2. CE Delft 220443 Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid Amsterdam 2030 DEF
Tekst van het document
22
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
vergunningprocedures) maar zou ook actief bij andere overheden kunnen lobbyen, bijvoorbeeld voor het toekennen van MIEK-status aan infrastructuurprojecten.
4.5.2 Landelijke context Voor verduurzaming van de industrie is het belangrijkste beleid op Europees of landelijk niveau vormgegeven. Het ETS is daarbij het belangrijkste instrument. Dat stuurt echter op Europees niveau en niet lokaal. Het is dus in principe mogelijk dat het ETS voor 2030 geen effect heeft op de Amsterdamse emissies, omdat er elders in Europa goedkopere mogelijkheden voor emissiereductie zijn. Andersom geldt ook dat extra emissiereductie bij de Amsterdamse ETS-bedrijven, die door de gemeente Amsterdam wordt gestimuleerd, op Europese schaal niet persé tot emissiereductie leidt, omdat het leidt tot meer emissieruimte voor andere Europese bedrijven. De Market Stability Reserve (MSR) verzwakt dit waterbedeffect, waardoor Amsterdamse maatregelen wel degelijk effect kunnen hebben, ook op Europese schaal. Het Europese beleid wordt momenteel in lijn gebracht met 55% emissiereductie in 2030 middels het Fit for 55-pakket. Hierin is onder andere een verdere aanscherping van het ETS opgenomen, waardoor de ETS-prijs naar verwachting verder zal stijgen. Ook krijgt de industrie te maken met aangescherpte Europese eisen voor energiebesparing en doelstellingen voor het gebruik van groene waterstof. Landelijk bestaat er de CO2-heffing, bovenop de ETS-prijs, voor de ETS-bedrijven, afvalverbrandingsinstallaties en uitstoters van lachgas (N2O).
De vrijgestelde ruimte voor de CO2heffing wordt geleidelijk kleiner. De energiebesparingsplicht onder de Wet milieubeheer gaat ook gelden voor ETS-bedrijven. In het verleden is handhaving van deze verplichting een uitdaging gebleken; de rijksoverheid wil de handhaving daarom versterken. Op gebied van de haven zijn er binnen Fit for 55 Europese eisen voorgesteld, bijvoorbeeld de verplichting om in 2025 minimaal één walstroominstallatie per binnenhaven5 beschikbaar te hebben en om in 2030 in zeehavens 90% van de vraag naar walstroom voor bepaalde categorieën schepen te kunnen aanbieden.
4.5.3 Aanvullende maatregelen Hieronder beschrijven we drie aanvullende maatregelen voor de sector Haven & industrie: — CCS realiseren voor de totale uitstoot van de AEB (fossiel en biogeen); — overige CCS-projecten realiseren; — faciliteren verduurzaming energie-intensieve industrie. Daarnaast hebben we de volgende opties geïdentificeerd. Deze kunnen interessant zijn maar werken we in dit rapport niet verder uit vanwege hun geringe opbrengst en/of complexiteit in de uitvoering. — creatieve oplossingen voor als netcongestie elektrificatie belemmert, bijvoorbeeld tijdelijke plaatsing batterijen; — verplichte warmtepomp (+ zon op dak) voor bedrijfsverwarming kleinere bedrijven (zonder proceswarmte) (verplichting obv energiebesparingsplicht Wet milieubeheer); — verplicht gebruik walstroom bij aanleggen in haven (zie ook mobiliteit); — binnenvaart: laadinfra (batterijen, H2) voorbereiden en convenanten sluiten met transportbedrijven voor inzet schone schepen; — uitkoopregeling visserij. ________________________________ 5
23
Van het zogenoemde TEN-T kernnetwerk
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
Maatregel 7: CCS voor totale uitstoot AEB (fossiel en biogeen) Carbon capture and storage (CCS) geeft de mogelijkheid om in één keer grote hoeveelheden CO2 te reduceren. Daarvoor is het wel vereist dat er een geconcentreerde puntbron van CO 2 is waar de CO2 kan worden afgevangen. Het AEB vormt een zeer grote puntbron van CO2 in Amsterdam. Er is al een plan voor het toepassen van CCS bij het AEB. Daarvoor hebben we in de raming een emissiereductie van 440 kton opgenomen. In de raming is aangenomen dat de hoeveelheid afval die verbrand wordt terug gaat naar het niveau van 2018. Door de plannen voor CCS verder uit te breiden, kan een aanzienlijke verdere reductie worden gerealiseerd. Het biogene deel van de emissies wordt als 0 geteld, maar door hier ook CCS op toe te passen kunnen de emissies als negatief geteld worden. De totale emissies van AEB (inclusief het biogene deel, maar exclusief warmte opwek uit de biomassacentrale) bedroegen in 2018 circa 1,5 Mton. Daarvan is circa 520 kton fossiel. De huidige plannen voor CCS bedragen 480 kton, iets meer dus dan wat in onze raming is opgenomen. Hiervoor is inmiddels SDE++-subsidie toegekend. Voor het inschatten van de additionele emissiereductie die bereikt kan worden door ook de overige emissies af te vangen gaan we uit van de recente totale emissies van AEB van ca. 1,2 Mton.
Als we de geplande 480 kton voor CCS hiervan aftrekken blijft er 720 kton over. Omdat in de praktijk maximaal 90% van CO2-emissies via CCS afgevangen kan worden gaan we uit van een potentieel voor additionele CCS van 650 kton. Dit betreft dan voor het grootste deel biogene koolstof en afvang leidt dus tot negatieve emissies. Uit de verkenning van Southpole (Southpole, 2022) komt een mogelijke schaal van 550 kton CCS, op basis van de bestaande plannen. Het potentieel om netto negatieve emissies af te vangen wordt geclassificeerd als veelbelovend voor 2030 en zeer veelbelovend voor 2050. Southpole doet echter geen uitspraken over de maximaal realiseerbare capaciteit in 2030. Amsterdam heeft als doel om het gebruik van nieuwe grondstoffen te halveren in 2030 en in 2050 een volledig circulaire stad te zijn. Omdat de hoeveelheid afval daardoor mogelijk afneemt wordt het als een bedrijfseconomisch risico gezien om voor alle huidige emissies van de afvalverbrandingsinstallaties van AEB in CCS te investeren. Een CCS-installatie wordt immers over een langere periode terugverdiend. Wel kan AEB ook voor de aanvullende CCSinstallatie SDE++-subsidie aanvragen. Met SDE++ wordt de investering in vijftien jaar afgeschreven. Een CCS-installatie is dus bedrijfseconomisch zinvol als er voldoende afval verbrand wordt in vijftien jaar.
