2. TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat regels en toelichting.pdf
Tekst van het document
Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de term omgevingsveiligheid niet gebruikt wordt de term externe veiligheid in dit omgevingsplan gebruikt. Omgevingsveiligheid wordt ook wel in verband gebracht met artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dat artikel moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, beperken en te bestrijden en met de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van personen en geneeskundige hulpverlening. Dit betreft dus een bredere afweging, externe veiligheid is dan slechts één van die veiligheidsrisico's, maar het kan ook gaan om overstromingen, natuurbranden of paniek in een menigte. Deze andere aspecten van veiligheid worden uitgewerkt in het regionaal risicoprofiel en het regionaal beleidsplan die worden opgesteld door de Veiligheidsregio. Wanneer onderdelen hiervan gevolgen hebben voor dit omgevingsplan, wordt dit uitgewerkt in de betreffende paragraaf of toegepast op dat gebied.
9.2
Regelgeving
9.2.1
Besluit kwaliteit leefomgeving
De Omgevingswet geeft aan welke instructieregels worden gesteld over met het oog het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, met betrekking tot de externe veiligheidsrisico's van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, in ieder geval ter uitvoering van de Seveso-richtlijn. Deze instructieregels zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De instructieregels gaan in op het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, voorschriftengebieden en het groepsrisico in relatie tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Wat er onder beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties valt, is opgenomen in Bijlage VI van het Bkl. In de bijlagen VII, VIII, IX en X van het Bkl staan de risicovolle activiteiten genoemd.
9.3
Gemeentelijk beleid
Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 63
wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water of door buisleidingen in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van het bevoegd gezag kan worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven.
Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan.
9.4
Besluitgebied
Onderstaande figuur toont de ligging van het plangebied ten opzichte van beide hogedruk aardgasleidingen van Gasunie.
Gemeente Amsterdam
blz. 64
De parameters uit het leidingdatabestand voor beide buisleidingen staan in onderstaande tabel weergegeven.
Middels de rapportage Externe veiligheid/ Woningbouw Nierkerkestraat te Amsterdam van AVIV (16 februari 2024 kenmerk 235605, zie Bijlage 7) zijn de risico's beoordeeld. Plaatsgebonden risico Voor zeer kwetsbare gebouwen (bijv. ziekenhuis, penitentiaire inrichting, kinderdagverblijf) en kwetsbare gebouwen en locaties (bijv. woningen, grote kantoren) is de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 per jaar een grenswaarde (art. 5.7 Bkl) waar niet van afgeweken mag worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is dit een standaardwaarde (art. 5.11 Bkl) waar gemotiveerd van af geweken mag worden. Onderstaande figuren tonen de plaatsgebonden risicocontouren van aardgasleidingen A-561 en W-534-01.
PR-contour aardgasleiding A-561
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 65
PR-contour aardgasleiding W-534-01 De berekeningen hebben niet geleid tot een contour voor de grenswaarde van 1 10-6/jr. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Aandachtsgebied Voor aardgasbuisleidingen geldt dat rekening gehouden dient te worden met een brandaandachtsgebied. Dit is het gebied waarbinnen aanwezigen mogelijk kunnen overlijden als gevolg van een incident met de aardgasbuisleiding. In het omgevingsplan kan het bevoegd gezag opnemen of binnen een aandachtsgebied een voorschriftengebied wordt aangewezen. In het omgevingsplan is vooralsnog geen aandachtsgebied opgenomen. Er gelden zodoende (nog) geen aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. De brandaandachtsgebieden wordt getoond in onderstaande figuur. Het plangebied ligt volledig binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding A-561 en gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding W-534-01. In de nieuwbouw worden 150 woningen gerealiseerd. In de plint van het gebouw komt zo'n 300 m2 aan maatschappelijke functies. Functies (zoals kinderdagverblijven) die ertoe leiden dat het gebouw gecategoriseerd wordt als een zeer kwetsbaar gebouw, worden uitgesloten. Vanwege de woonfunctie kan de nieuwbouw worden aangemerkt als een kwetsbaar gebouw.
Het aanwijzen van een voorschriftengebied is voor deze ontwikkeling daarom niet verplicht.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
Brandaandachtsgebied Groepsrisicoberekening Op het moment van dit schrijven zijn er geen voorschriftengebieden bekend rond de aardgasleidingen. Om te kunnen onderbouwen of eventuele aanvullende maatregelen binnen het aandachtsgebied nodig zijn, is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Daartoe zijn bevolkingsgegevens opgevraagd via de BAG-populatieservice. In de huidige situatie is uitgegaan van 72 woningen. In de toekomstige situatie is uitgegaan van 150 woningen en 300 m2 maatschappelijke functies. Voor de woningen wordt gerekend met 2.4 personen per woning waarvan 50% overdag en 100% in de nacht aanwezig is. Voor de maatschappelijke functie wordt uitgegaan van één persoon per 30 m2 b.v.o. met alleen aanwezigheid overdag. Het resulterend verondersteld aantal personen wordt getoond in onderstaande tabel.ersonenaantallen huidige en toekomstige situatie Onderstaande tabel toont het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. In de tabel is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0.167 betekent dat de hoogte van het groepsrisico ongeveer 5 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 67
Personenaantallen huidige en toek omstige situatie Onderstaande tabel toont het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. In de tabel is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0.167 betekent dat de hoogte van het groepsrisico ongeveer 5 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.
Groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde (OW) Het blijkt dat er een kans bestaat dat per jaar tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen het brandaandachtsgebied. Er moet derhalve in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het groepsrisico. Verder blijkt dat de ontwikkeling voor aardgasleiding A-561 een minimale toename van 2.7% (het groepsrisico wijzigt van 0.406 in 0.417) van het groepsrisico tot gevolg heeft. Het groepsrisico van aardgasleiding W-534-01 blijft gelijk. Op basis daarvan wordt gesteld dat het treffen van aanvullende maatregelen niet nodig is. Wel dient om de gevolgen van ongevallen te beperken in ieder geval rekening gehouden te worden met (art. 5.2 Bkl): 1°. het voorkomen, beperken en bestrijden van die branden, rampen en crises; 2°. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3°. de geneeskundige hulpverlening aan personen. Belemmeringengebied Het belemmeringengebied dient ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Binnen dit gebied mogen geen nieuwe bouwwerken opgericht worden. Voor buisleidingen met een druk van 40 bar, zoals hier het geval is, geldt een belemmeringengebied van 4 m aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Voor buisleidingen met een hogere druk geldt een belemmeringengebied van 5 m.
