begrensd: noorden: water; oosten: Brigantijnkade; zuiden: Schokkerjachtdijk; westen: water. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de digitale verbeelding (voorheen de bestemmingplankaart). Op onderstaande afbeelding is het plangebied globaal weergegeven in rood.

Afbeelding 1: ligging plangebied (bron: gemeente Amsterdam)

2.2

Doelstelling

Gelet op de huidige wet- en regelgeving is het noodzakelijk een bestemmingsplan in procedure te brengen dat voorziet in een goede eigentijdse planologische en juridische regeling voor het gebied. Dit bestemmingsplan beoogt hierin te voorzien.

2.3

Geldend planologisch kader

Aangezien het bestemmingsplan IJburg eerste fase, kavel 124 II volledig is vernietgd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van state wordt teruggevallen op het bestemmingsplan IJburg eerste fase CS (Centrale Stad), vastgesteld d.d.19-12-2013.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

2.4

Historie

2.4.1

Historische ontwikkeling

In de 19de eeuw bestond het huidige plangebied geheel uit water, het was onderdeel van het IJmeer. Het IJmeer tussen Amsterdam en Almere markeert de overgang tussen het IJssel- en Markermeer en de zogenaamde randmeren van zuidelijk Flevoland. Het Buiten-IJ stond oorspronkelijk in open verbinding met het IJ en is een uitloper van het IJmeer. Door de aanleg van het Noordzeekanaal in de 19de eeuw is daar een einde aan gekomen. IJ en Buiten-IJ werden van elkaar gescheiden door een zeewering met daarin opgenomen de Oranjesluizen voor de vereiste scheepvaartverbinding. Tevens werd een gedeelte van het Buiten IJ afgescheiden door lagere dijken, waarbinnen baggerspecie uit de aanleg van de oostelijke havens en de vaarroute in het Buiten-IJ werd gestort. Zo ontstond het Zeeburgereiland met in het verlengde daarvan een gebogen strekdam ter begeleiding van de vaarroute, tevens de uitmonding van het voormalige stadsriool. IJburg Het 1ste idee voor IJburg dateert uit 1965. In dat jaar kwamen de architecten Van den Broek en Bakema met hun Stad op Pampus. Op eilanden in het IJmeer, tussen het Zeeburgereiland en Pampus, zou plaats zijn voor een nieuwe wijk. Amsterdam koos toen echter voor de Bijlmermeer en groeisteden als Purmerend en Almere. Eind jaren tachtig verscheen Nieuw-Oost op de tekentafels als één van de VINEX-locaties, dicht bij de stad en dus goed bereikbaar per openbaar vervoer.

Later is de naam Nieuw-Oost omgedoopt tot IJburg. Deze naam past in de historische reeks van kunstmatig aangelegde eilanden van Amsterdam: Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg, Sporenburg en Zeeburg. De gemeenteraad stemde in 1996 (Nota van Uitgangspunten) in met de bouw van IJburg. Na een ongekend levendige discussie is op 19 maart 1997 een correctief referendum gehouden over de aanleg van IJburg. Hoewel het aantal tegenstemmers (133.000) groter was dan het aantal voorstemmers (93.000), werd de vastgestelde drempel van 155.000 tegenstemmers niet gehaald. Het plan IJburg kon doorgaan. Wel is afgesproken dat bij de bouw van IJburg nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de natuur. De eilanden van IJburg zijn gemaakt door het laag voor laag opbrengen van zand: de pannenkoekmethode. Onder water wordt het zand aangebracht met behulp van een sproeimethode, boven water wordt het zand opgespoten. De benodigde hoeveelheid zand voor de eerste eilanden bedraagt ongeveer 25.000.000 m³. Dit zand is gewonnen uit vaargeulen in het Markermeer. Begin 2000 is de eerste bebouwing van IJburg, 1e fase opgeleverd en is de zandvlakte op enkele blokken na inmiddels zo goed als verdwenen. Er is plaats gemaakt voor een jonge stadswijk van Amsterdam. 2.4.2

Structuurbepalende elementen

IJburg 1e fase bestaat uit water en eilanden. De eilanden zijn de structuurbepalende elementen, namelijk Steigereiland, Haveneiland en Rieteilanden. Voorliggend bestemmingsplan ziet op een plangebied dat is gelegen op Steigereiland.

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 11

2.4.2.1 Steigereiland Het Steigereiland kent drie buurten: de Noordbuurt, de Zuidbuurt en de Waterbuurt. Op het eiland liggen twee parken: het Proefeilandpark en het Steigerpark. Direct bij de entree van IJburg, vlak na de Enneüs Heermabrug, wordt op het Steigereiland aan de linkerzijde een markant en vierkant gebouw gerealiseerd dat oprijst uit het water: het Sluishuis.

2.5

Beschrijving huidige situatie

Momenteel bestaat het plangebied uit water.

2.6

Ontwikkelingen

Binnen het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het gaat enkel om wijzigingen van de planregels binnen de bestaande bestemmingen. In deze paragraaf worden de wijzigingen die zijn opgenomen ten opzichte van het bestemmingsplan ”IJburg 1e fase CS” en de eerste herziening uit 2015 nader toegelicht. Aanpassen bouwhoogte Artikel 11.2 onder b van bestemmingsplan “IJburg 1e fase CS” bepaalt dat de maximum bouwhoogte voor waterwoningen wordt gemeten vanaf 1,5 meter onder de waterlijn en 4,5 meter boven de waterlijn, tot maximaal 6 meter. Middels een binnenplanse afwijking kan 1,5 meter hoger worden gebouwd tot een maximale bouwhoogte van 7,5 meter waarvan dus 6 meter boven de waterlijn. Uit de toelichting van het bestemmingsplan blijkt dat er drie bouwlagen werden beoogd, met een bouwhoogte van in totaal 9 meter. In de toelichting van bestemmingsplan “IJburg 1e fase CS” in paragraaf 17.2.2. staat: "Ten aanzien van de bestemming 'Wonen - 3 (wonen op water 124)' zijn drijvende woningen toegestaan. De bouwhoogte kan met een afwijking verhoogd worden tot maximaal 9 meter waarbij deze hoogte voor maximaal 35 m² mag worden benut. Deze oppervlakte komt overeen met de helft van de oppervlak te van de footprint." In de regels bij het bestemmingsplan “IJburg 1e fase CS” is dit alleen niet zo opgenomen.

