2. Rapportage Participatie Wind Zon Amsterdam def_271023.pdf
Tekst van het document
•
Dilemma’s te identificeren in het vormgeven van de financiële participatie.
Om een overzicht te bieden van passende vormen in verschillende situaties, werken we aan de hand van een matrix met twee bepalende factoren voor financiële participatie. Op de ene as van de matrix staat de financiële draagkracht van de omgeving, waarvoor we kijken naar de eenheid SES-WOA1, die gemiddeld -0,100 is voor Amsterdam: alles lager dan -0,100 zien we dus als laag financieel draagkracht. zoals geregistreerd voor 2021 voor verschillende wijken van Amsterdam. Op de andere as kijken we of een project zich binnen of buiten bewoond gebied bevindt wat effect heeft op het investeringsvermogen en het verwachte draagvlak. Op deze twee assen hebben we 4 windcasussen en 3 zoncasussen ingedeeld (zie figuur hiernaast). Voor wind gaat dit om fictieve casussen (een per kwadrant), omdat de gemeente meerdere zoekgebieden heeft aangewezen en in de toekomst hier mogelijk nieuwe gebieden bijkomen. Voor zon gaat het om concrete projecten die zijn gespecificeerd door de gemeente en op meerdere locaties worden geraliseerd. De zoncasussen overstijgen daarmee de as financieel 1. Sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2022 (cbs.nl)
Financiële draagkracht Laag Hoog
Bewoond gebied Buiten Binnen
De functie van de cases is om:
Rol gemeente
1. Wind
A. Zonnecarports
3. Wind
B. Tijdelijke grond C. OER 2. Wind
4. Wind
26
4.2 Passende participatievormen op basis van casussen Windcasussen 1. Windcasus in bewoond gebied met laag financieel draagkracht
2. Windcasus buiten bewoond gebied met laag financieel draagkracht
Deze casus betreft een zoekgebied met een groot aantal bewoners met een relatief lage socio-economische status. Dit geldt bijv. voor zoekgebied Waternet Weesperkasper/Gein (SES-WOA = -0,2031).
Deze casus betreft een zoekgebied met weinig bewoners, met mogelijk enkele bedrijven in de omgeving en laag financieel draagkracht of in open gebied. Voorbeeld: zoekgebied Amstel III, in de wijk Bullewijk, met relatief weinig inwoners, SES-WOA = -0,5881. Een specifiek zoekgebied in deze categorie betreft het IJmeer, waar zich geen directe omwonenden bevinden.
Risicodragend investeren: het is niet te verwachten dat uit de directe omgeving voldoende aandelenkapitaal kan worden opgehaald (laag investeringsvermogen) en het hoge risicoprofiel van aandelen past niet past bij de draagkracht van de omwonenden. Participeren via obligaties kent een lager risico, meer zekerheid op terugverdienen en beperkte aansprakelijkheid; maar ook hierin kan slechts een beperkt deel van de omgeving investeren.
Risicodragend investeren: ophalen van voldoende aandeelkapitaal in de directe omgeving zal hierdoor uitdagend zijn en niet wenselijk in verband met het hoge risico. Voor een klein deel kunnen obligaties (beperkt risico) wel een optie zijn. Ook is het een optie om vermogen op te halen buiten de gebruikelijke straal, bijvoorbeeld door het hele stadsdeel obligaties aan te bieden.
Afdragen aan omgeving: gezien de locatie in een bewoond gebied kan het verkrijgen van draagvlak doorslaggevend zijn voor het slagen van het project; hier kan afdracht aan de omgeving een bijdrage leveren, bijvoorbeeld met een omgevingsfonds voor maatschappelijke projecten. Er kan ervoor worden gekozen om de wijk zeggenschap te geven over de besteding, bijvoorbeeld aan projecten ter bestrijding van energiearmoede, of vergroening van de wijk. Voor maximale afdracht, kan het fonds worden gecombineerd met individuele compensatie, vooral wanneer de verwachte risicodragende investeringen zeer minimaal zijn – om de lusten nog beter te verdelen – het is belangrijk om deze compensatie zo vorm te geven, dat de doelgroep hier het meeste aan heeft, bijv. gezien de bijstandswetgeving.
Afdragen aan omgeving: vanwege het beperkt aantal omwonenden is afdracht aan de omgeving het meest effectief in de vorm van individuele compensatie. Eventueel kan aanvullend een omgevingsfonds worden opgezet, bij bredere opgaven (bijv. vergroening, recreatie of natuurontwikkeling) – dit kan ook worden uitgebreid naar het gehele stadsdeel.
1.
een samenwerking met Amsterdamse energiecoöperaties uit andere buurten;
Rol coöperatie: vanuit de directe omgeving zullen niet in alle gevallen coöperaties actief zijn. Een nieuwe lokale coöperatie kan worden opgezet, al is de beweging veelal het sterkst wanneer dat van onderaf (niet gestuurd door de gemeente) gebeurt. Aangezien het merendeel van directe omwonenden niet risicodragend zal kunnen participeren, zal bij ontwikkeling door een coöperatie een deel van het aandelenkapitaal buiten de wijk worden opgehaald – waardoor de lusten ook buiten de wijk terechtkomen. Wel kan lidmaatschap van een coöperatie omwonenden in staat stellen om zeggenschap te hebben over het project in hun buurt – een bewonersraad kan hier een alternatieve methode voor zeggenschap vormen.
2.
door/samen met een commerciële partij het project ontwikkelen onder voorwaarde van voldoende financiële participatie-opties.
Aandachtspunt: het is de vraag of omwonden bereikt kunnen worden met lidmaatschap van een coöperatie, aangezien mensen met een lagere SES over het algemeen minder openstaan voor dergelijke initiatieven vanwege andere zorgen en mogelijke taalbarrière. 1. Sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2022 (cbs.nl)
Rol coöperatie: gegeven de weinige omwonenden én lage SES-WOA is de verwachting dat het ophalen van 100% benodigd eigen vermogen uit de directe omgeving (definitie p.23) niet haalbaar is. Dit brengt ons op twee opties voor ontwikkeling:
Optie 1 brengt ons dichterbij het doel van 100% lokaal eigendom (wanneer lokaal breder wordt beschouwd), maar de lusten en het zeggenschap vloeien weg uit de lokale omgeving – omdat wordt geïnvesteerd en besloten door coöperaties van andere buurten. Optie 2 kan verschil maken door de bijkomende professionaliteit van de commerciële partij. Aandachtspunt: hoewel er weinig omwonenden zijn, kan er nog steeds weerstand ontstaan. Het is van belang om omringende partijen tijdig en zorgvuldig te betrekken door middel van procesparticipatie. Vooral deze partijen wil men namelijk betrekken bij de lusten/lasten en autonomie verschaffen over hun omgeving.
27
4.2 Passende participatievormen op basis van casussen Windcasussen 3. Windcasus hoog financieel draagkracht, binnen bewoond gebied
4. Windcasus hoog financieel draagkracht, buiten bewoond gebied
Deze casus betreft een zoekgebied binnen bewoond gebied, met hoog financieel draagkracht. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de zoekgebieden IJburg Diemerpark, IJburgbaai, Strand/Buiteneiland in de buurt van IJburg Zuid, met een SES-WOA-score van 0,1741.
Deze casus betreft een zoekgebied met weinig bewoners, vaak wel bedrijven en hoog financieel draagkracht. Van de huidige zoekgebieden kan dit bijvoorbeeld gaan over de Haven van Amsterdam (Teleport).
