2. Centrumeiland Blok 3 en 16_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Relevantie voor het plangebied De provinciale woonvisie is nader uitgewerkt door de Stadsregio Amsterdam. Hierin is onderzocht hoe de woningmarkt zich ontwikkelt en tot en met 2025 behoefte aan is. In de gemeentelijke Woonagenda 2025 en Koers 2025 'Ruimte voor de stad' wordt nader hierop ingegaan. Met het hoogstedelijk woonmilieu voor Centrumeiland en daarme blok 3 en 16 met voldoende ruimte voor verschillende Gemeente Amsterdam
blz. 32
voorzieningen wordt aangesloten bij de doelstellingen van het provinciaal beleid. Het plan biedt ruime mogelijkheden voor het toepassen van maatregelen op het gebied van duurzaamheid. Blok 3 en 16 vormen het sluitstuk van de ontwikkeling van Centrumeiland. Door de gefaseerde ontwikkeling van Centrumeiland kan worden aangesloten bij de actuele vraag uit de markt, waarbij geldt dat ook de gebouwen duurzaam worden ontworpen.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Amsterdam 2050
De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, die elke overheid opstelt in het kader van de Omgevingswet. De ontwerp-omgevingsvisie heeft samen met het ontwerp-OmgevingsEffectRapport (OER) vanaf 21 januari 2021 zes weken ter inzage gelegen. De omgevingsvisie is samen met het OER op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040. Met vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad is de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangen. Hierop zijn twee uitzonderingen, de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De Gemeente Amsterdam wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: 1. richting geven aan groei; 2. versnellen van transities; 3. ruimte bieden aan initiatieven. De omgevingsvisie bouwt voort op eerder geformuleerde beleidsinzetten. Op een aantal punten formuleert de omgevingsvisie een aangepaste ruimtelijke koers. Die is gericht op het tegengaan van negatieve effecten op kansengelijkheid en leefbaarheid, op het verduurzamen van de stad en op herstel en vernieuwing van de economie. De stad moet kansen bieden aan iedereen.
Om die reden omarmt Amsterdam zowel nieuwe inwoners als nieuwe banen. Economische groei is gewenst, niet in de laatste plaats vanwege de inkomsten. Maar Amsterdam wil ook ruimte bieden aan vernieuwing en een meer circulaire economie. Groei een plek geven in de stad is daarmee ook een verantwoordelijkheid. Om volledig profijt te trekken moet die groei richting gegeven worden. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: 1. Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op gericht is. Een van de hoofddoelen van deze visie is een stad te worden met meer stedelijke centra. Ook in de regio wil de gemeente de kernen meer stedelijke kwaliteit geven. 2. Groeien binnen grenzen: duurzame, compacte stedelijke ontwikkeling en intensief ruimtegebruik. Daarmee maakt de gemeente sociaal sterke buurten, met veel ruimte voor ondernemerschap en beperken we de ecologische voetafdruk van de stad. 3. Duurzaam en gezond bewegen: in een compacte stad staan ontmoeten en bewegen in de openbare ruimte voorop. In de hele stad krijgen lopen, fietsen en openbaar vervoer ruim baan. 4. Rigoureus vergroenen: nieuwe parken en meer groen in de openbare ruimte en op en aan gebouwen houdt de stad klimaatbestendig en leefbaar voor mens, dier en plant. 5. Samen stadmaken: meer mogelijkheden voor maatschappelijk initiatief.
Samen met Amsterdammers, corporaties en private partijen bouwen we aan de stad. Daarbij maken we meer ruimte voor experimenten en verantwoordelijk en eigenaarschap voor onze inwoners. Relevantie voor het plangebied
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 33
Naast Strandeiland zijn er veel nieuwe ontwikkelingen in Oost. Grootschalige ontwikkeling van nieuwe gebieden ziet Amsterdam als belangrijke kans voor betere verbindingen tussen de verschillende buurten. De ontwikkelingen vragen om betere openbaarvervoerverbindingen, waaronder een HOV-verbinding naar Zeeburgereiland en IJburg. Daarnaast is de verbinding van IJburg met het centrum, maar ook met Diemen en Zuidoost een belangrijke opgave.
Afbeelding 3.2 Uitsnede Omgevingsvisie Amsterdam 2050 Op bovenstaande uistnede van de omgevingsvisie is te zien dat er geen specifieke opgave voor het voorliggende bestemmingsplan geldt. Net buiten het plangebied van dit bestemmingsplan ligt een mogelijke metrolijn naar Almere en een verlenigng van de IJtram. Het voorliggende bestemmingsplan staat de metrolijn niet in de weg. Ook het doortrekken van de IJtram wordt met het voorliggende bestemmingsplan niet onmogelijk gemaakt. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Met het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 245 woningen mogelijk gemaakt met een passend programma aan niet-woonfuncties. Dit plan is in lijn met de gemeentelijke omgevingsvisie Amsterdam 2050. 3.3.2
Koers 2025
Begin 2016 is het beleidskader 'Koers 2025' vastgesteld. 'Koers 2025' operationaliseert de structuurvisie 2040 en de ambitie van het college om tot 2025 de bouw van 50.000 woningen mogelijk te maken. De stad Amsterdam groeit namelijk jaarlijks met gemiddeld 11.000 inwoners waardoor er een druk op de woningmarkt ontstaat. De huidige planvoorraad en ontwikkelingssnelheid is daarbij onvoldoende om aan deze vraag te voldoen. Om te kunnen bepalen waar in de nabije toekomst woningbouwprojecten gerealiseerd worden, zijn de lopende en de mogelijke gebiedsontwikkelingen in kaart gebracht. Dit vormen de 17 bouwstenen. Bouwstenen vormen samenhangende gebiedsontwikkelingen met gerelateerde infrastructurele maatregelen en planologische-juridische condities. IJburg 2 is in koers 2025 opgenomen in bouwsteen 7. "Bouwsteen 7 - IJburg - 2 - 7.900 Projecten: Middeneiland, Strandeiland, Buiteneiland (totaal circa 8.000 woningen) Milieutype: Groenblauwe woonbuurten Investeringen in condities: land maken en aanleg bruggen, doortrekken tram en Zuidtangent inclusief mogelijke aanleg van een nieuw Gemeente Amsterdam
