CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Notitie landelijk gebied en landbouw Amsterdam.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 17 oktober 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Notitie landelijk gebied en landbouw Amsterdam (VN2023-020900)5.982 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie landelijk gebied en landbouw 1. Waar hebben we het over? Deze notitie gaat over het landelijke gebied buiten de bebouwde kom binnen de gemeente Amsterdam 1 en richt zich voornamelijk op de landbouw. Het landelijke gebied (landschap) van de gemeente Amsterdam omvat ca 4000 hectare, een x-e deel van het grondoppervlak. 2. Aanleiding: Aanleiding voor deze notitie vormt het startdocument Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). Hierin werken o.a. de Stikstofwet en de Klimaatwet door. Alle provincies hebben van het Rijk opdracht gekregen een PPLG op te stellen. Dit als onderbouwing van de verdeling van het (overigens nog niet formeel beschikbare) transitiefonds over Nederland. Het PPLG beschrijft de manier waarop in Noord-Holland de doelen van het Rijk voor natuur, stikstof, water, bodem en klimaat worden gerealiseerd. Het PPLG Noord-Holland koppelt daar provinciale doelen voor landbouw, cultuurhistorie en recreatie aan. Noord-Holland vraagt het Rijk om € 1,3 miljard om deze doelen te realiseren 2. Het doel van deze notitie is dan ook om de Amsterdamse inzet te bepalen ten aanzien van de in het PPLG behandelde thema’s. Dit is nodig voor de gesprekken die de provincie in het najaar 2023 voert met gemeenten, waterschappen, landbouw- en natuurorganisaties ter verdere uitwerking van deze startversie.

Deze inzet vormt tevens de basis voor een zienswijze van Amsterdam, die gegeven kan worden op de volgende versie van het PPLG. Die procedure volgt volgens de planning in november. 3. Strategische vragen Stad en landelijk gebied van Amsterdam horen bij elkaar. Ontwikkelingen in het landelijke gebied treffen de stad, maar ontwikkelingen in de stad treffen ook het landelijke gebied. Het PPLG roept strategische vragen op, maar ook de verdere verstedelijking doet dat. Amsterdam groeit en verdicht immers snel, wat zorgt voor meer druk op natuur en landschap door toenemend recreatief gebruik van het landelijke gebied. Vragen die voortkomen uit deze ontwikkelingen zijn: • •

•

•

Vanuit allerlei opgaven en (rijks) beleid komen er veranderingen op het landelijk gebied af. Hoe zijn die te gebruiken om de wensen van Amsterdam te realiseren? Welke functies in het landelijke gebied zijn van het grootste belang voor Amsterdam? Hoe verdelen we de ruimte tussen behoeftes aan meer natuur, uitbreiding van groen voor ont- en inspanning (recreatiegebied) en productie van streekvoedsel en andere circulaire landbouwproducten (biobased bouwmaterialen)? Er van uitgaande dat wij toekomst voor landbouw in onze gemeente zien, welke doelen of randvoorwaarden verbinden wij daar aan? Gaan wij mee met het ambitieniveau van het PPLG of zijn onze ambities anders? Welke bijdrage kan Amsterdam (als verantwoordelijke hoofdstad) leveren aan het oplossen van de nationale stikstofcrisis?

Dit komt grotendeels overeen met de in de Omgevingsverordening Noord-Holland vastgelegde begrenzing van ‘landelijk gebied’. 2 De bedoeling was dat de 12 PPLG’s na beoordeling door het Rijk van de gevraagde middelen voorzien zouden worden uit het Transitiefonds landelijke gebied (24 miljard). De instelling van dit Transitiefonds is echter nog niet door de Eerste Kamer bekrachtigd en de komende Tweede Kamer verkiezingen kunnen op dit fonds van invloed zijn. Vooralsnog blijft de planning van het PPLG in Noord-Holland in stand. 1

1

•

Welke middelen en instrumenten zetten wij in om een zinvolle bijdrage te leveren en onze doelen te realiseren?

4. Wat wil Amsterdam? In de Omgevingsvisies van Amsterdam en Weesp staat de visie en het beleid voor dit gebied verwoord. De Voedselstrategie Amsterdam beschrijft daarnaast onze inzet om het voedselsysteem te verduurzamen. Ook de Groenvisie beschrijft ambities voor dit gebied, als onderdeel van een groenstructuur die start in de straat en eindigt in het landschap om de stad. Amsterdam roemt de schoonheid en waarden van de verschillende scheggen en landschappen rond de stad en beschouwt deze als een belangrijk onderdeel van het goede vestigingsklimaat en de omgevingskwaliteit, die bijdraagt aan de brede welvaart. Dit landelijke gebied kent een groot aantal functies, die verweven zijn met die van de stad, denk aan: productie van voedsel (en potentieel biobased bouwmaterialen), natuur/biodiversiteit, recreatie (ontspanning en sportieve inspanning in de buitenlucht), waterberging en (kleinschalig) wonen. Behoud en verbetering van het landelijke gebied kunnen op groot draagvlak rekenen bij de Amsterdammers, blijkt uit het Groot Groenonderzoek. Het belang van het regionale groen is nog eens gebleken tijdens de coronajaren. Amsterdam heeft de afgelopen decennia in de gebieden onder haar bevoegd gezag consequent ingezet op behoud open gebied en compacte verstedelijking, versterking van natuur en recreatie, en verbrede landbouw.

