CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Reactie op onderzoek Het papieren huis van de Amsterdamse erfpacht (002).pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 31 augustus 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Afdoening toezegging aan commissie RO inzake bestuurlijke reactie op het onderzoek getiteld “Het papieren huis van de Amsterdamse Erfpacht: demasqué van herbouwwaarde en buurtstraatquote” van de heren De Wildt en De Reus (onderzoekers). (VN2022-0253.249 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bezoekadres Amstel 1 1011 PN Amsterdam Postbus 202 1000 AE Amsterdam Telefoon 14 020 amsterdam.nl

Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam

Aan de heer R. de Wildt en de heer P.J. de Reus Archimedesweg 49 1098 JL Amsterdam Per e-mail: rthdewildt@gmail.com

Datum

8 juni 2022

Behandeld door C.K. Teoh (c.teoh @amsterdam.nl) Ons kenmerk

2022-5572

Onderwerp

Uw advies van 24 november 2021 inzake de herbouwwaarde en buurtstraatquote

Geachte heer De Wildt en heer De Reus,

Op 24 november 2021 heeft u een onderzoek over de rekensystematiek ter bepaling van de grondwaarde voor bestaande erfpachtrechten van de gemeente Amsterdam aan de gemeenteraad verzonden. De titel van dit onderzoek is “Het papieren huis van de Amsterdamse Erfpacht: demasqué van herbouwwaarde en buurtstraatquote.” Op 15 december 2021 heeft de toenmalige wethouder - Marieke van Doorninck - in de raadscommissie RO toegezegd, namens het college van burgemeester en wethouders, een reactie te zullen geven op dit advies. In verband met de grote belangstelling en vele vragen en WOBverzoeken die spelen omtrent het gemeentelijke erfpachtstelsel en het grondwaardebeleid, is het tot mijn spijt niet gelukt om eerder op uw onderzoek te reageren. Hieronder treft u de reactie op uw onderzoek aan. U stelt in uw advies dat de gemeente een ondeugdelijke en onjuiste rekensystematiek hanteert voor de grondwaardebepaling van bestaande erfpachtrechten. U onderbouwt dit aan de hand van drie stellingen: 1. “De verhouding tussen de duurste en goedkoopste grond van 1:40 in Amsterdam duidt op een modelfout”; 2. “De grondwaarde stijgt veel te snel tussen 2017 en 2021”; 3. “Beproefde bouwkostenmodellen leiden tot een totaal andere BSQ voor dezelfde woning dan het bouwkostenmodel van de gemeente”. Gelet op de omvang van uw onderzoek, beperk ik mij tot deze hoofdstellingen en conclusies.

Dat betekent niet dat ik de overige inhoud van het onderzoek onderschrijf.

Een routebeschrijving vindt u op www.amsterdam.nl.

Gemeente Amsterdam

Datum 8 juni 2022 Kenmerk 2022-5572 Pagina 2 van 8

Onderstaand volgt allereerst een algemene toelichting op de buurtstraatquotes (BSQ’s). Vervolgens wordt ingegaan op de drie bovenstaande stellingen.

Vernieuwing van het Erfpachtstelsel (VES) en de BSQ De VES is op een zorgvuldige en democratische wijze tot stand gekomen. De gemeente heeft in dit proces adviezen van onafhankelijke deskundigen ingewonnen. De door de gemeente gehanteerde residuele methodiek om de grondwaarde te bepalen is volgens de Grondwaardecommissie (GWC) een juiste en veelvoorkomende benadering. De GWC heeft bij de totstandkoming van haar advies ook alternatieve methoden beschouwd en de voor- en nadelen hiervan onderzocht en afgewogen. De GWC adviseerde tevens om de WOZ-waarde als uitgangspunt te nemen en hierop de opstalwaarde (herbouwkosten) in mindering te brengen om zo te komen tot de grondwaarde. Uit deze grondwaarde kan vervolgens de canon worden afgeleid. Om hier uitvoering aan te geven heeft de gemeente ervoor gekozen om de opstalwaarden per object om te zetten in een BSQ, zodat elke erfpachter op relatief eenvoudige wijze, met de formule WOZ x BSQ, de grondwaarde voor zijn eigen woning kan uitrekenen. Voor de bepaling van de grondwaarde maakt de gemeente gebruik van genormeerde herbouwkosten (opstalwaarden). Deze genormeerde herbouwkosten zijn gebaseerd op dezelfde woningtypologieën die de Belastingen hanteert voor de WOZ-waarderingen. Deze typologieën en de definities hiervan zijn vastgelegd in de “Fotowijzer woningen” en worden ook gehanteerd door andere partijen (makelaars, taxateurs etc.).