Risicodragend investeren: aangezien er veel omwonenden zijn met financieel draagkracht, is de mogelijkheid om risicodragend te investeren hoog: de omringende bewoners kunnen investeren in (certificaten van) aandelen in het project, waarmee zij lusten zullen ontvangen van het project én zeggenschap verwerven.
Risicodragend investeren: er is vanuit met name bedrijven (hoewel het daar niet toe beperkt hoeft te zijn) voldoende investeringsvermogen om mee te doen in het opwekproject. Men kan aandelenkapitaal vrijmaken voor het project en zo ook zeggenschap verkrijgen voor diegenen die investeren. Hiermee kunnen in eerste instantie de bedrijven die het meeste last hebben ook de lusten ontvangen, alsook de enkele omwonende burgers. Vervolgens kan worden bezien het project (deels) open te stellen voor burgercoöperaties
Afdragen aan omgeving: naast risicodragende investeringen is het denkbaar om afdracht aan de omgeving in de vorm van publieke goederen te realiseren, met een (klein) omgevingsfonds. Zo kunnen ook die groepen bereikt worden die niet kunnen of willen investeren. Rol coöperatie: een coöperatie kan het vehikel zijn om de investeringen in het project uit te voeren. Dit zorgt ook voor direct zeggenschap van de omgeving. Over het algemeen is de interesse in welgestelde wijken voor coöperaties voldoende. Indien niet het gehele benodigde eigen vermogen in de directe omgeving kan worden opgehaald of onvoldoende kennis aanwezig is, kan worden samengewerkt met energiecoöperaties van elders in de stad. Aandachtspunt: hoewel het financieel draagkracht in dit gebied over het algemeen hoog is, zijn er altijd partijen die niet risicodragend kunnen of willen investeren – het is belangrijk om te zorgen dat ook zij profijt en inspraak kunnen hebben in het windproject.
1. Sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2022 (cbs.nl)
Afdragen aan omgeving: gezien het beperkt aantal omwonenden, past individuele compensatie – hierdoor kunnen individuele burgers en bedrijven die niet participeren een aanzienlijke financiële bijdrage ontvangen. Het invoeren en de hoogte van de compensatie kan men laten afhangen van het aantal omwonenden/bedrijven dat risicodragend investeert – om optimaal bereik te behalen. Rol coöperatie: de ontwikkeling en financiering kan via een coöperatie worden vormgegeven; zo kunnen zowel bedrijven als bewoners aandelenkapitaal verwerven én zeggenschap krijgen over het project in hun omgeving. Het voordeel van een coöperatie is ook dat deze normaal gesproken –statutair – winsten ook weer zal herinvesteren binnen de gemeente.
Aandachtspunt: voor specifiek de haven is de impact van de realisatie van de windmolens op de totale Amsterdamse duurzame energiedoelstelling groot (gaat om 9 van de 17 molens in heel Amsterdam). Professionele ontwikkeling is hier daarom des te belangrijker. Ook ondervinden de bedrijven in de haven de meeste impact van de windturbines. Met het eerlijk verdelen van lusten en lasten is het passend dat zij ook van de opwek profiteren. De medeverantwoordelijkheid voor ontwikkelen kan daarbij gunstig zijn om projectrisico’s te verlagen.
28
4.2 Passende participatievormen op basis van casussen Zoncasussen A. Zoncasus: zonnecarports
B. Zoncasus: zon op tijdelijke grond
Deze casus betreft de realisatie van zonnecarports op plekken waar de gemeente zelf grondeigenaar is, die kunnen worden geplaatst in gebieden met zowel hoog als laag financieel draagkracht.
Deze casus betreft de realisatie van zonnevelden op grond in (tijdelijk) gemeentelijk bezit, in gebieden met zowel hoog als laag financieel draagkracht. Een voorbeeld betreft strandeiland bij IJburg, waar financieel draagkracht hoog is.
Onderstaande omschrijving gaat in op casus A, maar is tevens grotendeels van toepassing op casus B.
Afdragen aan omgeving: ondanks dat de projecten zich veelal in bewoond gebied bevinden, geeft dit project weinig hinder voor de omgeving en betreft daarom naar verwachting een relatief groot draagvlak. De noodzaak voor compensatie aan de omgeving is kleiner. Aangezien de businesscase daarnaast erg krap is, is er vrijwel geen ruimte voor afdracht aan de omgeving. Wel kunnen coöperaties besluiten (al dan niet vanuit de statuten vastgelegd) hoe ze eventuele hogere winsten (bijvoorbeeld indien de energieprijzen wederom fors stijgen) wensen te besteden, bijvoorbeeld door mensen met energiearmoede te helpen met kleine maatregelen/coaching, of een project ter vergroening van de wijk te realiseren.
Risicodragend investeren: de investeringsomvang van een zonnecarportproject is relatief (tov wind) beperkt. Dat maakt financiering d.m.v. het ophalen van aandelenkapitaal in de directe omgeving kansrijk, verondersteld dat er een redelijk rendement is. De mate waarin dit slaagt zal mede afhankelijk zijn van of het project zich in een gebied met hoge of lage SES bevindt. O.b.v. eerste inventarisatie lijkt de businesscase niet sluitend – de extra kosten voor het onderstel waarschijnlijk niet worden terugverdiend uit de opbrengsten van panelen. Wel verbeterd de businesscase als elektrisch laden wordt meegenomen. Over het algemeen is er een onrendabele top die niet kan worden opgevangen met risicodragend kapitaal – de investering verdient zich niet terug. Hier is dus subsidie nodig, twee voorbeelden: •
De gemeente kan investeren in het onderstel al dan niet met een afspraak met de ontwikkelende partij (bijvoorbeeld een coöperatie) over gedeeltelijke terugbetaling indien de winst hoger uitpakt (een zogeheten clawback).
•
De gemeente kan (al dan niet via het duurzaamheidsfonds) een stuk achtergesteld/eigen vermogen inbrengen dat alleen hoeft te worden terugbetaald indien het project daartoe voldoende opbrengt. In feite is dit ook een subsidie, maar met een strengere terugbetalingsverplichting en de gemeente verkrijgt hiermee (anders dan bij een subsidie) ook zeggenschap. De vorm is echter wel complexer en het is de vraag of de gemeente het zeggenschap daadwerkelijk beoogt en benut.
Indien het onderstel anders wordt bekostigd, kan de rest van de financiering (voor de PVpanelen) wel uit de omgeving worden opgehaald, in de vorm van aandelenkapitaal (bij hoge SES) of in combinatie met obligaties (bij lage SES); deze laatste vorm komt met lager risico. Eventueel kan de gemeente bij gebieden met een lage SES met een laagrentende lening bewoners laten deelnemen met een beperkte inleg.
Rol coöperatie: de meeste coöperaties hebben veelvuldig ervaring met het ontwikkelen van zonnedaken. Zonnecarports zijn technisch en financieel complexer dan zonnedaken, maar de ontwikkeling ligt in lijn met eerdere projecten. Anders dan bij windprojecten zijn er voor zonprojecten beperkte ontwikkelkosten. Deelnemers aan een project hoeven dan pas aandelenkapitaal of obligaties te verstrekken nadat zeker is dat het project er komt. Het risico van deze financiering is dan beperkt.
