CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Notitie Reikwijdte en Detailniveau.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 16 april 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van vaststelling van de Notitie Kansrijke Oplossingsrichtingen en de Notitie Reikwijdte en Detailniveau plan-MER MIRT-verkenning OV Verbinding Amsterdam - Haarlemmermeer (VN2025-001873)14.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

die randvoorwaarden stellen aan toekomstige ontwikkelingen in het plan- en studiegebied van de MIRT-verkenning. Ook wordt in beschouwing genomen de structuur-/omgevingsvisies en bestemmings-/omgevingsplannen van de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer. Net als omgevings- en natuurvergunningen in het plangebied.

4.3. Beoordelingsmethodiek In het plan-MER wordt (per te hanteren toetsingscriterium) het (milieu)effect uitgedrukt op basis van de onderstaande schaal: De effecten worden beschreven voor de in paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3 genoemde alternatieven.

++ sterk positief effect +

4.2. Wet- en regelgeving en beleid Het plan-MER gaat in op wet- en regelgeving en op het relevante beleidskader op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Ook gaat het in op de recente ontwikkelingen daarin,

positief effect

0/+ licht positief effect 0

geen positief en geen negatief effect

0/- licht negatief effect -

negatief effect

--

sterk negatief effect

27 4.4. Beoordelingskader In onderstaande tabel 6 zijn voor de aanwezigheidsen gebruiksfase 10 en voor de bouw- en aanlegfase de te onderzoeken thema’s en aspecten (reikwijdte), de bijbehorende detailniveaus (beoordelingswijze) en de onderbouwingen waarom de betreffende aspecten zullen worden onderzocht (toelichting) weergegeven. Ook de beschrijving van de referentiesituatie in het plan-MER vindt plaats voor de thema’s en aspecten zoals die in tabel 6 zijn opgenomen. In het plan-MER worden de effecten van de basisalternatieven vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie en autonome ontwikkelingen in en rondom het plangebied. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich voordoen als het planvoornemen c.q. de ov-verbinding Amsterdam-Haarlemmermeer niet wordt gerealiseerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de gevolgen van het vastgestelde beleid en met de realisatie van projecten waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. Het zichtjaar voor de referentiesituatie en voor de effecten van de alternatieven is 2040. Na de effectbepaling en -beoordeling van de alternatieven, wordt onderzocht of mitigerende maatregelen nodig zijn, ter voorkoming dan wel vermindering van ongewenste en onacceptabele omgevingseffecten. En zo ja, waaruit die maatregelen bestaan.

Daarnaast wordt in het plan-MER aangegeven met welke raakvlakprojecten rekening wordt gehouden. Zoals het Multimodale Knooppunt Schiphol (MKS), Spoorzone Hoofddorp, Multimodale Knooppunt Hoofddorp (MKH) en de Verkenning ov-verbinding Amsterdam Sloterdijk-Amsterdam Centrum (OVSA). Rekening houden in de zin van mogelijke effecten die de projecten op elkaar zullen hebben en waardoor cumulatieve effecten met de ov-verbinding OVAH kunnen ontstaan. In het plan-MER vindt naast een effectbeschrijving en -beoordeling ook een toetsing op doelbereik plaats. Dit betekent dat inzichtelijk wordt gemaakt èn wordt beoordeeld in hoeverre de vijf basisalternatieven bijdrage leveren aan het bereiken van de vier doelstellingen van het project OVAH. Daarbij zal tevens duidelijk worden gemaakt wat de bijdrage zal zijn van de alternatieven aan Brede Welvaart.

Het plan-MER geeft derhalve inzicht in het ruimtegebruik en het effect op Brede Welvaart door het hanteren van de volgende criteria: •

de mate waarin het ruimtebeslag (zowel fysiek als door hinder en veiligheid) ervoor zorgt dat bestaande woon- en werklocaties niet kunnen worden geïntensiveerd of uitgebreid, of nieuwe woon- en werklocaties op logische locaties niet kunnen worden ontwikkeld; • de mate waarin bestaande of nieuwe woon- en werklocaties beter worden aangesloten op het ov-netwerk; • de mate waarin groene uitloopgebieden in omvang en kwaliteit veranderen; • de mate waarin de nieuwe infrastructuur een barrière vormt voor omwonenden om aangrenzende woon-, werk- en groene uitloopgebieden met de fiets of te voet te kunnen bereiken. Ten aanzien van het differentiëren van effecten op ruimtegebruik naar sociaaleconomische status en nabijheid t.o.v. het project zal dit waar bekend en relevant worden benoemd. Er zal daarvan geen beoordeling plaatsvinden in het plan-MER. Onderdeel van het thema natuur in het plan-MER is het uitvoeren van een voortoets Natura 2000. De voortoets maakt duidelijk of er mogelijk significante negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Als dat het geval is, wordt naast het plan-MER ook een Passende Beoordeling opgesteld. Daarbij wordt als referentie de huidige toestand van de beschermde natuurwaarden beschreven.

10

Feitelijke aanwezigheid van de gerealiseerde infrastructuur en het

gebruik ervan (exploitatie). De tabel is gebaseerd op een advies van het bureau WSP (Adviesnota omgevingsaspecten NRD, november 2023).

28

Tabel 6: Reikwijdte en detailniveau van het MER op volgende pagina’s. Thema

Aspect

Toelichting

Criteria

Beoordelingswijze

De aanleg van de benodigde infrastructuur heeft invloed op de kwaliteit van de bodem doordat bestaande verontreinigingen worden doorkruist/ontgraven en waarbij mogelijk verontreinigde grond wordt afgevoerd. Er wordt daarom onderzocht of de routes van de alternatieven door gebieden met bestaande bodemverontreinigingen lopen. Daarnaast kunnen bouwstoffen (funderingsmateriaal en kwaliteit grond) voor de aan te leggen infrastructuur van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Bouwstoffen (funderingsmateriaal en grond) moeten voldoen aan de eisen uit de Regeling bodemkwaliteit, waarmee wordt voorkomen dat nieuwe verontreiniging wordt veroorzaakt als gevolg van het project. Ook worden effecten op bodemstabiliteit, bodemdaling en zettingen nagegaan.