De gemeente heeft een onafhankelijke bouwkostendeskundige de opdracht gegeven om, op basis van de woningtypologieën uit de Fotowijzer woningen en de woningkenmerken, conform de WOZwaarden, de herbouwkosten te ramen. Deze ramingen zijn opgesteld conform algemeen geaccepteerde standaarden voor bouwkosten en daarnaast getoetst door Ortec. De geraamde opstalwaarden van de onafhankelijke bouwkostendeskundige zijn hoger dan de resultaten van Ortec. Dit is onder andere het gevolg van het niet opnemen van de door de GWC geadviseerde verouderingsfactoren. Bestuurlijk is besloten om de hogere herbouwkostenramingen te hanteren. Dit heeft een gunstige uitwerking voor de erfpachter, want hiermee wordt voorkomen dat de herbouwkosten te laag worden vastgesteld en de resulterende grondwaarden daarmee te hoog zijn.

Stelling 1: de verhouding tussen duurste en goedkoopste grond van 1:40 in Amsterdam duidt op een modelfout U beargumenteert in uw onderzoek dat de verhouding tussen de grondwaarden op basis van de BSQ (verhouding 1:40) niet overeenkomt met andere verhoudingen en dat daarmee wordt aangetoond dat de BSQ methode en uitkomsten onjuist zijn. U noemt hierbij expliciet de volgende verhoudingen: 1. “de gemeentelijke grondprijzenbrief 2014 presenteert op pagina 27 een grafiek waaruit te herleiden is dat tussen de goedkoopste en duurste grond in een verhouding staat van 1:5,5”

Gemeente Amsterdam

Datum 8 juni 2022 Kenmerk 2022-5572 Pagina 3 van 8

2. “Indien corporaties woningen verkopen, moeten zij een bedrag storten in het vereveningsfonds. Zij betalen dat bedrag per m2 vloeroppervlakte. Bij de goedkoopste grond (Gaasperdam/ Driemond) is dat €40 en bij de duurste grond (Centrum West) is dat €258. Dat is dus een verhouding van 1:6,25 van goedkoopste naar duurste grond.” 3. “Het verschil in huizenprijzen tussen de goedkoopste gemeente (Pekela) en de duurste gemeente (Amsterdam) €1.689 : €6.548. Dit is afgerond 1:4.” Ik deel uw conclusie uit stelling 1 niet. De grondprijzen uit de grondprijzenbrief 2014 zijn niet zonder meer vergelijkbaar met de BSQ grondwaarden (verhouding 1). De grondwaarden uit de grondprijzenbrief 2014 zijn weergegeven in een bandbreedte op stadsdeelniveau, waarbij is uitgegaan van één gemiddelde woninggrootte. Om al te ruime bandbreedtes te voorkomen zijn de uitschieters, die in elk stadsdeel voorkomen, buiten beschouwing gelaten. Dit leidt tot een nauwere bandbreedte, kleinere verschillen tussen de hoogste en laagste grondwaarden voor de stadsdelen en kleinere verhoudingen tussen de hoogste en laagste grondwaarden. De WOZ/BSQ-methode is veel fijnmaziger dan de methode die tot 2017 gold voor bestaande erfpachtrechten.

