CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting en Regels Bestemmingsplan Mercatorpark

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 3 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Mercatorpark’ (VN2024-006307)39.918 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bij recht (aantal of locatie)

Via wijzigingsbevoegdheid (aantal of locatie) MW2

Bruto vloeroppervlak (Bvo)

Sociale huur 40%

240

160

Middensegment 40%

240

160

Duur segment 20%

120

80

Behandel-woon-locatie

1

-

200 m2

Woningen

88.000 m2

Maatschappelijke voorzieningen Integraal kindcentrum

1

-

3.500 m2

Buurtkamer

-

1

120 m2

Speeltuinbeheerruimte

1

-

40 m2

24 uursopvang

-

1

1.500 m2

Plint MW3

-

1.000 m2

-

Plint MW2

1.400 m2

Vml. L.T.S.

-

800 m2

Plint MO2 en MO3

-

450 m2

-

Plint MW2

200 m2

-

Plint MW2

1.000 m2

Bedrijven en kantoren Kleinschalige bedrijvigheid en kantoren

Overige commerciële voorzieningen Horeca (club, café en restaurant) Dienstverlening, horeca

Supermarkt

In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de ruimtelijk functionele aspecten van het programma en de stedenbouwkundige uitgangspunten.

4.2

Ruimtelijk-functionele uitgangspunten

Mercatorpark is binnen het projectgebied Jan Evertsenstraat-West het eerste deelgebied buiten de vooroorlogse stadsuitbreiding Gordel ‘20 – ‘40. In Mercatorpark wordt nog niet gewoond, maar de ligging is gunstig. Het typische stedelijke weefsel van het vooroorlogse Amsterdam binnen de Ring A10, met zijn grote dichtheden, vele voorzieningen en hoge functiemenging, verandert vanaf de Orteliuskade in het ruimtelijke, wijds opgezette Amsterdam van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP). Van een structuur met gesloten bouwblokken met een levendige winkelstraat van voornamelijk kleinschalige winkels in de plint van het bouwblok, naar een open 26

structuur met een vrije verkaveling op bouwvelden, ingekaderd door een groen-grijs-blauw raamwerk van lanen, wegen en watergangen. In het bij elkaar brengen van dergelijke uiteenlopende structuren vervullen stadsstraten en stadslanen een belangrijke rol. Daarnaast wordt door het toevoegen van de nodige woningbouw het bestaande programma van voorzieningen versterkt. De huidige groen- en waterstructuren blijven behouden en zorgen voor een gezond woon- en leefklimaat wanneer ze nog beter worden benut. 4.2.1

Stadsstraten en stadslanen

De transformatie van Mercatorpark naar een gemengd stedelijk gebied is het gevolg van het uitrollen van het centrummilieu via de, in de voorgaande structuurvisie aangegeven potentiële stadstraten, Jan Evertsenstraat-West en de Jan van Galenstraat. In de ‘Omgevingsvisie Amsterdam 2050’, die op 8 juli 2021 is vastgesteld, wordt onderscheid gemaakt tussen stadstraten en stadslanen. De stadslanen hebben een overwegend groene inrichting met een sterke bomenstructuur. Ze vormen aantrekkelijke woonplekken en ruimte voor voorzieningen is er vooral rondom de kruispunten. In stadsstraten concentreren zich publieksvoorzieningen zoals winkels, horeca en maatschappelijke functies. Naast een belangrijke verkeersfuncties is er ook ruimte voor ontmoeting. De bebouwing en voorzieningen richten zich in de Jan van Galenstraat hier en daar al min of meer op de straat, zoals SportPlaza Mercator en het Triade gebouw. Maar viaduct en opritten naar de A10 met de verhoogde ligging van het kruispunt, zorgen naast het brede wegprofiel voor afstand tussen gebouw en straat als gevolg van een oplopend talud. Hier moet vooral geïnvesteerd worden in een kwalitatief betere openbare ruimte en sturing van ontwikkeling van ‘ogen op de straat’. Toegangen en een gezicht naar de straat maken de voet- en fietspaden grenzend aan het plangebied aantrekkelijker en minder anoniem.

Aan de zuidzijde van het plangebied, aan de Jan Evertsenstraat is de maat tussen de straat en het plangebied door de watergang en de begroeiing extra groot. De zichtrelatie tussen straat en plangebied kan sterk verbeterd worden door de onderbegroeiing te snoeien en activiteiten meer richting de straat te concentreren. Parallel aan de Jan Evertsenstraat worden twee woningbouwblokken mogelijk gemaakt waar zowel maatschappelijke als commerciële voorzieningen in de plinten van de hoekpanden zijn voorzien. Deze voorzieningen zijn samen met de woningen gericht op het verbeteren van de verblijfsfunctie in dit deel van de Jan Evertsenstraat. Door middel van (een) loopbrug(gen) wordt de straat dichter naar de nieuwbouw getrokken. En ook hier is naast de functiemenging de invulling van de openbare buitenruimten cruciaal in het bijdragen aan de levendigheid op straat. 4.2.2

Woningbouwprogramma

In Mercatorpark is ruimte voor circa 1.000 nieuwe woningen, in totaal ongeveer 88.000 m2 bruto vloeroppervlak (bvo). Het oostelijke gebied is gericht op grotere woningen en het westelijke gebied op kleinere woningen. Globaal zullen er in het westelijke deel van het plangebied 750 woningen gerealiseerd worden en in het oostelijk deel 250. Voor nieuwbouwprojecten geldt het uitgangspunt 40-40-20 wat betekent dat het aantal nieuwe woningen van een project moet bestaan uit 40% sociale huur, 40% middeldure huur en 20% vrije sector. Mercatorpark is geschikt voor verschillende doelgroepen en typen huishoudens. Het oostelijk gelegen deel van Mercatorpark kenmerkt zich door het wonen in het groen en het westelijke deel van Mercatorpark wordt juist dichter bebouwd door de toevoeging van hoogbouw en de combinatie van woningen met kleinschalige bedrijfsruimten. In de ‘Projectnota Jan Evertsenstraat-West’ was de ambitie geformuleerd om het voormalige 27

L.T.S.-complex te overbouwen met woningen. Uit technisch onderzoek is gebleken dat het gebouw zich moeilijk laat overbouwen en dat de meest kansrijke variant bestaat uit het overbouwen van de gymzalen die gekoppeld zijn aan het voormalige schoolgedeelte van het gebouw. In voorliggend bestemmingsplan wordt specifiek rekening gehouden met een bijzondere woonvoorziening, een behandel-woon-locatie van 200 m2 bvo. Een behandel-woon-locatie is een verzamelnaam voor verschillende typen locaties (gezinshuis, Driehuis, kleinschalige groep, begeleid wonen) waar jonge Amsterdammers onder begeleiding wonen. De vereisten voor een dergelijke woning zijn dat het grondgebonden is, grenst aan een rustige groene omgeving en beschikt bij voorkeur over een eigen buitenruimte. 4.2.3