Bovendien is in de Warmteleveringsovereenkomst tussen AEB en WPW vastgelegd dat AEB ten minste tot 2047 warmte levert aan WPW. Dat betekent dat er na 2030 nog meer dan vijftien jaar warmtevraag zal zijn. Of de circulaire ambities daadwerkelijk tot een significante reductie van afvalverbranding in Amsterdam in 2030 leidt is de vraag. In de raming is vooralsnog aangenomen dat de hoeveelheid afval die verbrand wordt teruggaat naar het niveau van 2018. Daar rekenen we dan ook mee in de potentieelinschatting van deze raming. In een studie van Rebel voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu uit 2021 (Rebel, 2021) zijn verschillende scenario’s opgesteld voor de capaciteit van afvalverbranding en toevoer van huishoudelijk afval in Nederland. Daarin is in twee van de vier scenario’s een bescheiden daling van de hoeveelheid Nederlands restafval te zien richting 2030. Dat is een klein aandeel ten opzichte van de capaciteit die nu al wordt benut voor geïmporteerd afval. De hoeveelheid afval hangt dan ook vooral af van de vraag of de import van afval wordt teruggeschroefd. Rebel laat één scenario zien waarin 40% van de afvalverbrandingscapaciteit in NL niet wordt benut, één scenario waarin dit 25% is en twee scenario’s waarin alle capaciteit wordt benut, dus ook die van AEB.
Als voor de volledige verbrandingslijn van AEB CCS wordt toegepast, ligt het voor de hand dat dit juist één van de centrales is die wel wordt benut, ook bij afnemende
24
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
afvalstromen. Voor de doelen van 2030 kan het dus wel degelijk lonen om meer CCS toe te passen bij AEB.
Actie Amsterdam De gemeente Amsterdam heeft AEB verkocht aan AVR en wacht alleen nog op goedkeuring van de ACM voordat de koop definitief is. Daarmee verliest ze de zeggenschap over AEB. De gemeente kan AEB stimuleren om meer CCS toe te passen door met ze in gesprek te gaan en de financiële belemmeringen weg te nemen. Dat kan zijn door het gat in de businesscase te dekken bovenop de SDE++. Een dergelijke subsidie moet echter wel goed verantwoord worden in verband met Europese staatsteunregels. De steun kan eventueel afhankelijk gemaakt worden van de hoeveelheid afval, zodat alleen subsidie betaald wordt als er daadwerkelijk een tekort in de businesscase ontstaat door een te lage benutting van de capaciteit.
Mogelijke kosten en belemmeringen Mogelijk is het nodig dat de gemeente Amsterdam financieel bijspringt om de businesscase rond te maken. Het is echter niet zeker dat dat nodig is. Een bepalende factor is wel het verkrijgen van SDE++-subsidie. Aanvullende CCS bij AEB zorgt in de CO2-boekhouding van Amsterdam voor negatieve emissies. Negatieve emissies worden op dit moment nog niet meegeteld voor Europese en nationale doelstelling. Hier wordt echter wel over gesproken en naar verwachting zullen deze op termijn gaan meetellen (Simon, 2021). CCS bij biomassa- en verbrandingsinstallaties is echter al wel meegenomen in de SDE++ en daarom vormt het geen directe belemmering.
Gevolgen voor burgers en bedrijven De impact op AEB van deze maatregel is groot. Er moet een zeer groot project gerealiseerd worden, aanvullend op de bestaande plannen, inclusief het regelen van investeringsbudget, vergunningen, en aansluiten op CO2-infrastructuur. De OCAP-pijpleiding wordt in het onderzoek van Southpole geclassificeerd als veelbelovend voor 2030 en heeft een grote capaciteit (verwacht wordt een capaciteit van 2 Mton). Dit vraagt veel van AEB en succes is niet gegarandeerd. Anderzijds zit AEB al wel in het proces om een CCS-project te realiseren en heeft dus ervaring met de voorbereiding van een dergelijk project. Meer CO2 afvangen zorgt volgens AEB voor een lagere warmteproductie dan waar nu vanuit gegaan wordt voor warmtelevering aan woningen en industrie. Er dient daarom gekeken te worden naar alternatieve duurzame bronnen voor het warmtenet WPW om de warmtepiekvraag te kunnen blijven dekken.
Maatregel 8: Andere CCS-projecten Naast CCS bij de afvalverbrandingsinstallaties van AEB, kan CCS ook op andere plekken worden toegepast. Als CCS bij de AEB wordt gerealiseerd, en de infrastructuur om de afgevangen CO2 te transporteren en geologisch op te slaan eenmaal aanwezig is, is het relatief makkelijk om andere puntbronnen van CO 2 in de buurt van de AEB op deze infrastructuur aan te sluiten. CCS biedt de mogelijkheid om in één keer een grote CO2reductie te realiseren. Met een aanzienlijke inspanning van Amsterdam is het mogelijk nog extra projecten te realiseren voor 2030. Dit gaat gedeeltelijk over afvangen van biogene CO2, waardoor negatieve emissies ontstaan.
25
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
Southpole (Southpole, 2022) heeft potentiële bronnen in beeld gebracht van biogene emissies, waar met CCS dus negatieve emissies gerealiseerd kunnen worden. Naast AEB zijn dat: — Cargill (40.000 ton/jaar, nu geen plannen, ‘less promising unless strongly incentivized’) — Advanced Methanol Amsterdam (AMA) (‘less promising’ in 2030, ‘promising’ in 2050: 116 kton CO2/jaar); — Bio energy NL (‘not promising’ in 2030, ‘promising’ in 2050); — Waternet (85 kton CO2/jaar, ‘less promising’, stromen zijn te klein en te verdund). Southpole noemt een totaal potentieel van 900 kton/jaar inclusief AEB. Zonder AEB is dat 420 kton. Voor 2030 zijn met name Cargill en in mindere mate AMA interessant om verder te verkennen. Daarvoor is waarschijnlijk wel een aanzienlijke (financiële) prikkel nodig vanuit de gemeente Amsterdam. Daarnaast kan CCS ook toegepast worden bij de biomassacentrale van AEB. Een schatting van de emissies op basis van de hoeveelheid snoeihout (110.000 ton snoeihout in bmc (AEB, 2018) en een emissiefactor van 1,6 kg CO2/kg hout (NHK, 2018) is circa 176 kton. Ook de CO2 uit de nieuwe bio-LNG plant van Titan kan opgeslagen worden. Bij de productie van bio-LNG (vloeibaar) of bio-methaan (gas) uit biogas komt een vrijwel zuivere CO 2stroom vrij, die meestal de atmosfeer in gaat.
De huidige plannen van Titan zijn om deze CO2 te hergebruiken in de glastuinbouw.(Offshore Energy, 2022) De CO2-emissies bij Titan zijn vermoedelijk van de ordegrootte 100 kton/j. Tenslotte kunnen de emissies uit de waterzuivering nog beter in beeld gebracht worden. Er wordt al CO2 afgevangen bij de groengasinstallatie ten behoeve van CCU, maar dit gaat om een beperkt volume van circa 11 kton (Waternet, 2022). Een groot deel van de emissies van een waterzuivering komt uit de aerobe zuivering, waarbij het meeste organisch materiaal uit het afvalwater door bacteriën wordt afgebroken (Peraki, 2019). Omdat dit uitsluitend biogene emissies betreft, worden deze niet meegeteld en daarom ook niet gerapporteerd. Het potentieel om deze emissies te voorkomen is dus onbekend. Southpole schat het potentieel voor CCS bij waternet in 2030 in als 85 kton, maar geeft dat de kwalificatie ‘lesspromising’. Op de langere termijn kan de techniek zich verder ontwikkelen en het potentieel toenemen tot de ordegrootte van 1 Mton/j. Omdat er nu geen prikkel bestaat om deze biogene emissies te voorkomen of af te vangen, is er ook weinig aandacht voor mogelijke technieken om dit te doen. De gemeente zou hier nader onderzoek naar kunnen (laten) doen.