In feite geldt voor B. Zoncasus: zon op tijdelijke grond hetzelfde als voor bovenstaande casus – ook hier is de businesscase krap, in dit geval vanwege de verkorte exploitatieperiode. De mate waarin de omgeving zal willen en kunnen participeren zal daarbij echter wel afhangen van de periode dat de zonnepanelen kunnen blijven liggen, aangezien dat bepalend is voor of de businesscase sluit. Indien er sprake is van een onrendabele top kan de gemeente er, evenals in casus A voor kiezen subsidie te verstrekken of eigen vermogen in te brengen. Een verschil met casus A is dat voor casus B – afhankelijk van de locatie – meer hinder van de zonnepanelen kan zijn, waardoor het draagvlak mogelijk lager is. Het inrichten van de financiële participatie in de directe omgeving (cf. definitie op p.24) kan bijdragen aan het vergroten van het draagvlak.
29
4.2 Passende participatievormen op basis van casussen Zoncasussen C. Zoncasus buiten bewoond gebied – Opwek Energie op Rijksgronden. Deze casus betreft het Amsterdamse gedeelte van de Energieroute Noord-Holland, een grootschalig zonproject rondom Rijkssnelwegen, waarbij de grond in eigendom is van het Rijk – en 12 gemeenten doorkruist. In totaal kost het project circa 150 miljoen om te ontwikkelen (circa half miljoen per gemeente). Het gaat dus om een grootschalig project dat naar verwachting in delen zal worden aanbesteed en verschillende uitgangspunten kan hebben per gemeente op het gebied van financiële participatie.
Risicodragend investeren: het totale project vraagt om een aanzienlijke investering (zo’n half miljoen per gemeente) die naar verwachting niet geheel kan worden opgehaald in de directe omgeving. Hoewel het project niet in bebouwde gebieden ligt, doorkruisen de rijkswegen wel diverse woonwijken en krijgen veel Amsterdammers met het project te maken/worden eraan blootgesteld. Daarom zou het passen om de reikwijdte van lokaal eigendom voor dit project breed te definiëren en deze uit te breiden naar de verdere omgeving/de gehele stad. Op deze manier kan naar verwachting het benodigde investeringsvermogen door middel van aandelenkapitaal worden opgehaald in Amsterdam – mogelijk in combinatie met obligaties voor lager risico-investeringen. Het is echter de vraag of voor dit project volledig lokaal eigendom het meest passend is: Amsterdam is vooralsnog namelijk de enige van de 12 deelnemende gemeenten die 100% lokaal eigendom d.m.v. eigen vermogen wenst, wat de algehele realisatie van het project kan vertragen. Ook lijkt de vraag rondom draagvlak minder prangend, gezien de locatie langs Rijkssnelwegen. Afdragen aan omgeving: veel Amsterdammers zullen in aanraking komen met het project/dit zien en zodoende wellichtmeer willen weten of mee willen doen – hoewel we vanwege de locatie van het project geen negatief draagvlak verwachten.
Men kan overwegen om eventuele extra opbrengsten ten goede te laten komen van een omgevingsfonds en hiermee publieke projecten te realiseren, ten behoeve van een positief sentiment over Amsterdamse opwek. Deze projecten zouden met name in de directe omgeving van het project plaatsvinden, maar eventueel ook in een verdere straal. Met dit fonds kan een koppeling worden gemaakt met bijvoorbeeld energiearmoede. Of er ruimte is voor een omgevingsfonds zal afhangen van de businesscase van het project, die nog niet is opgesteld, omdat het project zich in de ontwerpfase bevindt.
Rol coöperatie: een coöperatie kan in dit project de baten laten landen in de directe omgeving (d.m.v. risicodragende investeringen), zorgen voor zeggenschap en de ontwikkeling van het project zelf. Gezien de brede reikwijdte is passend dat niet één coöperatie, maar samenwerkende Amsterdamse coöperaties (verenigd in APEC) hierin een rol pakken. Het project zal echter worden aanbesteed, waardoor de coöperaties wel zullen moeten concurreren met andere partijen.. Aandachtspunt: het OER-project is complex, met samenwerking tussen diverse gemeenten en het Rijk. Het project kan een grote bijdrage leveren aan de Amsterdamse (en provinciale) doelstelling voor lokaal opgewekte energie (het hoofddoel – zoals beschreven op p.18). Hoewel het uitgangspunt voor Amsterdam is om 100% van de zonneprojecten in lokaal eigendom te realiseren, valt te overwegen hier voor het OER-project van af te wijken en aan te sluiten bij de 50% doelstelling van de provincie Noord-Holland. Het opleggen van afwijkende randvoorwaarden kan het project verder compliceren en vertragen. Een alternatief is om financiële participatie op project- (en dus provincie)niveau zo goed mogelijk universeel vorm te geven, met afdracht aan de omgeving, obligaties en indien mogelijk een deel risicodragend kapitaal.
Gezien de schaal is deze rol minder logisch voor een lokale coöperatie, maar dit zou een commerciële ontwikkelaar in samenwerking met coöperaties kunnen zijn, of coöperaties vanuit een provinciaal samenwerkingsverband.
30
4.3 Handelingsperspectief gemeente (1/3) Hoe de gemeente financiële participatie kan borgen en/of stimuleren in afhankelijk van de eigendomssituatie Zoals aangegeven in het juridisch kader, is de mate van zeggenschap van de gemeente afhankelijk van de zakelijke afspraken, in Amsterdam typisch rond erfpacht, van de grond. In de onderstaande tabel geven we inzicht in de mogelijkheden die de gemeente heeft voor het borgen en stimuleren van financiële participatie bij verschillende eigendomssituaties. 1. Publiek
2. Semipubliek
3. Erfpacht
4. Privaat
Situatie
De grond is in eigendom van het Rijk, de provincie of de gemeente. In deze situatie heeft de gemeente veel bevoegdheden, met o.a. aanbesteding of anterieure overeenkomst.
Dit verwijst naar de situatie van de haven, waar de exploitatie en ontwikkeling in erfpacht is ondergebracht bij het Havenbedrijf.
De grond is reeds uitgegeven in erfpacht (direct of via het Havenbedrijf). De gemeente heeft de bevoegdheid om de erfpachtvoorwaarden periodiek aan te passen en eisen te stellen aan de bestemming.
De grond is (feitelijk) in private handen, wat betekent dat de gemeente, buiten het bestemmingsplan, geen invloed heeft op de ontwikkeling van de grond.
Mogelijke rol gemeente
Faciliterende, stimulerende, samenwerkende of eigenaarsrol
Faciliterende, stimulerende, of samenwerkende rol
Faciliterende of stimulerende rol
Faciliterende of stimulerende rol
De gemeente kan op haar eigen grond een eigenaarsrol aannemen en opgaven voor eigen rekening, risico en rendement oppakken. Ook kan de gemeente een samenwerkingsrol aannemen en, uitgaande van eigen beleidsdoelen, samenwerken met private of coöperatieve partijen in een partnerschap met eventueel een minderheidsaandeel in projecten. Binnen deze twee rollen heeft de gemeente de ruimte om financiële participatie in te richten.
In de kader van het hoofderfpachtrecht is opgenomen dat voor de niet-havengebonden activiteiten (waaronder het ontwikkelen van windturbines), het havenbedrijf voorafgaand toestemming moet vragen aan de gemeente. Op deze wijze kan de gemeente, via de toestemmingsverlening, financiële participatie mogelijkerwijs afdwingen.