Amsterdam heeft haar visie voor het landelijke gebied steevast ingebracht in de regionale planvorming en neemt deel aan gemeenschappelijke regelingen (recreatieschappen). Amsterdam stuurt vanuit verschillende rollen. Amsterdam is een wettelijke bevoegd gezag instantie voor het omgevingsplan en verleent (of weigert) omgevingsvergunningen. Amsterdam is ook de private eigenaar van grond en opstallen van stukken in het landelijke gebied. Uiteraard zijn we ook de belangenbehartiger naar andere overheden voor onze inwoners, waaronder de boeren, bewoners van het landelijke gebied en stedelingen die het landelijke gebied gebruiken voor sport of ontspanning. We werken vanuit de notie ‘samen stad maken’ en willen een verantwoordelijke hoofdstad zijn. Daarom luisteren we en trekken zo veel mogelijk samen met burgers, (boeren)bedrijven en natuurorganisaties op. We zijn een stimulerende partij die kennis en subsidie inzet. 5. Wat wordt er voorgesteld in het startdocument PPLG? Het opstellen van de PPLG’s vindt plaats in opdracht van het Rijk. De bedoeling is om het beleid voor het landelijk gebied in onderlinge samenhang te plaatsen en realisatie van doelen te versnellen. Het PPLG Noord-Holland bevat hoofdstukken over natuur, stikstof, water, bodem, klimaat, kringlooplandbouw, landschap, cultuurhistorie en recreatie.

De doelen worden soms weer gegeven voor de hele provincie en soms ook voor vijf “programmagebieden”. Waterland-Oost maakt deel uit van het (grotere) programmagebied Laag Holland; de overige scheggen van het eveneens veel grotere deelgebied Zuid Kennemerland-Amstelland-Meerlanden en de Weesper weiden vallen in deelgebied Gooi en Vechtstreek. Het PPLG stuurt niet alleen met doelen en maatregelen, maar beschrijft tevens een aanpak met gebiedsprocessen die moet leiden tot realisatie van de doelen. De gebiedsprocessen vinden doorgaans op een lager schaalniveau plaats dan dat van de 5 programmagebieden. In onze gemeente 2

is bijvoorbeeld een gebiedsproces gestart voor Waterland oost 3. De provincie heeft ook belangrijke instrumenten in handen om resultaten te kunnen boeken. Denk hierbij aan (de grotendeels uit het Transitiefonds te verkrijgen) middelen om gronden te kunnen aankopen en subsidies te kunnen verstrekken voor maatregelen op het boerenbedrijf. Het is de bedoeling dat de waterschappen, gemeenten, landbouw- en natuurorganisaties en grondeigenaren (boeren) meedoen aan deze gebiedsprocessen. Daarmee zorgen de overheden voor een samenhangende aanpak en krijgen de boeren ruimte om binnen hun bedrijfsstijl te kiezen voor maatregelen die hen passen. 6. Inhoudelijke analyse/confrontatie PPLG met visie en beleid Amsterdam: Het PPLG matcht op hoofdlijnen goed met de Omgevingsvisie van Amsterdam en Weesp en is op de onderdelen natuur, klimaat en bos behoorlijk concreet doordat het maatregelen benoemt en soms ook de omvang van het doel benoemt. De provinciale lijn komt ook overeen met de lijn van de Voedselstrategie (inzet op een transformatie naar een gezond, eerlijk en duurzaam voedselsysteem), waarbij de provincie dit invult door een goed verdienmodel voor de producenten en kringlooplandbouw, te baseren op 14 kritische prestatie-indicatoren op bedrijfsniveau. Bij kringlooplandbouw benoemen ze ook de eiwittransitie, vergelijkbaar met onze actielijn ‘meer plantaardig’.

Het PPLG biedt daarmee allerlei kansen om onze doelen te helpen realiseren, denk aan bodemdaling, biodiversiteit, bos, de ontwikkeling van landschapsparken in de koppen van de scheggen en de transitie naar kringlooplandbouw en het verkorten van ketens. Ook draagt het PPLG bij aan reductie van stikstofuitstoot, niet alleen goed voor de natuurkwaliteit, maar ook noodzakelijk om de (woningbouw-)ontwikkelingen in de regio te versnellen. De onderlinge verhouding tussen de thema’s leidt soms tot integrale oplossingen, zoals het voorstel voor natuuruitbreiding in de 500 meter zone rond de Natura 2000 gebieden, die goed is voor biodiversiteit, stikstof, water èn klimaat. Soms geeft men een volgorde aan bij dilemma’s tussen doelen. Zo wordt in de veengebieden voorrang gegeven aan klimaatresultaten boven het tijdig bereiken van de waterkwaliteitsdoelen. Onduidelijk blijft echter hoe men de afweging maakt bij andere conflicten tussen (maatregelen voor) verschillende doelen. Denk hierbij aan het al dan niet toestaan van intensivering van grasteelt (scheuren en opnieuw inzaaien) of meer maisteelt als substituut voor krachtvoer op basis van geïmporteerde soja. Die maatregelen zijn goed vanuit oogpunt kringlooplandbouw, maar slecht voor de biodiversiteit (m.n. voor de weidevogels) en voor het klimaat. Een ander voorbeeld is de maatregel om emissiearme stallen te stimuleren.

In combinatie met de PPLG maatregel hogere waterpeilen in veengebieden leidt dit tot minder weidegang, er van uitgaande dat men dezelfde hoogproductieve ras koeien blijft gebruiken. Koeien op stal houden is minder goed voor dierenwelzijn. Moet de inzet dan niet meer gericht zijn op het gebruik van robuustere koeien, die mogelijk minder productief zijn? Het derde voorbeeld betreft de biodiversiteit in het landelijke gebied versus de eiwittransitie. Houden van vleesvee verhoudt zich beter tot een hoge weidevogelstand dan houden van melkkoeien. Maar we willen uit oogpunt van gezondheid en duurzaamheid ook een verschuiving in ons dieet van dierlijk eiwit naar plantaardig eiwit. Op diverse onderdelen is het PPLG echter nog erg algemeen en pas in de gebiedsprocessen wordt duidelijk wat dit alles concreet voor ons landelijke gebied gaat betekenen. Hoe realistisch zijn de 3

Wanneer de gebiedsprocessen starten in andere delen van onze gemeente is nog onduidelijk.