Effecten op bodemkwaliteit.

Kwalitatief

Effecten op bodemstabiliteit, bodemdaling en zettingen.

Kwalitatief

De aanwezigheid van de nieuwe infrastructuur leidt tot toename van verhard oppervlak en verandering van de waterstructuur (watergangen). Bovengrondse infrastructuur, ondiepe tunnels, tunnelbakken en ondergrondse infrastructuur hebben hierbij hun eigen kenmerken voor de verwerking en compensatie van hemelwater. De aanwezigheid van de nieuwe infrastructuur en het gebruik ervan zijn als zodanig geen bronnen van emissies naar grond- en oppervlaktewater. Bij de (deels) ondergrondse alternatieven en varianten is de mogelijk blokkerende werking van de constructie op de grondwaterstroming een aandachtspunt. Er kan een invloed op het zoet-zoutgrensvlak optreden. Ook kan de nieuwe infrastructuur invloed hebben op de grondwaterstand. Dit speelt vooral bij de alternatieven met ondergrondse infrastructuur. Er bestaat bovendien risico op opbarsting. Het principe van ‘water en bodem sturend’ wordt gehanteerd om te beoordelen of er (en zo ja welke maatregelen) nodig zullen zijn in de alternatieven en varianten. Ten slotte kruisen de routes van alle basisalternatieven een aantal regionale waterkeringen (Nieuwe Meerdijk en de keringen rondom de Nieuwe Meer en de Schinkel).

Effecten op grondwater (incl. opbarsting).

Hoofdzakelijk kwalitatief

Effecten op grondwaterkwaliteit (zoet-zout grensvlak).

Hoofdzakelijk kwalitatief

Effecten op oppervlaktewater (waterstructuur, compensatie verharding, waterkwaliteit).

Hoofdzakelijk kwalitatief

Effecten op waterveiligheid.

Hoofdzakelijk kwalitatief

Effecten tijdens aanwezigheids- en gebruiksfase Bodem en water

Bodem

Water

29

Thema

Aspect

Toelichting

Criteria

Beoordelingswijze

Natuur en biodiversiteit

Beschermde gebieden

De Natura 2000-gebieden KennemerlandZuid, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Polder Westzaan en Botshol liggen op relatief grote afstand. Eventuele effecten op deze gebieden (stikstofdepositie) kunnen optreden als gevolg van toe- of afname van verkeer in en rondom het plangebied (de betreffende modaliteit van het alternatief en verkeer van en naar de nieuwe haltes). Verder kruisen alternatieven de Natuur Netwerk Nederland (NNN)-verbinding ZNV2, de Groene AS (onderdeel van het NNN). Het is daarmee noodzakelijk om effecten op de kenmerken en waarden van het NNN in beeld te brengen. De alternatieven kunnen ook effecten hebben op Bijzonder provinciaal landschap, hoofdgroenstructuur Amsterdam, groenstructuurplan Badhoevedorp en Lijnden-Oost.

Effecten op Natura 2000 (stikstofdepositie)

Kwantitatief

Effecten op Natuurnetwerk Nederland (NNN) (ook stikstofdepositie).

Kwantitatief

Effecten op Bijzonder provinciaal landschap, hoofdgroenstructuur Amsterdam, groenstructuurplan Badhoevedorp en LijndenOost.

Kwantitatief en kwalitatief

Beschermde soorten en biodiversiteit

Voor enkele alternatieven geldt dat de nieuwe infrastructuur blijvend ten kosten kan gaan van beschermde verblijf-, rust- en voortplantingsplaatsen en verbindingen. De watergangen en de oevers kunnen leefomgevingen en/of verbindingsroutes voor beschermde soorten zijn.

Effecten op beschermde soorten.

Hoofdzakelijk kwalitatief

Bomen en houtopstanden

De nieuwe infrastructuur kan ten kosten gaan van bomen en houtopstanden. Inventarisatie van beschermde soorten en bomen in het plangebied en het gebied er omheen is daarom nodig.

Effecten op bomen en houtopstanden

Hoofdzakelijk kwalitatief

Duurzaamheid

De alternatieven met verschillende vervoersvormen en bijbehorende infrastructuur (zoals wegdek en haltes of rails, tunnels en stations) hebben verschillende duurzaamheidsprofielen en energiegebruik-, opslag- en opwekmogelijkheden. Qua materiaalgebruik moet het gebruik van primaireen secundaire bouw- en grondstoffen in kaart worden gebracht voor de alternatieven en varianten. Energie: verbruik, opslag en opwekking in brede zin (bijvoorbeeld ook voor warmtebehoefte) van de alternatieven en varianten (verschillende vervoersvormen), net als de gevolgen hiervan voor het netwerk (met name het elektriciteitsnetwerk) worden beschreven, ook gezien in het licht van netwerkcongesties. Er wordt een klimaatstresstest uitgevoerd voor de alternatieven waarbij het hoge uitstootscenario uit de KNMI’23-klimaatscenario’s geldt als uitgangspunt. De risico’s van klimaatverandering op de thema’s hitte, wateroverlast, droogte en wind worden per alternatief beschreven. Daarnaast vindt een globale beschouwing plaats van de mate waarin de alternatieven voldoen aan behoeften voor de lange termijn.

Materiaalgebruik

Hoofdzakelijk kwantitatief

Energie

Hoofdzakelijk kwantitatief

Toekomstbestendigheid (klimaatadaptatie, voldoen aan behoeften op lange termijn).

