CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. De Ruijterkade 5_Toelichting.pdf

RAAD 9 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan De Ruijterkade 5 (VN2025-010387)29.255 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan De Ruijterkade 5

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan De Ruijterkade 5

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.A2301BPSTD-VG01

Datum print

6 Juni 2025

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

Aanleiding Ligging plangebied en plangrens Beschermd stadsgezicht UNESCO Werelderfgoed Bevoegdheden Crisis- en herstelwet Leeswijzer

7 7 8 8 8 8 9

Het plangebied

11

Ontstaansgeschiedenis Huidige situatie Planontwikkeling

11 20 21

Beleidskader

23

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

23 27 30 31

Milieuaspecten

43

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8

M.e.r.-beoordeling Milieuzonering bedrijven Geluidhinder Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodemkwaliteit Trillinghinder Duurzaamheid

43 44 44 45 48 53 55 57

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

63

Mobiliteit Water Cultureel erfgoed Natuur Hoogbouw

63 64 69 73 78

Juridische planbeschrijving

85

Algemeen Artikelgewijze toelichting

85 85

Economische uitvoerbaarheid

89

Kader Plangebied

89 89

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

91

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 Hoofdstuk 8

Gemeente Amsterdam

blz. 4

8.1 8.2 8.3

Inspraak Vooroverleg Zienswijzen

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

91 91 93

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voor het perceel De Ruijterkade 5 geldt op dit moment geen bestemmingsplan (of beheersverordening). Er is hiermee sprake van een planologisch-juridisch vacuüm (een zogenaamde 'witte vlek'). Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hierdoor minder goed gefaciliteerd worden. Bovendien geeft het onduidelijkheid aan inwoners en bedrijven. Om dit planologisch-juridische vacuüm op te vullen, is een zogenaamd conserverend ontwerpbestemmingsplan opgesteld (“Technisch Centrum en Tussen de Bogen”). Parallel aan dit bestemmingsplan waren erfpachter en gemeente met elkaar in overleg over een herontwikkeling van het perceel De Ruijterkade 5. Het huidige gebouw voldoet voor wat betreft duurzaamheid en indeling/bruikbaarbaarheid niet meer aan hedendaagse eisen. De herontwikkeling van dit perceel biedt een uitgelezen kans om een hoogwaardige centrumstedelijke (kantoor)locatie toe te voegen in het centrum van Amsterdam. Het conserverende ontwerpbestemmingsplan 'Technisch Centrum en Tussen De Bogen' biedt geen ruimte voor deze herontwikkeling. Daarom is een apart bestemmingsplan opgesteld voor dit perceel en is het perceel De Ruijterkade 5 uit het bestemmingsplan 'Technisch Centrum en Tussen de Bogen' gehaald.

1.2

Ligging plangebied en plangrens

Het plangebied De Ruijterkade 5 ligt op het Westelijk Centraal Stationseiland in het centrum van Amsterdam, nabij het Centraal Station en aan het IJ.

Afbeelding 1.1 - Ligging van het plangebied op luchtfoto (Bron: De Ruijterkade 5 Amsterdam, Hoogbouw Effect Rapportage, 2025) Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de (digitale) verbeelding van dit bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 8

1.3

Beschermd stadsgezicht

In januari 1999 is de binnenstad aangewezen als beschermd stadsgezicht. Sinds januari 2003 is de aanwijzing onherroepelijk. Het plangebied ligt binnen het beschermd stadsgezicht.

1.4

UNESCO Werelderfgoed

In de zomer van 2010 is de zeventiende-eeuwse grachtengordel van Amsterdam geplaatst op de Lijst van het Werelderfgoed van UNESCO. Hiermee wordt bijgedragen aan het ver- sterken van het bewustzijn, het begrip en de waardering van de wereldgemeenschap voor dit 400 jaar oude waardevolle culturele, architectonische en stedenbouwkundige erfgoed. Met dit erfgoed moet zorgvuldig worden omgegaan. De zeventiende-eeuwse grachtengordel vormt het kerngebied (de 'property'). De overige delen van de historische binnenstad binnen de Singelgracht vormen de bufferzone. De bufferzone is aangewezen als een extra beschermingsgebied om de kernzone. De kern- en bufferzone liggen beide in het beschermd stadsgezicht van de binnenstad van Amsterdam. De grenzen van de bufferzone komen overeen met de grenzen van het beschermde stadsgezicht. Het gevolg van de plaatsing is dat de 'outstanding universal values' van het kerngebied worden beschermd. Het beschermen van deze waarden betekent behoud van de historische uniciteit van de grachtengordel als stedenbouwkundig en cultuurhistorisch complex. Dit vereist zorgvuldige toetsing om aantasting van de 'outstanding universal values' te voorkomen. Het plangebied ligt buiten de kernzone, maar binnen de bufferzone van het UNESCOgebied. In paragraaf 5.3 wordt hier verder op ingegaan.

1.5

Bevoegdheden

Op grond van de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 hebben de stadsdelen een rol bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Het ontwerpbestemmingsplan is dan ook voorbereid door het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum en vervolgens overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders die het bestemmingsplan ter vaststelling aan de gemeenteraad heeft aangeboden.

1.6

Crisis- en herstelwet

De Crisis- en Herstelwet (Chw) is ingevoerd om de economie te stimuleren door procedures voor grotere bouw- en infrastructurele projecten te versnellen. Een groot deel van de Chw had een tijdelijk karakter. Met de Wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten is permanente werking toegekend aan de tijdelijke regelingen in de Chw door de looptijd van de wet, die zou eindigen op 1 januari 2014, voor onbepaalde tijd te verlengen (artikel 5.10 Chw) (Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 2 en 3). De lijst met categorieën waarop de Chw van toepassing is, is opgenomen in bijlage I van de wet. Daarin is als categorie onder andere genoemd de 'ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden' (categorie 3.1 bijlage 1, Chw). Voorliggend bestemmingsplan valt onder deze categorie, zodat de Chw hierop van toepassing is. Dit houdt onder andere in dat in een beroepschrift alle beroepsgronden moeten worden opgenomen. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 9

gronden zijn ingediend. Deze kunnen na afloop van de beroepstermijn niet meer worden aangevuld (artikel 11 lid 2 Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet).