blz. 34
tramemplacement, zelfvoorzienende buurten wat betreft energie Afhankelijkheden-risico's: fasering, mogelijke concurrentie met andere locaties in de stad én in de regio. Ontwikkeling lok aal warmte/koude systeem en/of aansluiten op bestaand netwerk." Relevantie voor het plangebied In Koers 2025 wordt ervan uitgegaan dat Centrumeiland en daarmee blok 3 en 16 al in ontwikkeling is en is daarom niet als zodanig genoemd. Het plan is in lijn met dit beleidsdocument. 3.3.3
Woonagenda 2025
De Woonagenda 2025 heeft als uitgangspunten voldoende, betaalbare en goede woningen in 2025. Er wordt in kaart gebracht waar de huidige woningmarkt te kort schiet, wat daar nu al aan gedaan wordt en welke aanvullende acties nodig zijn. Voor het uitgangspunt ‘voldoende woningen’ is de ambitie om de woningvoorraad en woningbehoefte in 2025 beter op elkaar te laten aansluiten. De constateringen uit de prognose zijn hierbij leidend. De acties voor ‘betaalbare woningen’ zijn gericht op de herziening van de woonruimteverdeling, het gerichter verhuren van middeldure huurwoningen aan middeninkomens en passend wonen in de huursector. Het derde uitgangspunt van de Woonagenda is ‘goede woningen’. Woningkwaliteit, duurzaamheid en bewonersondersteuning staan hierbij centraal. In 2025 hebben woningen minder achterstallig onderhoud en zijn gezonder, veiliger en comfortabeler om in te wonen. Bewoners worden ondersteund bij problemen met hun woning. Uitgangspunt bij woningbouw is 40% sociale huur, 40% middelduur en 20% dure huur en koop (40-40-20) en dat borging ervan primair privaatrechtelijk plaatsvindt. Voor dit bestemmingsplan is het belangrijk om bovengenoemde uitgangspunten mee te nemen in de ontwikkeling van de plannen. Binnen de ontwikkeling van blok 3 en 16 worden 245 woningen mogelijk gemaakt. Dit programma bestaat uit een mix van huur en koop woningen.
Gelet op het uitgangspunt 'betaalbare woningen' wordt gesteld dat tot 2025 geen groei of daling van de inkomens wordt verwacht. De prognose gaat over een relatief korte periode waarin een sterke inkomensontwikkeling van de Amsterdamse bevolking niet te verwachten is. Belangrijk is dat er goed wordt gekeken naar de verhouding van woningaanbod voor alle woningmarktgroepen. Op Centrumeiland wordt voornamelijk zelfbouw gerealiseerd. Hier is, gezien de snelle afnames van de reeds eerder aangeboden kavels, veel vraag naar. Voor het uitgangspunt 'Goede woningen' moet goed gekeken worden met corporaties en huurders voor afspraken omtrent aanvullende duurzaamheidseisen voor nieuwbouw. Tot slot is het belangrijk om structurele middelen voor bewoners- ondersteuning en belangenbehartiging te behouden. Conclusie Naar aanleiding van bovenstaande wordt geconcludeerd dat dit plan voldoet aan de eisen die gesteld worden in de woonagenda 2025.
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 35
3.3.4
Nota parkeernormen auto
Deze nota geldt als leidraad voor het opstellen van gemeentelijke verordeningen die nodig zijn om het beleid te effectueren: de Parkeerverordening en de Verordening Parkeerbelastingen. Beide verordeningen samen vormen de grondslag voor een doelmatige uitvoering van het gemeentelijk parkeerbeleid, vertaald en geregeld in juridische begrippen en procedures, in tarieven en vergunningen. Het verkeers- en vervoersbeleid van Amsterdam is gericht op de verbetering van de leefbaarheid in de stad en het behoud van de bereikbaarheid ervan. Het gemeentelijk parkeerbeleid draagt daaraan bij met maatregelen die tot doel hebben het niet-noodzakelijk autoverkeer naar en in de stad terug te dringen. Op die manier wordt onder meer de bereikbaarheid van de stad voor noodzakelijk autoverkeer gewaarborgd. Met de vaststelling op 28 april 2020 van de eerste partiele herziening van Centrumeiland geldt ook voor dit plan het parkeerbeleid van de gemeente. In aanvulling daarop geldt wel dat in de openbare ruimte op Centrumeiland maximaal 50 parkeerplaatsen aangelegd worden. Deze zijn met vaststelling van de uitwekringsplannen tranche 1 tot en met 4 reeds gerealiseerd. Dit is bepaald door de aanname van het amendement Ernsting dat is ingediend op het Stedenbouwkundig Plan Centrumeiland. Dit bestemmingsplan voldoet aan de Nota parkeernormen. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.3.2. 3.3.5
Gebiedsplan en -agenda Stadsdeel Oost, IJburg en Zeeburgereiland (2019)
De prioriteiten en de daarbij behorende doelstellingen uit het gebiedsplan en -agenda van IJburg in vogelvlucht: 1. Goede bereikbaarheid waarborgen. Doelstellingen: Tijdige oplossingen om het gebied berijkbaar te houden, goede verkeersveiligheid realiseren, milieuvriendelijke oplossingen voor de verbetering van de breikbaarheid. 2. Een ruimer aanbod van kunst, cultuur, sport en sociale voorzieningen in de wijk. Doelstellingen: Meer buurtruimtes en buurtactiviteiten, meer kunst en cultuur in de wijk, meer sportvoorzieningen en waterrecratie en ecologie in samengang ontwikkelen. 3. Veilig en prettig samenleven in een nieuwe gemengde wijk. Doelstellingen: Sterkere verbondenheid tussen buurtgenoten, bewoners met verschillende leefstijlen leven goed met elkaar samen, horgere kwaliteit van de leefomgeving en bewoners moeten zich veilig voelen in hun buurt. 4. Ruime kansen voor de vele kinderen en jongeren in het gebied. Doelstellingen: Jongeren zijn trots op hun buurt en de buurt op hen, meer voorzieningen, programmereing en zorg voor de jeugd, jeugdoverlast aanpakken door preventie en repressie 5. Groen en Duurzaam IJburg en Zeeburgereiland. Doelstellingen: Groen in de buurt, circulaire economie, duurzaam bouwen en op weg naar energienetraal. 6. Sterke locale economie.
Doelstellingen: Meer samenwerking tussen ondernemers, ondernemers vervullen een sociale functie, meer toerisme en recreatie uit de stad naar IJburg trekken.
