2. Paper Gezinsvriendelijke stad def..pdf
Tekst van het document
Paper HOE MAKEN WE AMSTERDAM EEN GEZINSVRIENDELIJKERE STAD? R&D, november 2025
Samenvatting Het negatieve binnenlands migratiesaldo van Amsterdam komt voor een groot deel voor rekening van de uitstroom van gezinnen. Dit roept vragen op over de toekomst van de stad: wat betekent een afnemend aandeel gezinnen voor de sociale cohesie, het draagvlak voor voorzieningen en de sociaaleconomische dynamiek? Gezinnen zijn immers belangrijk voor de levendigheid en diversiteit van buurten, terwijl de stad op haar beurt kansen biedt voor sociaaleconomische emancipatie van stedelijk gerichte gezinnen. Vandaar dat er vanuit de Ontwikkelstrategie 2035 een verkenning is gedaan naar de dagelijkse praktijk van gezinnen en hoe we hun positie in de stad kunnen versterken De uitstroom van gezinnen uit de stad is van alle tijden, en paste tot voor kort in het family life cycle model. Maar de context is fundamenteel veranderd. Waar de uitstroom van gezinnen in de jaren ’70 werd ingegeven door malaise in de stedelijke economie, deplorabele buurten en het daarmee gepaard gaande overloopbeleid, is er nu sprake van een sterke stedelijke economie met een rijk (cultureel) voorzieningenaanbod. De stad is populair: één derde van de huidige gezinnen in Amsterdam wil weliswaar verhuizen, maar ruim driekwart daarvan wil in Amsterdam blijven.
Maar die populariteit leidt ook tot hoge prijzen en sterke internationalisering, wat de kansen op de woningmarkt voor gezinnen en vele andere woningzoekenden bemoeilijkt. Tegelijkertijd wordt aan de woningvoorraad, zowel in de vrije als de sociale sector, maar een klein deel woningen toegevoegd die geschikt zijn voor gezinnen. Omdat gezinshuishoudens door hun krappere tijd-ruimte budgetten minder flexibel zijn en zich moeilijker kunnen aanpassen aan de turbulente woningmarkt dan andere typen huishoudens, zijn juist zij oververtegenwoordigd in de uitstroom. Een deel kiest bewust voor suburbaan wonen of een andere stad, maar het merendeel vertrekt omdat de kansen op de Amsterdamse woningmarkt gering zijn en zij zich buiten Amsterdam wel een grotere (betaalbare) woning kunnen veroorloven. Bij een minder draagkrachtig deel van de gezinnen leidt de situatie op de woningmarkt tot onvrede en een gevoel van vastzitten omdat zij niet kunnen doorstromen naar een passende woning in de sociale of middenhuur.
De financiële instrumenten om ‘grote en betaalbare’ gezinswoningen te realiseren zijn momenteel beperkt. De gemeente bekijkt vernieuwende ideeën over nieuwe woonvormen, financieringsstromen en eigendomssituaties, met voorbeelden uit Wenen en Zürich als inspiratie. Ook een flexibele houding ten opzichte van uit-, aan- of opbouwmogelijkheden bij de woning, het bevorderen van doorstroming, en het bewaken dat gezinswoningen bedoeld blijven voor gezinnen kunnen bijdragen om de positie van gezinnen in de stad te verbeteren. Hoe kan de stad verder bijdragen aan het leven van alle gezinnen, ongeacht hun sociaaleconomische situatie, woonsituatie of gezinssamenstelling? Een gezinsvriendelijke stad is een plek waar gezinnen met plezier wonen en waar zowel de woning als de leefomgeving positief bijdragen aan hun dagelijks leven. Stedelijk georiënteerde gezinnen die een nieuwe woning zoeken, zijn bereid concessies te doen op woonruimte als de directe leefomgeving en het stedelijk leven bijdragen aan hun kwaliteit van leven en met name die van hun opgroeiende kinderen. Naast een passende en betaalbare woning vraagt dit om: • Voorzieningen: voldoende, gevarieerde en bereikbare faciliteiten die aansluiten bij verschillende levensfases op het gebied van winkels, onderwijs, openbaar vervoer, sport en cultuur.
• Veiligheid: een omgeving waar kinderen buiten kunnen spelen en zich zelfstandig kunnen verplaatsen. • Gezondheid: voldoende ruimte om te bewegen, toegang tot groen en water. • Sociaaleconomische omgeving: buurten die uitnodigen tot contact, sociale cohesie, economische activiteit en tolerantie. Amsterdam kent hierin een hoge ambitie. Gemeentelijke nota’s Vitale buurten, Verbonden Buurten, Amsterdam maakt Ruimte, Ruimte voor de Economie van Morgen, Spelen en sporten in de openbare ruimte en Amsterdamse gezondheidslogica richten zich direct of indirect op gezinnen in de stad. Een integrale afstemming bij de ontwikkeling en uitvoering van ‘de complete stad’ heeft per definitie gevolgen voor de gezinsvriendelijkheid van Amsterdam.
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
2
Kortom, het beter afstemmen van bestaande gezinsvriendelijke ambities, het nader uitwerken van doorstromingsmogelijkheden en juridischplanologische mogelijkheden tot verruimen van de woningen in de bestaande stad, en het nadrukkelijker onderzoeken van de mogelijkheden tot bouwen van gezinswoningen in de gebiedsontwikkeling zouden vervolgopdrachten kunnen zijn. Bevindingen uit dit paper zullen hun weg vinden naar het project ‘De complete stad’, waarbij ook vanuit het perspectief van gezinsvriendelijke stad met argusogen naar de woonkwaliteit in de naoorlogse gebieden gekeken moet worden.