1.7

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling. Deze toelichting bestaat uit 8 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de ontstaansgeschiedenis, de huidige situatie en de beoogde planontwikkeling. Het voor het plan relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente is in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende relevante milieuaspecten en hoofdstuk 5 behandelt de relevante omgevingsaspecten (mobiliteit, water, cultureel erfgoed, natuur en hoogbouw). In beide hoofdstukken wordt beoordeeld hoe de planontwikkeling zich verhoudt tot de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Een toelichting op de juridische systematiek en op de in dit plan opgenomen planregels is opgenomen in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedure.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 11

Hoofdstuk 2 2.1

Het plangebied

Ontstaansgeschiedenis

In de loop van de 2e helft van de 19e eeuw werd het spoorwegennetwerk in Nederland aangelegd. De eerste lijn was die van Amsterdam naar Haarlem. Het spoor naar Haarlem vertrok aanvankelijk vanaf een kopstation buiten de Haarlemmerpoort, nabij de huidige toegang tot het Westerpark. Vanaf 1860 werd het aanleggen van nieuwe spoorlijnen door het Rijk ter hand genomen. Vanaf 1864 waren er plannen om een nieuw station te bouwen in het open havenfront en de nieuwe lijn in de richting van Alkmaar op een verhoogd talud langs de Houttuinen te leggen. In 1870 werd met de spoorwegwerken begonnen. Tussen 1872 en ’77 werden in het open havenfront tussen Westerdok en Oosterdok drie kunstmatige eilanden opgeworpen, waarvan de middelste bedoeld was voor de bouw van het Centraal Station. De aanleg van de eilanden geschiedde, afgaande op een aantal kaarten uit de periode, gefaseerd, waarbij het westelijke en oostelijke eiland als eerste klaar waren en fungeerden als werkeilanden. De eilanden waren van elkaar gescheiden door de Oostelijke en Westelijke Toegang die werden overspannen met fraaie spoorwegviaducten. Het westelijke ‘eiland’ was feitelijk geen eiland maar werd vastgebouwd aan de Droogdok en de Haarlemmer Houttuinen, die hiermee hun connectie met het water verloren.

Afbeelding 2.1: Plangebied in 1867. Bron: Kuyper

Gemeente Amsterdam

blz. 12

Afbeelding 2.2: Plangebied in 1881. Bron: Van der Stok Met de realisatie van het Centraal Station en de bijbehorende spoorlijnen werden de stationseilanden bijna volledig voor spoorweggerelateerde infrastructuur benut. Op het westelijke eiland werd een rangeerterrein aangelegd met een aftakking over de Westerdoksluis en een cilindervormige locomotievenloods, waarvan de hoofdvorm terugkeert in het ongeveer op dezelfde plaats verrezen Verkeersleidingsgebouw van de spoorwegen (De Ruijterkade 4). De Ruijterkade had toen nog niet zijn huidige verloop parallel aan het water maar maakte een inwaartse knik om ruimte te bieden aan een overdekte vismarkt, die daar in bedrijf bleef tot 1954. Aan de spoorzijde van de kade stonden in 1907 nog een houten hulpschool en een gebouwtje voor de pakketpost. Dwars op de kade, over de volledige lengte van de stationseilanden, staken steigers in het IJ bestemd voor de veerdiensten naar Groningen, Zaandam, Hoorn, IJmuiden en Purmerend. Deze werden in de loop der tijd met regelmaat verplaatst.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 13

Afbeelding 2.3: Plangebied in 1900. Bron: Publieke Werken

Gemeente Amsterdam

blz. 14

Afbeelding 2.4: Plangebied in 1922. Bron: Publieke Werken Een groot deel van de bebouwing langs de De Ruijterkade was al voor 1920 gesloopt ten behoeve van de bouw van een tweede kap voor het Centraal Station. In de loop van de jaren ’20 is de nu nog bewaarde, ijzeren draaibrug over de Westerdoksluis toegevoegd, zodat in totaal twee spoorbruggen en een brug voor wegverkeer de verbinding vormen tussen het Westerdokseiland en het Westelijk Stationseiland. De cilindervormige locomotievenloods werd omstreeks 1925 gesloopt en vervangen door een groter, halfrond exemplaar dat in oostelijke richting was opgeschoven. In het midden van de jaren ’50 werden verder de vismarkt, de locomotievenloods en de overige gebouwen van de spoorwegen gesloopt. De De Ruijterkade kreeg zijn huidige verloop als doorgaande verkeersroute langs het IJ. In 1959 verdween de doorgaande spoorlijn langs de Westerdoksdijk en werden de noordelijke twee bruggen vervangen door één brede basculebrug. Bij deze ingreep zijn de historische sluiswanden nagenoeg volledig vervangen.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 15

Afbeelding 2.5: Plangebied in 1936. Bron: Publieke Werken

Afbeelding 2.6: Luchtfoto van Amsterdam ter plaatse van het Westelijk Stationseiland, circa 1938. Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). De huidige verschijningsvorm van het Westelijk Stationseiland wordt bepaald door naoorlogse kantoorgebouwen aan de IJ-zijde en een grote hoeveelheid sporen die het eiland doorsnijden. Het relatief grootschalige karakter van de stationseilanden wordt mede geaccentueerd door de aanwezigheid van enkele hoge gebouwen waarvan het door W.M. Dudok ontworpen kantoorgebouw het meest karakteristieke is. C. van Eesteren, die tot 1958 hoofd was van de Afdeling Stadsontwikkeling, zag een Gemeente Amsterdam

blz. 16

stedenbouwkundige relatie tussen dit gebouw en de kantoren van het voormalige postgebouw op het Oosterdokseiland. Op onderstaande afbeelding is de locatie van de verschillende kantoorgebouwen aangegeven.

Afbeelding 2.7: Luchtfoto van het Westelijk Stationseiland waarop de locatie van de aanwezig gebouwen is aangegeven. Bron: Citydata Amsterdam, luchtfoto 2018. Havengebouw (gemeentelijk monument; De Ruijterkade 7) Circa 1953 werd door W.M. Dudok en R.M.H. Magnée een ontwerp geleverd voor deze prominente locatie aan het IJ. Het betrof een gebouwengroep bestaande uit een kantoorgebouw, het Havengebouw, een hotel, een aantal flats en een PTT-gebouw. In een schrijven uit hetzelfde jaar van de Scheepvaart Vereniging Noord, de opdrachtgever, aan B&W werd duidelijk dat 'verwacht werd dat door de verwezenlijking van het plan een zeer grote verbetering van het uiterlijk van deze omgeving tot stand zal worden gebracht en dat dit gedeelte van de IJ-oever hierdoor een aantrekkelijk punt in de haven zou worden'. In 1961, na oplevering van het eerste gebouw, het Havengebouw met 13 verdiepingen, verschijnt een tweede ontwerp waarbij het kantoorgebouw alleen nog vergezeld wordt van een tweede bouwvolume voor de Kamer van Koophandel. Met dit tweede gebouw doelde Dudok op een voor de Kamer van Koophandel ontworpen zeven verdiepingen hoog bouwvolume, parallel aan het water. Hoewel de twee gebouwen in het ontwerp een eigen vormgeving en contour vertonen, zijn ze duidelijk opgevat als één compositorisch geheel.