Naar aanleiding van een reeds uitgevoerde bezonningsstudie zal de schaduwval van de beoogde derde bouwlaag geen negatief effect hebben op naburige panden, ongeacht de locatie van het volume op de derde bouwlaag (zie bijlage 3). Echter is er voor gekozen om de maximum bouwhoogte vast te leggen op 7,5 meter. Hiermee wordt (ten dele) tegemoet gekomen aan de wensen van omwonenden. Drijvende terrassen In artikel 11.2 onder i van het bestemmingsplan IJburg 1e fase CS is opgenomen dat per waterwoning een drijvend terras is toegestaan met een maximale breedte van 1,6 meter (voorheen benoemd als diepte in het horizontaal vlak) en lengte van 20,0 meter. De verticale diepte wordt nu bepaald op maximaal 0,5 meter onder waterpeil. 5 meter vrije ruimte tussen woningen én tussen drijvende bouwwerken In artikel 11.2 onder d van het bestemmingsplan IJburg 1e fase CS is opgenomen dat de onderlinge afstand van drijvende woningen/waterwoningen en woonboten minimaal 5 meter dient te bedragen. Dit artikel is toentertijd opgenomen, omdat de drijvende waterwoningen niet werden gezien als bouwwerken in de zin van het bouwbesluit.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft 16 april 2014 een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat woonboten met een vaste ligplaats die hoofdzakelijk worden gebruikt voor verblijf als bouwwerk aangemerkt moeten worden. Omdat na deze uitspraak de regels betreffende drijvende bouwwerken zijn aangepast, wordt in dit plan gesproken van waterwoningen (die worden beschouwd als woning). In de regels is opgenomen dat er minimaal 5 meter tussen waterwoningen in acht genomen moet worden. In uitzondering daarop zijn maximaal 10 woningen geschakeld mogelijk. Op dat moment geldt de onderlinge afstand van 5 meter niet. Afmetingen waterwoningen In artikel 11.2 onder c van het bestemmingsplan ”IJburg 1e fase CS” is voor waterwoningen een maximale lengte van 10 meter en een maximale breedte van 7 meter opgenomen. In dit bestemmingsplan wordt dit gewijzigd naar een maximale lengte van 11 meter en een maximale breedte van 8 meter. Het maximale oppervlak blijft gelijk (70 m2 bvo), het geeft meer flexibiliteit aan het ontwerp van de waterwoning. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor variatie in het plan, wat vanuit stedenbouwkundig oogpunt aangemoedigd wordt voor de waterwoningen. De impact op overige (ruimtelijke) lasten zoals water/bodemkwaliteit zal ongewijzigd blijven.

Fietsenbergingen Om zorg te dragen voor een fraai beeld en ontsieringen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn gebouwde fietsenstallingen gewenst. In het vigerende bestemmingsplan is dit uitsluitend toegestaan met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. In voorliggend bestemmingsplan wordt de bouw van een fietsenberging toegestaan. Op elk van de drie steigers wordt er één toegestaan. Het gaat dan om een bouwkundig in te passen gebouw, qua bouwmassa ondergeschikt aan de op te richten waterwoningen, met een maximale bouwhoogte van 4 meter en een maximale oppervlakte van 50 m2. Overige wijzigingen Naast bovenstaande wijzigingen zijn er nog enkele technische en tekstuele wijzigingen doorgevoerd. Bezonningsstudie Ondanks dat dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt is aan de hand van een mogelijke inrichting van het gebied een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze bezonningsstudie toont vier mogelijke varianten van de inrichting van het gebied. Deze inrichtingen worden gezien als reële invulling van het gebied. De volledige bezonningsstudie is toegevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting. Uit de studie blijkt dat bestaande woningen geen schaduwhinder van de waterwoningen ondervinden.

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 13

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld; deze is op 15 september 2020 bekend gemaakt. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) wordt door deze nieuwe omgevingsvisie vervangen. De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Het is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NOVI vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie. De inrichting van de NOVI sluit aan op de voorwaarden die op basis van de Omgevingswet aan de visie worden gesteld. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de Omgevingswet bedoeld. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.

De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Beschreven wordt een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt. Uitvoeringsagenda In de uitvoeringsagenda staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. In de uitvoeringsagenda worden de opgaven centraal gesteld aan de hand van vier prioriteiten. De Uitvoeringsagenda beschrijft de volgende vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand

Gemeente Amsterdam

blz. 14

houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal zonder meer samen en ze zijn soms onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Consequentie plangebied De wijzigingen van onderhavig bestemmingsplan zijn van ondergeschikte aard en is in lijn met de nationale belangen uit de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Op 1 oktober 2012 is het Barro gewijzigd en treden delen van het Barro in werking die al waren vastgesteld, maar die voor hun inwerkingtreding wachtten op deze wetswijziging. Met deze aanpassingen in de regelgeving is de wettelijke borging van het beleid in de SVIR nagenoeg voltooid. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Natuurnetwerk Nederland (NNN), elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Consequenties voor dit bestemmingsplan In het Barro is de hoogspanningsverbinding Beverwijk - Oostzaan - Diemen aangewezen. Deze verbinding ligt naast het plangebied. Voor een toelichting op de verbinding in relatie tot het plangebied wordt verwezen naar hoofdstuk 4.