Opdracht
De Gezinsvriendelijke Stad is een thematische verkenning en maakt als uitwerking van de Ontwikkelstrategie 2035 onderdeel uit van het Programma Ruimte voor de Stad. Bestuurlijk opdrachtgever van de Gezinsvriendelijke Stad is de wethouder Ruimtelijke Ordening, met betrokkenheid van de wethouders Wonen, Verkeer, Vervoer, Luchtkwaliteit en Openbare Ruimte, Sport en Bewegen en Maatschappelijke Voorzieningen. Het doel van deze verkenning is het agenderen van het gesprek over het belang en de rol van gezinnen in de stad en het identificeren van mogelijke maatregelen voor het versterken van de positie van gezinnen in de stad. In de verkenning is gekeken naar hoe moderne stadsgezinnen hun dagelijks leven vormgeven en organiseren en hoe we hier als stad op in kunnen spelen. De resultaten van de verkenning naar de Gezinsvriendelijke Stad zijn verwerkt in de vorm van dit paper als een advies richting het (nieuwe) bestuur, en een aanvullend inspiratiedocument voor de uitvoering met hoofdzakelijk ruimtelijke aandachtspunten.
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
3
Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad? Krantenartikelen maakten gewag van een vlucht van gezinnen uit Amsterdam. Wetenschappelijke publicaties waren wat genuanceerder en constateerden veranderingspatronen bij het migratiegedrag van stedelijke gezinshuishoudens. Er werden verschillende redenen aangewezen waarom gezinnen Amsterdam verlieten. In debatten hierover voerde de woninggrootte (in relatie tot betaalbaarheid) de boventoon. Wat is er precies aan de hand, wat zijn de exacte cijfers, om wat voor typen gezinnen gaat het (want gezinnen vertrokken altijd al uit de stad, en is er dus eigenlijk wel een probleem?). Deze vraag van het Amsterdamse bestuur en de hoofdstedelijke politiek aan Ruimte & Duurzaamheid gaat gepaard met vragen over welke effecten een gezinsonvriendelijke stad heeft op de sociale en economische dynamiek van de stad. En wat zouden we daaraan kunnen doen? In dit paper een eerste beschrijving van ‘het probleem’, een kleine geschiedenis van gezinnen in de stad, de situatie van gezinnen in de stad en de maatschappelijke effecten daarvan. Dit paper is gebaseerd op een aantal gesprekken gevoerd en een workshop georganiseerd met gespecialiseerde collega’s uit de verschillende relevante gemeentelijke domeinen (GGD, O&S, R&D, MV, Wonen, G&O en V&OR).
Vervolgens zijn de onderzoeksbureaus Onderzoek & Statistiek van de gemeente Amsterdam (O&S) en Motivaction gevraagd een kwantitatieve analyse te maken van de woonsituatie van Amsterdamse kinderen respectievelijk een kwalitatieve analyse te maken van het wonen van gezinnen in Amsterdam. Deze onderzoeken zijn gepresenteerd en besproken op een Debat Gezinsvriendelijke Stad. Op basis van deze gesprekken, expertmeeting, de twee actuele onderzoeken en het debat, is er door Ruimte & Duurzaamheid dit paper geschreven dat als basis kan dienen voor een politiek-maatschappelijke discussie over hoe te reageren op het veranderende vestigingsgedrag van gezinshuishoudens en dat te vertalen in beleid. De thematische verkenning naar de Gezinsvriendelijke stad, de onderlegger van deze paper, maakt als uitwerking van de Ontwikkelstrategie 2035 onderdeel uit van het Programma Ruimte voor de Stad.
Wat is er aan de hand? Is het een probleem dat gezinnen vertrekken uit de stad? Als ze dat vrijwillig doen is dat voor de gezinnen blijkbaar geen probleem. Maar we zullen zien dat het vertrek uit de stad vooral te maken heeft met de overspannen situatie op de woningmarkt: hoge prijzen en te kleine woningen voor gezinnen. Dat is teleurstellend voor deze gezinnen, maar het vertrek van gezinnen is ook een verzwakking van de economische potentie van de stad. Econoom en Nobelprijswinnaar Paul Krugman wees al op de negatieve effecten van suburbanisatie zoals een suboptimale economie en verhoging van de ecologische voetafdruk. In de huidige kenniseconomie zijn bedrijven en werkzoekenden gebaat bij ‘thick labour markets’, een term gemunt door Enrico Moretti, waarmee hij doelt op een omvangrijk en gevarieerd aanbod van banen en een omvangrijk en gevarieerd aanbod van arbeidskrachten. Steden als Amsterdam voorzien daarin bij uitstek. Diversiteit heeft zich in de economie en biologie bewezen als een noodzakelijke voorwaarde voor succes. Dat geldt ook voor de sociale kracht van steden. Met name Jane Jacobs en de socioloog HansPaul Bahrdt hebben hier nadrukkelijk op gewezen. Diversiteit leidt tot tolerantie. Met een eenzijdige opbouw van huishoudens verliest de stad dit belangrijke aspect.
Het zijn de financieel draagkrachtigere gezinnen die kunnen reageren op een overspannen woningmarkt en hun eisen met betrekking tot hun woning kunnen verzilveren op plekken buiten de stad, zij het veelal met het opgeven van geliefde woonmilieus. Het zijn daarentegen de minder draagkrachtigen die niet kunnen reageren op de overspannen woningmarkt en geen wooncarrière kunnen maken anders dan blijven zitten of verhuizen naar goedkopere, en dat betekent veelal minder aantrekkelijke, woningen en woonomgevingen in de stad (veelal de naoorlogse uitbreidingsgebieden). Minder aantrekkelijk in die zin dat het veelal niet-vitale buurten betreft waar bewoners zich moeilijk sociaal en economisch kunnen ontwikkelen. Bovendien zijn ook juist in deze buurten klachten over de staat van de woning (schimmel, hoog energieverlies). Bewoners, en zo ook kinderen, staan dan meteen op achterstand.