Ook dit is komen te vervallen waardoor het gerealiseerde onderdeel van het oorspronkelijke ontwerp uiteindelijk een ietwat vreemde alleenstaande positie aan het IJ heeft ingenomen. Bij de opening van het gebouw op 14 mei 1960 benadrukte de architect W.M. Dudok dat bij het ontwerp rekening was gehouden met een tweede gebouw en dat "(…)

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 17

bepaalde oplossingen van belangrijke onderdelen onbegrijpelijk waren zolang dit tweede gebouw ontbrak". Tot het eerste ontwerp behoorde ook een haaks op het Havengebouw gesitueerde en uit drie bouwlagen bestaande aanbouw waarin dienstwoningen, traforuimten en rijwielstallingen werden ondergebracht. In tegenstelling tot het ontwerp voor de Kamer van Koophandel is dit laatste gebouw wel gelijk uitgevoerd. Verder is de open ruimte die tussen de twee gebouwen is ontstaan als parkeerterrein ingericht. Samen vormen het Havengebouw, de lagere aanbouw en het als parkeerterrein ingerichte maaiveld een ensemble dat het oorspronkelijke ontwerp van Dudok op de Zuidelijke IJ-oever afleesbaar houdt. Het maaiveldontwerp is overigens veranderd, waardoor het parkeerterrein nu op een nog lager peil ligt dan de omliggende wegen en omringd wordt door een bewerkte betonmuur. Gezien de gebruikte materialen en stijl is deze muur, en dus ook de herinrichting van het parkeerterrein, vermoedelijk in de jaren ’70 tot stand gekomen. Het Havengebouw is op zichzelf een fraai staaltje architectuur en vormt een goed voorbeeld van het latere werk van Dudok waarbij hij in tegenstelling tot zijn vroegere werken streeft naar een eenheid en eenduidigheid in de grote, beknopte vorm.

Hoewel het gevelbeeld een ontegenzeggelijk modern karakter heeft en technologische vernieuwingen als prefab gevelonderdelen werden toegepast, zorgen de karakteristieke betegeling van de gevelelementen, het spel van contrasten en de decoratieve compositie van de gevels voor een ambachtelijke uitstraling. In 2007 werd het Havengebouw een gemeentelijk monument.

Gemeente Amsterdam

blz. 18

Afbeelding 2.8: Havengebouw, vanuit Het IJ gezien. Foto: Marion Golsteijn, 2015. Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Havengebouw_De_Ruijterkade_7,_Amsterdam.JPG Kamer van Koophandel/ SNS Bank (De Ruijterkade 5) Het grote kantoorgebouw waarin de Kamer van Koophandel en de SNS Bank gevestigd zijn, is tot stand gekomen voordat er een duidelijke visie bestond op de herontwikkeling van de Zuidelijke IJ-oever. Dit

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 19

gebouw verrees op dezelfde plaats en met ongeveer dezelfde ligging en hoofdvorm als het door Dudok bedachte bouwvolume voor de Kamer van Koophandel. Echter, het gebruik daarvan voor dezelfde functie is min of meer per toeval gebeurd. De architect (W. van Oostrum) heeft begin jaren tachtig de opdracht gekregen voor het ontwerpen van een kantoor voor de voorloper van de verzekeringsbank SNS Reaal met daarnaast sociale woningbouw. De grond moest echter gesaneerd worden voordat daar gewoond zou kunnen worden en dat heeft tot een enorme vertraging geleid. Tegen de tijd dat de bouwaanvraag werd ingediend was er geen geld meer voor het bouwen van de woningbouw, waarna op deze locatie het kantoorgebouw voor de Kamer van Koophandel vergroot werd. Het kantoorgebouw werd in 1989 opgeleverd.

Afbeelding 2.9: De Kamer van Koophandel aan de De Ruijterkade 5. Links is het Havengebouw te zien. Datum foto: 1994. Bron: SAA, 010122042828 ProRailgebouw (De Ruijterkade 4) In de jaren negentig werd het Westelijk Stationseiland stedenbouwkundig afgerond met een derde imposant bedrijfsgebouw: het Verkeersleiding Transportbesturingscentrum van ProRail (architect Rob Steenhuis). Met zijn grote ronde koepel verwijst het gebouw naar de cilindervormige locomotievenloods die ongeveer op dezelfde plaats tussen 1900 en 1925 stond).

Gemeente Amsterdam

blz. 20

Afbeelding 2.10: Noordgevel van het Verkeersleiding Transportbesturingscentrum van ProRail, datum onbek end. Bron: https://mapio.net/pic/p-10806355/.

2.2

Huidige situatie

Het huidige kantoorgebouw aan De Ruijterkade 5 omvat vijf verdiepingen met ruim 11.000 m² bvo en circa 90 parkeerplekken. Het gebouw is nu volledig verhuurd aan de Kamer van Koophandel. In de directe omgeving is het Verkeersleiding Transportbesturingscentrum van ProRail gevestigd (De Ruijterkade 4). Aan de spoorzijde zijn meerdere parkeerplekken gesitueerd. Verder zijn er een bedrijfsverzamelgebouw (kantoren) inclusief parkeerplaatsen en het Havengebouw. Het Havengebouw is ook een bedrijfsverzamelgebouw met kantoren (met o.a. Port of Amsterdam) en is een gemeentelijk monument. Naast het Havengebouw, langs het spoor, staan vier woningen. Onder deze woningen bevinden zich ook nog garageboxen behorend bij het Havengebouw. Tussen deze woningen en het Havengebouw ligt een nutsgebouwtje.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 21

Afbeelding 2.11: Foto's huidige situatie (Bron: De Ruijterkade 5, Tweede bespreking in CRK/SIRK, 31 augustus 2022)

2.3

Planontwikkeling

Beoogd plan De planontwikkeling betreft de sloop van het huidige, technisch gedateerde kantoorgebouw die functioneel niet meer voldoet aan de eisen van deze tijd. Het gesloopte gebouw wordt vervangen door een nieuw zeer duurzaam, modern functionerend kantoorgebouw. In samenwerking met de gemeente Amsterdam, stadsdeel Centrum, is een volume voor deze nieuwbouw vorm gegeven. De nieuwbouwontwikkeling betreft een groter bebouwd oppervlak dan het huidige gebouw, maar blijft binnen de contouren van de perceelgrens. Het gebouw heeft een maximale bouwhoogte van 23,60 meter met twee aanvullende topverdiepingen tot een hoogte van maximaal 31,50 meter (tov NAP). De totale ontwikkeling betreft maximaal 24.000 m² bvo (bruto vloer oppervlakte). In de plint zijn openbare tot semiopenbare voorzieningen beoogd en parkeren zal volledig inpandig plaatsvinden. Het uitgangspunt is dat de parkeerkelder op hetzelfde niveau komt als de huidige parkeerkelder.