De BSQ wordt op buurtstraatniveau bepaald en toepassing hiervan op de WOZwaarden leidt tot een meer woningspecifieke grondwaarden en daarmee tot grotere verschillen tussen de hoogste en laagste grondwaarden dan de bandbreedten op stadsdeelniveau die in de grondprijzenbrief 2014 zijn weergegeven. Naast afwijking ten aanzien van het abstractieniveau waarop beide methoden functioneren (stadsdeel vs. buurtstraat/woningspecifiek), zijn ook de onderliggende uitgangspunten niet vergelijkbaar. Zoals blijkt uit het rapport “De verschillen tussen de WOZ-methode en het Grondprijsbeleid 2016”1 zijn in de grondwaarden uit de grondprijzenbrief 2014 geen sloopkosten opgenomen, omdat die destijds in de depreciatie waren verwerkt. In het huidige beleid zijn de sloopkosten verwerkt in de opstalwaarden en daarmee in de grondwaarden. Daarnaast golden de grondwaarden uit het voormalige beleid voor voortdurende rechten en uit het huidige beleid voor eeuwigdurende en voortdurende erfpachtrechten. Dit maakt dat de grondwaarden uit het voormalige en huidige beleid niet zonder meer met elkaar kunnen worden vergeleken. Een afwijking van de grondwaarden volgens beide methoden en daarmee ook de verhouding van de hoogste en laagste grondwaarden is daarmee verklaarbaar. Vergelijking van beide methoden is derhalve onbruikbaar voor het beoordelen van de uitkomsten van de gemeentelijke WOZ/BSQ systematiek.

De afdracht ten behoeve van het vereveningsfonds die is overeengekomen met woningbouwcorporaties (verhouding 2) kan op geen enkele wijze worden vergeleken met de WOZ/BSQ-methode. Sociale woningbouw is gebonden aan wet- en regelgeving en kent meer beperkingen dan de bouw van vrije sectorwoningen. De grondwaarde voor sociale woningbouw is hierdoor in veel gevallen minimaal. Voor de financiële dekking van de gemeentelijke grondproductiekosten zijn afspraken gemaakt over de bijdrage van de woningcorporaties. Hierbij 1

Als bijlage meegezonden naar de gemeenteraad van 28 juni 2017.

Gemeente Amsterdam

Datum 8 juni 2022 Kenmerk 2022-5572 Pagina 4 van 8

is zowel geredeneerd vanuit de draagkracht en de grondwaarde, als vanuit de noodzakelijke gemeentelijke kostendekking. De financiële afdracht moet dan ook worden gezien vanuit het totaalpakket van de Samenwerkingsafspraken met de corporaties, waaronder de verplichting tot de bouw van sociale huurwoningen met een onrendabele top en de verplichting tot nieuwe verhuringen onder de sociale huurgrens. De verhouding van de hoogste en laagste afdracht, die slechts een bijbetaling betreft voor de resterende duur van het lopende 50-jarige tijdvak, is hierdoor onvergelijkbaar met de woningspecifieke grondwaarde (BSQ vermenigvuldigd met de WOZ-waarde), die wordt gebruikt voor de canonbepaling voor een nieuw, eeuwigdurend tijdvak. Deze waarden (afdracht en specifieke grondwaarde) komen tot stand op basis van afwijkende methoden, zijn onderling niet vergelijkbaar en de hieruit te herleiden verhoudingen tussen de hoogste en laagste waarde zijn inherent afwijkend aan elkaar. Deze vergelijking is dan ook onbruikbaar voor het beoordelen van de uitkomsten van de WOZ/BSQ methode. De woningspecifieke grondwaarden volgens de WOZ/BSQ-methode zijn niet direct vergelijkbaar met de gemiddelde huizenprijzen (verhouding 3). Met toepassing van de WOZ/BSQ methodiek wordt de grondwaarde (en niet de woningwaarde) per woning bepaald.

De WOZ/BSQ methode maakt hierbij onderscheid naar twee woningcategorieën: grondgebondenwoningen (eengezinswoningen) en gestapelde woningen (meergezinswoningen). De bouwvorm van woningen heeft invloed op de (her)bouwkosten en is hiermee direct van invloed op de grondwaarden. Toepassing van de WOZ/BSQ methode resulteert in een woningspecifieke grondwaarde. Dit zijn geen gemiddelde grondwaarden en hierdoor ontstaat ook een grotere spreiding in maximale en minimale waarden en een grotere verhouding ten aanzien van de hoogste en laagste waarde (1:40). De gemiddelde gemeentelijke huizenprijzen per m² zijn bepaald op basis van alle transacties binnen een bepaalde periode, zonder onderscheid te maken tussen grondgebonden en gestapelde woningen, en zonder de herbouwkosten in ogenschouw te nemen. Hierin zijn alle waarnemingen samengevat tot een gemiddelde waarde. De uitschieters aan de onder- en bovenkant zijn dus niet meer zichtbaar. Een verhouding die wordt bepaald op basis van deze gemiddelden leidt inherent tot kleinere verhoudingen (1:4). Een vergelijking van woningspecifieke grondwaarden en gemiddelde huizenprijzen is onbruikbaar voor het beoordelen van de uitkomsten van de gemeentelijke systematiek.