Voor het overige zijn de wijzigingen van onderhavig bestemmingsplan van ondergeschikte aard. het plan raakt niet aan nationale belangen waarvoor in het Barro regels zijn opgenomen.

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 15

3.1.3

Ladder Duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, waaronder bestemmingsplannen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat gemeenten bestemmingsplannen vaststellen voor een "goede ruimtelijke ordening". De ladder voor duurzame verstedelijking is een hulpmiddel, dat een bijdrage levert aan een goede ruimtelijke ordening.

In trede 1 wordt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor wonen, werken, detailhandel en overige voorzieningen bepaald. Er is een regionale vraag naar woningbouw, dus trede 2 is aan de orde. In trede 2 gaat het om de vraag: "Kan de beoogde ontwikkeling plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door een andere bestemming van een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden?" Op 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd op de volgende punten: het begrip 'actuele regionale behoefte' wordt geschrapt en is in de nieuwe Ladder vervangen door 'behoefte'; de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt; voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht; Consequenties voor dit bestemmingsplan De wijzigingen van onderhavig bestemmingsplan zijn van ondergeschikte aard en zijn geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het realiseren van woningen is immers al mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan IJburg 1e fase CS. Hiermee vormt de Ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie NH2050 (2018)

Op 19 november 2018 heeft de Provincie Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' vastgesteld. Zoals de titel al doet vermoeden wil de Provincie met de Omgevingsvisie voor een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid zorgen zodat toekomstige generaties het welvaarts-en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau kunnen houden. De provinciale visiedocumenten op het gebied van water, verkeer en vervoer, wonen, milieu, natuur, landschap en cultuur zijn met vaststelling van de omgevingsvisie vervangen door één provinciale

Gemeente Amsterdam

blz. 16

omgevingsvisie. Voor het plangebied geldt geen specifieke wateropgave. Met de waterbelangen wordt bij de planontwikkeling integraal rekening gehouden; zie ook Hoofdstuk Water en bodem. Om een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving te kunnen borgen, hanteert de Provincie twee basisrandvoorwaarden die volgen uit Europese/Nationale regelgeving en gaan over gezondheid, veiligheid en klimaatadaptatie. Daarnaast gelden vier generieke ontwikkelprincipes. De basisvoorwaarden luiden als volgt: 1. Overal wordt voldaan aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier; 2. Alle nieuwe ruimtelijke (her)ontwikkelingen doorlopen een klimaatstresstest waarbij de volgende ontwikkelprincipes worden gehanteerd: 1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap; 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief; 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie en data-knooppunten; 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. De Omgevingsvisie NH2050 kent ambities en doelstellingen op verschillende thema's: Leefomgeving a. Klimaatverandering: ontwikkelen en inrichten van een klimaatbestendig en waterrobuuste stad, land en infrastructuur; b.

Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; c. Biodiversiteit en natuur: ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten. Gebruik van de leefomgeving a. Economische transitie: ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. We bieden daarom ruimte aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. b. Wonen en Werken: ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. c. Mobiliteit: ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. d. Landschap: ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.

Energietransitie De provincie heeft ten slotte de ambitie dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en is gebaseerd op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. Daarvoor biedt de provincie ruimte aan de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Rekening houdend met de ambities voor verstedelijking en landschap. De provincie monitoort de ontwikkeling van de energievraag, het aandeel duurzame energie en de hoogte van de CO2-uitstoot. Dynamisch schiereiland

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 17

Om meer ontwikkelingen in en gebruik van alle kustgebieden, zoals het IJsselmeergebied, te kunnen opvangen, moet het systeem volgens de provincie ecologisch robuuster worden. Het is wenselijk om hierbij verder te kijken dan de grenzen van natuurregimes die nu gelden. Ook de (natte) kustlandschappen aan de randen, in het IJsselmeergebied en de binnenduinrand, kunnen bijdragen aan het realiseren van deze opgave. Ecologische verbindingen in de kustgebieden van de grote wateren (land- en waterzijde) worden behouden en aangevuld. Naast deze verbindingen tussen de wateren en het land werkt de provincie aan de verbetering van de ecologische kwaliteit van de verbindingen tussen de grote wateren, zoals Markermeer, IJsselmeer en Waddenzee. Randvoorwaarden voor deze ambities zijn de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het IJsselmeergebied als strategische zoetwatervoorraad voor drinkwater, landbouw en andere functies. Kritische succesfactoren hiervoor zijn de extra inzet op KRW, de waterkwaliteit in relatie tot voedingsstoffen (beschikbaarheid van waterplanten) en temperatuurstijging van het water, handhaving van de milieunormen, ook in de randgebieden en een slimme combinatie van functies, zoals natuurontwikkeling, waterveiligheid, waterberging, recreatie en landbouw. Metropool in ontwikkeling Wereldwijd vindt verstedelijking plaats.

