CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Scheiding kerk en staat 2026

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 17 juni 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de reactie op moties 060 t/m 063 van 3 april 2025 van leden Minderhoud, van Munster, Havelaar, Kabamba en Koyuncu over ruimte voor religie en scheiding kerk en staat (VN2026-007662)2.842 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimte voor religie Auteur: burgemeester Femke Halsema Aanleiding In het voorjaar van 2025 ontstond in de gemeenteraad debat over de ruimte die er voor religie in de stad is. De directe aanleiding was een brandbrief van tientallen kerken over het gebrek aan fysieke plekken om bij elkaar te komen en diensten te houden. Daarbij diende zich de principiële vraag aan in welke mate het stadsbestuur directe verantwoordelijkheid draagt voor het actief ondersteunen van geloofsgemeenschappen, of dat haar taak zich beperkt tot het passief faciliteren. Met deze notitie preciseert het college haar rol en verantwoordelijkheid en voldoet daarmee aan de toezegging aan de raad die heeft gevraagd om een actualisatie van de notitie ‘Scheiding kerk en staat’ uit 2008. Daarbij werd geconstateerd dat de maatschappelijke context sindsdien sterk veranderd is en dat religieuze instellingen zich vaak niet erkend voelen, ondanks hun onmisbare rol in het sociaal-maatschappelijke weefsel van de stad. Daarbij zal de notitie van 2008 nog steeds de leidraad zijn maar worden er wel een aantal nieuwe accenten gelegd. Een grote wijziging in overheidsopstelling zou een breuk zijn met de lange historie die religie kent in Amsterdam. Nog elk jaar loopt in maart de Stille Omgang door de stad, om het Mirakel van Amsterdam van 1345 te herdenken.

Tijdens de middeleeuwen was de stad met maar liefst zeventien kloosters het middelpunt van de Moderne Devotie, een belangrijke hervormingsbeweging in de katholieke kerk. In de zeventiende eeuw werden katholieke kerken gedwongen ondergronds te gaan en ontstonden er grote protestantse kerken, zoals de Westerkerk. Ook de anglicanen en lutheranen bouwden in die periode gebedshuizen. En in de oude Jodenbuurt opende de Portugese Synagoge zijn deuren, destijds de grootste synagoge ter wereld. Het afgelopen jaar vierden we het 350-jarig bestaan van de Portugese Synagoge. En waar er tijdens de volkstelling van 1889 maar zeven moslims in de stad woonden, vormen moslims inmiddels een grote en actieve geloofsgemeenschap in onze stad. Op dit moment bezoekt 1 op de 10 Amsterdammers regelmatig een godsdienstige bijeenkomst. 27 Procent van de volwassen Amsterdammers voelt zich in 2024 verwant met een godsdienst, religieuze of levensbeschouwelijke stroming (O&S Gemeente Amsterdam, 2024). Dat betekent dat religie in het dagelijkse leven van veel Amsterdammers een rol speelt en daarmee vanzelfsprekend ook van invloed is op de stad en haar ontwikkeling. Tegelijkertijd ontkerkelijkt Nederland verder. In 2022 concludeerde het SCP-rapport ‘Buiten kerk en moskee’ dat Nederland inmiddels meer ongelovigen dan gelovigen telt. Christelijke, islamitische en andere religieuze

groepen behoren in Nederland en Amsterdam tot een culturele minderheid. Het SCP beschrijft dat geloofsgemeenschappen als een gevolg hiervan soms seculiere druk en religieus onbegrip ervaren. Veel ongelovigen vatten godsdienst op als een mening die je ook voor jezelf kunt houden, terwijl (orthodox) gelovigen hun religie ervaren als een onvervreemdbaar deel van hun identiteit en leefwijze. Bijna alle religieuze jongeren komen vooroordelen over hun geloof tegen, die zich soms uiten in discriminatie of een gevoel niet geaccepteerd te worden. Het rapport stelt dat overheden een rol kunnen spelen om sociaal-culturele scheidslijnen te verkleinen, bijvoorbeeld door het voorkomen van ongelijke behandeling, fysieke segregatie en extreme materiële ongelijkheid. Ook helpt het onderhouden van een overkoepelende identiteit en het stimuleren van sociale interacties die de eigen groep overstijgen. De betekenis van religie voor de stad gaat verder dan enkel de erkenning van de behoeften van haar inwoners. Van oudsher is Amsterdam een plek waar individuele gewetensvrijheid is gekoesterd en uitgedragen. Religieuze minderheden die in andere delen van Europa onveilig waren, vonden hier een veilige plek en vormden de stad. Tegelijk zijn het recht om je geloof af te vallen of ongelovig, atheïstisch of agnostisch te zijn, ook van groot belang.