Wellicht ten overvloede wijs ik u erop dat de gemiddelde woningwaarde in Pekela ook de Pekelase villa’s omvat, en dat de gemiddelde woningwaarde in Amsterdam ook etagewoningen in stadsdeel Zuidoost omvat. De verhouding tussen de gemiddelde woningwaarden in Amsterdam en Pekela zegt dus niets over de verhouding in woningwaarden, laat staan in grondwaarden, tussen de duurste Amsterdamse buurten zoals Oud-Zuid en de goedkoopste buurten in Zuidoost. Tot slot wil ik u wijzen op een onderzoek van het CPB (2010, p. 6) 2, waaruit blijkt dat: “De prijs van grond in het centrum van Amsterdam 200 keer zo hoog is als die op het platteland in OostGroningen”. In datzelfde onderzoek geeft het CPB aan: “77% van de grondprijsverschillen laat zich 2

Groot, H. de, Marlet, G., Teulings, C., & Vermeulen, W. (2010). Stad en land. Den Haag: Centraal Planbureau (CPB).

Gemeente Amsterdam

Datum 8 juni 2022 Kenmerk 2022-5572 Pagina 5 van 8

verklaren met een beperkt aantal factoren, zoals bereikbaarheid van banen, overlast en voorzieningen als cultuur, winkels, en horeca. Factoren aan de productiekant (bereikbaarheid van banen) en consumptieve voorzieningen verklaren ieder ongeveer 50% van de grondprijsverschillen. Het aanbod van luxe winkels, een historische binnenstad, horeca en cultuur bepalen gezamenlijk 30% van de grondprijsverschillen.” Binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam zijn grote verschillen zichtbaar tussen buurtstraten, als gevolg van verschillen in locatie, bereikbaarheid, aanwezigheid van voorzieningen en dergelijke. Een verhouding van 1:40 tussen de hoogste en laagste grondwaarde binnen Amsterdam is daarmee niet irreëel, zeker bezien vanuit de verhouding van 1:200 op nationaal niveau tussen de hoogste en laagste grondwaarde (Amsterdam vs. OostGroningen). Concluderend onderschrijf ik stelling 1 niet en handhaaf ik de visie dat de individuele grondwaarden als resultante van de toepassing van de BSQ juist zijn. De uitkomsten van de WOZ/BSQ methode zijn logisch, volgen uit het systeem dat door de onafhankelijke GWC is geadviseerd, door het college is vastgesteld, door SEO is gecontroleerd, en met de gemeenteraad is gedeeld.

Stelling 2: “de grondwaarde stijgt veel te snel tussen 2017 en 2021” U geeft aan dat de grondwaarde op basis van de WOZ/BSQ-methode te snel stijgt binnen een periode van 4 tot 6 jaar. U baseert uw argument op een vergelijking van de grondwaarden volgend uit de toepassing van de door het college vastgestelde BSQ’s voor 2017 en 2021. U concludeert hieruit: “Dit is het gevolg van een WOZ-waarde die de empirisch afgeleide woningprijsontwikkeling volgt en een opstalwaarde die met een niet adequate bouwkostenindex wordt gecorrigeerd voor ontwikkelingen in de tijd. Het gevolg hiervan is dat de grondwaarde in de wijken met een lagere grondquote een onevenredig deel van de woningprijsontwikkeling naar zich toehaalt.” U stelt dat prof. H. de Groot de gemeente hiervoor heeft gewaarschuwd en dat de gemeentelijke systematiek hierop dient te worden aangepast. Het uitgangspunt van de WOZ/BSQ-methode is gebaseerd op de residuele benadering. Deze residuele benadering functioneert op basis van twee factoren: de marktwaarde van de woning en de (her)bouwkosten. De marktwaarde verminderd met de (her)bouwkosten geeft als resultaat de grondwaarde (residu). De ontwikkeling van de grondwaarde is daarmee afhankelijk van de ontwikkeling van de marktwaarden en de ontwikkeling van de (her)bouwkosten, die elk een eigen dynamiek kennen. Tezamen bepalen ze de ontwikkeling van de grondwaarde.