In een aantal gevallen leidt dit tot de ontwikkeling van metropolen. In Noord-Holland ontwikkelt zich een metropool rond Amsterdam. Het gaat hier om een stedelijk systeem van grotere en kleinere kernen, met Amsterdam als hoogstedelijke kernstad, een landschap met hoge gebruiks- en belevingswaarde, (stads)landbouw, een multimodale bereikbaarheid, een havengebied met energietransitie en circulaire economie als dragers en Schiphol als internationale hub. De ontwikkeling komt tot uiting door een snel groeiend aantal inwoners, arbeidsplaatsen en bezoekers, leidend tot een tendens van clustering van economische functies. In het Noordzeekanaalgebied is er een concentratie van werkgelegenheid van direct en indirect aan de haven gerelateerde activiteiten. Daarnaast concentreren zich grote aantallen arbeidsplaatsen op een aantal locaties in een zone van de Amsterdamse binnenstad tot net ten zuiden van Schiphol. Daarbij is het wenselijk om, vanuit het beperken van woon-werkafstanden en daarbij horende mobiliteitsinvesteringen, nieuwe woningen zo dicht mogelijk bij de grote werkconcentraties te realiseren, waar mogelijk in gemengde woon-werkmilieus. De metropolitane ontwikkeling is goed voor de economie, welvaart en internationale concurrentiepositie van Nederland.

De metropool in ontwikkeling kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan steden, dorpen en deelregio’s, met specifieke identiteiten en kwaliteiten. Al deze kernen liggen in een grote diversiteit aan landschappen. Deze landschappen in en om de metropool zijn van groot belang als groene longen en vestigingsfactor. De kracht van de metropool zit hem in het feit dat kernen, regio’s en gebieden een sterke eigen identiteit behouden, terwijl het geheel in steeds sterkere mate als één dailyurban system functioneert. Binnen de metropool fnctioneert sinds 2007 het samenwerkingsverband Metropoolregio Amsterdam (MRA). De metropolitane ontwikkeling brengt grote opgaven met zich mee. Er ligt een zware druk op tal van kwaliteiten, zowel binnen de kernen als in de omringende landschappen. Het is zaak de basiskwaliteit voor gezondheid en veiligheid te behouden. En dat vergt inspanningen, in de wetenschap dat een metropool zonder hinder niet bestaat. Een zorgvuldig gebruik en verdeling van de schaarse ruimte is van belang. De provincie kiest voor het behouden van het metropolitane landschap, maar met toevoeging of verandering van functies. De provincie probeert daar milieuruimte voor bedrijvigheid te waarborgen, maar wel met duidelijke grenzen. In de drukker wordende metropool zijn het landschap en zijn gebruiksmogelijkheden van toenemend belang.

Voor de leefbaarheid, maar ook om aantrekkelijk te blijven als vestigingsplaats. Om het

Gemeente Amsterdam

blz. 18

landschap te sparen, kiest de provincie daarom primair voor verdichting van de bestaande kernen. Samen met enkele uitleglocaties, die al langere tijd op ons netvlies staan. Centrumeiland is als onderdeel van IJburg fase 2 één van deze aangewezen uitleglocaties. De provincie stuurt daarbij niet alleen op kwantiteit, maar ook op kwaliteit (diversiteit qua woonmilieu, woningtype, -grootte en prijs) om de metropool in sociaal opzicht inclusief te houden. De Metropool moet ook in de toekomst een Metropool voor iedereen zijn. We verdichten op goed bereikbare plekken, zoals nabij knooppunten van openbaar vervoer. Met de ontwikkeling van de metropool wordt het versterken van het metropolitane landschap steeds belangrijker. Dit landschap kent gebieden als Laag Holland, Markermeer en IJmeer (het ‘waterpark’ van de metropool, in relatie tot ontwikkelingen als Markerwadden en Nationaal Park Nieuwland), Gooi en Vechtstreek, Amstelscheg en natuurlijk de kust. Recreatie, natuur en voedselproductie hebben hier een plek, waarbij het landschap soms in verschijningsvorm zal veranderen. Het tegengaan van de bodemdaling in veenweidegebieden vormt eveneens een belangrijke reden voor verandering van het gebruik van het landschap.

De samenhang tussen verstedelijkings-, mobiliteits-, (lucht)haven- en landschappelijke ontwikkelingen leidt tot een versterking van de agglomeratiekracht, die cruciaal is om de metropool in ontwikkeling ook naar de toekomst toe succesvol te laten zijn. Dit plan is in lijn met de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening NH2020

Bovengenoemde omgevingsvisie uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers. Om de provinciale belangen, die in de omgevingsvisie zijn gedefinieerd, door te laten werken, heeft de provincie op 17 november 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. Deze vervangt de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) stonden alle regels waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moesten voldoen. Naast de PRV bestonden nog andere verordeningen, waaronder de Provinciale Milieuverordening, Wegenverordening en Waterverordening. Vanaf 17 november 2020 zijn de 21 verordeningen die zijn samengevoegd in de omgevingsverordening ingetrokken en opgegaan in de Omgevingsverordening NH2020. Relevant zijn de instructieregels. Op grond van artikel 6.62 van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 bevat de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In de hierna volgende paragrafen wordt beschreven op welke manier rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In deze paragrafen zijn de risico's op wateroverlast, overstroming, hitte en droogte beschreven. Tevens zijn de maatregelen en voorzieningen die met dit plan worden getroffen beschreven.

Consequenties voor dit bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 19

3.2.3

Woonagenda 2020-2025

De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De provincie Noord-Holland wil dat er de komende jaren veel betaalbare en duurzame woningen beschikbaar komen. Zij gaat gemeenten met raad en daad helpen om de flinke ambitie op het gebied van wonen waar te maken. Dat staat in de definitieve Woonagenda die is vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten. Versnellen woningbouw Er bestaat momenteel een grote vraag naar woningen, en er zijn gelukkig ook veel plannen. Bij sommige woningen zijn alle planologische producties doorlopen en deze kunnen meteen gebouwd worden. In de praktijk moeten nog wel een of meer complicaties worden opgelost voordat er gebouwd kan worden. De provincie richt zich daarbij in eerste instantie op de plannen die zijn vastgelegd in een bestemmingsplan met een relatief grote bouwopgave.