3

doelen bij deze strategie van vrijwilligheid? Gaat er bijvoorbeeld voldoende piekwaterberging in diepe polders gerealiseerd worden, terwijl dit vaak zeer productieve landbouwgronden zijn? Wat als onvoldoende grondeigenaren meewerken aan de groenblauwe dooradering? Er wordt bij klimaat en stikstof voornamelijk ingezet op technische maatregelen. Wat gebeurt er als die de doelen niet binnen bereik brengen? Deze technische maatregelen zijn kostbaar; worden de middelen doelmatig ingezet? De beschrijving van kringlooplandbouw is voor niveau 3 (zie bijlage 3 voor uitleg over verschillende niveaus in kringlooplandbouw) duidelijk en biedt een integrale oplossing voor alle opgaven. Ook de schaal waarop de kringloop gesloten moet worden is onduidelijk. Dat heeft belangrijke consequenties: benut de boer veevoer (zoals mais) uit de veenweiden, uit de polders of uit noord Frankrijk? En welke prioriteiten worden in het PPLG gesteld als de Rijksmiddelen onverhoopt niet of in mindere mate beschikbaar komen? Als laatste is niet geheel duidelijk wat exact van onze gemeente gevraagd wordt. In bijlage 4 is de confrontatie PPLG met Amsterdams beleid, inclusief alle opmerkingen, opgenomen. 7. Waar zetten we op in? Omdat het PPLG op hoofdlijnen overeen komt met onze visie en beleid en kansen biedt om onze doelen te realiseren, is het logisch dat Amsterdam hier een stevige positieve reactie op geeft.

Toch hebben we ook kritische vragen, in de hoop het PPLG daarmee te versterken. a. We betuigen steun. Amsterdam onderschrijft volledig de aanleiding, noodzaak en doelen van het NPLG en PPLG. We beschouwen de problematiek van stikstof, natuur, klimaat, waterkwaliteit, landbouw, recreatie en dierenwelzijn als urgent en steunen daarmee ook de noodzaak om de transitie van het landelijke gebied te versnellen. We staan voor een operatie die we in decennia -sinds de ruilverkavelingen niet meer gezien hebben: “de grote verbouwing van het landelijke gebied”. Amsterdam heeft belang bij - en zet zich in de regionale visieontwikkeling in voor - een samenhangende en systematische benadering van haar gehele groene ommeland , inclusief de gebieden die buiten haar bevoegd gezag vallen. Wij zijn echter niet in de positie om daarin het initiatief te nemen en verwelkomen daarom het PPLG als vehikel om noodzakelijke transities en hervormingen te versnellen. Vanuit ons belang en onze verantwoordelijkheid als kernstad van de metropool spreekt Amsterdam de intentie uit om actief deel te nemen aan relevante gebiedsprocessen. We signaleren dat die processen zich op zeer ingewikkelde vraagstukken richten waar veel gedachten over leven, maar niemand een pasklaar antwoord op heeft.

Om daar uit te komen zijn zaken nodig als: overeenstemming over einddoelen, goede wil en lange adem, pragmatisme gekoppeld aan creativiteit en bereidheid tot experimentele governance (d.w.z. in samenwerking met belanghebbenden oplossingen proberen en niet bang zijn voor, maar juist leren van, mislukkingen). We steunen het snel treffen van maatregelen, ook als die experimenteel zijn. Daarbij hebben wij voorkeur voor structurele maatregelen zoals verhogen van waterpeil, maar wijzen wij technische maatregelen niet af, mits deze effectief zijn. Dit traject is voor ons allemaal nieuw en we zullen gaandeweg onze rol moeten vinden. 4

We steunen de (met het PPLG bedoelde) integrale aanpak die alle doelen nabij brengt. Dit is noodzakelijk omdat er zo veel doelen zijn dat één voor één aanpakken van de doelen niet gaat werken. Er worden diverse maatregelen voorgesteld, die bijdragen aan meerdere doelen. Voorbeelden: de 500 meter zone rond Natura-2000 gebieden en de 10% groenblauwe dooradering dragen beiden bij aan biodiversiteit, reductie stikstof, waterkwaliteit en bieden kans voor meekoppelen van extensieve recreatie. Ook zijn we positief over de manier waarop sommige doelen zijn toegerekend naar de verschillende gebieden, zoals die voor reductie van broeikasgassen. Ook steunen we de aandacht voor andere bronnen van stikstof dan alleen de landbouw. b. We stellen kritische vragen over de volgende onderdelen: •

hoe gaat de provincie om met (andere dan de in het PPLG) genoemde conflicten tussen- of tegengestelde effecten van maatregelen voor verschillende doelen. Voorbeelden: het al dan niet toestaan van meer maisteelt als substituut voor krachtvoer op basis van geïmporteerde soja. Die teelt is goed vanuit oogpunt kringlooplandbouw, maar slecht voor de biodiversiteit (m.n. voor de weidevogels) en voor het klimaat. Een ander voorbeeld is de maatregel om emissiearme stallen te stimuleren. In combinatie met de PPLG maatregel hogere waterpeilen in veengebieden leidt dit tot minder weidegang, er van uitgaande dat men hetzelfde hoogproductieve koeienras blijft gebruiken. Koeien op stal houden is minder goed voor dierenwelzijn. Moet de inzet dan niet meer gericht zijn op het gebruik van robuustere koeien, die mogelijk minder productief zijn? Het derde voorbeeld betreft de biodiversiteit in het landelijke gebied versus de eiwittransitie. Houden van vleesvee verhoudt zich beter tot een hoge weidevogelstand dan houden van melkkoeien. Maar we willen uit oogpunt van gezondheid en duurzaamheid ook een verschuiving in ons dieet van dierlijk eiwit naar plantaardig eiwit.