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
4
Figuur 1: thuiswonende kinderen naar leeftijd
De crisis op de woningmarkt is zó groot dat een deel van de volwassen kinderen veel langer bij hun ouders blijft wonen, wat niet alleen stress oplevert voor ouders en de jongeren, maar ook leidt tot uitstel van gezinsvorming. In Tokyo heeft dat zelfs al geleid tot lagere vruchtbaarheidscijfers. Tenslotte, zoals de geograaf Fielding aangaf, fungeert de stad als een roltrap voor sociale en economische mobiliteit en is daarmee een emancipatiemachine voor ouderen en schoolgaande kinderen. Met een vertrek uit de stad of achterblijven in een achterstandswijk in Amsterdam raakt ook de roltrapfunctie van de stad verder uit zicht. Kortom, er zijn meerdere problemen: (1) ongewilde uitstroom financieel draagkrachtige gezinnen, (2) inertie van minder draagkrachtige gezinnen die ‘opgesloten’ blijven in buurten met relatief slechtere woningen en een minder omvangrijk voorzieningenaanbod, (3) letterlijk en figuurlijke afstand tot de arbeidsmarkt, (4) vermindering sociale cohesie en (5) langer thuiswonende kinderen. De relatie stad en gezinnen: een win-win situatie “Een stad heeft geen gezinnen uit luxe, maar uit noodzaak” Bovenstaand citaat uit de workshop komt niet uit de lucht vallen. Kenmerkend voor gezinnen is dat zij, doordat er rekening moet worden gehouden met de agenda’s van meerdere gezinsleden, beperkte zogeheten ‘tijdruimtebudgetten’ hebben.
Daardoor zijn zij meer dan andere huishoudens op de directe woonomgeving aangewezen. Uit de literatuur en de workshop blijkt dat dit een aantal voor de stad belangrijke voordelen kan hebben. Zo zorgt de fysieke gebondenheid aan de buurt voor sociale buurtverbondenheid. Dit is een ideale voedingsbodem voor sociale cohesie. Een lagere doorstroomsnelheid wat betreft wonen versterkt deze buurtcohesie. Gebondenheid aan de buurt zorgt ook voor eyes on the street, met bijgevolg
meer sociale veiligheid. Gezinnen kunnen voor een structureel draagvlak van (dagelijkse) voorzieningen in de buurt zorgen, waar alle bewoners van de stad van profiteren. Een lokaal verenigingsleven gaat voor een groot deel via kinderen, wat alledaagse, soms kleine ontmoetingen tot gevolg heeft die kunnen uitgroeien tot tolerantie en verdere interactie. Deze zachte kenmerken van de stad zijn in een compacte, verdichtende stad belangrijke kwaliteiten en vormen harde vestigingsvoorwaarden voor alle op de stad georiënteerde huishoudens. Gezinnen in de stad betekenen ook (jonge) ouders in de stad, ouders die in hoge mate deelnemen aan het arbeidsproces, zowel betaald als niet-betaald. Gezinnen dragen dus ook bij aan het beperken van de ‘groene druk’ (veel jongeren/studenten) en ‘grijze druk’ (veel ouderen) en daarmee aan een evenwichtig verhouding van inwoners en beroepsbevolking. Naast de essentiële beroepen is er een war on talent waarbij bedrijven actief talent werven om toekomstbestendig te blijven. Het is van belang dat beide groepen mensen bereid zijn in de stad te blijven of er naar toe te verhuizen en dat dus de voorzieningen ook voor hun (toekomstige) gezin op orde zijn. Uit de literatuur blijkt ook een aantal redenen waar de stad belangrijk is voor gezinnen. De stad kent thick labour markets.
De stad stelt gezinshuishoudens met een beperkte tijd-ruimtebudgetten in staat om (twee) banen, opleiding, en een rijk sociaal en cultureel leven te combineren. Dat verruimt de bewegingsvrijheid van de ouders. Bepaalde leefstijlen kunnen enkel in de stad. Daarnaast is de keuze uit een gevarieerd aanbod aan (soms noodzakelijke) voorzieningen in de stad groot. Het is niet voor niets dat eenoudergezinnen, die nog meer afhankelijk zijn van voorzieningen in de woonomgeving, oververtegenwoordigd zijn in de stad. De kansen voor kinderen op het volgen van opleidingen en het opbouwen van sociaal en economisch kapitaal zijn in de stad bij uitstek het grootst.
