CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat regels en toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 25 juni 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (VN2025-005888)28.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Zandhopen en waterplassen kunnen geschikt habitat bieden waardoor rugstreeppad zich op de bouwplaats kan vestigen. Effectbeoordeling Bij het verwijderen van dekkingbiedende vegetatie kan mogelijk het land- en overwinteringshabitat van bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker worden vernietigd en individuen worden verwond of gedood. Door te voorkomen dat het juiste habitat ontstaat (tijdelijke poelen, plassen en zanddepots), worden negatieve effecten op rugstreeppad en knelpunten met de Wet natuurbescherming voorkomen.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 93

Mitigerende maatregelen Voor bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verwonden of niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel is er een meldingsplicht, de melding dient digitaal ingediend te worden bij ODNHN. Ook geldt altijd de Algemene zorgplicht. In het kader van de zorgplicht dient het verwijderen van vegetatie, struweel en takken (indien nodig) waar amfibieën voorkomen, plaats te vinden in de periode buiten de overwinteringsperiode van deze soorten. De overwinteringsperiode duurt van 1 november – 15 maart. Bij het verwijderen van de vegetatie dient in één richting gewerkt te worden, zodat individuen kunnen vluchten. Voor rugstreeppad geldt deze vrijstelling ook niet en dienen maatregelen te worden genomen om het ontstaan van geschikt habitat te voorkomen. Dit kan gedaan worden door zandhopen af te dekken en geen ondiepe waterplassen in het terrein te laten liggen. Reptielen Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen beschermde reptielen zijn waargenomen. Het ontbreekt binnen het projectgebied aan geschikt habitat voor beschermde reptielen.

Deze soorten komen met name voor in bossen, heiden en veengebieden. Het voorkomen van beschermde reptielensoorten in het projectgebied is derhalve uit te sluiten. Vissen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen beschermde vissoorten zijn waargenomen. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater is het voorkomen van (beschermde) vissoorten in het projectgebied uit te sluiten. Conclusies ten aanzien van soortenbescherming De ontwikkelingen in het projectgebied leiden mogelijk tot een overtreding van wet- en regelgeving. Voor algemene vogels, algemene muizen, egel, algemene amfibieën en rugstreeppad kan dit voorkomen worden door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor vleermuizen kan door middel van nader onderzoek in beeld gebracht worden of de soorten aanwezig zijn, wat de effecten van de ontwikkeling zijn en of een activiteitenplan en een omgevingsvergunning Flora en fauna activiteiten nodig is. Mitigerende maatregelen 1. De werkzaamheden kunnen pas uitgevoerd worden nadat het nader onderzoek is afgerond en de benodigde vervolgstappen zijn genomen. 2. Slopen van het gebouw en kappen van bomen buiten het broedseizoen van vogels uitvoeren. Dus tussen 1 augustus en 15 maart. 3. Kappen en verwijderen van struiken buiten het broedseizoen van vogels uitvoeren en buiten de overwinteringsperiode van egel en algemene amfibieën.

Dus tussen 1 augustus en 1 november. 4. Bij het kappen en verwijderen van de struiken in één richting werken zodat dieren kunnen vluchten 5. Geen zanddepots en plassen water achterlaten om vestiging van rugstreeppad te voorkomen. Nader onderzoek Vleermuisonderzoek naar gewone-, kleine- en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, Gemeente Amsterdam

blz. 94

laatvlieger, meervleermuis en tweekleurige vleermuis voor de volgende type verblijfplaatsen: zomer-, winter-, paar-, kraam- en massawinterverblijfplaatsen is nodig. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw dient voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden een omgevingsvergunning te worden verkregen. De aanvraag kan pas worden ingediend als het nader onderzoek helemaal is afgerond. Bij de aanvraag dient ook een mitigatieplan/activiteitenplan ingediend te worden. Hierin staat onder andere welke mitigerende en compenserende maatregelen genomen zullen worden. Tijdelijke vleermuisvoorzieningen In het kader van de Quickscan ecologie is vastgesteld dat verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw niet uitgesloten kunnen worden en dat nader onderzoek nodig is. In het geval dat er verblijfplaatsen van vleermuizen gevonden worden bij het nader onderzoek is het nodig tijdelijke voorzieningen te plaatsen rondom het complex gedurende de sloop. Ten behoeve van het versnellen van de verwachte vergunningsprocedure, is door starobv ecologisch advies gegeven over de mogelijke plaatsing van tijdelijke voorzieningen vóór het nader onderzoek (zie ook Bijlage 12). De tijdelijke voorzieningen moeten dan al een periode vóór de sloop worden opgehangen, dit is de gewenningsperiode.