Er is op dit moment te weinig feitelijke basis om aan deze aerobe emissies een concreet reductiepotentieel voor 2030 toe te kennen, maar gezien de omvang van de emissies kan dit reductiepotentieel op de lange termijn, en mogelijk ook al voor 2030, significant blijken zijn. De grote fossiele puntbronnen van CCS in Amsterdam zijn elektriciteitscentrales. Deze worden niet meegerekend met de emissies van Amsterdam. Bovendien is de toepassing van CCS bij elektriciteitscentrales omstreden. Wij zien niet direct grote industriële uitstoters in Amsterdam waar CCS voor de hand ligt. Bij een aantal grote uitstoters waar CCS zou kunnen worden toegepast, zijn er plannen om te elektrificeren. De bovengenoemde opties hebben per stuk een groot potentieel, maar het is zeer uitdagend om ze te realiseren. We tellen de potentiëlen van de genoemde opties dan ook niet op om het potentieel van deze maatregel te bepalen, maar gaan er van uit dat één van deze projecten gerealiseerd kan worden vóór 2030. De kleinste projecten hebben een potentieel van circa 100 kton. Dat zien we dan ook als het minimaal haalbare potentieel van deze
26
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
maatregel. De onzekerheid bij dit potentieel is echter groter dan bij de overige maatregelen.
Actie Amsterdam Verken bij bovengenoemde installaties of CCS kan worden toegepast vóór 2030 en wat daarvoor nodig is. Ga het gesprek aan met de betreffende bedrijven.
Mogelijke kosten en belemmeringen Voor deze installaties geldt hetzelfde als voor CCS bij AEB. Een randvoorwaarde voor CCS is het verkrijgen van SDE++. Negatieve emissies worden op dit moment niet meegeteld, maar hier zit beweging in.
Gevolgen voor burgers en bedrijven Voor de betreffende bedrijven is de impact groot. Er moet een zeer groot project gerealiseerd worden, inclusief het regelen van investeringsbudget, vergunningen, zoeken van en aansluiten op CO2-infrastructuur. In tegenstelling tot AEB, hebben deze bedrijven geen lopend traject om op voort te bouwen.
Maatregel 9: Faciliteren verduurzaming energie-intensieve industrie De energie-intensieve industrie wordt gestimuleerd om te verduurzamen via financiele prikkels zoals de ETS-prijs en de CO2-heffing. De emissiereductie die voor deze sector in de raming is opgenomen is op deze instrumenten gebaseerd. Of deze reductie daadwerkelijk gerealiseerd wordt in Amsterdam hangt onder andere af van de vraag in hoeverre de individuele bedrijven besluiten om voor 2030 hun productieprocessen te verduurzamen, wat weer afhangt van tal van andere aspecten. De gemeente kan de bedrijven stimuleren hiertoe over te gaan door het voeren van gesprekken over de opties en plannen van de bedrijven en het faciliteren van het verduurzamingsproces. Concreet kan Amsterdam vooral een rol spelen bij het realiseren van de benodigde infrastructuur (verzwaring elektriciteitsnetten, waterstofleiding, CO2-transportleiding, stoomleiding, uitbreiding warmtenet): — bedrijven en netbeheerders informeren en bij elkaar brengen; — energiebesparingsonderzoeken initiëren; — vergunningsprocedures kort houden; — MIEK (Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat)-projecten een officiële status geven; — negatieve emissies erkennen; — tijdig in kaart brengen van tracés (voor stoom, waterstof, CO2 en restwarmte) door de port of Amsterdam; — het aanwenden van de aandeelhouderspositie van de gemeente.
Of en in hoeverre deze faciliterende rol leidt tot concrete verduurzaming van energieintensieve productieprocessen voor 2030 is op dit moment niet te zeggen. Hiertoe zou de gemeente afspraken moeten maken met de betreffende bedrijven. We kennen daarom geen reductiepotentieel toe aan deze maatregel. De maatregel moet vooral gezien worden als een manier om de emissiereductie uit de raming daadwerkelijk te halen en waar mogelijk te overtreffen. Wanneer er concrete afspraken gemaakt zijn met de bedrijven over hun verduurzamingsplannen kan het reductiepotentieel van deze maatregel voor 2030 worden ingeschat.
27
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
Actie Amsterdam De acties voor de gemeente zijn hierboven al genoemd. Deze zijn vooral faciliterend van aard en richten zich met name op het realiseren van de benodigde infrastructuur.
Mogelijke kosten en belemmeringen Omdat de acties voor Amsterdam vooral faciliterend zijn, zijn de kosten beperkt tot onderzoeks- en apparaatskosten.
Gevolgen voor burgers en bedrijven De betrokken bedrijven worden ondersteund in de verduurzamingsplannen die ze hebben opgesteld.
4.6
Elektriciteit Onder deze sector valt al het finale elektriciteitsverbruik binnen Amsterdam. Omdat in de andere sectoren elektrificatie plaatsvindt om emissies te reduceren (warmtepompen, elektrische auto’s, elektrische boilers, etc. neemt de totale elektriciteitsvraag toe. De landelijke emissiefactor, die gebruikt wordt om de emissies als gevolg van het elektriciteitsverbruik vast te stellen, neemt echter richting 2030 sterk af. Daardoor nemen ook de emissies vanuit de sector elektriciteit netto af. Het eindbeeld voor de sector elektriciteit is dat de landelijke elektriciteitsproductie geheel duurzaam wordt. In 2030 zal het echter nog niet zover zijn en is de emissiefactor nog > 0. Aanvullende hernieuwbare elektriciteitsproductie in Amsterdam zelf draagt bij aan het verlagen van de landelijke emissiefactor, maar dit is een beperkt effect. De emissies vanuit deze sector kunnen vooral omlaag worden gebracht door in te zetten op grotere efficiëntie (bijvoorbeeld led-lampen, warmtepompen), energiebesparing en het weren van grote verbruikers (bijvoorbeeld datacenters). In het laatste geval is er echter het reële risico dat deze grootverbruikers zich elders zullen vestigen, waardoor het in feite om verplaatsing van emissies en niet om daadwerkelijke emissiereductie gaat.
4.6.1 Wat moet er gebeuren om de raming te halen De landelijke emissiefactor voor elektriciteitsproductie is sterk bepalend voor de emissies van de sector elektriciteit. Deze wordt in de KEV ingeschat voor 2030 en in onze raming overgenomen. Of de raming gehaald wordt hangt daarom vooral af van de mate waarin de projecties in de KEV accuraat blijken te zijn. Voor het overige geldt dat als de raming in de sectoren Gebouwde omgeving, Industrie en Mobiliteit gehaald wordt, dit tot meer emissies in de sector Elektriciteit leidt dan wanneer de raming in die sectoren niet gehaald wordt. Er is daarom geen rationale om de emissies in de sector Elektriciteit op zichzelf zo laag mogelijk te krijgen; de beleidsinzet dient vooral in de andere sectoren plaats te vinden en de emissies binnen Elektriciteit reflecteren de uitkomst daarvan. Wel wordt er in de raming een besparingspercentage van 1,0% per jaar aangenomen toegepast op woningen, diensten en bouwnijverheid. Dit wordt beschouwd als een autonome ontwikkeling, maar als de besparing hierbij achter zou blijven zou er aanvullend beleid gevoerd kunnen worden om de raming op dit punt te halen. Gezien de huidige energieprijzen lijkt 1,0% echter een conservatieve aanname voor autonome besparingen.