Mutaties van met name de marktwaarde zijn locatie-afhankelijk en hierin kunnen verschillen voorkomen tussen buurten en straten. Verschillen in de ontwikkeling van deze elementen leiden tot verschillen ten opzichte van de ontwikkeling van de grondwaarde. De BSQ en daarmee de grondwaarde volgt dus uit de woningprijzen en de (her)bouwkosten. De ontwikkeling van de woningprijzen en (her)bouwkosten worden gedreven door macroeconomische ontwikkelingen: balans van vraag en aanbod, nationaal/Europees economisch en fiscaal beleid, betaalbaarheid en sociale ontwikkelingen. Denk hierbij aan het rentebeleid van de

Gemeente Amsterdam

Datum 8 juni 2022 Kenmerk 2022-5572 Pagina 6 van 8

Europese Centrale Bank en de gevolgen voor de hypotheekrente, de verruimde schenkingsvrijstelling voor de aankoop van een huis, het consumentenvertrouwen en de verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van de huizenprijzen. Al deze ontwikkelingen hebben uiteindelijk geleid tot stijgende woningprijzen. De gemeente bepaalt de BSQ op basis van een genormeerde toepassing van de residuele grondwaardemethode3. Stijgende woningprijzen leiden hiermee (wanneer de herbouwkosten niet sterker stijgen dan de woningprijzen) tot hogere BSQ’s en stijgende grondwaarden. Andersom geldt dat als de woningprijzen dalen (of minder sterk stijgen dan de herbouwkosten), de grondwaarde en/of de BSQ ook zal dalen. De BSQ volgt de ontwikkeling van woningprijzen door de koppeling aan de WOZ-waarden. De ontwikkeling van de (her)bouwkosten wordt gevolgd door de toepassing van de BDBbouwkostenindexatie.4 Zie voor een nadere toelichting van de keuze voor deze bouwkostenindexatie de gemeentelijke beantwoording d.d. 22 november 2021 op uw brief getiteld: “kanttekeningen bij de indexering van opstalwaarden door de gemeente Amsterdam.” De BDB bouwkostenindexatie is een algemeen geaccepteerde en onafhankelijke bron en het hanteren hiervan voor het indexeren van de herbouwkosten is een correct uitgangspunt. De WOZ-waarden van woningen in Amsterdam zijn in de door u genoemde periode aanzienlijk gestegen.

De ontwikkeling van de (her)bouwkosten kent eenzelfde beweging in dezelfde periode. De ontwikkeling van de WOZ-waarden en (her)bouwkosten komt tot uiting in mutatie van de BSQ en grondwaarden. Daarmee is de ontwikkeling van de grondwaarden verklaarbaar en in lijn met de ontwikkeling van de WOZ-waarden en (her)bouwkosten. Op de ontwikkeling van de BSQ en grondwaarden heeft de gemeente geen sturing. Deze zijn afhankelijk van de hiervoor benoemde macro-economische ontwikkelingen. Ook op de ontwikkeling van de BSQ’s en de grondwaarden heeft de gemeente derhalve geen sturing, behalve dan op de 5% ondergrens en de 49% bovengrens voor de BSQ die de gemeente sinds 2017 hanteert.

3

De WOZ/BSQ methode is genormeerd ten aanzien van de herbouwkosten. Voor de bepaling van de herbouwkosten worden referentiemodellen per woningtype gebruikt. Deze referentiemodellen omvatten de binnen Amsterdam veel voorkomende woningtypes. De referenties zijn gecategoriseerd overeenkomstig de woningtypes en Soort objectcodes (SOC codes) die de belastingdienst Amsterdam hanteert voor de WOZ-waardebepaling. 4 Het BDB is een algemeen geaccepteerde bron van onafhankelijke bouwkostendata binnen de praktijk van vastgoed- en gebiedsontwikkeling zowel door private als publieke partijen. De bouwkostendata van BDB worden opgesteld op basis van informatie vanuit de markt en publieke sector. Dit omvat onder andere gegevens van het Centraal Planbureau, Economisch Instituut Bouwnijverheid , brancheverenigingen, vakbonden, uitvoerende partijen, onderaannemers en leveranciers en ook het Centraal Bureau voor Statistiek (de CBS is de opsteller van de CPI-index). De onafhankelijkheid van het BDB, ten aanzien van haar dienstverlening en producten, wordt tevens onderkend met de certificering van BDB door de DNV GL (DNV is een internationaal geaccrediteerd register- en classificatiebureau).