Kwalitatief

Duurzaamheid

30

Thema

Aspect

Toelichting

Criteria

Beoordelingswijze

Leefomgevingskwaliteit

Gezondheid

Als gevolg van het gebruik van de infrastructuur (de verschillende alternatieven met verschillende vervoersvormen) zal er sprake zijn van geluid- en lichthinder (voornamelijk bij de bovengrondse delen van de routes) naar de omgeving (bestaande en nieuwe woon- en werklocaties). Ook kunnen plaatselijk trillingen optreden. Daarnaast zullen er emissies en immissies (concentraties) van koolstofdioxide (CO2), stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) naar en in de lucht optreden. Deze effecten worden beschreven (inclusief een globale kwalitatieve beschrijving van mogelijke hinder en van de emissies en immissies als gevolg van de verkeersstromen van en naar de stations/metro-/BRT-haltes). Daarnaast worden de effecten als gevolg van elektromagnetische straling in beeld gebracht omdat voedingsrails en bovenleidingen bronnen van magnetische velden zijn.

Luchtkwaliteit

Kwantitatief en kwalitatief

Elektromagnetische straling

Hoofdzakelijk kwalitatief

Geluidhinder

Kwantitatief en kwalitatief

Trillingen

Kwalitatief

Lichthinder

Kwalitatief

De alternatieven kunnen gevolgen hebben voor de sociale veiligheid van de passagiers op de treinstations Schiphol Airport, Amsterdam Zuid en Hoofddorp (bijvoorbeeld als gevolg van ‘tussenplaatsen’ bij spoor en metrodekken, waardoor onderdoorgangen langer worden en minder daglicht krijgen). Deze gevolgen worden in kaart gebracht. Daarnaast vindt er in en om het plangebied vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en zijn kabels en leidingen aanwezig (onder andere aardgasleidingen rondom Schiphol en de Nieuwe Meer). Onderzocht wordt of als gevolg van de ligging van de routes (aanwezigheid en gebruik) er gevolgen zijn voor de veiligheid van de passagiers.

Mate waarin sociale veiligheidsrisico’s worden beperkt of geïntroduceerd.

Kwalitatief

Mate waarin externe veiligheidsrisico’s worden beperkt of geïntroduceerd.

Hoofdzakelijk kwalitatief

De bovengrondse routes kunnen invloed hebben op wonen en werken, zowel in negatieve als positieve zin. Het ruimtebeslag van de alternatieven kan ten kosten gaan van potentiële ruimte voor woningbouw (dit speelt voornamelijk in Haarlemmermeer). Positieve effecten liggen met name in de sfeer van betere bereikbaarheid van (nieuwe) woon- en werklocaties. Daarnaast kan de aanwezigheid en het gebruik van bovengrondse infrastructuur en haltes invloed hebben op het uitzicht van bewoners in het plangebied. De locatie waar een obstakel ontstaat door een alternatief wordt beoordeeld. Het MER kijkt naar routes en wijken die doorsneden worden. Ook kunnen de alternatieven invloed hebben op de omvang en kwaliteit van groene uitloopgebieden en kan de nieuwe infrastructuur een obstakel vormen voor omwonenden om aangrenzende woon-, werken groene uitloopgebieden met de fiets of te voet te kunnen bereiken.

- de mate waarin de ruimte Hoofdzakelijk die het project inneemt (zowel kwalitatief fysiek als door hinder en veiligheid) ervoor zorgt dat bestaande woon- en werklocaties niet kunnen worden geïntensiveerd of uitgebreid, of nieuwe woon- en werklocaties op logische locaties niet kunnen worden ontwikkeld - ov-bereikbaarheid (nieuwe) woon- en werklocaties - De mate waarin groene uitloopgebieden in omvang en kwaliteit veranderen. - De mate waarin de nieuwe infrastructuur een obstakel vormt voor omwonenden om aangrenzende woon-, werken groene uitloopgebieden met de fiets of te voet te kunnen bereiken.

Veiligheid

Wonen en werken

Zichthinder

Kwalitatief

31

Thema

Aspect

Toelichting

Criteria

Beoordelingswijze

Ruimtelijke kwaliteit

Landschap.

Het inpassen in het landschap van de mogelijke routes van de alternatieven speelt een belangrijke rol. Zeker bij de bovengrondse routes en de routes die langs het natuurgebied Nieuwe Meer en door polders gaan. Hier worden kritieke elementen als de Ringvaart, Ringdijk en mogelijk een aantal polders gepasseerd. In het stedelijk gebied is de invloed van de alternatieven op het landschap beperkter, maar wel een effect dat beschouwd wordt. De route kruist hoe dan ook de Ringvaart en heeft mogelijk interactie met de (restanten van) de polder in het gebied (Schipholweg, Sloterweg). De effecten op het landschap worden beoordeeld aan de hand van de Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040, de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (groen-blauw netwerk en stadslanen en verbindingsroutes, Amsterdams hoofdgroenstructuur) en Omgevingsvisie NH2050 van de Provincie Noord-Holland (Bijzonder Provinciaal Landschap).

Effecten op Bijzonder Provinciaal Landschap

Kwalitatief

Effecten op landschappelijke structuur.

Kwalitatief

Haarlemmermeer was tot de inpoldering een meer. In het gebied geldt daarom een lage archeologische verwachtingswaarde, omdat het gebied geen lange bewoningsgeschiedenis kent. Wel loopt een deel van het UNESCO werelderfgoed Hollandse Waterlinies door de Haarlemmermeer (in het plangebied). Onderzocht wordt of bij de alternatieven sprake is van mogelijke aantasting van cultuurhistorische, aardkundige en/of archeologische waarden (waaronder Stelling van Amsterdam). De grote mate van ontginningen in het verleden kunnen leiden tot het ontbreken van aardkundige waarden in het gebied.

Effecten op cultuurhistorische waarden.

Kwalitatief

Effecten op archeologische waarden

Kwalitatief

Effecten op aardkundige waarden.

Kwalitatief

Verkeersveiligheid fietsers en voetgangers

Voor alle alternatieven wordt in beeld gebracht wat de gevolgen zijn voor de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers. Dit wordt gedaan door inzicht te geven in het aantal kruisingen.