De gemeente kan in gesprek gaan met de partij waaraan de erfpacht is verleend en via die route sturen op financiële participatie. Zoals genoemd kan de gemeente ook periodiek de erfpachtvoorwaarden aanpassen en/of eisen stellen aan nieuwe exploitatievormen van de bestemming. In een uitzonderlijk geval kan de gemeente het erfpacht opzeggen. Maar tot deze zware ingreep in het eigendomsrecht zal de gemeente niet snel overgaan.
De gemeente kan gebruik maken van initiatieven van de markt en inwoners en deze faciliteren door deze te toetsen en begeleiden en in dat proces te sturen op financiële participatie.
De meest voor de hand liggende route is echter om, via aanbestedingen of via 1-op-1 gunning, te sturen op het bepaalde wenscenario voor financiële participatie (zoals in voorgaande casussen) en/of coöperatieve ontwikkeling van energieprojecten – met eisen en/of een inspanningsverplichting.
Daarnaast kan de gemeente als enig aandeelhouder van het havenbedrijf via deze weg sturen op het inrichten van financiële participatie bij de ontwikkeling van energieprojecten in het havengebied. Ook kan de gemeente een faciliterende of stimulerende rol aannemen (zie 3. Erfpacht).
De gemeente kan initiatieven van de markt en inwoners faciliteren door toetsing en begeleiding en hierin te sturen op financiële participatie.
Tenslotte kan de gemeente Stadsbreed uitgangspunten voor financiële participatie bij hernieuwbare opwek opstellen en deze vervolgens breed communiceren, ook aan hernieuwbare energieontwikkelaars op private grond en grond in erfpacht.
31
4.3 Handelingsperspectief gemeente (2/3) De gemeente kan energiecoöperaties zowel op organisatieniveau ondersteunen als (in)direct op projectbasis Een mogelijke route is dat de gemeente het initiatief voor energieprojecten deels bij de markt laat en vooral de taak op zich neemt om ervoor de zorgen dat energiecoöperaties voldoende middelen hebben om zich als gelijkwaardig en professioneel partner van private partijen op treden in ontwikkeling. Er zijn verschillende rollen die de gemeente kan aannemen om zo specifiek energiecoöperaties te ondersteunen.
Rol 2: Indirecte ondersteuning coöperaties op projectbasis – De gemeente geeft middelen uit aan een fonds (of fondsen) waar energiecoöperaties kunnen aankloppen voor aanvullende (financiële) middelen. Verstrekking van de middelen gebeurt - net als bij de directe ondersteuning van energiecoöperaties via projecten - op projectbasis. Het grote verschil met de vorige rol is echter dat de gemeente dit niet zelf hands-on op projectbasis zelf beoordeelt, maar dit belegt bij een fonds. Dit zet een gemeente op iets meer afstand dan bijvoorbeeld bij de vorige rol. Tegelijkertijd wordt het fondsbeheer (en de beoordeling van aanvragen) belegd bij een partij die zich daartoe beter kan specialiseren en zodoende in staat is ‘het kaf van het koren te scheiden’. Het is daarbij goed mogelijk bestaande structuren (zoals het Duurzaamheidsfonds) te blijven gebruiken om dit te organiseren (en de implementatie in termen van tijd en inzet tot een minimum te beperken). Rol 3: Ondersteuning van coöperatieve organisatiestructuren – In deze rol stelt de gemeente middelen beschikbaar aan coöperatieve organisatiestructuren zonder dat daar direct projecten aan ten grondslag liggen. Coöperatieve structuren helpen coöperaties met concrete projecten in de ontwikkeling met kennis en/of kapitaal.
Rol 1: Directe ondersteuning energiecoöperaties op projectbasis – De gemeente verstrekt middelen (geld of capaciteit) aan coöperaties op het moment dat zij een concreet project hebben waarvoor ze extra middelen nodig hebben. Dit kan zowel voor de ontwikkelfase als het moment van financiering gelden. De gemeente beoordeelt en verstrekt zelf middelen van project tot project. Dit betekent ook dat haar eigen organisatie de kennis en capaciteit moet ontwikkelen om voorstellen te verwerken, te beoordelen en te monitoren. De onderliggende business case moet redelijk zijn om niet als gemeente het volledige risico over te nemen of de gehele onrendabele top te bekostigen. Ook dit moet een gemeente goed kunnen beoordelen. Een direct ondersteunende rol is vooral interessant op het moment dat er voldoende projecten zijn en er voldoende welwillendheid is onder energiecoöperaties om projecten te willen ontwikkelen.
De coöperatieve structuren bepalen zelf hoe zij de middelen het beste kunnen inzetten, maar hier worden wel randvoorwaarden en doelstellingen aan gesteld door provincie. In het bijzonder moeten coöperatieve organisaties zelf ook kapitaal of eigen vermogen weten te generen of te werven om op de lange termijn een gezonde business case en zelfvoorzienende bedrijfsvoering te ontwikkelen (en niet alleen afhankelijk te zijn van financiering vanuit provincie).
Bovenstaande schetst de opties. We adviseren de gemeente om uitgangspunten te formuleren over wat men passend acht. Die afweging gaat met name over het (financieel of beleids-)risico dat de gemeente bereid is te accepteren in ruil voor de aangeboden lokale inbedding.
32
4.3 Handelingsperspectief gemeente (3/3) Eerste handvatten voor invulling van een aanbesteding Er is een doorlopend gesprek over wel/niet aanbesteden van de uitgifte van grond voor duurzame opwek. Deze discussie wordt gevoerd tussen de gemeente Amsterdam en energiecoöperaties, waarbij energiecoöperaties aangeven dat aanbesteding voor hen een ongelijke strijd is tegenover private ontwikkelaars en juristen vanuit de gemeente aangeven geen keuze te hebben. Wij hebben hiervoor een aantal suggesties. Of er al dan niet sprake is van een aanbestedingsplichtige opdracht is van de casus afhankelijk. De gemeente Amsterdam dient vooraf te verifiëren of aanbesteden nodig is dan wel of er alternatieven zijn. Niet aanbesteden is daarbij voor energiecoöperaties niet automatisch een voordeel, omdat in dat geval onder meer geheel voor eigen rekening en risico moet worden gerealiseerd.
Voor de invulling van de aanbesteding:
Schetsen context. De gemeente maakt expliciet wat zij professioneel verwacht van een projectontwikkeling en welke middelen zij daarvoor (grondpositie, ontwikkelgelden) ter beschikking stelt. Eisen. De gemeente geeft de eisen zo vorm, dat het ideaalscenario voor financiële participatie kan worden gerealiseerd met de aanbesteding, bijvoorbeeld: •
De gemeente formuleert expliciete eisen en wensen ten aanzien van lokale inbedding van het project, draagvlak, het meenemen van burgers en de rol van het project (zon/wind) als stimulans voor de energietransitie in Amsterdam bij burgers.
Het is van belang niet te blijven hangen in het gesprek omtrent wel/niet aanbesteden. Een aanbesteding kan een positieve stap vormen. Zo dwingt het partijen om in een vast tijdspad tot concrete plannen te komen. Het kan daarbij ook meerwaarde hebben voor lokaal eigendom, door een aantal randvoorwaarden in te vullen.
•
De gemeente is terughoudend met instapeisen op ervaring van de organisatie die inschrijft (bijvoorbeeld geen vereiste referenties van eerder gerealiseerde windparken door de organisatie), wel kunnen eisen worden gesteld aan de ervaring van het team dat invulling geeft aan de opdracht.