•

Op diverse onderdelen is het PPLG nog erg algemeen en pas in de gebiedsprocessen wordt duidelijk wat dit alles concreet voor ons landelijke gebied gaat betekenen. Veel is gebaseerd op vrijwilligheid en vaak wordt ingezet op technische maatregelen. Hoe zorgen we ervoor dat de doelen daadwerkelijk bereikt worden bij deze strategie? Is de aanpak voldoende doelmatig? Is tijdige bijstelling of intensivering van de aanpak, bijvoorbeeld met meer dwingende maatregelen, mogelijk? Voorbeelden: gaat er voldoende piekwaterberging in diepe polders gerealiseerd worden, terwijl dit vaak zeer productieve landbouwgronden zijn? Wat als onvoldoende grondeigenaren meewerken aan de groenblauwe dooradering? Wat als het geld wordt uitgegeven aan dure maatregelen die slechts weinig effect hebben?

• •

Welke prioriteiten worden in het PPLG gesteld als de Rijksmiddelen onverhoopt niet of in mindere mate beschikbaar komen? Wat is de reden voor het niet tijdig realiseren van stikstofdoel in het Natura 2000 gebied, waar ook het Twiske in ligt? Kan hier geen grotere inzet worden gepleegd om het doel wel te bereiken? En zo nee, welke reductie ligt wel binnen bereik? 5

•

Het PPLG wil zich richten op de hele voedselketen. Welke activiteiten worden ondernomen die gericht zijn op grond- en hulpstoffen voor de landbouw, voedselverwerking, voedsel distributie en verkoop?

c. We leggen onze wensen neer. We hopen dat het PPLG bij kan dragen aan de volgende Amsterdamse wensen: •

•

• • • •

• • •

meer natuur en bos in de nabijheid van de stad, bijvoorbeeld aan de stadsrand. Dit geeft invulling aan onze ambitie om landschapsparken en een vijfde stadsrandbos te realiseren en levert ook een belangrijke bijdrage aan de groeiende vraag naar recreatie(gebied) in het landelijke gebied nabij de stad. Wij kunnen hierop vervolgens samenwerken en zo mogelijk onze eigen eigendommen in het landelijke gebied als ruilgrond inzetten. behoud van weidevogels op agrarisch gebied, ook in de nabijheid van Amsterdam, waar de weidevogelstand hard is achteruit gegaan. Zet in op herstel en niet alleen op behoud van deze soorten. Pas inheemse soorten en natuurlijke successie toe en hanteer de bodem als uitgangspunt bij aanleg van bos. Besteed extra aandacht voor wilde bijen in beleid en monitoring. Hanteer biodiversiteit als randvoorwaarde: de biodiversiteit mag niet achteruitgaan door maatregelen die worden getroffen voor andere doelen. Definieer een samenhangende recreatieve (infra)structuur rond Amsterdam/ in de MRA, die recht doet aan de toenemende vraag van burgers aan inspanning en ontspanning in het groen in het buitengebied. Het PPLG noemt de behoefte aan 5000 ha extra recreatiegebied, met name rond de locaties waar veel woningen worden bijgebouwd in Amsterdam en in de andere groeiende steden in de MRA.

Deze inspanning lijkt groter dan de ‘meekoppelambities’ uit het PPLG en we willen dan ook samenwerken om deze opgave aan de verstedelijking (Novex-MRA proces) te koppelen. Bepaal een heldere governance en organiseer meer middelen voor beheer en ontwikkeling van deze samenhangende recreatieve structuur. Betrek ook het Rijk hierbij. Realiseer een goede zwemwaterkwaliteit, ook buiten de officiële zwemplaatsen. Stimuleer de combinatie van recreatie en landbouw.

d. Samenwerking We bieden aan samen te werken op verschillende onderdelen: •

• •

•

Stikstof: naast onze inspanningen gericht op verminderen van uitstoot van verkeer kunnen we binnen ons grondgebied bijdragen aan realisatie van de routekaart industrie en de aanpak in het landelijk gebied, zoals realisatie van bos of natuurgebied, met inhoudelijke kennis en via de ruimtelijke ordening ondersteunen. Basiskwaliteit natuur. Groenblauwe dooradering van het buitengebied, die aansluit op de (ecologische) groenstructuren èn de fiets- en wandelroutes in de stad. Hierbij hebben we tevens de wens om ook middelen te reserveren voor andere grondeigenaren dan boeren. Kringlooplandbouw, in samenhang met onze acties uit de Voedselstrategie. Hiermee geven we vorm aan de noodzakelijke transitie van de landbouw. Amsterdam wil de ambitie voor kringlooplandbouw (niveaus 2 en 3) actief uitdragen in de contacten met de landbouw in onze gemeenten. Ook kunnen we initiatieven van derden ondersteunen (zoals de Groene 6

•

Stelling ). We kunnen onderzoeken of het mogelijk is om via ons ro-instrumentarium steviger in te zetten op kringlooplandbouw. Als laatste kunnen we ons experiment met productie van (lisdodde-)vezels opschalen en verbreden naar afzet. (Piek)waterberging in samen te bepalen diepe droogmakerijen in Amsterdam, waarbij wij de wens hebben deze te combineren met ecologische- , recreatieve- en circulaire economie (teelt van vezels)- doelen. Dit uiteraard binnen de kaders van de ruimtelijke ontwikkeling die we hebben beschreven in de Omgevingsvisie.