Ongevalsrisico’s.

Kwantitatief en kwalitatief

Verkeersveiligheid autoverkeer

Voor alle alternatieven wordt in beeld gebracht wat de gevolgen zijn voor de verkeersveiligheid, door per alternatief een fictief aantal slachtofferongevallen ongeveer te bepalen, aan de hand van risicocijfers.

Fictief aantal slachtofferongevallen

Kwantitatief

Fysieke veiligheid van overstapprocessen

Voor alle alternatieven wordt in beeld gebracht wat de gevolgen zijn voor de fysieke veiligheid van de overstapprocessen (overstapveiligheid) op de bestaande stations Amsterdam Zuid en Schiphol Airport.

Effecten op drukte perrons, stijgpunten en overstapstromen.

Kwantitatief

Bereikbaarheid en mobiliteit

Voor alle alternatieven wordt in beeld gebracht wat de gevolgen zijn voor de verkeersontwikkeling in de regio (alle vervoerswijzen, inclusief ov). Ook het aantal woningen en banen binnen een nader te bepalen acceptabele reistijd (ongeveer) wordt onderzocht.

Effecten op verkeersdoorstroming en bereikbaarheid.

Kwantitatief en kwalitatief

Modal shift

De effecten van de vervanging van auto door ov worden onderzocht. Ook wordt ingegaan op de effecten van de vervanging van luchtvaart naar trein, die met dit project mogelijk wordt gemaakt.

Effecten op auto- en vliegverkeer.

Kwantitatief en kwalitatief

Cultuurhistorie, archeologie en aardkunde

Verkeer en verkeersveiligheid

Effecten op polderstructuur (polderlinten en ringvaart/ dijk).

32

Thema

Aspect

Toelichting

Criteria

Beoordelingswijze

Effecten tijdens bouw- en aanlegfase Bodem en water

Bodem

Effecten op bodemstabiliteit, De aanleg van de benodigde infrastructuur kan invloed hebben op bodemstabiliteit (opbarsten), bodemdaling en zettingen. bodemdaling en zettingen, waarvoor risicoinschattingen worden gedaan. Risico’s op opbarsten spelen mogelijk tijdens de aanleg van ondergrondse/verdiept gelegen infrastructuur en nieuw aan te leggen watergangen en waterpartijen. Als het gaat om bodemdaling (het vergaan van organisch materiaal en/of uitdroging) moet gestreefd worden naar een niet of nauwelijks veranderende grondwaterstand. Zettingen kunnen het gevolg zijn van een belastingverhoging op de ondergrond in de vorm van een aardebaan/ophoging. Voor het toetsen op bodemdaling (het vergaan van organisch materiaal en uitdroging) zijn geen specifieke toetsingscriteria van toepassing. Gestreefd moet worden naar een niet veranderende grondwaterstand. Dit voorkomt extra effecten op het vergaan van organisch materiaal en/of uitdroging.

Bodem en water

Water

In de aanlegfase kunnen maatregelen nodig zijn, zoals bemaling (en mogelijk ook retourbemaling). De noodzaak hiervan wordt toegelicht. Hierbij worden ook de belangrijkste effecten van bemaling beschreven, zoals de effecten van grondwaterstandsverlaging op functies in de omgeving, invloed op het zoet-zoutgrensvlak (en eventueel aanwezige grondwaterverontreinigingen) en het effect van lozingen op oppervlaktewater dan wel riolering.

Noodzaak en effecten bemaling

Hoofdzakelijk kwalitatief

Natuur en biodiversiteit

Beschermde gebieden

Voor de bouw- en aanlegfase wordt voor alle alternatieven met AERIUS-berekeningen in beeld gebracht wat de effecten op Natura 2000 gebieden (stikstofdepositie) zijn. Ook wordt beoordeeld wat tijdens de bouw- en aanlegfase de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (verbinding ZNV2, de Groene AS) zijn.

Tijdelijke effecten op Natura 2000 (stikstofdepositie).

Kwantitatief

Door de aanleg van de nieuwe infrastructuur kan het leefgebied van beschermde soorten worden verstoord. Voor de alternatieven wordt onderzocht wat tijdens de bouw- en aanlegfase de effecten zijn op deze soorten.

Tijdelijke effecten op beschermde soorten

Beschermde soorten

Tijdelijke effecten op Natuurnetwerk Nederland (NNN) (ook stikstofdepositie)

Hoofdzakelijk kwalitatief

Kwantitatief

Hoofdzakelijk kwalitatief

33

Thema

Aspect

Toelichting

Criteria

Beoordelingswijze

Leefomgevingskwaliteit

Gezondheid

Tijdens de bouw- en aanlegfase is er sprake van geluid- en lichthinder en kunnen plaatselijk trillingen optreden. Daarnaast zullen er als gevolg van de bouw- en aanlegwerkzaamheden bij alle alternatieven emissies en immissies (concentraties) van NO2, CO2 en fijnstof naar en in de lucht optreden, welke worden beschreven.

Tijdelijke effecten luchtkwaliteit.

Hoofdzakelijk kwalitatief

Tijdelijke geluidhinder.

Hoofdzakelijk kwalitatief

Tijdelijke trillinghinder en risico op bouwschade.

Hoofdzakelijk kwalitatief

Tijdelijke lichthinder.

Hoofdzakelijk kwalitatief

Tijdelijke effecten a.g.v. onontplofte oorlogsresten (OO).

Kwalitatief

Tijdelijke effecten op externe veiligheid.

Kwalitatief

Veiligheid

In het plangebied kunnen ontplofbare oorlogsresten (OO) in de grond zitten. Hiertoe moet een inventarisatie plaatsvinden, aan de hand waarvan beoordeeld wordt of er ter plaatse van de routes van de alternatieven OO aanwezig zijn. Daarnaast vindt er in en om het plangebied vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en zijn kabels en leidingen (onder andere aardgasleidingen rondom Schiphol en de Nieuwe Meer) aanwezig waar tijdens de bouw- en aanlegwerkzaamheden rekening wordt gehouden.