Voor de procedure van de aanbesteding:
De insteek om wel aan te besteden moet gepaard gaan met het expliciet maken van eisen en wensen omtrent lokale inbedding, deze mogen niet uit de wagen vallen omdat deze zogenaamd discriminatoir zouden zijn.
Haalbaarheid voor partijen met minder ervaring/ontwikkelgeld. Bij de inrichting van de procedure kan worden voorkomen dat partijen zonder veel tenderervaring en diepe zakken met ontwikkelgelden feitelijk worden uitgesloten. Dit kan worden vormgegeven door bijvoorbeeld: 1.
Te voorzien in een rekenvergoeding voor de inschrijving;
2.
Een grote rol te geven aan een presentatie over project i.r.t. draagvlak en lokale participatie;
3.
De inschrijving in twee fasen te laten plaatsvinden, waarbij bijvoorbeeld in de eerste fase grotendeels wordt voorgeselecteerd op partijen die lokaal draagvlak kunnen realiseren.
Een dergelijke invalshoek, waar partijen die lokale inbedding kunnen waarmaken en een goed team hebben, boven komen drijven, is mogelijk. Dit biedt energiecoöperaties voldoende kansen, garandeert Amsterdam een professioneel project en voorkomt voortdurende discussies over wel/niet aanbesteden.
33
4.4 Bepalende factoren O.b.v. casuïstiek Amsterdam Zoals op te merken in de behandelde casussen, zijn er tenminste drie bepalende factoren die de opties voor financiële participatie (en daarmee lokaal eigendom) beïnvloeden. We kunnen deze factoren niet direct koppelen met de vormen, maar er is wel een zeker patroon in te herkennen: •
Complexiteit: hoe complexer het project, hoe groter het risico op het behalen van de lokale energiedoelstelling en hoe belangrijker de professionaliteit van de ontwikkelaar. We zien dat vooral bij windprojecten en nieuwe zontoepassingen de complexiteit toeneemt. Dit heeft invloed op veiligheid, te doorlopen procedures, alsook het participatieproces met omwonenden. Over het algemeen kan een commerciële partij extra professionaliteit toevoegen in een project, maar wel met gevolgen voor de doelstelling voor lokaal eigendom. Volledige realisatie door energiecoöperaties kan worden verkozen boven een commerciële partij om lokaal eigendom te bevorderen, indien snelle professionalisering van de coöperaties wordt geborgd, met ondersteuning vanuit de gemeente én mits dit daadwerkelijk wordt verwacht een positief effect te hebben op de lusten-lastenverdeling, draagvlak en zeggenschap van de lokale omgeving (zie hs3).
•
Financieel draagkracht: zoals te zien in de casussen, is het financieel draagkracht (of voor bedrijven, investeringskracht) van de directe omgeving van een project bepalend voor geschikte participatievormen. Dit geldt vooral voor windprojecten, waarbij de benodigde investering aanzienlijk is en ontwikkelgeld vraagt. Indien het financieel draagkracht laag is, zal risicodragend investeren (dus lokaal eigendom) lastig zijn en ook onwenselijk om te stimuleren vanuit de gemeente, gezien het bijbehorende hoge risico dat men burgers laat aangaan. Voor deze wijken kan vooral afdracht aan de omgeving veel toegevoegde waarde hebben, d.m.v. een omgevingsfonds en/of individuele compensatie, mogelijk in combinatie met obligaties. Dit zal dan niet leiden tot 100% lokaal eigendom, maar wel de lusten/lastenverdeling ten goede komen en de toegankelijkheid voor de omgeving vergroten.
•
Omgeving: het type doelgroep in de omgeving, namelijk veel/weinig inwoners en/of bedrijven, heeft ook een groot effect op de geschikte participatievormen. Indien er weinig bewoning is, kan er in de directe omgeving individuele financiële compensatie
1. De Natuur en Milieufederaties (2018). De constructieve zonneladder
worden geboden. Bij veel omwonenden kan een omgevingsfonds meerwaarde bieden – zeker indien gekoppeld aan opgaven in de wijk (bijv. vergroeningsprojecten). Ook heeft het aantal omwonenden invloed op de potentie om aandelenkapitaal op te halen – deze barrière kan worden verminderd door de straal van de directe omgeving uit te breiden voor gebieden met weinig omwonenden en/of omringende bedrijven. Voor het handelingsperspectief van de gemeente hebben we geïllustreerd dat dit grotendeels afhangt van de grondpositie. Denkbaar is dat de gemeente voor alle posities eenzelfde ideaalscenario (afhankelijk van bovenstaande factoren) voor financiële participatievormen nastreeft, echter een andere rol aanneemt afhankelijk van de positie die de gemeente heeft. Het is daarbij belangrijk om de doelstellingen van hoofdstuk 3 in gedachten te houden: indien ontwikkelende partijen grondeigendom hebben en niet het gehele ideaalscenario van financiële participatie willen implementeren, heeft dit de voorkeur boven de realisatie van geen duurzame opwek. Er zit een volgordelijkheid in de beoogde doelstellingen, de rol van de gemeente en de resulterende financiële participatievormen; deze laatste zien wij hierin als middelen om tot de uiteindelijke doelen (hernieuwbare opwek, lusten-lastenverdeling, autonomie en koppelkansen) te komen.
Verschil tussen wind en zon in participatievormen en doelstellingen Aangezien de acceptatie van wind aanzienlijk lager is dan bij zon en de omvang van businesscases over het algemeen groter, is er bij wind veelal meer aandacht voor financiële participatie vanuit het oogpunt van eerlijke lusten-lastenverdeling en eventuele koppelkansen. Zonneprojecten kennen een hogere acceptatiegraad en hebben veelal een kleinere omvang waardoor ze van ‘oudsher’ al vaker door lokale coöperaties in lokaal eigendom zijn ontwikkeld (de meeste coöperaties kennen hun oorsprong in zonneprojecten). Financiële participatie is dan ook vaak vormgegeven vanuit een autonomiedoelstelling. Acceptatie van zon is echter niet altijd een gegeven, zeker op tijdelijke grond kan het draagvlak laag zijn. In dat geval kunnen de participatievormen die passend zijn bij windprojecten (denk aan omgevingsfondsen) kansrijk zijn om acceptatie te vergroten. Hierbij kan eventueel de koppeling gemaakt worden met de zonneladder1).
34
5 Conclusies en doorkijk
5.1 Conclusies: Uitgangspunten voor het beleid rondom financiële participatie 5.2 Doorkijk: mogelijke vervolgacties
35
5.1 Conclusies Uitgangspunten voor het beleid rondom financiële participatie De gemeente heeft zich als doel gesteld lokaal eigendom van duurzame energie te stimuleren om Amsterdammers te laten meeprofiteren van de energietransitie. In ons onderzoek hebben we toegelicht welke participatievormen mogelijk zijn en hoe deze participatievormen passen in de Amsterdamse context. In dit laatste hoofdstuk beschrijven we onze conclusies aan de hand van uitgangspunten rondom financiële participatie die een plek zouden moeten krijgen in het beleid voor wind en zonne-energie. In paragraaf 5.2 bieden we daarnaast een doorkijk op de vervolgstappen. Uitgangspunt 1: Stel doelstellingen centraal Financiële participatie en lokaal eigendom kunnen een bijdrage leveren aan draagvlak voor duurzame energie, de lusten en lasten van duurzame energie beter verdelen, autonomie van de omgeving stimuleren en ruimte bieden voor koppelkansen (zoals energiearmoede). De doelstelling van de gemeente om 50% / 100% van wind- en zonprojecten in lokaal eigendom te ontwikkelen is dan ook een goed streven.