Amsterdam heeft haar voorspoed in het verleden en nu altijd gedankt aan haar pluriformiteit en openheid. Uiteenlopende, en soms schurende levensovertuigingen hebben de stad door de eeuwen heen verrijkt. Dat is nu niet anders dan bij de komst van de Portugese joden: het behoort tot het DNA van onze stad. Daarnaast dragen geloofsgemeenschappen bij aan gemeenschapsvorming en solidariteit. Uit het onderzoek naar De Staat van de Stad in 2024 blijkt dat ook nu Amsterdammers die zich verwant voelen met een religie vaker wekelijks contact hebben met buren en buurtgenoten. Ook doen zij iets vaker vrijwilligerswerk en verlenen ze vaker informele hulp. Kerken en moskeeën zetten zich geregeld in voor de opvang van vluchtelingen of ondersteuning van daklozen. En dit voorjaar kwamen 250 Amsterdammers, moslims en niet-moslims, samen op de Dam voor een iftar – om samen te eten, maar ook op te roepen tot wederzijds begrip. Of het nu gaat om gesprekken in gebedshuizen rond de onrust vanwege de oorlog in het Midden-Oosten of om het Spirit festival in het kader van 750 jaar Amsterdam: geloofsgemeenschappen blijken een organiserende en samenbindende kracht in de stad. Inclusieve neutraliteit In 2008 stelde het Amsterdamse college de notitie ‘Scheiding kerk en staat’ op.

De aanleiding was toen de aanhoudende maatschappelijke discussie en verschillende debatten in de gemeenteraad over de manier waarop godsdienst en overheid zich tot elkaar dienden te verhouden. Hieraan ligt - verwoord in de notitie - zowel de groei van

het aantal islamitische Amsterdammers als de ontkerkelijking van de Nederlandse samenleving ten grondslag. Ook probeerde het college een antwoord te geven op de vraag of religie niet eigenlijk een privéaangelegenheid is die niet zichtbaar aanwezig moet zijn in de publieke sfeer. De analyse in 2008 over de scheiding tussen kerk en staat doet ook nu opgeld. Nederland kent geen wettelijke begrenzing tussen de twee instituties, veeleer is er sprake van een historisch gegroeide afspraak: tussen kerk en staat mag er over en weer geen sprake zijn van institutionele of directe inhoudelijke zeggenschap. De kerk regeert niet en de staat bemoeit zich niet inhoudelijk met kerkelijke aangelegenheden. Het betreft vooral een principe van staatsordening dat sterk leunt op de verschillende grondwettelijke vrijheden: door naleving van de scheiding kunnen bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, het discriminatieverbod enz. tot wasdom komen.

In de historisch gegroeide opvatting van de scheiding tussen kerk en staat sluit Nederland en daarmee Amsterdam zich aan bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die het als volgt formuleert: de staat is een ‘neutral and impartial organiser of various religions, faiths and beliefs emphasising that this role is conductive to public order, religious harmony and tolerance in a democratic society’ (EHRM, Guide on Article 9 of the European Convention on Human Rights: Freedom of thought, conscience and religion). Met het zogenaamde neutraliteitsbeginsel wordt verankerd dat de overheid – en dus ook de gemeente – een neutrale positie inneemt ten opzichte van verschillende godsdiensten en geen voorkeur uitspreekt: wat toegestaan is voor de één, is ook toegestaan voor de ander en wat verboden is voor de één, is ook verboden voor de ander. Dit lijkt een heldere afbakening maar laat nog ruimte voor interpretatie en nuance. In de notitie uit 2008 worden dan ook drie vormen van neutraliteit uitgewerkt: exclusieve, inclusieve en compenserende neutraliteit. Exclusieve neutraliteit sluit aan bij het Franse secularisme, waarbij levensbeschouwing en religie weinig ruimte krijgen in het openbare leven of publieke politieke discussies.