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
5
Een kleine geschiedenis van gezinnen in de stad Gezinnen hebben altijd een wezenlijk onderdeel van de stad uitgemaakt. Een belangrijke kentering was het economisch gedreven en beleidsmatig versterkte suburbanisatieproces rond de jaren ‘70 van de vorige eeuw. De slechte economische, sociale en fysieke omstandigheden in de westerse steden zorgden voor een uitstroom van met name gezinnen uit de stad. Deze uitstroom werd door het Nederlandse overloopbeleid ook gestuurd (vergemakkelijkt door de opkomst van de auto als massaproduct). Toen daarmee ook het voorzieningenniveau van de stad sterk verzwakte, kwamen steden snel terug op dat overloopbeleid. De Angelsaksische geograaf Berry beschreef in die tijd zijn family life cycle model. Hij onderscheidt vier elkaar opvolgende levensfasen met de daarbij horende ruimtelijke milieus: opgroeien in een kleine gemeente, het opbouwen van een carrière in buurten met appartementen in de stad, het opvoeden van kinderen in de suburb en na je pensioen naar zonovergoten landelijke gebieden. Zijn theorie klopte wellicht in het laatste deel van de vorige eeuw en met name voor de situatie in de Verenigde Staten, de situatie is vandaag een stuk genuanceerder. Berrys theorie heeft zich echter hardnekkig in de hoofden van planners genesteld en geldt vandaag voor velen
als een ‘vanzelfsprekendheid’. Gezinnen met één kostwinner, vaak woonachtig in appartementen, toen nog het dominante traditionele huishoudentype, wilden de stad uit. De situatie in de stad was toen ook desolaat, maar deze feitelijke constatering verwerd tot de mythe dat ‘de stad slecht voor kinderen’ zou zijn. Een reactie achteraf zou à la Jane Jacobs kunnen zijn dat niet de stad slecht is voor kinderen, maar dat een stad die niet fijn is voor kinderen een slechte stad is…. In die zin zijn gezinnen als kanariepietjes in de kolen mijnen: zij geven aan dat er iets mis is in de stad. Het succes van de stad, meer specifiek de stedelijke economie, brengt Amsterdam rond 2000 weer in beeld: er ontstaat een toestroom van binnenlandse en buitenlandse migranten en ook aantal en aandeel gezinnen in de stad stijgen. Dat komt logischerwijs doordat veel instromende mensen jong zijn: studenten, starters op de arbeidsmarkt en ook buitenlandse migranten zijn relatief jong. Deze mensen blijven vaak ‘hangen’ in de stad, ontmoeten hun (levens)partner en stichten een gezin: relatief veel gezinnen worden dus in de grote (studenten) steden geboren. Een deel van die gezinnen verhuist op enig moment naar de randgemeenten of verder weg, en dat verklaart waarom er altijd een binnenlands migratieoverschot is van gezinnen
Figuur 2: Aandeel 0 tot 17-jarigen in minimahuishoudens naar buurt, 2022 Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
6
uit de grote steden naar de omgeving. De omgekeerde beweging (jonge gezinnen die vanuit de randgemeenten of verder weg naar de grote stad komen) is altijd veel kleiner geweest. Maar het succes van de stad kent ook een keerzijde: het heeft er toe geleid dat de stad een minder toegankelijke woningmarkt kent en dat door allerlei vormen van congestie een prettig woonmilieu voor veel gezinnen schaarser is geworden. De oververhitte woningmarkt, de hiermee gepaard gaande hoge m2prijzen en beperkte doorstroming van empty nesters, het bouwen van met name kleine(re) woningen die niet geschikt zijn voor gezinnen, zouden gezinnen die het zich kunnen veroorloven doen besluiten de stad de verlaten. De sterkste beweging vindt overigens niet enkel plaats naar suburbane woonmilieus in de MRA (in aantal is deelregio Amstelland-Meerlanden met o.a. Amstelveen, Haarlemmermeer, Diemen, verreweg de belangrijkste verhuisbestemming), maar ook naar gemeenten met een stedelijk voorzieningenpakket (bijvoorbeeld Haarlem, Utrecht, Amersfoort, Hilversum, en door de opkomst van het thuiswerken en verzadigen van de woningmarkt in genoemde steden ook verder weg naar Apeldoorn, Zwolle en Arnhem). Het lijkt erop dat welvarende gezinnen die vertrekken de versnelling hebben ingezet.
Gezinnen uit de hogere inkomensgroepen vertonen eenzelfde voorkeur voor ‘stedelijk wonen’ als (andere) stedelijk georiënteerde huishoudens: nabijheid tot functiemix, een ruime arbeidsmarkt en aantrekkelijke openbare ruimte. Een beperkte toegankelijkheid op de woningmarkt, een toegenomen druk op de openbare ruimte door meer mensen, meer verkeer en wachtlijsten voor scholen en sportclubs is voor een deel van de gezinnen die het zich kunnen permitteren reden om te vertrekken. Hierdoor wordt het moeilijker om in de stad te blijven. Voor de gezinnen die om financiële reden niet de mogelijkheid hebben te verhuizen naar andere
delen van de stad of van Nederland wordt het moeilijk(er) om die ambitie te realiseren. Omdat in de naoorlogse uitbreidingsgebieden een zeer groot deel van de woningen uit sociale huurwoningen bestaat, kennen deze gebieden vandaag de dag een oververtegenwoordiging van minder draagkrachtige bewoners waaronder gezinnen. Er is binnen Amsterdam sprake van ongelijke spreiding van gezinnen met een minimuminkomen. Deze zitten min of meer vast op de woningmarkt in gebieden die zich niet alleen kenmerken door groot aandeel sociale huurwoningen, maar ook door een opeenstapeling van andere sociaaleconomische problemen. Omdat deze voornamelijk naoorlogse gebieden zich kenmerken door functiescheiding en daarbij opgeteld de beperkte draagkracht voor voorzieningen, zijn dit buurten die niet stimuleren tot sociale en economische emancipatie. Ruim 20.000 kinderen in Amsterdam groeien op in een huishouden met een inkomen op het minimum en weinig vermogen. Dat is 16% van alle 0 tot en met 17-jarigen. Zowel in absolute als in relatieve zin is dit sterk gedaald. Tien jaar terugging het nog om een kwart van de kinderen. De verschillen in de stad zijn groot. Het aandeel kinderen dat opgroeit in een huishouden met een laag inkomen en weinig vermogen ligt het hoogst in stadsdeel Zuidoost en Noord. In absolute zin telt stadsdeel Nieuw-West de meeste kinderen in een minimahuishouden.
