CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. HvA voorlopige reflectie miniburgerberaad.pdf

Raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken, Deelnemingen, Lucht- en Zeehaven, Duurzaamheid 10 februari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de afronding mini-burgerberaad (ZD2021-017126)3.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

Voorlopige reflectie mini-burgerberaad december 2021 De gemeente Amsterdam heeft de Hogeschool van Amsterdam gevraagd onderzoek te doen naar het mini-burgerberaad Klimaat dat in het najaar van 2021 is uitgevoerd. Een korte toelichting op de onderzoeksopzet vindt u in bijlage 1. Voor dit onderzoek zijn drie doelstellingen geformuleerd: 1. Beschrijving van de gehanteerde aanpak (methodiek) en verloop van het mini-burgerberaad 2. Inzicht verkrijgen in de ervaringen van deelnemers met het mini-burgerberaad. 3. Inzicht in de veranderingen in kennis en houding t.a.v. het onderwerp van het miniburgerberaad bij deelnemers De dataverzameling en -analyse is nog niet afgerond. Momenteel wordt een tweede meting van het survey-onderzoek uitgevoerd onder deelnemers aan het mini-burgerberaad. Ook worden nog interviews afgenomen met een beperkt aantal deelnemers. In deze rapportage worden de voorlopige resultaten toegelicht met betrekking tot de volgende onderdelen: 1. Proces van loting en samenstelling van de deelnemersgroep 2. Opzet en verloop van het miniburgerberaad 3. Eerste inzichten in de ervaringen deelnemers

1. Proces van loting en samenstelling van de deelnemersgroep De gemeente Amsterdam heeft deelnemers aan het mini-burgerberaad geselecteerd op basis van loting uit de basisadministratie. Door de gehanteerde vorm van loting werd beoogd een evenwichtige spreiding te realiseren van deelnemers over de stadsdelen en Weesp, qua leeftijd (onder en boven de dertig) en opleidingsniveau. Er zijn 2.311 burgers ingeloot en uitgenodigd voor het burgerberaad. 240 van de ingelote burgers hebben zich vervolgens aangemeld om deel te nemen. In een tweede lotingsronde zijn vervolgens 100 deelnemers uit de aanmeldingen geselecteerd. Deze groep burgers is gestart met het miniburgerberaad. Het burgerberaad is van start gegaan met 88 deelnemers. Enkele deelnemers zijn alsnog gestopt waardoor een groep van circa 80 deelnemers de programmaonderdelen heeft kunnen bijwonen. De belangrijkste reden om te stoppen die naar voren is gebracht door deelnemers was dat het voor hen niet mogelijk was beide deliberatiedagen (6 + 7 november) bij te wonen. Een van de voorwaarden om een zinvolle bijdrage te kunnen leveren aan het mini-burgerberaad was dat burgers beide dagen aanwezig konden zijn. Stadsdelen Deelnemers zijn afkomstig uit alle stadsdelen en Weesp. Er is in grote lijnen sprake van een evenredige deelname van burgers uit alle stadsdelen en Weesp.

Kleine verschillen zijn te vinden bij de stadsdelen Zuid-Oost (- 5%), West (Westpoort) (- 6%) en het Centrum (-6%). Deze stadsdelen zijn dus iets minder goed vertegenwoordigd in het burgerberaad. Leeftijd Er hebben burgers van verschillende leeftijden deelgenomen aan het burgerberaad. De uitkomsten van de survey laten zien dat het percentage deelnemers per leeftijdscategorie overeen komt met het percentage deelnemers per leeftijdscategorie in de gemeente Amsterdam.

1

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

Opleiding Er hebben burgers deelgenomen met een verschillende opleidingsniveau. Verreweg het grootste deel (87%) van de deelnemers is hoger opgeleid (HBO of WO). Dit percentage ligt aanzienlijk hoger dan het opleidingsniveau in de gemeente Amsterdam (48% hoger opgeleid). Inwoners met een laagof middelbaar opleidingsniveau zijn minder vaak ingegaan op de uitnodiging voor deelname aan het burgerberaad. Nieuwe burgers betrokken De eerste resultaten van het survey-onderzoek laten zien dat de overgrote meerderheid (90%) van de deelnemers aangeeft dat het mini-burgerberaad de eerste keer is dat zij meepraten met de gemeente. Het lijkt erop dat de loting eraan heeft bijgedragen dat relatief veel burgers hebben deelgenomen aan het burgerberaad die nog geen ervaring hebben met door de gemeente geïnitieerde participatieprocessen. Verder laat het survey-onderzoek zien dat 25% van de deelnemers redelijk tot veel weet van het klimaatbeleid van de gemeente. Voor het merendeel van de deelnemers geldt dat zij betrokken zijn bij het klimaatvraagstuk, maar zonder veel voorkennis starten aan het mini-burgerberaad. De loting lijkt er aan bijgedragen te hebben dat er relatief weinig burgers namens een belangenorganisatie (denk aan wijkorganisaties, belangengroepen voor natuur of tegen windturbines, zelforganisaties op het gebied van klimaat) hebben deelgenomen aan het miniburgerberaad.