Bij inclusieve neutraliteit is er wél ruimte voor religie en zet de overheid zich in voor gelijke behandeling en bewaakt zij actief dat de ene groepering geen voorrang krijgt boven de andere. Compenserende neutraliteit gaat nog een stap verder. Om de gelijkheid van godsdiensten en levensbeschouwingen te garanderen, kan de overheid ervoor kiezen om bepaalde gemeenschappen extra (bijvoorbeeld financieel) te ondersteunen wanneer zij achterblijven. Net als 17 jaar geleden kiest het college voor ‘inclusieve neutraliteit’: dit sluit het beste aan bij de historische, Nederlandse scheiding tussen kerk en staat en de Amsterdamse tradities. De overheid geeft in gelijke mate ruimte aan culturele, religieuze en

levensbeschouwelijke diversiteit. Dit betekent hoofdzakelijk het bewaken van de geloofsvrijheid (door gelovigen en gemeenschappen waar nodig te beschermen) zonder zich te bemoeien met godsdienstuitoefening: dat is aan de gelovigen en aan de gemeenschappen zelf. Ondersteuning of subsidiëring van bijvoorbeeld kerkgenootschappen is wel beperkt mogelijk. Wanneer dit de uitoefening van een maatschappelijke rol betreft, zoals de hulp aan daklozen, sekswerkers of vluchtelingen. Daarbij kan ook gedacht worden aan de vele initiatieven op het gebied van opvang, begeleiding (scholing, taalles, huiswerkbegeleiding), voorlichting, voorkomen van eenzaamheid etc. In sommige gevallen wordt dit verzorgt door religieuze gemeenschappen, als die activiteiten echter de vorm aan nemen van bekeringsarbeid zal de gemeentelijke overheid financiën en ondersteuning stoppen omdat ze anders de scheiding van kerk en staat doorbreekt. Ruimte voor religie De aanleiding voor het actualiseren van de college-opvatting over religie is deze keer een praktisch en dringend verzoek vanuit religieuze instellingen. Er is een groot tekort aan ruimten waar men kan samenkomen voor diensten en gebed en daarbij wordt de vraag urgent hoe ver de gemeente ook letterlijk gaat in het faciliteren van religie in de stad.

Met de groei van het aantal inwoners, de grote woningnood en de snelle stedelijke ontwikkeling is er een tekort aan fysieke locaties. Ook zijn gebouwen soms te groot als een kerk krimpt, terwijl nieuwe geloofsgemeenschappen juist kampen met te kleine en maar gedeeltelijk beschikbare ruimten. Ook hebben geloofsgemeenschappen er soms last van dat maatschappelijke of culturele instellingen geen ruimte willen verhuren omdat men niet wil worden geassocieerd met religie. Het ‘Tweeluik religie en domein’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit 2019 biedt een nuttig afwegingskader voor gemeenten voor de praktische invulling van de scheiding tussen kerk en staat. Bij contacten met religieuze of levensbeschouwelijke organisaties moeten gemeenten zich telkens afvragen of 1) deze contacten niet leiden tot inhoudelijke bemoeienis met het geloof; 2) de contacten dienen ter verwezenlijking van niet geloofsgebonden overheidsdoelen; 3) de contacten niet leiden tot ongelijke behandeling van religieuze of levensbeschouwelijke organisaties. Dit sluit naadloos aan bij het beginsel van inclusieve neutraliteit en sluit daarbij onderling overleg tussen overheid en geloofsgemeenschappen over het gebruik van vastgoed geenszins uit.