Deze gewenningsperiode duurt een half jaar gedurende de actieve periode van vleermuizen. Dat kan in combinatie met de vergunningsprocedure vertraging opleveren voor de sloop kan worden aangevangen. Om de vergunningsprocedure wat te versnellen en vertraging te minimaliseren kunnen in lente 2024, vóór het nader onderzoek, al tijdelijke kasten opgehangen worden. De locatie van een tijdelijke voorziening mag maximaal 200 meter van de verdwijnende verblijfplaats binnen het leefgebied van de groep worden geplaatst, bij grote verblijfplaatsen (zoals kraamverblijfplaatsen) is dit maximaal 50 m van de verdwijnende verblijfplaats. De voorzieningen dienen niet nabij raampartijen, kunstlichtbronnen en andere verstoringsbronnen te worden aangebracht. Er moet minimaal 3 meter vrije ruimte onder de kast zijn, en ze dienen te worden geplaatst in de zone direct rond de dakrand. De kasten moeten verschillende oriëntaties (windrichtingen) hebben en mogen met maximaal 3 kasten bij elkaar geclusterd worden. Permanente voorzieningen In de nieuwbouw dienen permanente voorzieningen aangebracht te worden. Het aantal permanente voorzieningen is afhankelijk van het aantal gevonden gevonden verblijfplaatsen. In de voorwaarden van de vergunning Omgevingswet wordt dit door het bevoegd gezag als voorschrift meegegeven.

Permanente voorzieningen voor vleermuizen kunnen in de ontwerpfase van het nieuwe gebouw meegenomen worden. Hieronder volgen een aantal voorbeelden. Nader onderzoek vleermuizen Uit het door Staro uitgevoerde Nader onderzoek vleermuizen, Bijlage 13 bij deze toelichting, blijkt dat er één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis binnen het projectgebied is vastgesteld. Dit houdt in dat voordat er werkzaamheden mogen worden uitgevoerd, er een vergunning moet zijn verkregen. Onderdeel van de vergunningsaanvraag is het aanleveren van een mitigatie- en compensatieplan. Uit de memo 'mogelijke voorzieningen en planning Nierkerkecomplex Amsterdam', Bijlage 12 bij deze

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 95

toelichting, blijkt dat het mogelijk is maatregelen te treffen, waardoor het aannemelijk is dat een vergunning verkregen zal worden. Gebiedsbescherming KP-adviseurs heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling die met voorliggende wijziging van het omgevingsplan een relevant effect heeft op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. In het onderzoek zijn zowel de sloop-, bouw- als gebruiksfase beschouwd. Hieronder is een samenvatting van het onderzoek opgenomen, Het volledige onderzoek zit als Bijlage 11 bij de toelichting. Het dichtsbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is 'Polder Westzaan'. Dit gebied ligt op ongeveer 9 kilometer afstand van de planlocatie.

Onderzoek Bestaande situatie In de huidige situatie is op de locatie een appartementencomplex met 72 appartementen aanwezig. Als gevolg van het huidige gebruik is er sprake van stikstofdepositie. Als de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een significante toename van de stikstofdepositie, wordt het verschil tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie in kaart gebracht (intern salderen). Vooralsnog wordt hier niet van uitgegaan. Sloop- en bouwfase Voor de sloop- en bouwfase zijn de exacte wijze van werken en periode van werken nog niet bekend. Daarom zijn de berekeningen gebaseerd op ervaringscijfers. De verwachting is dat de sloop- en bouwwerkzaamheden in een aaneengesloten periode van 12 maanden worden uitgevoerd. In onderstaande tabel, tabel 1 staat een overzicht van het aantal voertuigbewegingen die door het

Gemeente Amsterdam

blz. 96

uitvoeren van de sloop- en bouwwerkzaamheden gegenereerd worden. In tabel 2 is de stikstofdepositie van het te gebruiken materieel opgenomen. Hierbij is de stageklasse aangegeven en de emissie die de werktuigen veroorzaken.