De eerste analyse van de observaties bevestigen dat er relatief veel deelnemers met een frisse blik op het vraagstuk meepraten als belangenbehartiger van een specifieke groep en er nauwelijks sprake is van vooringenomen standpunten of overtuigingen. Toelichting op samenstelling deelnemersgroep Selectie en zelfselectie is onvermijdelijk verbonden met burgerparticipatie. Wanneer een overheidsorganisatie burgers uitnodigt om ergens over mee te praten vindt er bedoeld en onbedoeld selectie plaats. Door uit te nodigen door middel van loting heeft de gemeente bedoelde en onbedoelde selectie van groepen burgers vooraf voorkomen. Het is vervolgens aan burgers zelf om in te gaan op de uitnodiging van de gemeente. Een deel (ruim 10%) van de ingelote burgers is ingegaan op de uitnodiging voor het miniburgerberaad en een veel groter deel niet. Onderzoek in gemeenten in Nederland waarbij in vergelijkbare participatieprocessen gebruik is gemaakt van loting laten zien dat 5%-10% van de ingelote burgers op een uitnodiging ingaat (o.a. Binnema & Michiels, 2016 (burgertoppen); Penning de Vries & Van de Veer, 2015 (stadsgesprek Energie). Bij het mini-burgerberaad is het percentage burgers dat ingegaan is op de uitnodiging relatief hoog. De zelfselectie die na loting plaatsvindt, is niet willekeurig. Belangrijke factoren die een rol spelen bij deze zelfselectie onder burgers zijn: -

Vraagstelling De vraagstelling van een participatieproces brengt met zich mee dat sommige burgers zich sneller aangesproken voelen om mee te doen dan anderen. Dit geldt ook voor het miniburgerberaad. Het college van B&W heeft het mini-burgerberaad gevraagd een advies te geven over welke extra maatregelen de gemeente Amsterdam kan nemen om 55% minder CO2 uit te stoten in 2030. Deze adviesvraag is gericht op het behalen van de klimaatdoelen 2

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

van de gemeente. Dit brengt met zich mee dat burgers die onverschillig of sceptisch zijn over klimaatverandering zich mogelijk minder aangesproken voelen en minder snel geneigd zijn deel te nemen. Wanneer het college van B&W bijvoorbeeld de vraag had voorgelegd om een advies te geven of de gemeente extra maatregelen zou moeten treffen om CO2 uitstoot te verminderen hadden mogelijk meer burgers die sceptisch staan tegenover de klimaatproblematiek zich aangesproken gevoeld. Een dergelijke vraagstelling zou echter niet hebben gepast binnen het bestaande beleid van de gemeente. -

Aard van het vraagstuk De aard van het vraagstuk van een participatieproces, zoals het mini-burgerberaad, brengt met zich mee dat sommige burgers eerder dan anderen geneigd zijn deel te nemen. Het vraagstuk dat centraal staat in het mini-burgerberaad zijn de klimaatmaatregelen van de gemeente Amsterdam om CO2 te reduceren. Het gaat hier om een relatief complex en, in de beleving van veel burgers, abstract onderwerp. Een complex en abstract onderwerp brengt met zich mee dat een aanzienlijk deel van de burgers hier minder snel over mee zal willen praten in een participatieproces. Het onderwerp is relatief ingewikkeld en in de beleving van veel burgers iets waar zij een grote afstand toe ervaren, een ver van mijn bed show.