28
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
4.6.2 Landelijke context Landelijk wordt er fors ingezet op met name uitbreiding van wind op zee. Mede hierdoor is de projectie voor de emissiefactor voor elektriciteit voor 2030 afgenomen van 0,09 kg/kWh in de KEV 2021 (gebruikt voor onze vorige update) naar 0,07 kg/kWh in de KEV 2022 (verwerkt in de update voor dit project). Dat is een significante verbetering die een groot deel van de extra emissiereductie in de raming verklaart. Vanwege de oorlog in Oekraïne, de hoge energieprijzen en de wens om onafhankelijk te worden van Russisch aardgas is er een landelijke campagne opgetuigd om energie, en dan met name aardgas, te besparen. Dit biedt een goede voedingsbodem om vergelijkbare initiatieven in Amsterdam op te zetten, zoals het door ons voorgestelde convenant (zie maatregel 2).
4.6.3 Aanvullende maatregelen Hieronder presenteren we één aanvullende maatregel voor de sector Elektriciteit: Onderzoek naar plannen datacenters. Het aanpakken van netcongestie is daarnaast een belangrijke randvoorwaarde voor elektrificatie van grote delen van andere sectoren, zoals ook al in Paragraaf 4.5 aan de orde is gekomen. Verder hebben we de volgende opties voor maatregelen geïdentificeerd. Deze kunnen interessant zijn voor Amsterdam maar leveren relatief weinig emissiereductie op en/of nemen risico’s met zich mee. Het plaatsen van batterijen om lokaal tijdelijk netcongestie op te lossen heeft bijvoorbeeld het risico dat deze in een later stadium toch op het net aangesloten worden, wat juist tot meer netcongestie leidt: — Energiebesparing utiliteit en kantoren: lichten ’s nachts uit, deuren dicht, etc. Onderdeel van convenant, zie GO. — Zon op dak lokaal gebruiken om netcongestie tegen te gaan. — Apparaatjes die sluipverbruik meten uitdelen aan mkb en woningen. — Mogelijkheid om koelkast, etc. in te ruilen voor zuiniger exemplaar voor minima. — Verplichte zon op dak voor bepaalde locaties, bijvoorbeeld parkeerplaatsen. — Batterijen plaatsen, slimme laadpalen, etc.. — Landelijk beleid: CO2-normeringsverplichting voor elektriciteit.
Maatregel 10: Onderzoek naar plannen datacenters We nemen in de raming een groei in het aantal datacenters mee van 318 MW in 2030 (Gemeente Amsterdam, 2020), bovenop de bestaande datacenters. Dit betreft de aanvragen voor datacenters die op dit moment bij de gemeente Amsterdam liggen. Als deze aanvragen niet worden gehonoreerd scheelt dat dus 318 MW aan elektriciteitsverbruik in 2030. Dit komt overeen met een emissiereductie van circa 75 kton. Er is in Weesp ook een aanvraag voor een datacenter gedaan (College van B&W gemeente Amsterdam, 2022a). Het niet toestaan daarvan levert uiteraard ook een besparing op, maar in de rest van deze studie zijn de emissies van Weesp niet meegenomen. De extra potentiële reductie in Weesp van circa 8 kton kan dus niet afgezet worden tegen de 460 kton extra reductie die nodig is om de 60% te halen (zie Hoofdstuk 3), omdat de emissies van Weesp hier niet bij betrokken zijn.
29
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
De datacenters die niet in Amsterdam terecht kunnen zullen waarschijnlijk elders in Nederland een locatie zoeken. De behoefte aan datacenters en de gunstige condities daarvoor in Nederland zullen immers niet veranderen. Dit betekent dat er de facto sprake is van verplaatsing van emissies en niet van emissiereductie. Geen nieuwe datacenters toestaan, heeft een relatie met Maatregel 1: versnelde verduurzaming van warmtenetten. In de huidige afspraken voor de verduurzaming van de warmtenetten wordt immers ook het gebruik maken van restwarmte van datacenters als één van de opties genoemd. Doordat er minder datacenters komen, is er ook minder restwarmte beschikbaar voor het warmtenet. Er is echter wel voor 131 MW (stand van zaken 05-10-2020) aan bestaande datacentercapaciteit, die restwarmte zou kunnen leveren (Gemeente Amsterdam, 2020). In het warmtenet-convenant wordt niet gespecificeerd hoeveel warmte door datacenters geleverd kan worden en de warmte kan ook door andere duurzame opties worden gegenereerd. Daarom heeft dit geen impact op de potentieelinschatting voor Maatregel 1.
Actie Amsterdam De gemeente kan de bestaande en toekomstige aanvragen voor datacenters binnen de gemeentegrenzen afwijzen. Hier is echter wel een juridische grond voor nodig. De bestemmingsplannen moeten worden aangepast.
Mogelijke kosten en belemmeringen Er kan schade ontstaan uit het wijzigen van de bestemmingsplannen. Bijvoorbeeld derving van inkomsten uit grondverkoop of erfpacht, of vertraging in andere bouwprojecten.
Gevolgen voor burgers en bedrijven Doordat er geen datacenters meer bijkomen neemt de voorziene netcongestie af. De ruimte op het net komt echter niet automatisch beschikbaar voor andere bedrijven op het elektriciteitsnet. De ruimte komt alleen beschikbaar als het contract van het datacenter met de netbeheerder wordt verbroken.
30
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
5 Conclusie De gemeente Amsterdam streeft naar 60% reductie van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990. Uit de geüpdatete raming van het klimaatbeleid van Amsterdam blijkt echter dat de emissiereductie op basis van het huidige beleid onvoldoende is om dat doel te halen. In deze studie hebben we aanvullende maatregelen geformuleerd die de gemeente Amsterdam zou kunnen nemen om het doel voor 2030 alsnog te realiseren. Dat vraagt echter een zeer grote inspanning, zowel om de plannen die al in de raming zijn opgenomen daadwerkelijk te realiseren als om genoeg aanvullende maatregelen te realiseren. De raming voor 2030 komt uit op 1.980 kton CO 2-emissies, dat komt overeen met een reductie van 48% ten opzichte van 1990, met een bandbreedte van 15 tot 56% reductie. De doelstelling van 60% reductie wordt volgens deze raming niet gehaald, ook niet in het meest optimistische scenario. Het is echter geen gegeven dat de emissiereductie die wel in de raming is opgenomen ook gerealiseerd wordt. Voor veel maatregelen moet er nog heel veel gebeuren om de emissiereducties daadwerkelijk te realiseren. Daarbij is het belangrijk dat de betreffende acties zo snel mogelijk in gang worden gezet, zodat ze uiterlijk in 2030 gerealiseerd zijn. Het halen van de raming vraagt dan ook nog een grote inspanning van de gemeente Amsterdam en andere betrokken partijen.