Gemeente Amsterdam

Datum 8 juni 2022 Kenmerk 2022-5572 Pagina 7 van 8

Stelling 3: beproefde bouwkostenmodellen leiden tot een totaal andere BSQ voor dezelfde woning dan het bouwkostenmodel van de gemeente U stelt dat er bestaande en beproefde bouwkostenmodellen (Bouwkostenkompas en de Herbouwwaardemeter) bestaan die voldoende geschikt zijn voor de grondwaardebepaling van bestaande erfpachtrechten. U vindt het ongegrond dat de gemeente opdracht heeft gegeven aan een extern bouwkostenbureau voor het ontwikkelen van een alternatief kostenmodel en dat dit model leidt tot onjuiste uitkomsten in vergelijking tot de bestaande modellen. De gemeente heeft bij de totstandkoming van de WOZ/BSQ-methode de bestaande modellen (Bouwkostenkompas en Herbouwwaardemeter) beschouwd en beoordeeld op bruikbaarheid. In beide gevallen is geconcludeerd dat deze modellen minder geschikt zijn voor de grondwaardebepaling voor bestaande erfpachtrechten. Beide modellen zijn ontwikkeld voor andere doeleinden. Het bouwkostenmodel van het Bouwkostenkompas is ontwikkeld voor het ramen van de bouwkosten voor nieuwbouwwoningen. De Herbouwwaardemeter is ontwikkeld voor het bepalen van de verzekeringswaarde van bestaande woningen en niet zozeer voor het bepalen van de grondwaarde. Beide modellen functioneren tevens op basis van afwijkende variabelen die niet overeenkomen met de WOZ-waarde en onderliggende WOZwoningkenmerken.

Tevens zijn de variabelen waarop deze modellen functioneren niet algemeen beschikbaar en is toepassing van deze modellen voor het bepalen van de (her)bouwkosten van alle woningen in de gemeente Amsterdam niet zonder meer mogelijk. De genormeerde (her)bouwkosten zijn opgesteld op basis van de meest voorkomende woningtypen in Amsterdam. Hierbij is uitgegaan van de woningtypering conform de WOZwoningkenmerken. De kosten zijn genormeerd bepaald vanuit het uitgangspunt dat de bestaande woning wordt gesloopt en opnieuw wordt gerealiseerd op basis van nieuwbouweisen en kwaliteiten. De herbouwkosten worden per woning bepaald op basis van de WOZwoningkenmerken die zijn geregistreerd voor het bepalen van de WOZ-waarde. De WOZ-woningkenmerken worden voor alle woningen in Amsterdam op een gelijke wijze en op een gelijk detailniveau geregistreerd. De WOZ-waarde en de onderliggende woningkenmerken zijn gevalideerd, bekend bij de belanghebbende en maatschappelijk algemeen aanvaard. De kwaliteit en beschikbaarheid van deze informatie is uniform voor alle woningen binnen de gemeentegrenzen. Het gebruik maken van de WOZ-woningkenmerken en de genormeerde (her)bouwkosten leidt tot een systematiek die op gemeentelijk niveau toepasbaar en uitvoerbaar is.

Het hanteren van de WOZ als bron en systematiek voor de grondwaardebepaling voor bestaande erfpachtrechten borgt dat alle erfpachters op een correcte, gelijke en objectieve wijze worden behandeld. Dit is niet mogelijk bij toepassing van de modellen van het Bouwkostenkompas of de Herbouwwaardemeter.

Gemeente Amsterdam

Datum 8 juni 2022 Kenmerk 2022-5572 Pagina 8 van 8

Bovengenoemde stellingen en de overige bevindingen in uw onderzoek geeft mij geen aanleiding te constateren dat de gemeente een ondeugdelijke of onjuiste systematiek hanteert voor de grondwaardebepaling voor bestaande erfpachtrechten. Ik zie dan ook geen reden om de gemeentelijke grondwaardesystematiek hierop aan te passen. Tot slot informeer ik u dat een afschrift van deze brief ter kennisneming wordt gestuurd aan de raadsleden. Ik vertrouw u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u nog vragen hebben dan kunt u contact opnemen via c.teoh@amsterdam.nl.

Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

Reinier van Dantzig Wethouder Woningbouw en Stedelijke Ontwikkeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11735304/1