-

Participatievorm De participatievorm, in dit geval een mini-burgerberaad, brengt met zich mee dat sommige burgers eerder dan anderen geneigd zijn deel te nemen. Deelnemers aan het miniburgerberaad is gevraagd in november tijdens zes bijeenkomsten verspreid over vier avonden en een weekend in gesprek te gaan met andere bewoners en onafhankelijke experts. De gevraagde inzet in tijd is aanzienlijk en er is sprake van een korte doorlooptijd. Dit brengt met zich mee dat sommige groepen burgers (bijvoorbeeld burgers met genoeg op hun bord: denk aan jonge kinderen, mantelzorgtaken of onregelmatig werk) minder snel geneigd zijn in te gaan op de uitnodiging van de gemeente dan andere groepen. Deelname aan het mini-burgerberaad vereist ook vaardigheden van deelnemers. Er wordt gevraagd om gesprekken te voeren met onbekende andere burgers en deskundigen waarin vooraf voor deelnemers nog veel onduidelijk is. De deliberatieve opzet van de participatievorm brengt met zich mee dat sommige burgers zich eerder aan zullen melden dan andere.

Kortom er zijn verschillende mechanismen die tot zelfselectie leiden bij burgers die zijn ingeloot voor het burgerberaad. Deze mechanismen zijn onlosmakelijk verbonden met het organiseren van een participatieproces, zoals het mini-burgerberaad. Daarom is het - wanneer de overheid enige vorm van participatie initieert, zoals bij het miniburgerberaad - nodig om actief aansluiting te zoeken bij de inwoners van Amsterdam die niet hebben deelgenomen aan het mini-burgerberaad. Om te komen tot bredere acceptatie van de uitkomsten van het mini-burgerberaad is verantwoording over het gevolgde proces en de uitkomsten daarvan belangrijk. Het gaat dan zowel om aansluiting bij groepen burgers waarvan bekend is dat zij andere opvattingen zijn toegedaan als om burgers die weinig zichtbaar zijn in het publieke debat - het zogenaamde stille midden. Kritische burgers, die sceptisch zijn met betrekking tot klimaatverandering en/of weinig vertrouwen in de overheid hebben, kiezen eigen wegen om hun opvattingen naar voren te brengen. Het gaat dan veelal om door deze groepen zelf-geïnitieerde online en offline participatiestrategieën. De opvattingen en zorgen van deze burgers zijn deels welbekend. Onderzoek laat zien dat de inbreng van kritische burgers - ook als zij niet meepraten aan 3

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

tafel - even zo goed meegenomen kan worden in het participatieproces of de besluitvorming over de uitkomsten ervan (Bleijenberg, Aarts, Renes, 2018; Cuppen, 2018). Door de opzet en het verloop van het mini-burgerberaad is bijgedragen aan die verbinding tussen mini- en maxi-publiek, tussen de deelnemers en de inwoners van de stad. Ten eerste hebben deelnemers van het burgerberaad ervoor gekozen om een beperkt aantal vertegenwoordigers van de media aanwezig te laten zijn. De aanwezigheid van journalisten en de toegankelijke, open houding van de voorzitter van het mini-burgerberaad hebben bijgedragen aan transparantie over het participatieproces. De berichtgeving in de media en de korte online filmpjes van de voorzitter hebben eraan bijgedragen dat het algemene publiek kennis kon nemen van het verloop van het miniburgerberaad. Ten tweede zullen deelnemers aan het mini-burgerberaad hun ervaringen doorvertellen in eigen kring. Wanneer er sprake is van positieve ervaringen worden deelnemers ambassadeurs van de het burgerberaad. Een voorbeeld hiervan is het filmpje over het miniburgerberaad waarin deelnemers vertellen over hun ervaringen. Ten derde en tot slot zal de gemeente tijdens het voorliggende politieke besluitvormingsproces expliciet vorm moeten geven aan de verbinding tussen het mini-burgerberaad en de burgers van Amsterdam.

Samenvattend De eerste inzichten van het onderzoek met betrekking tot de samenstelling van de deelnemersgroep aan het mini-burgerberaad laten zien dat de gemeente, met inachtneming van de beperkingen rond deze participatievorm, door het toepassen van loting een nieuwe groep burgers heeft bereikt om mee te denken over het beleid. Voor het merendeel van de deelnemers geldt dat zij betrokken zijn bij het klimaatvraagstuk, maar zonder veel voorkennis van het klimaatbeleid van de gemeente starten aan het mini-burgerberaad. Aan de zes bijeenkomsten van het mini-burgerberaad hebben burgers uit verschillende stadsdelen en van verschillende leeftijden deelgenomen. De vraagstelling, de aard van het onderwerp en gevraagde inzet (tijd en capaciteit) hebben waarschijnlijk geleid tot de oververtegenwoordiging van met name hoger opgeleide Amsterdammers. Deelnemers waren met name burgers met (vanzelfsprekend) een grotere betrokkenheid bij het klimaatvraagstuk van de gemeente dan de gemiddelde Amsterdammer. Deze groep is tot een gedragen advies gekomen over extra maatregelen voor de reductie van CO2 uitstoot.