Voor aardgasleiding W-534-01 geldt een belemmeringengebied van 4 m. Voor aardgasleiding A-561 geldt een belemmeringengebied van 5 m. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 60 m van de buisleidingen. Het belemmeringengebied vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Toetsing aan uitvoeringsbeleid EV gemeente Amsterdam Het plangebied ligt volledig binnen het invloedsgebied van beide buisleidingen. Het plan ligt buiten de 100%-letaliteitscontour van aardgasleiding W-534-01 en gedeeltelijk binnen de 100%-letaliteitscontour van aardgasleiding A-561. Dit wordt grafisch weergegeven in onderstaande figuur. 1. Het plan ligt buiten de belemmeringenstrook van 4 of 5 m van de buisleidingen. 2. Ontwikkeling ligt binnen 100%-letaliteit van aardgasleiding A-561. Het beleid staat in dit gebied geen objecten toe voor minder zelfredzame personen. Hieraan wordt voldaan: Er is in de Gemeente Amsterdam
blz. 68
toekomstige ontwikkeling geen sprake van nieuwe objecten bedoeld voor minder zelfredzame personen. Er wordt daarnaast gestreefd naar een groepsrisico lager dan de oriëntatiewaarde. Hieraan wordt voldaan. 3. Binnen invloedsgebied zijn (beperkte) ontwikkelingen in beginsel aanvaardbaar.
Contouren 100% letaliteit aardgasleidingen Conclusies Plaatsgebonden risico Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour voor de grenswaarde van 1 10-6/jr. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering. Aandachtsgebied De ontwikkeling ligt volledig binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding A-561 en gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding W-534-01. De ontwikkeling zorgt voor een minimale toename van het groepsrisico voor aardgasleiding A-561. Het groepsrisico van aardgasleiding W-534-01 blijft gelijk. Het treffen van aanvullende maatregelen is daarom niet nodig. bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 69
Belemmeringengebied De locatie ligt buiten het belemmeringengebied van beide buisleidingen. Uitvoeringsbeleid EV Gemeente Amsterdam Getoetst is aan het beleid van de gemeente Amsterdam. Door geen objecten voor niet zelfredzame personen mogelijk te maken wordt aan dit beleid voldaan.
Gemeente Amsterdam
blz. 70
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 71
Hoofdstuk 10 10.1
Bodem en ondergrond
Bodemkwaliteit
Wettelijk kader In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient voorkomen worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigd grond plaats vinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is: 4. een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; 5. een onmiddellijk aan een bodemgevoelig gebouw grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn of een woonschip of woonwagen, met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2. Gelet op artikel 5.89j van het Bkl moeten bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in acht genomen worden. Bij overschrijding van die waarden mag alleen gebouwd worden als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (zie hiervoor de artikelen 22.29 en 22.30 van het omgevingsplan evt aanpassen na vaststelling basisregeling). Desalniettemin dient bij de toelating van een bodemgevoelige gebouw aannemelijk zijn dat de vergunning verleend kan worden en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan (al dan niet dossier-) onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het besluitgebied. Bij een geconstateerde (potentiële) verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan tevens in kaart worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Bodemkwaliteitskaart Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeenteraad de Nota bodembeheer Amsterdam en de daarbij horende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. De Nota bodembeheer bevat onder meer het gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de wettelijke grondslag van die besluiten vervallen.
Om een rechtsvacuüm te voorkomen voorziet artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet erin dat het gebiedsspecifiek beleid en de bijbehorende kaarten onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op termijn worden deze kaarten en besluiten omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Bijlage 3A is de zonekaart waarin verschillende zones zijn gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht,
Gemeente Amsterdam
blz. 72
afhankelijk van de bodemfunctie.
Zones 1 en 2 op de bodemkwaliteitskaart hebben betrekking op locaties met een relatief schone bodem. Voorafgaand het bouwen van een bodemgevoelige gebouw is in deze zones in principe een vooronderzoek (dossieronderzoek) voldoende, tenzij dat onderzoek aanleiding geeft voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. Besluitgebied De voorgenomen ontwikkeling aan de Nierkerkestraat vindt plaats in gebied dat op de Bodemkwaliteitskaart in zone 1 ligt, zie ook onderstaande afbeelding.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 73
De Omgevingsdienst noordzeekanaalgebied heeft in januari 2019 archiefonderzoek uitgevoerd naar het mogelijk gevolg van vroegere activiteiten voor de milieu hygiënische bodemkwaliteit, zie ook Bijlage 8. Bij dit onderzoek zijn de volgende bronnen uit het DMB archief geraadpleegd: bodemonderzoeksrapporten gegevens over ondergrondse tanks gegevens over bedrijfsactiviteiten de bodemkwaliteitskaart de bodemkaart “dempingen en ophogingen in Amsterdam” het onderzoeksrapport “Ophoging en Bodemgebruik te Amsterdam” (OMEGAM, rapportnummer: 1026279, 9 januari 2002) Uit het onderzoek kwam het volgende naar voren: 1. Er zijn geen (ondergrondse) tanks nabij de locatie bij ons bekend. 2. Er zijn geen bedrijfsactiviteiten op of nabij de locatie aangetroffen. 3. De locatie ligt in zone 1 van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam. De boven- en ondergrond vallen in kwaliteitsklasse achtergrondwaarde (niet verontreinigd). 4. De openbare weg valt in zone A van de bodemkwaliteitskaart van de Openbare Weg van Amsterdam. Voor deze zone kunnen vrijstellingen verkregen worden bij graven in de weg. De spelregels hiervoor staan in de Nota Bodembeheer. 5. Op de bodemkaart staan dempingen aangegeven op de locatie. 6. De locatie is opgehoogd tussen 1945 en 1959. In deze periode werd meestal gebruik gemaakt van niet-verontreinigd ophoogmateriaal.