Echter de eerder genoemde doelen zijn ondergeschikt aan het doel om de energietransitie mogelijk te maken. Dat wil zeggen dat lokaal eigendom het uitgangspunt is bij de ontwikkeling van projecten, maar niet ten koste moet gaan van het überhaupt realiseren van duurzame-energieprojecten. Enig pragmatisme op projectniveau bij het invullen van de doelstelling (ruimte om af te wijken van het 50% / 100% doel) is wenselijk als lokaal eigendom de realisatie van een project in de weg dreigt te zitten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn omdat andere projectpartners een afwijkend doel hanteren (denk aan het OERproject), omdat de directe omgeving onvoldoende financieel draagkracht heeft, of omdat de benodigde professionaliteit voor projectontwikkeling niet door lokale partijen kan worden ingevuld. Wanneer lokaal eigendom niet kansrijk is, zijn er andere vormen van (financiële) participatie mogelijk die eveneens de doelstellingen bereiken. Denk aan omgevingsfondsen (goede lusten-lastenverdeling en koppelkansen) of procesparticipatie met bewonersraden (autonomie). Lokaal eigendom is zelfs niet altijd het meest passende instrument om de
doelstellingen te bereiken. Wanneer de directe omgeving bijvoorbeeld niet voldoende interesse of capaciteit heeft om mee te doen vanuit eigendom kunnen andere vormen van (financiële) participatie een betere vorm zijn om lusten en lasten te verdelen. Uitgangspunt 2: Aanbesteding gericht op lokaal eigendom Op projectniveau moet een afweging worden gemaakt of een opdracht al dan niet aanbestedingsplichtig is of dat dit als gemeente gewenst is om de beleidsdoelstellingen te behalen. Indien een opdracht wordt aanbesteed zijn er in de invulling diverse mogelijkheden om financiële participatie te borgen met een goede kans voor lokale coöperaties. Dat kan zowel gaan om de gekozen procedure (denk aan 2-fase aanbesteding of inschrijfgeld), als gestelde eisen en wensen (bijvoorbeeld om toegankelijkheid voor de omgeving te bevorderen). Op deze manier krijgen zowel coöperaties voldoende kansen, als de gemeente een professionele projectontwikkeling. Uitgangspunt 3: Professionalisering van coöperaties Energiecoöperaties spelen een belangrijke rol bij het invullen van de doelstelling van lokaal eigendom. Tegelijkertijd ontbreekt bij complexere projecten (m.n. wind) soms de capaciteit en kennis om een project professioneel in te vullen.
Gezien het belang van professionele coöperaties, met veel draagvlak onder Amsterdammers, voor de doelstelling kan de gemeente coöperaties ondersteunen om verder te professionaliseren. Dat kan door hen direct te ondersteunen met middelen, kennis te delen of het bereik onder Amsterdammers te vergroten (t.b.v. ledenwerving in wijken waar coöperaties minder bekend zijn). Maar meer dan directe ondersteuning helpt het om coöperaties kennis te laten opdoen in daadwerkelijke projecten en hen daarbij te helpen, zoals bij de Noorder IJplas gebeurt. De gemeente kan hier wel eisen stellen aan het borgen van de opgedane ervaring, zodat de kennis niet verdwijnt met het vertrekken van een (vrijwilligers-)bestuur. Kennisborging kan bijvoorbeeld via een koepelcoöperatie. Vooraf is het essentieel om als gemeente uitgangspunten op te stellen voor aanvaardbare ondersteuning (zie volgende slide).
36
5.1 Conclusies
5.2 Doorkijk
Uitgangspunten voor het beleid
Mogelijke vervolgacties
Uitgangspunt 4: Lokaal eigendom is ook voor bedrijven
Bij lokaal eigendom wordt snel gedacht aan burgers. Echter de directe omgeving kan ook bestaan uit bedrijven, zeker in het havengebied. Aangezien zij de partijen zijn die de effecten ondervinden van de windenergie in het gebied, de bijbehorende uitdagingen het beste kennen en in sommige gevallen grond (al dan niet in erfpacht) ter beschikking moeten stellen, ligt het voor de hand dat de bedrijven een belangrijke rol krijgen in het ontwikkelen van duurzame energie – dit past bij de eerder geformuleerde doelstellingen. De ontwikkeling hoeft niet vanuit een of enkele bedrijven te gebeuren, maar kan idealiter vanuit een coöperatie van bedrijven worden georganiseerd. Eventueel kan aanvullend financiële participatie door burgers mogelijk worden gemaakt, indien dit bijdraagt aan een betere verdeling van lusten en lasten in de directe omgeving, als ook de stimulering van zeggenschap.
We zien een aantal vervolgacties die mogelijk het verdere proces van financiële participatie kunnen vormgeven: •
Voorbeelden opstellen voor en/of begeleiding organiseren bij de verschillende aankomende aanbestedingen: bijvoorbeeld het opstellen van eisen en wensen die de gemeente kan stellen aan inschrijvende ontwikkelaars.
•
Een ‘wegwijzer’ financiële participatie opstellen, op basis waarvan men per situatie bepaalt op welke wijze men participatie wil vormgeven. Dit hebben we reeds gestart door de verschillende casussen te belichten maar zou verder kunnen worden uitgewerkt om nog duidelijkere handvatten te geven.
•
Het is te overwegen om een brede peiling te doen onder Amsterdammers m.b.t. hun interesse in de verschillende vormen van financiële participatie en/of lidmaatschap van een energiecoöperatie. Zo wordt er veel gesproken over de behoefte aan zeggenschap over energie, het kan nuttig zijn om deze behoefte te toetsen bij Amsterdammers, om te bepalen hoeveel nadruk erop moet worden gelegd. Deze vraag kan bijvoorbeeld worden toegevoegd aan de Routekaart Klimaatneutraal Draagvlak Energietransitie van Bureau Onderzoek en Statistiek.
•
Met betrekking tot de gewenste en gepaste ondersteuning van energiecoöperaties is het nuttig om als gemeente uitgangspunten te formuleren over wat men passend acht – hoeveel risico wordt als aanvaardbaar beschouwd voor de coöperaties (en daarachter participerende burgers), in verhouding tot de toegestane winsten, en hoeveel (financieel of beleids-)risico wil de gemeente accepteren in ruil voor de aangeboden lokale inbedding? Door hier scherpe uitgangspunten op te formuleren, kan in de toekomst duidelijk worden aangegeven aan coöperaties waar zij wel en niet voor kunnen aankloppen.
37
6 Bijlagen I Compensatievormen en maatschappelijke voordelen II Mogelijke participatievormen III Aanbestedingswetgeving IV Inspanningsverplichting V Notitie staatssteun VI Wet Markt en Overheid
38
I: Compensatievormen en maatschappelijke voordelen
Bron: Van den Berg & Tempels (2022): The role of community benefits in community acceptance of multifunctional solar farms in the Netherlands
39
II: Mogelijke participatievormen Vorm
Proces Het proces kan zo georganiseerd zijn dat een percentage van de aandelen van een bepaald project publiekelijk wordt uitgegeven met voorrang voor omwonenden. In veel gevallen kopen participanten aandelen via een coöperatie. Zonder coöperatie of andere bundeling van inwonerbelang is het uitgeven van aandelen minder aantrekkelijk vanwege hoge transactiekosten van individuele transacties. Certificaten van aandelen zijn geschikt om een grote uitgifte van aandelen te bundelen. Aandelen worden in een Stichting Administratiekantoor (STAK) geplaatst, die certificaten uitgeeft aan leden. Certificatiehouders zijn vertegenwoordigd door het bestuur van de STAK. Winst wordt uitgekeerd aan de STAK, die dit doorstort aan certificaathouders. Obligaties kunnen direct via de exploitant lopen. Zo geeft een bedrijf als Vattenfall obligaties uit om inwoners in een project te laten participeren. Ook kan een energiecoöperatie obligaties verlenen aan leden om zo in haar investeringsbehoefte te voldoen. Deze zijn intern (onder de leden) verhandelbaar. Daarnaast worden obligatie ook via crowdfundingplatforms uitgegeven.