Gelet op (1) de doelstelling van het mini-burgerberaad, namelijk het formuleren van een advies aan de gemeente Amsterdam over CO2 reductie, (2) de opzet en de korte doorlooptijd van het miniburgerberaad, (3) de vraagstelling en (4) het vraagstuk, lijkt de samenstelling van de deelnemersgroep – met een relatief grote groep hoog opgeleide burgers - een logisch resultaat daarvan. Tegelijkertijd bestaat de groep die zich heeft aangemeld voor het mini-burgerberaad voor 90% uit burgers die nog niet eerder deelnamen aan een door de gemeente geïnitieerd participatieproces. De gemeente lijkt er door de opzet van het mini-burgerberaad dus in geslaagd om ruimte te bieden aan de inbreng van een nieuwe groep burgers. Deze samenstelling van de deelnemersgroep (relatief hoog opgeleid en betrokken bij de klimaatproblematiek) hoeft in zichzelf geen belemmering te vormen voor een effectief participatieproces of de legitimiteit van de uitkomsten als zodanig. De voorstellen voor extra klimaatmaatregelen die de uitkomst zijn van het mini-burgerberaad zijn een advies aan het college van B&W. De gemeenteraad, democratisch gekozen door alle Amsterdammers, neemt uiteindelijk het besluit over dit advies.

4

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

Opzet en verloop van het miniburgerberaad Hieronder een eerste korte reflectie op de opzet en het verloop van het mini-burgerberaad. Nog geen inzicht in alle onderdelen. Opzet mini-burgerberaad Er is in de opzet van het mini-burgerberaad zorgvuldig aandacht besteed aan het contact met de deelnemers. Daarin zijn weloverwogen keuzes gemaakt om de deelnemers voldoende te informeren, maar niet te overbelasten. Voorbeelden zijn het beperken van het mailverkeer vooraf, het persoonlijk nabellen van alle deelnemer voorafgaande aan de start en het aanbieden van de mogelijkheid voor kinderopvang. De faciliteiten op locatie zijn professioneel en prettig geregeld. Voor de programmaonderdelen van en deliberatie binnen het mini-burgerberaad was weinig tijd beschikbaar en de doorlooptijd van het gehele burgerberaad was kort. De verschillende onderdelen van het mini-burgerberaad en de bijeenkomsten zijn zorgvuldig geprogrammeerd binnen de gegeven tijdsbeperking. Er was sprake van een duidelijke en passende opbouw van het programma door de weken heen. Er was sprake van een afgewogen mix tussen kennis vergaren en deliberatie in tafelgroepen. Ook de deliberatieve bijeenkomsten van 6 en 7 november kenden een duidelijke en passende opbouw van divergeren (dromer, ontwaker en realist) naar convergeren (randvoorwaarden, criticus, verdieping en keuzes maken).

Er was sprake van een (deels noodgedwongen) afwisseling tussen online en offline bijeenkomsten. Aan de deelnemers werd vanaf het begin ruimte geboden om naast inbreng over de inhoud van het burgerberaad (over welke onderwerpen moeten we praten) ook invloed uit te oefenen op het verloop van het proces. Voorbeelden hiervan zijn de mogelijkheid om eigen experts aan te dragen, een rol te vervullen als tafelleider, wens om in kleinere groepen te werken en het aanpassen van de procedure om de steun voor de uitkomsten vast te stellen. De tafelleiders spelen een belangrijke rol in het verloop van gesprekken. Er is voor gekozen om de tafelleiders te werven uit de deelnemersgroep. Deelnemers konden zich aanmelden als tafelleider en volgden een korte training voorafgaand aan het miniburgerberaad. Ook werden tafelleiders uitgenodigd voor een briefing aan de start van de fysieke bijeenkomsten. De tafelgroepen hadden een ondersteuner van de gemeente die zorgdroeg voor het noteren en terugkoppelen van wat werd besproken. Wanneer er onvoldoende tafelleiders waren werd aan de groepen gevraagd deze rol zelf op te pakken. De inhoudelijke kaders en het mandaat van het burgerberaad zijn vooraf vastgesteld door het college van B&W. Verloop Onderstaande reflectie is gebaseerd op een eerste snelle scan van de observaties die tijdens het miniburgerberaad zijn uitgevoerd.

