CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting en Regels Bestemmingsplan Mercatorpark.pdf

RAAD 18 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Mercatorpark (VN2024-006305)39.918 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Er zijn twee potentiële knelpunten: bij de Hoofdweg en bij de Orteliuskade aan de noordoostzijde van Mercatorpark. Deze locaties kennen echter al een hoge belasting in de autonome situatie, de belasting kan volgens het onderzoek daarmee niet worden toegeschreven aan de gebiedsontwikkeling van Mercatorpark. Naast de toename van de verkeersintensiteiten treedt er een verschuiving op in de routekeuze. De zuidelijke route (Jan Evertsenstraat) wordt aantrekkelijker om het projectgebied te bereiken, met een toename van 10-16%, terwijl de noordelijke route (Jan van Galenstraat) slechts met 2-4% toeneemt. De toenemende intensiteiten op de Jan van Galenstraat van en naar het studiegebied genereren een extra vertraging voor het doorgaande verkeer dat de Ringweg A10 op wil. Voor een groot deel daarvan is deze route dan niet meer de meest optimale, daarom volgt het verkeer andere routes, waarvan de belangrijkste de Jan Evertsenstraat, Oostoever - Cornelis Lelylaan, Burgermeester de Vlugtlaan en Haarlemmerweg zijn. In het verkeersonderzoek zijn ook de effecten doorgerekend van twee ontsluitingsscenario’s. De eerste heeft betrekking op een knip in de Admiraal Helfrichstraat, zodat doorgaand verkeer tussen de Jan Evertsenstraat en de Jan van Galenstraat via het Mercatorpark wordt uitgesloten.

In het tweede scenario is, naast de knip, geen in- en uitgaand verkeer van en naar de Jan van Galenstraat meer mogelijk. Het eerste scenario heeft nauwelijks verkeerseffecten. Het tweede brengt veranderingen met zich mee voor de Orteliuskade en heeft vooral betrekking op de circulatie rond het Mercatorpark en de ontsluiting van/naar de Ringweg A10. Hoewel het sluipverkeer over de Orteliuskade in dit scenario wordt uitgesloten, zullen bewoners van Mercatorpark het gebruik en daarmee de verkeersintensiteit van de Orteliuskade doen toenemen. Het verkeersmodel heeft berekend dat er zonder gebiedsontwikkeling in 2030 rond de 1.000 motorvoertuigen gebruik zullen maken van de Orteliuskade en ruim 2.000 als Mercatorpark ontwikkeld wordt én scenario 2 wordt uitgevoerd. Dit aantal ligt ruim onder de norm van 5.0006.000 motorvoertuigen per etmaal voor een gemiddelde 30 km weg wat vanuit het oogpunt van leefbaarheid en veiligheid acceptabel is. Beide scenario’s zijn verkeerskundig uitvoerbaar, voor de realisatie ervan is een verkeersbesluit nodig. Parkeren De ontwikkeling van Mercatorpark leidt tot een parkeervraag, voor auto's, fietsen en scooters. In geval van bouwen en/of uitbreiden van gebouwen en/of een wijziging van het gebruik met een toename van de parkeervraag moet voldoende parkeerruimte worden aangebracht en in stand worden gehouden.

Gedurende de aanvraag van de omgevingsvergunning moet worden aangetoond op welke wijze aan de geldende parkeernormen voor het plangebied wordt voldaan. Bij het berekenen van de parkeervraag voor de niet-woonfuncties geldt voor bedrijven en kantoren een maximumparkeernorm van 1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak (bvo) zoals vastgesteld in de ‘Nota Parkeernormen Auto’. Voor voorzieningen zijn op voorhand geen parkeernormen in de nota opgenomen. Hiervoor geldt dat de actuele CROW-kencijfers 'sterk stedelijk schil centrum' het uitgangspunt vormen bij het vaststellen van de parkeervraag, waarbij maatwerk wordt toegepast op de CROW-kencijfers. Het gebruikte kortingspercentage van 40% bij de berekening van de parkeervraag loopt vooruit op een aanpassing van het parkeernormenbeleid en is afgestemd met de beleidsafdeling Parkeren van Verkeer en Openbare Ruimte. Bij een evaluatie van het bestaande beleid is namelijk geconstateerd dat met een toepassing van een generieke korting van 40% het beleid meer in de pas loopt met de ambitie om Amsterdam autoluw te maken. De woningbouwopgave, de beperkte openbare ruimte, de goede ov65

bereikbaarheid, de fietsinfrastructuur en het stedelijke karakter van Mercatorpark dienen daarbij als onderbouwing. Bovendien zijn in en in de directe nabijheid van het plangebied (gebouwde) parkeervoorzieningen gelegen van gemeente en marktpartijen waar bezoekers gebruik van kunnen maken. Parkeervraag auto – bewoners en werknemers Vergunningen voor bewoners van nieuwbouwwoningen om op straat te kunnen parkeren worden niet uitgegeven. Het parkeren moet op eigen terrein plaatsvinden conform de beleidsregels en de normeringen zoals vastgesteld in de ‘Nota Parkeernormen Auto’. Ook voor de nieuwe functies geldt dat de werknemers parkeren op eigen terrein. Een uitzondering hierop vormt de basisschool als onderdeel van het integraal kindcentrum. Voor de medewerkers zullen maatschappelijke parkeervergunningen worden afgegeven voor de benodigde parkeerplaatsen in de openbare ruimte. De parkeervraag van werknemers van bestaande functies zoals SportPlaza Mercator, het gemeentelijke kantoorgebouw Triade en het Reumatologisch Centrum Reade wordt opgelost op eigen terrein. Reade beschikt daarnaast over parkeervergunningen voor werknemers in de openbare ruimte. Voor het fastfoodrestaurant KFC (als onderdeel van SportPlaza Mercator) verandert de situatie, omdat het huidige privé parkeerterrein ten behoeve van het fastfoodrestaurant verdwijnt.

De verwerving van het erfpachtrecht door de gemeente heeft tot gevolg dat opnieuw naar de parkeervraag is gekeken. Conform de CROW-norm en het Amsterdamse parkeerbeleid is in de parkeerbalans rekening gehouden met de parkeervraag voor werknemers en bezoekers van het fastfoodrestaurant. In het bestaande L.T.S.-complex zijn diverse functies gehuisvest, zoals kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, ateliers en maatschappelijke voorzieningen. Werknemers kunnen hier niet op eigen terrein parkeren en beschikken om die reden over parkeervergunningen in de openbare ruimte. Tot slot zijn in het plangebied parkeervergunningen afgegeven om aan de parkeervraag van mindervaliden, taxi’s en laden- en lossen te voldoen. De parkeervraag van vergunninghouders in de openbare ruimte bedraagt 88 parkeerplaatsen. Parkeervergunningen (verleend of nog af te geven)