Verkeer

Tijdelijke effecten op verkeer

Mogelijke verkeershinder Omdat in deze verkenningsfase nog vrijwel niks bekend is over de fasering en bouwwijze van de tijdens de bouw- en alternatieven, kunnen er geen uitspraken worden aanlegfase. gedaan over de te verwachten verkeersstromen als gevolg van de bouw en aanleg. Daarom wordt mogelijke hinder tijdens de bouw- en aanlegfase alleen op hoofdlijnen beschouwd.

Duurzaamheid

Duurzaamheid

Bij de bouw- en aanleg van de nieuwe infra staat duurzaamheid centraal. Dit komt onder meer tot uiting in het in kaart brengen van de energievraag tijdens de bouwfase.

Energie en klimaatmitigatie.

Kwalitatief

Kwalitatief

34

5. Vervolgproces 5.1. Plan-MER en advies voorkeursalternatief In de vorige hoofdstukken is aangegeven wat de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen plan-MER zijn. Dit vormt samen met de referentiesituatie in 2040 (de huidige situatie inclusief de autonome ontwikkelingen) het beoordelingskader van de alternatieven en varianten die in deze NRD zijn beschreven. Alle alternatieven en varianten worden met elkaar vergeleken op hun (milieu)effecten. Mede aan de hand van de uitkomsten van deze vergelijking wordt een advies voor een zogenaamd voorkeursalternatief (VKA) geformuleerd. Het advies voor het VKA uit het plan-MER is een belangrijke bouwsteen voor de te nemen voorkeursbeslissing in het kader van de MIRT-verkenning.

5.2. Voorkeursbeslissing MIRT-verkenning en (vervolg)besluiten De verantwoordelijke bestuurders hebben aangegeven ernaar te streven om in het eerste kwartaal van 2026 de ontwerp-Voorkeursbeslissing te kunnen nemen en die gezamenlijk met het plan-MER ter inzage te kunnen leggen en om eind 2026 de Voorkeursbeslissing in het kader van de MIRT-verkenning te kunnen nemen. Dat gebeurt mede aan de hand van het advies voor

een VKA vanuit het plan-MER en de uitkomsten van onder meer de (geactualiseerde en rekening houdend met brede welvaart) maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). De uiteindelijke MIRT-Voorkeursbeslissing kan inhoudelijk gezien overeenkomen met de bestuurlijke voorkeur van november 2022, maar kan daar ook van afwijken. Afhankelijk van wat de Voorkeursbeslissing inhoudt, wordt in de plannings- en studiefase een Projectbesluit of een besluit tot een Gemeentelijk Project van Publiek Belang (GPPB) genomen. Ook worden dan daartoe de wettelijke procedures doorlopen. De Voorkeursbeslissing wordt na de plannings- en studiefase ook planologischjuridisch vastgelegd in (een wijziging van) de Omgevingsvisies en/of Omgevingsplannen van de gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer en/of de provincie Noord-Holland. Die ruimtelijke plannen (en herzieningen daarvan) kennen hun eigen besluitvormingsprocedures, inclusief participatie- en inspraakmomenten.

35

6. Participatie en inspraak 6.1. Inleiding De samenwerkende opdrachtgevers doen deze MIRT-verkenning niet alleen. Ook omgevingspartijen (zoals bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en belanghebbenden) doen mee. Dit hoofdstuk beschrijft op hoofdlijnen de aanpak voor participatie en inspraak en hoe de omgeving geïnformeerd en betrokken wordt. Participatie is de informele inbreng van belanghebbenden en van omgevingspartners. Dit is nodig om informatie, kennis, belangen en standpunten te delen. Met als doel een kwalitatief beter besluit, meer draagvlak en een zo kort mogelijke doorlooptijd. Deze doelen worden bereikt door de meedenkkracht, initiatieven en ideeën uit de maatschappij. Voor het vormgeven van de participatie wordt onder meer gebruikt gemaakt van de Code Maatschappelijke Participatie, die is vastgesteld door in 2014 door het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat. Ook wordt gekeken naar de gemeentelijke en provinciaal vastgestelde participatieverordeningen. De wijze van participatie wordt afgestemd met projecten die in de omgeving van OVAH spelen, zoals de ontwikkeling knoop Hoofddorp, Schinkelkwartier en Zuidasdok. De aanpak bestaat uit het actief en gericht vragen naar inbreng en ideeën vanuit de maatschappij, passend bij de

MIRT-fase. Participatie draait om het betrekken van mensen bij de opgave, het verkennen van mogelijke oplossingen, het maken van een zorgvuldige afweging voor een voorkeursoplossing en de inpassing van die oplossing. Het begrip inspraak wordt gebruikt voor het formele proces waarin omgevingspartijen zienswijzen kunnen indienen in het kader van ruimtelijke procedures binnen de Omgevingswet of beleidsvoornemens van de overheden.

6.2. Aanpak De aanpak van participatie bij dit project is enerzijds gericht op het goed informeren en betrekken van omgevingspartijen (zoals bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties) over de formele inspraakmogelijkheden (op twee momenten in de MIRT-verkenning (zie figuur 3)). Anderzijds is het gericht op het betrekken van omgevingspartijen bij het ontwerpproces van alternatieven en varianten. Vooruitlopend op de verkenningsfase hebben Rijk en regionale overheden samen al veel onderzoek verricht naar mogelijke oplossingsrichtingen, alternatieven en varianten (zie hoofdstuk 3). De hierbij tot stand gekomen longlist van mogelijke oplossingsrichtingen is het vertrekpunt voor de participatie. De kern van het participatieproces in de verkenningsfase is het informeren en het