Gemeente Amsterdam

blz. 22

Afbeelding 2.12 Maquettefoto, opgesteld door de erfpachter Advies Bureau Werelderfgoed In het ontwerpbestemmingsplan was een volume met een maximale bouwhoogte van 35,5 meter opgenomen. Op dit volume is negatief geadviseerd door Bureau Werelderfgoed (BWE), omdat dit een waarschijnlijke aantasting van de Outstanding Universal Value van het Werelderfgoed zou betekenen. Naar aanleiding van dit advies is het beoogde volume aangepast. BWE heeft advies uitgebracht over het aangepaste bouwvolume. De hoofdlijn van dit advies luidt als volgt. Omdat met de aangepaste volumestudie is aangetoond dat vanaf de Herengracht deze zichtlijn nauwelijks tot niet wordt aangetast, wordt geen afbreuk gedaan aan de authenticiteit en integriteit van het historische stedelijke landschap, en daarmee dus ook niet op de Statement of Outstanding Universal Value (OUV). Ook het daklandschap is als attribuut onderdeel van de OUV. Hiervoor geldt, dat de visuele verzachting van de overgang naar het IJdokgebouw opweegt tegen de minimale aantasting van de gevellijn. Deze aantasting is alleen te zien in de technische tekening en valt weg in de fotomontage, die de werkelijke beleving veel dichter benadert. De rij van aaneengesloten karakteristieke en gevarieerde gevels, in het nominatiedossier benoemd onder authenticiteit, blijft behouden.

Door een combinatie van de voorgestelde kleine beukmaat en de geschetste materiaalwisseling per beuk kan een verzachting optreden ten opzichte van de huidige situatie met het zicht op het IJdok. Het advies van BWE is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 23

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn de kaders van het rijksbeleid opgenomen. Het is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NOVI vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Beschreven wordt een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt.

Uitvoeringsagenda In de uitvoeringsagenda staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan haar rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. In de uitvoeringsagenda worden de opgaven centraal gesteld aan de hand van vier prioriteiten. De Uitvoeringsagenda beschrijft de volgende vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal zonder meer samen en ze zijn soms onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:

Gemeente Amsterdam

blz. 24

1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Relevantie voor het plangebied Het voorliggende bestemmingsplan draagt bij aan drie van de vier prioriteiten uit de Uitvoeringsagenda, namelijk 'Sterke en gezonde steden en regio's', 'Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie' en 'Duurzaam economisch groeipotentieel'. Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, bufferzones, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen zijn van toepassing op dit bestemmingsplan. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de NOVI en het Barro en draagt bij aan de prioriteiten van de uitvoeringsagenda van de NOVI. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Doel van deze ladder is een zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Zoals in paragraaf 1.1 aangegeven, geldt voor het aan de orde zijnde perceel op dit moment geen bestemmingsplan (of beheersverordening). Er is hiermee sprake van een planologisch-juridisch vacuüm (een zogenaamde 'witte vlek'), waardoor de beoogde planontwikkeling ook zonder dit bestemmingsplan mogelijk is. Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en niet voorziet in een functiewijziging, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (o.a. ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 en ABRvS 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:512, onder 11). Vanuit het oogpunt dat de planontwikkeling bij recht mogelijk is, is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Echter, als er geen bestemmingsplan geldt, moet de planontwikkeling vergeleken worden met de feitelijke situatie. Als het nieuwe bestemmingsplan wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht zijn opgenomen, aansluit bij de feitelijk bestaande situatie die op grond van het vorige plan dan wel nadien door middel van verleende vergunningen is gerealiseerd, voorziet het niet in nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden met nieuw ruimtebeslag. In dat geval is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Alleen als er sprake is van een niet onaanzienlijke verruiming van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de bestaande situatie, is er wel sprake van een. nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:396, onder 13.6). Nu dit bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van 10.000 m² bruto vloeroppervlak ten opzichte van de huidige situatie, is daarmee sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 25

Behoefte planontwikkeling Er is onderzoek gedaan naar de behoefte aan de planontwikkeling (Marktonderzoek uitbreidingsvraag kantoorruimte gemeente Amsterdam, CBRE, 3 juni 2025). Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2 bij deze plantoelichting. Uit het onderzoek blijkt dat er in het centrum van Amsterdam een aanzienlijk tekort is aan nieuwbouwplannen voor kantoren. De vraag clustert zich meer en meer op locaties met een sterke OV-verbinding, waardoor niet alleen de ESG-behoefte (mens, milieu en maatschappij: ESG. De afkorting staat voor Environmental (milieu), Social (maatschappij) en Governance (bestuur)) van bedrijven kan worden ingevuld, maar ook de bereikbaarheid richting een groter deel van de beroepsbevolking mogelijk is. Op deze manier kunnen bedrijven gemakkelijker talent aantrekken voor hun bedrijfsactiviteiten. De kantoorlocatie aan De Ruijterkade 5 is zeer geschikt voor uitbreiding van kantoorruimte. Vanaf deze locatie zijn er een kleine 900.000 inwoners binnen de huidige beroepsbevolking te bereiken binnen 45 minuten met het openbaar vervoer. Dit maakt dat De Ruijterkade 5 in de top 15% meest bereikbare kantoorruimte valt binnen de gemeente Amsterdam en daardoor aansluit bij de verschuiving in de vraag.

Ook op het gebied van ESG betekent de sloop en nieuwbouw van De Ruijterkade 5 een aanzienlijke verbetering die aansluit bij de vraagontwikkeling naar kantoorruimte. De ESG ambities aan De Ruijterkade 5 zijn hoog, waardoor er snel aansluiting zal worden gevonden bij bedrijven met een vergelijkbare ambitieuze ESG strategie. Los van de kwalitatieve vraag op basis van de locatie en de kwaliteit van het gebouw, is er een sterke behoefte aan verdere uitbreiding van nieuwbouwplannen op dit soort locaties. Zowel aan de IJ-oevers als het naastgelegen centrum zijn er te weinig nieuwbouwplannen ten opzichte van de vraagontwikkeling. Op de IJ-oevers zijn plannen voor maximaal 120.000 m² aan nieuwe kantoorruimte tegenover een ruimtebehoefte tussen de 122.000 en 178.000 m². Dit betekent dat de huidige pijplijn niet aan de volledige nieuwbouwbehoefte in Amsterdam IJ-oevers voldoet. Dit bestemmingsplan biedt ruimte voor het realiseren van maximaal 24.000 m² bruto vloeroppervlak aan kantoor. Dat is een uitbreiding van circa 13.000 m² bruto vloeroppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee is de beoogde uitbreiding aan De Ruijterkade 5 een belangrijke ontwikkeling om aan de nieuwbouwbehoefte in Amsterdam IJ-oevers te voorzien.