Aantal autoparkeerplaatsen

Reumatologisch Centrum Reade - werknemers

20

KFC fastfoodrestaurant - werknemers en bezoekers

21

Vml. L.T.S.-complex - werknemers

14

Overige vergunninghouders onbekend

8

Overige zoals alg. mindervaliden, laden en lossen en taxi plaatsen. Totaal

25 88

Parkeervraag auto - bezoekers nieuwe functies De toevoeging van woningen en andere nieuwe functies in Mercatorpark mag niet leiden tot parkeerdruk in de omgeving van het plangebied vanwege het bezoekersparkeren. Met andere woorden, binnen het plangebied moet voldoende (openbare) ruimte zijn voor bezoekers om te parkeren. De norm voor het autoparkeren van bezoekers van bewoners is 0,1 parkeerplaats per woning. 66

Uitgaande van circa 1.000 woningen voor het gehele plangebied zijn dat 100 parkeerplaatsen. Van de beoogde 1.000 woningen kunnen ongeveer 600 woningen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt op grond van voorliggend bestemmingsplan en de overige 400 middels een wijzigingsbevoegdheid op bouwveld MW2. De parkeervraag van bezoekers, van de woningen die rechtstreeks mogelijk worden gemaakt, bedraagt 60 parkeerplaatsen. Nieuwe functie

Theoretische parkeervraag bezoekers (aantal autoparkeerplaatsen) 60

Bezoekersparkeren woningen

In voorliggend bestemmingsplan wordt voor het plangebied Mercatorpark circa 10.000 m2 bruto vloeroppervlak (bvo) voor nieuwe bedrijvigheid, horeca en maatschappelijke voorzieningen beoogd (zie tabel in paragraaf 4.1). Daarvan is circa 5.900 m2 bvo rechtstreeks mogelijk en de overige 4.200 m2 bvo middels een wijzigingsbevoegdheid op bouwveld MW2. Voorliggend bestemmingsplan staat geen nieuwe ontwikkelingen toe die sterk verkeer aantrekkend zijn. De nieuw te realiseren niet-woonfuncties zijn kleinschalig en hebben een lokaal verzorgingsgebied. De horeca (club, café/restaurant) in het voormalige L.T.S.-complex wordt in voorliggend bestemmingsplan positief bestemd en moet zodoende als nieuwe functie worden beschouwd. In de huidige situatie gebruikt het merendeel van de bezoekers de fiets als vervoermiddel, omdat parkeerplaatsen op eigen terrein voor auto’s ontbreken. Het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlak van de horeca blijft gelijk en de verwachting is dat bezoekers ook in de toekomst met de fiets komen, gezien de huidige en toekomstige beperkte ruimte voor auto parkeren in de openbare ruimte. In de parkeerbalans is rekening gehouden met 15 parkeerplaatsen voor bezoekers ten behoeve van de horeca. Zie tabel hieronder en de parkeerbalans die als bijlage aan deze plantoelichting is gevoegd.

De parkeervraag van de nieuwe functies die rechtstreeks mogelijk worden gemaakt bedraagt 30 parkeerplaatsen. Nieuwe functie Integraal kindcentrum

Theoretische parkeervraag (aantal autoparkeerplaatsen) 4

Plintfuncties MO2 en MO3

9

Behandelwoonlocatie

1

Bedrijfsverzamelplint MW3

1

Horeca in vml L.T.S.

15

Totaal

30

Parkeervraag auto - bezoekers bestaande functies Voor de bezoekers van de bestaande functies is een theoretische parkeervraag berekend op basis van de CROW-kencijfers en het Amsterdamse parkeernormenbeleid. De bezoekers van het 67

Reumatologisch Centrum Reade, de voorzieningen binnen het complex van SportPlaza Mercator (met uitzondering van het KFC fastfoodrestaurant zoals hierboven is aangegeven), het voormalige L.T.S. gebouw en de baliefunctie in het gemeentelijk kantoorgebouw Triade parkeren in de openbare ruimte. De theoretische parkeervraag van bezoekers van de bestaande functies bedraagt 109 parkeerplaatsen. Bestaande functie bezoekers Reumatologisch Centrum Reade

Theoretische parkeervraag bezoekers (aantal autoparkeerplaatsen) 34

SportPlaza Mercator zwembad en sport

64

Vml. L.T.S diverse functies

10

Baliefunctie gemeentelijk kantoorgebouw Triade

1

Totaal

109

De som van de tabellen geeft de totale parkeervraag van bezoekers van de woningen en van de bestaande en nieuwe functies weer en bedraagt 287 autoparkeerplaatsen. Omdat de parkeervraag van deze afzonderlijke functies op verschillende momenten van de dag/week plaatsvindt, is het niet nodig om de som van het aantal per functie berekende parkeerplaatsen aan te leggen. De totale parkeervraag komt, rekening houdend met dubbelgebruik van parkeerplaatsen, uit op 191 parkeerplaatsen. Dit aantal is gebaseerd op aanwezigheidspercentages op een zaterdagavond, het maatgevende moment. Parkeerplaatsen van vergunninghouders, parkeerplaatsen voor laden en lossen, taxiplaatsen en parkeerplaatsen voor mindervaliden zijn niet als dubbelgebruik gerekend. De 21 parkeerplaatsen ten behoeve van het KFC restaurant zijn eveneens niet meegerekend voor dubbelgebruik. In de parkeerbalans is het worst case uitgangspunt gehanteerd dat de 21 parkeerplaatsen voor 100% gebruikt worden door bezoekers en werknemers van het KFC restaurant. De aanwezigheidspercentages zijn opgenomen in de parkeerbalans die als bijlage aan deze plantoelichting is gevoegd. Na toepassing van de wijzigingsbevoegheid die het mogelijk maakt de kavel van Reade te ontwikkelen, komen de vergunningen van de werknemers van Reade te vervallen en vervalt ook de parkeervraag van de bezoekers aan Reade.

Daarvoor in de plaats ontstaat een nieuwe parkeervraag op bouwveld MW2. De parkeervraag van de nieuwe functies, die op bouwveld MW2 gerealiseerd kunnen worden na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, bedraagt circa 54 parkeerplaatsen voor bezoekers (aan de woningen en de voorzieningen).

Nieuwe functies MW 2 met toepassing van wijzigingsbevoegdheid

Theoretische parkeervraag bezoekers (aantal autoparkeerplaatsen)

Supermarkt

12

Plintfuncties

2

Bezoekersparkeren woningen

40

Totaal

54

68

Parkeeraanbod auto Binnen het plangebied moet worden voorzien in voldoende autoparkeerplaatsen om het bezoekersparkeren mogelijk te maken. Tegelijkertijd heeft de gemeente de ambitie om Mercatorpark zoveel mogelijk autoluw te ontwikkelen, zodat er voldoende openbare ruimte overblijft voor groen en sport- en speelvoorzieningen ten behoeve van de bewoners. In het bestemmingsplan zijn mogelijkheden opgenomen om ondergrondse, gebouwde parkeervoorzieningen te realiseren, zodat kan worden voorzien in parkeerplaatsen voor bewoners op eigen terrein. Deze ondergrondse gebouwde parkeervoorzieningen hangen samen met de functies in het plangebied en hebben geen zelfstandig verkeer aantrekkende werking. Het uitgangspunt, zoals in het parkeerbeleid is voorgeschreven, dat parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden, is niet op alle bouwvelden in het plangebied mogelijk. In het geval van bouwveld MW1 (ter plaatse van het vml. L.T.S.-complex) is dat fysiek onmogelijk en in het geval van het integraal kindcentrum (MO4) is het onwenselijk om op eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren. Voor de werknemers van het integraal kindcentrum zal in het plangebied op maaiveld geparkeerd worden middels een vergunning. Voor de bewoners van bouwveld MW1 kan worden voorzien in parkeergelegenheid in de beoogde gebouwde parkeervoorzieningen onder de bouwvelden MO2, MO3 en MW2.