Gemeente Amsterdam
blz. 74
7. Er zijn asbestonderzoeken nabij de locatie bij ons bekend. Hierbij is geen asbest aangetroffen.
Conclusie Het onderzochte gebied is niet verdacht.
10.2
Niet gesprongen explosieven
Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. In Amsterdam wordt de NGE-bodembelastingskaart bijgehouden. NGE staat voor Niet Gesprongen Explosieven. Op deze 'bommenkaart' is te zien waar mogelijk oude vliegtuigbommen (blindgangers) uit WOII in de bodem zitten. Deze informatie is van belang voor het inplannen of uitvoeren van grootschalige (grond)werkzaamheden. Wanneer een gebied als 'verdacht' is aangemerkt is een uitgebreid bodemonderzoek nodig, tenzij de grond sinds 1945 geroerd is of nieuwe grondlagen zijn aangebracht. Besluitgebied De projectlocatie is op de bommenkaart gemeente Amsterdam niet aangewezen als verdacht gebied.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 75
Hoofdstuk 11 11.1
Water
Beleid en regelgeving
11.1.1 Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2027 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. Daarnaast geldt sinds 2006 de Grondwater Richtlijn (GWR). Deze richtlijn beschermt het grondwater tegen verontreiniging. Waterprogramma's spelen een belangrijke rol bij het behalen van doelstellingen uit de KRW en GWR. In de Omgevingswet zijn voor zowel het Rijk, de provincies als de waterschappen verplichtingen opgenomen tot het vaststellen van waterbeheerprogramma's waarin maatregelen zijn opgenomen. Voor het Rijk is dat een nationaal waterprogramma, voor de provincie een regionaal waterprogramma en voor waterschappen een waterbeheerprogramma. De daarin op te nemen maatregelen staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
11.1.2 Nationaal beleid- en regelgeving Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Watertoets Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Op grond van dit artikel dient afstemming plaats te vinden met de waterbeheerder (Rijk, provincie, waterschap of gemeente). De verplichte weging van waterbelangen in afstemming met de waterbeheerder wordt ook 'watertoets' genoemd. Primaire waterkeringen In verband met de waterveiligheid bepaalt artikel 5.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat een omgevingsplan moet waarborgen dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. 11.1.3 Provinciaal beleid Op grond van artikel 2.18 Omgevingswet heeft de provincie de volgende taken op het gebied van waterbeheer: 1. het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden 2. op het gebied van het beheer van watersystemen en het zwemwaterbeheer: a. het beheer van watersystemen, voor zover dat aan de provincie is toegedeeld; b.
het houden van toezicht op het beheer van watersystemen voor zover dat is toegedeeld aan de Gemeente Amsterdam
blz. 76
waterschappen, met uitzondering van het beheer van primaire waterkeringen, c. het beheer van de zwemwaterkwaliteit, voor zover deze taak niet bij een gemeente, een waterschap of het Rijk ligt. De provincie stelt een regionaal waterprogramma vast om uitvoering te geven aan verschillende Europese richtlijnen zoals de KRW en de GWR en is daartoe verplicht op grond van de Omgevingswet. De provincie neemt hierin het regionaal waterbeleid op. Daarnaast coördineert ze de gebiedsgerichte uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. Omgevingsverordening Grondwater De provincie heeft als taak de kwaliteit van het grondwater te beschermen in grondwaterbeschermingsgebieden (artikel 2.18 Omgevingswet). In de omgevingsverordening moet de provincie daarom regels opnemen voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater. Op grond van artikel 4.4 lid 2 het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijst de provincie onder meer de grondwaterbeschermingsgebieden aan. De grondwaterbeschermingsgebieden liggen buiten het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Regionale waterkeringen Op grond van de Omgevingswet (artikel 2.13) is de provincie verplicht omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen in de omgevingsverordening op te nemen.
Daarbij neemt de provincie de gemiddelde kans op overstroming van bij verordening aangewezen gebieden op en wijst de vaarwegen aan die in beheer bij gemeenten zijn. Op grond van artikel 6.84 van de Omgevingsverordening moet het omgevingsplan voorzien in regels die waterkerende activiteiten beschermen. In principe zijn in het werkingsgebied van de regionale waterkeringen – de beschermingszone - op grond van artikel 6.85 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Alleen in overeenstemming met de waterbeheerder en de provincie is dit mogelijk. Onderstaande afbeelding geeft de regionale waterkeringen aan.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 77
Het projectgebied ligt niet in of nabij een regionale waterkering. 11.1.4 Waterschappen De waterschappen zijn beheerder van de regionale watersystemen. Waterschapsverordening De verschillende waterschappen die voor Amsterdam van belang zijn hebben elk een eigen waterschapsverordening vastgesteld wat een samenvoeging inhoudt van de voorheen geldende Keuren, keurbesluiten en andersoortige regelingen. In de waterschapsverordening van het waterschap zijn regels opgenomen gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van het waterschap. Waterberging In de Waterschapsverordening zijn regels gesteld over onder meer de compensatie van verhard oppervlak in verband met het verlies aan waterberging in de bodem en de verhoogde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewater. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient voldoende waterberging te worden aangelegd, zodat dit niet afgewenteld wordt op de omgeving. Daarom dient waterneutraal te worden gebouwd. Voldoende compenserende maatregelen dienen hiertoe getroffen te worden. Een maatwerkberekening is vereist waar het om een aanzienlijke verharding gaat, om de benodigde waterbergingscapaciteit te kwantificeren. Standaard wordt gecompenseerd in vergroting van het wateroppervlak.