De IJ-oevers hebben bovendien historisch gezien veel kantoorgebruikers vanuit Amsterdam Centrum aangetrokken, waarmee deze planontwikkeling ook deels in de uitbreidingsbehoefte van Amsterdam Centrum kan voorzien. Het onderzoek laat verder zien dat er ruimte is aan toevoeging van de overige voorzieningen (maximaal 1.200 m² aan horeca en bedrijven). Conclusie De behoefte aan de voorgestane planontwikkeling is aangetoond. 3.1.3

Luchthavenindelingsbesluit

Op grond van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) gelden hoogtebeperkingen voor een gebied rondom de luchthaven. In de gebiedsdelen waar hoogtebeperkingen gelden mogen op basis van artikel 2.2.2 van het LIB geen objecten worden opgericht of geplaatst die hoger zijn dan de in bijlage 4 bij het besluit aangegeven maximale hoogtes.

Gemeente Amsterdam

blz. 26

Het plangebied valt binnen de beperkingenzone waarin hoogtebeperkingen zijn vastgelegd (zie afbeelding 3.1). De maximum bouwhoogte volgens het LIB bedraagt ter plaatse 146 meter. De hoogtematen zijn gerelateerd aan NAP ter plaatse.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 27

Afbeelding 3.1 - Hoogtebeperkingen LIB Schiphol Dit bestemmingsplan maakt een bouwhoogte mogelijk van maximaal 31,5 meter. Op basis van een afwijkingsregel in dit bestemmingsplan is het mogelijk om ten behoeve van zonnepanelen tot 0,80 meter af te wijken van de maximale bouwhoogte. Daarmee is maximaal een bouwhoogte van 32,30 meter mogelijk. Dit bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met het LIB. Conclusie De maximum bouwhoogte voor dit gebied zoals deze in het LIB zijn vastgesteld, wordt niet overschreden. Dit bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met het LIB.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050

Op 19 november 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De provinciale visiedocumenten op het gebied van water, verkeer en vervoer, wonen, milieu, natuur, landschap en cultuur zijn met vaststelling van de omgevingsvisie vervangen door één provinciale omgevingsvisie. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving: 1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend; 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert; 3. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden; 4.

Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie; 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. De Omgevingsvisie NH2050 kent ambities en doelstellingen op verschillende thema's: Leefomgeving a. Klimaatverandering: ontwikkelen en inrichten van een klimaatbestendig en waterrobuuste stad, land en infrastructuur; b. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; c. Biodiversiteit en natuur: ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten. Gebruik van de leefomgeving a. Economische transitie: ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. De Gemeente Amsterdam

blz. 28

provincie biedt daarom ruimte aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. b. Wonen en Werken: ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. c. Mobiliteit: ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. d. Landschap: ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Energietransitie De provincie heeft de ambitie dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en is gebaseerd op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. Daarvoor biedt de provincie ruimte aan de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Rekening houdend met de ambities voor verstedelijking en landschap.

De provincie monitoort de ontwikkeling van de energievraag, het aandeel duurzame energie en de hoogte van de CO2-uitstoot. Dynamisch schiereiland Om meer ontwikkelingen in en gebruik van alle kustgebieden, zoals het IJsselmeergebied, te kunnen opvangen, moet het systeem volgens de provincie ecologisch robuuster worden. Het is wenselijk om hierbij verder te kijken dan de grenzen van natuurregimes die nu gelden. Ook de (natte) kustlandschappen aan de randen, in het IJsselmeergebied en de binnenduinrand, kunnen bijdragen aan het realiseren van deze opgave. Ecologische verbindingen in de kustgebieden van de grote wateren (land- en waterzijde) worden behouden en aangevuld. Naast deze verbindingen tussen de wateren en het land werkt de provincie aan de verbetering van de ecologische kwaliteit van de verbindingen tussen de grote wateren, zoals Markermeer, IJsselmeer en Waddenzee. Randvoorwaarden voor deze ambities zijn de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het IJsselmeergebied als strategische zoetwatervoorraad voor drinkwater, landbouw en andere functies.

Kritische succesfactoren hiervoor zijn de extra inzet op KRW, de waterkwaliteit in relatie tot voedingsstoffen (beschikbaarheid van waterplanten) en temperatuurstijging van het water, handhaving van de milieunormen, ook in de randgebieden en een slimme combinatie van functies, zoals natuurontwikkeling, waterveiligheid, waterberging, recreatie en landbouw. Metropool in ontwikkeling Wereldwijd vindt verstedelijking plaats. In een aantal gevallen leidt dit tot de ontwikkeling van metropolen. In Noord-Holland ontwikkelt zich een metropool rond Amsterdam. Het gaat hier om een stedelijk systeem van grotere en kleinere kernen, met Amsterdam als hoogstedelijke kernstad, een landschap met hoge gebruiks- en belevingswaarde, (stads)landbouw, een multimodale bereikbaarheid, een havengebied met energietransitie en circulaire economie als dragers en Schiphol als internationale hub. De ontwikkeling komt tot uiting door een snel groeiend aantal inwoners, arbeidsplaatsen en bezoekers, leidend tot een tendens van clustering van economische functies. In het Noordzeekanaalgebied is er een concentratie van werkgelegenheid van direct en indirect aan de haven gerelateerde activiteiten. Daarnaast concentreren zich grote aantallen arbeidsplaatsen op een aantal locaties in een zone van de Amsterdamse binnenstad tot net ten zuiden van Schiphol.

Daarbij is het wenselijk om, vanuit het beperken van woon-werkafstanden en daarbij horende mobiliteitsinvesteringen, nieuwe woningen zo dicht mogelijk bij de grote werkconcentraties te realiseren, waar mogelijk in

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 29

gemengde woon-werkmilieus. De metropolitane ontwikkeling is goed voor de economie, welvaart en internationale concurrentiepositie van Nederland. De metropool in ontwikkeling kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan steden, dorpen en deelregio’s, met specifieke identiteiten en kwaliteiten. Al deze kernen liggen in een grote diversiteit aan landschappen. Deze landschappen in en om de metropool zijn van groot belang als groene longen en vestigingsfactor. De kracht van de metropool zit hem in het feit dat kernen, regio’s en gebieden een sterke eigen identiteit behouden, terwijl het geheel in steeds sterkere mate als één dailyurban system functioneert. Binnen de metropool functioneert sinds 2007 het samenwerkingsverband Metropoolregio Amsterdam (MRA). De metropolitane ontwikkeling brengt grote opgaven met zich mee. Er ligt een zware druk op tal van kwaliteiten, zowel binnen de kernen als in de omringende landschappen. Het is zaak de basiskwaliteit voor gezondheid en veiligheid te behouden. En dat vergt inspanningen, in de wetenschap dat een metropool zonder hinder niet bestaat. Een zorgvuldig gebruik en verdeling van de schaarse ruimte is van belang. De provincie kiest voor het behouden van het metropolitane landschap, maar met toevoeging of verandering van functies. De provincie probeert daar milieuruimte voor bedrijvigheid te waarborgen, maar wel met duidelijke grenzen.