3.4
Conclusie
Zoals uit de voorgaande paragrafen is gebleken is dit plan in lijn met het Rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 37
Hoofdstuk 4 4.1
Milieuaspecten
M.E.R.
Ten behoeve van het bestemmingsplan “IJburg 2e fase” en de Oostelijke Ontsluitingsweg is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Het MER beschrijft de milieugevolgen van de aanleg van IJburg tweede fase en de Oostelijke Ontsluitingsweg op het grondgebied van Diemen. Daarnaast bevat het MER een passende beoordeling, zoals bedoeld in de toenmalige Natuurbeschermingswet. De milieugevolgen van de realisatie van Centrumeiland, waarbij een woningbouwprogramma van 1.500 woningen is onderzocht, zijn in de bovengenoemde MER meegenomen. De voorliggende ontwikkeling past weliswaar binnen de uitgangspunten van het MER, maar overschrijdt het destijds onderzochte woningaantal. Wel wordt voldaan aan de vereisten zoals deze in de Natuurbeschermingswet vergunning zijn opgenomen. Het realiseren van 245 woningen, 750 m² niet-woonfuncties en 750 m² ten behoeve van een kinderdagverblijf is bovendien niet MER-plichtig noch MER-beoordelingsplichtig volgens de Wet milieubeheer. Ten behoeve van het bestemmingsplan “IJburg 2e fase” en de Oostelijke Ontsluitingsweg is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Op basis hiervan zijn voor het bestemmingsplan IJburg 2e fase waar Centrumeiland onderdeel van uitmaakt (en daarmee blok 3 en 16) diverse aanbevelingen naar voren gekomen. In het moederplan is hier rekening mee gehouden.
Naast dat het voorliggende plan niet MER-plichtig noch MER-beoordelingeplichtig is, zijn er diverse milieuonderzoeken uitgevoerd in het kader van de zogenoemde 'goede ruimtelijke ordening'. Deze onderwerpen worden hieronder nader toegelicht.
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient bij een bestemmingsplan(wijziging) waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Daartoe zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen B&M) richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor verschillende functies aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer fijne afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Deze afstanden in B&M zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. Het bestemmingsplangebied kan door de aanwezigheid van een spoorlijn en drukkere wegen worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied. Een overschrijding van de wettelijke normen (qua geluidsbelasting, stof, geur en gevaar) is niet toelaatbaar. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader.
De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden, waar gemotiveerd kan worden afgeweken. Wel is uit vaste jurisprudentie gebleken dat de Raad van State in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' toetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie en bij het afwijken hiervan aan de onderliggende motivering.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
4.2.2
Plangebied
In het kader van het opstellen van het moederplan is onderzoek verricht naar de ruimtelijke inpasbaarheid van bedrijven op IJburg 2e fase. In de planregels (voorschriften) van het bestemmingsplan IJburg 2e fase is aansluitend voorzien in de volgende regeling. Binnen dit plangebied zijn, verwijzend naar de Staat van Inrichtingen, functies toegestaan tot maximaal milieuhindercategorie 3.1. Categorie 3.1 is de lichtste subcategorie binnen categorie 3. Voor functies die vallen in deze subcategorie geldt als eerste extra voorwaarde dat zij op grond van de milieuaspecten geur, gevaar en stof niet hoger scoren dan functies uit categorie 2. Dit betekent dus dat functies uit categorie 3.1 alleen zijn toegestaan als zij op grond van geluid in categorie 3.1 vallen. Aanvullende voorwaarden zijn daarbij dat de activiteiten niet tijdens de nachtperiode plaatsvinden (in de Staat van Inrichtingen zijn deze functies indicatief aangegeven met een C.), dat het hoofdzakelijk inpandige activiteiten moet betreffen en dat de betreffende functie niet direct mag grenzen aan (lees: een gedeeld plafond of een gedeelde muur hebben met) een geluidgevoelige functie. Met deze extra voorwaarden hoeft binnen een gemengd gebied ook voor deze categorie geen fysieke scheiding te worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige functies.
Alle bedrijfstypen dat binnen deze categorie vallen, zijn goed verenigbaar met gevoelige functies zoals wonen. Binnen dit bestemmingsplan wordt in totaal 750 m² aan kleinschalige bedrijven (< 150 m²), horeca, maatschappelijke functies, dienstverlening en detailhandel ter plaatse van specifieke aanduidingen mogelijk gemaakt. De toegstane bedrijven beperkten zich tot de milieucategorieën 1 en 2. Grootschalige detailhandel is niet toegestaan. Deze niet-woonfuncties mogen enkel op begande grond worden gerealiseerd. Conclusie De functies die binnen dit plangebied worden toegestaan zijn goed verenigbaar met de woningen. Ten aanzien van bedrijven en milieuzonering is er dan ook geen knelpunt.
4.3
Verkeer en parkeren
4.3.1
Verkeer en openbaar vervoer
De Muiderlaan is samen met de Strandeilandlaan en Pampuslaan de hoofdontsluiting van Centrumeiland. Dit zijn de enige wegen op het eiland waar een snelheidsregime van 50 km/u geldt. Voor alle overige wegen geldt een snelheid van 30 km/u. De stedenbouwkundige structuur van Centrumeiland is ontworpen op deze snelheid. Daarom is zoveel mogelijk voorkomen dat er sprake is van lange rechtstanden. De auto is immers te gast op het eiland. Daar waar langere rechtstanden dan gewenst noodzakelijk zijn, worden aanvullende maatregelen genomen om de snelheid te beperken tot maximaal 30 km/u. 30 km/u in de stad Vanaf 2023 gaat de maximumsnelheid op de meeste wegen in Amsterdam naar 30 kilometer per uur. De stad wordt zo veiliger gemaakt, met minder ongelukken. Ook is er dan sprake van minder verkeerslawaai. Dit besluit vloeit voort uit een breed gesteunde motie in de raad. De gemeenteraad heeft op 23 december 2021 positief over 30 kilometer per uur in de stad besloten. In de toekomst zal over de Pampuslaan een tram gaan rijden. In mei 2017 is door de gemeente een verkeersonderzoek naar de gevolgen van de ontwikkeling van
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 39
Centrumeiland (als geheel) op de toegangswegen uitgevoerd (met kenmerk 160403). Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. Doordat het voorliggende bestemmingsplan meer programma mogelijk maakt dan in 2017 met het verkeersonderzoek is onderzocht, is opnieuw een onderzoek naar de gevolgen van de ontwikkeling uitgevoerd (met kenmerk O-210255). Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten en conclusies van het onderzoek weergegeven. Resultaten Voor het verkeersonderzoek voor blok 3 en 16 op Centrumeiland is gebruik gemaakt van de meest recente versie van het verkeermodel Amsterdam (VMA versie 3.6). In het onderzoek zijn drie scenario's doorgerekend: een met een referentiejaar 2021 (2021AR Referentie), een prognosejaar 2031 (2031AR Referentie) en een prognosejaar 2031 met aanvullend plan voor Centrumeiland (2031AR Project). In het onderzoek is rekening gehouden met netwerkwijzigingen uit een eerdere studie voor bestemmingsplan van IJburg 2. Hieronder worden de belangrijkste effecten van het voorliggende bestemmingsplan voor blok 3 en 16 op Centrumeiland beschreven. Intensiteiten Het extra verkeer door toevoeging van het project zorgt voornamelijk op toenames op beide ontsluitingswegen van IJburg 2, Strandeilandlaan en Pampuslaan (wegvak 5 en 6).