8. Stappen Amsterdam: De komende maanden brengen we bovenstaande punten actief in bij de provincie Noord-Holland via de ambtelijke en bestuurlijke gesprekken die dan plaatsvinden. Ook baseren we onze zienswijze hierop. We hopen zo een aanscherping van het PPLG te realiseren, waardoor het provinciale programma en het beleid van Amsterdam nog beter met elkaar in lijn komen. In het landelijke gebied vinden de integrale gebiedsprocessen plaats onder leiding van de provincie. We spreken naar de provincie de intentie uit deel te nemen aan deze gebiedsprocessen om onze doelen te realiseren. Voordat we een definitieve toezegging doen gaan we nader in gesprek over de wensen van de provincie m.b.t. onze rol en verantwoordelijkheden. We gaan na wat het betekent als we ons ruimtelijke ordeningsinstrumentarium en onze Voedselstrategie in zetten om de afspraken uit de gebiedsprocessen te realiseren. Ons ruimtelijke beleid (Omgevingsvisie, Hoofdgroenstructuur) is daarbij randvoorwaarde en de manier van werken (met de technische Adviescommissie, de TAC) blijft in stand. Amsterdam gaat door met het actualiseren van het Hoofdgroenstructuurbeleid en de uitwerking daarvan voor het landelijke gebied. De uitwerking van het HGS beleid voor Waterland is verouderd.

Als het aan de orde is, kunnen wij bij provincie, Rijk en EU de noodzaak voor aanvullend beleid of aanvullende regelgeving agenderen, bijvoorbeeld gericht op substitutie van geïmporteerde grondstoffen voor veevoer (zoals niet duurzaam geproduceerde soja uit Brazilië) door een duurzaam alternatief, of een verbod op inzet van chemische middelen voor graslandverbetering. De inzet van Amsterdam voor de landbouw vraagt mogelijk een uitwerking van een landbouwparagraaf in het kader van de Voedselstrategie. De inzet op het PPLG en de gebiedsprocessen vraagt reserveren van voldoende middelen in de gemeentebegroting. Als de middelen uit het Transitiefonds worden toegezegd, kan Amsterdam mogelijk aanspraak op een bijdrage maken om een deel van de kosten te dekken. In onze zienswijze geven we de provincie Noord-Holland aan of (en zo ja, hoe) we meewerken aan de gebiedsprocessen.

7

Bijlage 1

Wat is de situatie in onze gemeente? Kaart 1. Landelijk gebied Amsterdam, met bestemmingen NNN, Natura 2000, agrarisch en aanduiding Hoofdgroenstructuur. Bron: R&D

Het landelijke gebied binnen de gemeente Amsterdam omvat een aantal deelgebieden: Waterland-oost, een deel van de Diemerscheg, de buitengebieden van Weesp ten oosten van de Vecht, de kop van de Amstelscheg, het Amsterdamse Bos, de Tuinen van West en de Bretten. In kaart 1 zijn deze gebieden met een fellere kleur ingekleurd. Om onze gemeente breidt de landschappelijke structuur zich uit en zijn ook de natuur- en recreatiegebieden en het landbouwgebied aangegeven. In de Diemerscheg, de Bretten en het Amsterdamse Bos is de hoofdfunctie natuur, met recreatie als afgeleide daarvan. In de vier andere gebieden is sprake van landbouw als hoofdfunctie. Ook daar vindt recreatie plaats, denk aan fiets- en vaarroutes en recreatieve bestemmingen op boerenerven en in dorpen. Anders dan in de stad en het Amsterdamse Bos is de gemeente in het grootste deel van het landelijke gebied geen grondeigenaar en stuurt met ruimtelijke ordening (vergunningen, toezicht en handhaving) en stimulerend beleid zoals de Voedselvisie en de Groenvisie. In onderstaande beschrijving gebruiken we de ruimtelijke ordeningsinvalshoek: de bestemming.

8

Bestemming natuur De Diemerscheg bestaat voor het grootste deel uit natuur met een beschermde Natuur Netwerk Nederland status. Ook in Waterland-Oost ligt een zone met NNN. In de Bretten ligt natuurgebied en ook het Amsterdamse Bos is vrijwel helemaal beschermd onder dit regime. Binnen onze gemeente liggen geen stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden, maar die liggen wel direct tegen het landbouwgebied van Weesp aan. Het gaat hierbij om het Naardermeer en de Ankeveense Plassen. Ten noordwesten van Waterland-Oost ligt het Natura-2000 gebied Ilperveld-Varkensland-Twiske-Oostzanerveld (IVOT). Deze gebieden hebben tevens een recreatieve betekenis, die aan de natuurbestemming ondergeschikt is. Het Twiske is het belangrijkste deel van het beheergebied van Recreatieschap Twiske-Waterland, waar Amsterdam aan deel neemt. Bestemming agrarisch. In Waterland-Oost, de buitengebieden van Weesp, de Tuinen van West en de kop van de Amstelscheg hebben de meeste gronden de bestemming agrarisch. Hier zijn ca 100 landbouwbedrijven, waarvan de meeste (melk- en vlees)veehouderijen zijn in WaterlandOost (ca 30 bedrijven) en Weesp (ca 35 bedrijven). Op de slappe veenbodems van onze buitengebieden is (nog) geen andere vorm van landbouw rendabel dan veehouderij.