Maar als gevolg van verdere verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte toe waardoor de openbare ruimte vaak multifunctioneel wordt benut. Hierdoor is de ruimte beperkt om waterberging te realiseren. Er zijn vormen van waterberging ontwikkeld die een alternatief kunnen vormen voor het realiseren van extra oppervlaktewater. De beleidsregels van het hoogheemraadschap geven ruimte aan de toepassing van deze andere vormen van waterberging. In de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht, artikel 2.4 lid 1, is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning het verhard oppervlak in stedelijk gebied uit te breiden met meer dan 1.000m2. In artikel 2.5 lid 1 van de verordening is bepaald dat de toename van de afvoer vaan hemelwater vanaf verhard oppervlak op het watersysteem wordt gecompenseerd door open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Overige vergunningplichtige activiteiten Voor activiteiten in en rondom beperkingengebieden zoals bijvoorbeeld een oppervlaktewaterlichaam, een waterkering of dijklichaam, het aanleggen van een bouwwerk, maar ook het onttrekken van grondwater is een omgevingsvergunning van het waterschap vereist.
11.1.5 Gemeentelijk beleid en regelgeving De gemeente heeft op grond van artikel 2.16 Omgevingswet een aantal zorgtaken en verplichtingen op het gebied van het beheer van watersystemen en waterketenbeheer. Het gaat hier om:
Gemeente Amsterdam
blz. 78
1. 2. 3. 4.
Hemelwaterzorgplicht; Grondwaterzorgplicht; Inzameling en transport stedelijk afvalwater; Beheer van watersystemen, voor zover toegedeeld bij provinciale omgevingsverordening of Omgevingsregeling; 5. Zuivering van stedelijk afvalwater, voor zover van toepassing. Grondwatereffecten bij ondergrondse bouwwerken Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam Uit onderzoek van Waternet en het Ingenieursbureau van de gemeente Amsterdam is gebleken dat in grote delen van de stad de effecten van (met name cumulatieve) kelderbouw negatief zijn. Door de barrièrewerking van meerdere kelders naast elkaar wordt de stand en stroom van het grondwater beïnvloed. Dit leidt tot onder- en overlast van het grondwater. Dit heeft negatieve gevolgen in de openbare ruimte en op particuliere percelen. Teneinde ongewenste ruimtelijke effecten en daarmee schade als gevolg van aanleg van kelders te voorkomen, is het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam (hierna: Afwegingskader) op 20 januari 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In dit afwegingskader is onder meer een gebiedsanalyse opgenomen waarin wordt aangegeven welke maatregelen per buurt nodig zijn en daarnaast technische eisen aan de aanleg van een kelder om de stroom van het grondwater in stand te houden.
Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam In de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam, laatstelijk vastgesteld d.d. 7 februari 2022, door het college van burgemeester en wethouders zijn de criteria opgenomen waar aanvragen omgevingsvergunning voor kelders aan worden getoetst. Alleen een kelder die grondwaterneutraal kan worden aangelegd komt voor vergunningverlening in aanmerking. Deze beleidsregel is gedestilleerd uit het Afwegingskader dat op 20 januari 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Hemelwaterverordening De Hemelwaterverordening Amsterdam regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Doel van deze verordening is om bij grote regenbuien, die steeds vaker voorkomen, waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige stad. De waterbergingseisen zijn het volgende: Vanaf gebouwen mag hemelwater op het riool of op de openbare ruimte geloosd worden nadat hemelwaterberging is aangebracht die in stand wordt gehouden. Een waterberging heeft een minimale capaciteit nodig van 60 liter per m2.
De berging dient binnen 60 uur weer leeg te zijn, zodat de capaciteit beschikbaar is voor de volgende bui. Voor hergebruiksystemen en centrale besturingssystemen gelden afwijkende eisen. Vergunningsvrij gebouwen voldoen aan de eisen als ze zijn voorzien van een groen dak, met minimaal 30 liter waterberging per m2.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 79
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet maakt de Hemelwaterverordening van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Aanvragen om een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden aan de waterbergingseisen getoetst. De regels ten aanzien van waterberging zijn te vinden in paragraaf 4.4.2 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken van de hoofdregeleing, meer specifiek in artikel 4.110 t/m 4.113. Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 De gemeente Amsterdam heeft de wettelijke verantwoordelijkheid (zorgplicht) voor een aantal watertaken. De ambitie voor de taken op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater is vastgelegd in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, vastgesteld op 8 juli 2021. Deze ambitie is in het Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 (OPR) verder uitgewerkt, dat op 15 februari 2022 door het college van burgemeester en wethouders (onder voorbehoud van wensen en bedenkingen van de gemeenteraad) is vastgesteld. Hemelwaterberging Conform het OPR moet de capaciteit voor hemelwaterberging op publiek terrein minimaal 70 mm/uur zijn door bijv. hergebruik van hemelwater of verwerking op de eigen kavel. De norm is daarbij in het OPR van 60 mm naar 70 mm verhoogd, op basis van het KNMI Klimaatsignaal '21. Het bouwplan zal moeten voldoen aan de de regels ten aanzien van waterberging.
Deze zijn te vinden in de hoofdregeling, paragraaf 4.4.2 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken, artikel 4.110 t/m 4.113. Ontwateringsdiepte In het OPR wordt ook ingezet op zorg dragen voor een ontwateringsdiepte die is afgestemd op de benodigde functies in het gebied, zoals wonen, transport en groen ten behoeve van een klimaatbestendige stad. Hierbij is een ontwateringdiepte van minimaal 90 cm de norm. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen het maaiveldniveau en de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Zowel het maaiveldniveau als de grondwaterstand kunnen binnen een relatief korte afstand toch variëren. Vandaar dat de ontwateringsdiepte in praktijk ook van locatie tot locatie kan verschillen. Voldoende ontwateringsdiepte is essentieel voor stedelijke functies zoals bebouwing, wegen, bomen en hemelwaterinfiltratie. Een belangrijk aspect daarbij is het voorkomen van (grond)wateroverlast, nu en in de toekomst anticiperend op klimaatverandering. Een ontwateringsdiepte van 90 cm wordt daarbij gezien als duurzame norm voor een robuuste maaiveldhoogte.
11.2
Besluitgebied
De activiteiten vallen binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel Gooi en Vecht (Agv) Waterkeringen De activiteit wordt niet uitgeoefend binnen – of in een gebied nabij een waterkering. Wel loopt er op ruim 100 meter van de ontwikkeling, langs de Osdorperweg, een kering, de A502-002. De ontwikkeling die met deze wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt bevindt zich echter niet in de beschermingszone van de kering.