In tweede instantie kijkt de provincie naar plannen die nog moeten worden vastgelegd in een bestemmingsplan en, wat betreft productie. ook van betekenis zijn en die passen binnen landelijke en provinciale wet – en regelgeving. Samen met afzonderlijke gemeenten, Metropoolregio Amsterdam en Bouwend Nederland zet de provincie zich in om knelpunten weg te nemen en tot productie te komen via het uitvoeringsprogramma binnenstedelijk bouwen en versnellen woningbouw. Regionale afspraken wonen De provincie richt zich op bouwprojecten waar behoefte aan is. Vooral op de steden omdat daar de meeste mensen nu eenmaal graag wonen. Echter, de stad moet wel leefbaar en aantrekkelijk blijven, zodanig dat de ‘lucht niet uit de stad gehaald wordt’. Gemeenten maken regionale afspraken over woningbouw, die passen binnen de woningbehoefte en mogelijkheden. Er moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt wat de beste plek is om te gaan bouwen. Hierbij wordt onder andere ook rekening houden met bereikbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid, waterberging, natuur, ruimte. Duurzaamheid De provincie wil dat woningen in 2050 energieneutraal zijn. Om dat te bereiken stimuleert de provincie gemeenten om bij nieuwbouwwoningen af te stappen van aardgasverwarming en over te stappen op duurzame alternatieven. Noord-Hollandse gemeenten hebben hiervoor een intentieverklaring ondertekend.

Consequenties voor dit bestemmingsplan De provinciale woonvisie is nader uitgewerkt door de Stadsregio Amsterdam. Hierin is onderzocht hoe de woningmarkt zich ontwikkelt en tot en met 2025 behoefte aan is. In de gemeentelijke Woonagenda 2025 en Koers 2025 'Ruimte voor de stad' wordt nader hierop ingegaan. Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de Woonagenda. Gemeente Amsterdam

blz. 20

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, die elke overheid opstelt in het kader van de Omgevingswet. De ontwerp-omgevingsvisie heeft samen met het ontwerp-OmgevingsEffectRapport (OER) vanaf 21 januari 2021 zes weken ter inzage gelegen. De omgevingsvisie is samen met het OER op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040. Met vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad is de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangen. Hierop zijn twee uitzonderingen, de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De Gemeente Amsterdam wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: 1. richting geven aan groei; 2. versnellen van transities; 3. ruimte bieden aan initiatieven. De omgevingsvisie bouwt voort op eerder geformuleerde beleidsinzetten. Op een aantal punten formuleert de omgevingsvisie een aangepaste ruimtelijke koers. Die is gericht op het tegengaan van negatieve effecten op kansengelijkheid en leefbaarheid, op het verduurzamen van de stad en op herstel en vernieuwing van de economie. De stad moet kansen bieden aan iedereen.

Om die reden omarmt Amsterdam zowel nieuwe inwoners als nieuwe banen. Economische groei is gewenst, niet in de laatste plaats vanwege de inkomsten. Maar Amsterdam wil ook ruimte bieden aan vernieuwing en een meer circulaire economie. Groei een plek geven in de stad is daarmee ook een verantwoordelijkheid. Om volledig profijt te trekken moet die groei richting gegeven worden. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: 1. Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op gericht is. Een van de hoofddoelen van deze visie is een stad te worden met meer stedelijke centra. Ook in de regio wil de gemeente de kernen meer stedelijke kwaliteit geven. 2. Groeien binnen grenzen: duurzame, compacte stedelijke ontwikkeling en intensief ruimtegebruik. Daarmee maakt de gemeente sociaal sterke buurten, met veel ruimte voor ondernemerschap en beperken we de ecologische voetafdruk van de stad. 3. Duurzaam en gezond bewegen: in een compacte stad staan ontmoeten en bewegen in de openbare ruimte voorop. In de hele stad krijgen lopen, fietsen en openbaar vervoer ruim baan. 4. Rigoureus vergroenen: nieuwe parken en meer groen in de openbare ruimte en op en aan gebouwen houdt de stad klimaatbestendig en leefbaar voor mens, dier en plant. 5. Samen stadmaken: meer mogelijkheden voor maatschappelijk initiatief.

Samen met Amsterdammers, corporaties en private partijen bouwen we aan de stad. Daarbij maken we meer ruimte voor experimenten en verantwoordelijk en eigenaarschap voor onze inwoners. Consequenties voor dit plan De woningen zijn al mogelijk gemaakt in het vigerende plan. Verdichten waar mogelijk past binnen de doelstellingen van de omgevingsvisie Amsterdam 2050.

bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 21

3.3.2

Woonagenda 2025

Op 20 juli 2017 heeft de gemeenteraad de Woonagenda 2025 vastgesteld. Uit de prognose van de woningbehoefte en de woningvoorraad blijkt dat in 2025 het grootste tekort zit in de gereguleerde huurvoorraad: een voorraad van 39% terwijl 49% van de huishoudens behoefte heeft aan deze woningen. De voorraad middeldure huur groeit volgens de prognose naar 9%, waardoor de voorraad meer in de buurt komt van de behoefte (11%). Er is in algemene zin behoefte aan huurwoningen. De woonagenda 2025 zet concreet in op de betaalbaarheid van woningen in Amsterdam, waarbij de komende jaren substantieel wordt ingezet op de bouw van sociale huurwoningen en huurwoningen in het middensegment. Amsterdam wil een inhaalslag maken en vooral bouwen voor huishoudens met een inkomen tot 1,5 maal modaal. Het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen is: 40% sociale huur 40% middelduur en 20% dure huur en koop. Aan de hand van spelregels voor woningbouwprogrammering wordt per plangebied bepaald welk programma gerealiseerd wordt. Consequenties voor dit plan Bovenstaand is uiteengezet dat bij nieuwe ontwikkelingen het uitgangspunt 40/40/20 is. Onderhavig plan is een partiële herziening met enkel beperkte wijzigingen. Er wordt derhalve geen nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt. Hierdoor geldt er voor dit plan ook geen verplichting om conform het 40/40/20 principe woningbouw te realiseren. 3.3.3