Ten opzichte van de raming moet nog 460 kton aanvullende emissiereductie gerealiseerd worden om het doel voor 2030 te halen. We hebben geïnventariseerd wat voor maatregelen er aanvullend nog mogelijk zijn om de emissies van Amsterdam te reduceren. Tabel 4 geeft een overzicht van tien mogelijke aanvullende maatregelen. Er is voldoende potentieel om het doel voor 2030 nog te halen, maar dit vraagt wel grote inspanningen waarbij de onzekerheid over het daadwerkelijk slagen hoog is. Voor de meeste maatregelen is bovendien niet alleen een actie van de gemeente Amsterdam nodig, maar moeten juist ook andere partijen in actie komen, zoals bedrijven en de rijksoverheid (in geval van pleiten voor aanpassingen landelijk beleid). Het is dan ook aan te raden om meer maatregelen te nemen dan op basis van de potentieelinschatting nodig is om ruimte te laten voor tegenvallers. Tabel 4 – Maatregelen quickscan, incl. inschatting reductiepotentieel. Nr
Maatregel
Reductiepotentieel in CO2-eq. (schatting)
1
Versnelde verduurzaming van de warmtenetten
73 kton
2
Convenant gedragsverandering utiliteit
3 kton
3
De helft van de huurwoningen naar Label C isoleren
4
Pleiten voor bijmengen groengas (landelijke maatregel)
174 kton
5
Sterke inzet op minder automobiliteit
10 kton
6
Pleiten voor 80 km/u op snelwegen Amsterdam (landelijke maatregel)
10 kton
7
CCS voor totale uitstoot AEB (fossiel en biogeen)
650 kton
8
Andere CCS-projecten
100 kton
9
Faciliteren verduurzaming energie-intensieve industrie
10
Onderzoek naar plannen datacenters
6 kton
ntb 75 kton
De maatregelen op deze lijst zijn stuk voor stuk zeer uitdagend. Alle gemakkelijke maatregelen zijn immers al genomen. De meeste maatregelen hebben we geselecteerd omdat het potentieel relatief groot is en ze daardoor een significante bijdrage kunnen
31
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
leveren aan het doelbereik. In de lijst staan echter ook enkele maatregelen met een kleiner potentieel. Dat hebben we gedaan in de gebouwde omgeving (Maatregel 2 en 3) omdat de gemeente hier zelf direct invloed kan uitoefenen en er een belangrijk signaalfunctie en gevoel van urgentie van uitgaat. In de mobiliteitssector hebben we twee maatregelen meegenomen met een kleiner potentieel (Maatregel 5 en 6) als vangnet voor de maatregelen in de raming. Het potentieel van deze maatregelen is namelijk veel groter als de uitstootvrije zone voor personenvervoer uit de raming, waarvan de juridische haalbaarheid nog niet zeker is, niet wordt gerealiseerd. Alleen Maatregel 7, het realiseren van CCS voor de totale uitstoot van AEB zou ruim voldoende zou zijn om de extra reductieopgave van 460 kton te halen. Alle andere maatregelen blijven hier ver onder, waarbij met name het potentieel van het afvangen van biogene CO2 uit andere installaties dan de AEB (Maatregel 8) voor 2030 erg onzeker is en het potentieel van Maatregel 9 op dit moment nog niet kan worden bepaald. Als de maatregelen waarbij van CCS gebruik wordt gemaakt buiten beschouwing worden gelaten, zijn alle andere maatregelen samen uit Tabel 4 gezamenlijk nog niet voldoende om de noodzakelijke 460 kton emissiereductie in 2030 te behalen.
We kunnen dus concluderen dat het nog mogelijk is om de doelstelling van 60% reductie in 2030 te realiseren. Het vergt echter nog grote inspanningen voor de maatregelen die al zijn opgenomen in de raming én voor het nemen van ingrijpende aanvullende maatregelen. We adviseren om alle maatregelen nader uit te werken, zodat de kans zo groot mogelijk is dat het doel uiteindelijk wordt gehaald.
32
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
6 Literatuur Actienetwerk 15% GasTerug, 2022 Actienetwerk 15% GasTerug [Online] https://ikzetookdeknopom.nl/ AEB, 2018 AEB Bio-energiecentrale [Online] https://www.aebamsterdam.nl/nieuws/aebbio-energiecentrale-aeb-bec/. Amsterdam, G., 2023. Energie besparen? Doe mee met de actie!, https://www.amsterdam.nl/ondernemen/nieuws/energie-besparen-doe-meeactie/. Berenschot, 2022. De Amsterdamse klimaatambitie, Aanvullende maatregelen om te komen tot 55% CO2 -reductie in 2030. CE Delft, 2009. Langzamer is zuiniger : Verkenning van klimaatwinst van snelheidsverlaging op de snelweg, Delft: CE Delft. CE Delft, 2021. Monitor Amsterdam Klimaatneutraal : Effect van voorgenomen beleid op CO2-uitstoot – Update 2021, Delft: CE Delft. CE Delft, 2022a. Bijmengverplichting groen gas. Ontwerpopties en effectenanalyse, Delft: CE Delft. CE Delft, 2022b. Effect van normering hybride warmtepompen op Amsterdam, Delft: CE Delft. CE Delft, 2022c. Raming Amsterdam Klimaatneutraal : Effect van beleid op CO2-uitstoot (update 2022), Delft: CE Delft. Auteur, Jaar. Titel. Editie ed. Plaats van uitgave: Uitgever. College van B&W gemeente Amsterdam, 2022b. Raadsinformatiebrief Uitwerking van het isolatieoffensief, Gemeente Amsterdam, https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/11985420/1/01+Raadsinformatie brief+uitwerking+van+het+isolatieoffensief.
Gasunie, 2022 Superkritische watervergassing [Online] https://www.gasunie.nl/projecten/superkritische-watervergassing. Gemeente Amsterdam, 2020. Amsterdam Duurzaam Digitaal: Vestigingsbeleid datacenters gemeente Amsterdam 2020-2030, Gemeente Amsterdam, 14 oktober 2020 https://openresearch.amsterdam/nl/page/62735/vestigingsbeleid-datacentersgemeente-amsterdam-2020-%E2%80%93-2030. Auteur, Jaar. Titel. 30 km/u in de stad. Editie ed. Plaats van uitgave: Uitgever. Gemeente Amsterdam, 2022 Dataset CO2 uitstoot Amsterdam [Online] https://onderzoek.amsterdam.nl/dataset/co-2-uitstoot-amsterdam. Gemeente Diemen, Gemeente Almere, Gemeente Amsterdam, Gemeente Weesp, Gemeente Gooise Meren, Provincie Noord Holland & Vattenfall, 2019. Convenant verduurzaming stadsverwarmingscentrale Diemen, https://bestuur.gooisemeren.nl/fileadmin/news_import/1501018_Bijlage_bij_RM__Convenant_Stadsverwarmingscentrale_Diemen.pdf. Groenen, T., 2018. Nijmegen Warm Welkom : Onderzoek t.b.v. campagne 2018: Tessa Groenen Projectmanagement en advies│ MVO │ Recreatie & toerisme. Het Parool, 2022. Bedrijven op de Zuidas doen 's nachts de lichten uit, https://www.parool.nl/amsterdam/bedrijven-op-de-zuidas-doen-s-nachts-delichten-uit~b63f1b8b/. Mini-burgerberaad, 2021. Een mini-burgerberaad over een maxi-vraagstuk: Amsterdam van 37% naar 55% CO2 -reductie in 2030, Amsterdam: Gemeente Amsterdam.