Kansen De participatie krijgt (juridisch) eigenaarschap en zeggenschap (via de AvA) en geniet financiële baten (afhankelijk van het dividend, niet gegarandeerd).
Uitdagingen Deze participatievorm beperkt zich tot een zeer kleine groep mensen die een grote investering kunnen doen.
De participant krijgt (juridisch) eigenaarschap, wordt vertegenwoordigd door de STAK. En geniet financiële baten (afhankelijk van het dividend, niet gegarandeerd).
Het effect op draagvlak zich beperkt tot de mensen die het geld en de motivatie hebben om deel te nemen.
De participant loopt een lager risico dan bij een investering in de vorm van aandelen omdat de obligatiehouder recht heeft op een vaste (/variabele) rente, onafhankelijk van de gemaakte winst.
Het effect op draagvlak zich beperkt tot de mensen die het geld en de motivatie hebben om deel te nemen.
De vergoeding kan vast of variabel zijn. Er moeten vooraf afspraken worden gemaakt over het te storten bedrag en hoe dit bedrag moet worden besteed, logischerwijs binnen de organisatie van de exploitant.
De baten zijn direct merkbaar en voor iedere omwonende toegankelijk. Dit kan gericht helpen bij het tegen gaan van energiearmoede in een wijk.
Het gaat om een beperkt bedrag per inwoner. Het kan ook als ‘afkopen’ worden ervaren.
Inwoners krijgen een duurzaamheidspakket (zoals woningisolatie)ter 5. Duurzaamheids- reductie van het energiegebruik. Zo kan de omwonende profiteren pakketten van lagere energielasten. Een voorbeeld is het vergoeden van (kleine) isolatiemaatregelen.
De invulling van de pakketten gericht op de verduurzaming van de woning kan vast of variabel zijn (net als bij de bovenstaand vergoeding). Het verschil hier is dat de duurzaamheidspakketten eenmalig zijn.
Het gaat om een beperkt bedrag en eenmalig. Het kan ook als ‘afkopen’ worden ervaren.
Initiatiefnemer draagt periodiek een vast deel van de omzet (evt. met 6.Omgevingsfonds variabel component) af aan een vooraf bestempeld fonds waar de omgeving bij gebaat is. Met dit fonds kan een maatschappelijke doelstellingen worden ondersteund. Hierdoor kunnen inwoners die niet in staat zijn zelf te investeren, ook meeprofiteren.
Voor het beheer van een dergelijk collectief fonds wordt een onafhankelijk bestuur benoemd met in ieder geval een vertegenwoordiger van de omwonenden. Randvoorwaarden zijn transparante uitgaven en heldere doelen. Zo is het risico op het verkeerd besteden van het fonds beperkt.
De baten zijn direct merkbaar en voor iedere omwonende (tot een bepaalde afstand) toegankelijk. Dit kan gericht helpen bij het tegen gaan van energiearmoede in een wijk. Het kan gekoppeld worden aan de verdere verduurzaming van de gebouwde omgeving. Omwonende hebben zeggenschap over hoe de gelden die naar het omgevingsfonds vloeien besteed kunnen worden. De projecten die middels het fonds worden gefinancierd kunnen een positief effect hebben om de leefomgeving en de sociale cohesie.
Initiatiefnemer voert een sociaal (werkgelegenheids)project uit. Een 7.Sociale projecten voorbeeld is dat jongeren worden opgeleid tot energieadviseur.
Tijdens de exploitatieperiode voert de initiatiefnemer een sociaal project uit.
Omwonenden leggen geen eigen vermogen in en lopen daardoor geen financieel risico. Daarnaast leggen dergelijke projecten klein beslag op businesscase, maar kan de positieve invloed op reputatie van het energieproject groot zijn.
Projecten hebben niet betrekking op alle omwonenden (gaat vaak om bepaalde doelgroep). Het profijt voor bewoners is daardoor indirect en de mogelijk niet voor iedereen merkbaar.
1.Aandelen
2.Certificaten (van aandelen)
3.Obligaties
4.Korting/ vergoeding/ compensatie
Werking Inwoner investeert in aandelen die een deel van het eigen vermogen van het project vormen. Door het bezit van aandelen wordt de participant mede-eigenaar van het project en heeft de participant recht op dividend (winstuitkering van onderneming aan aandeelhouders). Het aandeel kan in waarde veranderen (stijgen of dalen, afhankelijk van de opbrengst van het project). Inwoner investeert in certificaten van aandelen. Anders dan bij op naam gestelde aandelen (zie hierboven), komen certificaten van aandelen met eigenaarschap maar zonder direct zeggenschap. Als kapitaalverschaffer heeft de inwoner recht op dividend. De prijs van de certificaten is afhankelijk van de opbrengst van het project en kan in waarde veranderen. Inwoner investeert in obligaties (achtergestelde en verhandelbare leningen), die onderdeel van het vreemd vermogen van het project vormen. Obligaties zijn schuldbewijzen/brieven op naam van obligatiehouders. De obligatiehouder heeft recht op een rente die onafhankelijk is van de gemaakte winst (maar winstdelende obligaties of een variabele rente is ook mogelijk). Obligaties kunnen worden uitgegeven aan een bepaalde groep en kunnen wel of niet overdraagbaar zijn.
Initiatiefnemer geeft bewoners periodiek een type vergoeding, bijvoorbeeld korting op de energierekening van omwonenden, een korting op stroom afkomstig uit het project of een andere vorm van compensatie.
Het profijt voor bewoners is indirect, de baten zijn mogelijk niet voor iedereen merkbaar.
40
III: Aanbestedingswetgeving
Wanneer de overheid publieke locaties ter beschikking stelt (onder meer door middel van verhuur (erfpacht), recht van opstal of eigendomsoverdracht), moet doorgaans een aanbestedingsprocedure worden gevolgd.
• Niet aanbesteden (uitzondering): bij een standaardtransactie, zonder aanvullende eisen aan de exploitatie, mag de gemeente een locatie zonder aanbestedingsprocedure ter beschikking stellen aan bijvoorbeeld een coöperatie. Daar moet een marktconforme vergoeding tegenover staan. Verder mag de gemeente op basis van het omgevingsrecht beperkingen opleggen aan de hoogte van de installatie.
• Wel aanbesteden: als de gemeente extra eisen stelt aan het werk en/of exploitatie, dan is de aanbestedingsprocedure in de regel verplicht. Dit betekent dat ondernemingen met elkaar concurreren voor de opdracht, op basis van transparantie, proportionaliteit, non-discriminatie en objectiviteit.