Verhuisgeneigdheid Uit het representatieve onderzoek van O&S blijkt dat van de Amsterdamse gezinnen met kinderen 35% binnen twee jaar wil verhuizen. Nog eens 26% wil dat misschien. Belangrijk is dan wel te weten dat 76% van die Amsterdamse gezinnen in Amsterdam wil blijven wonen, wat ondersteund wordt door het
Figuur 3: huishoudens met kinderen in Amsterdam, in aantal en aandeel Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
7
onderzoek van Motivaction. Het aantal gezinnen in de stad is sinds 2011 gegroeid, en interessant is dat het aantal laatste jaren constant blijft, maar dat het aandeel van de gezinnen ten opzichte van andere huishoudentypen daalt. Het aandeel van de gezinnen met kinderen in de Amsterdamse huishoudens is nu bijna 23%. In Nederland is dat aandeel 32%. En dat is zelfs nog inclusief inwonende volwassen kinderen. Dus het aandeel ‘echte gezinnen’, met kinderen tot 18 jaar is nog lager: 16%. Terwijl het landelijk 22% is en ook de overige G4 steden liggen nabij het landelijk gemiddelde (Rotterdam 20%, Den Haag 21% en Utrecht 20%). De groei van de gezinnen met jonge kinderen bestaat bijna volledig uit gezinnen met een middelhoog of hoog inkomen. Welvarende gezinnen dus. Maar de gezinnen die vertrekken uit de stad zijn ook welvarend. Gezinnen met financiële restricties ‘zitten vast’ in hun woning en in hun woonomgeving. Zij kunnen een eventuele verhuiswens niet verzilveren. Het betreft enerzijds gezinnen met name in zogenaamde ‘probleemwijken’. De afhankelijkheid van deze bewoners van publieke voorzieningen is groot, omdat zij niet of weinig gebruik kunnen maken van private
voorzieningen en minder gemakkelijk hun woonbuurt kunnen uitkiezen op basis van voorzieningen. Anderzijds betreft het middeninkomensgezinnen, die geen woningen van voldoende grootte vinden binnen hun budget. Er is kortom sprake van een selectieve migratiestroom van deze gezinnen naar buiten de stad. Verhuiswensen Als gezegd wil één op de drie gezinnen verhuizen, waarvan 76% binnen Amsterdam. Van de gezinnen die in Amsterdam willen blijven bestaat het grootste deel uit gezinnen met oudere kinderen. Uit het onderzoek van Motivaction blijkt dat verhuisgeneigde gezinnen een sterke intrinsieke motivatie hebben om in Amsterdam te blijven wonen vanwege de binding die zij met de stad zelf voelen. Deze band wordt gevoed door wat zij als typisch Amsterdams ervaren: een stad die staat voor vrijheid, diversiteit en dat je mag zijn wie je wil zijn, gecombineerd met een uitgebreid aanbod aan winkels, horeca, sport en cultuur. In tegenstelling tot de ‘vlucht’ van gezinnen in de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw wil meer dan driekwart van de verhuisgeneigde gezinnen Amsterdam niet verlaten.
Figuur 4: Gewenste woonlocatie van verhuisgeneigde gezinnen naar leeftijd oudste kind
Figuur 5: Need-to-have’s: Stad (Motivaction)
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
8
In het Motivaction onderzoek zijn de wensen ten opzichte van de stad verbeeld in ‘need to have’ en ‘nice to have’ (figuur 5). Naast ‘de stad Amsterdam’ blijkt dat de verbondenheid met de buurt waar zij wonen van groot belang te zijn voor hun woonplezier. Gezinnen spenderen veel van hun tijd in de directe leefomgeving dus ook deze moet voldoende voorzieningen bieden: een dorpse sfeer in de buurt, met de reuring van de stad om de hoek, aldus Motivaction. Dat geldt overigens ook voor andere huishoudenstypen.
Nabijheid, sowieso een belangrijke conditie voor stedelijk georiënteerde huishoudens, geldt nog eens extra voor gezinnen met kinderen. Belangrijk is de constatering dat voor driekwart van de verhuisgeneigde gezinnen die in Amsterdam wil blijven, de buurt bij voorkeur wel rijk moet zijn aan verschillende soorten voorzieningen binnen loopafstand. Niet alle buurten in Amsterdam voldoen daaraan. Vooral in de naoorlogse uitbreidingsgebieden schort het aan nabijheid van voorzieningen. De woon- en bezoekersdruk op de vooroorlogse stad neemt daardoor toe. Ook hier zijn de wensen van de gezinnen met kinderen in te delen in ‘need to have’ en ‘nice to have’
Figuur 6: buurtvoorzieningen die belangrijk zijn voor verhuisgeneigde gezinnen die in Amsterdam willen blijven (meerdere antwoorden mogelijk)
Figuur 7: Need-to-have’s: leefomgeving (Motivaction)
Figuur 8: ruimtes die belangrijk zijn in de nieuwe woning voor verhuisgeneigde gezinnen die in Amsterdam willen blijven wonen (meerdere antwoorden mogelijk) Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
9
Figuur 9: Gewenste woningtype van verhuisgeneigde gezinnen die in Amsterdam willen blijven naar leeftijd oudste kind (meerdere antwoorden mogelijk)
Figuur 10: Need-to-have’s: woning (Motivaction)
(Motivaction/figuur 7). Wat betreft de wensen voor een nieuwe woning speelt vooral het aantal kamers (minimaal 4) en een tuin of een eigen balkon of dakterras een grote rol. Opmerkelijk is dat het veel gehoorde adagium dat ‘alle gezinnen een grondgebonden woning willen met een tuin’ niet als vanzelfsprekend opgaat voor verhuisgeneigde gezinnen in Amsterdam: 45% van die gezinnen ziet ook een appartement met lift als wens. De gewenste woningtypen als vrijstaande woning, 2-onder 1-kap, of rijtjeshuis zijn niet des stads en vandaag de dag ook moeilijk te realiseren. Met wijken als de Middelveldse Akerpolder of Nieuw-Sloten is dat in een recent verleden wel mogelijk gebleken, maar erg stedelijk zijn die buurten niet en behoren inmiddels tot wijken en stadsdelen van na de oorlog die zich kenmerken door monotonie, gebrekkig voorzieningenaanbod en sociaaleconomische problemen
De ‘need to have’ en ‘nice to have’ verbeelding wat betreft de woning ziet er volgens Motivaction als volgt uit (figuur 10). Op basis van zowel het kwalitatieve als kwantitatieve onderzoek kan gesteld worden dat tuin en buitenruimte als balkon en dakterras voor stedelijk gericht gezinshuishoudens voor een deel inwisselbaar zijn. Dat de nice to have een grote eengezinswoning van 160m2 is met een grote tuin tussen 60-100m2 is natuurlijk niet realiseerbaar in de stad. Maar de respondenten geven zelf al aan niet actief hiernaar op zoek te gaan. Tot op zekere hoogte herstelt de Amsterdamse vooroorlogse traditie van gezinnen in appartementen zich de laatste jaren. In het Motivaction onderzoek dragen gezinnen zelf een aantal oplossingen aan om ze voor de stad te behouden (figuur 11).