De voorwaarde die het parkeerbeleid stelt is dat de verplaatsing van parkeergelegenheid ruimtelijk aanvaardbaar is. Door de compactheid van het gebied en de geringe afstand tot de parkeervoorzieningen zijn de loopafstanden tussen bouwveld MW1 en de beoogde parkeervoorzieningen acceptabel. Bouwveld MW2 kan pas ontwikkeld worden na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in de planregels. Binnen dit bouwveld is parkeren op eigen terrein goed inpasbaar voor de beoogde functies, zowel voor bewoners, werknemers en bezoekers. In de huidige situatie zijn in de openbare ruimte op maaiveld 282 parkeerplaatsen aanwezig. Dit is inclusief plaatsen voor laden/lossen, taxi’s, mindervaliden en vergunninghouders. Hoewel binnen Mercatorpark (nog) niet wordt gewoond en de parkeerdruk lager is dan in de omliggende buurten, worden de parkeerplaatsen voor het merendeel (circa 234) gebruikt door bewoners uit andere gebieden met een zogenaamde overloopvergunning. In de nieuwe situatie, als het plangebied ontwikkeld wordt, verdwijnt die mogelijkheid. In de toekomstige situatie kunnen in de openbare ruimte langs de ventweg aan de Jan van Galenstraat en langs de Dr. Jan van Breemenstraat 96 parkeerplaatsen (in rood aangegeven op onderstaande kaart) aangelegd worden.

In lichtgroen is de overcapaciteit van 14 parkeerplaatsen aan de Jan Evertsenstraat, net over de plangrens gelegen, aangegeven. Rond het Reumatologisch Centrum Reade zijn 84 parkeerplaatsen die worden gehandhaafd totdat dit bouwveld MW2, middels een wijzigingsbevoegdheid, ontwikkeld wordt. Omdat het aanbod in de openbare ruimte hier vervalt, zal de parkeervraag van MW2 in zijn geheel, dat wil zeggen voor de bewoners, werknemers én bezoekers opgelost moeten worden op eigen terrein. Daarnaast kan voor het bezoekersparkeren gebruik worden gemaakt van de overcapaciteit in bestaande parkeergarages binnen en in de omgeving van het gebied. Hier komt met name de gemeentelijke parkeergarage onder het Mercatorplein die binnen acceptabele loopafstand ligt van het plangebied (zie onderstaande kaart), voor in aanmerking. De ‘Nota Parkeernormen Auto’ geeft de mogelijkheid om een tekort aan parkeerplaatsen op te lossen in bestaande garages als aangetoond kan worden dat er in die garages tenminste voor de komende tien jaar voldoende plaatsen beschikbaar zijn. De parkeergarage onder het Mercatorplein is in gemeentelijk bezit waardoor de beschikbaarheid geborgd is. 69

Aanbod openbare parkeerplaatsen in en rond het plangebied

Parkeervraag fiets Bij het berekenen van de parkeervraag voor fietsen zijn de parkeernormen aangehouden, zoals opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Fiets en Scooter’. De minimumeis voor fietsparkeren is twee fietsparkeerplekken per woning. Voor alle nieuwe functies is het uitgangspunt dat de fietsen scooterparkeerplaatsen ingepast worden op eigen terrein. Voor bezoekers geldt een norm van 1 plek per vier woningen en voor de niet-woonfuncties zijn de normen afhankelijk van het verzorgingsgebied van de functie en de grootte ervan. De totale parkeervraag voor bezoekers van de woningen, de bestaande en nieuwe functies bedraagt circa 2.000 fietsparkeerplaatsen en circa 240 plekken voor scooters. Parkeeraanbod fietsen en scooters Voor het parkeren van fietsen en scooters wordt gelet op de inrichting van het plangebied (gestapeld, dicht bebouwd) in principe uitgegaan van de normering voor gezamenlijke fietsenstallingen op eigen terrein. Voor bezoekers is meervoudig gebruik van plekken in de openbare ruimte mogelijk. Binnen het plangebied worden geen grootschalige verkeer aantrekkende functies mogelijk gemaakt, waardoor de impact op de openbare ruimte aanvaardbaar is. In de huidige situatie zijn in het plangebied 982 plaatsen voor het parkeren van fietsen aanwezig.

Omdat de parkeervraag van deze afzonderlijke functies op verschillende momenten van de dag/week plaatsvindt, is het niet nodig om de som van het aantal per functie berekende parkeerplaatsen aan te leggen. De totale theoretische parkeervraag komt, rekening houdend met dubbelgebruik van parkeerplaatsen voor fietsers, uit op circa 1540 en voor scooters op 240. In voorliggend bestemmingsplan zijn parkeervoorzieningen toegestaan binnen de bestemmingen ‘Verkeer’, ‘Maatschappelijk’, ‘Horeca’, ‘Recreatie’ en de bestemmingen ‘Gemengd’. Ongebouwde fietsparkeervoorzieningen zijn ook toegestaan binnen de bestemming ‘Groen’.

70

6.2.4

Conclusie

De ontwikkeling van Mercatorpark leidt tot een andere inrichting van het gebied en een toename van verkeer. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat als gevolg van de gebiedsontwikkeling geen nieuwe knelpunten, naast de reeds bestaande, ontstaan in de verkeersafwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan biedt voldoende ruimte voor een duurzame en veilige inrichting van het plangebied, zoals het realiseren van een autoluw gebied en het terugdringen van sluipverkeer. In de algemene gebruiksregels is geborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeervoorzieningen voor auto’s, fietsers en scooters. De parkeerbalans is als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. De aspecten verkeer en parkeren staan de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.

6.3

Water

6.3.1

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6, lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: • • • • •

Ruimtelijk relevant waterbeleid; De taken van de waterbeherende instantie; Het overleg met de waterbeherende instantie; Het huidige watersysteem; Het toekomstige watersysteem.