1. Programma Democratie in Actie, Handreiking Burgerinitatieven & het aanbestedingsrecht - link
Voor kleine coöperaties kan het lastiger zijn om een professionele bieding in elkaar te zetten dan voor grote partijen. Het aanbestedingsrecht biedt mogelijkheden om coöperaties te steunen bij het verwerven van locaties voor duurzame energie:
• De overheid kan bijvoorbeeld de geschiktheidseisen niet te hoog vaststellen, zodat coöperaties wel in aanmerking komen.
• Ook kunnen geschiktheidseisen worden gesteld die specifiek gericht zijn op ervaring met directe burgerparticipatie en het creëren van draagvlak.
• Verder kunnen overheden directe burgerparticipatie en draagvlak als belangrijke criteria laten meewegen in de selectie- en gunningscriteria.
• Ten slotte kunnen opdrachten in percelen worden opgeknipt (bijvoorbeeld 1 windturbine), zodat coöperaties ook mee kunnen doen. Dit is de zogenaamde ‘’percelenregeling.’’ 1
41
IV: Inspanningsverplichting Binnen het huidige omgevingsrechtelijke kader kan de gemeente lokaal eigendom momenteel niet afdwingen via juridische normen. De gemeente kan wel een inspanningsverplichting opleggen voor het creëren van draagvlak. Een inspanningsverplichting tot het creëren van draagvlak betekent dat de gemeente de inschrijvers op een aanbesteding kan verplichten om te laten zien hoe zij van plan zijn om draagvlak te creëren voor hun project bij de lokale bevolking. Dit kan bijvoorbeeld door middel van het organiseren van informatieavonden, het uitvoeren van enquêtes of het betrekken van buurtbewoners bij het project. Een inspanningsverplichting tot het creëren van draagvlak wordt in de praktijk vaak opgenomen in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Een anterieure overeenkomst is een overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar waarin afspraken worden gemaakt over de ontwikkeling van een bepaald gebied of project. Hierin kunnen dus afspraken worden opgenomen over hoe de ontwikkelaar zich zal inspannen om draagvlak te creëren bij de lokale bevolking.
Het is belangrijk om op te merken dat een inspanningsverplichting tot het creëren van draagvlak niet hetzelfde is als een garantie dat er voldoende draagvlak zal zijn voor het project. Het succesvol creëren van draagvlak en het realiseren van lokaal eigendom van een energieproject is uiteindelijk afhankelijk van de bereidheid van de gemeenschap om actief deel te nemen en eventueel financieel bij te dragen, ondanks alle inspanningen die worden geleverd om hen te betrekken. Daarnaast is het belangrijk te constateren dat het geen automatisme is dat coöperaties beter in staat zijn om draagvlak te realiseren dan andere partijen. Ook dat hangt sterk samen met de locatie. De coöperatie zal voordeel halen uit het feit dat huishoudens uit de omgeving lid zijn wat kan zorgen voor sympathie. Maar de professionaliteit en zorgvuldigheid waarmee het proces van het creëren van draagvlak wordt doorlopen staat voorop.
42
V: Notitie staatssteun Staatssteun is een belangrijke factor om rekening mee te houden. De belangrijkste factoren die hierbij in de gaten moet worden gehouden is de hoogte van de bedragen en uitzonderingregels (voor milieu/duurzaamheid).
De wet stelt dat er sprake is van staatssteun als:
•
de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;
•
de steun wordt door staatsmiddelen bekostigd;
•
deze staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit);
•
de maatregel is selectief: het geldt voor één of enkele ondernemingen, een specifieke sector/regio;
•
de maatregel vervalst de mededinging (in potentie) en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.
Aan deze criteria wordt normaal gesproken voldaan bij het verstrekken van middelen voor duurzame opwek. Je zou nog discussie kunnen voeren of het handelsverkeer nadelig wordt beïnvloed door toekenning van middelen aan partijen die alleen lokaal ondernemen. Deze redenatie herbergt echter het risico
– indien toekenning van middelen wordt aangevochten door derden – dat de rechter de steun als onrechtmatig beschouwd. In dat geval moet de steun worden teruggeven, dat kan problematisch zijn wanneer de middelen al zijn uitgegeven. Tegelijk lijkt het risico dat een derde partij hierover gaat procederen klein. Niet alle staatsteun die wordt gegeven is ongeoorloofd. Er zijn voor milieu/duurzaamheid belangrijke uitzonderingen die overheidssteun vrijstellen van de aanmeldingsverplichting. Dit betreft exploitatiesteun tot 15 miljoen euro, maar deze loopt op tot 150 miljoen als de opdracht via een concurrerend biedprocedure is gegund. Deze bedragen zijn vastgelegd in de AGVV. Daarnaast kunnen decentrale overheden ondernemingen over een periode van drie belastingjaren tot €200.000,- steunen op grond van de reguliere deminimisverordening, zonder dat dit staatssteun oplevert. Dit laatste is mogelijk zonder al te grote transactiekosten en biedt meer juridische zekerheid ten opzichte van de redenatie dat er van staatssteun geen sprake is. Dit is met name interessant in relatie tot de ontwikkelfase, aangezien de middelen die aan zonPV-projecten verstrekt worden in deze fase beperkt zijn en daarmee onder deminimis zullen liggen. Daarbij betreft het vaak partijen die veelal één project ontwikkelen, dus er zal normaal gesproken geen sprake zijn van cumulatie van steun.
Staatsteun is absoluut iets om rekening te houden bij dit instrument, maar in basis binnen deze context goed beheersbaar.
43
VI: Wet Markt en Overheid De Wet Markt en Overheid (onderdeel van de Mededingingswet) bevat 4 gedragsregels. Als een overheid goederen of diensten op de markt aanbiedt, dan moet zij zich aan deze gedragsregels houden. Deze regels gelden voor de hele overheid, dus ook voor de gemeente. Deze regels zijn relevant indien de gemeente zelf windturbines gaat exploiteren, dat is nu niet aan de orde. 1. Doorberekening kosten: Overheden moeten alle kosten die zij maken voor een dienst doorberekenen in de prijs. 2. Bevoordelingsverbod: Overheden mogen hun eigen overheidsbedrijven niet bevoordelen boven concurrerende bedrijven. Bijvoorbeeld door goedkope tarieven aan te bieden.
3. Gegevensgebruik: Overheden mogen de gegevens waarover ze beschikken niet opnieuw gebruiken voor andere activiteiten. Dat mag alleen als andere organisaties of bedrijven ook (onder dezelfde voorwaarden) over de gegevens kunnen beschikken. 4. Functiescheiding: Heeft een overheid bij bepaalde diensten een bestuurlijke rol, en voert zij die diensten ook zelf uit? Dan mogen niet dezelfde personen betrokken zijn bij zowel het bestuur als de uitvoering.
Eline Kleiwegt +31 6 18 18 56 52 Eline.Kleiwegt@rebelgroup.com
Tara van Bussel +31 6 26 92 27 37
Helena de Boer +31 6 21 49 12 59
Tara.vanBussel@rebelgroup.com
Helena.deBoer@rebelgroup.com
Rotterdam (HQ)
Amsterdam Düsseldorf
Londen Antwerpen Washington DC
Mumbai
Wijnhaven 23 3011 WH Rotterdam Nederland +31 10 275 59 90
Nairobi Jakarta
Johannesburg
info@rebelgroup.com www.rebelgroup.com
Rebel Energy, Water & Climate
Wijnhaven 23 3011 WH Rotterdam Nederland
+31 10 275 59 95 info@rebelgroup.com www.rebelgroup.com
IBAN: NL45 RABO 0175 4108 44 KVK: 56674341
Manilla