36 betrekken van de omgeving bij het verkleinen van de longlist van mogelijke oplossingsrichtingen naar kansrijke alternatieven en vervolgens naar één voorkeursalternatief. De omgevingspartijen zijn tijdens de inspraaktermijn gevraagd aanvullingen te geven op de longlist en shortlist van alternatieven, de (milieu)aspecten en de omgevingsfactoren. Transparantie en communicatie zijn essentieel om omgevingspartijen te helpen vroegtijdig hun inbreng te kunnen geven. Ook moeten de omgevingspartijen duidelijke verwachtingen krijgen over het proces en de mate van invloed die ze kunnen uitoefenen. Om kennis te maken met de omgevingspartijen en hen te informeren over het MIRT-proces hebben er al twee fysieke informatiebijeenkomsten plaatsgevonden, en een online informatiebijeenkomst. Deze bijeenkomsten zijn door middel van een campagne aangekondigd. Om de formele inspraak aan te kondigen wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Staatscourant. Deze aankondiging wordt door middel van advertenties ook in (digitale) kranten en bladen gepubliceerd. Deze kennisgeving beschrijft zowel de definiëring en de afbakening van het probleem als het proces en de planning. Ook wordt aangegeven op welke wijze respondenten hun zienswijzen kunnen inbrengen. Daarnaast worden er gedurende de inspraaktermijn informatieavonden georganiseerd.

6.2.1. Inspraak Op de volgende twee momenten in de analyse- en beoordelingsfase van de MIRT-verkenning bestaat de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen: • •

tijdens de terinzagelegging van de ontwerp-NRD; tijdens de terinzagelegging van het ontwerp plan-MER.

Inspraak op ontwerp-NRD Met de ter inzagelegging van de ontwerp-NRD is zoveel mogelijk voorkomen dat gemaakte keuzes op een later moment alsnog ter discussie worden gesteld. Ook bood het de mogelijkheid voor omgevingspartijen om andere mogelijke oplossingsrichtingen aan te dragen en aandachtspunten mee te geven voor de verkenning. Bij de kennisgeving en het vragen om zienswijzen zijn de volgende vragen gesteld:

1. Herkent u zich in de in bijlage 2 van deze NRD opgenomen longlist van mogelijke oplossingen of heeft u daarop nog aanpassingen en/of aanvullingen? 2. Herkent u zich in de in paragraaf 3.2 van deze NRD opgenomen shortlist van alternatieven en varianten of heeft u daarop nog aanpassingen en/of aanvullingen? 3. Heeft u aanvullingen of suggesties voor het in hoofdstuk 4 van deze NRD opgenomen overzicht van (milieu)aspecten en omgevingsfactoren om te komen tot een voorkeursalternatief? 4. Heeft u suggesties of wensen voor uw betrokkenheid bij de verdere uitwerking van alternatieven en varianten? 5. Heeft u suggesties over de inrichting van het informele participatieproces in het algemeen? Om dit inspraakproces te faciliteren zijn drie informatiebijeenkomsten georganiseerd waarvan één ook online kon worden bijgewoond. De informatiebijeenkomsten ten behoeve van de inspraak op de ontwerp-NRD vonden ongeveer 2 weken na de start van de formele inspraaktermijn plaats. Door middel van een communicatiecampagne is geprobeerd zoveel mogelijk doelgroepen voor de bijeenkomsten te bereiken. Op deze bijeenkomsten zijn omgevingspartijen geïnformeerd over de uitkomsten van het vooronderzoek in de jaren 2018 – 2022.

Dit betekent dat transparant informatie is gedeeld over de probleemanalyse, de totstandkoming van de longlist met mogelijke oplossingsrichtingen, voorlopige shortlist van kansrijke alternatieven en de meest voor de hand liggende optie11. Ook is het verdere proces voor de besluitvormingsfase toegelicht. Tijdens de inspraakperiode van de ontwerp-NRD (27 maart 2024 t/m 7 mei 2024) zijn in totaal 27 zienswijzen binnengekomen. Alle ontvangen zienswijzen zijn inmiddels voorzien van een reactie en een antwoord, die zijn vastgelegd in een Nota van Beantwoording. Deze Nota is in bijlage 2 bij deze definitieve NRD opgenomen.

11

Het betreft hier de variant verlengen van de Noord/Zuidlijn (metro)

naar Hoofddorp, waarvoor de bestuurders van de regio en de minister van Infrastructuur en Waterstaat in november 2022 hun voorkeur hebben uitgesproken.

37 Inspraak op het plan-MER In de besluitvormingsfase van de MIRTverkenning (nu gepland in 2025 en 2026) krijgen omgevingspartijen de mogelijkheid om formeel in te spreken op het ontwerp plan-MER. Ook hierover worden de omgevingspartijen inhoudelijk vroegtijdig geïnformeerd, zodat ze voorbereid hun zienswijzen kunnen inbrengen.

6.2.2. Participatie tijdens de MIRTverkenning

Daarnaast wordt tijdens de verkenningsfase gebruik gemaakt van een klankbordgroep waarin maatschappelijke organisaties en belangengroeperingen met een collectief belang deelnemen. De klankbordgroepen denken tijdens de verkenningsfase actief mee en brengen op een aantal momenten advies uit aan de projectorganisatie OVAH. De uitkomsten van de participatie worden vastgelegd in een “participatieverslag verkenningsfase”. Een en ander is grafisch weergegeven in figuur 3.

Om de omgeving tijdig en optimaal te informeren en betrekken in de MIRT-verkenning worden alle stakeholders betrokken. Hiertoe wordt op tijd voor informatie gezorgd, zodat stakeholders een betekenisvolle bijdrage kunnen leveren en teruggekoppeld kan worden wat er met input is gedaan. Hiervoor worden onder meer themagroepen samengesteld, waaraan iedereen die interesse heeft kan deelnemen. Te denken valt aan thema’s als stationsontwerp, tracés, duurzaamheid en klimaatadaptie. Ook andere suggesties van omgevingspartijen bij het ontwerpproces zijn welkom (zie vraag 4 en 5 hierboven).