Ministerie van EZK, 2022. Wet collectieve warmtevoorziening, besluit infrastructuur in publieke handen, Rijksoverheid, https://open.overheid.nl/repository/ronl8945a8c0bcb7be54eae00d4d2bbb75763326f399/1/pdf/wet-collectievewarmtevoorziening-besluit-infrastructuur-in-publieke-handen.pdf.
33
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
NHK, 2018. Factsheet CO2 uitstoot van haarden en kachels in Nederland, https://stichtingnhk.nl/wp-content/uploads/2018/12/1812-CO2-document-houtstook.pdf. Nu.nl, 2022 Gasverbruik in Nederland met tientallen procenten gedaald [Online] https://www.nu.nl/economie/6224427/gasverbruik-in-nederland-met-tientallenprocenten-gedaald.html. Offshore Energy, 2022 Port of Amsterdam to house world’s largest bio-LNG plant [Online] https://www.offshore-energy.biz/port-of-amsterdam-to-house-worlds-largest-biolng-plant/. PBL, 2022a. Beleidsoverzicht en factsheets beleidsinstrumenten. Achtergronddocument bij de Klimaat- en Energieverkenning 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). PBL, 2022b. Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Peraki, L., 2019. Towards a climate-neutral wastewater treatment plant in Leeuwarden. PvdA, GroenLinks & D66, 2022. Amsterdams Akkoord 2022-2026, Amsterdam: Gemeente Amsterdam. Rebel, 2021. Actualisatie toekomstscenario’s voor afvalverbranding in Nederland. Rijksoverheid, 2019. Klimaatakkoord, Den Haag: Rijksoverheid. Rijksoverheid, 2021. Ontwerp memorie van toelichting: Wet van [datum] tot wijziging van de Omgevingswet en de Gaswet in verband met gemeentelijke instrumenten voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie), Den Haag: Rijksoverheid.
Simon, F., 2021. EU plans certification scheme for carbon dioxide removals, EURACTIV, 4 November 2021 https://www.euractiv.com/section/energy-environment/news/euplans-certification-scheme-for-carbon-dioxide-removals/. Southpole, 2022. Quick scan on the carbon removal potential in the Amsterdam Metropolitan Area and the North Sea Canal area. Staatsecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, M. i. W., 2022. Kamerbrief over eerste hoofdlijnen Betalen naar Gebruik. TNO, 2019. Routekaart verduurzaming van het zorgvastgoed – ziekenhuizen: TNO Innovation for Life. Vattenfall, 2020. Stadswarmte-etiket 2020, https://www.vattenfall.nl/media/consumenten/producten/stadsverwarming/co2rapporten/vattenfall-stadswarmte-etiket-2020.pdf. Vattenfall, 2021. Stadswarmte-etiket 2021, https://www.vattenfall.nl/media/consumenten/producten/stadsverwarming/co2rapporten/vattenfall-warmte-etiket-stadswarmte-2021.pdf. Verkeerskunde., 2022 Geen landelijke kilometerheffing, wel een congestieheffing in Groot-Amsterdam [Online] https://www.verkeerskunde.nl/blog/blog-geenlandelijke-kilometerheffing-wel-een-congestieheffing-in-groot-amsterdam. Waternet, 2022. Bouw groengasinstallatie, https://www.waternet.nl/werkzaamheden/bouw-groengasinstallatie/.
34
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
A Update raming Amsterdam klimaatneutraal CE Delft voert een jaarlijkse update uit van een raming van de CO 2-uitstoot in 2030 in de gemeente Amsterdam. De meest recente jaarlijkse update was in februari 2022 (CE Delft, 2022c). In november 2022 is de klimaat en energieverkenning (KEV) 2022 uitgekomen(PBL, 2022b). De KEV ligt aan de basis van de raming van de CO2-uitstoot. In het kader van dit onderzoek is het van toegevoegde waarde om nu (ruim een half jaar na de jaarlijkse update) toch al een tussenupdate van de raming te doen. In deze update nemen we in principe alleen de update van de KEV mee. Daarnaast nemen we enkele kleine updates in het beleid van de gemeente Amsterdam mee. In lijn met het landelijk beleid is de doelstelling van 55% aangepast naar een streven naar 60% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. In deze bijlage beschrijven we de wijzigingen ten opzichte van de raming gedaan in februari 2022. Voor de onderwerpen die we in hier niet beschrijven zijn de aannames gelijk gebleven aan de aannames in de versie van februari 2022.
A.1
Gebouwde omgeving Het transitiepad Gebouwde Omgeving behelst woningen, commerciële dienstverlening en publieke dienstverlening. We gaan hier in op het aardgasverbruik en warmtenetten. Elektriciteitsverbruik is opgenomen onder transitiepad Elektriciteit.
Beleid en ontwikkelingen Verduurzaming warmtenetten Amsterdam kent twee grote warmtenetten, Westpoort Warmte en het warmtenet in Zuid en Oost. De gemiddelde emissiefactor van het warmtenet in 2021 was 21 kg/GJ (Vattenfall, 2021), tegen 26 kg/GJ in 2020 (Vattenfall, 2020). De emissiefactor is gedaald door inzet van ondermeer biomassa voor de productie van warmte. Voor beide warmtenetten zijn ambities uitgesproken om de CO2-emisises in 2040 lineair vanaf nu terug te brengen naar 0. Voor het warmtenet Noord en West zijn al bindende afspraken gemaakt. Voor het warmtenet Zuid en Oost zijn er nog geen bindende afspraken gemaakt. We nemen aan dat in de raming het warmtenet Noord/West volledig verduurzaamt richting 2040. In het minimale uitstoot scenario nemen we aan dat ook Zuid/Oost volledig verduurzaamt tot 2040. De emissiefactor voor warmte in 2030 komt daarmee uit op 19 (10-21) kg/GJ, tegen 23 kg/GJ6 in de raming van februari.
Emissiefactor gas omhoog bijgesteld Volgens de KEV 2022 is de emissiefactor van gas 56,4 kg/GJ in 2030. De geagendeerde maatregel ‘bijmengverplichting voor groengas in de gebouwde omgeving’ is in de KEV 2022 niet toegekend aan de sector gebouwde omgeving, maar wel meegenomen in de bandbreedte (PBL, 2022b). De KEV gaat uit van 0 tot 0,4 miljard m3 bijmenging, dit is beperkt in verhouding met de doelstelling van 1,6 miljard m3 (20% van het gasverbruik in de gebouwde ________________________________ 6
35
Door een aanpassing in de verbruiken is deze emissiefactor hoger dan gerapporteerd in (CE Delft, 2022c).