De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Daarin worden de effecten van de ontwikkelingen op het watersysteem onderzocht. 6.3.2

Beleid, wet – en regelgeving

Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, waarmee een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder stelt de wet eisen aan activiteiten in het watersysteem. Voor veel activiteiten kan worden volstaan met het indienen van een melding en het volgen van algemene regels uit de keur. Er zijn ook activiteiten waarvoor een melding niet voldoende is, maar een vergunning moet worden 71

aangevraagd. De watervergunning is een gebundelde vergunning voor het verrichten van activiteiten in oppervlaktewater of grondwater. Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken; lozen en onttrekken van water; varen, aanmeren en evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie en uitbreidingsplannen. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het ‘Nationaal Water Programma 2022-2027’ (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP komen de hoofdlijnen van het waterbeleid samen met die van het beheer van de rijkswateren en de rijksvaarwegen. Voor 2009 – 2015 en 2016 – 2021 stelde de Rijksoverheid een Nationaal Water Plan én een Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren op. Voor de periode 2022 – 2027 zijn deze twee plannen samengebracht in één programma. In het NWP stelt het kabinet drie hoofdambities voor de toekomst: een veilige en klimaatbestendige delta; een concurrerende, duurzame en circulaire delta en; een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, natuur, landschap, cultureel erfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk.

Bij de ontwikkeling van nieuwe verstedelijkingslocaties (zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied) moeten de mogelijkheden worden benut voor aanpassing aan klimaatverandering (tegengaan hitte stress en voldoende wateropvang) door bijvoorbeeld de hoeveelheid groen en water per saldo op zijn minst gelijk te houden. Keur Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Amstel Gooi en Vechtstreek zodat de ‘Keur AGV’ van toepassing is. De keur is een verordening gericht op het beschermen van waterstaatswerken en waterkeringen, de wateraanvoer en –afvoer, het voorkomen van wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de keur zijn verschillende geboden en verboden opgenomen voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers, wateren en verhard oppervlak. Zo geldt de verplichting tot compensatieberging bij ontwikkelingen van meer dan 1000 m2. De Waterwet vormt de wettelijke basis van de keur. Dat betekent dat ontheffingen op de keurbepalingen via een watervergunning verleend kunnen worden. Omgevingsprogramma Riolering De gemeente Amsterdam heeft op 25 maart 2022 het ‘Omgevingsprogramma Riolering’ vastgesteld. Het omvat een periode van 6 jaar en loopt eind 2027 af.

Het programma concretiseert de ‘Omgevingsvisie Amsterdam 2050’ voor de gemeentelijke taken voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Hieruit volgt beleid en een programma van maatregelen, met een kosteninschatting ter onderbouwing van de rioolheffing. Dit ‘Omgevingsprogramma Riolering’ is de opvolger van het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016-2021’. Het Omgevingsprogramma is een programma van gemeente Amsterdam inclusief het gebied van Weesp. De gemeente heeft de wettelijke verantwoordelijkheid (zorgplicht) voor een aantal watertaken: stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. De riolering is het geheel aan voorzieningen voor inzameling en/of verwerking van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Drainage en boven- en ondergrondse hemelwater verwerkende voorzieningen vallen hiermee ook onder riolering. Hemelwaterverordening Naast het bestendig maken van de openbare ruimte is het ook nodig dat op particulier terrein 72

regenwater tijdelijk wordt opgevangen. Daartoe is op 26 april 2021 de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Doel van deze verordening is om bij grote regenbuien, die steeds vaker voorkomen, waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige stad. Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam Dit afwegingskader is op 20 januari 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. Het kader biedt regels om bouwaanvragen voor het aanleggen van een kelder te kunnen toetsen aan de eisen van grondwaterneutraliteit. In lijn met het afwegingskader is een paraplubestemmingsplan opgesteld. Amsterdam kent een aantal gebieden met een delicate grondwatersituatie en de gemeente wil mogelijke negatieve gevolgen voor het grondwater door de bouw van kelders voorkomen.

De grondwatergevoeligheid van de stad en de gevolgen van de klimaatverandering dwingen tot publiekrechtelijke regulering van ondergrondse bouwwerken, ongeacht of dit in openbaar gebied of op particulier terrein is, omdat grondwater zich niet houdt aan perceelgrenzen. 6.3.3

Watertoets

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. De rapportage die aan de waterbeheerders is voorgelegd is als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. Grondwater De aanleg van parkeerkelders zorgt voor opstuwing van het grondwater met een maximum van +0,2 m. De kelders vormen een blokkade van de grondwaterstroming naar het zuidwesten richting de watergang. Hieruit wordt geconcludeerd dat het grondwaterneutraal aanleggen van de kelders een vereiste is voor de ontwikkeling van het gebied, zodat negatieve grondwatereffecten voorkomen worden. Na de gebiedsontwikkeling met de aanleg van grondwaterneutrale kelders voldoet de ontwatering in het gebied aan de minimale ontwatering van 0,5 m –mv in de maatgevende natte situatie (kruipruimteloos bouwen). Grondwaterneutrale kelders zijn ook wenselijk om eventuele stijging in grondwaterstanden in de omringende buurten door opstuwing te voorkomen.

De ontwikkelingen in Mercatorpark zullen geen invloed hebben op het Rembrandtpark: beide gebieden wordt geohydrologisch (freatisch) van elkaar gescheiden door de watergang langs de Jan Evertsenstraat. In het watervoerende pakket worden geen effecten verwacht door de ontwikkeling. Waterkering Binnen de beschermingszone van de verholen waterkering is nieuwbouw voor een basisschool beoogd. Deze activiteit is meldingplichtig. Daarnaast geldt het advies vooroverleg te hebben met 73

vergunningverlening van waterschap AGV zodra meer bekend is over de bebouwing, funderingen, eventuele damwanden en uitvoeringswijze. Oppervlaktewatersysteem en verhardingen Het wateroppervlak binnen het plangebied neemt toe. Aan de zuidzijde wordt extra oppervlaktewater (circa 1.050 m2) gegraven door de watergang te verbreden. Voor het aanleggen van oppervlaktewater is een watervergunning nodig. Er zijn geen dempingen van het oppervlaktewater voorzien. Het ontwerp van de loopbruggen moet voldoen aan nautische eisen zoals het doorvaartprofiel en doorvaarthoogte. Ook moeten de bruggen voldoen aan de eisen van het waterschap vanwege het doorstroomprofiel van het watergang en toegankelijkheid bij onderhoud van de watergang. Watercompensatie De ontwikkeling van het plangebied Mercatorpark heeft tot gevolg dat de verharding (bebouwing) toeneemt met circa 4.000 m2. Het aanleggen van meer dan 1.000 m2 verharding is vergunningplichtig bij het waterschap. Op grond van de Keur moet elke 1.000 m2 verharding voor 10% gecompenseerd worden met extra oppervlaktewater. De verhardingstoename in het plangebied wordt in zijn geheel gecompenseerd door de eisen die zijn gesteld in de Hemelwaterverordening. Het aanleggen van extra oppervlaktewater of alternatieve waterberging buiten de bouwvelden is niet nodig.