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
10
Figuur 11: Oplossingen die gezinnen zelf aandragen (Motivaction)
Is er nog ruimte voor gezinnen in de stad? Na de overloopperiode ten tijde van het groeikernenbeleid bleven gezinnen weer in de stad en steeg ook hun aantal en aandeel weer (al daalt dat laatste in de recente jaren). Er bleek ook nog genoeg woonruimte te zijn of te kunnen worden gerealiseerd, denk aan de grondgebonden ééngezinswoningen in De Aker, Nieuw Sloten, De Bongerd en recenter IJburg en Weespersluis. Door de keuze van de gemeente Amsterdam om binnen de eigen grenzen te bouwen en het landelijk deel van de stad niet verder aan te tasten, lijkt die ruimtes nu ‘op’ (Omgevingsvisie Amsterdam). Er lijken vooralsnog genoeg ruimtelijke mogelijkheden binnen de bebouwde grenzen van Amsterdam om aan de enorme woningvraag sowieso en dus ook die van verhuisgeneigde gezinnen met kinderen te voldoen: verdichting, transformatie en hoogbouw. We zagen al dat tot op zekere hoogte de Amsterdamse (en ook stedelijke) traditie van gezinnen in appartementen zich de laatste jaren herstelt (denk aan bijvoorbeeld KNSM-eiland, Javaeiland, IJburg, Zeeburgereiland, Overamstel). Het wonen met kinderen in een appartement wordt door een deel van de stedelijk georiënteerde gezinshuishoudens omarmd (slechts 16% van de Amsterdamse woningvoorraad bestaat uit eengezinswoningen). Voorwaarde is dan wel dat de omvang van de woning acceptabel moet zijn (al blijft die kleiner dan die van suburbane gezinnen).
De meeste gezinnen die willen verhuizen binnen Amsterdam geven aan een woning te zoeken tussen de 70-130 m2 en met meerdere kamers (O&S, Motivaction).
Dat een deel van de gezinnen met kinderen in appartementen wil wonen, dat tuin en andere vormen van buitenruimte voor een deel van deze woningzoekenden inwisselbaar zijn, en dat de omvang van een stedelijke gezinswoning tussen de 70-130 m2 moet liggen, betekent dat hoogbouw wel degelijk als ‘vervanging’ kan gelden voor grondgebonden woningen met tuin. Dat blijkt ook wel uit Java- en KNSM-eiland en IJburg, waar een groot deel van de appartementen door gezinnen worden bewoond. De wensen met betrekking tot een veilige en aantrekkelijke (semi)openbare buitenruimte nemen dan vanzelfsprekend toe. Verdichten is het punt niet, het punt is dat er nietvoor-gezinnen-geschikte (te kleine) woningen gebouwd worden. Een tekort aan startende huishoudens waaronder studenten moet ook opgelost worden. Veel kleine appartementen leveren in de huidige markt meer op. Maar dat zegt nog niks over de betaalbaarheid van woningen voor gezinnen als gevolg van de prijsstuwing door hoge vraag en hoge bouwkosten bij nieuwbouw. De ontoegankelijke Amsterdamse woningmarkt zorgt voor suburbanisatie van gezinnen met gezinsleden werkzaam in vitale (zorg, onderwijs, politie) en stadsverzorgende (loodgieters, timmerlieden, tegelzetters etc.) beroepen. Aanvankelijk is dat geen groot probleem, men blijft in eerste instantie forensen (met weliswaar bijbehorende druk op parkeren, infra en OV).
Maar zodra zich de mogelijkheid voordoet, betrekt men een baan in de suburbane woonomgeving. Dat kan
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
11
zorgen voor een aantasting van de kwaliteit van zorg, onderwijs en het aanbod van stadsverzorgende diensten in Amsterdam. Overigens is dit van lieverlee een landelijk probleem geworden, dat in Amsterdam door de situatie op de arbeidsmarkt in versterkte mate geldt. Het is niet ondenkbaar dat schaarste op de arbeidsmarkt voor vitale beroepen die zich ook voordoet in de regio, überhaupt verhuizen naar ‘goedkopere’ delen van het land vergemakkelijkt. Discussie Wat betreft de waardering van en wensen met betrekking tot de stad verschillen de typen Amsterdamse huishoudens niet zo veel van elkaar. Huishoudens met name in de vooroorlogse stad hebben amper problemen met de kwaliteiten van de stad, de openbare ruimte en verkeersveiligheid, het openbaar vervoer en nabijheid van vele en veelsoortige voorzieningen. In de naoorlogse stad is dat wezenlijk anders. De autoafhankelijkheid is hier ook veel groter. Gezinshuishoudens echter zijn gevoeliger voor het ontbreken van genoemde faciliteiten omdat hun tijd-ruimte budgetten per definitie krapper zijn dan voor andere huishoudens geldt. Bovendien maakt de buurtgebondenheid van gezinnen dat zij gevoeliger zijn voor (het ontbreken van) sociale cohesie in de omgeving. Ook onderscheiden gezinnen zich van andere huishoudens door extra gevoeligheid voor lange wachttijden bij schoolopvang of sportverenigingen.