Het verkeer verlaat voornamelijk via de zuidelijke ontsluiting het gebied en vervolgt zijn weg via de Fortdiemerdamweg. Een ander gedeelte van het verkeer verlaat via de noordelijke ontsluiting het gebied. De toenames zijn beperkt en zorgen niet voor extra knelpunten op wegvakniveau (I/C-verhoudingen <0,7).
Gemeente Amsterdam
blz. 40
Afbeelding 4.1 Verschil intensiteiten in motorvoertuigen/etmaal 2031AR Referentie vs. 2031AR Project Kruispuntenbelastingen Op basis van de statische modelberekeningen is de intensiteit/capaciteit verhouding voor kruispunten berekend. Door de toevoeging van het project zijn geen grote veranderingen te zien op de kritische I/C-verhoudingen.
Afbeelding 4.2 Overzicht kruispunten voor analyse Bij de ‘Noordelijke ontsluiting IJburg 2’ is een beperkte toename te zien, maar dit leidt niet tot problemen in de afwikkeling van verkeer op het kruispunt. Bij de ‘Zuidelijke ontsluiting IJburg 2’ zijn de kritische I/C-verhoudingen hoger dan 0,85, maar in de gemiddelde I/C-verhoudingen zijn deze lager dan 0,85. Dit geeft aan dat niet alle richtingen op het kruispunt hoge I/C-verhoudingen hebben. Het kruispunt ‘IJburglaan – Cor Oorthuyskade’ gaat in de ochtendspits van een kritische I/C-verhouding van 0,84 naar 0,85. De gemiddelde I/C-verhouding in de ochtendspits is 0,64 in de projectsituatie. Met een optimalisatie van de verkeersregeling wordt verwacht dat de kritische I/C-verhouding nog omlaag kan worden gebracht. De ontwikkeling van blok 3 en 16 op Centrumeiland, leidt tot beperkte toenames in de kritische I/C-verhoudingen. Modal split Voor Centrumeiland en daarmee blok 3 en 16 zijn autoluwe maatregelen toegevoegd conform “Handleiding VMA3 Autobezit en Parkeerzoektijden _v10.pdf”, waarbij een parkeernorm van 0,6 is gehanteerd. Het grootste deel van de verplaatsingen voor Centrumeiland wordt gemaakt met de auto (36%). Het toevoegen van het bouwprogramma in de projectsituatie geeft geen veranderingen in de modal split van het gebied.
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 41
Tabel 4.1 Modal split voor Centrumeiland Conclusies In de projectsituatie wordt bouwprogramma aan blok 3 en blok 16 van Centrumeiland toegevoegd. Uit de resultaten van het verkeersonderzoek blijkt dat het autoverkeer wat dit bouwprogramma genereerd voornamelijk richting het zuiden is georiënteerd. De toenames op wegvakniveau zijn beperkt en veroorzaken geen extra knelpunten. Bij de kritische I/C-verhoudingen op kruispunten zijn beperkte toenames. Geconcludeerd kan worden dat dit niet tot extra knelpunten in de afwikkeling van het verkeer leidt. 4.3.2
Parkeren
Het Centrumeiland is in het verkeersmodel autoluw ingericht. Op grond van de Nota Parkeernormen geldt op Centrumeiland een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per woning. Zoals in paragraaf 3.3.4 reeds genoemd, worden in de openbare ruimte van Centrumeiland maximaal 50 parkeerplaatsen gereaslieerd. Deze parkeerplaatsen zijn deels met de vaststelling van de uitwerkingsplannen tranche 1 tot en met 4 Centrumeiland reeds mogelijk gemaakt en juridisch-planologisch gewaarborgd. Binnen de grenzen van dit uitwerkingsplan worden 12 van de genoemde 50 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voorzien. De overige benodigde parkeerplaatsen op Centrumeiland worden allen op eigen terrein gerealiseerd, waarmee voldaan wordt aan de uitgangspunten uit de Nota parkeernormen.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kader
Wet luchtkwaliteit (Wet milieubeheer) Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: 1. De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; 2. De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen. Een belangrijk verschil met het vervallen Besluit luchtkwaliteit 2005 is dat de nieuwe regelgeving geen directe en harde koppeling meer kent tussen besluiten en grenswaarden. Deze is vervangen door een meer flexibele toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een van de elementen daarvan is dat projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de
Gemeente Amsterdam
blz. 42
buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. Een bestemmingsplan is in overeenstemming met de Wet milieubeheer als het bestemmingsplan niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen.
Tabel Grenswaarden conform Wet milieubeheer, tabel 2 Ministeriële regeling 'Beoordeling luchtkwaliteit 2007' In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007) zijn regels vastgelegd voor de wijze van uitvoering van luchtkwaliteitsonderzoeken. De regeling bevat bepalingen over de plaats waar bij wegen of inrichtingen beoordeeld dient te worden. Eén van de belangrijkste onderdelen van de regeling zijn de vastgelegde meetafstanden voor NO2, PM10 en PM2,5. Bij het berekenen van de luchtkwaliteit langs wegen worden de concentraties stikstofdioxide en fijn stof maximaal 10 meter van de wegrand bepaald. Als de rooilijn van bebouwing dichter bij de weg staat dan de hierboven gestelde afstand dient de afstand vanaf de wegrand tot de rooilijn aangehouden te worden. In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is het ''toepasbaarheidsbeginsel'' opgenomen. Dit beginsel geeft aan op welke plaatsen de luchtkwaliteitseisen toegepast moeten worden: de werkingssfeer en de beoordelingssystematiek. Dit is een uitwerking van bijlage III uit de nieuwe Europese Richtlijn luchtkwaliteit (2008).