De verbreding van de watergang kan ingezet worden ter compensatie van toekomstige projecten binnen of buiten het plangebied in andere delen van het projectgebied Jan Evertsenstraat-West. Hiervoor is een waterbalans nodig die in afstemming met het waterschap moet worden opgesteld. Waterkwaliteit Groene oevers hebben een positief effect op de waterkwaliteit. De aanwezige oevers blijven behouden en zullen ook na verbreding van de watergang, hun natuurvriendelijke inrichting terugkrijgen. Het ontwerp van de oever en het onderwatertalud wordt afgestemd met het waterschap. Hemelwaterafvoer In het ontwerp van de openbare ruimte kan, conform het beleid, van een bui van 60 mm circa 20 mm via het ondergrondse hemelwaterstelsel verwerkt worden en 40 mm tijdelijk worden opgeslagen in de openbare en private ruimten. Op grond van de hemelwaterverordening wordt de nieuwbouw voorzien van een hemelwaterberging van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak. Voor waterbergingen met hergebruikssysteem of centrale besturing gelden aangepaste eisen. 6.3.4

Conclusie

In voorliggend bestemmingsplan is de regeling ten aanzien van grondwaterneutrale kelders opgenomen in de algemene bouwregels. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

74

6.4

Natuur en landschap

6.4.1

Algemeen

Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet rekening houden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit wordt gebiedsbescherming genoemd. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan. 6.4.2

Wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, de decentralisatie van verantwoordelijkheden en vereenvoudiging van regels. De regelgeving rond de gebiedsbescherming (i.c. van Natura2000gebieden) en de soortenbescherming (voorheen in de Flora- en faunawet geregeld) zijn in de Wnb geïntegreerd. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Bij vrijwel alle ingrepen moet met door Wnb beschermde soorten rekening worden gehouden. Een belangrijke verandering betreft de lijst van beschermde planten. Deze is aanzienlijk ingekort. Het gevolg ervan is dat tal van tot nu toe beschermde soorten hun beschermde status in de nieuwe wet verliezen. Hoofdgroenstructuur Amsterdam In de ‘Structuurvisie Amsterdam 2040’ (vastgesteld in 2011) is de Hoofdgroenstructuur (HGS) opgenomen. Het beleidskader en de visiekaart van deze structuur is opnieuw vastgesteld als onderdeel van de ‘Omgevingsvisie Amsterdam 2050’. Voor functiewijzigingen, die buiten de vastgelegde kaders vallen moet advies worden gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur (TAC).

De watergang en daar parallel aan lopende groenstrook gaan onderdeel uitmaken van de vernieuwde Hoofdgroenstructuur (HGS). In het kader van de gebiedsontwikkeling zijn grootschalige ingrepen, die een negatief effect kunnen hebben op de HGS, niet aan de orde. Ecologische visie Amsterdam De ‘Ecologische Visie Amsterdam’ is vastgesteld in 2011 als een nadere uitwerking van de ‘Structuurvisie Amsterdam 2040’. De in de visie benoemde ecologische structuur is daarbij aan te merken als een uitwerking en aanvulling op en verfijning van het provinciale netwerk op Amsterdams grondgebied. Amsterdam voegt ten opzichte van het provinciale netwerk een aantal dwars- en parallelverbindingen toe om het geheel sterker te maken. Daarnaast is een aanpak opgenomen om bestaande knelpunten op te lossen. 75

De watergang aan de zuidzijde van Mercatorpark behoort tot de ecologische structuur. De Amsterdamse ecologische structuur is geactualiseerd en opgenomen in de Hoofdgroenstructuur onder de naam ‘stadsnatuur’. Als het stadsnatuur-label op een locatie ligt, dan geldt natuur altijd als prioritaire waarde boven andere waarden. Initiatieven mogen deze primaire waarde niet aantasten. Voor stadsnatuurverbindingen geldt dat de natuurwaarde het belangrijkste is en niet mag worden aangetast. De kwaliteit en de omvang van stadsnatuur mag niet afnemen. Bestaande ecologische knelpunten worden zo snel mogelijk opgeheven. Het laten aanlanden van of het over/onderkluizen met bruggen en viaducten in/van deze verbindingen is onder voorwaarden inpasbaar. De beoogde loopbrug(gen) zijn niet voor autoverkeer bestemd. Een aantal knelpunten in de ecopassages is reeds aangepakt en verholpen. Het ontwerp voor de verbreding van de watergang en de aanleg van de loopbrug(gen) houdt rekening met de ecologische functie van de watergang. De oevers zullen daartoe natuurvriendelijk worden ingericht. 6.4.3

Resultaten onderzoek

In 2016 is voor het gehele project Jan Evertsenstraat-West een onderzoek naar de natuurwaarden in het gebied uitgevoerd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is opnieuw gekeken naar de actuele natuurwaarden. Op basis van een bureaustudie is inzicht verkregen in de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden van het Natura 2000-netwerk en van het provinciaal Natuurnetwerk Nederland (NNN). Om de aanwezigheid van beschermde soorten en overige aandachtsoorten in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen, is naast een bureaustudie in 2021 een verkennend veldbezoek uitgevoerd. Het veldbezoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de relevante inventarisatieprotocollen- en standaarden. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb. Ook is beschreven welke maatregelen genomen moeten worden om effecten te voorkomen. Aanvullend is een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en kleine marterachtigen Door middel van een AERIUS-berekening van de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van de mogelijkheden die voorliggend bestemmingsplan biedt, is nagegaan of er negatieve effecten in het kader van de Wnb-beschermde gebieden zullen optreden.

De rapportages zijn als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. De beoordeling van de effecten van het plan op beschermde gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ dat op circa 7,5 kilometer afstand van het plangebied ligt. Dit is eveneens het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen. Op onderstaande afbeelding zijn de gevoelige gebieden voor stikstof weergegeven. De relevante stikstofemissies in de beoogde situatie zijn de emissies van het verkeer. Het aantal verkeersbewegingen in het plangebied wijzigt, wat ook gevolgen heeft voor de emissies van NOx en NH3. Op grond van de verkeersgegevens is berekend wat de planontwikkeling (in de gebruiksfase) bijdraagt aan verkeersbewegingen en als gevolg daarvan aan depositie van stikstof. Het planeffect is bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. De berekening met AERIUS Calculator versie 2021.2 levert op geen enkel Natura 2000-gebied een netto stikstofdepositie op hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

76

Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen

Er is eveneens een berekening uitgevoerd naar de bijdrage van het plan in de bouwfase, inclusief de sloop van een aantal gebouwen binnen de plangrens. Voor het berekenen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS Calculator, versie 2021.2. In de berekeningen zijn de emissies van NOx en NH3 van alle relevante bronnen meegenomen. Dit betreft de uitstoot van NOx en NH3 door mobiele werktuigen op de bouwplaats en het verkeer dat aangetrokken wordt door de bouwactiviteiten. AERIUS Calculator berekent voor de bouwfase een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. Op grond van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat potentiële significante effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase, op voorhand uitgesloten kunnen worden en het bestemmingsplan vastgesteld kan worden op basis van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming. Door de afstand en de aanwezigheid van tussenliggende barrières zoals bebouwing, wegen en spoorlijnen zijn fysieke effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verstoring door geluid/licht/trillingen als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. 77