START MIRTVERKENNING

FORMELE INSPRAAK. Scope: alle alternatieven en varianten

Inspraak 1

• Kennisgeving verkenning en terinzagelegging ontwerp-NRD

PARTICIPATIE. Scope: alle alternatieven en varianten

Ronde 1

Ronde 2

Inspraak 2

• Terinzagelegging Plan-MER

Start proces bestuurlijke besluitvorming

EIND MIRTVERKENNING

Figuur 3: Overzicht participatie en inspraak

Ronde 3

• Informeren over reikwijdte en detailniveau • Informeren over proces

• Betrekken omgeving: - themagroepen - klankbordengroep

• Informeren over Plan-MER

38

Bijlage 1 -

Schematische weergave fasen MIRT-projecten en MIRT-verkenning Voor meer informatie over MIRT zie: Home - Leerplatformmirt.nl

Voorbereidingsfase Startbeslissing

Verkenningsfase Voorkeursbeslissing

Planning- en studiefase Projectbeslissing

Aanlegfase Opleveringsbeslissing

Startfase Startbeslissing met beschrijving opgave

Analytischefase Verkenning: proces van trechtering (Zeef 1)

Beoordelingsfase Opstellen: verkenningenrapport (Zeef 2)

Besluitvormingsfase Voorkeursbeslissing

39

Bijlage 2 -

Nota van Beantwoording Klik hier voor de Nota van Beantwoording

40

Bijlage 3 -

Notitie Kansrijke Oplossingsrichtingen Klik hier voor de Notitie Kansrijke Oplossingsrichtingen.

41

Bijlage 4 -

Begrippenlijst Alternatief

Totaaloplossing voor de gestelde opgave. Voor zeef 1 wordt de term ‘oplossingsrichting’ gebruikt, na zeef 1 de term ‘alternatief’. De Wet milieubeheer schrijft voor dat in een MER alleen alternatieven moeten worden beschouwd die redelijkerwijs in de besluitvorming een rol kunnen spelen.

Autonome ontwikkeling

Veranderingen die zich voordoen als niet een van de alternatieven worden gerealiseerd. Zie ook ‘referentiesituatie’.

Basisalternatieven

De mogelijk kansrijke alternatieven op basis van de analytische fase (het resultaat van zeef 1.3), die worden uitgewerkt en beoordeeld in de beoordelingsfase.

BO MIRT

Bestuurlijk overleg MIRT. Het BO MIRT is een jaarlijks gesprek tussen Rijk en Regio (provincies, gemeenten, waterschappen) om afspraken te maken over bereikbaarheid, veiligheid en de ruimtelijke inrichting van Nederland.

Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer)

Een landelijke commissie met ruim 200 onafhankelijke deskundigen (niet alleen milieudeskundigen ). Voor elk op te stellen dan wel opgesteld milieueffectrapport wordt een werkgroep samengesteld. Deze werkgroep, bestaande uit een voorzitter, secretaris en inhoudelijke deskundigen, adviseert het bevoegd gezag over de reikwijdte en detailniveau van het op te stellen milieueffectrapport dan wel over de kwaliteit en volledigheid van de informatie in het opgesteld milieueffectrapport.

Bevoegd gezag

Een of meer overheidsinstanties die bevoegd zijn om over de activiteit van de initiatiefnemer (waarvoor het milieueffectrapport wordt opgesteld) het besluit te nemen. Dit zijn besluiten in het kader van de Omgevingswet.

BRT

Bus Rapid Transit. Een ov-concept bestaande uit (nieuwe vrijliggende businfrastructuur) en een bussyteem waarmee het mogelijk wordtom in hoge frequenties dubbelgelede bussen te kunnen rijden. Het betreft hoogwaardig openbaar vervoer in de vorm van hoogwaardige, hoogfrequente busdiensten met grote snelheid en betrouwbaarheid over eigen busbanen en met relatief weinig haltes.

Brede welvaart

Brede welvaart betreft de kwaliteit van leven hier en nu en de mate waarin deze ten koste gaat van de brede welvaart van latere generaties of van die van mensen elders in de wereld.

Crowd management en crowd control

Crowd management is een onderdeel van de voorbereiding van een groot publieksevenement, dat zich erop richt mensenmassa’s en mensenstromen in veilige banen te leiden. Crowd control is een onderdeel van crowd management en wordt ingezet om te reageren op voorspelde of niet-voorspelde gedragingen van groepen of mensenmassa’s. Bij verwachte grote drukte op stations worden deze instrumenten op stationslocaties ingezet voor de veiligheid van reizigers.

Effect

Gevolg van een alternatief, onderzocht in zeef 2

Indiener

Een persoon of organisatie die een zienswijze op de ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau heeft ingediend.

Initiatiefnemer

Een of meerdere partijen die een plan willen opstellen of een project willen uitvoeren.

Kansrijk alternatief

Alternatief dat in de analytische fase (1e zeef) geselecteerd is voor nader onderzoek in de beoordelingsfase van de verkenning (2e zeef).

MER

Het milieueffectrapport. Rapport waarin de belangrijkste milieugevolgen van mogelijke alternatieven en varianten worden onderzocht.

42 mer

De procedure van de milieueffectrapportage; een hulpmiddel bij de besluitvorming om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in die besluitvorming. De procedure bestaat uit het maken, beoordelen en gebruiken van een notitie reikwijdte en detailniveau, een milieueffectrapport en het evalueren van de gevolgen voor het milieu van de uitvoering van de activiteit waarvoor een milieueffectrapport is opgesteld.

MIRT

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport. In dit programma werkt de Rijksoverheid samen met provincies, gemeenten en de vervoerregio’s aan ruimtelijke projecten. De afspraken over de financiële investeringen in deze projecten vindt plaats binnen het MIRT.

MIRT-onderzoek

Een onderzoek waarin gebiedsgerichte of thematische opgave(n), scope en stakeholders in kaart worden gebracht wanneer deze nog onvoldoende helder zijn. Het MIRT-onderzoek ZWASH (opgedeeld in 5 fasen) ging vooraf aan de MIRTverkenning OVAH.