In de Tuinen van West, waar de grond deels uit (zee)klei bestaat, bevinden zich diverse stadslandbouw bedrijven, die zich vooral richten op tuinbouw en fruitteelt en een enkele veehouder. In onze gemeente is geen akkerbouw of bollenteelt. Kaart 2. Landbouwbedrijven in Amsterdam. Bron: R&D

In de veehouderij, de grootste bedrijfstak in onze gemeente, is al decennia lang sprake van schaalvergroting. Kon 25 jaar geleden nog een boerengezin overleven met 50 koeien, 9

inmiddels zijn daar ruim 100 dieren voor nodig. Er zijn inmiddels aanmerkelijk minder boeren dan in het jaar 2000. Een verdere schaalvergroting wordt beperkt door de lage grondmobiliteit in onze omgeving. Veel bedrijven vullen hun inkomen daarom aan met een baan buiten het bedrijf of inkomsten uit verbreding, zoals agrarisch natuurbeheer, recreatie, zorg en kinderopvang. Veel boeren doen aan weidegang, dat wil zeggen dat het vee zo lang mogelijk in de wei loopt. Ook doen relatief veel boeren mee aan weidevogelbescherming en andere vormen van agrarisch natuurbeheer. De hoogste weidevogeldichtheden liggen echter in gebieden buiten onze gemeente en de weidevogels zijn zo goed als verdwenen uit de weiden aan de stadsrand. Er zijn verschillende bedrijven die een neventak in de zorg, educatie, recreatie hebben. Diverse bedrijven verkopen hun producten (melk, kaas, vlees, groente, fruit) direct aan de consument (boerderijwinkel, melktap), aan winkels en markten (gespecialiseerde kaaswinkels, boerenmarkten, denk ook aan de Fruittuinen van West) of aan restaurants. Het inkomen van de melkveehouders is hier relatief gunstig vanwege afzet aan een regionale melkfabriek (Cono/Beemster) en -in de Amstelscheg- verkoop via een eigen merk (Boeren van Amstel). Ook voor biologische producten bestaat een (kleine) markt met betere beloningen.

De bedrijven in onze gemeente zijn doorgaans niet intensief, maar “grondgebonden” met bijvoorbeeld in Waterland gemiddeld 2 “grootvee-eenheden” per hectare. Amsterdam experimenteert op eigen grond in de Burkmeer met 5 hectare natte teelt (lisdodde) op landbouwgrond. Het product is een vezel en de opbrengst lijkt in vergelijking met andere vezelteelten (zoals bosbouw) vele malen hoger te zijn. De afzet blijft echter een uitdaging en de businesscase is niet rond. Het toekomstperspectief lijkt echter goed te zijn door de groeiende behoefte aan bio-based circulair bouwmateriaal. Ook heeft deze teelt ten opzichte van veeteelt een gunstig effect op stikstof- en broeikasgas uitstoot, CO2 vastlegging, waterzuivering, wateropslag en zijn de biodiversiteitseffecten in de Burkmeer gunstig. Amsterdam gaat daarom door met opschalen en versterken van het experiment.

Kaart 3. Stadslandbouwinitiatieven Amsterdam. Bron: Maps.Amsterdam

10

Toch is niet alles in ons landelijke gebied koek en ei. De veehouderij moet een forse bijdrage leveren aan diverse milieuopgaven. Bij diverse boeren bestaat onzekerheid over het beleid en de te nemen maatregelen op het bedrijf, wat bijdraagt aan weerstand. Ook bij grondgebonden en relatief natuurvriendelijke landbouw daalt de veenbodem omdat die wordt ontwaterd. Door dit ‘bodemgebruik’ vindt uitstoot van broeikasgassen zoals CO2 en lachgas plaats, en via de sloten ook methaan. Er wordt in ons landelijk gebied geëxperimenteerd met oplossingen, die bijdragen aan het landelijke onderzoek naar de effectiviteit van maatregelen. Definitieve conclusies zijn nog niet beschikbaar.

Kaart 4. Bodemdaling door veenoxidatie, lage scenario. Bron: provincie Noord-Holland.

11

Ook het vee van ‘onze’ boeren produceren meer mest dan de bodem nodig heeft. Uit mest en urine van vee ontstaat ammoniak, een stikstofverbinding, die verdampt en vooral neerslaat op nabij gelegen natuurgebieden en daar voor veel schade zorgt. In onze gemeente zijn waarschijnlijk geen of heel weinig piekbelasters aanwezig, die aanspraak kunnen maken op een landelijke uitkoopregeling. Wel krijgen onze boeren te maken met meer generieke bronmaatregelen en (in Weesp) met het instellen van een 500 meter brede bufferzone rond stikstofgevoelige natuurgebieden. De waterkwaliteit is op veel plekken aangetast door lozingen van (stedelijk) afvalwater, jarenlange overbemesting en gebruik van bestrijdingsmiddelen. Met name voor de natuurgebieden is veel zuiver water nodig. De doelen voor waterkwaliteit moeten in 2027 zijn gerealiseerd. Vooral ten noorden van het IJ ligt de aanpak niet op schema: 46 % van de waterlichamen voldoet daar nog niet. Ook de hoeveelheid (zoet) water die nodig is om de veengebieden in droge tijden nat te houden, is ontoereikend. Weliswaar wordt het klimaat natter, maar in de zomer zijn er extremere droogtes. Zodra de gletsjers in de Alpen zijn gesmolten en de Rijn niet meer voeden is verzilting van Noord-Holland erg waarschijnlijk. Er is ruimte nodig voor het opslaan van regenwater.

Sommige bedrijven gebruiken nog steeds chemische middelen om grasland te verbeteren of om onkruid te bestrijden. Dit is nog steeds toegestaan en de indruk is dat steeds meer boeren graslandverbetering inzetten om eiwitrijker gras te produceren, dat weer leidt tot meer kilo’s melk per koe. Ook het gebruik van krachtvoer, vaak op basis van soja uit andere 12

continenten, en kunstmest zorgt voor productieverhoging per koe. De hoeveelheid dierlijke mest neemt daardoor navenant toe. Een deel van wat wordt geproduceerd (melk, vlees) wordt afgezet op de Europese- of de wereldmarkt en de ketens zijn daardoor allerminst kort.