Als gekeken wordt naar de externe werking dan blijkt dat de aangewezen soorten van het Natura 2000-gebied geen gebruik maken van het plangebied als (essentieel) onderdeel van hun leefgebied (buiten het Natura 2000-gebied), omdat het plangebied ongeschikt is als leefgebied voor deze soorten. Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat in het beheerplan van het N2000-gebied is aangeduid als een verwachte kolonielocatie voor de meervleermuis. Daarnaast ligt het niet voor de hand dat de meervleermuis het plangebied gebruikt als essentiële vliegroute, omdat de watergang in het plangebied maar beperkt in verbinding staat met rechtlijnige wateren in de buurt. Mocht het plangebied wel als vliegroute gebruikt worden dan zijn er gedurende de werkzaamheden voldoende alternatieve routes aanwezig waarnaar de vleermuizen eventueel tijdelijk kunnen uitwijken (watergangen, parken, etc.). De verbreding van de watergang heeft bovendien mogelijk positieve effecten op de potentie van de watergang als vliegroute. Vervolgstappen in verband met de instandhoudingsdoelen van de meervleermuis zijn zodoende niet nodig. De dichtstbijzijnde zone, delen van de Brettenzone, behorend tot het Natuurnetwerk (NNN) Noord-Holland ligt op meer dan 2 km afstand.

Omdat de werkzaamheden buiten het NNN plaatsvinden en Noord-Holland geen externe werking kent ten aanzien van het NNN zijn effecten van de werkzaamheden op het NNN op voorhand uitgesloten. Nadere vervolgstappen zijn niet nodig. De beoordeling van de effecten van het plan op beschermde soorten Het voorkomen van onder de Wnb beschermde flora in het plangebied en haar directe omgeving is, vanwege de afwezigheid van geschikt biotoop, uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soortgroep niet aan de orde. Wel komt in het plangebied de Rode lijst soort Bevertjes of Trilgras voor. Dit is geen (nationaal) beschermde soort onder de Wnb, waardoor er geen sprake is van verboden handelingen en/of benodigde ontheffingen ten aanzien van soort. Wel geldt in het kader van de Wnb voor zowel wettelijk beschermde als niet beschermde soorten de zorgplicht. Van belang is dat deze soort wordt gevrijwaard van aantasting/vertrappeling. Dit kan door, indien inpasbaar binnen het herinrichtingsplan, de groeiplaatsen van bevertjes in het gebied te ontzien of eventueel de soort (met een deel van de bodem) te verplaatsen naar een nieuwe groeiplaats. Bovenstaande in acht nemende is er geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van plantensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten.

Het voorkomen van algemeen beschermde zoogdiersoorten zoals de haas, konijn, bosmuis, egel, huisspitsmuis en vos is op basis van de aanwezige biotoop niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is een eenmalige melding van het gebruik van deze vrijstelling nodig (meldingsplicht provincie Noord-Holland). Voor kleine marterachtigen en steenmarter biedt het plangebied ook een geschikte biotoop. Er is veel dekking aanwezig in de vorm van ondergroei (brandnetels) rond het zwembad, ruig begroeide oeverzones langs de zuidelijke watergang en bosjes tussen de A10 en de bebouwing. Voor deze soorten geldt geen vrijstelling. Ten westen van de voormalige L.T.S., ter plaatse van het talud is een potentiële verblijfsplaats voor marterachtigen. Onderzoek naar vaste verblijfplaatsen van kleine marterachtigen heeft plaatsgevonden in de zomer van 2022. Vanwege de intensieve betreding van het talud door honden, die hier worden uitgelaten, vindt zodanige verstoring plaats dat geen marters zijn waargenomen. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Het plangebied is lokaal geschikt als foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Het 78

gaat dan met name om het groene terrein rond het zwembad, de watergang in het zuiden en de groenstrook langs de A10. In het verleden zijn waarnemingen van overvliegende of foeragerende individuen geweest. Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen, hoewel het plangebied zich wel leent voor verblijf. Verschillende gebouwen in- en om het plangebied bevatten open stootvoegen, waaronder de te slopen gebouwen van de gemeentewerf. Ook zijn er potentieel geschikte boomholtes aanwezig in verschillende bomen in Mercatorpark. Om zeker te kunnen stellen dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden in verschillende periodes tussen mei en oktober 2022. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen en het plangebied maakt geen onderdeel uit van een vliegroute en is geen essentieel foerageergebied. Vervolgstappen zijn niet nodig. Algemene broedvogels kunnen een nestplek vinden in de bomen en struiken in en rond het plangebied. Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal maart t/m augustus) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Dit moet voorkomen worden, aangezien opzettelijke verstoring verboden is.

Als de werkzaamheden starten in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied of directe omgeving. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen in het plangebied en worden ook niet verwacht, omdat er geen geschikte plekken zijn en de mate van verstoring hoog is. Van negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten is geen sprake en vervolgstappen zijn niet nodig. De watergang in het zuiden van het plangebied biedt geschikt leefgebied aan amfibieën. Beschermde, niet vrijgestelde amfibieën worden hier echter niet verwacht vanwege de grote afstand tot bekende populaties en de hoge mate van verstoring. Reptielen zijn niet waargenomen Van negatieve effecten als gevolg van de planontwikkeling op deze soortengroepen is dan ook geen sprake. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van amfibieën en reptielen. Wel is ten allen tijden de zorgplicht van kracht en geldt een meldingsplicht voor bovengenoemde vrijgestelde soorten bij de provincie Noord-Holland. Ook beschermde vissen zijn niet aangetroffen. Het plangebied beschikt niet over een geschikte biotoop. Dit geldt eveneens voor vlinders, libellen en andere ongewervelden. In het plangebied ontbreken waardplanten die deze soorten nodig hebben.

Bomen Ten behoeve van het gehele projectgebied Jan Evertsenstraat – West is een bomeninventarisatie uitgevoerd. Er zijn in het plangebied Mercatorpark circa 500 bomen. Een aantal daarvan is in slechte staat en wordt gekapt. Ten behoeve van de gebiedsontwikkeling zullen eveneens bomen worden gekapt. De bouwvelden zijn zo gedefinieerd dat de huidige waardevolle bomen, waaronder de oude bomenrij centraal in het plangebied, en de groene structuur zoveel mogelijk behouden blijven. In het ontwerp voor de openbare ruimte wordt rekening gehouden met herplant en compensatie. De sport- en speelvoorzieningen worden zoveel mogelijk rond en tussen de bestaande bomen gesitueerd. 6.4.4

Conclusie

Er zijn ten aanzien van het aspect natuur en landschap geen belemmeringen geconstateerd die de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.