Gemeente Amsterdam
blz. 80
Waterberging Door de activiteit is sprake van toename van verharding. Compensatie is noodzakelijk. Het huidige blok heeft een lengte van 145 meter en een breedte van 11 meter (oppervlakte 1.595m2) De twee nieuwe blokken hebben elk een lengte van 84 meter en een breedte van 16 meter (1.344m2, totaal 2.688m2). De toename verharding bedraagt 1.093m2. De toename van de afvoer van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het watersysteem wordt gecompensserd door open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Bij een toename van 1.093 m2, betekent dit een compensatie van 109,3 m2. Er zal hiervoor een reservering in de waterbank Nieuw-West worden getroffen. Hemelwaterberging Bij nieuwbouw en in sommige gevallen bij bestaande bouw dient een hemelwaterberging te worden aangebracht en in stand gehouden. De Hemelwaterverordening bevat normen waaraan de hemelwaterberging qua capaciteit dient te voldoen (een hemelwaterberging heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per vierkante meter bebouwd oppervlak, loost maximaal 1 liter per vierkante meter bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool en is na 60 uur leeg). Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt 2.688 m2 bebouwd oppervlak mogelijk gemaakt (2 bouwblokken van 84 meter bij 16 meter).
Bij een hemelwaterberging met een capaciteit van 60 liter per vierkante meter bebouwd oppervlak leidt dit tot een berging van ongeveer 161,3 m3. Gebruik materialen Voor de nieuwbouw worden geen materialen gebruikt die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout. Grondwater Wanneer de gebouwen onderkelderd worden, zal via het (laten) uitvoeren van geohydrologisch onderzoek inzichtelijk gemaakt moeten worden of er effecten op het grondwater te verwachten zijn. Ondergrondse gebouwen Het omgevingsplan maakt, middels een binnenplanse afwijking ondergrondse bebouwing mogelijk in de vorm van een ondergrondse parkeerkelder. Middels geohydrologisch onderzoek is het nodig te beoordelen welke effecten de activiteiten hebben op het grondwater en welke maatregelen getroffen moeten worden teneinde negatieve grondwatereffecten te voorkomen. Het uitvoeren van een dergelijk onderzoek is vastgelegd in de regels, ook artikel 8.2 lid 3 en is daarmee een voorwaarde voor het verlenen van medewerking aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 81
Hoofdstuk 12
Ecologie
Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen. Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Bij alle plannen/projecten in parken, groengebieden, de Hoofdgroenstructuur en NNN wordt in een vroegtijdig stadium een ecoloog geraadpleegd. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het omgevingsplan.
12.1
Beleid en regelgeving
12.1.1 Gebiedsbeschermin: Natura 2000 Op grond van de Vogel- en van de Habitatrichtlijn zijn door de Europese lidstaten gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Voor die gebieden geldt een zware bescherming en zijn doelstellingen voor de daar voorkomende beschermde planten- of diersoorten vastgesteld. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante negatieve effecten heeft op de soorten en/of habitattypen waar doelstellingen voor zijn. Sommige negatieve effecten, zoals die van stikstof, kunnen verreiken. De natuurbeschermingswetgeving vereist dat het zeker moet zijn dat significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het plan of project uitgesloten zijn, voordat toestemming verleend wordt voor dat plan of project. Als het niet op voorhand zeker is dat dergelijke effecten uitgesloten zijn, moet een zogenoemde passende beoordeling opgesteld worden en een omgevingsvergunning bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (namens deze: de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord) worden aangevraagd voor een Natura2000-activiteit.
Als uit de passende beoordeling blijkt dat die effecten ook niet met te treffen maatregelen kunnen worden uitgesloten, dan moet de zogenoemde ADC-toets worden doorlopen: er zijn geen Alternatieven, er is sprake van Dwingende redenen van openbaar belang en er vindt Compensatie plaats. Dit moet in het te nemen besluit gemotiveerd worden. 12.1.2 Natuurnetwerk Nederland Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken.
Gemeente Amsterdam
blz. 82
Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de provincie Noord-Holland gebieden aangewezen als NNN en als natuurverbindingen die onmisbaar zijn voor het volwaardig functioneren van het NNN. 12.1.3 Beschermde soorten Vrijwel alle in Nederland in de vrije natuur voorkomende flora en fauna is beschermd. Soortenbescherming is een onderdeel van de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving. De soortenbescherming geldt zowel binnen als buiten speciaal beschermde natuurgebieden. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Dit betekent onder meer dat het verboden is om vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijfs-, en nestplaatsen uit te halen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken. 12.1.4 Bomenverordening De Bomenverordening is sinds 1 oktober 2016 van kracht en geldt voor de hele gemeente. Met behulp van de bomenverordening zorgt de gemeente ervoor dat het volume van het bomenbestand in de stad behouden blijft en dat er zorgvuldig wordt omgesprongen met de bomen. In de verordening staan regels over bijvoorbeeld kap, behoud, bescherming, handhaving en compensatie van bomen.
In artikel 7 staat de Herplantplicht, waarbij het mogelijk is om bomen fysiek (één op één) te compenseren of als dat niet mogelijk is dat de monetaire waarde wordt gestort in het gemeentelijk herplantfonds. In de nota Compensatie en herplant van bomen wordt dit verder uitgewerkt. Bomen in het plangebied Uit de inventarisatie van de bomen in het plangebied (zie Bijlage 9) blijkt dat er één boom met de stam op de rand van het bouwvlak staat, waarbij de kroon en wortels over het bouwvlak heenvallen. Het is niet mogelijk deze op boom op deze plek te behouden. Drie andere bomen staan met de kroon en wortels over het bouwvlak. De locatie van de bomen bemoeilijken het bouwproces, kroon en wortels worden mogelijk beschadigd en deze bomen werpen schaduw op de te realiseren woningen. De mogelijkheiden worden onderzocht deze bomen te herplanten. 12.1.5 Hoofdgroenstructuur De Hoofdgroenstructuur bevat de minimaal benodigde hoeveelheid stedelijk groen en bijbehorende waterstructuren. Het gaat om bestaand groen met een wijkoverstijgende functie. Daarnaast kan de waarde van een groengebied een reden zijn om het aan de Hoofdgroenstructuur toe te voegen. Denk hierbij aan waarde voor een klimaatbestendige stad, voor de gezondheid of voor de natuur. Om een groen netwerk te realiseren zijn verbindingen nodig. Daarom vallen ook die onder de Hoofdgroenstructuur.