De opvattingen van deelnemers zijn hierin niet meegenomen (vragenlijst is verstuurd na 15 november, ook de interviews met een beperkt aantal deelnemers worden na 15 november afgenomen). De verschillende onderdelen van het burgerberaad verliepen over het algemeen in een ontspannen sfeer. De voorzitter van het burgerberaad droeg in het bijzonder bij aan een ontspannen, open sfeer en zocht actief contact met de deelnemers (relatie). In de plenaire programmaonderdelen werd veel informatie gegeven. Het verloop van het proces en het programma, en de onderbouwing van keuzes hierin (waarom doen we dit?) waren niet altijd 5

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

duidelijk voor deelnemers. De inbreng van deelnemers werd serieus besproken en in veel gevallen meegenomen door zaken te verhelderen of uit te zoeken, of door de manier van werken aan te passen. Voorbeelden hiervan zijn vragen over het mandaat van het burgerberaad, de afbakening van het onderwerp en de wens in kleinere groepen te werken. De gesprekken in groepen verliepen over het algemeen goed. De rol van de tafelleider en ondersteuner vormen hierin een belangrijke schakel. De aanwezigheid van een neutrale tafelleider en ondersteuner die het proces in goede banen leiden wordt gaandeweg het proces steeds belangrijker. Tijdens de tafelsessies of digitale break-out rooms ontbrak soms een ondersteuner of tafelleider en heel incidenteel waren bij een sessie beiden niet aanwezig. Het ontbreken van een tafelleider en/of ondersteuner werd door sommige deelnemers op bepaalde momenten als storend ervaren. In de fases waarin verdieping wordt gezocht en bij het maken van gedragen keuzes, is een neutrale gespreksleider extra belangrijk. In deze fase is het cruciaal om ruimte te bieden aan verschillende perspectieven van deelnemers en in het gesprek te komen tot oplossingen en steun hiervoor binnen de groep. In de eerste (brainstorm/ droom) fase (dag 1 van de weekendsessie) is dit nog minder aan de orde.

Gedurende de deliberatie binnen het burgerberaad werd de rol van tafelleider minder duidelijk en werd deze op wisselende manieren ingevuld. Dit heeft zijn doorwerking gehad in de kwaliteit van de deliberatie en mogelijk in het draagvlak voor de uitkomsten. Ook de tijdsdruk werd gaandeweg meer voelbaar in de deliberatie. Voorbeelden zijn de 10 minuten die de deelnemers kregen, in de ochtend van dag 2, om in groepjes na te denken over randvoorwaarden voor het maken van keuzes tussen maatregelen. Ook de werkvorm (en het tempo) waarmee, tijdens de afsluitende digitale avondsessie, uit alle voorstellen een keuze werd gemaakt voor het advies aan de gemeente, bood weinig ruimte voor onderlinge uitwisseling en afweging. Het ophalen van de feedback van deelnemers op het verloop van het programma (aan het einde van ieder onderdeel) gebeurde aan het begin veelvuldig, maar hier werd gaandeweg steeds minder aandacht aan besteed. Samenvattend is er, met inachtneming van de beschikbare tijd voor deliberatie en de totale doorlooptijd, een zorgvuldig opgebouwd programma samengesteld voor de verschillende onderdelen van het mini-burgerberaad. Gedurende het verloop van het burgerberaad bleken niet alle uitgangspunten van de programmering in de uitvoering goed tot hun recht te komen.

Voorbeelden zijn de rol van de tafelleider, de korte tijd die er beschikbaar was om over belangrijke zaken van gedachten te wisselen en keuzes te maken, en de ruimte voor tussentijdse feedback op de gehanteerde werkwijze tijdens het mini-burgerberaad om zo beter aan te kunnen sluiten bij de behoefte van deelnemers. In het verloop van het mini-burgerberaad leek met name in de fase waarin belangrijke besluiten genomen moesten worden, zoals het gezamenlijk tot een set aan maatregelen komen die aan de raad voorgelegd kon worden, de beperkte tijd een steeds grotere, belemmerende factor te worden. Eerste inzichten in de ervaringen deelnemers De resultaten van het survey onderzoek onder deelnemers is nog niet afgerond. De voorlopige resultaten van de tot nu toe ingevulde vragenlijsten (n=63) laten echter zien dat bijna alle deelnemers (96%) zich welkom voelden tijdens het mini- burgerberaad en dat bijna 90% van de deelnemers een volgende keer weer zou deelnemen aan een burgerberaad als het onderwerp hun 6