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
omgeving). Omdat in de plannen geen voorziening is opgenomen om deze emissiereductie alleen te mogen toekennen aan de gebouwde omgeving, is in de KEV-bandbreedte de reductie naar rato van het gasgebruik verdeeld worden over alle eindverbruik sectoren in Nederland (PBL, 2022a). In de raming stellen we, in lijn met de KEV, de emissiefactor omhoog bij ten opzichte van de raming in februari 2022. Dit zorgt voor een kleine toename in de emissies uit aardgas in de gebouwde omgeving ten opzicht van de raming in februari 2022. Ook nemen we in de raming, net als in de KEV, de beperkte bijmenging in het minimale scenario (minimale uitstoot) mee. Dit draagt beperkt bij de aan de totale daling aan emissies uit aardgas in alle sectoren in het minimale scenario.
Afschaffing Amsterdamse BENG+ De scherpere Amsterdamse BENG-normen (BENG+) zijn in het coalitieakkoord afgeschaft (PvdA et al., 2022). Deze scherpere normen werden in de raming niet meegenomen (CE Delft, 2021), de afschaffing heeft dus geen effect op de raming.
Uitkomsten De emissies dalen 21% (14-33%) in 2030 ten opzichte van 2019. De emissies van Gebouwde Omgeving bedroegen 1.208 kton in 2019. Voor 2030 is 950 kton geraamd, met een bandbreedte van 810 tot 1.040 kton. In Tabel 5 zijn de resultaten weergegeven. De raming is gelijk aan de raming van de vorige versie. De emissies uit aardgas zijn toegenomen ten opzichte van de vorige raming, en de emissies van de warmtenetten zijn afgenomen. Deze effecten leiden netto tot geen verandering in de geraamde emissies voor de gebouwde omgeving in 2030. De reductie voorzien tussen 2019 en 2030 komt deels voort uit autonome ontwikkelingen (van 1.208 kton naar 1.060), deels uit gemeentelijk beleid (naar 940), waarna groei van de stad de uitstoot weer doet toenemen (naar 950 kton). Tabel 5 – CO2-uitstoot Gebouwde Omgeving (kton CO2-eq. per jaar)* 2019
2025
2030
Aardgasverbruik woningen
661
→
570
530-590
↑
450
390-520
Aardgasverbruik commerciële dienstverlening
244
→
220
220-220
↑
220
170-220
Aardgasverbruik publieke dienstverlening
194
→
180
180-190
→
170
160-180
Warmteverbruik woningen
25
↓
30
30-30
↓
50
5-49
Warmteverbruik diensten
36
→
30
30-30
↓
22
20-30
49
→
40
40-40
→
40
30-40
1.208
1.070
1.020-1.110
950
810-1.040
Uitstoot overige broeikasgassen Totaal
* Bandbreedte in grijs; hogere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, lagere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, → geraamde uitstoot gelijk aan vorige versie.
36
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
A.2
Mobiliteit Beleid en ontwikkelingen Voor de mobiliteit is geen nieuw gemeentelijk beleid meegenomen in deze update. De gemeente Amsterdam werkt momenteel aan een uitvoeringsagenda uitstootvrije mobiliteit, die medio 2023 wordt verwacht met actualisatie van ambities uit Actieplan Schone Lucht. Voor mobiliteit hebben we daarom in deze raming alleen de prognoses van de KEV 2022 geüpdatet. In de KEV 2022 gaan de uitstoot van wegverkeer, mobiele werktuigen en mobiliteit in het algemeen iets omlaag.
Uitkomsten De emissies dalen 78% (43-79%) in 2030 ten opzichte van 2019. De emissies van Mobiliteit bedroegen 825 kton in 2019. Voor 2030 is 180 kton geraamd, met een bandbreedte van 170 tot 470 kton. De raming is licht positiever dan de vorige versie van de raming (190 kton), met name door de licht positievere prognoses in de KEV 2022. De reductie voorzien tussen 2019 en 2030 komt deels voort uit autonome ontwikkelingen (van 825 naar 660 kton) en voor het overgrote deel uit de emissievrije zones (naar 180 kton), met een tot slot enige toename door groei van de stad (naar 185 kton). In Tabel 6 lijkt het alsof alle emissies per categorie gelijk blijven, maar alleen het totaal is gedaald. Dit komt door afrondingen, de verschillen per categorie vallen weg bij het afronden op tientallen, maar tellen in totaal wel op tot een emissiereductie die zichtbaar is in de afgeronde getallen. Tabel 6 - CO2-uitstoot Mobiliteit (kton CO2-eq. per jaar) * 2019
2025
2030
Brandstofverbruik wegverkeer excl. snelwegen
390
→
290
250-320
→
20
20-170
Brandstofverbruik wegverkeer snelwegen
288
→
240
220-250
→
130
120-190
Brandstofverbruik mobiele werktuigen
109
→
70
50-90
→
30
20-90
Brandstofverbruik recreatievaart
4
→
2
2-3
→
-
0-1
Brandstofverbruik veren
4
→
3
3-3
→
3
0-3
Brandstofverbruik railverkeer
0
→
-
0-0
→
-
0-0
Uitstoot overige broeikasgassen
30
→
20
20-30
→
7
6-16
Totaal
825
↓
620
540-690
↓
180
170-470
* Bandbreedte in grijs; hogere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, lagere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, → geraamde uitstoot gelijk aan vorige versie.
37
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
A.3
Haven en industrie Beleid en ontwikkelingen Voor haven en industrie is geen nieuw gemeentelijk beleid meegenomen in deze update. We hebben alleen de prognoses van de KEV 2022 geüpdatet. In de KEV 2022 is de uitstoot van de haven en industrie die onder het ETS systeem valt iets hoger dan in de KEV 2021, de uitstoot van industrie die niet onder het ETS systeem valt is iets lager, uitstoot uit bunkerbrandstoffen zijn iets hoger. De totale industrie heeft in de prognoses van de KEV 2022 een hogere uitstoot dan in de KEV 2021.
Uitkomsten De emissies dalen met 48% (bandbreedte is een stijging van 4% tot een daling van 60%) in 2030 ten opzichte van 1990. De emissies van Haven en Industrie bedroegen 716 kton in 2019. Voor 2030 is 370 kton geraamd, met een bandbreedte van 290 tot 750 kton. De raming is daarmee gelijk aan de vorige versie. Tabel 7 laat zien dat de emissies van het aardgasverbruik van de bouwnijverheid omlaag is gegaan ten opzichte van de vorige versie, maar dat de totale emissies gelijk zijn met de vorige versie. Dit komt doordat we afgeronde getallen laten zien. De daling in het aardgasverbruik van de bouwnijverheid zie je niet terug in het afgeronde getal van de totale emissies. AEB heeft in 2019 deels stilgelegen en noteerde daardoor een lagere uitstoot. Dit was tijdelijk, maar de uitstoot zal niet geheel op het niveau van 2018 terugkomen, onder meer onder invloed van de CO2-heffing. Net als in de raming van februari 2022, gaan we ervan uit dat, bij realisatie van CO2-afvang, de hoeveelheid afval die verbrand wordt wel terug naar het niveau van 2018 gaat. Dit verklaart dat de emissies van AEB in 2025 hoger zijn dan in 2019. Tabel 7 - CO2-uitstoot Haven en industrie (kton CO2-eq. per jaar) * 2019
2025
2030
Aardgasverbruik industrie
245
↑
260
240-270
→
190
130-220
Aardgasverbruik bouwnijverheid
9
↓
9
7-11
↓
7
6-9
Warmteverbruik industrie
5
→
5
5-6
→
4
3-4
Brandstofverbruik nationale binnenvaart
19
→
20
20-20
→
20
20-20
Brandstofverbruik visserij
3
↑
4
3-4
→
4
3-5
AEB
363
→
470
460-510
→
80
80-410
Uitstoot overige broeikasgassen
72
↑
80
70-80
→
60
50-70
Totaal
716
↑
840
800-900
→
370
290-750
* Bandbreedte in grijs; hogere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, lagere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, → geraamde uitstoot gelijk aan vorige versie.