De belangrijkste consequenties van het toepasbaarheidsbeginsel zijn: geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen toegang heeft en waar geen bewoning is; geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen (hier gelden de ARBO-regels). Dit omvat mede de (eigen) bedrijfswoning. Uitzondering: publiek toegankelijke plaatsen; deze worden wèl beoordeeld (hierbij speelt het zogenaamde blootstellingscriterium een rol). Toetsing vindt plaats vanaf de grens van de inrichting of bedrijfsterrein, op een punt dat representatief is voor de luchtkwaliteit in een gebied van (minimaal) 250 bij 250 meter, gelegen langs de grens van het terrein van de inrichting of het bedrijfsterrein; geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen, en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang hebben tot de middenberm. Voor het bepalen van de rekenpunten speelt het ‘blootstellingscriterium’ een rol. Het blootstellingscriterium houdt in dat de luchtkwaliteit alleen wordt beoordeeld op plaatsen waar een significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Het gaat dan om een blootstellingsperiode die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur) significant is.
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 43
In de toelichting bij de RBL 2007 is het volgende opgenomen ten aanzien van het blootstellingscriterium. Voor uitwerking van de verplichting tot beoordeling van de luchtkwaliteit daar waar mensen worden blootgesteld gedurende een periode die significant is ten opzichte van de bepaalde middelingstijd kan het volgende worden gehanteerd: Significant ten opzichte van middelingstijd van een jaar - woningen en andere voor wonen bestemde gebouwen en woonboten; - kinderopvang, scholen, verzorgings- en bejaardentehuizen; - revalidatie instellingen; - overige gebouwen als penitentiaire inrichtingen en asielzoekerscentra. Significant ten opzichte van middelingstijd van een etmaal - tuinen bij woningen; - recreatiewoningen en campings; - sport- en recreatieterreinen, zwembaden etc.; - havens voor recreatievaartuigen. Significant ten opzichte van middelingstijd van een uur Voor een belangrijk deel gaat het hierbij om weggebonden activiteiten of activiteiten die in het verlengde van gebruik van de weg liggen zoals bijvoorbeeld stations en haltes openbaar vervoer, parkeerterreinen en winkels. Relevant in dit kader zijn ook voetpaden, trottoirs en fietspaden. Echter binnen tien meter van de wegrand is ingevolge de RBL 2007 toetsing niet aan de orde. Op de rijbaan van wegen wordt evenmin getoetst.
In de RBL 2007 is opgenomen de manier waarop het aantal dagen bepaald wordt dat de concentratie PM10 een daggemiddelde waarde van 50 µg/m3 overschrijdt. Dit dient voor inrichtingen te gebeuren door directe telling van het gemiddelde aantal overschrijdingsdagen per jaar in een verspreidingsberekening, waarbij gebruik wordt gemaakt van een tienjarige meteorologische database. Indien er sprake is van een verkeersaantrekkende werking dient het aantal verspreidingsdagen dat hier het gevolg van is ook berekend te worden op basis van berekende concentratiebijdragen en een in de wijziging gegeven relatie. De som van beide berekeningen geeft het totale aantal overschrijdingsdagen dat getoetst dient te worden aan de grenswaarde van 35 overschrijdingen per jaar, zoals weergegeven in bovenstaande tabel. AMvB en Regeling niet in betekende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen.
Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Deze AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM
Gemeente Amsterdam
blz. 44
bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. 4.4.2
Plangebied
Er is onderzoek gedaan naar het effect van de beoogde ontwikkeling van het 'Centrumeiland' op de luchtkwaliteit in de omgeving. Dit onderzoek is in 2016 is door Peutz uitgevoerd, waarbij uit is gegaan van maximaal 1.500 woningen en 400 arbeidsplaaten voor heel Centrumeiland. Het voorliggende bestemmingsplan maakt een programma bovenop deze 1.500 woningen en 400 arbeidsplaatsen mogelijk. Derhalve is een nieuw onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd. Het volledige onderzoek naar luchtkwaliteit is opgenomen in Bijlage 9 behorende bij deze toelichting. Hieronder worden kort de onderzoeksresultaten en conclusie beschreven. Resultaten In het onderzoek is getoetst of het project NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hiervoor is de projectsituatie afgezet tegen de referentiesituatie. Het verschil tussen de projectsituatie en de referentiesituatie bepaalt de toename in concentraties luchtverontreinigende stoffen en of deze toename wel of niet NIBM is.
Afbeelding 4.3 Concentratie per toetspunt voor NO2 in de referentiesituatie.
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 45
Afbeelding 4.4 Concentratie per toetspunt voor NO2 in de projectsituatie.
Afbeelding 4.5 Concentratie per toetspunt voor PM10 in de referentiesituatie
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Afbeelding 4.6 Concentratie per toetspunt voor PM10 in de projectsituatie. Voor de planontwikkeling zijn de concentratietoenamen van de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 berekend met het rekenjaar 2021. De maximale toename ten gevolge van het project bedraagt voor NO2 0,5 (µg/m3) en voor PM10 0,1 (µg/m3). De concentraties NO2 en PM10 als gevolg van de beoogde ontwikkelikk blijven ruim onder de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µ g/m3. Uit de resultaten blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied de concentratietoenamen NO2 en PM10 ten gevolge van het plan niet meer bedragen dan 1,2 µ g/m3. Hiermee is het aannemelijk dat de realisatie van het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Hiermee voldoet het plan, ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 4.4.3
Conclusie
Gezien voorgenoemde draagt hetgeen met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet in betekende mate bij aan de heersende achtergrondconcentraties en is geen sprake van overschrijding van grenswaarden. Vanui het aspect luchtkwaliteit gelden geen belemmeringen voor dit plan.
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 47
4.5
Geluidhinder
4.5.1
Kader
In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone. Indien binnen deze zone nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden.