Bedrijven en voorzieningen

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van vierkante meters bedrijven en voorzieningen. Naast de bestaande bedrijvigheid die gehuisvest is in het Triadegebouw, de voormalige L.T.S. en in het SportPlaza Mercator worden werkfuncties aan het plangebied toegevoegd in de plinten van de nieuwe bebouwing. Dit betreft circa 450 m2 bruto vloeroppervlak in de eerste bouwlaag parallel aan de Jan Evertsenstraat. De functies die hier mogelijk worden gemaakt, zijn horeca, maatschappelijke en consumentverzorgende dienstverlening. Daarnaast voorziet voorliggend bestemmingsplan in een zelfstandig gelegen schoolgebouw van maximaal drie bouwlagen met ruim 3.500 m2 binnenruimte en een schoolplein. In dit nieuwe integraal kindcentrum is plaats voor onderwijsruimten, een gymzaal, ruimte voor buitenschoolse opvang en een kinderdagverblijf. Vanwege luchtkwaliteitseisen is het noodzakelijk dat de nieuwe basisschool zich op meer dan 300 meter van de A10 en minimaal 50 meter vanaf de stedelijke wegen bevindt. Dit betekent dat alleen een locatie aan de oostzijde van het plangebied mogelijk is. Ruimte voor sport- en speelvoorzieningen komt in het plangebied op verschillende plekken terug binnen de bestemming ‘Groen’. Aan de westzijde betreft het toe te voegen programma voorzieningen en werkfuncties die aansluiten bij de bestaande activiteiten in de voormalige L.T.S. en in het Triadegebouw.

Het beoogde werken in Mercatorpark bestaat vooral uit creatieve bedrijvigheid. Onder creatieve bedrijvigheid wordt een mix van creatieve- en productieve werkruimten en kantoorachtige ateliers verstaan. Dit zijn functies die goed in een gemengd woon/werkmilieu passen. De nabijheid van horeca speelt daarbij een rol in het faciliteren van de creatieve kenniseconomie vanwege de belangrijke ontmoetingsfunctie die horeca heeft voor de werknemers. De woontoren naast het Triade gebouw omvat een plint van circa 1.000 m2 bvo die ruimte biedt aan kleinschalige bedrijvigheid en dienstverlening inclusief ondersteunende horeca. Het voormalige L.T.S.-complex heeft een broedplaatsfunctie (ateliers en werkplaatsen). Deze functie blijft behouden en wordt conform de huidige bestemming conserverend bestemd. Naast de bestaande toegestane functies, wordt de tijdelijke horeca (van categorie 2, 3 en 4 respectievelijk een club, café en restaurant) met een bruto vloeroppervlak van gezamenlijk maximaal 800 m2 positief bestemd. Op het aangrenzende terrein is een ongebouwd terras planologisch-juridisch toegestaan. In voorliggend bestemmingsplan worden de functies, die reeds zijn toegestaan in de voormalige conciërgewoning die onderdeel uitmaakt van het monumentale L.T.S.-complex, conserverend bestemd.

Het beoogde programma voor de vrijkomende kavel van Reade kan alleen mogelijk worden gemaakt middels een wijzigingsbevoegdheid. Een precieze datum voor de verhuizing van Reade is 28

namelijk nog niet vastgesteld. Het huidige gebruik als reumatologisch centrum kan zonder meer worden voortgezet tot de verhuizing een feit is. De ontwikkeling die beoogd is voor deze kavel, wordt in voorliggend bestemmingsplan niet bij recht mogelijk gemaakt, maar is via een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden toegestaan. De bevoegdheid het plan te wijzigen ligt bij het college van burgemeester en wethouders. In de onderzoeken die ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan zijn uitgevoerd is rekening gehouden met het volgende programma. Kleinschalige werkruimten, zoals ateliers, bedrijfs- en kantoorruimten gekoppeld aan woonwerkwoningen waarvan het bruto vloeroppervlak ruim 1.400 m2 bedraagt. De ontsluiting van de woningen is onafhankelijk van de ontsluiting van de werkruimten, zodat beide zelfstandig kunnen functioneren. In de ‘Projectnota Jan Evertsenstraat-West’ is besloten om een supermarkt in het projectgebied toe te voegen, vanwege de groei van het aantal bewoners in het gebied en de grote afstand ten opzichte van de huidige supermarkten. Bovendien beoogt Mercatorpark een groot aantal woningen voor ouderen te realiseren, nabijheid van voorzieningen is daarbij een voorwaarde. Voorgesteld wordt een supermarkt van maximaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlak te situeren in de plint van het nieuwe bouwblok ter plaatse van het huidige Reade-gebouw.

In de ‘Projectnota Jan Evertsenstraat-West’ is besloten om een 24 uursopvang te realiseren. Aanvankelijk was een locatie binnen deelgebied ‘Busgarage’ beoogd. De ontwikkeling van de ‘Busgarage’ is echter (voorlopig) stilgelegd en zal pas na 2030 weer terugkomen op de tekentafel. Het zicht op het tijdig kunnen realiseren van de voorziening is daarmee te onzeker, terwijl de behoefte om kwetsbare mensen van adequate huisvesting te voorzien groot is. Voorgesteld wordt de voorziening van maximaal 1.500 m2 bruto vloeroppervlak met circa 34 wooneenheden niet via voorliggend bestemmingsplan, maar via een aparte procedure (wijzigingsbevoegdheid) een plek te geven in het nieuwe bouwblok ter plaatse van het huidige Reade-gebouw. Verder is in het westelijke deel van het plangebied de ontwikkeling van een buurtkamer van 120 m2 beoogd. Dit is een voorziening waar de buurt bijeenkomsten, cursussen en dergelijke kan organiseren en waar buurtbewoners elkaar kunnen ontmoeten. 4.2.4

Openbare ruimte

Het Mercatorpark brengt door de toevoeging van woningen een grote functiemenging met zich mee. Het plangebied is een belangrijke sport- en speelplek voor de omliggende buurt en daarbuiten. Sporters en spelende kinderen brengen levendigheid in de straat. Naast de extra woningen moet daarom worden geïnvesteerd in intensiever gebruik en een hogere gebruikskwaliteit van de openbare ruimte. Enerzijds met behoud van de bestaande kwaliteiten, anderzijds heeft Mercatorpark veel, deels verborgen en nog onbenut groen en nemen parkeerplaatsen relatief veel ruimte in. De ligweide van SportPlaza Mercator wordt teruggebracht van circa 11.500 m2 naar 7.600 m2. Door het openbaar maken van het terrein nemen sport- en spelmogelijkheden in de openbare ruimte toe van 4.800 m2 naar bijna 6.600 m2. Het terrein dient ook als speelplek voor de bovenbouw van het te realiseren integraal kindcentrum. Mercatorpark wordt voor een deel autoluw en zo efficiënt mogelijk ontsloten door bijvoorbeeld de entrees van de (nieuwe) parkeergarages direct in aansluiting op de omliggende wegen te situeren. Het aantal parkeerplaatsen voor bezoekers op straat wordt teruggebracht. Hiervan is een deel vergund aan bestaande vergunninghouders, een aantal is bestemd voor mindervaliden en er zullen enkele laad- en losplekken terugkomen in het ontwerp.