In de drukker wordende metropool zijn het landschap en zijn gebruiksmogelijkheden van toenemend belang. Voor de leefbaarheid, maar ook om aantrekkelijk te blijven als vestigingsplaats. Om het landschap te sparen, kiest de provincie daarom primair voor verdichting van de bestaande kernen. De metropool moet ook in de toekomst een Metropool voor iedereen zijn. De provincie wil verdichten op goed bereikbare plekken, zoals nabij knooppunten van openbaar vervoer. Met de ontwikkeling van de metropool wordt het versterken van het metropolitane landschap steeds belangrijker. Dit landschap kent gebieden als Laag Holland, Markermeer en IJmeer (het ‘waterpark’ van de metropool, in relatie tot ontwikkelingen als Markerwadden en Nationaal Park Nieuwland), Gooi en Vechtstreek, Amstelscheg en natuurlijk de kust. Recreatie, natuur en voedselproductie hebben hier een plek, waarbij het landschap soms in verschijningsvorm zal veranderen. Het tegengaan van de bodemdaling in veenweidegebieden vormt eveneens een belangrijke reden voor verandering van het gebruik van het landschap. De samenhang tussen verstedelijkings-, mobiliteits-, (lucht)haven- en landschappelijke ontwikkelingen leidt tot een versterking van de agglomeratiekracht, die cruciaal is om de metropool in ontwikkeling ook naar de toekomst toe succesvol te laten zijn.

Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie NH2050 en draagt bij aan de provinciale ambities en doelstellingen. 3.2.2

Omgevingsverordening NH2022

Bovengenoemde omgevingsvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers. Om de provinciale belangen, die in de omgevingsvisie zijn gedefinieerd, door te laten werken, heeft de provincie de Omgevingsverordening NH2022 vastgesteld. Relevant zijn de instructieregels. Op grond van artikel 6.75 van de Omgevingsverordening NH2022 bevat de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In de paragrafen 4.8 en 5.2 wordt hier nader op ingegaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 30

Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening NH2022.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Metropoolregio Amsterdam

De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en gemeenteraden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. 3.3.2

Vervoerregio Amsterdam en Platform Bedrijventerreinen en Kantoorlocaties

De Vervoerregio Amsterdam, een samenwerkingsverband van vijftien gemeenten, is sinds 1 januari 2017 opgericht. De vervoerregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling en heeft in dat kader een aantal beleidsnota's opgesteld, waarvan in dit kader vooral het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka) relevant is. Op 23 juni 2017 is de Uitvoeringsstrategie 3.0 vastgesteld: 'Ruimte voor werken in de MRA van morgen: 2017-2030'. Hoofddoel in de Uitvoeringsstrategie is voldoende en kwalitatief passend aanbod van werklocaties in de Metropoolregio Amsterdam, om bij te dragen aan het versterken van de (inter)nationale concurrentiepositie en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat. In deze Uitvoeringsstrategie zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over Een adaptieve strategie: de nieuwe uitvoeringsstrategie is minder kwantitatief dichtgetimmerd. Als het gevolg van de crisis wordt er meer rekening gehouden met onvoorspelbaarheid en onzekerheid. De afspraken moeten dus wendbaar en flexibel zijn. De marktvraag en kwaliteit van het vestigingsklimaat zijn leidend in de strategie. Programmering: de planvoorraden van zowel bedrijventerreinen als kantoren moeten worden bewaakt om overaanbod te beperken en te voorkomen. Voor Amsterdam wordt versneld bijgeschakeld als (inter)nationale kansen daarom vragen.

Voor alle deelregio's wordt in aanvulling op de kantorenvraag naar formele locaties extra ruimte geboden voor kantoorontwikkeling in informele milieus. Transformatie: Zowel voor kantoren als voor bedrijventerreinen zijn de transformatieambities hoog. Als gevolg daarvan wordt een uitplaatsingsvraag verwacht, met name vanuit Amsterdam. Herstructurering: de herstructurering van bedrijventerreinen blijkt een belangrijk aandachtspunt. Het meest recente jaarlijkse verslag van de ontwikkelingen op de kantoren- en bedrijventerreinenmarkt in

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 31

de MRA is de Monitor Plabeka 2017-2018. Daaruit blijkt dat de economie van de MRA in 2017 voor het vijfde jaar op rij een groei vertoonde. Bijna 60% van de banen in de MRA is gesitueerd op gemengde werkmilieus als woonwijken, centrumgebieden en creatieve wijken. Vooral binnen de creatieve wijken groeit de werkgelegenheid sterk. Kantoorruimte concentreert zich in centrumgebieden en woonwijken. De kantorenleegstand in gemengde milieus is in de afgelopen twee jaar gedaald tot 11%. Vooral in centra en creatieve wijken is de leegstand laag. In 2017 was bovendien meer transformatie zichtbaar dan ooit (0,5 miljoen m², 4% van de totale voorraad). Wonen is de voornaamste nieuwe functie (minstens de helft van de getransformeerde ruimtes). Tot 2030 beschikt de MRA over 0,9 miljoen m² hard planaanbod op kantoorlocaties, waarvan bijna de helft op internationale vestigingslocaties. De vraag concentreert zich met name op aantrekkelijke, multimodaal bereikbare plekken met een hoog voorzieningenniveau. In Amsterdam is de voorraad in dit segment krap. Ook de markt voor bestaande bedrijfsruimte lijkt in de gemeente Amsterdam krapper dan elders in de MRA. Het transactievolume van bedrijfsruimte ligt er relatief hoog en de leegstand van industrieel vastgoed en kantoorruimten op bedrijventerreinen is laag.

De beoogde planontwikkeling past binnen de uitvoeringsstrategie van het Plabeka en de daarin neergelegde planningsopgave. De Westerdokskade is een aantrekkelijke vestigingslocatie met kwalitatief hoogwaardige kantoorfuncties, waarmee aangesloten wordt op de behoeftevraag van de markt. Daarnaast is de Westerdokskade zeer goed ontsloten op het OV netwerk. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met deze regionale afspraken.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Op 8 juli 2021 is de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgesteld in de gemeenteraad. De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Deze vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040, met uitzondering van de hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De gemeenteraad wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: 1. richting geven aan groei; 2. versnellen van transities; 3. ruimte bieden aan initiatieven. De omgevingsvisie bouwt voort op eerder geformuleerde beleidsinzetten. Op een aantal punten formuleert de omgevingsvisie een aangepaste ruimtelijke koers. Die is gericht op het tegengaan van negatieve effecten op kansengelijkheid en leefbaarheid, op het verduurzamen van de stad en op herstel en vernieuwing van de economie.