Geluidbeleid (geactualiseerd) Op 13 november 2007 heeft het college van B&W de nota “Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid” vastgesteld, die naar aanleiding van de nieuwe Wet geluidhinder is aangepast. In 2016 is het geluidbeleid geactualiseerd. Conform het nieuwe geluidbeleid (2016) dient net als in het geluidbeleid van 2007 elke woning te worden voorzien van een stille zijde. Een stille of geluidluwe zijde (de termen zijn synoniem) is een (deel van een) gevel waar de geluidbelasting gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde of lager. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd zodat met open raam of deur geslapen kan worden. Woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld dienen in principe te beschikken over een stille zijde. Van dit principe mag slechts worden afgeweken als het realiseren van een stille zijde overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (criteria opgenomen in artikel 110g Wgh). Met dit besluit wordt geregeld dat de bevoegdheid voor het vaststellen van hogere grenswaarden per 1 januari 2008 wordt doorgeschoven naar de stadsdelen onder de voorwaarde dat de stadsdelen wel gehouden zijn aan het Amsterdamse geluidbeleid en dat het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluidhinder Amsterdam (TAVGA) om advies wordt gevraagd.
Het geluidbeleid zoals verwoord in de nota Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid verschilt principieel niet van het bestaande Amsterdamse beleid. De essentie dat woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in principe een stille zijde moeten hebben is gehandhaafd. Wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken, wordt in het hogere grenswaarden besluit een motivatie opgenomen. Hoe groter de overschrijding, hoe uitgebreider de motivatie. Woningen met een dove gevel dienen volgens het beleid altijd een stille zijde te krijgen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen zoals tijdelijke situaties. Indien vliesgevels worden toegepast, worden eisen gesteld aan de handhaving van de buitenluchtkwaliteit, zoals opgenomen in Bouwbrief 2005-15 van de gemeente Amsterdam.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Bij de vaststelling van een hogere waarde wordt rekening gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Het beleid geeft aan dat er sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden. 4.5.2
Plangebied
In 2019 is door Witteveen en Bos een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor heel Centrumeiland waarbij uit is gegaan van de realisatie 1.500 woningen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt een programma bovenop deze 1.500 woningen mogelijk. Derhalve is een nieuw akoestisch onderzoek door Sweco in 2021 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 10 behorende bij deze toelichting. Hieronder worden kort de onderzoeksresultaten en conclusie beschreven. Blok 3: geluidsbelastingen op gevels Pampuslaan In de Pampuslaan is een trambaan geïntegreerd. In de berekening is deze meegenomen in het kader wegverkeerslawaai als een gezamenlijke bron met het wegverkeer. De geluidsbelasting op de gevels van de geplande woningen in blok 3 door het verkeer over de Pampuslaan bedraagt ten hoogste 59 dB inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. De optredende geluidsbelasting overschrijdt de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder en is lager dan de maximaal te ontheffen waarde. Muiderlaan De geluidsbelasting op de gevels van de geplande woningen door het verkeer over de Muiderlaan bedraagt ten hoogste 33 dB inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. De optredende geluidsbelasting overschrijdt de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet. Daarom is er geen aanvullend onderzoek nodig.
Gecumuleerde geluidbelasting De gecumuleerde geluidbelasting voor blok 3 is voornamelijk de Pampuslaan en de 30 km/uur weg langs het complex. Ook zijn de Muiderlaan en de Strandeilandlaan meegenomen in de cumulatieve belasting. De geluidsbelasting op de gevels van de geplande woningen door het weg- en tramverkeer bedraagt ten hoogste 61 dB exclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. Blok 16: geluidsbelastingen op gevels Strandeilandlaan De geluidsbelasting op de gevels van de geplande woningen door het verkeer over de Pampuslaan bedraagt ten hoogste 57 dB inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. De optredende geluidsbelasting overschrijdt de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder en is lager dan de maximaal te ontheffen waarde. Muiderlaan De geluidsbelasting op de gevels van de geplande woningen door het verkeer over de Pampuslaan bedraagt ten hoogste 45 dB inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. De optredende geluidsbelasting overschrijdt de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet. bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 49
Daarom is er geen aanvullend onderzoek nodig. Gecumuleerde geluidbelasting De gecumuleerde geluidbelasting voor blok 16 is voornamelijk de Strandeilandlaan en de 30 km/uur weg langs het complex. Ook zijn de Muiderlaan en de Pampuslaan meegenomen in de cumulatieve belasting. De geluidsbelasting op de gevels van de geplande woningen door het weg- en tramverkeer bedraagt ten hoogste 63 dB exclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. 30 km/uur gebied Zoals in paragraaf 4.3 reeds vermeld wordt de maximum snelheid in de stad vanaf 2023 teruggebracht naar 30 km/uur. Dit beleid 'Beleidsnota 30km/uur in de stad' is op 23 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze aanpassing geldt ook voor het plangebied van Centrumeiland en dus ook voor blijk 3 en 16. Blok 3 ligt in de wettelijke geluidzone van de Muiderlaan en de Pampuslaan, waar ook een trambaan in zit. Blok 3 ligt in de wettelijke geluidzone van de Muiderlaan en de Strandeilandlaan. In het akoestische onderzoek is derhlave uitgegaan van 50 km/uur wegen voor de hoofdontsluitingswegen waar de Pampuslaan en Strandeilandlaan ook onderdeel van uitmaken. Het ligt in de lijn der verwachting dat de geluidsbelasting op de gevels van de woningen in blok 3 en 16 daardoor verder zullen afnemen. Hogere waarden De geluidbelastingen op blok 3 ten gevolge van de Pampuslaan (incl.