79

6.5

Hoogbouweffecten

6.5.1

Algemeen

Verdichting is een belangrijke opgave, voor de hele stad en voor bepaalde gebieden in het bijzonder. Hoogbouw is daarin niet het enige, maar wel een geschikt middel. Het is bovendien een krachtig stedenbouwkundig instrument. Afhankelijk van de positionering van hoogbouw kan deze bijdragen aan de kwaliteit van de stad als metropool. Het plangebied Mercatorpark ligt, voor zover het westelijk deel betreft, in een zone waar hoogbouw gestimuleerd wordt. Hoewel hoogbouw hier gewenst is, is een zorgvuldige inpassing en afweging van de effecten op de omgeving noodzakelijk. In deze paragraaf wordt ingegaan op de hoogtebeperkingen van Schiphol, het windklimaat en de schaduwwerking. 6.5.2

Beleid en regelgeving

Hoogbouwbeleid Amsterdam (2023) De ontwikkeling van de stad gaat sneller dan was voorzien in 2011, toen de hoogbouwvisie werd vastgesteld als onderdeel van de ‘Structuurvisie Amsterdam 2040’. Dat is onder andere terug te zien in de toename van de ontwikkeling van hoogbouw. Daarnaast zijn in de huidige visie voor een aantal gebieden de ruimtelijke kaders in relatie tot hoogbouw nog niet benoemd (bijvoorbeeld Haven-Stad). De versnelling in de ontwikkeling van hoogbouw is aanleiding voor een actualisatie van het hoogbouwbeleid. De principes uit de hoogbouwvisie 2011 blijven van kracht, namelijk het mogelijk maken van hoogbouw op plekken die met het openbaar vervoer goed bereikbaar zijn en aan de andere kant het beschermen van de beschermde stadsgezichten. Onder hoogbouw wordt verstaan gebouwen vanaf 30 meter hoogte of tweemaal de hoogte in hun directe omgeving.

Gebieden geschikt voor hoogbouw. Bron: Hoogbouwbeleid 2023, gemeente Amsterdam

80

Op bovenstaande kaart is zichtbaar gemaakt welke gebieden geschikt zijn voor hoogbouw. Dit zijn de zones langs de Ringweg A10/Ringlijn, met name rond de ov-knooppunten, en de gebieden langs het IJ. Een deel van het plangebied Mercatorpark valt binnen de 2 kilometerzone die rond het Singelgrachtgebied is getrokken vanwege het werelderfgoed van de zeventiende-eeuwse grachtengordel. In verband met de bijzondere status van dit UNESCO-gebied is hoogbouw in de 2 kilometer-zone alleen toegestaan als onder meer is voldaan aan het zichtbaarheidscriterium. Dat wil zeggen vanuit het gebied, gekenmerkt als werelderfgoed, mag een gebouw niet hoger lijken dan de gemiddelde bebouwing. Voorliggend bestemmingsplan voorziet, voor het oostelijke deel van Mercatorpark, niet in hoogbouw die de 30 meter overschrijdt dan wel tweemaal de hoogte is van de omliggende bebouwing. Buiten de 2 kilometer-zone voorziet voorliggend bestemmingsplan in hoogbouw in de Ringzone. Hoewel een hoogbouweffectrapportage (HER) niet verplicht is, is voor de hoogbouw in beeld gebracht wat de effecten zijn met betrekking tot schaduwwerking en windklimaat. Hoogtebeperkingen Schiphol De aanwezigheid van Schiphol brengt ruimtelijke beperkingen met zich mee voor de omgeving van de luchthaven.

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is een besluit op basis van de Luchtvaartwet waarin milieu- en veiligheidsregels zijn vastgesteld. Op basis van het LIB kan de rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven. Het besluit is in 2003 in werking getreden en nadien diverse keren op onderdelen geactualiseerd. In het Luchthavenindelingbesluit zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Amsterdam valt binnen het beperkingengebied. Binnen het beperkingengebied worden echter weer verschillende deelgebieden onderscheiden met specifieke regels. Met hoogtevlakken en contouren rond Schiphol is aangegeven waar beperkingen gelden voor objecten, gebouwen en gebruiksfuncties. Delen van Amsterdam vallen binnen de zone waarvoor beperkingen gelden ten aanzien van bebouwing (beperking vanwege geluid en externe veiligheid), beperkingen aan de bouwhoogte (in verband met vlieghoogten en radar), beperkingen aan bestemmingen die vogels aantrekken en beperkingen ten aanzien van windturbines en lasers. Windklimaat In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder staat in art.

3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze te betrekken in de beoordeling noodzakelijk. Schaduwwerking Er is geen wet- en regelgeving voor schaduwhinder. Als een bestemmingsplan nieuwe bebouwing toestaat moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld worden of deze bebouwing effect heeft op de omgeving. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Door middel van bezonningsdiagrammen kan inzicht worden verkregen in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. De bruikbaarheid van deze plekken mag niet onaanvaardbaar afnemen. Daglichttoetreding is wat anders dan bezonning. Bij bezonning gaat het om zonlicht in de tuin, openbare ruimte of op de gevel. Bij daglichttoetreding 81

gaat het om daglicht in de woning. In het bouwbesluit staan eisen voor de daglichttoetreding in woningen. Bij nieuwe woningen wordt getoetst of het plan hieraan voldoet. 6.5.3

Resultaten onderzoek

Hoogtebeperkingen Schiphol Het plangebied Mercatorpark valt niet binnen het beperkingengebied ten aanzien van bebouwing en vogel aantrekkende bestemmingen. Daardoor gelden de beperkingen zoals gesteld in de artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.1e en artikel 2.2.3 van het LIB niet. Het plangebied valt wel binnen het beperkingengebied voor windturbines en laserinstallaties (artikel 2.2.4.). Aangezien voorliggend plan geen vaste windturbines en laserinstallaties mogelijk maakt die uitsteken door een vlak met een maatgevende toetshoogte dan wel een ashoogte heeft van meer dan 35 meter, wordt dit onderdeel verder buiten beschouwing gelaten. Het plangebied valt eveneens binnen het beperkingengebied waar maximale waarden gelden voor bouwhoogten vanwege de veiligheid van het luchtverkeer en de werking van de radar. Hierdoor zijn de artikelen 2.2.2 en 2.2.2.a van toepassing en de bijlagen 4 en 4a van het LIB. Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. Voor Mercatorpark geldt, op grond van bijlage 4 bij het LIB, een maatgevende toetshoogte van 102 m +NAP aan de zuidwestkant van het plangebied tot circa 112 m +NAP in het uiterste noordoosten van het plangebied.