De invloed op de woning- en woonomgevingsfactoren is, blijkens een veelheid aan beleidsdocumenten en -verkenningen, groot. De overspannen woningmarkt is een belangrijke factor in de uitstroom. De invloed van de lokale overheid op de woningmarkt is echter beperkt. Hoewel de invloed van de lokale overheid op de gezinsvriendelijkheid van de woonomgeving groot is, als de situatie op de woningmarkt niet verandert, zal het effect ervan op de uitstroom van gezinnen uit Amsterdam marginaal zijn. Een extra reden om toch te blijven nadenken over het vlottrekken ervan. Dat steden gezinsvriendelijk kunnen zijn, bewijzen succesvolle voorbeelden als Wenen en Zürich. De bepalende rol van de gemeente Wenen in de woningmarkt (veel eigen bezit en voornamelijk huurwoningen) en de betekenisvolle rol van woningcoöperaties in Zürich zijn het bestuderen waard. Dat gebeurt ook bij de directies Wonen en Grond & Ontwikkeling. Het blijft natuurlijk moeilijk en tijdrovend om over te schakelen op deze buitenlandse systemen.
voor- en naoorlogse stad (niet verwonderlijk) in het oog springen. Gezinshuishoudens hebben specifieke wensen voor het wonen in de stad. Die hebben betrekking op de kwaliteit van de woonomgeving, maar ook over de kwaliteit van de woning. Er gebeurt al veel om aan de wensen van gezinnen tegemoet te komen. Volgend op de bevindingen in dit paper zouden de beneden besproken voorstellen uitgewerkt kunnen worden. Het versterken van de positie van gezinnen in de stad vraagt om een combinatie van maatregelen in de bestaande stad (gezinnen vasthouden en doorstroming stimuleren) en in de gebiedsontwikkeling (gezinnen aantrekken). Het is dus belangrijk om deze mogelijke maatregelen verder uit te werken en op impact en haalbaarheid te toetsten. Deze zijn gerangschikt naar mate van hoe complex de maatregelen zijn.
1 PROCES. Het ‘informele’, op gezinnen gericht
beleid is zeer versnipperd over de ambtelijke organisatie. Verschillende ambtelijke diensten houden zich al hiermee bezig (zie figuur 12). Omdat de gemeentelijke overheid direct en soms zelfs op korte termijn invloed heeft op de woonomgeving, kan een integrale afstemming op de gezinsvriendelijkheid van beoogde ambities uit de beleidsnota’s en verkenningen (o.a. Ontwikkelstrategie 2035, Vitale buurten, Verbonden Buurten, Amsterdam maakt Ruimte, Ruimte voor de Economie van Morgen, Spelen en sporten in de openbare ruimte, Amsterdamse gezondheidslogica en Grond voor de Toekomst), snel vruchten afwerpen. Portefeuille- of directie overstijgend opdrachtgeverschap kan verder bijdragen aan de waarborging van interne samenwerking, integrale beleidsproducten en daarmee effectieve uitvoering.
2 WOONOMGEVING. De verschillen op vele fronten tussen de voor- en naoorlogse stad hebben geleid tot de beleidsambitie ‘Ongelijk investeren voor gelijke kansen’. De kwaliteit van de woonomgeving kan ook vanuit het perspectief van gezinnen bekeken worden door bijvoorbeeld no-regret maatregelen voor een gezonde, veilige en aantrekkelijke openbare ruimte. Hierbij valt te denken aan de aanpak van speelgelegenheden, verlichting, vervuiling en vernieling. Het verbeteren van het voorzieningenaanbod in de naoorlogse wijken zal ook meer kinderopvang, (kwalitatief) goede basisscholen en voortgezet onderwijs tot gevolg moeten hebben.
In deze paper is getracht een dieper inzicht te krijgen in de gezinsvriendelijkheid van de stad. Die is in beginsel niet slecht (immers vele gezinnen willen hier wonen en blijven wonen), maar verschilt ruimtelijk, waarbij de tegenstellingen tussen de Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
12
Afd. Onderwijs
Crèche, buitenschoolse opvang, Integraal Kindcentrum
Afd. Sport
Openbare sport en speelplekken
GGD
Aandacht voor bewegen in ruimtelijk ontwerp
Afd. Zorg
Jeugdzorg, gezinszorg
Afd. Werk, Participatie en Inkomen
Economische en maatschappelijk ‘meedoen’
Verkeer & Openbare Ruimte
Veilige en aantrekkelijke mobiliteitsvormen
Figuur 12: gemeentelijke thema’s die effect hebben op gezinsvriendelijke stad
3 GEBIEDSONTWIKKELING. De aandacht in de
gebiedsontwikkeling zou zich moeten richten op het ontwerpen van openbare ruimte vanuit het perspectief van de voetganger; met focus op loopafstanden naar voorzieningen of hoogwaardig OV, ontmoetingsplekken en buiten spelen/bewegen. De verkenning ‘Vitale buurten’ en de Nota ‘Amsterdam maakt ruimte’ zouden als basis voor de eerste fases in de gebiedsontwikkeling moeten worden opgenomen.