MIRT-verkenning

Een MIRT-verkenning is de tweede stap in het MIRT-proces, waarin onderzoek gedaan wordt om te bepalen of grote projecten op het gebied van infrastructuur, ruimte en transport uitvoerbaar zijn.

MKBA

Maatschappelijke kosten-batenanalyse. Een MKBA biedt inzicht in positieve en negatieve effecten van alternatieven op de maatschappij. Het is een hulpmiddel bij de onderbouwing van keuzes zoals grote ruimtelijke projecten.

MKS

Multimodale Knoop Schiphol: aanpassingen aan station Schiphol Airport om voldoende ruimte te maken voor reizigers.

MRA

Metropoolregio Amsterdam. De MRA is zowel de naam van de bestuurlijke samenwerking van de provincies Noord Holland, Flevoland, gemeenten en de Vervoerregio Amsterdam als de naam van het grondgebied waarop de samenwerking betrekking heeft. De geografische afbakening van de MRA is weergegeven op www. metropoolregioamsterdam.nl/over-mra/.

NGF

Nationaal Groei Fonds. Met het NGF investeert het Rijk in projecten die bijdragen aan het duurzame verdienvermogen van Nederland.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)

In deze notitie staat beschreven wat er in het milieueffectrapport (MER) wordt onderzocht (reikwijdte) en hoe de onderzoeken worden uitgevoerd (detailniveau).

ov

openbaar vervoer.

PHS

Programma Hoogfrequent Spoor. Om het spoor geschikt te maken voor de huidige én de toekomstige vraag van reizigers- en goederenvervoerders werkt ProRail samen met vervoerders, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aan PHS. Binnen PHS wordt het spoor aangepast om hoogfrequente treinverbindingen te realiseren.

Plangebied

Het geografisch afgebakende gebied waarbinnen de voorgenomen activiteit, of een van de alternatieven, kan worden gerealiseerd.

Prognosejaar

Het toekomstjaar waarvoor de prognoses worden uitgevoerd.

Projectalternatieven en -varianten

De mogelijk kansrijke alternatieven en varianten zoals opgenomen in de ontwerp-NRD (het resultaat van zeef 1.1).

Referentiesituatie

Dit is de situatie in het prognosejaar waarin er geen projectmaatregelen worden gerealiseerd. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie plus projecten waarover besluitvorming heeft plaatsgevonden en waarvan dus verondersteld wordt dat ze in het toekomstjaar zijn gerealiseerd (de zogenaamde autonome ontwikkelingen).

SBaB

Samen Bouwen aan Bereikbaarheid. Een programma waarin rijk en MRA-regio samenwerken aan een betere bereikbaarheid.

Startbeslissing, Startdocument

De Startbeslissing is opgenomen in het Startdocument op basis waarvan op 11 november 2022 in het Bestuurlijk Overleg MIRT Noordwest-Nederland besloten is tot de start van de MIRT-verkenning. (Startdocument MIRT-verkenning OV-verbinding Amsterdam – Haarlemmermeer, 25 oktober 2022)

43 Studiegebied

Het geografische gebied waarbinnen de bereikbaarheid- en milieugevolgen worden onderzocht Dit is een groter gebied dan het plangebied. De omvang van het studiegebied kan per te onderzoeken aspect verschillen.

TBOV

Toekomstbeeld Openbaar Vervoer. In de Ontwikkelagenda TBOV (2040) zijn de te nemen stappen opgenomen, zodat iedereen in Nederland snel, gemakkelijk, betrouwbaar en betaalbaar met het openbaar vervoer kan blijven reizen.

Variant

Een andere uitwerking van een onderdeel van een alternatief.

Voorkeursalternatief

Het alternatief dat na zeef 2 wordt gekozen door de bestuurders.

Voorkeursbeslissing

De beslissing van de bewindspersoon van Infrastructuur en Waterstaat om een project al dan niet op te nemen in het MIRT na de verkenningsfase. De beslissing wordt genomen op het Bestuurlijk Overleg MIRT. De beslissing kan ook inhouden dat de opgave die onderzocht is in de verkenning niet wordt opgenomen in het MIRT. Op grond van de Omgevingswet wordt de ontwerp-Voorkeursbeslissing gepubliceerd en kunnen daarop zienswijzen worden ingediend. Dit vormt de juridische borging van de besluitvorming.

Zeef 1

De eerste selectie van veel oplossingsrichtingen naar een beperkt aantal alternatieven.

Zeef 2

De tweede selectie van een beperkt aantal alternatieven naar het voorkeursalternatief.

Zienswijze

Een reactie op een document in een formele procedure. In dit specifieke geval is een zienswijze een reactie op de ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau van de MIRTverkenning OV-verbinding Amsterdam - Haarlemmermeer.

ZWASH

MIRT-onderzoek Zuidwest Amsterdam – Schiphol – Hoofddorp.

44

Aan dit project werken mee

Colofon

De MIRT-verkenning OV-verbinding Amsterdam – Haarlemmermeer is een gezamenlijk project van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Provincie Noord-Holland, Vervoerregio Amsterdam, gemeente Amsterdam, gemeente Haarlemmermeer, Royal Schiphol Group, Schiphol Area Development Company en de Nederlandse Spoorwegen. Hierbij werken ze samen met een vijftal adviserende partijen: KLM, ProRail, GVB, Transdev en Rijkswaterstaat. Het project wordt uitgevoerd door een onafhankelijke projectorganisatie die opereert binnen de directie Uitvoeringsorganisatie Infrastructuur en Energie (UIE) (voorheen Bijzondere Projecten) van de gemeente Amsterdam. MIRT-verkenning OV-verbinding Amsterdam - Haarlemmermeer Documentnummer: OVAH/03887 6 februari 2025 Contactinformatie info@ovamsterdamhaarlemmermeer.nl www.ovamsterdamhaarlemmermeer.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15376490/1