In voorliggend bestemmingsplan worden geen bouwhoogten mogelijk gemaakt die de maximale waarden zoals die gelden voor Mercatorpark overschrijden. Op grond van artikel 2.2.2.a, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden, mits uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. Voor Mercatorpark geldt, op grond van bijlage 4a bij het LIB een toetshoogte in verband met radar van 51,5 m +NAP in het zuidoosten van het plangebied tot 53,5 m +NAP in het noordoosten van het plangebied. In voorliggend bestemmingsplan worden bouwhoogten mogelijk gemaakt die deze maximale waarden overschrijden. Vóór de vaststelling van het bestemmingsplan is het noodzakelijk een advies aan te vragen bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Het ILT heeft het plan voorgelegd aan de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) om te beoordelen of de bebouwing van invloed is op de correcte werking van de radar. Geconstateerd is dat er geen negatieve invloed is op de werking van de radarapparatuur. Een nadere invulling van het bouwvlak en de materiaalkeuze zal niet van invloed zijn op dit advies.

Het radaradvies is als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. Windklimaat Voor het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande woningbouw is een onderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage als bijlage aan deze toelichting is gevoegd. Uit de resultaten blijkt dat er windhinder kan optreden ter plaatse van bouwveld MW1 en MW2. Voor een aantal geveldelen is sprake van een matig (groen) tot slecht (geel) windklimaat, waardoor deze locaties op voorhand minder geschikt zijn voor gebouwentrees. Eventueel kan het windklimaat ter plaatse van de entree plaatselijk worden verbeterd door de gebouwentree in een nis te plaatsen. 82

Uit de resultaten is ook af te leiden welke locaties geschikt zijn voor terrassen en verblijfsgebieden. Daarnaast kan aan de hand van de resultaten van het onderzoek worden vastgesteld op welke plaatsen het afschermende effect van begroeiing gewenst is. Van windgevaar is geen sprake, met uitzondering van de geprojecteerde doorgangen ter laatste van bouwveld MW2. Echter worden deze doorgangen in voorliggend bestemmingsplan niet bij recht mogelijk gemaakt. Ter plaatse van het bouwveld MW2 is in de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarin als voorwaarde is gesteld dat bij toepassing van deze bevoegdheid het aspect windhinder moet zijn onderzocht. In het wijzigingsplan wordt vervolgens bepaald op welke locatie de twee doorgangen mogelijk gemaakt kunnen worden.

Het te verwachten windklimaat, beoordeeld volgens de NEN 8100

Schaduwwerking In het bestemmingsplan kan door de wijze van bestemmen van de bouwmassa's en openbare ruimte voorkomen worden dat er onaanvaardbare schaduwwerking optreedt. Bijvoorbeeld door lagere bebouwing en zongericht verkavelen. Aangezien de woontorens in de noordwestzijde van het plangebied geplaatst zijn, vindt de schaduwwerking vooral op de A10 plaats en slechts zeer beperkt op het plangebied zelf. De studie naar de bezonning en schaduwwerking is als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. 6.5.4

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan is in overeenstemming met het Luchthavenindelingbesluit opgesteld. De hoogbouweffecten met betrekking tot het windklimaat en de schaduwwerking zijn zodanig dat ze geen nadelige gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 83

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de gebiedsontwikkeling en de bestaande situatie in het plangebied juridisch zijn vertaald. Het juridisch bindende deel van een bestemmingsplan bestaat uit de planregels en een verbeelding. De regels bevatten bepalingen voor het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels en de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen.

7.2

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Het hoofdstuk met inleidende regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Het tweede artikel bepaalt hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. Artikel 1 Begrippen In artikel 1 worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de regels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het 'normale' spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. Artikel 2 Wijze van meten In artikel 2 is onder andere beschreven hoe de maximale bouwhoogte, het bruto vloeroppervlak en het maximum bebouwingspercentage moeten worden bepaald. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In de bestemmingsregels worden per bestemming regels gegeven voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing. Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen worden getoetst aan deze regels.

Hieronder is elk van de bestemmingen kort beschreven. Artikel 3 Gemengd – 1 De bestemming Gemengd – 1 heeft betrekking op het bestaande gemeentelijk kantoorgebouw Triade. Het gebouw en het gebruik is conserverend bestemd wat wil zeggen dat hier geen nieuwe ontwikkelingen zijn beoogd. 84

Artikel 4 Gemengd – 2 De bestemming Gemengd – 2 heeft betrekking op het bestaande gebouwencomplex van de voormalige L.T.S. De functies die reeds zijn toegestaan mogen worden voortgezet. De tijdelijke horeca wordt positief bestemd. Naast ateliers, bedrijven en horeca is dienstverlening toegestaan waaronder maatschappelijke dienstverlening. In het geval van maatschappelijke dienstverlening zijn geen geluidsgevoelige bestemmingen en geen gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit toegestaan, tenzij de functie reeds legaal was toegestaan voor de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan. Met het oog op behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarde geldt voor het gehele L.T.S.-complex dat het zonder omgevingsvergunning verboden is om bouwwerken te slopen. Ter plaatse van de gymzalen is een nieuwe ontwikkeling voorzien. Binnen de functieaanduiding ‘wonen’ zijn woonruimten toegestaan tot een bouwhoogte van 70 meter. De maatvoering geeft aan dat 35% van het aanduidingsvlak bebouwd mag worden ten behoeve van woonruimten. De bestaande bebouwing, de gymzalen die onderdeel uitmaken van het monumentale complex, blijven gehandhaafd en maken geen onderdeel uit van het genoemde bebouwingspercentage. Ondersteunende constructies, toegangsvoorzieningen, bergingen en (collectieve) fietsenstallingen ten behoeve van de hoger gelegen bouwlagen zijn toegestaan op de begane grond.

De naastgelegen conciërgewoning blijft eveneens gehandhaafd, dat wil zeggen dat op de begane grond geen bebouwing is toegestaan anders dan constructies voor de boven gelegen bouwlaag. In de regels is verder een bepaling opgenomen met betrekking tot dove gevels en geluidwerend vlies. Vanwege wegverkeerslawaai is het nodig maatregelen te treffen om een aanvaardbaar woon- en leefmilieu te borgen. Er is eveneens geregeld dat de woonruimten over een geluidluwe zijde moeten beschikken. Van beide bepalingen kan bij omgevingsvergunning onder voorwaarden worden afgeweken. Artikel 5 Gemengd – 3 De bestemming Gemengd – 3 heeft betrekking op een nieuwe ontwikkeling. Ter plaatse van dit nieuwe bouwveld MW3 zijn vanaf een bouwhoogte van 10 meter woonruimten toegestaan tot een bouwhoogte van 70 meter. Het bebouwingspercentage bedraagt 100% voor de eerste bouwlagen tot tien meter, vanaf tien meter bedraagt het bebouwingspercentage 52%. In de eerste bouwlagen, tot 10 meter, zijn niet-woonfuncties toegestaan waaronder bedrijven en dienstverlening en ondergeschikte functies zoals bergingen en nevenruimten zoals (collectieve) fietsenstallingen. Voor de eerste bouwlaag is een hoogte voorgeschreven van minimaal 3,5 meter. In het geval van maatschappelijke dienstverlening zijn geen geluidsgevoelige bestemmingen en geen gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14402395/1