Huisvestingsverordening 2020

Verkamering en bed & breakfast Met ingang van 1 januari 2020 geldt de Huisvestingsverordening 2020. Hierin zijn regels opgenomen over de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Onderscheid bestaat tussen zelfstandige woonruimte, onzelfstandige woonruimte en bedrijfsmatig gebruik van een deel van de woonruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van bed & breakfast. Sturen op de samenstelling van de woonruimtevoorraad is primair van belang, omdat het woningaanbod dient aan te sluiten op de vraag en behoefte van huishoudens van verschillende samenstellingen aan woonruimte. Tussen de wijze van bewoning en/of het gebruik van te onderscheiden typen woonruimte bestaan verschillen. Bewoning door een gezinshuishouden is bijvoorbeeld anders dan het gebruik van een woonruimte met een gemeenschappelijke ruimte, die voor het overige verkamerd wordt verhuurd aan een aantal eenpersoonshuishoudens. De verschillende typen bewoning hebben naar hun aard een meer of minder intense ruimtelijke uitstraling. Voor het gedeeltelijk gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast geldt dat dit meer effect op de omgeving heeft dan bewoning zonder dit nevengebruik.

Wanneer de rechthebbende een zelfstandige woonruimte verkamerd wil verhuren (ook wel omzetting genoemd), of in de woonruimte een bed & breakfast wil exploiteren, dan is op grond van de Huisvestingsverordening 2020 een omzettingsvergunning nodig voor verkamering, of een onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. Wanneer verlening van de gevraagde vergunning, die een wijziging in de woonruimtevoorraad teweeg brengt, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders leidt tot een aantasting van de leefbaarheid ter plaatse, bijvoorbeeld omdat de concentratie van verkamerde woningen ter plaatse te groot wordt geoordeeld, kan de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning om die reden worden geweigerd. Datzelfde kan zich voordoen bij een concentratie van bed & breakfast exploitatie.

Met ingang van 1 april 2020 gaat op grond van de Huisvestingsverordening 2020 voor omzetting en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast een quotumstelsel gelden. Dit betekent dat er verdeeld Gemeente Amsterdam

blz. 22

over 99 wijken in de stad is vastgesteld hoeveel omzettingsvergunningen voor kamergewijze verhuur alsmede hoeveel onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast er maximaal kunnen worden verleend. Bij het bepalen van die quota is de aanvaardbaarheid voor het woon- en leefklimaat betrokken. In geval van omzetting (verkamering) zijn naast het maximale aantal te verlenen vergunningen in het Huisvestingsbeleid stringente regels vastgelegd die toezien op een nadere spreiding van verkamerde verhuur binnen buurten en wijken, en te grote concentraties binnen een buurt of wijk worden voorkomen. Ook geldt de eis dat een kamer niet door meer dan één volwassene mag worden bewoond. Het samenstel van voorwaarden vormen een nadere borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De afdeling Verkeer en Openbare ruimte van de gemeente heeft beoordeeld dat bij deze regeling geen sprake zal zijn van zodanige toename van de parkeerdruk of behoefte aan fietsparkeerplekken dat dit vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar zou zijn.

Het exploiteren van een bed & breakfast, waarvoor een onttrekkingsvergunning noodzakelijk is, kan overlast, drukte, afvalproblematiek en lokale overheersing van toeristenwinkels binnen het winkelaanbod met zich meebrengen. Omwonenden van een bed & breakfast worden het hele jaar door geconfronteerd met arriverende en vertrekkende gasten (rolkoffers) en mogelijk overlast van toeristen in hun directe woonomgeving vanwege een ander dag-nachtritme. Met de wijkquota is nadrukkelijk ook een ruimtelijke sturing beoogd over de 99 wijken in de stad en niet alleen de bescherming van de woningvoorraad. De onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast zullen voor maximaal acht jaar worden afgegeven. De wijkquota zorgen ervoor dat de extra druk die van omzetting van een zelfstandige naar meerdere onzelfstandige woonruimten (verkamering) alsmede gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast uitgaat op het woon- en leefklimaat niet onevenredig zal zijn. Aldus beschermt het in de huisvestingsregels vastgelegde afwegingskader voor omzetting en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende. Een nadere ruimtelijke afweging voegt hieraan niets toe. De regels over woonruimtevoorraad als vastgelegd in de Huisvestingsverordening 2020 hebben betrekking op de bestaande woonruimtevoorraad.

Wanneer in geval van nieuwbouw of transformatie direct voor kamerverhuur wordt opgericht of woonruimte wordt vergund en gerealiseerd met het oog op exploitatie als bed & breakfast, is dit toegestaan zonder omzettingsrespectievelijk onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. In dat geval worden de ontwikkelingen niet in mindering gebracht op de op basis van de Huisvestingsverordening vastgelegde wijkquota. Hierdoor neemt de grip op de samenstelling van de woonruimtevoorraad en sturing op leefbaarheid af. Door in de regels van het bestemmingsplan alleen de zelfstandige woonruimte als rechtstreeks recht toe te staan, wordt dit tegengegaan. Realiseren van onzelfstandige woonruimte en woonruimte met faciliteiten voor bed & breakfast zijn geen directe rechten.