De stad moet kansen bieden aan iedereen. Om die reden omarmt Amsterdam zowel nieuwe inwoners als nieuwe banen. Economische groei is gewenst, niet in de laatste plaats vanwege de inkomsten. Maar Amsterdam wil ook ruimte bieden aan vernieuwing en een meer circulaire economie. Groei een plek geven in de stad is daarmee ook een verantwoordelijkheid. Om volledig profijt te trekken, moet die groei richting gegeven worden. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën zijn hierbij Gemeente Amsterdam

blz. 32

vijf strategische keuzes gemaakt. 1. Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op gericht is. Eén van de hoofddoelen van de visie is een stad en regio te worden met meer stedelijke kernen. Deze ingreep in de structuur van de stad is mogelijk door bedrijventerreinen te ontwikkelen tot bruisende stadsbuurten. 2. Groeien binnen grenzen: Amsterdam streeft naar minimaal 150.000 woningen erbij voor 250.000 nieuwe inwoners in 2050, plus 200.000 nieuwe arbeidsplaatsen. Deze groei mag alleen plaatsvinden binnen de huidige stadsgrenzen. Op die manier wordt de kwaliteit van bestaande buurten versterkt, kunnen overal woningen en bedrijfsgebouwen worden verduurzaamd en blijven de kwetsbare landschappen open. Dit kan door bedrijventerreinen om te bouwen tot gebieden waar zowel gewoond als gewerkt wordt. Daarnaast is er ruimte voor groei in de naoorlogse wijken van Nieuw-West, Zuidoost en Noord, waar op een slimme manier verdicht kan worden. Een goede woonkwaliteit, met leefbare straten en pleinen en veel plek voor ontmoeting, staat hierbij voorop. Gebouwen hoger dan 70 meter concentreren zich rond grotere stations als Bijlmer ArenA, Amstel, Zuid en Sloterdijk en langs het IJ. De stad wordt ingericht op hergebruik van materialen en grondstoffen en op een andere, meer zelfvoorzienende energieopwekking zoals stadsverwarming en zonne- en windenergie. 3.

Duurzaam en gezond bewegen: om ruimte te houden voor groen, spelen en verblijven en voor de fietser en voetganger, moet de auto een stap terug doen. Door verdichting wordt draagvlak gecreëerd voor ov in de hele stad en komen voorzieningen op loop- en fietsafstand. Buurten worden verbonden door een netwerk van veilige fietsroutes en openbaar vervoer. 4. Rigoureus vergroenen: Verdichting wordt gecombineerd met vergroening van de stad. Daarbij is meer en vooral beter groen het doel, door minder verharding en meer groen aan en op gebouwen. Een ander belangrijk doel is tegengaan van hittestress en vergroten van het waterbergend vermogen van de stad. 5. Samen stadmaken: De omgevingsvisie combineert ruimtelijke inrichting met doelen op groen, wonen, werken, duurzaamheid, leefomgeving. Het stadsbestuur gaat sturen op hoofdlijnen. De principiële keuze daarbij is dat de regels zo worden dat naast de klassieke partijen als ontwikkelaars en woningcorporaties, Amsterdammers ook zelf aan de slag kunnen.

bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 33

Afbeelding 3.2: uitsnede visiekaart Amsterdam 2050 Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is op de visiekaart aangewezen als ´gemengd gebied´. Deze stadsbuurten met hoge dichtheid aan woningen worden gekenmerkt door een aantrekkelijke afwisseling tussen rustig wonen en levendige concentraties van voorzieningen in stadsstraten en aan pleinen. Het behoud van deze afwisseling staat hier voorop. Dat betekent dat we de bouwdynamiek controleren en ruimte voor publieksfuncties in stadsstraten beschermen. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt een stedelijke ontwikkeling mogelijk die is gericht op het uitbreiden van een kantoorfunctie in een gemengd gebied. Daarmee is dit bestemmingsplan in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.4.2

Hoogbouwbeleid

Het Hoogbouwbeleid is op 27 juli 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. De planontwikkeling voldoet aan dit hoogbouwbeleid. In par. 5.5 wordt daar nader op ingegaan. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het hoogbouwbeleid, hetgeen nader toegelicht is in paragraaf 5.5 van deze toelichting.

Gemeente Amsterdam

blz. 34

3.4.3

Beleidsplan Binnenstad

De binnenstad is door de eeuwen heen het centrum geweest van economische activiteiten. Het feit dat er ongeveer evenveel mensen in de binnenstad wonen als er werken, is uniek en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van Amsterdam. In 1993 is het beleid voor de binnenstad uiteengezet in het Beleidsplan Binnenstad. De belangrijkste hoofddoelstelling is toen geformuleerd als: het versterken van de centrumpositie en het handhaven van de functiemenging.

Deze hoofddoelstelling is nog steeds actueel, evenals de andere hoofddoelstellingen. Dit zijn: behoud van de kwaliteit van het historisch stadsbeeld; verbeteren van de veiligheid en de leefbaarheid; verbeteren van de bereikbaarheid.

Met de vaststelling van het Meerjarenperspectief Binnenstad in 1999 is een vijfde hoofddoelstelling toegevoegd: zorgen voor een adequaat activiteiten- en voorzieningenniveau voor bewoners. Het vinden van de juiste balans tussen wonen, werken en vrijetijdsbesteding en tussen de verschillende economische functies onderling is de voortdurende opdracht voor bestuurders, ondernemers en bewoners van de binnenstad. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het Beleidsplan Binnenstad. 3.4.4

Kantorenbeleid

3.4.4.1 Kantorenstrategie Amsterdam 2017 In 2011 werd met vaststelling van de Kantorenstrategie beleid geformuleerd om de kantorenmarkt gezonder te maken en het totale aanbod van kantoorvloeroppervlak terug te dringen. Hierbij werd sterk ingezet op transformatie en herontwikkeling van leegstaande kantoren en het beperken van nieuwbouw. Deze inzet is succesvol gebleken met een daling van de leegstand van 18 % naar 12,8 % per 1 januari 2017. Sinds 2015 is de dynamiek op de kantorenmarkt weer sterk toegenomen en dit vroeg om een actualisering van de huidige strategie en onderzoek naar de doelmatigheid hiervan. De veranderingen op de kantorenmarkt, maar ook de banengroei en een Brexit zijn aanleiding geweest om de in 2011 vastgestelde Kantorenstrategie te actualiseren. Amsterdam als economische motor Amsterdam huisvest een aantal grote en bovengemiddeld snel groeiende dienstensectoren waarin de Metropoolregio Amsterdam (MRA) een comparatief voordeel heeft ten opzichte van de rest van Nederland. De belangrijkste hiervan is de zakelijke en financiële dienstverlening. Ook de industrie IT- en softwaredienstverlening droeg relatief sterk bij aan de economische groei van Amsterdam. De werkgelegenheid nam in 2016 in de hele MRA toe met 2,3 %. De stijging is bijna geheel toe te schrijven aan Amsterdam.