4 DOORSTROMING. De ontoegankelijkheid van
de woningmarkt voor gezinnen is voor een deel het gevolg van ‘scheefwonen’. Uitwerking van de doorstromingsmogelijkheden voor gezinnen is daarom urgent. Betaalbare gezinswoningen die er zijn, zouden bijvoorbeeld niet verkocht of geliberaliseerd moeten worden, of als ‘friends concepten’ op de markt worden gezet. In de bestaande stad zou nieuwbouw moeten bijdragen aan de diversiteit van de huidige voorraad van de buurt. Ook flexibelere regelgeving over uit-/ aan-/opbouwmogelijkheden behoort tot de mogelijkheden. Daarnaast kunnen aantrekkelijke seniorenwoningen t.b.v. doorstroming van ruim wonende en verhuisgeneigde ouderen, met praktische begeleiding bij de verhuizing, ook grotere woningen vrijspelen.
5 WOONAANBOD. De situatie op de woningmarkt
is niet alleen hardnekkig, ook de invloed van de (lokale) overheid is beperkt. Des te meer reden uit te werken hoe deze met betrekking tot gezinshuishoudens toegankelijker kan worden. Een veelheid van ideeën is het traject gezinsvriendelijke stad naar voren gekomen, die nader uitgewerkt dienen te worden op haalbaarheid: • Bouwen van grotere woningen nabij concentraties van benodigde voorzieningen voor gezinnen in de bestaande stad; • Ruimte bieden voor nieuwe woonconcepten zoals wooncorporaties, CPO’s voor gezinswoningen of meergeneratiewoningen; • Ontwikkelen van een label ‘gezinswoning’, met minimaal oppervlak, aantal kamers en buitenruimte; • Financiële incentives voor ontwikkelaars voor het ontwikkelen van grotere woningen; • Onderzoeken van alternatieve financieringsstromen en eigendomssituaties, met voorbeelden uit Wenen en Zürich als inspiratie.
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
13
Literatuur Bahrdt, H-P. (1961), Die modern Groβstadt. Soziologische Überlegungen zum Städtebau. Hamburg: RTV. Berry, B. (1973), The Human Consequences of Urbanisation. New York: St. Martins Press. Booi, H. (2024), Staying in the city or moving to the suburbs: changes and variations in residential mobility and impacts on metropolitan areas. Amsterdam: UvA Engelen, M. van (2024), De Stad, Het verhaal van Amsterdam van 1980 tot vandaag. Amsterdam: Bezige Bij. Faludi, A. & A. van der Valk (1990), De groeikernen als hoeksteen van de Nederlandse ruimtelijke planningsdoctrine, Assen: Van Gorcum, Fielding, A.J. (1993), Migration and the Metropolis: South-East England. Umea. Gadet, J. (2011), Terug naar de stad. Geografisch portret van Amsterdam. Amsterdam: SUN/Trancity Gemeente Amsterdam (1989), Amsterdam. Bevolkingsprojecties tot 2000. Deel 4: Huishoudens. Gemeente Amsterdam (2022), Thuis in de stad. Hoe ruimtelijke condities bijdragen aan thuisgevoel in de stad. Gemeente Amsterdam (2023), Omgevingsvisie Amsterdam 2050: Een menselijk metropool. Gemeente Amsterdam (2024), Vitale Buurten: Niet projecten, maar buurten maken de stad. Gemeente Amsterdam (2025), Woonsituatie Amsterdamse Kinderen. Amsterdam: O&S. Glaeser, E. (2011), Triumph of the City. New York: The Penguin Press. Hospers, G.J. & P. Renooy (red.) (2021), De wereld van de stad. Theorie, praktijk, toekomst.
Amsterdam: Berghauser Pont Publishing Jacobs, J. (1961), Death and Life of Great American Cities. Random House. Jansen, J. & J. Slot (2011), ‘Van leegloop naar magneet. Dubbele aantrekkingskracht van Amsterdam’, pp. 4-15 in: Plan Amsterdam 17, Amsterdam: Dienst Ruimtelijke Ordening. Karsten, L. (2007), ‘Housing as a way of life: towards an understanding of middle class families’ preferences for an urban residential location’, Housing Studies 22: 83–98. Karsten, L. (2009), ‘From a top-down to a bottom-up urban discourse: (re) constructing the city in a family-inclusive way’, Journal of Housing and the Built Environment 24: 317-329. Krugman, P. (2017), Why Can’t We Get Cities Right. New York Times. Motivaction (2025), Wonen als gezin in Amsterdam Onderzoeksrapport over de brede inventarisatie van behoefte. Amsterdam: Motivaction. Moretti, E. (2012), The New Geography of Jobs. (Boston: Mariner Books) Metropoolregio Amsterdam (2023), Factsheet Wonen in Amsterdam 2023 Planbureau voor de Leefomgeving (2015), De stad: magneet, roltrap en spons. Den Haag. Platvoet, L & M. van Poelgeest (2005), Amsterdam als emancipatiemachine. Toth. Debat De Gezinsvriendelijke Stad Met: Peter Boelhouwer, Ad de Bont, Hester Booi & Lia Karsten (10 september, 2025) Debat “De Gezinsvriendelijke Stad”, te Amsterdam
Paper Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
14
Colofon Titel:
Paper: Hoe maken we Amsterdam een gezinsvriendelijkere stad?
Datum van publicate:
November, 2025
Opdrachtgever:
Programma Ruimte voor de Stad Ontwikkelstrategie 2035
Auteurs:
Jos Gadet, Sharmilee Jayakkumaran, Arjan Verhoef, Olivier van de Sanden, Stefan Ebels - Ruimte & Duurzaamheid
In afstemming met:
Directie Wonen, Economische Zaken & Cultuur, GGD, Grond & Ontwikkeling, Maatschappelijke Voorzieningen, Verkeer & Openbare Ruimte
Voor meer informatie:
s.v.jayakkumaran@amsterdam.nl