38
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
A.4
Elektriciteit Beleid en ontwikkelingen Verduurzaming van elektriciteit De emissiefactor van elektriciteit van het net zal afnemen. In KEV 2022 is berekend dat de emissiefactor door onder meer het Klimaatakkoord zal dalen tot 0,19 kg/kWh in 2025 en 0,07 kg/kWh in 2030. Vorig jaar waren de prognoses respectievelijk 0,21 en 0,09 kg/kWh. Deze bijstelling heeft een positieve impact op de raming van de CO 2-emissies van Amsterdam.
Minder groei datacenters Volgens het vestigingsbeleid van de gemeente Amsterdam is het extra gecontracteerd vermogen van bekende projecten 318 MW (Gemeente Amsterdam, 2020). De gemeente verwacht daar bovenop momenteel geen extra groei (behalve een mogelijke extra aanvraag in Weesp). In de raming gaan we er daarom vanuit dat tot 2030 nog 318 MW aan datacenters erbij komt. Dat is een stuk lager dan de groei waar in eerdere versies van de raming rekening mee was gehouden (ongeveer 500 MW).
Wijziging in elektriciteitsverbruik volgens de KEV In de KEV 2022 zijn wat wijzigingen in de prognoses van het elektriciteitsverbruik in 2030 ten opzichte van de KEV 2021. Het elektriciteitsverbruik van woningen is hoger ingeschat, het elektriciteitsverbruik van diensten, industrie en mobiliteit zijn lager ingeschat.
Uitkomsten Daling van emissies 66% (28-71%) in 2030 ten opzichte van 2019. De emissies van transitiepad Elektriciteit bedroegen 1.368 kton in 2019. Voor 2030 is 470 kton geraamd, met een bandbreedte van 400 tot 980 kton. De raming is gunstiger dan die van vorig jaar (700 kton). Dit komt door de bijstelling van de emissiefactor van elektriciteit en lagere inschatting voor de groei van datacenters. De belangrijkste factor in de voorziene daling tussen 2019 en 2030 is dan ook de schonere elektriciteitsproductie in 2030 (van 1.688 naar 306 kton). Beleid van de stad zorgt voor een grotere elektriciteitsvraag ter vervanging van aardgas en brandstoffen (emissies naar 360 kton). Groei van de stad, met name datacenters, zorgt voor verdere toename van de elektriciteitsvraag en bijbehorende uitstoot (naar 470 kton). Tabel 8 - CO2-uitstoot Elektriciteit (kton CO2-eq. per jaar) * 2019
2025
2030
Woningen
319
↓
190
190-240
↓
80
70-160
Commerciële dienstverlening
778
↓
410
400-510
↓
150
130-310
Datacenters
169
↓
190
130-310
↓
110
70-280
Publieke dienstverlening
229
↓
110
110-140
↓
40
40-80
Mobiliteit
-
→
60
50-70
↓
60
60-80
Industrie
180
↓
90
80-110
↓
40
30-70
Bouwnijverheid
13
↓
6
6-8
↓
2
2-4
1.368
↓
1.060
1.000-1.350
↓
470
400-980
Totaal
* Bandbreedte in grijs; hogere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, lagere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, → geraamde uitstoot gelijk aan vorige versie.
39
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
A.5
Conclusie Geraamde reductie voor 2030 is 48% (15-56%) ten opzichte van 1990 Figuur 2 - uitstoot in 1990 en 2019 en geraamde uitstoot in 2025 en 2030 (kton CO2-eq.)
. 6 6
. 2
6
.
2.
6
.
2
aven en Industrie
2 2
2
Gebouwde omgeving
obiliteit
lektriciteit
oel 2
6
De raming voor 2030 komt uit op 1.980 kton CO2-emissies, dat komt overeen met een reductie van 48% ten opzichte van 1990, met een bandbreedte van 15 tot 56% reductie. In de raming is een schatting gemaakt van de effecten van autonome ontwikkelingen, vastgesteld en voorgenomen gemeentelijk beleid, en groei van de stad. De doelstelling van 60% reductie wordt volgens deze raming niet gehaald, ook niet in het meest optimistische scenario.
Minder emissies geraamd, maar hogere doelstelling In februari 2022 kwam de raming voor 2030 uit op 42% (12-58%) reductie ten opzichte van 1990. De nieuwe raming is dus gunstiger wat betreft de emissies. Dit is grotendeels toe te schrijven aan de lagere emissiefactor voor elektriciteit voorzien in de KEV en dat datacenters minder groeien richting 2030 dan in de vorige raming. De doelstelling is echter bijgesteld van 55% naar een streven naar 60% reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Deze wordt volgens deze raming in geen enkel scenario behaald, terwijl in de vorige raming het doel van 55% wel werd gehaald in het meest optimistische scenario.
40
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023
Tabel 9 - CO2-uitstoot totaal (kton CO2-eq. per jaar)* 2019
2025
2030
Per transitiepad Gebouwde Omgeving
1.208
↓
1.070
1.020-1.110
→
950
810-1.040
Mobiliteit
825
↓
620
540-690
↓
180
170-470
Haven en Industrie
716
↑
840
800-900
→
370
290-750
Elektriciteit
1.688
↓
1.060
1.000-1350
↓
470
400-980
1.023
↓
810
770-880
↓
590
480-740
Duurzaamheid
399
→
500
490-540
→
110
110-440
Economische zaken
1.565
↓
1.170
1.040-1.330
↓
740
550-1.120
Gemeentelijk vastgoed
63
→
40
40-40
→
20
20-30
Grondzaken
22
→
20
10-20
↓
10
8-13
Kunst en cultuur
21
→
10
10-20
↓
8
8-11
Lucht- en zeehaven
22
→
20
20-30
→
20
20-30
Onderwijs
72
→
50
50-50
→
40
30-40
Sport en recreatie
43
→
30
30-30
→
20
20-20
Verkeer, vervoer en luchtkwaliteit
1.005
↓
800
740-880
↓
310
280-640
Water
4
→
2
2-3
→
-
0-1
Zorg
197
→
150
140-160
↓
110
110-140
Totaal
4.436
↓
3.590
3.370-4.050
↓
1.980
1.660-3.240
Per portefeuille Bouwen en wonen
* Bandbreedte in grijs; hogere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, lagere uitstoot geraamd nu dan vorige versie, → geraamde uitstoot gelijk aan vorige versie.
41
220443 - Inventarisatie aanvullend klimaatbeleid – Januari 2023