Amsterdam past in een mondiale trend waarbij internationaal georiënteerde kennisintensieve steden zoals Londen, Parijs en Stockholm een substantiële werkgelegenheidsgroei kennen en zich ontwikkelen als economische motoren voor de omliggende stedelijke regio. Deze trend heeft alles te maken met de opkomst van de kennis- en innovatie-economie. Amsterdam is een internationaal knooppunt, heeft twee universiteiten en diverse kennisinstellingen en kennisintensieve bedrijven. De stad zet zoveel mogelijk in op stedelijke ontwikkeling nabij multimodale knooppunten. Door op deze locaties in te zetten op groei wordt bijgedragen aan de duurzaamheidsdoelstellingen en zijn werkplekken in de toekomst sneller en beter bereikbaar voor inwoners van de regio en daarbuiten. bestemmingsplan_De Ruijterkade 5 (vastgesteld)

blz. 35

Uitvoeringsstrategie 3.0: Ruimte voor Werken in de MRA van Morgen: 2017-2030 Om een gezonde kantorenmarkt te behouden en overmaat terug te dringen en te voorkomen wordt binnen de MRA samengewerkt door het Platform bedrijven en kantoren (Plabeka). De programmatische afspraken die in het verleden voor het planaanbod kantoren zijn gemaakt met de Uitvoeringsstrategie Plabeka 2010-2040 zijn vervangen door een nieuwe Uitvoeringsstrategie Plabeka 3.0. Hiermee is een herijking gemaakt van de vorige strategie om zo goed mogelijk te kunnen blijven inspelen op de ruimtelijk-economische ontwikkelingen en de veranderde kwalitatieve en kwantitatieve ruimtevraag. Kwantitatieve raming De vraagramingen van de Kantorenstrategie 2011 en de Uitvoeringsstrategie 2011 zijn door de grote dynamiek achterhaald. Dit heeft geleid tot het rapport Vraagraming en vraagverdieping Metropool Regio Amsterdam (mei 2016). Op basis van dit rapport is de vraag naar nieuw kantoorvloeroppervlak in de Uitvoeringsstrategie geraamd op 515.000 m² tot 2050, waarvan 230.000 m² groei op formele kantoorlocaties van 2017 tot 2030 en 225.000 m² voor groei op formele kantoorlocaties van 2030 tot 250 en 60.000 m² voor groei elders binnen Amsterdam. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de uitbreidingsvraag als gevolg van Brexit.

Door de transformatie van kantoren naar andere functies, zoals wonen (die tot 2019 naar verwachting 250.000 m² bedraagt) en de grote vraag naar kantoren, onder andere als gevolg van de Brexit, zal de leegstand van 11,5 % dalen naar een frictieleegstand van 8 % in 2019. Frictieleegstand is de leegstand die ontstaat doordat vraag en aanbod in de tijd niet altijd direct op elkaar aansluit. Kwalitatieve raming: Juiste kantoor op de juiste plek Uit voornoemd onderzoek blijkt dat er nog steeds behoefte is aan kantoren op locaties waar sprake is van functiemenging, die bovendien goed bereikbaar zijn. Dit betreft met name een kwalitatieve vraag. Het juiste kantoor op de juiste plek. Behoefte aan kantoorruimte bestaat vooral bij bedrijven in ICT, communicatie en zakelijke dienstverlening, maar ook bij innovatieve kantoorconcepten op meer informele plekken in de stad. Op gewilde locaties, met name in het Centrum, de Arenapoort en Zuidas is de vraag naar kantoorruimte groot. Er is vooral behoefte aan een kwalitatieve sturing waarbij het uitgangspunt is: het juiste kantoor op de juiste plek. In Ruimte voor de Economie van Morgen (collegebesluit d.d. 18 juli 2017) worden drie kantorenmilieus onderscheiden: 1.

Het internationale topmilieu: een hoogwaardig ingerichte, internationaal verbonden locatie, geschikt voor de vestiging van internationale kantoren, met in de omgeving een groot aanbod van stedelijke voorzieningen. Zuidas, stadsdeel Centrum en Stadsdeel Zuid zijn hier voorbeelden van. 2. Innovatieve districten: stedelijke gebieden met een mix van wonen en werken van 50%-50% rond een kennisinstituut of trekker. Hier zoeken clusters van bedrijven verbinding en is ruimte voor ontwikkeling van start-ups en innovatieve bedrijfsconcepten. Voorbeelden hiervan zijn Kenniskwartier VU/Zuidas, Sciencepark, AMC e.a. 3. Multimodale knooppunten: knooppunten die door de aanwezige verkeersinfrastructuur zoals trein, tram, bus, metro, autowegen en fietspaden, uitstekend zijn verbonden met de stad en regio en luchthaven en daarmee uitermate geschikt zijn als werkgebied en concentratie voor (groot)schalige kantoren. Door transformatie en verdichting worden deze knooppunten meer gemengd met wonen en voorzieningen. Voorbeelden hiervan zijn Sloterdijk, Amstelstation en Zuidas. De geactualiseerde kantorenstrategie behelst onder meer: 1. De huidige planvoorraad van 970.000 m² flexibel inzetten op die locaties waar op korte termijn (tot en met 2020) nieuwe kantoren gewenst zijn. Dit zijn Zuidas, Arenapoort, Amstelstation, Lelylaan,

Gemeente Amsterdam

blz. 36

Houthaven, Oostenburg en Noordelijke IJoever. Door het flexibel inzetten kan ook tegemoet worden gekomen aan (een deel van) de te verwachten vraag als gevolg van een Brexit. 2. Amsterdam gaat door met de transformatie van monofunctionele kantoorlocaties Amstel III, Riekerpolder en Sloterdijk naar aantrekkelijke, gemengde woon- en werkgebieden. 3. Amsterdam verkent waar vanaf 2020 nieuwe gemengde gebiedsontwikkeling mogelijk is. De verwachting is dat de leegstand van kantoren, door de vele geplande transformaties en herontwikkelingen in 2019 is gedaald naar de frictieleegstand van 8 %. Na 2020 wordt ingezet op nieuwe planvoorraad voor onder meer Schipholkerncorridor, uitbreiding van de Zuidas, met name aan de westkant ten noorden en zuiden van de A10. Bij alle grote gebiedsontwikkelingen zoals Sluisbuurt, CAN gebied, Centrumeiland en K-buurt wordt een gemengd woon- werkmilieu gecreëerd met ruimte voor voorzieningen waaronder kantoren. Conclusie Deze locatie in stadsdeel Centrum is en blijft een toplocatie voor (internationale) kantoren in Nederland en is concurrerend ten opzichte van vergelijkbare zakencentra in Europa. In dit bestemmingsplan wordt voorzien in een kantoorprogramma dat past binnen de kantorenstrategie en het handhaven van de Westerdokskade als internationale toplocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16072432/1