13

Bijlage 2

Hoofdpunten uit Omgevingsvisie Amsterdam Het beleid van Amsterdam voor de buitengebieden zoals omschreven ziet, kort samengevat, op: • Bescherming en gepaste ontwikkeling van het groen middels Hoofdgroenstructuurbeleid. De meeste buitengebieden krijgen de status van landschap en stadsnatuur. • Behoud en ontwikkeling van de scheggenstructuur tot landschapsparken (Amstelscheg, Diemerscheg, Westeinderscheg inclusief Amsterdamse Bos, Bretten/Spaarnwouderscheg, Waterland-Oost, IJmeer/Markermeer) • Behoud en ontwikkeling van de kernkwaliteiten, denk aan openheid, zicht op de rivier en weidevogeldichtheden. • Tegengaan bodemdaling in veengebieden (o.a. om uitstoot van broeikasgassen te verminderen, maar ook funderingsproblemen en verzakkende infrastructuur te voorkomen) • Versterken biodiversiteit. • Versterken recreatieve en sportieve betekenis, inclusief een betere bereikbaarheid per fiets en openbaar vervoer • Bevorderen korte ketens in het voedselsysteem • Dierenwelzijn en bevorderen eiwit-transitie

14

Bijlage 3

Relevante onderdelen PPLG Kaart 4. Indeling programmagebieden PPLG Noord-Holland. Bron: provincie Noord-Holland

Opvallende elementen in het PPLG Noord-Holland voor Amsterdam zijn: Natuur: • Het NNN moet in 2028 zijn afgerond en dat vraagt om aankoop van 1638 ha in LH; 527 ha in ZKAM en 968 ha in G&V. • De provincie zet daarbij in op vrijwillige uitkoop van (boeren)land, maar sluit onteigening niet uit. • In alle gebieden moet sprake zijn van 10% groenblauwe dooradering. Onbekend is in hoeverre dat al wordt gerealiseerd in ons waterrijke landelijke gebied. • Er moet bos bij komen: in ZKAM bijna 1050 ha binnen èn buiten het NNN; in LH 63 ha en in G&V 30 ha. Stikstof: • Afronding van de NNN in 500 meter brede bufferzones rondom stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden • Reducties bij alle veehouderijen middels subsidie voor emissiearme stallen, mestbehandeling en -verwerking en bedrijfsmanagement. • Het stikstofdoel voor Ilperveld-Varkensland-Oostzanerveld-Twiske (IVOT, hierin ligt dus ook ‘ons’ recreatiegebied het Twiske) is niet per 2030 haalbaar. Hier voldoet nu 25% van het oppervlak aan de kritische depositiewaarde, terwijl dat op grond van de 15

• •

huidige Stikstofwet in 2035 74% zou moeten zijn. De depositie is hier per hectare 342 mol te hoog. Wanneer het doel haalbaar is, wordt niet aangegeven. Het stikstofdoel voor 74% van het Naardermeer (gelegen naast de Weesper weiden) is wel haalbaar, maar ook hier is de depositie op de overige 26% 482 mol te hoog. Om de ‘deken’ aan stikstof te verdunnen wordt provinciebreed ook ingezet op een roadmap industrie en emissiearm bouwen. Niet duidelijk is wat er in ons industriegebied gebeurt.

Figuur 1. Stikstofbelasting Natura-2000 gebieden. Bron: provincie Noord-Holland

Water: • De gecombineerde fosfaatnitraatnorm voor oppervlaktewater moet in 2027 worden bereikt vooral via voorlichting, bufferstroken, teeltvrije zones en groenblauwe dooradering • 5-10% diepe polders wordt benut voor opvang piekbuien. Binnen ons landelijke gebied zijn met name de Broekermeer (-4,8), de Burkmeer (-4,7), de Belmermeer (4,5), de Blijkmeer (-….), de Lutkemeer (-4,5) en de Osdorperbovenpolder (-4) die liggend. Gaat het om deze gebieden? Hoe verhoudt dit zich tot lopende ontwikkelingen in deze polders? • Vernatten laagveen. Bijna al ons landelijk gebied is laagveen. Dit kost extra water. • De overlastnorm voor veenweiden wordt verruimd, dat wil zeggen dat het veenweidegebied vaker dan voorheen waterlast mag ondervinden. Klimaat: • Reductie uitstoot 0,0066 megaton CO2 equivalent per jaar in LH; 0,014 in ZKAM en 0,009 in G&V. 16

•

• •

Het grondwaterpeil gaat naar -20 tot -40 cm. Dat kan alleen bereikt worden met hoge slootwaterstanden in combinatie met extra greppels, of met waterinfiltratiesystemen. In Laag Holland wordt 3000 ha waterinfiltratie aangelegd; in ZKAM 300 ha en in G&V 500 ha. In de hele provincie wordt daarnaast 500 ha voorzien van een hoger waterpeil en 200 ha ingericht voor natte teelten.

Kringlooplandbouw: • In 2040 moeten alle bedrijven passen in de definitie van kringlooplandbouw • Er wordt gebruik gemaakt van kritische prestatie-indicatoren

(kader):

Definitie Kringlooplandbouw (bron: PPLG) We onderscheiden de volgende niveaus van natuurinclusiviteit van de bedrijfsvoering: Niveau 0: er wordt minimaal gebruik gemaakt van biodiversiteit op het bedrijf. Alleen aan wettelijke verplichtingen wordt voldaan. Voorbeeld: weidegang volgens de daarvoor geldende minimumeisen. Niveau 1: door op een deel van het bedrijf maatregelen te treffen voor specifieke soorten wordt biodiversiteit bevorderd. Voorbeelden: een deel van het land afschermen en onbeheerd laten, aanleg van plas-dras of akkerranden, via een mozaïekstructuur rekening houden met maaien en bemesten, beheer van slootkanten, nestkastjes ophangen, erfbeplanting aanbrengen. Praktijkvoorbeeld: niveau 1 wordt eigenlijk ingevuld door gangbare bedrijven die op dit moment aan agrarisch natuurbeheer doen en maatregelen nemen om soorten te behouden of te bevorderen. Niveau 2: dit is een stap richting grondgebondenheid. Op het bedrijf wordt gestuurd op verbetering van de functionele biodiversiteit door verbetering van bodem-, gewas- en diercycli, het ruimte geven voor natuurlijk gedrag van dieren, beheer van landschapselementen en maatregelen ten aanzien van specifieke soorten. Niveau 3: het bedrijf heeft een adaptief systeem en is volledig grondgebonden, waarbij kringlopen geoptimaliseerd zijn en er aandacht is voor bijvoorbeeld kruidenrijk grasland en robuuste koeienrassen.