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

interesse zou hebben. Het gemiddelde rapportcijfer van de deelnemers voor het mini-burgerberaad is een 7.6. De beantwoording van deze vragen laten zien dat veel deelnemers positief zijn over het verloop van het mini-burgerberaad. Tegelijkertijd laten de eerste resultaten van de tweede meting ook zien dat de deelnemers afwachtend zijn als het gaat om de follow up van het mini-burgerberaad en de politieke besluitvorming over de geformuleerde adviezen. Onderzoek laat zien dat deelnemers de beoordeling van hun deelname aan het participatieproces mede laten afhangen van de mate waarin de uitkomsten serieus worden genomen bij de besluitvorming door de gemeente (Bleijenberg, 2021). Dat geldt ook voor de deelnemers aan het mini-burgerberaad klimaat.

7

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

Bijlage 1: Korte toelichting op de opzet van het onderzoek

Voor het onderzoek zijn drie doelstellingen geformuleerd: 1. Beschrijving van de gehanteerde aanpak (methodiek) en verloop van het mini-burgerberaad Aan de hand van de theorie van ervaren procedurele rechtvaardigheid (o.a. Lind & Tyler, 1988) en literatuur over de dialoog als deliberatievorm (Bohm, 1996; Issaacs, 1999): Zijn in de gehanteerde aanpak en uitvoering elementen van procedurele rechtvaardigheid herkenbaar? In hoeverre voldoet de deliberatie gedurende het burgerberaad aan de kenmerken van de dialoog? 2. Inzicht verkrijgen in de ervaringen van deelnemers met het mini-burgerberaad. Aan de hand van de theorie van ervaren procedurele rechtvaardigheid: Hoe ervaren deelnemers het verloop van het mini-burgerberaad? Hoe (on)tevreden zijn deelnemers met de uitkomst? Hoe verhoudt de beoordeling van het proces en de (on)tevredenheid met de uitkomst zich tot elkaar? 3.

Inzicht in de veranderingen in kennis en houding t.a.v. het onderwerp van het miniburgerberaad bij deelnemers In hoeverre vinden veranderingen plaats die aansluiten bij de theorie illusion of explanatory depth (o.a. Fernbach et al., 2013): Veranderen deelnemers van opvatting? Gaan deelnemers anders/genuanceerder denken over het onderwerp van het mini-burgerberaad?

Opzet Naast bestudering van de beschikbare documenten over de opzet en uitvoering van het burgerberaad vindt dataverzameling plaats op drie momenten: Vooraf Afnemen van een korte vragenlijst onder deelnemers gericht op 1) verwachtingen van het burgerberaad en 2) de aanwezige kennis en houding t.a.v. het onderwerp. Deelnemers wordt gevraagd vooraf de vragenlijst in te vullen. Daarnaast is er de mogelijkheid om vooraf bij de inloop de vragenlijst in te vullen (samen met een van de onderzoekers). Tijdens Observatie op basis van een observatieschema van het verloop van de verschillende onderdelen van het burgerberaad. Team van maximaal vijf onderzoekers voert de observaties uit. Achteraf Afnemen van een korte vragenlijst onder deelnemers gericht op 1) ervaringen met het miniburgerberaad en 2) de aanwezige kennis en houding t.a.v. het onderwerp. Verdiepende interviews met circa tien deelnemers. Hierbij wordt gezocht naar spreiding mbt. achtergrondkenmerken, tafelgroepen en zo mogelijk houding t.o.v. het onderwerp. Interviews met ambtenaren en overige betrokkenen Na afloop worden er diepte-interviews afgenomen bij de circa tien betrokkenen bij de opzet en uitvoering van het mini-burgerberaad. Deze interviews hebben tot doel de gevolgede methodiek nauwkeurig te kunnen beschrijven en inzicht te verkrijgen in de ervaringen van direct betrokkenen. 8

Christine Bleijenberg, Reint Jan Renes en Sophie Postma

02-12-2021

Onderzoekers De gemeente Amsterdam heeft de Hogeschool Amsterdam gevraagd dit onderzoek naar het burgerberaad uit te voeren. Als onderzoekers zijn betrokken lector Reint Jan Renes en junioronderzoeker Sophie Postma (lectoraat Psychologie van de Duurzame Stad) en senior-onderzoeker Christine Bleijenberg (per 1/12 lectoraat Urban Governance Haagse Hogeschool). Voor de observaties wordt het team aangevuld met vier extra onderzoekers.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11093665/1