Op de toetskaart in het beleidskader staan alle bestaande groengebieden ingetekend die tot de Hoofdgroenstructuur behoren.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 83
Toetskaart Hoofdgroenstructuur (Nierkerkestraat is rood omcirkeld) Om de diversiteit van het groen te bewaken wordt gewerkt met zogenaamde 'groentypen'. In het ene groentype kan meer dan in het andere groentype. Zo biedt een stadspark gericht ruimte aan voorzieningen om te wandelen, fietsen, sporten en spelen of elkaar te ontmoeten, naast groene attracties zoals een natuurpad, bloemweide, rosarium of kruidentuin. In een natuurpark draait het juist om beleving van natuur en stilte. Beschermen en bevorderen van de natuurwaarde en biodiversiteit zijn hier het meest belangrijk. De groenfunctie van de Hoofdgroenstructuur wordt streng 'bewaakt': alleen plannen of initiatieven die zorgen voor een verbetering van de Hoofdgroenstructuur zijn toegestaan. Initiatieven die daarentegen een aantasting ervan vormen niet.
12.2
Besluitgebied
In opdracht van de gemeente Amsterdam heeft starobv een Quickscan natuur uitgevoer (zie ook Bijlage 10). In deze paragraaf wordt een samenvatting van dit onderzoek gegeven. Doel van het onderzoek Het doel van het onderzoek was, om op basis van een globale inventarisatie, een beoordeling te maken of door door uitvoering van voorgenomen plannen negatieve effecten ontstaan op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Daarnaast dient het onderzoek er toe, indien mogelijk negatieve effecten ontstaan op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden ontstaan, te bepalen in hoeverre nadere stappen genomen dienen te worden, zoals mitigerende maatregelen, vervolgonderzoek en/of een ontheffing verkrijgen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen, waarbij het basisbeginsel van goed onderzoek bestaat uit beschikbare data (NDFF) en literatuur (verspreidingsatlassen), het uitvoeren van een quickscan binnen invloedsfeer van de voorgenomen plannen. De resultaten verkregen uit onderliggende quickscan vormen geen volledige inventarisatie. Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied betreft het appartementencomplex aan de Nierkerkestraat en de ruimte eromheen, namelijk het gazon met struiken en bomen, de stoep, de parkeerplaatsen en een deel van de Gemeente Amsterdam
blz. 84
straat. De ligging van het onderzoeksgebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande figuur.
Ligging onderzoeksgebied in wijdere omgeving (geel omlijnd) (bron: starobv) De (globale) begrenzing van het onderzoeksgebied is weergegeven in onderstaande figuur.
Globale begrenzing onderzoeksgebied (geel omlijnd) (bron: starobv) Omschrijving huidige situatie Het onderzoeksgebied ligt aan Nierkerkestraat in de bebouwde kom van Amsterdam. Het projectgebied heeft een oppervlakte van circa 7.700 m2 en bestaat uit het appartementencomplex en de ruimte eromheen (het gazon met struiken en bomen, de stoep, de parkeerplaatsen en een deel van de straat). bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 85
De gemeente Amsterdam is voornemens het appartementencomplex te slopen en de buitenruimte opnieuw in te richten. De geplande start van de uitvoering is 1 mei 2025, en de geplande oplevering is 31 oktober 2025. Beschermde gebieden Natura 2000 Uit de kaarten van maps.amsterdam.nl blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 9,2 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied ligt, zie onderstaande figuur. Dit betreft het Natura 2000-gebied Polder Westzaan. Ten oosten van het projectgebied ligt het natura 2000- gebied Markermeer & IJmeer op circa 12,6 kilometer afstand. Ten westen van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid op circa 13,1 kilometer afstand.
Ligging onderzoeksgebied (zwart omlijnd) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (donk ergroene vlakken) (bron: starobv) Effectbeoordeling Doordat het projectgebied buiten een Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen. Mogelijk ontstaan door uitvoering van voorgenomen plannen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstof. Hiervoor dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden.
Gemeente Amsterdam
blz. 86
Uit de kaarten van maps.amsterdam.nl blijkt dat het projectgebied geen deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN ligt op circa 60 meter ten westen van het projectgebied (verbindingszone), het betreft de watergang. De ligging van het NNN in de omgeving van het projectgebied is weergegeven in onderstaande figuur.
Ligging onderzoeksgebied (zwart omlijnd) ten opzichte van de NNN-verbindingen (blauwgroene lijnen) (bron: starobv) Effectbeoordeling Het projectgebied behoort niet tot het NNN. Gezien de afstand tussen het projectgebied en het NNN, en de lokale aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hoofdgroenstructuur gemeente Amsterdam Uit de kaarten van maps.amsterdam.nl blijkt dat er verschillende hoofdgroenstructuren rondom het projectgebied liggen, zie ook onderstaande figuur. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur ligt op circa 600 meter afstand ten zuidoosten van het projectgebied. Dit betreft de corridor Plesmanlaan. Iets ten zuiden hiervan ligt ruigtegebied/struinnatuur Vrije Geer. Er is gebruik gemaakt van de in september 2023 geldende hoofdgroenstructuur. Op moment van schrijven is er een concept beleidskader hoofdgroenstructuur in afwachting van goedkeuring binnen een referendumprocedure. In de nabije toekomst kan de nieuwe hoofdgroenstructuur, waarin de huidige Amsterdamse hoofdgroenstructuur wordt gecombineerd met Amsterdamse Ecologische structuur, afwijken.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 87
Ligging onderzoekgebied (zwart omlijnd) ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur (bruine vlakken = corridor, groene vlak = ruigtegebied/struinnatuur) (bron: starobv) Ecologische structuur gemeente Amsterdam De ecologische structuur is bedoeld om de groene gebieden in Amsterdam met elkaar te verbinden. Plannen en projecten mogen niet leiden tot verzwakking van de ecologische structuur. Uit de kaarten van maps.amsterdam.nl blijkt dat het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van de ecologische structuur ligt op circa 50 meter afstand ten westen van het projectgebied, zie ook onderstaande figuur. Er is gebruik gemaakt van de in september 2023 geldende hoofdgroenstructuur. Op moment van schrijven is er een concept beleidskader hoofdgroenstructuur in afwachting van goedkeuring binnen een referendumprocedure. In de nabije toekomst kan de nieuwe hoofdgroenstructuur, waarin de huidige Amsterdamse hoofdgroenstructuur wordt gecombineerd met Amsterdamse Ecologische structuur, afwijken.