De nieuwe parkeergarages bevinden zich, op eigen terrein, onder de bouwvelden MO2 en -3 en via een wijzigingsbevoegdheid onder MW2. De garages bieden ruimte aan auto-, fiets- en scooter parkeerplekken. Voor gebouwde fietsvoorzieningen is eveneens ruimte in de plinten. 29

Ondergrondse parkeervoorzieningen zijn technisch niet overal mogelijk, zoals in het geval van de nieuwbouw (MW1) boven bestaande bouw en bovendien ook niet wenselijk, zoals onder de nieuwe basisschool (MO4). Ter plaatse van bouwveld MW3, waar nieuwbouwwoningen zijn beoogd, ligt in de huidige situatie een openbaar parkeerterrein en een wegdeel van de Admiraal Helfrichstraat. Vanwege de beoogde ontwikkeling van dit bouwveld is het noodzakelijk dat het wegdeel circa tien meter opschuift in oostelijke richting. Dit heeft als gevolg dat de parkeerterreinen in de openbare ruimte en die van fastfoodketen KFC komen te vervallen. De parkeerplaatsen die gehuurd worden door het fastfoodrestaurant komen deels terug in de openbare ruimte in de directe nabijheid van KFC. Het wegdeel van de Admiraal Helfrichstraat dat door de planontwikkeling opschuift, draagt bij aan een vlotte en veilige afwikkeling van het wegverkeer. De instandhouding ervan is nodig, aangezien aan het plangebied een substantieel aantal woningen wordt toegevoegd. Zonder dit wegdeel neemt het woonverkeer via de zuidelijke ontsluiting toe wat tot meer verkeersbewegingen door het plangebied leidt en een negatieve invloed heeft op de kwaliteit van de openbare ruimte. De ambitie is immers om het centrale deel van het plangebied groener en autoluwer in te richten en routes voor langzaam verkeer te optimaliseren.

De inrichting van de openbare ruimte rond bouwveld MW2 blijft gehandhaafd, zolang Reade op deze locatie gevestigd blijft, om de bereikbaarheid van het reumatologisch centrum te garanderen. De watergang aan de zuidkant van het plangebied wordt verbreed waardoor het oppervlaktewater toeneemt met ruim 1.000 m2. De watergang wordt voorzien van een of twee loopbruggen aan weerszijden van de bestaande verkeersbrug (nr.658) die toegang geeft tot de Admiraal Helfrichstraat.

4.3

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Binnen de visie voor het projectgebied Jan Evertsenstraat-West wordt ingezet op de verschillen per deelgebied. Dit onderscheidend vermogen uit zich in bebouwingstypologie, openbare ruimte en programma. Het is het gevolg van de verschillende omgevingsfactoren per deelgebied en het huidige programma dat per deelgebied sterk verschilt. Het groenblauwe raamwerk (ver)bindt de deelgebieden en vormt een van de belangrijkste uitgangspunten. 4.3.1

Bouwvelden

Voor de gebiedsontwikkeling in plangebied Mercatorpark zijn zes bouwvelden aangewezen. Het behoud en herstel van de groene kamer, dit is de groene rand rondom het plangebied, staat voorop. Net als het behoud en herstel van de centraal gelegen bomenlaan. De nieuwe bouwvelden zijn ingepast binnen de bestaande groenstructuur. De bestaande bebouwing van SportPlaza Mercator, het voormalige L.T.S.-complex en het Triadegebouw blijven behouden. Ter plaatse van de voormalige L.T.S. en het Triadegebouw zijn twee hoogbouwaccenten (respectievelijk MW1 en MW3) gesitueerd ten behoeve van woningbouw. De hoogbouw staat in lijn met de bestaande vrijstaande hoogbouw in het Rembrandtpark. Beide woongebouwen worden opgetild: bij de L.T.S. door boven de bestaande gymzalen te bouwen en bij het Triadegebouw komen de woningen boven een nieuw te realiseren plint met werkfuncties. De kavel van Reade (MW2) voorziet, na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, in nieuwbouw in uiteenlopende volumes, van grondgebonden woningen tot appartementen in middelhoogbouw.

30

Ten opzichte van het stedenbouwkundige plan wordt (via de wijzigingsbevoegdheid) niet voorzien in hoogbouw, maar zal de opzet bestaan uit evenwijdige stroken met een gemiddelde bouwhoogte van circa 35 meter. De bouwvelden in het oostelijke deel van Mercatorpark bevinden zich te midden van het groen en is wat minder dichtbebouwd dan de westzijde van het plangebied. Drie velden zijn bedoeld voor nieuwbouwwoningen (MO1, -2 en -3) en een voor de nieuwe basisschool (MO4). De meest zuidelijk gelegen bouwvelden zijn zoveel mogelijk op de Jan Evertsenstraat georiënteerd.

De nieuwe bouwvelden ingepast in de bestaande groenstructuur

4.3.2

Bouwhoogten

De bouwhoogten van de nieuwbouw in het zuidoostelijk deel van het plangebied varieert van 16 tot 22 meter. In het midden van het plangebied lopen de bouwhoogten op naar ruim 30 meter en aan de noordwestkant tot circa 70 meter. De variatie in woningtypen loopt uitéén van grondgebonden woningen tot appartementen in hoogbouw.