Gebruiksfase Binnen het plangebied worden circa 150 woningen gerealiseerd en 300m2 bedrijfsonroerend goed. De emissies die veroorzaakt worden door de woningen zijn minimaal, omdat de nieuwbouw gasloos is. Voor de berekening van de stikstofdepositie zijn daarom alleen de vervoersbewegingen van personenwagens relevant die van en naar de locatie rijden. Deze voertuigen zijn opgenomen tot het punt waar deze voertuigen opgaan in het heersende verkeersbeeld (halverwege Pieter Calandlaan). Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie ‘Toekomstig bestendig parkeren’. Hierbij zijn de volgende kentallen gebruikt:

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 97

Conclusie In het onderzoek van de stikstofdepositie zijn de volgende resultaten berekend: In de sloopfase ontstaat geen relevante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In de bouwfase ontstaat geen relevante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase ontstaat geen relevante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Op basis van de uitkomsten van de berekening wordt geconcludeerdj dat het plan geen stikstofdepositie boven de grenswaarde op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving veroorzaakt.

Gemeente Amsterdam

blz. 98

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 99

Hoofdstuk 13 13.1

Cultuurhistorie en archeologie

Wet- en regelgeving - algemeen

Cultureel erfgoed is overal in onze samenleving aanwezig. In musea, historische binnensteden en in het landelijk gebied. Maar ook in de bodem en onder water. En als immaterieel erfgoed in tradities, rituelen en verhalen. Het vertelt over waar we vandaan komen, wie wij zijn en hoe we ons ontwikkelen. Cultureel erfgoed is als onderdeel van de fysieke leefomgeving medebepalend voor de kwaliteit van die leefomgeving. Het gaat hierbij om bekende of aantoonbaar te verwachten overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en de terreinen waarin of waarop deze zich bevinden (archeologische monumenten) en andere door de mens tot stand gebrachte of in wisselwerking tussen de mens en omgeving ontstane objecten, ensembles, patronen en structuren (gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen), die onderdeel uitmaken van onze fysieke leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Cultureel erfgoed bepaalt in hoge mate de identiteit en de omgevingskwaliteit van Amsterdam en biedt aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. De cultuurhistorisch rijke en bijzondere woonomgeving is bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de stad beleven.

Door de eeuwen heen zijn unieke plekken ontstaan die ieder op eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stad en waarmee mensen zich verbonden voelen. Niet alleen de beschermde stadsgezichten zoals de grachtengordel, Plan Zuid van H.P. Berlage, een deel van de Westelijke Tuinsteden, de tuin- en dijkdorpen en de vele gebouwde monumenten in de stad hebben cultuurhistorische waarde. Ook historische landschappelijke structuren en elementen zoals waterwegen, dijken en archeologische resten in de bodem zijn waardevol. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke opbouw van Amsterdam als lobbenstad, gelegen te midden van waardevolle cultuurlandschappen. Ten slotte is ook de rijke traditie van integraal stedenbouwkundig ontwerpen in Amsterdam een vorm van (immaterieel) erfgoed. 13.1.1 Internationale verdragen Verdrag van Granada Op de tweede ministerconferentie van de Raad van Europa, gehouden in Granada, werd op 3 oktober 1985 een overeenkomst bereikt inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa. In 1994 is Nederland toegetreden tot het Verdrag van Granada, waarin staat de bescherming van het architectonische erfgoed een essentieel doel is van de ruimtelijke ordening: niet alleen bij de planologische uitwerking, maar ook het vormgeven aan ontwikkelingen.