Praktisch betekent dit als een kerkgebouw leegstaat, de gemeente kan besluiten het aan te kopen en te herbestemmen en het daarmee mogelijk te maken dat andere geloofsgemeenschappen het als maatschappelijk vastgoed kunnen huren. Ook kan de gemeente

meedenken met geloofsgemeenschappen die een nieuwe locatie zoeken. Daarbij is het wel belangrijk dat er ook sprake is van maatschappelijk belang, en niet alleen van geloofsgebonden doeleinden. Maar aangezien vele geloofsgemeenschappen in onze stad zich maatschappelijk inzetten, mensen samenbrengen en hulpverlenen aan wie dat nodig hebben, zou je kunnen stellen dat de zoektocht naar ruimte voor geloofsgemeenschappen in zichzelf al een maatschappelijk belang dient. De Stadsloods 1 kan daarbij actief helpen zoeken naar gebouwen. In de begeleidende raadsbrief gaat het college verder in op het ruimtevraagstuk. Bescherming tegen vervolging en discriminatie Inclusieve neutraliteit betekent niet alleen gelijke behandeling van geloofsgemeenschappen in hun vrije geloofsbeleving en maatschappelijke activiteiten maar ook actieve bescherming tegen discriminatie, uitsluiting en vervolging. Artikel 1 van de grondwet (het gelijkheidsbeginsel) verbiedt discriminatie wegens godsdienst en levensovertuiging. Dit is een zogenaamd verticaal grondrecht: het normeert de relatie tussen overheid en burger en niet die tussen burgers onderling (horizontaal). Nederland kent gelukkig geen institutionele achterstelling van geloofsgemeenschappen.

Tegelijkertijd worden van overheidswege en door regeringspartijen de laatste jaren wel uitspraken gedaan in de richting van de islamitische gemeenschappen in Nederland die discriminatoir of op zijn minst uitsluitend zijn. Zo werd bijvoorbeeld naar aanleiding van de Maccabiincidenten in Amsterdam in november 2024 door bewindslieden van het kabinet Schoof de verantwoordelijkheid geschoven naar moslims zonder dat hiervoor enige aanwijzing was 2. Hoewel dit niet tot discriminerende maatregelen jegens moslims heeft geleid betekent de stigmatisering van een religieuze gemeenschap van overheidswege wel degelijk dat de gelijkwaardigheid en de vrije ruimte van gelovigen onder druk komt te staan. Het college verzet zich dan en beschouwt het als haar verantwoordelijkheid om hier protest tegen aan te tekenen en actief voor Amsterdamse gelovigen op te komen. Daarnaast vindt het college dat geloof nooit een reden mag zijn om uitgesloten te worden van (overheids)functies. Dit betekent dat bijvoorbeeld mannen en vrouwen ruimte moeten hebben om hun hoofd te bedekken (door een keppeltje of een sluier te dragen) bij de uitoefening van bijvoorbeeld handhavende taken, mits dit geen veiligheidsrisico’s voor de betrokkenen oplevert en burgers wel in staat zijn het gezag te herkennen en te identificeren. De Stadsloods zoekt naar een plek voor initiatieven, projecten of partijen die ruimte zoeken.

De Stadsloods denkt mee. Ook als men juist ruimte beschikbaar heeft en zoekt naar goede invulling. De Stadsloods bemiddelt bij tijdelijk gebruik, geeft uitleg over beleid en procedures en zorgt dat men in contact komt met de juiste mensen binnen én buiten de gemeente. In een stad waar ruimte schaars is, helpt de Stadsloods bij het vinden en verbinden. 2 Zowel de toenmalig vicepremier als staatssecretaris wezen moslimjongeren en de islamitische gemeenschap aan als verantwoordelijk. 1

De afgelopen jaren hebben we bovendien een toename gezien van discriminatie van gelovigen en geloofsgemeenschappen vanuit de samenleving. Joden- en moslimhaat verspreiden zich en leiden bij de betrokkenen tot angst, verontwaardiging en verdriet over de agressie die zij ondervinden en het isolement dat er een gevolg van kan zijn. Het college rekent het tot haar taak dat haat jegens gelovigen en geloofsgemeenschappen wordt voorkomen en bestreden. Hiertoe worden preventieve en repressieve maatregelen genomen, variërend van onderwijsprogramma’s die worden aangeboden tot de fysieke beveiliging van religieuze gebouwen als er sprake is van (de dreiging met) vernieling of geweld. Collectieve opvattingen versus individuele vrijheden In onze stad kunnen er niet alleen spanningen ontstaan tussen gelovigen en ongelovigen en tussen geloofsgemeenschappen maar ook binnen de geloofsgemeenschappen zelf. Zolang het gaat om verschil van mening of interpretatie tussen vrije volwassenen of om de beslissing van vrije, volwassen gelovigen om zich te voegen naar de regels en dogma’s van de religieuze instelling, heeft de overheid de keuzes van de gemeenschap volledig te respecteren en zich afzijdig te houden.