31

Hoofdstuk 5

Milieuaspecten

5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1

Algemeen

Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming van deze plannen en besluiten. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. 5.1.2

Wet- en regelgeving

De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt in MER-beoordelingsplichtige activiteiten en MER-plichtige activiteiten. Voor projecten waar op grond van het Besluit niet direct een MER-beoordelingsplicht of MER-plicht geldt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk. Of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling hangt af van: de aard van de voorgenomen activiteit; de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; ende mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in de bijlage, onderdeel C en D-activiteiten opgenomen, waarbij op grond van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer besloten moet worden of bij de voorbereiding van het plan of besluit voor die activiteiten een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. De voorgenomen activiteit, de realisatie van woningen en voorzieningen is niet opgenomen in onderdeel C, wel in onderdeel D onder de categorie D 11.2 stedelijk ontwikkelingsproject. Het Besluit milieueffectrapportage gaat uit van een m.e.r.-beoordelingsplicht bij een stedelijk ontwikkelingsproject met een planoppervlakte van 100 hectare of meer, van 2.000 woningen of meer of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG–richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). 5.1.3

Resultaten onderzoek

De ontwikkeling van Mercatorpark maakt onderdeel uit van het project Jan Evertsenstraat-West. Ten behoeve van de ontwikkeling van de verschillende deelgebieden (zie paragraaf 1.1) binnen het projectgebied is in oktober 2019 een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Grondslag hiervoor is het Besluit m.e.r. bijlage D, categorie 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk 32

ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. Door middel van de m.e.r.-beoordeling is vastgesteld of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, waardoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Dat is niet het geval. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling voor de herontwikkeling van de Jan Evertsenstraat-West blijkt dat het opstellen van een milieueffectrapport (MER) niet noodzakelijk is. Het rapport is als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. De verwachte milieueffecten van de ontwikkeling van de Jan Evertsenstraat-West zijn zeer beperkt. Er is wel sprake van een effect op externe veiligheid. Het onderzoeksgebied is gelegen in een invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico weg vormt in dit plangebied een aandachtspunt. Zowel in de huidige situatie als in de planvariant bevindt het groepsrisico zich ver boven de oriëntatiewaarde. Hierdoor is volledige verantwoording van het groepsrisico nodig. Echter, de risicoberekening is uitgevoerd op basis van de Regeling Basisnet, waarbij het transport van gevaarlijke stoffen nog plaatsvindt over de A10-West in plaats van over de Westrandweg. Hierdoor zal het groepsrisico in werkelijkheid lager uitpakken dan in de risicoberekening.

Een MER zal op het aspect van externe veiligheid geen verschillen aantonen in het groepsrisico van de weg. Door een beperkte verkeerstoename is er in alle scenario’s een lichte geluidstoename van maximaal 1 dB. Dit is echter niet voor het menselijk oor waarneembaar. De verkeerstoename leidt in geen van de scenario’s tot een normoverschrijding. De ontwikkelingen aan de Jan Evertsenstraat-West zorgen met de inmiddels verouderde, rekenmethodiek niet voor een significante toename van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. In het hoofdstuk Natuur en landschap wordt dieper ingegaan op het onderzoek naar de effecten van de stikstofdepositie in verband met de aanpassing van de rekenmethode. Voor de overige onderzoeksthema’s cultuurhistorie, archeologie, natuur, bodem, water en ruimtelijke kwaliteit zijn de effecten verwaarloosbaar. 5.1.4

Conclusie

Van de ontwikkeling van het Mercatorpark zijn geen negatieve milieueffecten te verwachten.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan ook in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.

33

5.2.2

Wet- en regelgeving

Wet bodembescherming De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: • •

Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land.

Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit dat op 1 januari 2008 in werking is getreden bevat de regels voor kwaliteitsborging van de bodemwerkzaamheden en voor omgaan met bouwstoffen, grond en baggerspecie. Voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie op/in landbodems, is het Besluit bodemkwaliteit een half jaar later op 1 juli 2008 in werking getreden. Het besluit streeft naar een balans tussen een gezonde bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedspecifieke beleid. Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het standstill principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert.

Bodemkwaliteit Mercatorpark. Bron: maps.amsterdam.nl

Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijke gebruik van de 34

bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en de mogelijke blootstelling aan verontreiniging. De gekozen lokale waarde is per stof afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedspecifieke kader kan een op de functiegerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten). De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid. Conform de Bodemkwaliteitskaart behoort de grond in het plangebied Mercatorpark tot ‘Zone 3’. De boven- en ondergrond (0-2,0 m-mv) valt in kwaliteitsklasse Industrie. Bodemkaart ‘dempingen en ophogingen in Amsterdam’ Het oostelijke deel van Mercatorpark is opgehoogd tussen 1930 en 1945 en het westelijke deel tussen 1945 en 1959. Ophogingen werden in deze periode over het algemeen gedaan met verontreinigd materiaal.

Ophogingen tussen 1945 en 1959 gelden als asbestverdacht, met name indien sprake is van bodemvreemde bijmenging zoals puin. Ophogingen in de periode 1930-1945 gelden niet als asbestverdacht. Ter plaatse van de onderzoekslocatie hebben dempingen plaatsgevonden, die van voor of tijdens de ophoging dateren. Deze dempingen (3 in Mercatorpark en 1 vlak langs het plangebied) lopen van noordwest naar zuidoost. Ook is een (ongespecificeerde) ophoging gedaan ter plaatse van het zwembad. De huidige verhardingen zijn aangelegd in de periode tussen 1945 en 1980 en bevatten daarom mogelijk asbest. Asfalt dat voor 1999 is aangelegd, is mogelijk teerhoudend. Bodembedreigende activiteiten Op en nabij de locatie hebben bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden die mogelijk tot bodemverontreiniging hebben geleid. In onderstaande tabel zijn de activiteiten weergegeven. Op basis van de bodemkwaliteitskaart, de historische gegevens en de voorgaande onderzoeken in en nabij het plangebied worden in de boven- en ondergrond licht tot matig verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie verwacht en lichte verontreinigingen met barium en naftaleen in het grondwater.

Bodembedreigende activiteiten

De locatie is op basis van de ophoogperiode verdacht op het voorkomen van asbest. Het asfalt is 35

verdacht op het voorkomen van PAK (teerhoudend). De funderingen zijn verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met sulfaat, PAK, minerale olie en asbest. De locatie is verdacht op het voorkomen van PFAS als gevolg van depositie. Conventionele Explosieven bodembelastingkaart Voor werkzaamheden in het plangebied is inzicht vereist in de eventuele aanwezigheid van explosieven. Op de CE-bodembelastingkaart (vastgesteld in 2016 en gepubliceerd op City Data in 2017) zijn geen aanwijzingen gevonden voor de mogelijke aanwezigheid van explosieven. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek op het gebied van explosieven. 5.2.3

Resultaten onderzoek

Om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd conform de ARVO 2020 en de NEN 5707 voor asbest in bodem. De rapportage is als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. De boringen zijn in verband met de herinrichtingswerkzaamheden tot grotere diepte doorgeboord en voldoen daarmee ook aan de criteria van de strategie ‘vooroorlogs’. Het asfaltonderzoek is uitgevoerd conform de CROW 210. Het funderingsonderzoek is uitgevoerd conform de ARVO, strategie ‘fundering kleinschalig’. Het funderingsmateriaal is eveneens indicatief onderzocht op asbest (afgeleid van de NEN 5897). Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bodem en in de aangetroffen funderingslagen geen asbest is aangetoond. De algemene kwaliteit van de grond (Wet bodembescherming) is conform de verwachting: de aangetroffen verontreinigingen maken deel uit van de in de gehele stedelijke ophooglaag heterogeen voorkomende verontreinigingen en geven dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.