Dit verdrag geeft een bredere definitie van erfgoed, waardoor bijvoorbeeld ook industrieel erfgoed, cultuurlandschappen, ensembles en roerend erfgoed binnen de term erfgoed kunnen worden opgenomen. Het verdrag bevat verder bepalingen betreffende inventarisatie, documentatie, bescherming en restauratie. De ruimtelijke ordening wordt hier voor het eerst aangegeven als middel voor instandhouding. Naast het voorkomen van achteruitgang heeft het opwaarderen van de directe omgeving van een beschermd monument een positieve invloed op de waardering en beleving ervan. Artikel 7 van het verdrag van Granada verplicht daarom tot maatregelen om de kwaliteit van de openbare ruimte rond beschermde monumenten, in beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen te verbeteren. In de Omgevingswet en de bijbehorende AMvB's is de regelgeving ten aanzien van de omgeving van monumenten geactualiseerd en in lijn gebracht met de bedoelingen van het Verdrag van Granada. Verdrag van Malta

Gemeente Amsterdam

blz. 100

Op 16 april 1992 hebben een aantal Europese lidstaten, w.o. Nederland, het Verdrag van Malta ondertekend. Dit verdrag wordt ook wel Conventie van Valletta genoemd. Aanleiding voor het opstellen van het verdrag was de toenemende bedreiging van het Europese archeologische erfgoed door natuurlijke processen, ondeskundig gebruik van het bodemarchief en door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Uit het verdrag volgt onder meer dat bij projecten in de fysieke leefomgeving vroegtijdig rekening gehouden moet worden met bekende of te verwachten archeologische monumenten, die bij voorkeur in situ behouden moeten worden. Wanneer behoud in situ niet mogelijk is, is de verstoorder verantwoordelijk voor het doen van opgravingen en het documenteren van de archeologische waarde. Door het ondertekenen van het verdrag heeft Nederland zich verplicht tot het beschermen van het archeologisch erfgoed. De uitgangspunten van het verdrag zijn terug te vinden in de Erfgoedwet. De Omgevingswet regelt de omgang met (verwachte) archeologische waarden bij ruimtelijke plannen. 13.1.2 Rijksregels en - besluiten De Omgevingswet en de uitvoeringsregels (AMvB's en Omgevingsregeling) regelen waar het gaat om het behoud van cultureel erfgoed bepaalde zaken landelijk, maar de toepassing en uitvoering van de regelgeving vinden veelal lokaal plaats, in het omgevingsplan.

Het omgevingsplan beziet alle aspecten van de fysieke leefomgeving op integrale wijze, inclusief cultureel erfgoed en is daarmee het eerst aangewezen instrument om uitvoering te geven aan behoud van cultureel erfgoed. De vrijheid om daar op lokaal niveau een eigen invulling aan te geven, wordt ingekaderd door de Omgevingswet en de AmvB's (bijvoorbeeld het daarin gehanteerde begrippenkader en de instructieregels), provinciale instructieregels en instructiebesluiten van het Rijk of de provincie. Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het rekening houden met cultureel erfgoed betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Dit vertaalt zich over het algemeen in regels in het omgevingsplan die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden. Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen omgevingsvergunning worden verbonden.

13.1.3 Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening vervangt de erfgoedverordeningen van de stadsdelen en de centrale stad en is geldig voor heel Amsterdam. De Erfgoedverordening beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. De regels voor archeologische monumentenzorg worden automatisch onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Het vergunningenstelsel voor aanpassingen aan gemeentelijke en beschermde (rijks)monumenten gaat van de erfgoedverordening over naar regels in het omgevingsplan. Bij vaststelling van een nieuw (deel-)omgevingsplan worden alle regels over cultureel erfgoed die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, opgenomen in dat nieuwe (deel)omgevingsplan. Alle regels over cultureel erfgoed die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving uit de erfgoedverordening moeten op termijn opgenomen zijn in het omgevingsplan. Daarnaast blijft de erfgoedverordening op grond van de Erfgoedwet in afgeslankte vorm bestaan. De verordening bevat dan alleen nog regels over cultureel erfgoed die níet over de fysieke leefomgeving bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15669758/1