Bijvoorbeeld de gewoonte van sommige geloofsgemeenschappen om mannen en vrouwen in aparte ruimten te laten bidden dient te worden gerespecteerd, zeker zo lang dat op de instemming van allen kan rekenen. Dit verandert echter als de regels van een religieuze instelling leiden tot uitsluiting en discriminatie van de eigen gelovigen of van derden. In artikel 6 van de grondwet is de godsdienstvrijheid omschreven als ieders recht ‘zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dat betekent dat godsdienstvrijheid allereerst is omschreven als een individueel recht van gelovigen om zich te uiten en daartoe, ook met anderen een gemeenschap te vormen. Dat betekent echter nadrukkelijk niet dat de gemeenschap het leven van de gelovigen ook tegen hun zin en vrije wil mag dicteren en beknellen. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als iemands homoseksualiteit wordt verboden (of er zelfs sprake is van praktijken van ‘homogenezing’), ernstige beperking van de fysieke en geestelijke vrijheid van vrouwen, als afvalligheid leidt tot vervolging en bedreiging of door het toepassen van oneigenlijke dwang jegens kinderen.

Dan ontstaat er strijd met andere grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en het discriminatieverbod en zal het college altijd kiezen voor de bescherming van het individu tegenover de gemeenschap. Ook als er geen titel is voor maatregelen of er bijvoorbeeld geen strafbare gedragingen zijn, kan het college er wel voor kiezen zich uit te spreken zoals zij zich ook uitspreekt bij stigmatisering van gelovigen door de Nederlandse regering. Gewetensvrijheid van

gelovigen en ongelovigen en het recht van individuen om zich vrijelijk te kunnen uiten, te ontwikkelen en zichzelf te mogen zijn, zijn namelijk alle even belangrijke Amsterdamse waarden en verdienen te allen tijde actieve verdediging. Slot Als hoeder van een pluriforme en democratische samenleving moet de overheid soms balanceren. Net als in 2008 kiest dit college ervoor om de Nederlandse traditie van inclusieve neutraliteit voort te zetten. Dat is geen absolute wetenschap en kan er in verschillende situaties en perioden anders uitzien. De scheiding van kerk en staat betekent in elk geval niet dat er geen samenwerking bestaat tussen de gemeente en geloofsgemeenschappen. We kunnen en willen in gesprek. Dat betekent dat we open staan voor vormen van interreligieus overleg en faciliteren religieuze gemeenschappen als dat nodig en mogelijk is. Neutraliteit betekent namelijk ook religieuze organisaties niet achter te stellen, op basis van religie, als het gaat om waardering en ruimte in het maatschappelijk debat. Het college is zich bewust van de belangrijke spirituele en maatschappelijke rol die religieuze gemeenschappen voor hun gelovigen hebben en waardeert de grote verbondenheid van gelovigen met de Amsterdamse samenleving. Literatuur Hart, J., van Houwelingen, P., & Huijnk, W. (2022). Religie in een pluriforme samenleving: Diversiteit en verandering in beeld.

Deel 3: Buiten kerk en moskee. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Gemeente Amsterdam (2008). Notitie scheiding kerk en staat. Mulder, A., & van Sasse van IJsselt, P. (2020). Tweeluik religie en publiek domein: Handvatten voor gemeenten over de scheiding tussen kerk en staat. Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Onderzoek en Statistiek (2024). De Staat van de Stad Amsterdam XIII, 2024–2025. Gemeente Amsterdam. Heiner Bielefeldt, "Freedom of Religion or Belief—A Human Right under Pressure," Oxford Journal of Law and Religion, Volume 1, Issue 1, April 2012, Pages 15–35, https://doi.org/10.1093/ojlr/rwr018

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17060895/2