Conform het landelijk tijdelijk handelingskader voor PFAS en het beleid van de gemeente Amsterdam voor PFAS is de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A (verbreding watergang), de bovengrond (0,0-0,7 m-mv) met bijmenging ter plaatse van deellocatie B (fietspad en overige wegen) en de kleiige bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie E (voormalige stadsdeelwerf) verontreinigd met PFAS. De overige grond is niet verontreinigd met PFAS. Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van deellocatie A de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en bijgevolg beperkte toepassingsmogelijkheden, de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) heeft kwaliteitsklasse Wonen (beperkte toepassingsmogelijkheden) en Achtergrondwaarde (vrij toepasbaar). Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft de ondergrond (0,7-0,9 m-mv) ter plaatse van boring B30a de kwaliteitsklasse ‘Niet toepasbaar’. De zandige boven- en ondergrond (0,34-1,0 m-mv) heeft kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en beperkte toepassingsmogelijkheden. De overige boven- en ondergrond (0,0-4,0 m-mv) ter plaatse van deellocatie B heeft kwaliteitsklassen ‘Wonen’ (beperkte toepassingsmogelijkheden) en ‘Achtergrondwaarde’ (vrij toepasbaar).

Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft de bovengrond (0,08-0,5 m-mv) ter plaatse van boringen E01 en E03 en de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van boring E05 kwaliteitsklasse ‘Niet toepasbaar’. De overige boven- en ondergrond (0,0-0,8 mmv) valt in kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en daardoor beperkte toepassingsmogelijkheden. Een deel van de boven- en ondergrond (0,0-1,0 m-mv) valt in kwaliteitsklassen ‘Wonen’ (beperkte toepassingsmogelijkheden) en ‘Achtergrondwaarde’ (vrij toepasbaar). Er is geen vervolgonderzoek nodig. Bij graafwerkzaamheden ter plaatse van het fietspad aan de oostkant van Mercatorpark (locatie B30 in het onderzoek) is een BUS-melding nodig voor de

36

verontreiniging (met PAK en zink) en voor de voormalige stadsdeelwerf (locatie E1 en E3 in het onderzoek) vanwege de verontreiniging met PAK. 5.2.4

Conclusie

Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

5.3.1

Algemeen

Ten aanzien van de ontwikkelingen in het plan moet rekening worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen en dat ter plaatse van woningen en andere milieugevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Dit toetsingskader heeft geen wettelijke status, maar kan als eerste beoordelingsmaat voor de aanvaardbaarheid worden gebruikt. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaats gevonden.

De VNG-publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. In de navolgende figuur zijn de richtafstanden weergegeven. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype

Richtafstand tot omgevingstype

rustige woonwijk (in m)

gemengd gebied (in m)

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

5.1

500

300

5.2

700

500

5.3

1.000

700

6

1.500

1.000

Richtafstanden. Bron: VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, 2009.

Als niet aan de richtafstanden kan worden voldaan is onderzoek nodig om aan te kunnen tonen 37

dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat enerzijds en dat een bedrijf de mogelijkheid heeft om bedrijfsactiviteiten uit te blijven oefenen. 5.3.2

Wet- en regelgeving

Activiteitenbesluit Wet milieubeheer Het Activiteitenbesluit is een besluit waarin algemene regels staan opgenomen voor bedrijven en voorzieningen die vallen onder de Wet milieubeheer. In het besluit staan regels per soort milieubelastende activiteit en per soort milieubelasting omschreven. Met een milieubelastende activiteit wordt bijvoorbeeld metaalbewerking bedoeld en met een milieubelasting kan geluid als voorbeeld worden gezien. Het besluit kent verschillende type regels voor de drie verschillende typen inrichtingen die er bestaan, te weten inrichting type A, B en C. Inrichtingen type A zijn inrichtingen die minder milieubelastende activiteiten uitvoeren, zoals veel kantoor- en schoolgebouwen. Ze hoeven bij de oprichting of een wijziging geen melding te doen aan het bevoegd gezag. Ook hebben ze geen omgevingsvergunning milieu nodig. Ze vallen volledig onder het Activiteitenbesluit. Los van het Activiteitenbesluit kunnen ook andere milieuregels gelden. Inrichtingen type B zijn inrichtingen die bij de oprichting of een wijziging een melding moeten doen aan het bevoegd gezag. Ze hebben geen omgevingsvergunning milieu nodig. Soms hebben ze een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig. Ze vallen volledig onder het Activiteitenbesluit. Los van het Activiteitenbesluit kunnen ook andere milieuregels gelden.

Voorbeelden van type B-inrichtingen zijn garagebedrijven, metaal bewerkende bedrijven en jachthavens. Inrichtingen type C zijn inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Ze moeten een melding Activiteitenbesluit doen voor activiteiten waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Voor die activiteiten hoeven dan geen voorschriften in de vergunning te staan. Soms hebben inrichtingen type C ook een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig. Eén van de belangrijkste algemene regels in het Activiteitenbesluit Milieubeheer is het voldoen aan de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat elke inrichting verantwoordelijkheid draagt om de milieueffecten van de eigen activiteiten tot een minimum te beperken. Behalve regels over de wijze waarop milieurelevante activiteiten moeten worden uitgevoerd, zoals eisen aan technische voorzieningen, geeft het Activiteitenbesluit ook regels over de milieubelasting van woningen en andere gevoelige objecten in de omgeving van de milieubelastende activiteit. Dit geldt vooral voor de aspecten geluid, geur en externe veiligheid.