trambaan) met dubbe deklaag type B is hoger van de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB. De geluidbelasting is met 59 dB echter lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. Voor de woningen waar deze waarde wordt overschreden, wordt een hogere waarde aangevraagd. De geluidsbelastingen op blok 16 ten gevolge van de Strandeilandlaan is ten hoogste 57 dB inclusief correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Dit is hoger dan de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB en lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. Maatregelen zijn overwogen en de maatregel voor een andere type wegdek voor de Strandeilandlaan is onderzocht. De geluidbelasting op blok 3 ten gevolge van de Strandeilandlaan met dunne deklaag type B is ten hoogste 53 dB inclusief correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Voor de woningen waar deze waarde wordt overschreden, wordt een hogere waarde aangevraagd. Het akoestische onderzoek is op 16 december 2021 aan TAVGA voorgelegd. Het vaststellen van de benodigde hogere waarden is door de commissie akkoord bevonden. Afgesproken is dat een binnneplanse afwijkingsmogelijkheid wordt opgenomen in dit bestemmingsplan als uit akoestisch onderzoek volgt dat de gevelbelasting niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde Wet geluidhinder. 4.5.3
Conclusie
Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde op de gevels langs de Pampuslaan en Strandeilaan wordt overschreden. Door het toepassen van een stil wegdek (dunne deklaag type B) wordt de maximale ontheffingswaarde nagenoeg niet overschreden. Daar waar een overschrijding plaatsvindt geldt een voorwaardelijke verplichting dat door het nemen van maatregelen de maximale ontheffingswaarde van 58 dB gehaald dient te worden. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de Wet geluidhinder en het Amsterdamse geluidbeleid. Bij iedere gevel waarvoor een hogere waarde is aangevraagd wordt een
Gemeente Amsterdam
blz. 50
geluidluwe gevel gerealiseerd.Conform het Amsterdamse geluidbeleid wordt in het voorliggende bestemmingsplan de eis opgenomen dat iedere woning een geluidluwe gevel dient te hebben. Dit wordt geborgd in de regels in artikel 6.4.
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Kader
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. 4.6.2
Plangebied
Voor de zandsuppletie van Centrumeiland is gebruik gemaakt van ontzilt Noordzeezand dat tot op een diepte van maximaal twee meter (-waterbodem) is gewonnen. Ten behoeve van de ontzilting is het zand gespoeld met licht brak water en daarna drooggetrokken. Hierdoor is het zand geschikt om te worden gebruikt in het IJmeer zonder negatieve effecten op de waterkwaliteit als gevolg van uitspoeling van zout. Chemische verontreiniging van dit zand is uitgesloten. Hiermee is veilig gesteld dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de voorgenomen functies. Daarnaast zal op Centrumeiland een verhoging van het maaiveld worden gerealiseerd. Het zand dat gebruikt wordt voor deze verhoging is afkomstig van het ontgraven van de watergang Wim Noordhoek. Het zand dat ontgraven wordt is oorspronkelijk afkomstig uit de vaargeul Amsterdam-Lemmer (VAL). Uit de VAL is schoon zand gewonnen en aangebracht. In de afgelopen periode zijn er ter plaatse geen activiteiten geweest die de kwaliteit van het zand hebben verslechterd. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de bodemkwaliteit niet voldoende zou zijn. Met Rijkswaterstaat (RWS) en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) is de afspraak gemaakt dat het vrijkomend zand van onder andere Wim Noordhoek verwerkt kan worden op de gebieden van IJburg 2, mits het gemeld wordt volgens het Besluit Bodemkwaliteit.
Hiervoor is een zogenaamd zandprotocol gemaakt waar RWS en de ODNZKG op toezien. 4.6.3
Conclusie
De bodemkwaliteit is voldoende voor het voorgenomen gebruik. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 51
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Kader
Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR), en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Plaatsgebonden risico Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan. Verantwoordingsplicht groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet.
De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het projectgebied. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen echter een factor 10 lager dan voor inrichtingen. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding (zie ook Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico voor inrichtingen). 4.7.2
Plangebied
In blok 3 en 16 worden geen risicovolle inrichtingen toegestaan en ook in de nabijheid van Centrumeiland zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over de weg, het spoor en het water. Centrumeiland ligt niet binnen de invloedsgebieden van wegen, sporen of waterwegen waar vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er liggen in en in de omgeving van het plangebied ook geen onderzoeksgebieden voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Tot slot zullen er op Centrumeiland geen buisleidingen komen te liggen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied liggen geen buisleidingen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
4.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.8
Kabels en leidingen
Omdat het hier gaat om nieuw land is er geen sprake van (in de bodem aanwezige) planologisch relevante kabels en leidingen. Ook in de directe omgeving van het plangebied is er geen sprake van planologisch relevante kabels en leidingen die invloed (kunnen) hebben op het plangebied. Mochten er in de toekomst planologisch relevante kabels en leidingen aangelegd moeten worden, dan zal hier een aparte procedure voor doorlopen worden. Op grond van dit bestemmingsplan worden geen planologisch relevante kabels en leidingen aangelegd.
4.9
Luchthavenindelingsbesluit (LIB)
Blok 3 en 16 ligt binnen het beperkingengebied van het luchthaven indelingsbesluit (LIB) voor wat betreft de maximale bouwhoogte (100 meter (radars)) van objecten in, op of boven de grond in verband met de veiligheid van het luchthavenverkeer. Dit bestemmingsplan staat geen bouwwerken toe met een dergelijke bouwhoogte. De maximale bouwhoogte die in dit bestemmingsplan wordt toegestaan is 25 meter. Om die reden vormt het LIB geen belemmering voor voorliggend activiteit.
4.10
Niet gesprongen explosieven
Er zijn bij het uitvoeren van de werkzaamheden in het kader van het landmaken geen NGE's aangetroffen.
4.11
Duurzaamheid
In het SP is reeds aangegeven dat het onderwerp duurzaamheid hoog in het vaandel staat bij nieuwe ontwikkelingen. De kwantitatieve energieambitie voor het Centrumeiland is dat lokaal opgewekte energie samen met duurzame energie uit de omgeving op jaarbasis voldoende is voor het gebouwgebonden energieverbruik. Daarbij is het energieverbruik op het eiland zo laag mogelijk en het aandeel lokaal duurzaam geproduceerde energie zo groot mogelijk. Hiermee wordt gestreefd naar een energieneutraal eiland. Om hier concreet invulling aan te geven is in het stedenbouwkundig plan al onderzocht welke vormen van duurzaamheid op deze locatie het best kunnen werken. Daaruit is naar voren gekomen dat een grootschalige Warmte-Koude-Opslagvoorziening (WKO) en het rainproof maken van het eiland de belangrijkste maatregelen zijn. De maatregelen met betrekking tot rainproof worden in paragraaf 5.1 nader toegelicht. WKO In het concept Warmteplan waar de gemeenteraad in 2016 mee heeft ingestemd, is de keuze voor een WKO vastgelegd. Daarnaast is in dit warmteplan ook bepaald dat het voor alle niet-zelfbouw projecten op Centrumeiland verplicht is aan te sluiten op deze WKO. Uitzondering hierop wordt gevormd door de mogelijkheid tot het aanleggen van een eigen duurzaam energiesysteem dat duurzamer is dan de WKO.