Daarbij is er oog voor de aanleg en het onderhoud van landschapselementen en maatregelen voor specifieke soorten. Deelname in een gebiedscollectief met ambitieuze gebiedsbeheerplannen ten aanzien van een groenblauwe dooradering en soortenbeheer kunnen de resultaten versterken. Bedrijven die zich kwalificeren als niveau 3 zijn schaars.

17

Recreatie: • Onderzoek naar de recreatiebehoeften per programmagebied. Het valt te verwachten dat de recreatiebehoefte vanuit Amsterdam, als sterkst groeiende stad in de MRA, het grootste is. • Nieuw recreatiegebied gekoppeld aan bos, groenblauwe dooradering en ‘andere PPLG-opgaven’. • Versterken routenetwerk, met name de stad-land verbindingen.

18

Bijlage 4

Opdrachten voor de programmagebieden, Startversie PPLG NoordHolland

19

Bijlage 5

Initiatieven en netwerk in het landelijke gebied Bij de in het PPLG opgenomen opgaven beginnen we niet bij nul. Het rijks- en provinciale beleid kent (naast een lange traditie van met subsidies ondersteunen van het inkomen van boeren) ook instrumenten die eigen initiatieven door boeren en boerenorganisaties ontlokken. Wet- en regelgeving fungeren daarbij als ondergrens. Amsterdam stuurt (via het Hoofdgroenstructuurbeleid en de Voedselstrategie) vooral op goede ruimtelijke kwaliteit, tegengaan ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen, toestaan van extensieve vormen van verbreding en stimuleren van korte ketens. De uitwerking van het Hoofdgroenstructuurbeleid voor Waterland is inmiddels meer 10 jaar oud en volstaat niet meer. Via deelname aan de recreatieschappen werkt Amsterdam aan behoud en ontwikkeling van de recreatieve structuur met (fiets-, wandel- en vaar)routes en voorzieningen, die deels in het agrarische gebied liggen. Voor het agrarische natuurbeheer zijn collectieven opgericht, die een steeds breder palet aan projecten opzetten en uitvoeren, die bijdragen aan overheidsdoelen.

Ook in het landbouwgebied van Amsterdam is sprake van een baaierd aan activiteiten op boerenland, die bijdragen aan meer biodiversiteit (denk aan weidevogelbeheer), kortere ketens (denk aan ‘de boeren van Amstel’), meer circulariteit (denk aan verbouw van mais als veevoer) en lagere emissies van stikstof (denk aan mestverwerking). Vanuit de landbouw, natuurorganisaties en andere maatschappelijke actoren zijn recent verschillende initiatieven genomen die bijdragen aan de landbouwtransitie. We noemen er drie, maar er zijn er meer: • Amsterdam Wetlands (2019, Landschap Noord-Holland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en recreatie Noord-Holland). Hierin wordt een voorstel gedaan voor het realiseren van duizenden hectaren aaneengesloten topnatuur in Laag Holland. Hiervoor worden duurzame vormen van landbouw en agrarisch natuurbeheer gestimuleerd en ondersteund. De organisaties vragen van de overheden om dit concept over te nemen in het beleid. Zie ook https://www.landschapnoordholland.nl/projecten/amsterdam-wetlands • Agrarisch perspectief Waterland-Oost (2021, agrarische natuurvereniging Water, Land en Dijken, Vereniging behoud Boeren Waterland en LTO Noord). Hierin worden, na een gebiedsanalyse, 3 scenario’s voor de toekomst geschetst en gepleit voor het scenario ‘diversiteit in specialisatie’, met de vraag aan de overheden dit te onderschrijven en te ondersteunen.

De provincie zou dit op bedrijfsniveau met alle 58 boeren moeten uitwerken in een maatwerk-aanpak. Van Amsterdam wordt ondersteuning bij vergunningverlening gevraagd. Zie ook https://waterlandendijken.nl/wp-content/uploads/Rapport-Agrarischperspectief-Waterland-Oost_DEF.pdf • De Groene Stelling (2023, OAK, Strootman landschapsarchitecten, Wij-land, Staatsbosbeheer, ANWB, agrarisch collectief Noord-Holland zuid, Boeren van Amstel etc). Dit initiatief bundelt een groot aantal bestaande initiatieven en actoren gericht op het buitengebied tussen stad en Stelling van Amsterdam. Doel is de initiatieven te versterken, op te schalen en aan te vullen. Burgers, bedrijven en boeren kunnen met geld en activiteiten 20

meewerken aan initiatieven in het landelijke gebied, zoals aanleg bomen, houtsingels en bos, versterken agrarisch landschap of recreatie en buitenbeleving. Zie ook www.https://degroenestelling.nl Invloedrijke organisaties van en voor boeren in ons landelijke gebied zijn: LTO-Noord, de agrarische collectieven Water, Land en Dijken en Noord-Holland zuid, de Vereniging behoud Boeren Waterland en mogelijk ook de Nederlandse Melkveehouders Vakbond. Met veel van deze organisaties bestaan ambtelijk al contacten.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13290765/1