Het Activiteitenbesluit geeft aan dat bij geluidsgevoelige gebouwen, zoals een woning, voldaan moet worden aan bepaalde geluidsnormen op de gevel van die woning (grenswaarden) in geval van bijvoorbeeld geluid van horeca-inrichtingen én in die woning voldaan moet worden aan bepaalde geluidsnormen vanwege dat geluid (binnenwaarden). Er gelden normen voor de dag, avond en nacht. Bij de beoordeling van de geluidniveaus aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit blijven de volgende activiteiten buiten beschouwing: • Het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein. • Het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten. 38

Bij de beoordeling van de piekgeluiden aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit blijven verder buiten beschouwing: • Het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden. • Het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan. Voor milieuaspecten die niet in het Activiteitenbesluit worden geregeld, geldt dat ze bij de belangenafweging ten behoeve van het bestemmingsplan worden meegewogen en zo nodig in het bestemmingsplan worden geregeld. 5.3.3

Resultaten onderzoek

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de inpasbaarheid van de beoogde nieuwbouwwoningen beschouwd in relatie tot de bestaande functies: • SportPlaza Mercator • Restaurant en Café De School (tot 1 januari 2024) in de voormalige L.T.S • Reumatologisch Centrum Reade • Gemeentelijk kantoorgebouw Triade en de nieuw te ontwikkelingen functies: • Integraal kindcentrum (alles-in-één basisschool) op bouwveld MO4 • Horeca van categorie 3 en 4 in de plint op bouwveld MO3 In het plangebied Mercatorpark is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook een gebied dat direct langs de hoofdinfrastructuur ligt, behoort tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Voor het plangebied is het omgevingstype ‘gemengd gebied’ toegepast dat uitgaat van onderstaande richtafstanden. Inrichting

Richtafstand in meters

Afstand woning tot de grens van de inrichting

Te realiseren integraal kindcentrum MO4

10

5

Te realiseren horeca plint MO3

0

0

SportPlaza Mercator

100

10

Restaurant en Café De School* in de vml. L.T.S

10

0

Reumatologisch Centrum Reade

0

15

Gemeentelijk kantoorgebouw Triade

0

10

*De School is begin 2024 vertrokken uit het pand

Het maatgevende milieuaspect is geluid, immers van geur, stof en/of gevaar is bij de genoemde inrichtingen geen sprake. De richtafstand wordt niet overschreden in het geval van de bestaande inrichtingen Reumatologisch Centrum Reade en het gemeentelijk kantoorgebouw Triade, waarmee een geluidonderzoek en verdere toetsing achterwege kan blijven. Het geluid veroorzaakt door de activiteiten van deze inrichtingen zijn akoestisch niet-relevant, wat wil zeggen dat de bijdrage van een specifieke activiteit (geluidbron) zodanig klein is, dat deze wegvalt tegen de bijdrage van de overige activiteiten (geluidbronnen) en derhalve niet betrokken hoeft te worden in het 39

geluidonderzoek. De beoogde nieuwbouw voldoet in het geval van SportPlaza Mercator en Restaurant en Café De School in de voormalige L.T.S. niet aan de richtafstand. Ook de afstand tussen de beoogde woningen gelegen binnen bouwveld MO3 en het nieuw te realiseren integraal kindcentrum en de horeca voldoet niet aan de richtafstand. Een onderzoek naar het geluid veroorzaakt door de activiteiten van de genoemde inrichtingen is zodoende noodzakelijk. Voor deze inrichtingen is de geluidsbelasting op de gevels van de beoogde nieuwbouwwoningen onderzocht. Daarbij zijn ook de geluidsbronnen die niet onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen, betrokken. De rapportage is als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. Te realiseren integraal kindcentrum MO4 Uit de onderzoeksresultaten komt naar voren dat door het stemgeluid van buiten spelende kinderen de richtwaarde ter plaatse van de gevel van bouwveld MO3 wordt overschreden. De geluidbelasting vanwege de activiteiten van het integraal kindcentrum is ook berekend op de gevels van de bestaande woningen aan de Orteliuskade. Door de grotere afstand tussen de bestaande woningen en het schoolplein is er sprake van een geringe overschrijding van de richtwaarde op enkele woningen. Om de nieuwe woningen op bouwveld MO3 mogelijk te maken, zullen maatregelen noodzakelijk zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen realiseren.

De gemiddelde geluidbelasting kan worden beperkt door het beoogde speelgebied tussen bouwblok MO3 en bouwblok MO4 te verkleinen dan wel volledig te schrappen waardoor de kinderen uitsluitend gebruik maken van het speelplein behorende bij de school. Een andere maatregel is het beperken van de buitenspeeltijd van de kinderen. Beide maatregelen zijn echter niet voldoende doeltreffend. Het realiseren van het integraal kindcentrum op een andere locatie binnen het plangebied is niet mogelijk vanwege de luchtkwaliteitseisen die gesteld worden aan de ligging van de school ten opzichte van de A10 en de stedelijke wegen. Het plaatsen van geluidschermen rond de school is onwenselijk en sociaal onveilig. De maatregelen die aan bouwveld MO3 kunnen worden genomen, betreffen het toepassen van gevelisolatie en bij de indeling van de woningen rekening te houden met de positie van geluidgevoelige ruimten. Te realiseren horeca plint MO3 Uit de onderzoeksresultaten volgt dat door het stemgeluid van de bezoekers op het terras de richtwaarde ter plaatse van de gevel van bouwveld MO3 wordt overschreden. De geluidbelasting vanwege de activiteiten van de horeca is ook berekend op de gevels van de bestaande woningen aan de Orteliuskade. Door de grotere afstand tussen de bestaande woningen en de nieuw te realiseren horeca volgt dat de richtwaarde niet wordt overschreden.

Overigens is op grond van het bestemmingsplan ‘Mercatorpark 2013’ reeds horeca van categorie 3 en 4 toegestaan aan de oostzijde van het plangebied, zodat er planologisch-juridisch geen nadeliger situatie ontstaat voor de bestaande woningen aan de Orteliuskade.. Om de nieuwe woningen op bouwveld MO3 mogelijk te maken, zullen maatregelen noodzakelijk zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen realiseren. De maatregelen die aan bouwveld MO3 kunnen worden genomen, betreffen het toepassen van gevelisolatie en bij de indeling van de woningen rekening te houden met de positie van geluidgevoelige ruimten. SportPlaza Mercator Uitgangspunt voor de berekeningen is een worst-case benadering, wat wil zeggen dat de feestzalen maatgevend zijn voor het geluid in de avondperiode. Hoewel deze feestzalen niet als 40

zodanig in gebruik zijn, maakt het bestemmingsplan deze functie (horeca van categorie 2) wel mogelijk conform het bestemmingsplan ‘Mercatorpark 2013’. Verder is in het onderzoek rekening gehouden met een bedrijfssituatie waarin de ligweide gesloten is én een situatie waarin deze geopend is. Maatgevend voor het geluid in de dagperiode is het stemgeluid van bezoekers van de ligweide en het buitenbad. Uit de onderzoeksresultaten komt naar voren dat de richtwaarde ter plaatse van bouwveld MW3, MO1 en MO4 wordt overschreden in de avond- en nachtperiode. De overschrijding wordt geheel veroorzaakt door de uitstraling van de gevel en het dak van de beide feestzalen. In de situatie dat de ligweide is geopend, wordt de overschrijding van de richtwaarde in de dagperiode geheel veroorzaakt door het stemgeluid van spelende kinderen op de ligweide en in het buitenbad. Om te bepalen welke geluidruimte de inrichting in de bestaande situatie heeft, is het geluid afkomstig van de activiteiten van SportPlaza Mercator ook onderzocht op de gevels van de bestaande woningen aan de Orteliuskade. Uit de onderzoeksresultaten komt naar voren dat de richtwaarde ter plaatse van enkele woningen aan de Orteliuskade wordt overschreden in de avond- en nachtperiode. De overschrijding wordt geheel veroorzaakt door de uitstraling van de gevel en het dak van de beide feestzalen.