Kleinschalige WKO's zijn in principe niet toegestaan en vergunningplichtig gesteld, aangezien deze kunnen conflicteren met de efficiëntie van de grootschalige WKO. Pas indien uit onderzoek blijkt dat er geen conflicten op kunnen treden zou een vergunning voor een WKO verleend kunnen worden. bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 53
Ten aanzien van de zelfbouw geldt dat deze niet verplicht zijn om aan te sluiten op de grootschalige WKO, maar enkel gebonden zijn aan de regels uit het Bouwbesluit zoals dat geldt op het moment van indienen van de omgevingsvergunning. Daarnaast zal er geen stadswarmte en aardgas worden aangesloten. Aardgas is niet verplicht doordat de gemeenteraad heeft ingestemd met het warmteplan. Andere vormen van duurzame energie, zoals zonnepanelen worden niet uitgesloten in dit bestemmingsplan. Ten aanzien van duurzaam bouwen kan er momenteel niet meer voorgeschreven worden dan op grond van het Bouwbesluit is geregeld, maar bij de uitgifte van de kavels zullen wel tips voor duurzaam bouwen en duurzame energie meegegeven worden. Rainproof In de planregels behorende bij dit plan zijn expliciete regels opgenomen met betrekking tot de waterbergingsopgave die het gebied kent. Daarnaast is er voor zelfbouwers op Centrumeiland een brochure gemaakt waarin toekomstige bewoners verleid worden om extra maatregelen in het kader van rainproof en duurzaamheid te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan de realisatie van groene daken en gevels en/of het aanleggen van grindkoffers en wadi's ten behoeve van infiltratie.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 55
Hoofdstuk 5 5.1
Water
5.1.1
Beleid
Omgevingsaspecten
Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. De uitvoering van de KRW schept de nodige verplichtingen en biedt tegelijkertijd voor Nederland ook veel mogelijkheden. Nederland ligt immers benedenstrooms en is voor zijn waterkwaliteit voor een belangrijk deel afhankelijk van het buitenland. Door de invoering van de richtlijn kunnen landen niet langer problemen van hun bord schuiven. Aan Nederland de opgave om de richtlijn goed en doelmatig uit te voeren. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid. Het NWP beschrijft de maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Ook is een eerste beleidsmatige uitwerking van het advies van de Deltacommissie opgenomen in dit Nationaal Waterplan.
Met de formulering van een streefbeeld geeft het Nationaal Waterplan een inspirerende referentie voor de toekomst. Maatregelen die reeds in gang zijn gezet en in het streefbeeld passen worden met kracht voortgezet. Denk aan het hoogwaterbeschermingsprogramma, de uitvoering van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord Water en de rivierverruimingsprojecten. Door de uitvoering van de stroomgebiedbeheerplannen zal de waterkwaliteit substantieel verbeteren. De nieuwe ambities van de Deltacommissie worden uitgewerkt in een Deltawet en Deltaprogramma. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd. Waterbeheerplan
Gemeente Amsterdam
blz. 56
Het Beleid van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is vertaald in het Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021. In het Waterbeheerplan is uitgewerkt hoe AGV in de planperiode invulling geeft aan haar taken op het gebied van waterbeheer, zoals veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit. Zie: https://www.agv.nl/onze-taken/waterbeheerplan Keur De Keur is de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen. Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoorbeeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater. Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 Het Gemeentelijk Rioleringsplan bevat de visie van de gemeente op het gewenste waterbeleid voor de komende jaren. De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen. In het Gemeentelijk Rioleringsplan staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld.
Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag (Waterschap Amstel, Gooi en Vecht) te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting, zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen. Dit plan biedt tevens een kans om in te spelen op ontwikkelingen, zoals het veranderende klimaat. Op een aantal thema’s is het Gemeentelijk Rioleringsplan verder uitgewerkt en toegelicht in een bijbehorend Integraal Technisch Beleidsrapport. Hemelwaterverordening Op 26 april 2021 is de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Doel van deze verordening is om bij grote regenbuien, die steeds vaker voorkomen, waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige stad. a. Bergingscapaciteit (60 mm) Een waterberging heeft een minimale capaciteit nodig van 60 liter per m2. Dit is gekoppeld aan de ambitie van het GRP.
Dit is een bui die nu één keer in de honderd jaar voorkomt. Bij nieuwbouw wordt zo extra druk op de riolering voorkomen en blijft het risico op schade in de buurt gelijk. Bij herbouw kan de waterberging het risico op waterschade in de buurt verkleinen. b. Ledigingstijd (60 uur) en maximale lozingscapaciteit (1 mm/h) De berging dient binnen 60 uur weer leeg te zijn, zodat de capaciteit beschikbaar is voor de volgende bui. De 60 uur is een afweging tussen zo snel mogelijk weer in staat te zijn om een volgende bui op te vangen, en het voorkomen van te intensieve belasting van de riolering en het oppervlaktewatersysteem ná een bui. De lediging van een berging gaat het liefst via infiltratie naar het grondwater, vanwege de positieve effecten op de grondwaterstand en het natuurlijk groen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het tegengaan van hittestress en droogte als gevolg van klimaatverandering. Daarnaast mag op de riolering worden geloosd, maar maximaal met een lozingscapaciteit van 1 liter per uur per m2 bebouwd bestemmingsplan_Centrumeiland Blok 3 en 16 (vastgesteld)
blz. 57
oppervlak. Als een bui groter is dan de aangegeven bergingscapaciteit ( >60 mm), mag het surplus direct geloosd worden op de riolering of de openbare ruimte. Dit geeft invulling aan de wettelijke zorgplicht die de gemeente heeft voor het verwerken van hemelwater, als dat redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden gevergd. De verordening is na vaststelling door de gemeenteraad op 11 mei 2021 inwerking getreden. De verordening is van toepassing op alle gebouwen waarvoor na 11 mei 2021 een Omgevingsvergunning Bouwen wordt aangevraagd of die vanaf dat moment zonder vergunning worden gebouwd. Dit geldt dus ook voor alle gebouwen die in blok 3 en 16 op Centrumeiland zullen worden gebouwd. De nieuwe eisen zijn in het voorliggende bestemmingsplan verwerkt (zie 4.3 en 6.3). In de Waterparagraaf wordt hier nader op ingegaan. 5.1.2