Gemeente Amsterdam
blz. 88
Ligging projectgebied (zwart omlijnd) ten opzichte van de Ecologische structuur (groene vlakken) (bron: staro) Effectbeoordeling Het projectgebied behoort niet tot de ecologische structuur van gemeente Amsterdam. Het is daarom uit te sluiten dat de werkzaamheden een negatief effect hebben op de ecologische structuur van gemeente Amsterdam. De werkzaamheden zorgen niet voor het ontstaan van knelpunten. Bij dit project zijn geen mogelijkheden om bestaande knelpunten op te heffen. Beschermde soorten Vaatplanten Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen plantensoorten zijn waargenomen die beschermd zijn. Binnen één kilometer van het projectgebied zijn de volgende soorten waargenomen die vallen onder de Amsterdamse beleidssoorten: dodemansvingers en brede wespenorchis. 1. Dodemansvingers is een soort die voorkomt op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op natte, matig voedselrijke, brakke zandgrond. Op kwelplekken bij de kust. Aan waterkanten en in grasland, bosranden, struwelen, ruigten en zeeduinen. 2. Brede wespenorchis is een soort die voorkomt op licht beschaduwde plaatsen op goed doorluchte, humeuze grond. In bossen, bosranden, struwelen, beschaduwde bermen, dijken, tuinen, recreatieterreinen, zeeduinen, langs spoorwegen, plantsoenen en geluidswallen.
Het projectgebied bestaat voornamelijk uit bebouwing, verharding en strak gemaaid gazon, dit is geen geschikt leefgebied voor bovengenoemde soorten. De delen met struiken en struweelbegroeiing zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor deze soorten. Echter, tijdens het veldbezoek zijn bovengenoemde beschermde soorten niet aangetroffen. Het voorkomen van de beschermde vaatplanten kan op basis van deze argumenten en expert judgement
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 89
uitgesloten worden. Vogels Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest zijn waargenomen in de wijde omgeving van het projectgebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en wespendief. Tijdens het veldbezoek zijn in het projectgebied geen vogelnesten aangetroffen. In het projectgebied en overvliegend zijn zilvermeeuw, kauw, stadsduif, kleine mantelmeeuw, halsbandparkiet en ekster waargenomen. Voor bovengenoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd is, is in het projectgebied geen geschikte nestgelegenheid aanwezig. In het projectgebied zijn geen mogelijkheden voor horsten aanwezig, daarom ontbreken nesten voor boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief. Ook ontbreken geschikte openingen in de bebouwing waardoor geen nestgelegenheid aanwezig is voor huismus en gierzwaluw. Voor ooievaar en slechtvalk ontbreken ook geschikte nestplekken zoals bouwwerken en zeer hoge gebouwen. Voor grote gele kwikstaart ontbreekt het geschikte habitat met stromend water en oevers. Nestgelegenheden voor algemene vogelsoorten is aanwezig in de bomen en struiken in het projectgebied. Meeuwen kunnen broeden op het dak van het appartementencomplex. Het projectgebied kan ook dienen als foerageergebied voor algemene vogelsoorten.
Effectbeoordeling Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken kunnen nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Bij het slopen van het gebouw kunnen meeuwennest worden vernietigd en broedende meeuwen worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Foerageergebied in het projectgebied wordt door de werkzaamheden tijdelijk minder geschikt. Vogels kunnen echter uitwijken naar geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het projectgebied. Mitigerende maatregelen Het snoeien of kappen van bomen en struiken en het slopen van het gebouw dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. Wettelijk gezien wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) en gegevens van de NDFF blijkt dat de soorten gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voorkomen in de wijde omgeving van het projectgebied. In het appartementencomplex zijn open stootvoegen aanwezig die vleermuizen toegang bieden tot de spouwmuur, tevens zijn bij de dakranden en kozijnen ook spleten aanwezig waar vleermuizen tussen kunnen kruipen.
Het gebouw is derhalve geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, mogelijk ook als massawinterverblijfplaats door de omvang van het gebouw.
Gemeente Amsterdam
blz. 90
In de bomen in het projectgebied zijn geen holten aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het projectgebied kan dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Als vliegroute is het projectgebied niet geschikt. Effectbeoordeling Bij het slopen van het gebouw kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd, dit is een overtreding van de bepalingen uit de Omgevingswet. Foerageergebied in het projectgebied wordt door de werkzaamheden tijdelijk minder geschikt. Vleermuizen kunnen uitwijken naar geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het projectgebied. Ook kan verstoring van vleermuisverblijfplaatsen buiten het projectgebied optreden wanneer hier tijdens de werkzaamheden licht op wordt geschenen. Mitigerende maatregelen Nader onderzoek is nodig naar verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw (inclusief massawinterverblijfplaatsen). Het betreft onderzoek naar de volgende soorten: gewone-, kleine- en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en tweekleurige vleermuis. Bouwverlichting dient afgewend te zijn van de gevels ten noorden van de Nierkerkestraat en de gevels ten zuiden van de Roosje Vospad. Marterachtigen Uit gegevens van de NDFF blijkt dat op een afstand van één tot twee kilometer van het projectgebied bunzing en hermelijn zijn waargenomen.