In de situatie dat de ligweide is geopend, wordt de overschrijding van de richtwaarde in de dagperiode geheel veroorzaakt door het stemgeluid van spelende kinderen op de ligweide en in het buitenbad. Echter de overschrijding is minder groot dan bij de nieuw te realiseren woningen. Geconcludeerd kan worden dat SportPlaza Mercator door de komst van de nieuwe woningen in haar bedrijfsvoering wordt beperkt als er geen maatregelen worden getroffen. Enerzijds is het mogelijk geluidwerende voorzieningen aan het dak en de achtergevel van de feestzalen aan te brengen. Anderzijds zullen maatregelen aan de gevels van de nieuwbouwwoningen aan de orde zijn om het stemgeluid afkomstig van de ligweide en het buitenbad te reduceren. Aangezien het zwembad een bestaande inrichting is en een belangrijke maatschappelijke functie vervult, is aanpassing van de openingstijden van de ligweide niet gewenst. De overschrijding in de avonduren is vanwege de openingstijden van de ligweide beperkt tot 20:00 uur op de dinsdag in de periode dat de ligweide geopend is. Aangezien dit voor een deel van het jaar is, in de zomermaanden, en slechts één avond per week is de overschrijding aanvaardbaar. Op bouwveld MO4 is ook sprake van een overschrijding, echter in de avonduren vindt hier geen basisonderwijs plaats. Restaurant en Café De School in de vml. L.T.S. De School is in januari 2024 uit de voormalige L.T.S.

vertrokken. De activiteiten die plaatsvonden zijn in voorliggend bestemmingsplan toegestaan en in het akoestisch onderzoek betrokken. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat door het stemgeluid van de bezoekers op het terras de richtwaarde ter plaatse van de gevel van bouwveld MW1 in de dagperiode wordt overschreden. In de avond- en nachtperiode wordt niet voldaan aan de richtwaarde op de gevels van bouwveld MW1, MW3, MO1 en MO2. De overschrijding wordt geheel veroorzaakt door de uitstraling van de gevel en het dak van de club en het poppodium. Om te bepalen welke geluidruimte de inrichting in de bestaande situatie heeft, is het geluid veroorzaakt door de activiteiten ook bepaald op de gevels van Reade. Dit is een gezondheidszorgfunctie welke - net als woningen - ook geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder is. Ook in de huidige situatie laten de onderzoeksresultaten zien dat niet kan worden voldaan aan de richtwaarde. Geconcludeerd kan worden dat er maatregelen getroffen moeten worden aan het gebouw om dergelijke activiteiten in de toekomst mogelijk te maken. Enerzijds is het mogelijk geluidwerende voorzieningen aan het dak van de club en het poppodium aan te brengen. Aangezien de voormalige L.T.S. in bezit is van de gemeente Amsterdam kan de gemeente de maatregelen zelf nemen. Anderzijds zullen maatregelen aan de gevels van de 41

nieuwbouwwoningen aan de orde zijn om het stemgeluid en de piekgeluiden afkomstig van het terras te reduceren. 5.3.4

Conclusie

Realisatie van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen is zonder geluidwerende maatregelen niet mogelijk. De geluidwering van de gevel dient ten minste gelijk te zijn aan het gemiddelde geluidniveau dat optreedt op de gevel van een woning of de alles-in-één school minus een binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde dan wel het piekgeluidniveau dat optreedt op een woning of het integraal kindcentrum minus een binnenniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde. In de bestemmingsplanregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij de beoordeling van de geluidwering van de gevel aan de eisen zoals gesteld in het Bouwbesluit de mogelijk noodzakelijke te treffen geluidwerende maatregelen ten minste gebaseerd moeten worden op de berekende gemiddelde geluidniveaus en piekgeluiden veroorzaakt door de activiteiten van de binnen het plangebied gelegen inrichtingen. In het volgende hoofdstuk, waarin de geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer aan bod komt, wordt duidelijk dat de te treffen geluidwerende maatregelen ook gebaseerd moeten worden op de gecumuleerde geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer. Door toepassing van voldoende geluidwering van de gevels en het treffen van maatregelen zal er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woningen en de buitenruimten in een binnenstedelijke situatie.

5.4

Geluid

5.4.1

Algemeen

Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen. 5.4.2

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen voor toelaatbare equivalente geluidsniveaus opgenomen. De geluidsnormen gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidszone van een (spoor)weg of industrieterrein. In de Wgh is aangegeven dat een geluidonderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Wanneer een nieuw (of gewijzigd) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidsgevoelige bebouwing in de geluidszone van een industrieterrein of (spoor)weg te realiseren, is een onderzoek noodzakelijk naar de geluidsbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing. Het plangebied Mercatorpark is gelegen direct nabij verkeerswegen en binnen de zone voor spoorwegverkeer. Er zijn geen nabijgelegen zones van industrieterreinen die van invloed kunnen 42

zijn. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich van rechtswege langs alle wegen geluidzones waarbinnen de geluidbelasting vanwege de weg aan het gestelde in de Wgh dient te worden getoetst. Dit geldt niet voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en is maximaal 600 meter. In artikel 76 van de Wet geluidhinder is geregeld dat bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de wettelijke voorkeursgrenswaarden (hoogste toelaatbare geluidsbelasting) in acht moeten worden genomen. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag. Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Het toepassen van maatregelen dient in volgorde van prioriteit gericht te zijn op bronmaatregelen (geluiddempers, aanpassing wielen/spoor, aanpassing wegverharding en/of aangepaste rijsnelheden) en overdrachtsmaatregelen (geluidsschermen/geluidswallen).

Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een besluit hogere waarden worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidsbelasting, de binnenwaarde worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. Amsterdams geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder Op 12 juli 2016 is het Amsterdams geluidbeleid 2016 door de gemeenteraad vastgesteld (laatst gewijzigd op 5 maart 2019). Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het bouwen van woningen (inclusief plaatsen voor woonwagens/woonschepen) en andere geluidgevoelige functies op geluid belaste locaties. Uitgangspunt van het Amsterdams geluidbeleid is dat iedere woning een stille zijde heeft. Dit uitgangspunt geldt alleen voor een woonfunctie, niet voor andere functies. Een stille of geluidluwe zijde (de termen zijn synoniem) is een (deel van een) gevel waar de geluidbelasting gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde of lager. De voorkeursgrenswaarde is de geluidsbelasting die altijd toelaatbaar is op de gevel van de geluidsgevoelige bestemming. Wanneer de stille zijde beschikt over een buitenruimte heeft ook deze buitenruimte bij voorkeur een aanvaardbaar geluidniveau.

Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd zodat met open raam of deur geslapen kan worden. In het beleid is aangegeven dat voor bepaalde gevallen gemotiveerd kan worden afgeweken van de eis van een stille zijde. Dit is als er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (criteria opgenomen in artikel 110g Wgh). Daarnaast kan in geval van transformatie van bestaande bebouwing of de realisatie van woningen voor een specifieke doelgroep (zoals jongeren) gemotiveerd worden afgeweken van de stille zijde eis. Een woning die moet worden uitgevoerd met een dove gevel (kort gezegd, een gevel zonder te openen ramen en deuren) dient te allen tijde te zijn voorzien van een stille zijde (behoudens uitzonderlijke gevallen, in een tijdelijke situaties of bij woningen voor een bijzondere groep). De focus van het Amsterdams geluidbeleid ligt bij de bescherming van de bewoners tegen geluid en dus bij de delen van de gevel waar bewoners buiten verblijven of het geluid de woningen binnen kan komen. Voorgaande betekent dat sprake is van een stille zijde in de situatie dat op te openen delen (ramen of deuren) van een van de woninggevels aan de voorkeurgrenswaarde wordt 43

voldaan. Eventuele maatregelen zullen dus minimaal die geveldelen afdoende dienen af te schermen. Wanneer de geluidbelasting op te openen delen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kunnen op en/of aan de gevel maatregelen worden getroffen waardoor alsnog een stille zijde gerealiseerd wordt. 5.4.3

Resultaten onderzoek

Ten behoeve van de gebiedsontwikkeling is een geluidonderzoek uitgevoerd. Het plangebied ligt binnen de geluidzones van de autosnelweg Ringweg A10, de stedelijke wegen Jan van Galenstraat en Jan Evertsenstraat (vanwege het tramverkeer) en van de spoorweg tussen Sloterdijk en Badhoevedorp (geluidzone 600 meter op basis van referentiepunt 37756). In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) wordt de geluidbelasting ten gevolge van deze geluidbronnen onderzocht. Naast bovenstaande geluidbronnen is het plangebied gelegen in de nabijheid van de 30 km wegen Jan Evertsenstraat (m.u.v. het tramverkeer), Orteliuskade, Admiraal Helfrichstraat, Mercatorplein en Hoofdweg. Op 30 km wegen is de Wet geluidhinder niet van toepassing, de wegen zijn echter wel in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek. In het Investeringsbesluit dat voor het plangebied op 20 april 2022 door de gemeenteraad is genomen is financieel rekening gehouden met een geluidscherm van vijf meter hoog en circa 310 meter lang ter plaatse van het talud van de A10. Met Rijkswaterstaat heeft afstemming plaatsgevonden over de inpasbaarheid van het geluidscherm en de veiligheidseisen. Het bestemmingsplan staat de realisatie van een geluidscherm niet in de weg. Er zijn voor het geluidonderzoek, waarvan de rapportage als bijlage aan deze plantoelichting is gevoegd, drie varianten doorgerekend.

Een variant zonder het effect van een geluidscherm; een variant met geluidscherm van vijf meter hoog en circa 310 meter lang en een variant met geluidscherm van vijf meter hoog en een verlenging tot circa 440 meter lang. Daarnaast is gekeken wat het effect is als enkel de bebouwing in het oostelijk deel (MO1 t/m MO4) van het plangebied is gerealiseerd en wat het effect op de oostelijke bebouwing is als het westelijk deel (MW1 en MW3) is gebouwd. Tot slot is voor bouwveld MW3 een aanvullend onderzoek gedaan in verband met het vergroten van het bestemmingsvlak aan de noordzijde van het bouwveld. Deze rapportage is eveneens als bijlage aan deze plantoelichting gevoegd. Weg- en spoorwegverkeerslawaai De geluidbelastingen zijn berekend conform de Standaard Rekenmethode II uit bijlage III en bijlage IV van het 'Reken- en meetvoorschrift geluid 2012'. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder: • Auto(snel)wegen: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 53 dB; • Stedelijke wegen: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB; • Spoorwegen: voorkeursgrenswaarde 55 dB, maximale ontheffingswaarde 68 dB. Voor een woning binnen de bebouwde kom in de zone langs een auto(snel)weg én in de zone langs een andere weg gelden dus twee verschillende beschermingsniveaus, afhankelijk van de weg die getoetst wordt.

De gevelbelasting is berekend op een hoogte van 2,0 meter (begane grond), een hoogte van 5,5 meter (eerste verdieping) en daarna per verdieping 3,0 meter hoger (dus 8,5 meter, 11,5 meter, 14,5 meter en zo verder). Resultaten wegverkeerlawaai: oostelijke bebouwing (MO1 t/m 4) Uit de resultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de A10 ten hoogste 58 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt. Hiermee wordt niet alleen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, maar ook de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB. 44

Daar waar de maximaal te ontheffen waarde wordt overschreden, is het realiseren van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen niet zonder meer mogelijk. Er dient onderzocht te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn dan wel dat de betreffende delen van gevels als zogenaamde dove gevel uitgevoerd moeten worden. Vanwege het verkeer op de Jan van Galenstraat bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 51 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient onderzocht te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Resultaten wegverkeerlawaai: oostelijke (MO1 t/m 4) én westelijke bebouwing (MW1 en MW3) Uit de resultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de A10 ten hoogste 69 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt. Hiermee wordt niet alleen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, maar ook de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB. Daar waar de maximaal te ontheffen waarde wordt overschreden, is het realiseren van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen niet zonder meer mogelijk.

Er dient onderzocht te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn dan wel dat de betreffende delen van gevels als zogenaamde dove gevel uitgevoerd moeten worden. Vanwege het verkeer op de Jan van Galenstraat bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 59 dB en vanwege het tramverkeer op de Jan Evertsenstraat ten hoogste 57 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet. Resultaten wegverkeerlawaai 30 km wegen Uit de resultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de Admiraal Helfrichstraat ten hoogste 54 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt. Hiermee is de geluidbelasting hoger dan 48 dB, zijnde de voorkeursgrenswaarde voor wegen met een zone in de zin van de Wet geluidhinder, maar lager dan 63 dB, zijnde de maximaal te ontheffen waarde voor wegen met een zone in de zin van de Wet geluidhinder. Resultaten spoorwegverkeerlawaai: oostelijke bebouwing (MO1 t/m 4) Uit de resultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op het spoor tussen Amsterdam Sloterdijk en Badhoevedorp ten hoogste 46 dB bedraagt. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB nergens overschreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14327877/1