Om dit ook planologisch te faciliteren wordt in voorliggend bestemmingsplan verkamering en Bed & breakfast uitgesloten, maar wordt evenwel een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid geboden om dit op plekken waar het beleidsmatig wel zou passen wel mogelijk te maken. Deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan niet worden gebruikt gelijktijdig met een omgevingsvergunning om een woongebouw op te richten of een gebouw te transformeren naar woonruimte. Dat volgt uit de voorwaarde dat de vergunningen slechts worden verleend indien de daarvoor benodigde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of verordening is verleend. Dit impliceert immers dat een dergelijke vergunning is vereist. Die vergunning is niet vereist, wanneer reeds eerder de juridisch-planologische toestemming voor een andere gebruik van de woning dan als zelfstandige woonruimte bestond. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan daarom uitsluitend worden ingezet nadat eerst een zelfstandige woonruimte is opgericht. Na oprichting behoort de woonruimte tot de bestaande voorraad. Wanneer de wens bestaat bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 23

deze verkamerd te verhuren of een bed & breakfast te gaan exploiteren, is vervolgens een vergunning op grond van de Huisvestingwet en/of -verordening nodig. Deze vergunning wordt verleend als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, waaronder een toets aan het beschikbare quotum.

De ontwikkeling wordt op het quotum in mindering gebracht. Het woon- en leefklimaat is als hierboven uiteengezet in dit afwegingskader voldoende geborgd. De omgevingsvergunning voor afwijken kan daarom volgen op de omzettingsvergunning of onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voorziet er tevens is dat de afwijkvergunning en de onttrekkingsvergunning voor bed & breakfast voor wat betreft de geldigheidsduur worden gelijkgeschakeld. De situatie kan voordoen dat een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend waarbij toestemming wordt gevraagd om direct bij oprichting of direct bij omzetting onzelfstandige woonruimten, of bed & breakfastfaciliteiten te realiseren. Als gezegd is dan geen vergunning op grond van de Huisvestingswet- of verordening benodigd en kan als gevolg daarvan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet worden gebruikt. Dan kan wel buitenplans vergunning worden verleend. Wel is het noodzakelijk om het al dan niet verlenen van de gevraagde (buitenplanse) afwijkvergunning in het kader van de toets aan een aanvaardbaar woon- enleefklimaat af te stemmen op de overige ontwikkeling van verkamering respectievelijk bed & breakfast in de betreffende buurt of wijk.

Short stay Het gebruik van woningen ten behoeve van short stay is niet toegestaan. Short stay is het tijdelijk gebruik van een woonruimte ten behoeve van ‘kort wonen’. Het tijdelijke gebruik betreft een periode van minimaal zeven nachten en maximaal zes maanden, en is geen wonen in de gewone betekenis van het woord. Dit was tot 2016 een methode om in Amsterdam expats te faciliteren. Het beleid hieromtrent was ingezet vanuit Huisvestingsregels. Tot aan vastgelegde maxima in buurten kon een onttrekkingsvergunning voor tien jaar worden verleend ten behoeve van short staygebruik. Short stay wordt niet meer gezien als wenselijke vorm van gebruik van woonruimte. In het bestemmingsplan zijn er dan ook geen regels over short stay opgenomen. 3.3.4

Groenvisie 2020-2050

Amsterdam groeit. De komende jaren worden er elk jaar zo'n 7.500 woningen bijgebouwd. Er wordt vooral gebouwd in bestaand stedelijk gebied. De gemeente Amsterdam wil dat de groei van de stad niet ten koste gaat van het groen dat de stad omringt. Het mag ook niet ten koste gaan van het groen in de stad. Met de Groenvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 21 december 2020, schetst de gemeente een beeld als groene stad en hoe de gemeente de stad tussen nu en 2050 verder wil gaan vergroenen. In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 staat de strategie van het stadsbestuur voor groen. De Hoofdgroenstructuur (HGS) geeft de minimaal benodigde hoeveelheid groen aan die Amsterdam wil behouden en beschermen. De Groenvisie gaat kort samengevat in op 4 redenen waarom groen belangrijk is, namelijk: gezondheid, sociaal welzijn, klimaatadaptatie en natuur. Aan de hand van 4 principes komen deze thema's terug, namelijk: De gemeente zorgt voor genoeg gevarieerd groen voor iedereen; Groen draagt bij aan zoveel mogelijk opgaven; De stad wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; Aan groen werken we samen. Gemeente Amsterdam

blz. 24

Consequenties voor het plan De wijzigingen op basis van onderhavig bestemmingsplan zijn van ondergeschikte aard. De Groenvisie 2020-2050 vormt geen belemmering voor dit plan. 3.3.5

Parkeerbeleid

Auto De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. In het Parkeerplan uit 2012 staat de aanpak om de auto minder op straat te parkeren, de openbare ruimte te verbeteren en het verkeer te laten doorstromen door het verminderen van zoekverkeer. In de Uitvoeringsagenda Mobiliteit is die lijn doorgetrokken met de aankondiging meer ruimte op straat te maken voor voetgangers en fietsers door de bouw van parkeergarages en het opheffen van parkeerplaatsen op straat. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren.