Op een afstand van twee tot vijf van het projectgebied zijn boommarter, das, steenmarter en wezel waargenomen. Dicht in de buurt van het projectgebied zijn geen marters waargenomen, de stad is voor boommarter, das, wezel en hermelijn dan ook geen uitermate geschikt leefgebied. Deze soorten zijn vrij schuw en hebben veel dekking nodig. Deze rust en schuilmogelijkheden zijn in het projectgebied niet aanwezig. Bunzing en steenmarter zijn minder schuwe dieren die wel in de bebouwde kom voor kunnen komen. Voor deze soorten biedt het projectgebied ook onvoldoende dekking, waardoor de aanwezigheid van een verblijfplaats in het projectgebied uitgesloten is. Het projectgebied biedt geen essentieel leefgebied en geen verblijfplaatsen voor marterachtigen. Overige zoogdieren Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het projectgebied de volgende soorten zijn waargenomen: algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel en konijn. Op een afstand van één tot twee kilometer van het projectgebied zijn haas en vos waargenomen. Op een afstand van twee tot vijf kilometer zijn eekhoorn en ree waargenomen. Doordat in en om het projectgebied veel verharding aanwezig is en de gazons strak gemaaid zijn is het projectgebied niet uitermate geschikt als leefgebied voor bovengenoemde zoogdieren.
Echter kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van algemene muizensoorten en egel in de struiken in het projectgebied niet uitgesloten worden.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)
blz. 91
Het projectgebied biedt geen leefgebied aan konijn, haas, eekhoorn en ree. Van deze soorten zijn geen sporen aangetroffen en deze soorten komen voor in rustigere gebieden met meer dekking. Vos kan het projectgebied incidenteel doorkruisen, maar het projectgebied vormt geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor deze soort. Effectbeoordeling Bij het verwijderen van de struiken kunnen verblijfplaatsen van algemene muizensoorten en egel worden vernietigd. Mitigerende maatregelen Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel geldt in provincie Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verwonden of niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel is er een meldingsplicht, de melding dient digitaal ingediend te worden bij ODNHN. Ook geldt altijd de Algemene zorgplicht. Om het verwonden of niet opzettelijk doden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. De gemeente Amsterdam werkt met de gedragscode soortbescherming voor gemeenten. Volgens deze gedragscode zijn werkzaamheden waarbij mogelijke overwinteringslocaties van egel worden vernietigd niet toegestaan.
Dichte vegetaties en blader- en takkenhopen dienen in verband met de winterslaap van egel buiten de overwinteringsperiode (november tot en met half mei) te worden verwijderd. Vlinders Uit gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat op een afstand van één tot twee kilometer afstand van het projectgebied grote vos en grote weerschijnvlinder zijn waargenomen. Tevens komt binnen één kilometer de Amsterdamse beleidssoort bruin blauwtje voor. 1. Grote vos is een zeldzame en kwetsbare soort die voorkomt in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplanten van deze soort zijn vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. 2. Grote weerschijnvlinder is een tot voor kort zeldzame (nu een niet bedreigde) standvlinder die voorkomt in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De waardplant van deze soort is vooral boswilg, soms grauwe wilg. 3. Bruin blauwtje is een vrij schaarse standvlinder die voornamelijk voorkomt schrale grasbermen, met een voorkeur voor begroeide terreinen afgewisseld met open grond. De soort prefereert droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden en kalkgraslanden, denk bijvoorbeeld aan dijken, wegbermen of weilanden. De waardplanten betreffen diverse soorten ooievaarsbek, met name kleine ooievaarsbek en gewone reigersbek.
In het projectgebied ontbreken het geschikte habitat en de geschikte waardplanten voor deze beschermde vlinders. Daarom is het voorkomen van voortplantingshabitat van beschermde vlindersoorten uitgesloten. Libellen Uit de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat op een afstand van twee tot vijf kilometer afstand van het projectgebied gevlekte witsnuitlibel is waargenomen. Binnen het projectgebied is geen permanent oppervlaktewater aanwezig en daardoor ontbreekt het aan geschikt voortplantingshabitat voor libellen. Het voorkomen van voortplantingshabitat van (beschermde) libellen in het projectgebied is uitgesloten. Gemeente Amsterdam
blz. 92
Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF en EIS Nederland komen geen beschermde kevers en weekdieren voor in de omgeving van het projectgebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend, daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het projectgebied kunnen voorkomen. 1. Vliegend hert komt voor in (oude) eikenbossen. 2. De beschermde houtkevers; vermiljoenkever, heldenbok en juchtleerkever zijn afhankelijk van oude of holle vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. De beschermde waterkever gestreepte waterroofkever is voor het voorkomen afhankelijk van sloten en kanalen met helder water, zeer spaarzame of afwezige drijvende en onderwatervegetatie en komt vooral voor in laagveengebieden. De brede geelgerande waterroofkever komt in Nederland alleen voor in enkele vennen in Drenthe met helder water, blad op de bodem en de aanwezigheid van grote kokerjuffers. 3. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse stroommossel is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Deze soort is al 50 jaar niet meer waargenomen in Nederland. Bovenstaande habitats komen in het projectgebied niet voor. De aanwezigheid van deze soorten is derhalve uitgesloten.
Amfibieën Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het projectgebied kleine watersalamander is waargenomen. Op een afstand van één tot twee kilometer van het projectgebied zijn bruine kikker, gewone pad, meerkikker en rugstreeppad waargenomen. Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker zijn algemene en nietkritische soorten, ze hebben geen uitgesproken voorkeur voor specifiek land-, overwinteringsof voortplantingshabitat en kunnen in een grote variatie aan leefgebieden voorkomen waaronder dorpen en steden. Rugstreeppad is een kritische soort ten aanzien van het habitat, het is een pionierssoort die voorkomt in hoog-dynamische milieus zoals de duinen en ruderale terreinen. Rugstreeppad kan grote afstanden afleggen. In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig en daardoor ontbreekt het aan voortplantingshabitat voor amfibieën. Het projectgebied is wel geschikt als land- en overwinteringshabitat voor algemene en niet-kritische soorten. Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker kunnen zich verschuilen tussen de struiken in het projectgebied. Rugstreeppad kan voorkomen in het projectgebied zodra de werkzaamheden gestart zijn.