Hiervoor heeft de gemeenteraad op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Deze Nota is op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld. In de Nota staan beleidsregels en parkeernormen voor nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid worden toegepast. Het nieuwe beleid treedt in werking voor alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt gesloten, na moment van vaststelling van de nieuwe Nota Parkeernormen Auto. Over bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van de nota reeds zijn vastgesteld en waarin een eigen parkeernormering is opgenomen is aangegeven dat de parkeernorm van het bestemmingsplan het toetsingskader blijft. Dit geldt ook voor bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen en waarvan de uitwerking plaats vindt nadat de nota in werking is getreden. Het belangrijkste uitgangspunt van deze nota is dat bij nieuwbouw, bewoners en werknemers geen parkeervergunning krijgen. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oude beleid zijn: De verplichte minimumparkeernorm voor sociale woningbouw en middeldure huurwoningen komt te vervallen. De verplichte minimumparkeernorm voor vrije sectorwoningen wordt lager.

Waar in het oude beleid een minimumverplichting geldt van 0,6 tot 1 parkeerplaats per woning, is dit nu afhankelijk van de woninggrootte (< 30 m2 geldt een norm van 0,1-1 pp per woning, 30-60 m2 geldt een norm van 0,3-1 pp per woning en woningen >60 m2 geldt een norm van 0,6-1 pp per woning). Er komt in de hele stad een maximumparkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. Nu geldt in grote delen van de stad geen maximumparkeernorm. De verplichte minimumparkeernorm voor kantoren komt te vervallen er geldt nu alleen een maximumnorm. Voor voorzieningen wordt in het nieuwe beleid maatwerk geleverd. In de 'Nota Parkeernormen Auto' wordt voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie soorten typen bestemmingsplan_IJburg 1e fase kavel 124 II reparatieplan (vastgesteld)

blz. 25

locaties: A-, B-, en C-locaties genoemd. Onderhavig plan is aangemerkt als B-locatie. De B-locaties hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Het parkeerbeleid kan in de toekomst wijzigen. Voor de toepassing van het parkeerbeleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan uitgegaan te worden van de meest recente versie van het vastgestelde en inwerking getreden beleid. Het parkeerbeleid is voor een ieder raadpleegbaar op internet. Consequenties voor dit plan Onderhavig plan is een partiële herziening met enkel beperkte wijzigingen. De waterwoningen zijn reeds mogelijk gemaakt in bestemmingsplan 'IJburg 1e fase CS'. De gemeente heeft in het nabijgelegen, reeds gerealiseerde gebouw blok 126F aan de Brigantijnkade 38 autoparkeerplaatsen in bezit. De gemeente verplicht de winnende inschrijver van de selectie om deze parkeerplaatsen af te nemen. Omdat er minder dan 60 woningen worden beoogd, wordt aan de minimumnorm van het parkeerbeleid voldaan.

Conform de Nota parkeernormen auto verstrekt de gemeente geen parkeervergunningen aan bewoners van nieuwbouw. Er is in de openbare ruimte voldoende ruimte voor het bezoekersparkeren (norm 0,1 per woning) Hiermee is dit bestemmingsplan in lijn met het autoparkeerbeleid. Parkeren fiets en scooter Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 vastgesteld. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter' is het beleidskader op basis waarvan we bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stellen aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen. Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet bindende richtlijnen. Uitgangspunt voor zowel fiets- als scooterparkeren is dat dit op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Het vaststellen van het minimaal vereiste aantal parkeerplekken is volgens de nota een fietsparkeereis, waarbij maatwerk wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven.

In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief; een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo voorkomen we dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. Consequenties voor dit plan Bij de realisatie van de woningen kan worden voldaan aan het fiets- en scooter parkeerbeleid. Hierdoor is het bestemmingsplan in lijn met dit beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 26

3.3.6

Verordening op het binnenwater 2010

Het is verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van het college van B&W (deze bevoegdheid is gedelegeerd naar het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel) met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons- en vaartuiggebonden. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu en de vlotte en veilige doorvaart. De vergunning kan uitsluitend worden verleend aan de eigenaar(s) van de boot. Consequenties voor dit plan De ligplaatsen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt dienen in het bezit te zijn van een ligplaatsvergunning of dienen deze aan te vragen. De verordening is geen belemmering voor het bestemmingsplan. 3.3.7

Watervisie 2040

Op 14 september 2016 heeft het de gemeenteraad de Watervisie vastgesteld. De Watervisie is uitvloeisel van Structuurvisie Amsterdam 2040. In de Watervisie is de volgende koers uitgezet: Water toegankelijk en beleefbaar maken & activeren Groei door spreiding van recreatie en toerisme Dynamisch en duurzaam gebruik water stimuleren De centrale ambitie van deze Watervisie Amsterdam 2040 is als volgt: "Amsterdam gebruikt haar water en oevers beter en duurzamer en optimaliseert de ordening van het gebruik van het water en oevers. Dit leidt er toe dat Amsterdam zich verder kan ontwikkelen als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame en leefbare Europese metropool". De Uitvoeringsagenda 2016-2018 van de Watervisie bevat 23 agendapunten, waaronder het verkennen van een nieuwe transferplek voor touringcars-rondvaart aan het IJ en het Oosterdok. Deze verkenning is gericht op verplaatsing rond 2018. In de Watervisie wordt o.a. beschreven dat een nieuw transferpunt buiten het stadshart leidt tot meer ruimte voor openbare op- en afstapvoorzieningen op A-locaties, helpt om het touringcarverkeer uit het stadshart te weren en ruimte schept voor een beter maaiveldontwerp in het gebied van De Entree. Er worden drie zoeklocaties voor een TTR genoemd: Noordelijke IJ-oever, Zuidelijke IJ-oever en Oosterdok.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14766770/1